← Table of contents
Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

DANIËL DE FOE. (continued 5)

Reading edition

Nadat mij dit twee uren of langer het hoofd zoo op hol had gebragt, dat mijn bloed kookte en mijn pols klopte alsof ik de koorts had, alleen door de drift mijner denkbeelden, deed de natuur, daar ik door het woelen dezer gedachten zeer uitgeput was, mij in een diepen slaap vallen. Men zou denken, dat ik er van had moeten droomen, maar dat was het geval niet, ook niet van iets wat daarop betrekking had; maar ik droomde, dat ik in den morgen, gelijk gewoonlijk, buiten mijn kasteel ging, en op het strand twee kanoes zag, waaruit elf wilden stapten, en dat zij een anderen wilde medebragten, dien zij wilden dooden om hem op te eten, maar juist toen zij hem wilden slagten, rukte de wilde zich plotseling los, en nam de vlugt. Daarop verbeeldde ik mij, dat hij door het digte bosch voor mijne vesting zwierf om zich daarin te verbergen; en dat ik, ziende dat hij alleen was, en niet bemerkende, dat de anderen hem dien kant uit zochten, mij aan hem vertoonde, met bemoedigende gebaren; dat hij voor mij knielde, en mij om bijstand scheen te smeeken, waarop ik hem mijne ladder wees, hem die deed opstijgen, en hem in mijn kelder bragt, waar hij mijn knecht werd, en zoodra ik dien man verkregen had, zeide ik tot mijzelven: "Nu kan ik mij gerust naar het vaste land wagen; want deze man kan mij tot loods strekken, en zal mij zeggen wat ik doen moet en waar ik lijftogt kan bekomen, en waar ik niet gaan moet om niet verslonden te worden; in welke plaatsen ik mij wagen kan en welke ik ontwijken moet!" Met deze gedachten ontwaakte ik, en was zoo onbeschrijfelijk verheugd over het vooruitzigt mijner ontkoming in den droom, dat de teleurstelling, die ik gevoelde, toen ik tot mijzelven komende, bevond, dat het slechts een droom was, even buitensporig was, en mij geheel neêrslagtig maakte.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Ik besloot echter bij deze gelegenheid, dat de eenigste weg, dien ik had om eene ontkoming te beproeven, daarin bestond om zoo mogelijk een wilde in mijne magt te erlangen, en als het kon een hunner gevangenen, dien zij veroordeeld hadden om gegeten te worden, en hierheen bragten om te slagten. Maar hier deed zich nog de zwarigheid op, dat dit onmogelijk was zonder een geheelen troep van hen aan te vallen en hen allen te dooden; en dit was niet alleen een zeer roekelooze aanslag, die ligt kon mislukken, maar ik twijfelde aan den anderen kant of hij wel geoorloofd was, en mijn hart beefde bij de gedachte van zooveel bloed te vergieten, al was het ook ter mijner bevrijding. Ik behoef de redenen hier niet te herhalen, die zich bij mij hier tegen stelden, daar het dezelfde waren als vroeger, maar schoon ik nu andere redenen had, namelijk, dat het vijanden van mij waren, en zij mij zouden slagten als zij konden; dat het niet dan zelfbehoud was om mij uit een toestand te redden, die erger dan de dood was, en dat ik even goed tot mijne zelfverdediging handelde, als wanneer ik werkelijk door hen aangevallen werd, en zoo voorts; toch kon ik mij met het denkbeeld van zoo veel menschenbloed te vergieten, niet vereenigen.

Eindelijk echter, na lang met mij zelven getwist en op twee gedachten gehinkt te hebben, behield het verlangen naar mijne bevrijding de overhand, en ik besloot, mij van een dier wilden meester te maken, het kostte wat het wilde. Nu was de vraag hoe ik dit aanleggen zou, en deze was niet gemakkelijk te beantwoorden; maar daar ik er geene waarschijnlijke middelen toe kon uitdenken, besloot ik de wacht te houden, om te zien als zij aan wal kwamen, en het overige aan het lot over te laten, en zulke maatregelen te nemen als de omstandigheden zouden vereischen.

Met dit voornemen ging ik zoo dikwijls mogelijk op bespieding uit, tot dat het mij ten laatste hartelijk begon te vervelen; want het duurde meer dan anderhalf jaar, dat ik schier elken dag vruchteloos naar den westelijken en zuidwestelijken hoek van het eiland ging, om naar de kanoes uit te zien, doch er kwamen geene te voorschijn. Dit was zeer ontmoedigend, en daar ik niet kan zeggen, gelijk anders het geval was, dat met der tijd mijn verlangen verdween, werd ik er te gretiger naar hoe langer het duurde. Ik verlangde nu evenzeer naar de wilden als ik vroeger ze verlangde te vermijden. Ik vleide mij zelfs een, ja twee of drie wilden te verkrijgen, en die geheel tot mijne slaven te maken, om te doen wat ik hun zou gelasten, terwijl ik te gelijk belette, dat zij mij eenig leed deden. Lang verheugde ik mij met dit denkbeeld, maar er scheen niets van te zullen komen, al mijne verwachtingen waren vruchteloos, want gedurende een langen tijd kwamen er geene wilden opdagen.

