DANIËL DE FOE. (continued 4)
Reading edition

Wat ik met den ouden bok zou aanvangen, wist ik niet; hij was zoo woest dat ik niet bij hem in den kuil dorst gaan; dat wil zeggen om er hem levend uit te halen, hetgeen eigenlijk mijne bedoeling was. Ik had hem kunnen doodschieten, maar dat zou mij niet gebaat hebben; dus liet ik hem er uit en hij liep weg als of hij dol was; maar ik wist toen niet, hetgeen ik naderhand leerde dat honger zelfs een leeuw kan temmen. Als ik hem daar drie of vier dagen zonder voedsel had gelaten, en hem dan eenig water om te drinken en eenig graan had gebragt, zou hij zoo tam als een geitje geweest zijn, want dit waren zeer scherpzinnige en makke dieren, als men ze goed behandelde.
Ik liet hem dus voor het tegenwoordige gaan, daar ik toen niets beters wist te doen; daarop ging ik naar de drie geiten, en bond die een voor een met strikken vast en bragt ze niet zonder moeite naar huis. Het duurde lang voor zij wilden eten, maar door haar eenig rijp graan voor te werpen haalde ik ze er toe over en zij begonnen tam te worden. En nu begreep ik dat als ik mij zelven met geitenvleesch wilde voeden, wanneer mijn kruid en lood op zou zijn, het eenigste middel hiertoe was eenige tamme aan te fokken, wanneer ik ze misschien, als eene schaapskudde rondom mijne woning zou kunnen laten weiden.
Ik begreep echter daarbij dat ik de tammen van de wilden moest afgescheiden houden, want anders zouden zij onder het opgroeijen altijd wild worden. De eenigste weg hiertoe was het afperken van een stuk lands met een heining of met paalwerk, ten einde zij zoodanig afgesloten waren, dat die er binnen waren er niet uit, en die er buiten waren er niet in konden komen. Dit was eene groote onderneming voor iemand met slechts twee handen. Daar ik er echter de volstrekte noodzakelijkheid van inzag, was mijn eerste werk eene geschikte plek grond te vinden, namelijk waar waarschijnlijk gras voor haar om te eten, water om te drinken, en beschutting voor de zonnehitte zou zijn.
Degenen, die van dergelijke inrigtingen verstand hebben, zullen zeggen dat ik zeer weinig inzigt van de zaak had, toen ik als eene allezins geschikte plek eene opene vlakke weide uitkoos, met twee of drie beekjes van loopend water, en dat aan het eene einde met boomen bezet was. Zij zullen over mijn voornemen lagchen als ik zeg, dat ik dit stuk grond, zoodanig begon te omheinen, dat mijn heining of paalwerk ongeveer twee (Eng.) mijlen groot zou worden. De dwaasheid bestond niet in den omtrek, want al was die tien mijlen geweest, zou ik waarschijnlijk tijd genoeg gehad hebben om het in te doen, maar ik bedacht niet, dat mijne geiten in zulk eene groote ruimte even wild zouden zijn, als of zij het geheele eiland voor zich hadden; en ik zou zooveel ruimte hebben om haar in te jagen dat ik ze er waarschijnlijk nooit zou kunnen vangen.
Toen ik met mijne heining ongeveer vijftig ellen gevorderd was, kwam dat denkbeeld het eerst bij mij op en deed mij dadelijk mijn werk staken. Ik besloot daarop vooreerst een stuk af te perken van honderd en vijftig el lang, en honderd el breed, hetwelk voor 's hands genoeg was ter voeding van degeen, die ik vooreerst zou hebben, en als mijne kudde vermeerderde, kon ik altijd meer grond afperken. Dit was verstandiger overlegd en ik ging met ijver aan het werk. Ik had ongeveer drie maanden werk er aan, en in dien tijd bond ik de drie geiten op de beste plek er in vast en gewende ze zoo digt bij mij te grazen als mogelijk, om ze mak te maken. Ik ging er dikwijls heen met eene hand vol graan of rijst en liet ze uit mijne hand eten, zoodat toen mijne heining af was, en ik ze los liet, zij mij blatende achterna liepen, om een handvol koorn.
Dit was juist wat ik verlangde, en in anderhalf jaar had ik eene kudde van twaalf geiten, de jongen medegerekend, en twee jaren daarna had ik er drieënveertig, behalve verscheidene, die ik geslagt en opgegeten had, en na dien tijd perkte ik vijf verschillende stukken gronds af, met smalle doorgangen om haar in te drijven en te vangen als ik ze noodig had, of van het eene perk in het andere wilde drijven. Doch dit was niet alles, want niet alleen dat ik nu als ik het verlangde geitenvleesch had, maar ik had ook melk, iets waaraan ik in den beginne zelfs niet gedacht had, en dat later mij eene aangename verrassing was, want ik had soms tien of twaalf pinten melk per dag; en daar de natuur als zij ons iets schenkt, ons gewoonlijk het ook leert gebruiken, zoo bragt ik het eindelijk zoo ver, hoewel ik nimmer eene koe of geit gemolken had, noch boter of kaas ooit had zien maken, dat ik, schoon na vele mislukte proeven, eindelijk boter en kaas maakte, en er naderhand nimmer gebrek aan had. Hoe genadig kan toch onze Schepper zijne schepselen behandelen, zelfs in omstandigheden, in welke zij door de onoverkomelijkste rampen getroffen schijnen! Hoe kan Hij onzen bittersten toestand verzachten, en ons reden geven Hem zelfs in den diepsten kerker te loven! Welk eene tafel was thans voor mij gespreid in eene wildernis, waarin ik in den beginne niets dan den hongerdood voor oogen zag!

De ernstigste mensch zou gelagchen hebben, als hij mij met mijn huisgezin aan tafel had zien zitten. In de eerste plaats was er zijne majesteit, de onbeperkte gebieder van het geheele eiland, de heer over leven en dood van alle schepselen daarop. Ik kon al mijne onderdanen gevangen zetten, ter dood brengen of genade schenken, naar ik zulks goed vond, en ik had voor geene rebellie onder hen te vreezen. Ik at, als een koning, geheel alleen, omringd door al mijne dienaren! Mijn papegaai, als mijn gunsteling, had alleen het regt tot mij het woord te voeren; mijn hond, die nu oud en afgeleefd was, en zijn geslacht niet had kunnen voortplanten, zat altijd aan mijne regterhand, en twee katten, een aan weerszijden van de tafel, verwachtten nu en dan een stuk uit mijne hand, als een blijk van hooge gunst. Het waren echter niet de twee katten, die ik van boord had medegebragt, deze waren beide gestorven, en door mij digt bij mijne woning begraven; het waren afstammelingen van eene van haar, met eene soort van wilde kat, naar ik denk. Dit waren de eenigste, die ik tam gehouden had, de overigen zworven wild in de bosschen, en waren mij geweldig lastig, want zij kwamen dikwijls in mijn huis alles wegstelen; eindelijk schoot ik er eene menigte dood, waarna de overigen mij van haar bezoek verschoonden. Aldus leefde ik in overvloed zonder dat ik zeggen kon iets te missen dan gezelschap, en dat ontving ik eenigen tijd later meer dan mij lief was.

Ik verlangde dikwijls, gelijk ik vroeger zeide, mijne boot weder tot mijn gebruik te hebben, maar ik had weinig lust, de vorige gevaren te wagen; en dus zat ik somwijlen op middelen te denken om haar aan deze zijde van het eiland te brengen, en op een anderen tijd was ik weder zonder haar tevreden. Ik verlangde echter zeer dat gedeelte van het eiland te zien, waar ik bij mijn laatste reis op den heuvel klom, om te zien hoe het strand en de strooming liep. Alle dagen werd dit verlangen sterker, en eindelijk besloot ik te land daarheen te trekken, en ik deed dit langs het strand. Maar zoo iemand in Engeland een mensch ontmoet had, zoo uitgerust als ik, zou hij doodelijk verschrikt, of in lagchen uitgebarsten zijn. Ik lachte dikwijls als ik mij zelf bezag, en dacht hoe men zou opzien als ik zoo eens door Yorkshire trok. Luister slechts hoe ik er uitzag.
Ik had eene groote, hooge, onbehouwen muts op, van geitenvellen, met een klep van achteren, zoowel voor het branden van de zon, als omdat de regen niet in mijn hals zou loopen, want in dit klimaat is niets nadeeliger dan dat de regen onder iemands kleederen en op de huid komt.
Ik droeg eene korte buis van geitenvellen die mij tot halverwege de knieën kwam, en een broek, die tot over de knieën hing, van de huid van een ouden bok gemaakt, wiens haar zoolang was dat het mij tot aan den voet reikte. Ik had geen kousen of schoenen, maar een paar laarzen gemaakt, die ik om mijne beenen sloeg en vastreeg, maar van een allerleelijkst maaksel, gelijk eigenlijk mijne geheele kleeding was.
Ik had een breeden gordel van gedroogd geitenvel, dien ik met een paar riempjes zamenbond, en aan weêrszijden daarvan, in plaats van een ponjaard of dolk, aan den eenen kant eene zaag, aan den anderen eene bijl hangen. Nog een andere band, maar zoo breed niet, hing over mijn schouder, en onder aan denzelven, onder mijn linkerarm, hingen een paar zakjes, ook van geitenvel gemaakt; in het eene was kruid, in het andere hagel. Op mijn rug droeg ik eene mand, op mijn schouder een geweer, en boven mijn hoofd, een groot, leelijk, vuil, geitenvellen zonnescherm, dat ik na mijn geweer het allerminst missen kon. Mijn gelaat was echter niet zoo bruin als men wel had kunnen verwachten van iemand, die zich nooit daarvoor in acht genomen en tien of twaalf jaren tusschen de keerkringen geleefd had. Mijn baard had ik eens meer dan een voet lang laten groeijen; maar daar ik genoeg scharen en scheermessen had, hield ik dien gewoonlijk kort, met uitzondering van een paar knevels, zoo als ik eenige Turken te Salé heb zien dragen, (want de Mooren deden dit nooit). Deze knevels waren wel niet lang genoeg om mijne muts aan te hangen, maar zouden toch in Engeland monsterachtig genoemd zijn geworden.