Ongeveer anderhalf jaar na dat ik mij deze denkbeelden het eerst in het hoofd had gehaald, en toen ik reeds dacht, dat er nimmer iets van komen zou, werd ik op een morgen verrast door het zien van niet minder dan vijf kanoes, die allen aan mijne zijde van het eiland op het strand zaten, terwijl al de daarbij behoorende lieden aan land en buiten mijn gezigt waren. Hun aantal verijdelde al mijne voornemens, ik wist, dat er altijd vijf of zes en soms meer in eene kanoe kwamen, en wist dus niet hoe ik alleen twintig of dertig menschen zou aantasten, dus bleef ik misnoegd en teleurgesteld in mijn kasteel. Ik maakte echter alles tot een aanval gereed als de gelegenheid zich mogt voordoen. Na eene lange poos gewacht te hebben of ik ook eenig gerucht hoorde, werd ik ongeduldig, en klom met mijne ladder tot boven op den heuvel, en bleef daar zoo staan, dat men mijn hoofd niet boven den heuvel kon uitzien, en zij mij volstrekt niet konden gewaar worden. Hier bespeurde ik met behulp van mijn kijker, dat zij niet minder dan vijfendertig in getal waren, dat zij een vuur aangemaakt en vleesch toebereid hadden; hoe zij het braadden of wat het was, wist ik niet; maar zij dansten allen met allerlei zonderlinge en barbaarsche gebaren rondom het vuur.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Terwijl ik hen aldus gadesloeg, zag ik, dat men twee ongelukkigen uit de kanoes haalde, waarin zij, naar het schijnt, gelegen hadden, en thans ter slagtbank leidde. Een hunner viel oogenblikkelijk neder, naar ik denk, nedergeveld door een knods of houten zwaard, gelijk zij gebruiken, en twee of drie hunner begonnen hem aan stukken te houwen. Het andere slagtoffer bleef staan, in afwachting, dat het zijne beurt werd. Op dit oogenblik, terwijl deze ongelukkige zich eenigermate in vrijheid zag, ontwaakte bij hem de zucht tot zelfbehoud; hij nam de vlugt, en liep met onbegrijpelijke snelheid langs het strand, regt op mij aan, dat is te zeggen, naar dat gedeelte van de kust, waar mijne woning stond. Ik moet bekennen, dat ik vreesselijk schrikte, toen hij mijn kant uit kwam, en vooral toen ik verwachtte, dat allen hem zouden volgen. Nu verwachtte ik, dat mijn droom zou uitkomen en hij in mijne schans eene schuilplaats zou zoeken, maar ik kon er niet op rekenen, dat, even als in mijn droom, de andere wilden hem niet zouden vervolgen en daar vinden. Ik bleef echter staan en begon weder moed te scheppen, toen ik bemerkte, dat slechts drie man hem volgden, en vooral toen ik zag, dat hij veel harder liep dan zij en grond op hen won, zoodat ik begreep, dat, als hij het nog een half uur kon uithouden, hij buiten hun bereik zou zijn.

Tusschen hen en mijn kasteel lag de kreek, waarvan ik vroeger gesproken heb, en in welke ik mijne ladingen uit het schip aan land bragt, en ik wist, dat hij deze overzwemmen moest, anders zou hij gegrepen worden. Toen de wilde echter deze kreek bereikte, sprong hij er dadelijk in, hoewel het hoog water was, en zwom naar de overzijde, waar hij met verbazende snelheid weder aan het loopen ging. Toen de anderen aan de kreek kwamen, sprongen twee van zijne vervolgers er in, maar de derde, die naar het scheen, niet zwemmen kon, bleef eerst aan den oever hen staan nazien, en keerde toen langzaam terug, hetwelk voor hem zeer gelukkig was.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Ik bemerkte, dat de twee vervolgers meer dan tweemaal zoolang werk hadden met door de kreek te zwemmen als de vlugteling. Op dit oogenblik begreep ik, dat thans het tijdstip gekomen was, om mij een knecht te verschaffen, misschien wel een makker en medehelper, en dat de Voorzienigheid mij riep om dezen ongelukkige het leven te redden. Oogenblikkelijk steeg ik de ladders af, en greep mijne beide geweren, die aan den voet derzelve lagen, en even haastig den heuvel weder opklimmende, begaf ik mij naar het strand, en stelde mij aldus tusschen de vervolgers en den vervolgde, welken laatste ik met eene luide stem toeriep. Deze omziende, was misschien eerst voor mij even bevreesd als voor hen, maar ik wenkte hem met de hand, dat hij zou terugkeeren, en trad middelerwijl langzaam de beide vervolgers te gemoet; den voorste velde ik met een slag met den kolf van mijn geweer neder. Ik wilde liefst niet vuren, opdat de anderen het niet zouden hooren; schoon dat op dien afstand niet gemakkelijk zou geweest zijn, en daar zij buiten het gezigt van den rook waren, toch niet zouden geweten hebben wat er van te maken. Toen ik dezen nedergeveld had, bleef de ander als verschrikt staan, en ik trad naar hem toe, maar naderbij gekomen bespeurde ik, dat hij een boog en pijlen had, en op mij wilde aanleggen. Ik was dus genoodzaakt hem voor te komen, en schoot hem met het eerste schot dood. De arme wilde die gevlugt was, doch naderhand blijven staan, was, schoon hij zijne vervolgers zag vallen, door den slag en het vuur van mijn geweer zoo verschrikt, dat hij als versteend staan bleef, en meer geneigd scheen mij te ontvlugten dan te naderen. Ik riep hem weder toe, en wenkte hem naderbij te komen, hetgeen hij gemakkelijk begreep, hij deed eenige stappen voorwaarts en bleef toen weder staan; nog eenige stappen en toen stond hij weder stil, en ik zag dat hij beefde, en begreep, dat hij thans dacht door mij gevangen genomen en geslagt te zullen worden. Ik wenkte hem toe, en gaf hem alle mogelijke blijken van genegenheid. Eindelijk kwam hij, van tijd tot tijd nederknielende, naderbij, knielde voor mij, kuste den grond, en zette mijn voet op zijn hoofd. Met dit laatste scheen hij te zweren, dat hij voor altijd mijn slaaf was. Ik beurde hem op, en trachtte hem zoo veel mogelijk gerust te stellen. Maar ik had nog meer te verrigten, want de wilde dien ik nedergeveld had was niet dood, maar alleen bedwelmd door den slag, en begon bij te komen. De wilde, wien ik naar hem wees, zeide mij eenige woorden, die ik niet verstond, maar die mij de aangenaamste geluiden toeschenen, die ik in vijfentwintig jaren gehoord had; want het was de eerste menschelijke stem, buiten de mijne, die ik in al dien tijd gehoord had. Ik had echter thans geen tijd daar aan te denken. De wilde, die bijkwam, zat thans op den grond, en toen ik mijn geweer op hem aanlegde, verzocht mijn wilde (zoo zal ik hem nu noemen) door teekens mij om mijne sabel, die aan mijne zijde hing. Ik gaf hem die, en naauwelijks had hij ze in handen of hij vloog naar zijn vijand en sloeg hem met één slag het hoofd af. Dit verwonderde mij van iemand, die zeker nooit geen andere sabel gezien had dan de houten zwaarden, die deze volken gebruiken. Het schijnt echter, gelijk ik naderhand vernam, dat zij hunne houten sabels zoo scherp en zoo zwaar maken, en dat het hout zoo hard is, dat zij er met een slag een arm of been mede kunnen afhouwen. Dit gedaan zijnde kwam hij lagchende, en als in zegepraal naar mij toe, en bragt mij mijne sabel terug, en legde die met eene menigte gebaren, die ik niet begreep, met het hoofd van den wilde voor mijne voeten.

Wat hem echter het meest verbaasde, was dat ik den anderen op zulk een verren afstand gedood had. Hij wees op hem en scheen mij te vragen of hij er heen mogt gaan. Ik gaf hem mijne toestemming zoo goed ik kon, te kennen. Toen hij bij hem kwam stond hij een oogenblik als versteend van verbazing, keerde hem op de eene en de andere zijde, bezag zijne wond waaruit weinig bloed gekomen was, omdat de kogel in de borst zat en de wond inwendig gebloed had. Daarop kwam hij met zijn boog en pijlen terug, en ik keerde mij om, om heen te gaan, en wenkte hem door teekens mij te volgen. Hij gaf mij echter te kennen, dat hij de lijken eerst in het zand wilde begraven, opdat de anderen ze niet zouden vinden, hetgeen ik toestond. In een oogenblik had hij met zijne handen een gat gegraven, groot genoeg om den eerste te bevatten, dien hij er ook dadelijk insleepte en overdekte, gelijk daarop ook den tweede; ik geloof dat hij er geen vierde uurs aan besteedde. Daarop nam ik hem mede, maar bragt hem niet in mijn kasteel, maar in mijne grot aan het andere einde van het eiland; zoodat mijn droom, dat hij in mijn kasteel een schuilplaats zocht, in dat opzigt niet vervuld werd. Ik gaf hem hier brood, een tros rozijnen en wat water, welk laatste hij na zijn loopen hoog noodig had; en nadat hij gegeten had, wenkte ik hem te gaan liggen slapen, op een plaats waar een hoop stroo en een deken lag, en ik somtijds zelf sliep; het arme schepsel ging liggen en sliep dadelijk.

Het was een kloeke, welgemaakte knaap, rijzig en gespierd, slank en welgevormd, en naar ik denk ongeveer zesentwintig jaren oud; zijne trekken waren in het geheel niet woest, maar toch mannelijk; hij bezat echter al het aanvallige van een Europeesch gelaat, vooral als hij glimlachte, zijn haar was lang en zwart, maar niet gekroesd, zijn voorhoofd bijzonder breed en hoog en zijne oogen uiterst kloek en levendig. Zijne kleur was niet volkomen zwart, maar donker bruin, evenwel niet zoo vuil bruin als men bij de inboorlingen van Brazilië, Virginië en andere Amerikaansche inboorlingen vindt; maar meer olijfkleurig en moeijelijk te beschrijven. Zijn gelaat was rond, zijn neus klein en niet zoo plat als bij de negers, zijn mond was niet te groot, zijne lippen dun, en zijne tanden fraai en zoo wit als ivoor. Na een half uurtje sluimerens werd hij wakker en kwam uit de grot naar mij toe. Ik had juist de geiten gemolken, die ik daar hield, hij vloog naar mij toe, en viel ter aarde, met alle mogelijke teekens van dankbaarheid. Eindelijk legde hij zijn hoofd vlak voor mijne voeten op den grond, en plaatste, even als den vorigen keer, mijn voet op zijn hoofd, en maakte daarna alle mogelijke teekens van onderwerping en dienstbaarheid, om mij te kennen te geven, dat hij mij dienen wilde zoo lang hij leefde. Ik begreep grootendeels wat hij mij zeggen wilde, en gaf hem wederkeerig te kennen, dat ik over hem voldaan was. Weldra beproefde ik hem te leeren spreken en mij van hem te doen verstaan. Ik gaf hem vooreerst te kennen, dat hij Vrijdag zou heeten, omdat ik hem op Vrijdag het leven gered had. Ik leerde hem daarop meester zeggen, en wees hem dat ik dit was, en leerde hem ja en neen zeggen, en wat dit beduidde. Ik gaf hem melk in een aarden schotel, nadat ik er mijn brood in gedoopt had, en gaf hem een stuk brood om mij dit na te doen, hetgeen hij spoedig begreep en mij door teekens beduidde, dat hij dit zeer smakelijk vond. Ik hield hem den geheelen nacht bij mij, en zoodra het dag werd gelastte ik hem mij te volgen, en deed hem begrijpen, dat ik hem eenige kleederen zou geven, want hij was geheel naakt. Toen wij de plaats langs gingen, waar de twee wilden begraven waren, wees hij mij de plek, en de teekens, waaraan hij ze kon herkennen, en gaf mij te kennen, dat hij ze wilde uitgraven en opeten. Hierover hield ik mij zeer boos, en gaf hem mijn afkeer er van te kennen, door mij te houden, als of ik er van braken moest, en wenkte hem met de hand, dadelijk verder te gaan, hetgeen hij zeer gewillig deed. Ik klom daarop met hem den heuvel op, om te zien of zijne vijanden vertrokken waren, en mijn kijker uithalende, zag ik duidelijk de plaats, waar zij geweest waren, maar van hen, noch hunne kanoes niet het minste spoor. Het was dus blijkbaar, dat zij vertrokken waren, en twee hunner makkers achtergelaten hadden, zonder naar hen te zoeken.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Doch ik was hiermede niet tevreden, mijn moed en mijne nieuwsgierigheid groeiden thans te gelijk aan; dus nam ik mijn slaaf Vrijdag mede, gaf hem eene sabel in de hand, terwijl hij een boog en pijlen, in welker behandeling ik bevond, dat hij zeer bedreven was, op den rug, en in zijne hand een mijner geweren droeg, terwijl ik zelfde beide anderen nam, en zoo trokken wij naar de plaats, waar de wilden geweest waren, want ik wilde thans iets meer van hen weten.