Doch dit is in het voorbijgaan, ik werd door niemand gezien, en sloeg er dus ook weinig acht op hoe ik er uitzag. Ik zal dus hierover in het vervolg zwijgen. Aldus uitgerust ging ik op reis, en bleef vijf of zes dagen uit. Ik trok eerst het strand langs, regt naar de plaats waar ik met mijne boot geankerd had, om op de klippen te klimmen, en daar ik nu voor geene boot behoefde te zorgen, ging ik over land een nader weg, naar dezelfde hoogte waarop ik vroeger geweest was, toen ik naar het rif uitzag, dat ik omzeilen moest. Daar zag ik tot mijne verbazing, dat de zee geheel effen en kalm was, er was noch rimpeling, noch beweging noch strooming, niets meer dan op andere plaatsen. Ik begreep dit niet, en besloot eenigen tijd te besteden om hiervan de oorzaak te ontdekken, en weldra zag ik die, namelijk dat de eb, die uit het westen opkwam, en zich met de uitstrooming van eene groote rivier op de kust vereenigde, de oorzaak dezer strooming was, en dat naar gelang de wind meer westelijk of noordelijk was, zij digter of verder van de kust af was. Duidelijk zag ik ook de strooming weder toen de eb doorkwam, behalve, dat zij bijkans een vierde mijl van het strand liep, terwijl zij vroeger langs de kust loopende, mij medegesleept had, hetgeen op een ander tijd niet zou gebeurd zijn.
Dit overtuigde mij, dat als ik slechts op eb en vloed acht gaf, ik mijne boot zeer gemakkelijk weder aan het ander einde van het eiland kon brengen; maar als ik om de uitvoering dacht, werd ik weder zoo beangst bij de herdenking van het gevaar, waarin ik geweest was, dat ik het niet ondernemen durfde. Ik besloot dus eene veiliger maar moeijelijker partij te kiezen, namelijk van eene andere kanoe of praauw te maken, ten einde aan iedere zijde van het eiland een vaartuig te hebben.
Men moet in het oog houden, dat ik nu als het ware, twee plantaadjen op het eiland had. De eerste was mijne tent of kasteel, met het paalwerk er omheen, en de kelder er achter, onder de rots, welken laatsten ik in verschillende kelders had afgeschoten. De eene, die de grootste en droogste was, die een uitgang had buiten mijn muur, namelijk waar die aan de rots stiet, stond vol met groote aarden potten en met veertien of vijftien groote manden, waarin ik mijn koorn en rijst bewaarde.
De muur had ik, gelijk ik gezegd heb, met takken omzet, die allen tot boomen opgroeiden, en thans zoo zwaar geworden waren, dat niemand daar door heen mijne woning had kunnen ontdekken. Nabij deze woning, doch een weinig meer landwaarts in en in lager grond, lagen mijne twee graanakkers, die ik behoorlijk bebouwde, en die mij jaarlijks goeden oogst opleverden. Als ik meer graan had willen hebben, had ik geschikte stukken grond, daarnevens liggen.
Bovendien had ik mijne buitenplaats, en daar thans ook eene tamelijke plantaadje. Vooreerst had ik mijn priëel, gelijk ik het noemde, dat uit eene ronde heining bestond, die ik altijd op dezelfde hoogte hield, met eene ladder in het midden. Ik hield de boomen, waaruit het bestond, altijd zoo, dat zij zich wijd uitspreidden en eene alleraangenaamste schaduw opleverden. Midden hierin stond mijne tent, een stuk zeildoek over palen uitgespreid, en die nimmer eenig herstel noodig had, en hieronder had ik eene legerstede van dierenhuiden gemaakt, met eene deken en een jas, beide uit het schip gered. Als ik gelegenheid had mij van mijne woning te verwijderen, dan ging ik mijne buitenplaats betrekken.
Bovendien had ik verscheidene afperkingen voor mijne kudde geiten. Het maken daarvan had mij ontzettende moeite gekost, zoodat ik altijd vreesde, dat de geiten er eens mogten doorbreken, en ik had geen rust, voordat ik eene zoo groote menigte kleine stekken er bijgezet had, dat het veeleer palissaden dan eene heining geleek, en toen naderhand in het regensaisoen deze stekken wortel schoten, maakte dit de omheining sterker dan een muur had kunnen zijn.
Hieruit ziet men, dat ik niet ledig was, en geene moeite spaarde voor hetgeen tot mijn onderhoud noodig was, want ik begreep, dat het aanfokken van tamme dieren, voor mij een levend magazijn van vleesch, melk, boter en kaas zou zijn, al moest ik hier ook nog veertig jaren leven. Dit hing echter geheel af van de sterkte der omheining, die ik nu ook zoo sterk had gemaakt, dat ik van de opgroeijende staken naderhand eenigen moest rooijen.
Hier groeiden ook mijne druiven, die mij mijn voorraad van rozijnen voor den winter leverden; en die ik allerzorgvuldigst bewaarde als mijne aangenaamste spijs. Zij waren niet alleen lekker, maar allergezondst, voedzaamst en verkwikkend. Daar deze plaats ook halfweg was tusschen mijne woning en de plaats waar mijne boot lag, kwam ik hier dikwijls, want ik bezocht mijne boot menigwerf, en hield die, met alles wat er bij behoorde, in goede orde. Somtijds ging ik er mede varen, maar geen gevaarlijke togten, geen twee steenworpen ging ik van de kust af, zoo vreesde ik door onbekende stroomingen, den wind of andere toevallen, weder weggeslagen te worden. Doch thans kom ik tot een ander tooneel van mijn leven.

Op zekeren dag, tegen den middag, ging ik naar mijne boot, maar stond niet weinig verbaasd, toen ik duidelijk op het zand den indruk van een naakten menschenvoet zag. Ik stond als van den donder getroffen, of als of ik een geest gezien had. Ik luisterde, ik zag in het rond, maar hoorde noch zag niets. Ik ging op eene hoogte om verder te kunnen zien, ik ging het strand op en neder, maar zag geen anderen indruk dan dien enkelen. Weer ging ik er heen om te zien, of er ook meer waren, of dat het bloot verbeelding van mij was; maar het was de volmaaktste indruk van een voet, de teenen, de hiel en alles; hoe dit daar kwam kon ik volstrekt niet begrijpen. Maar na ontelbare gissingen, ging ik geheel verward en buiten mij zelven naar huis terug; zonder dat ik, gelijk men zegt, den grond onder mijne voeten voelde, terwijl ik bij elke schrede omzag, en iederen geknotten boomstam voor een mensch aanzag. Het is niet te beschrijven, wat ik mij niet al verbeeldde, en welke uitsporige denkbeelden niet al bij mij opkwamen.

Toen ik aan mijn kasteel kwam, gelijk ik het na dien tijd altijd noemde, vloog ik naar binnen alsof ik vervolgd werd, ik weet zelfs niet of ik met de ladder of door het gat in de rots, dat ik mijne deur noemde, er in ging, maar nimmer vloog een verschrikte haas of gejaagde vos naar zijn hol met meer schrik, dan ik naar mijne schuilplaats. Ik sliep den geheelen nacht niet, en wat zonderling is, mijn angst was heviger geworden, naarmate ik verder van de oorzaak van denzelven verwijderd was. Hoe meer ik er over dacht, des te schrikkelijker beelden stelde mijne verbeelding mij voor oogen. Somtijds dacht ik aan den duivel, want hoe kon een mensch het gedaan hebben? Waar was het schip, dat hem daar gebragt had? Welke sporen waren er nog meer van voetstappen? Hoe kon een mensch daar komen? Maar aan den anderen kant was het niet te denken, dat de satan de menschelijke gestalte zou aangenomen hebben, alleen om daar een indruk van zijn voet achter te laten. Hij had mij op duizend andere wijzen kunnen plagen, zonder zoo dom te zijn den voetstap te zetten op de andere zijde van het eiland; waar het tienduizend tegen een was, dat ik hem ooit zien zou, en dat nog wel in het zand, waar de eerste golf, bij een hoogen vloed, en harden wind, dien moest uitwisschen. Dit alles scheen onbestaanbaar en geheel strijdig met de slimheid, die men den duivel toeschrijft.
Eene menigte redenen stelden mij aan dien kant gerust, en ik besloot eindelijk, dat het een van de wilden van het vasteland aan de overzijde moest geweest zijn, die op zee met hunne kanoe door strooming of tegenwind, op het eiland gedreven, maar weder in zee gestoken waren, als zijnde welligt even afkeerig van een verblijf daarop, als ik van een bezoek van hen.
Toen mij dit inviel, achtte ik mij gelukkig, dat ik te dier tijd daar niet geweest was, noch zij mijne boot gezien hadden, wanneer zij begrepen konden hebben, dat het eiland bewoond was, en daarnaar onderzocht hebben. Nu vreesde ik, dat zij mijne boot gevonden zouden hebben, en in dat geval in groot aantal terugkomen, om mij op te eten; en al vonden zij mij niet, zouden zij toch mijne heining en al mijn graan vernielen, mijne kudde stelen, en ik zou ten laatste van honger moeten omkomen.
Aldus verbande de vrees al dat vertrouwen op God, dat gegrond was op de vele bewijzen zijner goedheid jegens mij; als of Hij, die mij tot hiertoe zoo wonderdadig gespijsd had, niet door zijne magt, ook den mij geschonken voorraad kon beschermen. Ik verweet mij thans mijne luiheid, dat ik niet meer koorn had gezaaid, dan ik voor een jaar zou genoeg hebben, als of het te veld staande niet door eenig toeval kon te loor gaan; en deze bedenking achtte ik zoo gegrond, dat ik besloot in het vervolg altijd voor twee of drie jaar koorn in voorraad te hebben, ten einde wat er ook gebeuren mogt, niet aan broodgebrek te sterven.
Welk een raadselachtig wezen is de mensch, en door welke bedekte springveren komen zijne hartstogten in werking? Wat wij heden beminnen, zullen wij morgen haten; heden zoeken wij wat wij morgen zullen ontvlugten. Dit bleek thans ten duidelijkste aan mij. Mijne eenigste droefenis was, dat ik, als het ware, van alle menschelijke gezelschap verbannen was, ik die alleen en van het geheele menschdom door den grenzenloozen Oceaan gescheiden, tot een als het ware zwijgend leven veroordeeld, die als onwaardig geacht was, om onder de levenden gerekend te worden, ik, wien het zien van een mijner natuurgenooten, als een overgang van den dood tot het leven, als de grootste gunst, die de hemel mij schenken kon, buiten mijn eeuwig heil, zou beschouwd hebben; ik sidderde thans op het denkbeeld van een mensch te zien, en dacht door den grond te zinken voor het zwijgend bewijs, dat een mensch zijn voet op het eiland had gezet.
Zoo wuft is ons gemoed, gelijk ik naderhand dikwerf dacht, toen ik van mijne eerste verbazing tot mij zelven was gekomen. Ik bedacht toen, dat dit de levenswijze was, mij door de oneindig goede Voorzienigheid opgelegd, dat ik, die de oogmerken der Almagt niet doorzien kon, niet tegen dezelve murmureren mogt; daar de Schepper allezins met Zijn schepsel handelen kon gelijk Zijne Alwijsheid goeddacht, en evenzeer mij, die Hem zoo dikwerf beleedigd had, naar zijn goedvinden kon bestraffen, en dat het mijn pligt was Hem te bidden en mij rustig aan de leiding der Voorzienigheid te onderwerpen.
Deze denkbeelden hielden mij vele uren, dagen, ja zelfs weken en maanden bezig, en eene uitwerking van mijne gepeinzen te dier gelegenheid, mag ik niet onvermeld laten; namelijk, op een morgen vroeg toen ik te bed lag, vol gedachten over het gevaar, dat mij van het verschijnen van wilden dreigde, was ik zeer bedrukt, waarop mij de woorden der Heilige Schrift invielen: "Roep Mij aan in den dag der benaauwing, en Ik zal u verlossen en gij zult Mij verheerlijken."
Hierop stapte ik welgemoed ten bedde uit; niet alleen was mijn hart gesterkt, maar ik was geleid en bemoedigd om God ernstig om verlossing te smeeken. Het is onmogelijk te zeggen, welk eene gerustheid dit mij verschafte, en ik was niet meer neêrslagtig, althans te dier tijd niet.
Te midden van al deze vrees, vermoedens en nagedachten kwam het eens bij mij op, dat het alles wel verbeelding van mij zelven kon geweest zijn, en dat het mijn eigen voetstap was geweest, dien ik uit de boot komende, in het zand had gedrukt. Dit beurde mij wel op, en ik trachtte mij te overreden, dat het alles verbeelding was geweest, en mijn eigen voetstap, want ik had even goed langs dien kant van de boot als daar naar toe kunnen gaan. Ik bedacht, dat ik geenszins zeker was, welken weg ik gegaan was, en dat als het zoo was, ik even zot was geweest, als die dwazen, die hun eigen schaduw voor een spook of geest aanzien en daarvoor vreezen.
Alstoen begon ik wat moed te scheppen en weder uit te gaan. Drie dagen en drie nachten had ik mijn kasteel niet verlaten, zoodat ik reeds gebrek aan levensmiddelen begon te krijgen. want ik had niets bij mij, dan eenige gebakken koeken en wat water. Ook wist ik, dat mijne geiten gemolken moesten worden, dat gewoonlijk mijn avonduitspanning was, en de arme dieren moesten er veel ongemak van hebben. Ook droogde de melk bij eenigen er van schier geheel op, en velen hadden er van geleden. Ik begon dus mij op te beuren met de gedachte, dat ik den afdruk van mijn eigen voet gezien had, en dus voor mijn eigen schim bang was, en ging weder uit om mijne geiten te melken. Maar zoo men mij gezien had, hoe vreesachtig ik liep, hoe dikwijls ik omzag, hoe ik nu en dan zelfs op het punt stond mijne mand neder te werpen en op den loop te gaan, zou iedereen gedacht hebben, dat mijn geweten door het een of ander verontrust was, of dat ik, gelijk inderdaad zoo was, kortelings doodelijk verschrikt was. Toen ik echter twee of drie dagen uitgegaan was, en niets had gezien, begon ik wat moediger te worden; en te begrijpen, dat mijne verbeelding, mij dien schrik had veroorzaakt. Ik kon echter mij zelven hiervan niet geheel overtuigen, dus besloot ik naar het strand te gaan, om dien voetstap met den mijnen te vergelijken. Toen ik echter op de plaats kwam, bleek het mij duidelijk, dat ik daar niet geweest was bij het vastleggen van de boot. Ten tweede was de voet veel grooter en breeder dan de mijne. Dit alles deed mijn angst weder stijgen, zoodat ik klappertandde als of ik de koorts had, en naar huis ging, in het vaste geloof, dat een of meer menschen aan den wal waren geweest, kortom, dat het eiland bewoond was, en ik onverhoeds overvallen kon worden. Welken weg ik thans moest inslaan om mij te beveiligen, wist ik niet.