Toen wij daar kwamen, verstijfde mij het bloed in de aderen, en mijn hart kromp ineen bij het akelig schouwspel, dat zich opdeed. Het was waarlijk een vreesselijk schouwspel, althans voor mij, want Vrijdag trok het zich volstrekt niet aan. De plek was bezaaid met menschenbeenderen, de grond met bloed bedekt, hier en daar lagen groote, half gebraden stukken vleesch; kortom al de blijken van een zegefeest na eene overwinning. Vrijdag gaf mij te kennen, dat zij vier gevangenen hadden medegebragt; drie waren geslagt en de vierde was hij; dat er een groot gevecht plaats gehad had tusschen hen en een naburigen koning, tot wiens onderdanen hij scheen te behooren, en dat zij een groot aantal gevangenen hadden gemaakt, die ieder naar verschillende plaatsen waren gevoerd, door degenen, die ze gevangen hadden genomen, om hen te slagten, gelijk de wilden, die hier gekomen waren, de hunne hadden gedaan.

Ik deed Vrijdag al de overblijfselen van hun gruwelijk feestmaal bijeenzamelen, op een hoop leggen, er een groot vuur rondom maken, en liet alles tot asch verbranden. Ik bemerkte, dat Vrijdag grooten trek naar het vleesch had, en van aard nog een menscheneter was, maar ik liet bij den minsten schijn daarvan zoo veel afschuw blijken, dat hij het niet durfde te kennen geven, want ik had hem beduid, dat als hij het durfde doen, ik hem zou doodslaan.

Nadat dit gedaan was keerden wij naar ons kasteel terug, en ik ging voor hem aan het werk. Eerst gaf ik hem uit de konstapelskist een linnen broek, die hem vrij wel paste. Daarna maakte ik hem eene buis van geitenvellen, zoo goed ik kon, en ik was nu een dragelijke snijder geworden, en gaf hem eene muts van een hazenvel, die hem zeer deftig stond, zoo dat hij voor 's hands vrij goed gekleed was, en niet weinig in zijn schik, dat hij schier zoo deftig uitgedost was als zijn meester. Wel was hij in het eerst zeer linksch in al zijne bewegingen, zijn broek belemmerde hem geweldig, en de mouwen van zijne buis knelden hem, maar nadat ik ze hier en daar wat wijder gemaakt had, en hij er aan gewoon raakte, kon hij er zeer goed mede te regt komen.

Den volgenden dag nadat ik met hem te huis was gekomen, begon ik te bedenken, waar ik hem zou bergen, zonder dat hij mij tot last was. Ik maakte daarom een kleine tent voor hem, op de ledige plaats tusschen mijne beide schansen. Daar er hier een ingang in mijnen kelder was, maakte ik eene hechte deur van planken in den gang digt bij de opening, die van binnen open ging. Des nachts sloot ik die met een boom, en nam ook mijne ladders in, zoo dat Vrijdag niet binnen mijn binnensten muur kon komen, zonder bij het overklimmen zoo veel gerucht te maken, dat ik daarvan wakker moest worden, want mijn binnenste wal was nu geheel met een dak voorzien van lange staken, die mijn geheele tent overdekten, en tegen den kant van den heuvel steunden, die weder dwars met kleine stokken en vervolgens met stroo van rijst bedekt waren, welk laatste zoo sterk als riet was. Aan de opening, met welke ik door de ladder in of uitging, had ik eene soort van valdeur gemaakt, die niet naar buiten openging, maar als men dit beproefd had, met groot gedruisch naar binnen moest openvallen. Mijne wapens had ik des nachts ook altijd naast mij liggen. Al deze voorzorgen waren echter overbodig, niemand had ooit een dienaar, die trouwer, opregter en meer aan hem gehecht was dan Vrijdag aan mij; hij was zonder arglist, en beminde mij als een kind zijn vader, en ik durf zeggen, dat hij altijd zijn leven voor het mijne zou gegeven hebben. De veelvuldige blijken, die hij hiervan gaf, stelden dit buiten twijfel, en overtuigden mij spoedig, dat ik geene voorzorgen jegens hem behoefde te gebruiken.

Dit deed mij dikwijls overdenken, dat hoezeer het God in zijne wijsheid behaagd heeft, een groot deel zijner schepselen op deze aarde te versteken van de beste oefeningen, waartoe hunne geestvermogens vatbaar zijn, Hij hun toch dezelfde vermogens geschonken heeft, dezelfde rede, dezelfde neigingen; hetzelfde gevoel van dankbaarheid en verpligting, dezelfde hartstogten en gevoel van verongelijkingen, hetzelfde besef van opregtheid en trouw, en alles wat hun in staat stelt goed te doen, en weldaden te ontvangen, zoo wel als ons. Als de gelegenheid zich er toe aanbiedt, zijn zij even bereid, ja bereidvaardiger dan wij, om deze ten beste aan te wenden. Dit maakte mij somtijds zeer neêrslagtig, als ik overwoog, hoe dikwijls wij bij voorkomende gelegenheden, van deze allen zulk een slecht gebruik maken, zelfs schoon onze vermogens verlicht zijn door onderrigt en de kennis van Gods woord; en waarom het God behaagd heeft deze zaligmakende kennis te onthouden aan zoo vele millioenen, die, naar dezen armen wilde te oordeelen, er een beter gebruik dan wij van zouden maken. Hierdoor waagde ik mij somwijlen te ver in het beoordeelen van het oppermagtig wereldbestuur, en tot eene beoordeeling, als het ware van het regtvaardige eener zoodanige beschikking, die sommigen het licht onthouden, en het aan anderen geschonken had, en toch van allen gelijke pligten vorderde. Maar ik bedwong ten laatste mijne overwegingen door de bedenking, dat ik niet wist naar welken maatstaf zijlieden geoordeeld zouden worden; maar dat, daar God noodwendig en door de natuur van zijn wezen, oneindig heilig en regtvaardig was, zoo deze schepselen veroordeeld zouden worden, dat zij zich van hem verwijderd hadden, dit uit hoofde van hunne zonden tegen dat licht, dat hun wet was, en de regels, die hun geweten hun voorschreef, zou zijn; en ik eindigde met de bedenking, dat daar wij allen als leem in de handen des pottebakkers zijn, geen schepsel tegen zijnen Formeerder zeggen kon: waarom hebt gij mij aldus gevormd?

Maar om tot mijn nieuwen knecht terug te keeren; ik was zeer met dezen in mijn schik, en trachtte hem alles te leeren wat hem nuttig, handig en behulpzaam kon maken; maar vooral hem te leeren met mij te spreken en mij te verstaan. Hij was de beste scholier, zoo vrolijk, vlijtig, en blijde als hij mij begrijpen kon of zich aan mij doen verstaan, dat het mij een genot was met hem om te gaan. Nu was mijne levenswijze zoo aangenaam, dat, ware ik slechts van de vrees voor de wilden ontslagen geweest, ik gaarne mijn verder leven hier had willen slijten.

Nadat ik twee of drie dagen op mijn kasteel was geweest, begreep ik, dat het goed was, ten einde Vrijdag van zijn afschuwelijk eten van menschenvleesch af te brengen, hem eenig ander vleesch te laten proeven. Ik nam hem derhalve op een ochtend mede naar het bosch, met oogmerk een geitje uit mijne kudde naar huis te brengen en te slagten, maar onder weg zag ik eene geit met twee jongen in de schaduw liggen. Ik greep Vrijdag bij den arm. "Sta stil," zeide ik, en wees hem, dat hij zou blijven staan. Daarop legde ik mijn geweer aan, en schoot een der geitjes. De arme knaap, die mij een zijner vijanden op een afstand had zien dooden, zonder te weten of te begrijpen hoe, was zoo verschrikt en verbaasd, dat hij van angst trilde en ik dacht dat hij neergevallen zou zijn. Hij zag het geitje niet, dat ik gedood had, en had ook niet bemerkt dat ik er op aangelegd had, maar hij rukte zijn buis open, om te zien of hij ook gewond was, en begreep, dat ik voornemens was hem te dooden, want hij viel voor mij neder, omhelsde mijne knieën, en zeide mij veel dat ik niet verstaan kon, maar gemakkelijk begrijpen, dat hij mij smeekte hem niet te dooden.

Spoedig vond ik middel hem te overtuigen, dat ik hem geen kwaad wilde doen, ik beurde hem lagchend op, wees op de geit die ik geschoten had, en gelastte hem die te gaan halen, gelijk hij deed. Terwijl hij zich over haren dood verwonderde, laadde ik mijn geweer weder, en zag toevallig een vogel van grootte als een havik, binnen schot op een boom zitten. Om nu Vrijdag eenigzins te doen begrijpen wat ik doen wilde, wees ik hem den vogel, dat een papegaai was, schoon ik dien eerst voor een havik hield, en op mijn geweer en op den grond onder den boom, om hem te doen begrijpen, dat ik dien vogel uit den boom zou schieten. Daarop schoot ik en de vogel viel. In weêrwil van hetgeen ik gezegd had was hij echter weder hevig verschrikt, en vooral omdat hij mij niets in het geweer had zien doen. Hij begreep, dat dit een tooverwerktuig moest zijn, dat alles, mensch en beest, van verre en nabij dooden kon. Deze indruk bleef hem lang bij, en als ik het toegelaten had, zou hij, geloof ik, mij en mijn geweer aangebeden hebben. Verscheidene dagen daarna durfde hij het geweer nog niet aanraken, maar sprak er dikwijls tegen, als hij alleen was, en smeekte het, gelijk ik naderhand van hem vernam, hem niet te dooden.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Zoodra hij van zijne eerste verbazing wat bekomen was, gelastte ik hem den vogel te gaan halen, hetgeen hij deed, maar eenigen tijd wegbleef, want ik had hem slechts aangeschoten, en hij was een eind weegs weggefladderd. Terwijl hij hem opzocht, maakte ik van deze gelegenheid gebruik om mijn geweer weder te laden, daar hij van hetzelve nog niets begreep, zonder dat hij het zag, opdat ik, als hij terug kwam, gereed mogt zijn als zich eenig ander wild opdeed, hetgeen echter thans het geval niet was. Ik bragt het geitje naar huis, haalde het nog denzelfden avond af, en hakte het zoo goed ik kon in stukken. Vervolgens kookte ik er een stuk van tot soep, en na er wat van gegeten te hebben, gaf ik er Vrijdag ook wat van, dien het zeer goed scheen te smaken, doch wat hem het meest verwonderde, was dat hij er mij zout bij zag eten. Hij gaf mij door teekens te kennen, dat zout niet goed om te eten was; hij stak een weinig in den mond, en hield zich alsof hij er van walgde en zou gaan braken, waarna hij met water zijn mond uitwiesch; daarentegen nam ik een stuk vleesch zonder zout, en hield mij alsof ik van het gebrek aan zout walgde, maar het baatte niets, nimmer wilde hij zout bij zijne spijs voegen.