Welke dwaze denkbeelden boezemt de vrees ons in! Hij berooft ons van het gebruik dier middelen, die ons verstand ons leert. Het eerste, wat ik bedacht, was, al mijne heiningen omver te werpen, mijn tamme vee in het bosch te jagen, opdat de vijand het niet zien zou, en niet verlangen meer soortgelijken buit te maken; vervolgens mijne twee graanvelden om te spitten, opdat het vinden van het graan hen niet zou overhalen het eiland meermalen te bezoeken, en eindelijk mijne buitenplaats en tent te slechten, opdat zij geenerlei blijk van bewoners zouden vinden, en hierdoor lust verkrijgen, die te zoeken.
Dit alles bedacht ik in den nacht, nadat ik weder te huis gekomen was, toen mijn angst nog allerlevendigst was. De vrees voor het gevaar verwekt waarlijk tienduizend maal meer schrik, dan het gevaar zelf, als wij dit zien, en de angst voor eenig kwaad drukt ons veel meer, dan het onheil zelf. Het ergste was, dat ik thans niet geschraagd werd door die vrome berusting in Gods wil, die ik gehoopt had altijd te zullen behouden. Mij dacht ik was even als Saul, die niet alleen klaagde, dat de Filistijnen hem bedrogen, maar ook dat God hem verlaten had; want ik koos niet den waren weg tot gerustheid, door God in mijne bedruktheid aan te roepen, en gelijk vroeger, mijne verdediging en bevrijding van Hem te verwachten. Zoo ik dit gedaan had, zou ik dit nieuwe ongeval moediger en meer getroost hebben gedragen.
Mijne onrust hield mij den geheelen nacht wakker, doch tegen den morgen viel ik van vermoeijenis in een diepen slaap, en toen ik wakker werd was ik veel kalmer dan den vorigen dag. En nu begon ik bedaard na te denken, en na veel redekavelens met mij zelven, kwam ik tot het besluit, dat dit eiland, hetwelk zoo uiterst aangenaam, vruchtbaar, en gelijk ik gezien had, niet ver van het vaste land af was, niet zoo geheel verlaten was, als ik mij wel verbeeld had; dat schoon het geene vaste bewoners bezat, er echter somtijds booten van den vasten wal konden komen, hetzij opzettelijk, hetzij door tegenwinden daarheen gedreven; dat ik er nu vijftien jaren lang geweest was, zonder schijn of schaduw van eenig menschelijk wezen te zien, en dat zoo er ten eeniger tijd, deze gekomen waren, zij waarschijnlijk zoo spoedig zij konden weder vertrokken waren, aangezien zij tot hiertoe nimmer zich hier hadden gevestigd; dat het eenigste gevaar voor mij te wachten was uit het toevallig hier landen van eenig volk van het vaste land. Als deze echter hierheen geslagen werden, was dit tegen hunnen wil, en dus zouden zij dan wel zoo spoedig zij konden weder vertrekken, en zelden een nacht overblijven, ten ware om het getij en het daglicht te hebben; en dus behoefde ik alleen op eene veilige schuilplaats bedacht te zijn, in geval eenige wilden mogten landen.
Nu begon het mij te spijten, dat ik mijn kelder zoo wijd uitgegraven had, dat hij met eene deur buiten de rots uitkwam. Na rijp nadenken besloot ik mij eene tweede verschansing te maken, even zoo in een halven cirkel, op eene afstand van den muur, juist waar ik, twaalf jaren geleden, eene dubbele rij boomen had geplant. Deze boomen waren zoo digt bijeen gezet, dat ik er slechts eenige palen tusschen behoefde te slaan ter meerdere stevigheid, en dan was mijn muur spoedig voltooid. Ik had dus een dubbelen muur, en de buitenste was opgevuld met stukken oud hout, oud touw, en al wat ik ter versterking geschikt achtte. Ik maakte er zeven gaten in, waar ik mijn arm door kon steken. Van binnen bragt ik er tot tien voet aarde tegen aan, die ik uit mijn kelder haalde en vast trapte. Door de zeven gaten stak ik de trompen der geweren, waarvan ik, gelijk ik gezegd heb, zeven uit het schip had gehaald. Ik zette deze vast op eene soort van stellaadje, zoodat ik ze alle zeven in een paar minuten kon afschieten. Menige maand werkte ik hieraan hard, en achtte mij niet veilig voor het af was.

Daarna beplantte ik den grond, op een grooten afstand, met zooveel stekken van die soort van wilgenboom, als er slechts groeijen konden, ik geloof wel twintigduizend. Ik liet eene vrij groote ruimte tusschen deze en mijn muur, ten einde een gezigt van den vijand te hebben, en opdat deze geene beschutting daarvan zou hebben. Twee jaren later was ik door digt kreupelhout omgeven, en vier jaren later had ik voor mijn kasteel zulk een digt bosch, dat het waarlijk ondoordringbaar was, en niemand zich ooit zou verbeeld hebben, dat er iets, laat staan eene woning achter was.
Ik had geen uitgang aan mijn kasteel gelaten, maar ging er met twee ladders in en uit. Een zette ik tegen de rots, waarmede ik op eene plek kwam waar ik de andere kon zetten, en als ik ze eens achter mij weggehaald had, kon niemand mij zonder levensgevaar genaken, en alsdan was hij nog slechts aan de buitenzijde van mijn buitensten muur.
Aldus nam ik alle maatregelen, die de voorzigtigheid mij tot mijne beveiliging kon aan de hand doen, en men zal zien, dat zij niet geheel onverstandig waren, schoon ik te dier tijd niets meer voorzag dan wat mijne vrees mij voorspiegelde.
Middelerwijl verwaarloosde ik geenszins mijne overige bezigheden, want ik was zeer bezorgd voor mijn kudde geiten; deze toch leverden mij niet alleen thans spijs op, zonder dat ik mijn kruid of lood behoefde te verspillen, maar zij onthieven mij ook van de vermoeijenis der jagt op de wilden, en ik wilde ongaarne dit groote voordeel verliezen, en van nieuws af weder eenige tam maken.
Om dit te verhoeden zag ik, na rijpe overweging, slechts twee middelen, het eerste was, eene andere onderaardsche grot te delven, en ze daar alle avonden in te drijven; en het andere bestond in het afperken van twee of drie verschillende stukjes land, ver van elkander, en zoo verborgen als ik vinden kon, in elke waarvan ik een half dozijn jonge geiten kon houden, zoodat, als de groote kudde eenig ongeluk overkwam, ik die gemakkelijk weder kon aanvullen. Dit laatste middel, hoe moeijelijk ook, achtte ik het verstandigst, en begon er dadelijk aan.
Eerst zocht ik uit de verborgenste plaatsen van het eiland, een dat mij het geschiktste voorkwam. Het was eene kleine, vochtige plek gronds, midden tusschen digt geboomte, waar ik, bij mijn eersten togt door het eiland, zelf verdwaalde. Daar ontdekte ik drie morgen ongeveer, die zoo door geboomte omringd waren, dat dit haast eene natuurlijke heining vormde; althans kostte het maken van eene mij daar veel minder arbeid dan bij de anderen het geval was geweest.
Binnen eene maand had ik die geheel omheind, zoodat mijne kudde, die thans makker was dan men wel denken zou, daar thans veilig genoeg was. Ik bragt er dadelijk tien geiten en twee bokken heen, en bleef vervolgens de heining versterken, tot zij zoo sterk was als de vorige; doch dit deed ik meer op mijn gemak.
Al deze arbeid was alleen ontstaan uit de vrees, die de afdruk van een menschenvoet bij mij verwekt had; want tot hiertoe had ik nog geen menschelijk wezen het eiland zien naderen; en thans had deze ongerustheid mij twee jaren lang het leven verbitterd, gelijk iedereen gelooven zal, die weet wat het is, in voortdurenden angst te leven. Ik moet ook bekennen, dat deze angst veel invloed op mijne godsdienstige stemming had; want de vrees, dat ik in handen der wilden en menscheneters mogt vallen, drukte mijn geest zoo ter neder, dat ik zelden in eene behoorlijke stemming was om mij tot mijnen Schepper te wenden, althans niet met die kalmte en onderworpenheid, waarmede ik gewoon was te bidden. Ik bad tot God in den angst van elken nacht overvallen en geslagt te worden, en uit ondervinding kan ik betuigen, dat eene rustige, dankbare, blijmoedige stemming veel geschikter ons tot het gebed maakt dan angst en vrees voor onheil; zulk een mensch is even ongeschikt om God te bidden, als hij, die op een ziekbed uitgestrekt ligt; ziekten van den geest toch maken onbekwamer tot het gebed, dan die van het ligchaam, daar het bidden eene verrigting van den geest en niet van het ligchaam is.

Doch om met mijn verhaal voort te gaan. Na aldus een deel mijner kudde in veiligheid gebragt te hebben, ging ik het geheele eiland door om nog een verborgen plek te zoeken, voor eene tweede bewaarplaats. Ik kwam hierbij verder aan de westzijde van het eiland dan ik ooit geweest was, en zeewaarts ziende, meende ik op verren afstand eene groote boot te zien. Ik had in een der geredde matrozenkisten een paar kijkers gevonden, maar geen daarvan bij mij, en het voorwerp was zoo ver af, dat ik niet wist wat ik er van maken zou, schoon ik er mij half blind op tuurde.

Toen ik den heuvel opging verloor ik het voorwerp uit het gezigt, en gaf het dus op, maar besloot nimmer weder uit te gaan zonder een kijker bij mij. Toen ik den heuvel af, en op de westzijde van het eiland was gekomen, waar ik nog nimmer geweest was, zag ik duidelijk, dat het spoor van een menschenvoet hier niet zoo buitengewoon was als ik mij verbeeld had, maar dat het eene bijzondere bestiering der Voorzienigheid was geweest, dat ik op een deel des eilands was geworpen waar de wilden nimmer kwamen. Zoo ik hier vroeger gekomen was, had ik ingezien, dat de kanoes, die wat ver in zee geraakt waren, dit eiland dikwijls aandeden, om daar te overnachten. Ook na in hunne kanoes gevochten en gevangenen gemaakt te hebben, bragten zij die volgens hunne gewoonte hierheen, om ze te slagten en op te eten, daar het allen hier omstreeks kannibalen waren. Ik zal in het vervolg hierover meer spreken.
Toen ik, gelijk ik zeide, aan het westeinde van het eiland kwam, stond ik van schrik en afschuw als verplet, daar ik het strand met hersenpannen, handen, voeten en andere gebeenten van menschen bedekt zag. Ik ontdekte eene plek waar een vuur gebrand had, en een kuil in den grond rondom liep, waar ongetwijfeld de ellendelingen bij hun afschuwelijk feest gegeten hadden.
Dit schouwspel trof mij zoo geweldig, dat ik eene poos om mijn eigen gevaar niet dacht. Mijn geest was geheel vervuld met de gedachte aan zulke helsche barbaarschheid, en den afschuw voor zulk eene ontaarding van alle menschelijk gevoel, waarvan ik vroeger wel gehoord, maar dat ik nimmer zoo van nabij had gezien. Met walging wendde ik mijn gelaat af van dit afschuwelijk tooneel, en eerst na eene hevige braking kwam ik een weinig tot mij zelven, maar kon hier niet langer blijven; dus klom ik zoo spoedig ik kon den heuvel weder op en ging naar huis terug.
Toen ik een weinig van dat gedeelte des eilands af was, stond ik eene poos als verplet, en daarna dankte ik God, met de uiterste aandoening en onder een vloed van tranen, dat Hij mij in een werelddeel had doen geboren worden, waardoor ik van zulke afschuwelijke wezens onderscheiden was, en dat, ofschoon ik mijn tegenwoordigen toestand zeer ongelukkig had geacht, ik meer reden tot dankbaarheid dan tot klagen had, en bovenal, dat ik vertroost was door de kennisse Gods en de hoop op zijne genade, een geluk, dat verre weg opwoog tegen al de ellende, die ik ondergaan had of nog kon ondergaan. In deze dankbare stemming ging ik naar mijn kasteel terug, veel geruster omtrent mijne veiligheid dan ik sedert lang geweest was, want ik zag in, dat deze schepsels nimmer op het eiland kwamen om te zoeken wat daar te halen was; misschien dewijl zij er niets zochten of gevonden hadden wat hun aanstond. Ik was hier thans bijkans achttien jaar geweest, zonder het minste spoor van menschelijke schreden te zien, en welligt kon ik er nog achttien jaren even verborgen leven, als ik mij niet aan hen ontdekte, waartoe ik geene de minste roeping gevoelde, daar het mijne zaak was mij zoo verborgen als mogelijk te houden, ten ware ik betere lieden dan menscheneters vond. Nogtans was mijn afschuw voor die woestaards en hunne zeden zoo groot, dat ik langen tijd neêrslagtig bleef, en schier twee jaren lang mij niet buiten mijn kring bewoog. Ik bedoel buiten mijn kasteel, mijn buitenplaats en mijne omheinde weiden; welke laatste ik alleen om mijne geiten bezocht; want ik had voor de wilden een afschuw als voor den duivel zelf. Al dien tijd zag ik zelfs niet naar mijne boot om; want ik kon er niet aan denken de andere boot het eiland om te brengen, uit vrees, dat ik op zee eenige dier wezens ontmoeten mogt; want ik wist wat mijn lot zou zijn, als ik in hunne handen mogt vallen.
Met ter tijd echter en door het bewustzijn, dat ik geen gevaar liep van door dit volk ontdekt te worden, begon mijne ongerustheid te slijten, en mijn leven zoo kalm als vroeger te worden; met dit onderscheid, dat ik behoedzamer was, en meer rondzag of een hunner mij ook ontdekken kon. Het was dus zeer gelukkig, dat ik eene tamme kudde geiten had, en niet meer op de wilde behoefde te jagen, en in het vervolg ving ik eenigen nog wel, maar alleen door strikken of vallen. Ik geloof, dat ik in geen twee jaren mijn geweer afschoot, schoon ik nimmer zonder hetzelve uitging, en bovendien altijd in mijn gordel twee of drie pistolen droeg, die ik uit het schip gered had, ook sleep ik een van de groote messen, die ik uit het schip gehaald had, en stak dit ook in mijn gordel, maar zonder scheede.

Aldus bleef alles gedurende eenigen tijd, en behalve deze voorzorgen leefde ik op den ouden rustigen voet. Al deze gebeurtenissen toonden mij meer en meer, dat mijn toestand, verre af was van rampzalig te zijn, als ik dien bij dien van anderen vergeleek, waarin God ook mij had kunnen plaatsen. Dit deed mij denken hoe weinig de menschen zich zouden beklagen over hun lot, als zij dit vergeleken, bij dat wat rampzaliger, en niet bij hetgeen gelukkiger was. In mijn tegenwoordigen toestand had ik aan weinig gebrek, zoodat ik werkelijk dacht, dat de schrik voor de wilden mijne verbeeldingskracht tot het uitdenken van gerijfelijkheden verstompt had. Ik had zelfs geheel een voornemen laten varen, dat ik eens gekoesterd had, namelijk van te beproeven, of ik niet van mijn graan wat mout kon maken, en hiermede bier brouwen. Dit was inderdaad een uitsporig denkbeeld, en dikwijls bespotte ik mij zelven er over; want ik zag thans in, dat ik om bier te brouwen, verscheidene dingen noodig had, die ik onmogelijk vervaardigen kon; als vooreerst vaten om het in te bewaren; die ik in spijt van al mijne pogingen nimmer kon maken, gelijk ik reeds gezegd heb, schoon ik het weken, zelfs maanden lang, doch vruchteloos, beproefde. Vervolgens had ik geen hop om het duurzaam te maken, noch gest, noch ketels om het in te koken, en toch, zoo al die schrik van de wilden niet tusschenbeide gekomen was, zou ik het beproefd en er misschien in geslaagd hebben, want ik gaf niet ligt iets op wat ik mij eenmaal in het hoofd had gezet.
Doch thans liepen mijne denkbeelden in eene andere rigting. Nacht en dag dacht ik alleen hoe ik eenige dier monsters zou vernielen in hun bloeddorstig vermaak, en zoo mogelijk hunne medegebragte slagtoffers redden. Ik zou een grooter werk dan dit boek vullen, als ik al de ontwerpen waarover ik broedde, wilde vermelden, ter vernieling dier schepselen, althans om hun zulk een schrik aan te jagen, dat zij hier nimmer weder kwamen, maar alles vergeefs. Ik kon niets bedenken, of ik moest het zelf verrigten, en wat kon een man tegen misschien twintig of dertig wilden uitrigten, met boog en pijl gewapend, waarmede zij hun wit zoo zeker raken als ik met mijn geweer doen kon.
Somtijds wilde ik een hol graven onder de plaats waar zij hun vuur aanlegden, en dat met vijf of zes pond buskruid vullen, hetwelk, als zij hun vuur ontstoken hadden, hen allen in de lucht zou doen vliegen. Maar in de eerste plaats wilde ik ongaarne zooveel kruid verspillen, waarvan ik thans nog slechts een vat had. Ook was ik niet zeker, dat het op zijn tijd ontvlammen zou, en misschien zou het hen slechts wat aarde om de ooren doen vliegen, maar niet genoeg verschrikken om hen de plaats te doen verlaten. Op een anderen tijd wilde ik met mijne drie geweren, allen dubbel geladen, in hinderlaag gaan liggen, en als zij midden in hun bloeddorstig werk waren, op hen vuur geven; ik was zeker, twee of drie hunner met elk schot te dooden of te kwetsen, en ik twijfelde niet of met behulp van mijne sabel, zou ik ze allen ombrengen, al waren er twintig. Eenige weken lang speelde dit mij zoo door het hoofd, dat ik er des nachts soms van droomde.
Ik dreef dit zoo ver, dat ik verscheidene dagen besteedde met het zoeken naar geschikte plaatsen, om mij in hinderlaag te liggen, ten einde hen gade te slaan, en ik ging dikwijls naar de plaats zelf, die mij thans gemeenzaam was geworden, en vooral terwijl mijn geest met wraakgierige denkbeelden, en het voornemen om er twintig of dertig over de kling te jagen, was opgevuld; de afschuw, dien ik voor de plek had, en de blijken, dat de barbaren elkander verslonden hadden, voedden mijne woede.
Ik vond dan ook eindelijk eene plek in de zijde van den heuvel, waar ik begreep veilig te kunnen wachten, tot ik eenige hunner booten zag aankomen, als wanneer ik, zelfs voor dat zij gereed waren aan wal te gaan, mij in een hollen boom verbergen kon, waarin ik geheel verholen was, en al hunne bloeddorstige handelingen zou kunnen gadeslaan, en bedaard op hen aanleggen, als zij zoo digt bijeen zouden zijn, dat het bijkans onmogelijk was hen te missen en niet drie of vier hunner bij het eerste schot te treffen. Deze plaats eenmaal gekozen, maakte ik twee geweren en mijn gewoon jagtgeweer gereed. De eersten laadde ik ieder met schroot en vier of vijf pistoolkogels; het laatste met eene handvol groven ganzenhagel. Ik deed ook vier kogels op ieder mijner pistolen, en aldus, voorzien van kruid en lood voor eene tweede en derde lading, maakte ik mij tot mijne expeditie gereed.
Na aldus mijn plan tot den veldtogt gemaakt te hebben, klom ik elken morgen op den top des heuvels, die ongeveer een uur van mijn kasteel af lag, om te zien of ik op zee eenige booten kon bespeuren, die op het eiland aanhielden of het naderden. Na twee of drie maanden aldus de wacht gehouden te hebben, begon mij dit te vervelen echter, daar ik in al dien tijd niet het minste nabij het strand, noch op den geheelen oceaan, zoo ver mijn kijker reikte, kon ontdekken.
Zoo lang ik dagelijks naar den heuvel ging, zoo lang bleef ik even vurig in mijn ontwerp; en mijn moed scheen al dien tijd onverzwakt, ter uitvoering van het uitsporig denkbeeld van twintig of dertig naakte wilden dood te schieten, voor eene misdaad, die ik volstrekt niet overdacht had, daar ik alleen geleid werd door mijn afschuw voor dit onnatuurlijk gebruik van de wilden, welke de Voorzienigheid, naar het schijnt, goedgevonden heeft, alleen door hunne lage en beestachtige driften te laten regeren, en die daardoor misschien sedert eeuwen aan zulke afschuwelijke zeden en gewoonten waren overgegeven, waaraan alleen zij, die van den Hemel verlaten, en beneden de menschelijke natuur verlaagd zijn, zich kunnen overgeven. Doch nu begonnen, gelijk ik zeide, mijne langdurige vruchtelooze togten mij te vermoeijen, en mijne wijze van zien nopens hunne handelwijze begon ook te veranderen, en ik begon koeler en bezadigder te overwegen wat ik wilde ondernemen; welk regt of gezag ik had om mij tot regter en beul te maken, en deze lieden als misdadigers te behandelen, wien de Hemel goedgevonden had, gedurende zoo vele eeuwen straffeloos hunnen gang te laten gaan, en als het ware tot de uitvoerders zijner straffen jegens hen onder elkander te maken; alsmede welk regt ik had mij in dien bloedigen strijd te mengen, dien zij onderling voerden. Ik redekavelde dikwerf aldus met mij zelven: "Hoe weet ik wat Gods oordeel daaromtrent is? Het is zeker, dat dit volk dit niet als eene misdaad beschouwt; hun geweten bestraft er hen niet over. Zij weten niet, dat het eene misdaad is, en bedrijven die niet in spijt der Goddelijke geregtigheid, gelijk wij onze zonden plegen. Zij achten het evenmin eene misdaad, een krijgsgevangene te slagten, als wij eenen os te dooden, en hebben even weinig tegen menschenvleesch als wij tegen schapenvleesch."

Eenige overdenkingen dienaangaande deden mij besluiten, dat ik ongelijk had, dat dit volk geen moordenaars waren in dien zin als ik ze beschouwd had; dat zij daaromtrent gelijk stonden met verscheidene Christenveldheeren, die krijgsgevangenen, of geheele troepen, schoon zij geen weerstand boden, kwartier weigerden en ze over de kling joegen.
Vervolgens bedacht ik, dat ofschoon hun gebruik beestachtig en barbaarsch was, het mij echter niet aanging; dat zij mij geenszins kwaad gedaan hadden; dat het welligt verschoonbaar was als zij mij aanvielen, of als ik het tot mijn behoud noodig achtte hen te overvallen; maar dat ik voor als nog buiten hunne magt was, en zij metterdaad van mij geene kennis droegen, en diensvolgens geen kwaad oogmerk tegen mij hadden. Derhalve kon het van mij niet regtvaardig zijn hen te overvallen; dit zou de onmenschelijkheden der Spanjaarden in Amerika, die daar duizenden vermoord hebben, regtvaardigen; en hoewel dit afgodendienaars en barbaren waren, die vele bloedige en onmenschelijke gebruiken hadden, zoo als het offeren van menschen aan hunne afgoden, toch waren zij jegens de Spanjaarden onschuldig; en van hunne uitroeijing is altijd gesproken met de uiterste afkeuring en verfoeijing, door de Spanjaarden zelven, en door alle Christen natiën in Europa is zij beschouwd als eene bloeddorstige menschenslagting, voor God noch menschen te regtvaardigen, en waardoor de naam van een Spanjaard zelfs bij alle Christenvolkeren in verschrikking is gekomen; alsof Spanje in het bijzonder een menschenras voortbragt, geheel en al zonder eenige gevoelens van menschlievendheid of medelijden, die men als aan welgeschapen harten eigen beschouwt.
Deze bedenkingen bragten mij tot beter inzien, en ik begon van lieverlede mijn oogmerk op te geven, en te besluiten, dat ik mij verkeerde maatregelen had voorgenomen, ten einde de wilden aan te vallen; dat het mijne zaak niet was mij met hen in te laten, ten ware zij mij het eerst aanvielen, hetwelk ik zoo veel in mij was moest trachten te voorkomen; maar als ik ontdekt en aangevallen werd, dan wist ik wat mij te doen stond.
Aan den anderen kant bragt ik mij zelven onder het oog, dat dit waarlijk de weg niet was om mij te bevrijden, maar mij geheel en al in het verderf te storten. Immers als ik niet zeker was, dat ik iedereen dooden kon, die alsdan aan het strand was, als ook hen, die er naderhand mogten komen, dan, als er slechts een ontsnapte, om zijnen landslieden het gebeurde mede te deelen, zouden zij weder bij duizenden overkomen om den dood van hunne makkers te wreken; en ik mij zelven een gewissen dood op den hals halen, waartoe ik voor als nog in het geheel geen roeping gevoelde.
Om kort te gaan, ik besloot, dat het mij geraden was, mij hierin volstrekt niet te mengen, maar mij zoo veel mogelijk voor hen verborgen te houden, en niet het minste spoor achter te laten, waardoor zij gissen konden, dat er eenig menschelijk wezen zich op het eiland bevond. De godsdienst sterkte mij in dit voorzigtig besluit, en ik was thans door verschillende redenen overtuigd, dat ik geheel en al mijn pligt te buiten ging, als ik zulke bloeddorstige ontwerpen bleef voeden, om onschuldige wezens te dooden; ik bedoel onschuldig jegens mij. Met de misdaden, waaraan zij zich jegens elkander schuldig maakten, had ik niets te maken; het waren hunne zeden, en ik moest die aan de Goddelijke geregtigheid overlaten, daar God de volkeren bestiert en zijne oordeelen op de wijze, die Hij goedvindt, over hen kan doen losbarsten.
Dit scheen mij thans zoo klaar toe, dat niets mij meer verheugde, dan dat het mij niet toegelaten was te doen, hetgeen ik thans als niet minder dan moedwilligen doodslag beschouwde, en ik dankte God op mijne knieën, dat Hij mij aldus van mijn bloeddorst had genezen; smeekte om zijne bescherming, dat ik niet in hunne handen mogt vallen, of de hand aan hen slaan, ten ware de Hemel mij dit duidelijk en ter verdediging van mijn eigen leven aanwees.
In deze gemoedsgesteldheid bragt ik nog een jaar door, en ik verlangde zoo weinig die rampzaligen aan te vallen, dat ik in al dien tijd geene enkele maal den heuvel opklom, om te zien of er ook eenigen in het gezigt waren, of te weten, of zij al of niet het eiland hadden aangedaan; ten einde niet in verzoeking te geraken mijne vroegere middelen te bezigen, of door eenig voordeel tot een aanval op hen verlokt te worden. Echter haalde ik mijne boot van de andere zijde van het eiland, en bragt die aan de oostzijde, waar ik die in een inham onder eenige hooge rotsen legde, waar ik wist, dat de wilden, uithoofde der stroomingen, niet met hunne kanoes zouden durven komen. Met de boot nam ik alles mede, wat ik daar achtergelaten had, namelijk een mast en een zeil, dat ik gemaakt had, benevens eene soort van anker of dreg, schoon eigenlijk naar geen van beide gelijkende, maar dat ik niet beter had kunnen maken. Dit deed ik om niet het minste blijk van menschelijke wezens, of spoor van eene boot op het eiland achter te laten.