Na hem den eersten dag soep gegeven te hebben, besloot ik hem den tweeden dag op gebraad te onthalen, door een stuk geitenvleesch aan het spit te steken. Ik deed dit, gelijk ik in Engeland dikwijls gezien had, door het vleesch in een stuk aan een staak te hangen, die op twee andere staken steunde, en deze te draaijen. Vrijdag stond dit verbaasd aan te zien, maar toen hij het vleesch proefde, gaf hij mij op allerlei wijzen te verstaan hoe goed het hem smaakte, en eindelijk gaf hij te kennen, dat hij nimmer meer menschenvleesch wilde eten, hetwelk mij zeer aangenaam was.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Den volgenden dag zette ik hem aan het werk om eenig koorn te dorschen, gelijk ik dat gewoon was, en spoedig kon hij dit zoo goed doen als ik, vooral nadat hij gezien had waarvoor dit geschiedde, want ik liet hem zien hoe ik mijn brood bereidde en bakte, en kort daarna kon Vrijdag dit alles voor mij doen zoo goed als ik zelf. Ik begon nu te begrijpen, dat ik voor twee man eten moest hebben in plaats van voor een, en dus meer graan dan vroeger aankweeken; ik stak dus een grooter stuk land af, en begon dit te omheinen even als het vorige. Vrijdag werkte hieraan zeer gewillig en vlijtig mede, en ik vertelde, dat dit was om graan te bekomen ten einde meer brood te maken, omdat hij nu bij mij was. Hij scheen hierdoor zeer getroffen en beduidde mij, dat ik thans door hem meer werk had dan vroeger voor mij alleen; maar dat ik slechts te zeggen had wat ik gedaan wilde hebben, en dat hij te harder voor mij zou werken.

Dit jaar was voor mij het aangenaamste van allen, die ik hier doorgebragt had, Vrijdag begon tamelijk wel te spreken en kende spoedig de namen van al wat ik hem wijzen kon, en van elke plaats, waar ik hem naar toe zenden kon. Ik begon dus thans mijne tong weder te kunnen gebruiken, waartoe ik, om te spreken bedoel ik, tot hiertoe weinig gelegenheid had gehad. Behalve het genoegen van met hem te spreken, had ik veel vermaak in zijn karakter; zijne eenvoudige, brave en argelooze aard bleek mij dagelijks meer, en ik begon hem hartelijk lief te hebben; en van zijnen kant geloof ik, dat hij mij meer dan iets ter wereld beminde.

Ik wilde eens beproeven of hij weder naar zijn land verlangde, en daar hij nu genoeg Engelsch kende om mij eenige vragen te beantwoorden, vroeg ik hem of zijn volk nimmer in een gevecht overwinnaar was, waarop hij glimlagchend antwoordde: "Ja wel, wij vechten altijd het best;" hij bedoelde beter dan hunne vijanden. Hierop hielden wij het volgende gesprek:

"Gij vecht het best," zeide ik, "hoe komt het dan, dat gij gevangen genomen zijt."

Vrijdag. Mijn volk verslaat ze toch.

Meester. Hoe verslaan? Dat begrijp ik niet, als uw volk hen versloeg, hoe kwaamt gij dan gevangen?

Vrijdag. Zij waren meer dan mijn volk op de plek waar ik was. Zij nemen een, twee, drie en mij gevangen. Mijn volk versloeg hen elders, waar ik niet was, daar nam mijn volk een, twee, drie, veel duizend gevangen.

Meester. Maar waarom heeft uw volk u dan niet uit de handen uwer vijanden verlost?

Vrijdag. Zij bragten gaauw een, twee, drie en mij in de kanoe; mijn volk daar geen kanoe had.

Meester. Zoo. En wat doet uw volk met de lieden, die zij genomen hebben. Voeren zij hen weg en eten ze op, gelijk die anderen?

Vrijdag. Ja, mijn volk eet ook menschen, eet ze allen op.

Meester. Waar brengen zij die heen?

Vrijdag. Zij gaan naar andere plaats, waar zij willen.

Meester. Komen zij hierheen?

Vrijdag. Ja hierheen, hier en op andere plaatsen.

Meester. Zijt gij vroeger hier met hen geweest?

Vrijdag. Ja, ik hier geweest ben. (Hierbij wees hij naar den N. W. kant van het eiland, waar het schijnt dat hunne landingplaats was).

Hieruit maakte ik op, dat hij vroeger onder de wilden geweest was, die gewoon waren op de verder afliggende gedeelten van het eiland aan wal te gaan, met dezelfde oogmerken, waartoe hij thans hier gebragt was, en toen ik hem eenigen tijd daarna aan dien kant bragt, herkende hij dadelijk de plaats, en zeide mij, dat hij daar eens geweest was, toen zij twintig mannen, twee vrouwen en een kind hadden gegeten. Hij kon in het Engelsch niet tot twintig tellen, maar hij wees het mij door zooveel steentjes naast elkander te leggen en mij die te laten tellen.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Ik heb dit gesprek medegedeeld, omdat er het volgende uit ontstond. Ik vroeg hem namelijk hoe ver ons eiland van de kust af lag, en of de kanoes op den togt herwaarts niet dikwijls verongelukten. Hij zeide, dat er geen gevaar was, en de kanoes nimmer vergingen, maar dat er een eind weegs in zee eene strooming en een wind was, naar de eene zijde in den morgen, en in den namiddag naar de andere zijde.