Bovendien leefde ik stiller dan ooit, en verliet zelden mijne kluis dan voor mijne dagelijksche bezigheden, het melken mijner geiten en het nazien mijner kudde in het bosch, die als geheel aan de andere zijde van het eiland, buiten alle gevaar was; want het was zeker, dat de wilden, die somtijds het eiland aandeden, er nimmer iets dachten te vinden, en dus nooit het strand verlieten. Ik twijfel niet of zij waren er verscheidene malen, nadat ik hun spoor ontdekt had, geweest; en ik huiverde bij de gedachte wat mijn toestand zou geweest zijn, als ik op hen gestooten had, en zij mij ontdekt hadden, alleen gewapend met een geweer, soms met eenigen hagel slechts geladen. Welk een verrassing zou het geweest zijn als ik in plaats van een afdruk van een voet, een vijftien of twintig wilden aangetroffen had, en zij mij vervolgd hadden. Bij hunnen snellen loop zou er aan ontkomen niet te denken zijn geweest. Deze denkbeelden maakten mij soms bitter neêrslagtig. Met schrik dacht ik wat ik in dat geval zou gedaan hebben; zonder hen te kunnen weerstaan, misschien zonder tegenwoordigheid van geest om van mijne eerst na lang nadenken uitgevonden middelen tot verdediging gebruik te maken. Maar ik eindigde met dankbaar aan de Voorzienigheid te zijn, die mij voor deze schrikkelijke ramp bewaard had, terwijl ik zelfs het gevaar, waarin ik was, niet bevroedde. Dit bragt mij tot de overweging, die ik reeds meermalen, bij mijn leven, had gemaakt, hoe de Voorzienigheid ons in gevaren beschermt en leidt door schikkingen, waarvan wij het doel niet begrijpen. Dikwijls toch worden wij door geheel onverwachte gebeurtenissen uit groote gevaren bevrijd; dikwijls drijft een geheime aandrang, in hagchelijke oogenblikken, ons aan, om veeleer dezen dan genen weg in te slaan, die onfeilbaar tot ons verderf zou geleid hebben.
Ten gevolge dezer overwegingen stelde ik het mij naderhand tot een vasten regel, dat wanneer naderhand, als het ware, eene geheime stem mij ried deze of gene zaak te doen of te laten, of dezen of genen weg in te slaan, ik altoos die aanwijzing volgde, schoon ik er geene andere reden dan dezen aandrang voor had. Meer dan een voorbeeld uit mijn leven zou ik kunnen bijbrengen, om het welslagen van deze handelwijze te bewijzen; maar vooral in den laatsten tijd van mijn verblijf op dit eiland; behalve dat ik vroeger waarschijnlijk veel dergelijks had kunnen bespeuren, zoo ik toenmaals de zaken uit hetzelfde oogpunt had beschouwd. Doch het is nimmer te laat om verstandig te worden, en ik kan ieder verstandig mensch, wiens leven even als het mijne aan zoo buitenwone wisselvalligheden, of zelfs aan min bijzondere onderhevig is, aanraden, zulke geheime wenken der Voorzienigheid niet in den wind te slaan, door welke onzigtbare werking zij ons medegedeeld worden. Ik kan deze noch verklaren, noch er over redetwisten, maar gewis zijn het onwraakbare bewijzen voor de werking van onstoffelijke wezens buiten ons. Hiervan zal ik in het overige van mijn eenzaam verblijf op het eiland merkwaardige bewijzen kunnen geven.
Mijne lezers zullen het, geloof ik, niet vreemd vinden, als ik beken, dat deze aanhoudende angst en gevaren waarin ik verkeerde, en de daardoor verwekte zorgen, mij alle uitvindingen en alle ondernemingen, die ik tot mijn verder gemak bedacht had, deden staken. Ik werd thans meer door de zorg voor mijne veiligheid, dan voor mijn onderhoud, beziggehouden. Ik durfde geen spijker slaan, geen hout kappen, uit vrees, dat het geraas hiervan gehoord zou worden; veel minder durfde ik een geweer afschieten, en vooral baarde mijn vuur mij veel vrees. De rook, die over dag zeer ver zigtbaar is, kon mij verraden, en ten dien einde verrigtte ik mijn werk, waarbij ik vuur noodig had, als potten en pijpen bakken, in mijn nieuw verblijf in het bosch, waar ik voor eenigen tijd, tot mijne groote vreugde, een natuurlijke onderaardsche grot had gevonden, die een heel eind weegs diep inliep; en ik was verzekerd, dat geen wilde, als hij den ingang vond, er zou durven ingaan, en niemand zou dit doen ten ware hij, gelijk ik, een veilige schuilplaats zoo hoog noodig had.
De ingang van deze grot was aan den voet van eene groote rots, waar het toeval, (zou ik vroeger gezegd hebben, maar het was inderdaad de Voorzienigheid) mij heenvoerde, terwijl ik eenige zware takken kapte om houtskolen te branden. Vooraf moet ik zeggen waarom ik houtskolen maakte. Ik was bevreesd bij mijne woning vuur te stoken, gelijk ik zeide, en toch kon ik niet leven zonder mijn brood te bakken, mijn vleesch te koken enz.; en dus beproefde ik eenig hout, gelijk ik in Engeland gezien had, met aarde overdekt, te branden tot het kolen waren, alsdan doofde ik het vuur uit, bragt de houtskolen naar huis, en gebruikte die om vuur te maken, zonder gevaar van den rook. Doch om tot mijn verhaal terug te keeren.

Terwijl ik daar aan het houtkappen was, bemerkte ik, dat er achter eenig zeer dik kreupelhout of heestergewas, eene zekere opening was. Ik was nieuwsgierig, die te zien, en toen ik met moeite aan den ingang kwam, vond ik, dat, die vrij groot was, namelijk, dat ik er, en nog iemand naast mij, regt op in kon staan. Maar ik moet bekennen, dat ik er veel harder uitstoof dan ik er ingekomen was, toen ik dieper inziende, waar het stik donker was, twee helder flikkerende oogen zag van eenig schepsel, hetzij mensch of duivel, die daar als twee sterren flikkerden, en waar het flaauwe licht, dat in de opening der grot drong, in weêrkaatste. Echter kwam ik na eenige oogenblikken wat tot mij zelven, en schold mij zelven voor een tiendubbelen gek, en zeide, dat hij, die bang was den duivel onder de oogen te zien, niet geschikt was om twintig jaren geheel alleen op een woest eiland te leven, en dat er zeker niets in de grot was, dat meer schrik kon verwekken dan mijn eigen persoon. Hierna raapte ik al mijn moed bijeen, nam een vlammend hout in de hand, en stoof daarmede gewapend, de grot in. Ik had nog geen drie stappen gedaan, of ik schrikte weder even hevig als vroeger, want ik hoorde een luid steenen, als van iemand, die zware pijn lijdt, dan weder een dof geluid, als of men binnen 's monds sprak, gevolgd door een diepen zucht. Ik trad terug en was zoo ontsteld, dat het koude zweet mij uitbrak, en had ik een hoed op gehad, dan zouden mijne te berge staande haren dien misschien opgeligt hebben. Maar nog trachtte ik moed te scheppen met het denkbeeld, dat God alomtegenwoordig was en mij kon beschermen, en weder voorwaarts stappende, zag ik bij het licht van het brandend hout, dat ik boven mijn hoofd hield, zag ik, zeg ik, een allermonsterachtigsten, vreesselijken ouden bok op den grond liggen, die daar lag te zieltogen en van ouderdom scheen te sterven. Ik beproefde hem weg te jagen; hij trachtte op te staan, maar kon niet; en ik dacht bij mij zelven: blijf dan maar liggen, want hebt gij mij zoo verschrikt, dan zult gij zekerlijk de wilden, zoo die het durven wagen naar binnen te dringen terwijl gij nog leeft, nog veel meer schrik aanjagen.

Van mijne verbazing bekomen, begon ik rond te zien en ontdekte, dat de grot inderdaad zeer klein was, namelijk ongeveer twaalf voet, maar onregelmatig, noch rond noch vierkant gevormd, daar de natuur dit alleen, zonder hulp van menschenhanden gedaan had. Ik bemerkte ook, dat er aarde op eene plaats was, die dieper inliep, maar zoo laag, dat ik er op handen en voeten in moest kruipen. Daar ik nu geen kaars bij mij had, stelde ik dit uit, maar besloot den volgenden dag met kaarsen en een tinteldoos terug te komen. Mijn tinteldoos had ik van het slot van een oud geweer gemaakt.
Ik kwam dan ook den volgenden dag terug met zes kaarsen van mijn eigen maaksel, want ik maakte thans zeer goede kaarsen van geitenvet; en de grot ingaande, was ik, gelijk ik zeide, genoodzaakt ongeveer tien ellen op handen en voeten voort te kruipen, hetgeen, naar mij dacht, al een groot waagstuk was, daar ik niet wist hoe ver zij liep, of waar ik zou uitkomen. Na deze engte doorgegaan te zijn, verhief het gewelf zich ongeveer tot twintig voet; maar nimmer, durf ik zeggen, zag men op het eiland schitterender gezigt, dan de wanden dezer grot opleverden. Deze weerkaatsten honderdduizend maal het licht mijner twee kaarsen; wat er in de rots zat, of diamanten of andere edelgesteenten, of goud, wist ik niet. Ik bevond mij nu in de allerbevalligste grot, die men bedenken kon, schoon het er geheel duister was; de grond was droog en effen, en er lag eene soort van keizelzand op, zoodat er geenerlei stinkend of venijnig gedierte, noch eenige vochtigheid aan de wanden te bespeuren was. De ingang alleen was wat moeijelijk, hetgeen mij echter een voordeel toescheen, daar het juist zulk eene veilige schuilplaats was als ik verlangde. Ik besloot dus onverwijld daar eenige dingen te brengen, waarvoor ik het meest bezorgd was, bovenal mijn buskruidmagazijn en al mijne wapenen, die ik niet gestadig gebruikte, bestaande uit twee jagtgeweren en drie musketten. Van deze laatste behield ik dus vijf in mijn kasteel, die als kanonnen op mijne buitenste schans geplant stonden, en er ook des noodig konden uitgenomen worden. Bij deze gelegenheid moest ik het kruidvaatje, dat ik uit zee opgevischt had, openslaan, en ik vond, dat het zeewater er aan alle kanten drie tot vier duim doorgedrongen was, en het kruid daar zoo hard had gemaakt als een steen, waardoor het overige als de kern in een pit volkomen bewaard was gebleven. Ik had dus midden in het vat ongeveer zestig pond zeer goed kruid, hetgeen voor mij eene aangename verrassing was. Ik bragt dat alles er heen, en hield slechts twee of drie pond in mijn kasteel, om tegen elke verrassing gewapend te zijn, ook bragt ik er al het lood, dat ik voor kogels bewaard had. Alstoen vergeleek ik mij bij de reuzen uit den ouden tijd, die men zegt, dat in grotten en rotsholen leefden, waar niemand hen kon bereiken. Ik hield mij overtuigd, dat al zaten mij vijfhonderd wilden na, zij mij niet zouden vinden, en al was dit zoo, mij hier nog niet zouden durven aanvallen.
De oude bok, dien ik zieltogende had gevonden, stierf den volgenden dag na mijne ontdekking, en ik vond het veel gemakkelijker hem daarin een graf te delven dan hem er uit te slepen, dus begroef ik hem daar, om mijn neus voor den stank te waarborgen.
Ik was nu in het drieëntwintigste jaar van mijn verblijf op het eiland; en er zoo genaturaliseerd en aan mijne levenswijze gewoon, dat zoo ik slechts zeker ware geweest, dat er geene wilden zouden komen, ik tevreden zou geweest zijn met daar het overschot mijns levens te slijten, zelfs tot mijn laatste uur, tot ik, even als de oude bok, mij zou nederleggen en sterven. Ik had mij eenige vermakelijkheden verschaft, die mij den tijd aangenamer deden omgaan dan vroeger. Vooreerst had ik mijn papegaai leeren spreken, en hij klapte zoo aardig en vertrouwelijk, dat ik geloof, dat nooit een vogel beter sprak. Hij leefde niet minder dan zesentwintig jaren met mij, en hoe lang hij naderhand kon leven wist ik niet. In Brazilië zegt men, dat zij honderd jaar oud kunnen worden. Mijn hond was mij meer dan zestien jaren een trouwe makker, en toen stierf hij van ouderdom. Mijne katten vermenigvuldigden zoo, gelijk ik gezegd heb, dat ik er in den beginne verscheidene van moest dood schieten, ten einde zij niet mij en al wat ik had opvraten; maar toen eindelijk de ouden dood waren, en ik ze gestadig verjoeg en niets binnen haar bereik liet, verwilderden zij en liepen het bosch in, behalve twee of drie, die ik tam hield, en wier jongen ik altijd verdronk. Bovendien had ik altijd twee of drie tamme geitjes om mij heen, die ik leerde uit mijne hand te komen eten. Ik had ook nog twee papegaaijen, die tamelijk goed spraken, en allen: Robinson Crusoe! riepen, maar geen zoo goed als mijn eerste; ook had ik mij met hen zoo veel moeite niet gegeven. Ik had ook verscheidene tamme zeevogels, wier naam ik niet kende, die ik op het strand gevangen en gekortwiekt had. De stekken, die ik om mijn muur geplant had, waren nu tot een digt bosch gegroeid, en daarin leefden en nestelden zij, hetgeen mij zeer aangenaam was. Aldus leefde ik zeer tevreden, behalve dat ik steeds door vrees voor de wilden geplaagd werd.
Doch het was anders besloten, en het zal hier niet ongepast zijn mijnen Lezers te doen opmerken, hoe dikwijls datgene, wat wij het meest trachten te vermijden en voor ons het vreesselijkst is, toch het eenigste middel is om ons uit onze ongelukken te redden. Ik zou uit mijn buitengewonen levensloop vele voorbeelden tot staving hiervan kunnen aanhalen; maar nergens bleek dit duidelijker in dan in de omstandigheden, die de laatste jaren van mijn verblijf alhier kenmerkten.
Het was nu in December, in het drieëntwintigste jaar van mijn verblijf alhier, en daar dit de zuidelijke zonnestand (want winter kan men het niet noemen) was, en dus mijn oogsttijd, moest ik dikwijls op het veld wezen. Op een vroegen morgen vóór den dag uitgaande, verbaasde het mij op het strand, een half uur van mij af, een groot vuur te zien, en tot mijn grooten schrik aan mijne zijde van het eiland.
Bij dit gezigt stond ik als verplet, en bleef in mijn boschaadje, waar ik niet durfde uitgaan; en toch was ik even ongerust, uit vrees, dat zoo deze wilden het eiland mogten rondzwerven, zij mijn te veld staande graan of eenig ander werk van mij mogten vinden en vernielen, en dadelijk daaruit begrijpen, dat er menschen op het eiland waren. Dan zouden zij niet rusten voor zij mij gevonden hadden. Ik keerde dus in mijn kasteel terug, en trok de ladder achter mij op.
Daarop maakte ik mij tot verdediging gereed. Ik laadde al mijn geschut, dat op mijne schans stond, en al mijne pistolen, en besloot mij ten uiterste te verdedigen, niet vergetende mij in Gods bescherming te bevelen en Hem te smeeken mij uit de handen der barbaren te redden. Ik bleef aldus twee uren, maar verlangde toen magtig te weten wat er omging, want ik kon geene verspieders uitzenden. Eindelijk kon ik deze onzekerheid niet langer verdragen, ik zette dus mijne ladder tegen de rots, en klom zoo naar den top. Daar ging ik plat op den grond liggen, en begon met mijn kijker naar hen uit te zien. Ik zag niet minder dan negen naakte wilden rondom een vuur zitten, niet om zich te warmen, want het was geweldig heet, maar naar ik denk, om een hunner afschuwelijke gastmalen van menschenvleesch te houden, dat zij levend of dood hadden medegebragt.
Zij hadden twee kanoes aan het strand liggen, en daar het eb was, begreep ik, dat zij op hoogwater wachtten, om weder in zee te gaan. Men kan zich niet begrijpen, welke verwarring dit gerigt bij mij te weeg bragt, vooral dat zij aan mijne zijde van het eiland en zoo digt bij mij geland waren. Toen ik echter begreep, dat zij altijd alleen met de eb konden komen, werd ik wat bedaarder, daar ik inzag, dat ik al den tijd, dat het hoogwater was, gerust van huis kon gaan, zoo zij alsdan niet vroeger aan wal waren gekomen. Hierdoor eenigzins gerust gesteld, ging met meer gerustheid aan mijn oogst aan het werk.

Het ging zoo als ik dacht, want zoodra de vloed doorkwam, zag ik hen allen naar hunne kanoes gaan, en heenroeijen, of liever pagaaijen. Ik moet nog vermelden, dat een uur of zoo voor zij vertrokken, zij aan het dansen gingen, en ik kon door mijn kijker al hunne gebaren en houdingen duidelijk zien. Zij waren geheel naakt, schoon ik niet onderscheiden kon of het allen mannen dan of er ook vrouwen bij waren.
Zoodra ik hen vertrokken zag, nam ik twee geweren op schouder, stak twee pistolen in mijn gordel met mijne sabel zonder scheede, en begaf mij zoo spoedig ik kon naar den heuvel, waar ik het eerste spoor van hen gezien had. Zoodra ik daar kwam, waarmede twee uren verliepen (want ik kon zoo met wapenen beladen, niet hard voort) bespeurde ik, dat er daar nog drie kanoes met wilden geweest waren, en verder op ziende, bemerkte ik, dat zij allen in zee waren gestoken en op het vaste land aanhielden.
Dit was een vreesselijk gezigt voor mij, vooral toen ik naar het strand afgaande, de blijken kon zien, die zij van hun afschuwelijk werk hadden achtergelaten; namelijk het bloed, de beenderen en een deel menschenvleesch, dat deze rampzaligen daar met vreugde en vrolijkheid hadden verslonden. Dit gezigt vervulde mij met zoo veel verontwaardiging, dat ik thans voornam de eersten, die weder kwamen, dood te schieten, al waren er ook nog zooveel.
Het scheen mij blijkbaar, dat de bezoeken, die zij aldus aan het eiland gaven, niet veelvuldig waren; want het duurde meer dan vijftien maanden eer ik weder iets van hen zag. Gedurende het regensaizoen zouden zij zeker niet uitgaan, althans niet zoo ver van huis; echter was ik al dien tijd in gestadige onrust en vrees, dat zij mij onverwachts zouden overvallen. Dit bragt mij tot de opmerking, dat de verwachting van eenig onheil erger is dan het ondergaan van hetzelve, vooral als men niet in staat is zich van den angst of van die verwachting te ontslaan.
Al dien tijd was ik in eene allerbloeddorstigste stemming, en besteedde meest al mijnen tijd (dien ik beter had kunnen aanwenden) in te overwegen hoe ik de volgende maal, dat ik hen zag, hen zou overvallen en aantasten, vooral als zij, gelijk de laatste maal het geval was, in twee partijen verdeeld zouden zijn. Ik bedacht echter niet, dat zoo ik de eene week een troep doodde, ik de volgende week of maand een tweeden kon moeten doodslaan, en zoo voorts tot in het oneindige, tot ik eindelijk niet minder een moordenaar zou zijn dan deze menscheneters, en misschien nog meer.
Dit alles deed mij thans mijne dagen in groote verslagenheid en angst doorbrengen, daar ik verwachtte, dat ik, den een of anderen dag, in de handen dezer meêdoogenlooze barbaren zou vallen. Als ik nu en dan uitging, deed ik dit met de meeste voorzorg en zag onophoudelijk rond. Nu zag ik in hoe gelukkig het was, dat ik mij eene kudde tamme geiten had weten te verschaffen; want ik durfde volstrekt mijn geweer niet af te schieten, vooral niet bij dien kant van het eiland, waar zij gewoonlijk kwamen, ten einde hun geen alarm te geven; en al namen zij eerst de vlugt voor mij, dan kon ik toch zeker rekenen, dat zij misschien eenige dagen daarna met twee- of driehonderd kanoes zouden terugkeeren, en dan wist ik wat mijn lot zijn zou.
Het duurde echter vijftien maanden voor ik iets van de wilden zag of hoorde, en toen vertoonden zij zich weder, zoo als ik straks verhalen zal. Wel is het mogelijk, dat zij er in dien tijd eens of tweemaal geweest waren, maar dan kort en zonder dat ik er iets van gemerkt had, doch in de maand Mei, zoo ver ik berekenen kan, en in mijn vierentwintigste jaar, had ik eene zeer zonderlinge ontmoeting, die ik zoo aanstonds verhalen zal.
Al die vijftien of zestien maanden bragt ik in de grootste onrust door. Ik sliep onrustig, had altijd akelige droomen, en werd dikwijls met schrik wakker. Over dag verbijsterde mij de angst en des nachts droomde ik van het dooden van wilden, en zocht naar redenen, die dit regtvaardigden. Doch die zullen wij voor een oogenblik daar laten.
Op zekeren dag, den 16den Mei, naar mijn houten almanak te rekenen, dien ik nog dagelijks bijhield, woei het den geheelen dag een fellen storm met donder en bliksem, en de nacht was even ruw. Ik zat in den Bijbel te lezen, en ernstig over mijn toestand na te denken, toen ik eensklaps schrikte van een kanonschot, dat, naar ik meende, in zee gelost werd. Dit was een geheel andere verrassing dan de vroegere, en bragt mij geheel andere denkbeelden in het hoofd. In een oogenblik stond mijne ladder tegen de rots; ik haalde die op, en beklom toen den top; op dat oogenblik deed eene flikkering van vuur mij een tweede schot verwachten, welks geluid ik ook eene halve minuut daarna hoorde, en daaruit vernam, dat het van dien kant van de zee kwam, waar ik in mijne boot door de strooming in zee was gedreven.
Oogenblikkelijk begreep ik, dat er een schip in nood was, en dat het een ander in de nabijheid had, en noodschoten deed om hulp te vragen. Ik had tegenwoordigheid van geest genoeg, om te begrijpen, dat zoo ik hen niet kon helpen, zij dit mij konden doen; dus haalde ik al het drooge hout bijeen, dat ik vinden kon, stapelde het op een hoop en stak het in brand. Het hout was droog en brandde fel op, en hoe hard het ook woei, brandde het geheel op, zoodat als er een schip was, men het daar zien moest. Ongetwijfeld was dit ook zoo, want zoodra het vuur opbrandde, deed men weder een schot en naderhand nog verscheidene. Ik hield het vuur den geheelen nacht aan, en toen het dag werd en de lucht opklaarde, zag ik op een grooten afstand in zee een zeil of een romp van een schip. De afstand was te groot en het weder nog wat mistig, om met mijn kijker er meer van te kunnen onderscheiden.