Ik begreep, dat dit niets anders was dan de loop van het getij, naarmate het water wies of afliep, maar naderhand heb ik geleerd, dat dit ontstond uit de sterke eb en vloed van de groote Oronoko-rivier, in welker mond ik naderhand begreep, dat ons eiland lag, en dat het land hetwelk ik ten W. en N. W. gewaar werd, het groote eiland Trinidad, aan den noordelijken hoek van gemelde rivier, was. Ik deed Vrijdag duizend vragen over het land, de bewoners, de zee, de kust, en welke de naburige volken waren; hij verhaalde mij met de meest mogelijke openhartigheid al wat hij wist. Ik vroeg hem de namen der verschillende volken daaromstreeks; maar kon niets anders uit hem krijgen dan Caribs; waaruit ik begreep, dat het Caraïben waren, die volgens onze kaarten, dat deel van Amerika bewonen, dat zich van de Oronoko tot aan Guiana, en aan de andere zijde tot St. Martha uitstrekt. Hij verhaalde mij, dat ver achter de maan (waarmede hij bedoelde in die strekking, waar de maan onderging), dat is ten westen van hun land, witte, baardige mannen woonden, zoo als ik (hierbij wees hij op mijne knevels) en dat deze veel mannen gedood hadden, zoo als hij zeide. Ik besloot hieruit, dat hij de Spanjaarden bedoelde, wier wreedheden in Amerika, het geheele land door bekend zijn geraakt, en door alle volkeren van vader tot zoon bewaard zijn gebleven.

Ik vroeg hem of hij mij zeggen kon, hoe ik van dit eiland en bij die blanke menschen komen kon. Hij zeide ja, en dat dit gaan kon in "twee kanoes." Ik begreep eerst niet wat hij met "twee kanoes" meende, maar kwam er eindelijk met veel moeite achter, dat hij wilde zeggen in eene kanoe, zoo groot als twee anderen. Deze verklaring beviel mij zeer goed, en van dit oogenblik af koesterde ik eenige hoop, dat ik den een of anderen tijd gelegenheid zou vinden van deze plaats te ontkomen, en dat deze arme wilde mij ter uitvoering daarvan behulpzaam zou kunnen zijn.

Gedurende al den tijd, dat Vrijdag nu bij mij was geweest, en begon te leeren met mij te spreken en mij te verstaan, had ik niet nagelaten hem de eerste begrippen der godsdienst in te prenten; zoo vroeg ik hem eens wie hem geschapen had. De arme knaap begreep mij volstrekt niet, maar dacht, dat ik vroeg wie zijn vader was. Ik vatte dus de zaak anders aan, wees hem op de zee, den grond waarop hij trad, de heuvels en de bosschen. Hij zeide, dat dit gemaakt was door den ouden Benamoekie, die verder dan alle menschen woonde. Hij wist van dien grooten persoon niets anders te zeggen, dan dat hij zeer oud was, veel ouder, zeide hij, dan de zee of het land, dan de maan of de sterren. Ik vroeg hem daarop, dat zoo die oude persoon alle dingen gemaakt had, waarom niet alle dingen hem eer bewezen. Hij zag zeer ernstig, en zeide met eene onnoozele eenvoudigheid: "Alle dingen zeggen, O! tegen hem." Ik vroeg hem of de lieden, die in zijn land stierven, ergens heen gingen. "Ja, ja," zeide hij, "zij gaan allen naar Benamoekie." Daarop vroeg ik of degeen, die zij opaten, daar ook heen gingen, en hij zeide, "ja."

Dit gaf mij aanleiding hem in de kennis van den eenigen waren God te onderrigten. Ik zeide hem, terwijl ik naar den hemel wees, dat de groote maker van alle dingen daar woonde, en dat Hij de wereld met dezelfde almagt en wijsheid bestierde, waarmede Hij ze geschapen heeft; dat Hij almagtig was, ons alles doen, alles geven, alles ontnemen kon; en zoo opende ik van lieverlede hem de oogen.

Hij luisterde zeer oplettend, en hoorde met veel genoegen hoe Christus gezonden was om ons te verlossen, en hoe wij God behoorden te bidden, en hoe deze ons altijd hoorde, waar wij ook waren. Hij zeide mij eens, dat zoo God ons hooren kon, terwijl Hij verder dan de zon was, dat Hij dan een grooter God dan hun Benamoekie was, die niet veraf woonde, en toch hen niet hooren kon, ten ware zij den hoogen berg opstegen, waarop hij woonde om tegen hem te spreken. Ik vroeg hem of hij daar ooit gegaan was; hij zeide neen, en dat dit alleen de oude lieden deden, die hij Oewokakie noemde, dat is, gelijk ik uit zijne verklaring begreep, zoo veel als hunne priesters, en dat deze heengingen om "O!" te zeggen (zoo noemde hij het bidden), en als zij terugkwamen, verhaalden wat Benamoekie gezegd had. Hieruit bemerkte ik, dat er zelfs onder de domste en verblindste Heidenen eene priesterschap en zekere verborgenheden bestaan, om het gemeen ontzag voor de priesters in te boezemen.