Dikwijls zag ik er dien dag naar uit, en bemerkte spoedig, dat het stil lag; dus begreep ik, dat het een schip was, dat voor anker lag, en verlangende het juiste te weten, gelijk men wel kan denken, liep ik, met mijn geweer in de hand, naar den Zuidoostkant van het eiland, naar de klippen, waar de strooming mij vroeger had medegesleept, en daar gekomen, en het weder thans geheel opgeklaard zijnde, zag ik duidelijk, tot mijn groot verdriet, het wrak van een schip, dat in den nacht op deze blinde klippen geworpen was, die ik, toen ik in mijne boot was, had aangetroffen, en welke klippen daar de kracht van den stroom stuitten, en eene soort van tegenstroom vormden, die mij toen uit den hagchelijksten toestand, waarin ik ooit in mijn geheele leven geweest was, had gered.
Wat echter den een redt, stort den ander in het verderf, want het schijnt, dat deze menschen, buiten hun bestek geslagen, geen kennis droegen van die geheel onder water staande klippen, en daar de wind des nachts fel uit het O. en O.N.O. geblazen had, er op geslagen waren. Ongetwijfeld zouden zij getracht hebben zich met de boot te redden, maar hunne noodschoten, vooral toen zij, naar ik mij verbeeldde, mijn vuur gezien hadden, bragten mij op verschillende gedachten. Eerst begreep ik, dat zij, op het zien van mijn vuur, zich in de boot begeven hadden, en getracht het strand te bereiken, maar door de hooge zee weggeslagen waren. Dan weder verbeeldde ik mij, dat zij vroeger hunne boot zouden verloren hebben, gelijk meermalen gebeurt, vooral door het overkomen van zware stortzeeën, die het volk dikwijls dwingen de verbrijzelde sloep met eigen handen over boord te werpen. Dan weder vermoedde ik, dat zij andere schepen bij zich hadden gehad, en deze op hunne noodschoten hen opgenomen en gered hadden. Dan weder verbeeldde ik mij, dat zij allen in de boot gegaan waren, en door de strooming op den wijden oceaan geslagen, waar niets dan de dood hun wachtte, en dat zij thans misschien dachten van honger te sterven en in eenen toestand waren om elkander te verslinden.
Dit alles waren evenwel slechts gissingen, en ik kon niets doen dan hen beklagen, hetgeen echter nog die goede uitwerking op mij had, dat het mij meer en meer aanleiding gaf om God te danken, dat Hij zoo liefderijk voor mij in mijn verlaten toestand gezorgd had; en dat van twee scheepsbemanningen, die nu in dezen hoek der wereld gedreven waren, geen ander leven dan het mijne gespaard was. Op nieuw moest ik hier opmerken, dat Gods voorzienigheid ons zeer zelden in zulk een jammerlijken toestand of in zoo groote ellende doet vallen, waarin wij niet voor het een of ander mogen dankbaar zijn, en bespeuren, dat anderen er nog erger aan toe zijn dan wij.
In dit laatste geval was zeker deze bemanning, waarvan ik niet mogt onderstellen, dat een gered was; niets kon doen vermoeden, dat zij niet allen vergaan waren, dan de mogelijkheid, dat zij door een ander schip waren opgenomen; en dit was niet waarschijnlijk, want ik zag daar niet het minste blijk van.
Het is mij volstrekt onmogelijk met woorden uit te drukken, welk een vurig verlangen mijne ziel verteerde bij het zien van het wrak, en hoe dikwijls ik uitriep: "O, waren er slechts twee, slechts ééne ziel gered, die mij gevonden had, zoo dat ik een makker, een natuurgenoot had, tot wien ik spreken en met wien ik omgaan kon!" Gedurende geheel mijn eenzaam leven had ik zulk een hevig verlangen niet gehad naar het gezelschap van een mijner medemenschen, noch zulk een diepe spijt over deszelfs gemis. Er bestaan in onze hartstogten zekere drijfveren, die zoo zij door eenig zigtbaar voorwerp of door de werking van onze verbeelding gaande gemaakt worden, onze ziel zoo krachtig daarheen doen neigen, dat deszelfs gemis ondragelijk wordt. Zoo ging het mij met den wensch, dat er slechts een man gered ware geworden: "Ware er slechts één, slechts één mensch het ontkomen!" Duizendmaal, geloof ik, herhaalde ik deze woorden, en dan wrong ik zoo hevig de handen, dat zoo er eenig voorwerp in geweest ware, het verbrijzeld zou geworden zijn, en ik klemde mijne tanden zoo stijf opeen, dat ik eenigen tijd den mond niet openen kon. De natuurkundigen mogen mijnenthalve het verklaren; ik kan slechts mededeelen wat er gebeurde, en hoe ik zelf mij er over verbaasde. Ongetwijfeld was dit de uitwerking van mijn vurigen wensch, en mijne gespannen verbeelding over het genoegen, dat de verkeering met een mijner mede-christenen mij zou opgeleverd hebben.
Doch dit mogt zoo niet zijn; hun lot of het mijne was anders besloten; want tot het laatste jaar van mijn verblijf op het eiland wist ik niet of er iemand uit het schip gered was of niet; alleen had ik eenige dagen later het verdriet, het lijk van een verdronken jongen aan land te zien spoelen, aan het einde des eilands, digt bij de plaats der schipbreuk. Hij had geene andere kleederen aan dan een matrozenbuisje, een linnen broek en een blaauw hemd; maar niets, waaruit ik gissen kon, tot welke natie hij behoorde. Hij had niets in zijn zak dan twee stukken van achten en eene tabakspijp, de laatste was mij tienmalen meer van waarde dan de eersten.

Het was nu stil en ik verlangde zeer in mijne boot naar het wrak te gaan, niet twijfelende of ik zou aan boord wel iets vinden, dat mij van nut kon zijn; doch dit was niet mijne sterkste drijfveer, maar wel de mogelijkheid, dat er nog een levend wezen aan boord zou zijn, wiens leven ik redden kon niet alleen, maar daardoor tevens mijn eigen lot ten uiterste verzoeten. Dit denkbeeld lag mij zoo aan het hart, dat ik dag noch nacht rust had; maar besloot in mijne boot mij naar het wrak te wagen, en den uitslag aan Gods voorzienigheid over te laten. De indruk, dien dit op mijn geest gemaakt had, was zoo sterk, dat ik meende dien niet te kunnen wederstaan, en begreep, dat eene onzigtbare magt mij daartoe aandreef, en ik mij zelven nadeel meende te doen, als ik dien niet opvolgde.
Hierdoor aangedreven, spoedde ik mij naar mijn kasteel, maakte alles tot mijne reis gereed, nam wat brood, eene groote pot vol zoet water, een kompas om naar te sturen, een flesch rum (want ik had daar nog vrij wat van) en eene mand vol rozijnen, en aldus met al het noodige beladen, ging ik naar mijne boot, schepte er het water uit, en maakte haar vlot, legde er mijne lading in, en ging meer van huis halen. Mijne tweede lading bestond uit een zak vol rijst, mijn zonnescherm, om mij voor zon en regen te beschutten, nog eene groote pot vol water en ongeveer twee dozijn van mijne brooden of koeken, benevens eene flesch geitenmelk en eene kaas. Dit alles bragt ik onder veel arbeid en zweet naar mijne boot, en na God voor den gelukkigen afloop der reis gebeden te hebben, stak ik af, en de kanoe langs het strand roeijende of pagaaijende, kwam ik eindelijk aan het einde van het eiland aan dien kant, namelijk aan het N. O. Nu moest ik, als ik het wagen durfde, in zee steken. Ik sloeg een blik op de felle stroomingen, die gestadig op eenigen afstand aan weerszijden van het eiland liepen, en die door de herinnering van het gevaar, dat zij mij hadden doen loopen, voor mij zeer vreesselijk waren; en toen begon mijn moed te bezwijken, want ik voorzag, dat als ik in eene dier stroomingen geraakte, ik een groot eind weegs in zee zou gedreven worden, misschien zoo ver, dat ik het eiland niet meer bereiken of zien zou, en daar mijne boot maar klein was, ware ik, zoodra maar de wind opwakkerde tot eene stijve koelte, onvermijdelijk verloren.
Deze denkbeelden maakten mij zoo neêrslagtig, dat ik mijne onderneming begon op te geven, en na mijne boot in eene kleine kreek aan het strand gebragt te hebben, er uitstapte, en op eene kleine hoogte zitten ging, zeer bedrukt en bezorgd, weifelend tusschen vrees en verlangen om de reis te doen. Terwijl ik zoo zat, bemerkte ik, dat het getij kenterde en de vloed doorkwam, waardoor mijn vertrek, zoo lang deze aanhield, onuitvoerbaar werd. Nu viel het mij in, dat het best ware op de hoogste plek gronds te gaan, die ik vinden kon, en, als ik kon, waarnemen hoe de stroomingen met het getij liepen, wanneer de vloed doorkwam, zoo dat ik oordeelen kon, dat als ik eens langs den eenen weg naar buiten gedreven werd, of ik ook hopen kon langs een anderen weg naar binnen gedreven te worden, met de stroomingen. Naauwelijks kwam dit denkbeeld bij mij op, of ik sloeg mijn oog op een heuvel, vanwaar ik de zee aan weerszijden voldoende overzien kon, en waar ik een duidelijk gezigt van de stroomingen had, en hoe ik op mijn terugreis sturen moest. Ik vond, dat de strooming van de eb digt langs de zuidelijke punt van het eiland heen liep, terwijl de strooming van den vloed aan de noordelijke zijde digt langs het strand liep, en ik dus niets te doen had dan bij mijne terugkomst de noordzijde van het eiland te houden.
Hierdoor aangemoedigd, besloot ik den volgenden morgen met het begin van het getij uit te gaan, gelijk ik deed, na dien nacht in de kanoe, onder de dikke jas, geslapen te hebben. Ik stuurde eerst een eindweegs in zee regt noordwaarts aan, tot ik de kracht van de strooming begon te bemerken, die mij oostwaarts en met vrij groote snelheid voortdreef, maar niet zoo geweldig als de zuidelijke strooming te voren gedaan had, en mij het bestuur over mijne boot latende, zoo dat ik die, met mijn roeiriem sturende, met groote snelheid regt op het wrak aanhield, en het binnen twee uren bereikte.

Het was een treurig gezigt; het schip, dat van Spaansche bouworde was, zat tusschen twee rotsen vastgeklemd; de zee had het van achteren en op zijde reeds geheel aan stukken geslagen, en daar het voorschip met groot geweld tusschen de klippen was geworpen, waren de fokke en groote mast kort afgebroken, maar de boegspriet was heel en de voorsteven scheen nog geheel onbeschadigd. Toen ik dezen naderde kwam er een hond te voorschijn, die, mij ziende, begon te janken en te blaffen, en zoodra ik hem riep, in zee sprong en naar mij toezwom. Ik nam hem in de boot, maar hij was halfdood van honger en dorst. Ik gaf hem een stuk brood en hij at als een wolf, die veertien dagen lang honger geleden heeft. Toen gaf ik hem wat zoet water, maar zoo ik hem had laten begaan, zou hij zich te bersten hebben gedronken.
Daarna ging ik aan boord. Het eerst wat ik zag was twee mannen, die in de konstapelskamer verdronken waren, met de armen stijf om elkander geslagen. Ik begreep, gelijk zeer waarschijnlijk was, dat toen het schip in den storm vastraakte, de zee zoo hoog liep en er zoo hevig in gekomen was, dat deze arme lieden er door verdronken of gesmoord waren, zoo goed als of zij onder water hadden gelegen. Behalve den hond was er geen levend schepsel aan boord, en voor zoo verre ik zien kon, geene goederen, die niet door het water bedorven waren. Lager in het ruim lagen eenige vaten met wijn of sterken drank, die ik, toen het water op het laagst was, zien kon, maar zij waren voor mij te zwaar. Ik zag verscheidene kisten, die waarschijnlijk aan de matrozen behoord hadden, en ik nam er twee van in de boot, zonder te onderzoeken wat er in was.
Zoo het schip van achteren vast gezeten had, en het voorschip verbrijzeld ware geweest, zou ik eene zeer goede reis gedaan hebben, want naar hetgeen ik in die twee kisten vond, begreep ik, dat het schip zeer rijk geladen moest geweest zijn; en naar den koers, dien het gehouden had, te rekenen, was het waarschijnlijk bestemd naar Buenos Ayros of Rio de la Plata, boven Brazilië, vandaar naar de Havanna, en zoo misschien naar Spanje. Er waren zeker groote schatten in, maar daar had ik niets aan, en ik wist niet waar de bemanning gebleven was.
Behalve deze twee kisten vond ik een vaatje sterken drank van ongeveer twintig flesschen, dat ik met veel moeite in mijne boot bragt. In eene hut vond ik eene menigte geweren en een grooten kruidhoorn met ongeveer vier pond kruid; daar ik de geweren niet noodig had, liet ik die liggen en nam den kruidhoorn alleen mede. Ook nam ik mede een blaasbalg en een tang, die ik beide hoog noodig had, als ook twee koperen keteltjes, een chocoladepot en een rooster, en met dit alles, benevens den hond, vertrok ik, daar het getij mij naar huis dreef, en denzelfden avond, ongeveer een uur na zonsondergang bereikte ik het eiland weder, uiterst vermoeid van dezen togt.
Ik sliep dien nacht in de boot, en den volgenden morgen besloot ik hetgeen ik medegebragt had, in mijn nieuw ontdekte grot, en niet naar mijn kasteel te brengen. Na ontbeten te hebben, bragt ik al mijne lading aan den wal en begon die na te zien. Het vaatje met sterken drank was vol rum, zoo als wij in Brazilië hadden, dat wil zeggen, die niets deugde. Maar bij het openen der kisten vond ik verscheidene zaken, die mij ontbraken; in een vond ik bij voorbeeld een zeer fraaije flesschenkelder, geheel met allerlei fijne likeuren, in flesschen met zilveren stoppen, gevuld. Ik vond twee potten met confituren, zoo goed digt gemaakt, dat het water er niet had kunnen bijkomen, en nog twee, die bedorven waren, bovendien vond ik eenige zeer goede hemden, die mij zeer aangenaam waren, en anderhalf dozijn witte en gekleurde zakdoeken, die mij zeer goed te pas kwamen, om op een warmen dag mijn zweet af te droogen. Bovendien vond ik onder in de kist drie groote zakken, te zamen ongeveer elfhonderd stukken van achten bevattende, en zes gouden dubloenen in een papier gewikkeld, en nog eenige kleine staven goud, die ik denk, dat gezamenlijk een pond zouden wegen.
In de andere kist waren eenige kleederen, doch van minder waarde; ik denk, dat die aan den konstapelsmaat behoord had, schoon er geen kruid in was dan een paar pond zeer fijn, dat in drie fleschjes was, en naar ik denk, bestemd was om voor jagtgeweren te gebruiken. Over het geheel had ik op deze reis weinig opgedaan wat mij van nut was; want het geld was mij niet meer waard dan het slijk onder mijne voeten; en ik had alles wel willen geven voor drie of vier paar Engelsche schoenen en kousen, daar ik groot gebrek aan had en die ik in vele jaren niet aan mijne voeten gedragen had. Ik had nu, wel is waar, twee paar schoenen, die ik den twee verdronken mannen, die ik op het wrak vond, van de beenen had genomen; maar zij waren noch zoo stevig, noch zoo gemakkelijk als onze Engelsche schoenen, maar geleken meer naar dansschoenen. Ik vond in deze matrozenkist ongeveer vijftig stukken van achten, maar geen goud, ik begreep dus, dat de eerste kist aan een officier toebehoord had.
pagina 202

Ik bragt het geld naar mijne grot en legde het neder, gelijk ik vroeger gedaan had met dat, hetwelk ik uit ons eigen schip gehaald had; maar het was zeer jammer, dat het andere einde van het schip niet voor mij toegankelijk was geweest, want ik had mijne kanoe dan zeker verscheidene malen vol met geld kunnen laden, en zoo ik ooit naar Engeland had kunnen komen, had het daar veilig genoeg kunnen liggen, tot ik terug kwam, om het te halen.
Na alles aan wal gebragt en geborgen te hebben, ging ik naar mijne boot terug en bragt die langs het strand naar hare oude haven; daarna keerde ik naar mijne woning terug, waar ik alles in orde vond. Ik rustte thans van mijne vermoeijenissen, leefde op mijne oude wijze, en zorgde voor mijne huishouding. Eene poos leefde ik zeer rustig, behalve dat ik waakzamer dan gewoonlijk was, meermalen naar zee zag en niet dikwijls uitging, en zoo ik een togtje naar het eiland deed, was dit altijd naar de oostzijde, waar ik vrij zeker was, dat de wilden nimmer kwamen, en waar ik, zonder zoo vele voorzorgen en al die zwaarte van kruid en lood en wapens, gaan kon, die ik altijd medesleepte, als ik den anderen kant uitging.
Ik bragt bijkans twee jaren in dien toestand door, maar mijn ongelukkig hoofd, dat geschapen scheen om mij alle soort van ellende aan te brengen, was al dien tijd opgevuld met ontwerpen, hoe ik, als het mogelijk was, van dit eiland af zou raken; dan wilde ik eene tweede reis naar het wrak doen, schoon mijn verstand mij zeide, dat er niets was, wat de gevaren der reis zou beloonen; somtijds wilde ik dezen of dien weg heen een togtje doen, en ik geloof waarlijk, dat zoo ik de boot had bezeten, waarmede ik te Salé in zee stak, ik op goed geluk in zee zou gegaan zijn. In alle mijne lotgevallen was ik een waarschuwend voorbeeld voor hen, die met de gewone kwaal behebt zijn, waaruit ik geloof, dat de helft der menschelijke ellenden voortvloeijen, namelijk dat men niet tevreden is met den staat, waarin God en de natuur ons geplaatst hebben. Want zonder nu terug te komen op mijne eerste bestemming, en de uitstekende raadgevingen mijns vaders, welker tegenstreving ik mijne oorspronkelijke zonde noemen mag, waren mijne volgende misslagen van dien aard de oorzaken van mijn tegenwoordigen rampzaligen toestand. Want zoo de Voorzienigheid, die mij in Brazilië zoo gelukkig als planter gevestigd had, mij gematigde begeerten geschonken had, en hadde ik mij tevreden gesteld met langzaam vooruit te gaan, dan kon ik in den tijd, dien ik thans op het eiland had doorgebragt, een der aanzienlijkste planters van Brazilië geweest zijn, ja, ik ben overtuigd, dat ik, naar de wijze, waarop ik reeds vooruitgegaan was, ik thans ligtelijk honderdduizend moidores rijk had kunnen zijn. Wat behoefde ik ook eene winstgevende zaak, een goed ingerigte plantaadje te verlaten, om als supercargo naar de kust van Guinea te gaan, om slaven te halen, terwijl met der tijd en geduld onzen rijkdom zoo vermeerderd zou hebben, dat wij gemakkelijk hen voor onze deur hadden kunnen koopen, van degenen, wier taak het was hen te halen. Al had dit iets meer gekost, die hooger prijs verdiende niet met zoo veel gevaar uitgewonnen te worden. Maar gewoonlijk handelen jonge lieden zoo, terwijl zij eerst bij meerdere jaren en duurgekochte ervaring de dwaasheid daarvan inzien. Zoo ging het mij ook, maar toch had die verkeerde neiging zoo diep in mijn geest wortel geschoten, dat ik in mijn tegenwoordigen toestand niet tevreden was, maar aanhoudend peinsde over de mogelijkheid en de middelen, om van deze plaats te ontkomen. En ten einde de lezer mijn verder verhaal te aangenamer zij, zal het niet ongepast zijn eenig verslag van mijne eerste ontwerpen aangaande mijne ontkoming te geven, en op welken grond ik handelde.
Men verbeelde zich thans, dat ik na mijne laatste reis naar het wrak, in het kasteel teruggekeerd ben, mijn schip is geborgen en onder water gelegd, als gewoonlijk, en mijn toestand dezelfde als vroeger. Ik had nu zeker meer geld dan te voren, maar was er niet rijker om, want ik kon het evenmin gebruiken als de Indianen te Peru hun goud, voor de Spanjaarden daar kwamen.
In een der nachten, in het regensaizoen, in Maart, het vierentwintigste jaar van mijn verblijf in dit eenzaam eiland, lag ik in mijn bed of hangmat, wakker, zeer gezond, ik had geenerlei pijn of ongemak, en ook geene meerdere gemoedskwelling dan anders, maar kon toch niet slapen, zelfs geen oogenblik insluimeren. Het is even onmogelijk als noodeloos de menigte van gedachten te vermelden, die gedurende dien geheelen nacht bij mij opkwamen. Mijn geheele leven kwam mij als in een kort bestek, achtervolgens voor den geest, tot aan mijne komst op het eiland, en even zoo dat gedeelte mijns levens, dat ik op hetzelve doorgebragt had. Terwijl ik mijnen toestand alhier sedert ik aan wal gekomen was, lag te overpeinzen, vergeleek ik den gelukkigen gang der zaken in het eerste jaar van mijn verblijf alhier, met dien voortdurenden angst, vrees en zorg, waarin ik steeds geleefd had, sedert ik een afdruk van een voet op het zand gezien had. Ik geloofde wel niet, dat de wilden het eiland al dien tijd aanhoudend bezocht hadden, en er honderden malen aan wal geweest waren; maar daar ik er toen niets van wist en dus volstrekt geene vrees voor voeden kon, was ik volkomen gerust, schoon het gevaar even eens was; en bij mijne onbekendheid met hetzelve was ik even welgemoed alsof ik er in het geheel niet aan blootgesteld was. Dit bragt mij op verscheidene nuttige opmerkingen, en bijzonder op deze, hoe oneindig goed de Voorzienigheid is, die den mensch zoo kortzigtig heeft gemaakt, waardoor hij, ofschoon te midden van vele duizenden gevaren, welke, zoo hij ze bespeurde, hem geheel verbijsteren zouden, volkomen kalm en gerust blijft, omdat hij de gevaren, die hem omringen, ziet noch kent.
Nadat deze gedachten mij eenigen tijd hadden bezig gehouden, dacht ik ernstig na over het wezenlijk gevaar, dat ik op dit eiland zoo vele jaren geloopen had, en hoe ik altijd met de grootste gerustheid rondgezworven had, terwijl misschien niets dan de top eens heuvels, de stam eens booms of het invallen van de duisternis tusschen mij en den ergsten dood geweest was, dien namelijk, van in de handen van menschenetende wilden te vallen, die mij zouden beschouwd hebben met hetzelfde oog, waarmede ik een geitje of schildpad aanzag, en even weinig zwarigheid er in zouden gevonden hebben, mij te slagten en op te eten, als ik een duif of een wulp. Ik zou de waarheid te kort doen als ik niet zeide, dat ik opregt dankbaar was aan mijn Behoeder, aan wiens bijzondere bescherming ik nederig erkende al mijne redding uit deze onbekende gevaren verschuldigd te zijn, en zonder welke ik onvermijdelijk in hunne wreedaardige handen zou gevallen zijn.
Toen deze gedachten voorbij waren, hield ik mij eenigen tijd bezig met het overwegen van den aard van deze rampzaligen, ik meen de wilden, en hoe het kwam, dat de alwijze Bestierder der wereld aan eenige zijner schepselen zulke barbaarschheid toeliet, ja, dat beneden het beestachtige was, van namelijk zijns gelijken te verslinden. Doch dit bleef bij eenige vruchtelooze bespiegelingen, maar bragt mij op het nagaan in welk deel der wereld deze rampzaligen leefden, hoe ver de kust was vanwaar zij kwamen, waarom zij zich zoo ver van huis begaven, en waarom ik het niet zoo ver kon brengen, dat ik in staat was naar hen toe te gaan, zoo goed als zij tot mij over kwamen.
Ik bekommerde er mij op dat oogenblik niet om, wat ik doen zou om daar te komen; wat er van mij worden zou als ik den wilden in handen viel, of hoe ik, zoo zij mij vervolgden, hun zou kunnen ontsnappen; zelfs niet hoe het mogelijk zou zijn de kust te bereiken, zonder dat eenigen hunner mij aanvallen zouden, zonder dat ik hoop had van te ontkomen, en als ik niet in hunne handen viel, wat ik doen zou om leeftogt te bekomen of welken koers ik nemen zou; geen dezer gedachten kwam zelfs bij mij op; maar mijn geest hield zich alleen bezig met het denkbeeld van in mijne boot naar het vaste land over te steken. Ik beschouwde thans mijn toestand, als de ongelukkigste, die er zijn kon; en dat niets erger kon worden voor mij, dan alleen de dood; dat zoo ik de kust van het vaste land bereikte, ik misschien redding kon vinden, of langs het strand gaan, gelijk ik in Afrika gedaan had, toen ik aan een bewoond land kwam. Misschien kon ik ook een Europeesch schip ontmoeten, dat mij opnam, en zoo al het ergste gebeurde, kon ik slechts den dood vinden, die in eens aan al mijne ellenden een einde zou maken. Men bedenke, dat dit alles de vrucht was van een overspannen en ongeduldig gemoed, dat als het ware wanhopig was geworden door het langdurige mijner zorgen, en de teleurstelling, die mij op het wrak, waarop ik geweest was, wedervaren was, waar ik zoo nabij de vervulling van mijne vurigste wenschen geweest was, namelijk iemand tot wien ik spreken en van wien ik eenige kennis nopens de plaats waar ik mij bevond, verkrijgen kon. Ik was geheel ontroerd door deze bedenkingen. Al mijne gemoedsrust, mijne onderwerping aan de Voorzienigheid en mijne berusting in des Hemels raadsbesluiten, schenen verdwenen, en ik kon mijne gedachten nergens anders op vestigen dan op het ontwerp eener reis naar het vasteland, dat mij met zoo veel kracht en zoo geweldig overviel, dat ik dit niet weerstaan kon.