Ik trachtte Vrijdag omtrent deze bedriegerijen in te lichten, en zeide hem, dat het voorgeven hunner oude lieden, dat zij den berg opgingen, om hunnen God Benamoekie aan te roepen, bedriegerij was, zoo wel als, dat zij vandaar komende, verhaalden wat hij hun gezegd had; dat, zoo zij daar iemand ontmoetten, of iemand tot hen sprak, dit dan een booze geest moest zijn. Hierop had ik een lang gesprek met hem over den duivel, zijn oorsprong, zijn opstand tegen God, zijne vijandschap tegen de menschen, hare oorzaak, zijn verblijf in de duistere plaatsen der wereld, om daar, in stede van God, en als God aangebeden te worden; en over zijne vele listen, om den mensch in het verderf te storten; hoe hij tot onze ziel toegang kreeg door onze hartstogten strikken te spannen, waardoor wij ons zelven in verzoeking bragten, en vrijwillig ons eigen verderf te gemoet gingen.

Ik vond, dat het niet zoo gemakkelijk ging hem juiste denkbeelden in te prenten, aangaande den duivel, als aangaande den aard en het wezen der Godheid. De geheele natuur was mij behulpzaam in mijne bewijzen voor het noodwendig bestaan van eene eerste oorzaak, een onbegrijpelijke, allesbestierende magt, en voor de verpligting van onzen Schepper onze hulde toe te brengen; maar niets van dat alles ondersteunde het denkbeeld van een boozen geest, zijn oorsprong, zijn aard en wezen, en bovenal zijne geneigdheid tot het kwade, en zijne verleidingen daartoe. Mijn arme eenvoudige wilde bragt mij eens door eene zeer natuurlijke en eenvoudige vraag zoodanig in de engte, dat ik naauwelijks wist wat ik hem zeggen zou. Ik had hem veel gezegd van Gods almagt, zijne afkeer van zonde, hoe hij een verterend vuur was voor de werkers van ongeregtigheid; hoe Hij, die ons allen geschapen had, ons en de geheele wereld door zijn wil vernietigen kon, en al dien tijd had hij met de grootste aandacht naar mij geluisterd.

Daarna verhaalde ik hem hoe de duivel, Gods vijand, in de harten der menschen was, en al zijne list besteedde om de goede voornemens der Voorzienigheid tegen te werken, en het rijk van Christus hier op aarde afbreuk te doen, en dergelijke meer. "Maar," zeide Vrijdag, "gij zegt, dat God zoo groot en zoo magtig is, is hij niet veel magtiger dan de duivel?"—"Ja, ja, Vrijdag," zeide ik, "God is veel magtiger dan de duivel, en daarom bidden wij God, dat hij ons toelaat hem te vertreden, en ons zijne verzoekingen doet wederstaan en zijn arglist teleurstellen."—"Maar," voerde hij weder aan, "als God zooveel magtiger en sterker is dan de duivel, waarom slaat Hij dan den duivel niet dood, en belet hem meer kwaad te doen?"

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Ik stond bij deze vraag geheel verplet; schoon een oud man, was ik nog een jongeling in de godgeleerdheid, en weinig in staat om leerstellige vragen en zwarigheden op te lossen. Eerst wist ik niet wat te antwoorden, dus hield ik mij alsof ik hem niet verstaan had, en vroeg wat hij zeide. Maar hij verlangde te veel naar een antwoord, om zijne vraag vergeten te hebben, dus herhaalde hij die in dezelfde woorden als boven. Middelerwijl had ik mijne gedachten een weinig bijeengezameld, en zeide: "God zal hem in het laatste der dagen gestrengelijk straffen; hij wordt bespaard tot den dag des oordeels, wanneer hij in een bodemloozen afgrond zal worden geworpen, om daar met eeuwig vuur te blijven."—Dit voldeed Vrijdag niet. Hij herhaalde mijne woorden: "tot het laatste der dagen; dat begrijp ik niet. Waarom den duivel niet nu, niet lang geleden al gedood?"—"Gij kondt even goed vragen," hernam ik, "waarom God u en mij niet doodt, als wij zonden bedrijven; wij blijven gespaard om berouw te hebben en vergiffenis te erlangen."—Hij dacht eene poos hierover na, en zeide eindelijk: "Dat goed, zeer goed is; dus gij, ik, de duivel, alle zondaars bewaard blijven, allen berouw hebben, allen vergiffenis ontvangen."

Dit antwoord bragt mij geheel in verlegenheid, en het was voor mij een nieuw blijk, hoe natuurlijke begrippen, wel een redelijk wezen tot de kennis en tot de vereering van een Hoogst Wezen leiden, maar dat alleen eene goddelijke openbaring ons tot de kennis van Jezus Christus, en van eene verlossing, voor ons verworven door zijnen dood, en van Hem als middelaar van een nieuw Verbond; dat niets zeg ik, dan eene goddelijke openbaring ons deze begrippen kon geven, en daarom het Evangelie van onzen Heer en Zaligmaker volstrekt noodig is, om den mensch de ware kennisse Gods en der middelen tot zijne zaligheid te geven. Ik brak daarom het bovengemelde gesprek haastig af, alsof ik plotseling wilde uitgaan, daarop zond ik hem een ver eind weg om iets te verrigten, en smeekte toen God vurig, dat hij mij in staat mogt stellen dezen armen wilde te onderrigten, hem door zijnen geest vatbaar maken om het licht der kennisse Gods in Christus te ontvangen, en mij van Zijn woord zoodanig doen spreken, dat zijn hart overtuigd, zijne oogen geopend en zijne ziel gered mogt worden. Toen hij terugkwam had ik een lang gesprek met hem over de verlossing der menschen door den Zaligmaker, en de leer der Evangeliën, namelijk berouw voor God en geloof in onzen Heiland. Ik verklaarde hem toen, zoo goed als ik kon, waarom onze Verlosser niet de gedaante der Engelen maar den aard der menschen had aangenomen; dat hij gekomen was om de verloren schapen van het huis Israëls bijeen te zamelen en zoo voorts.

God weet het, ik bezat meer welmeenendheid dan kunde, in mijne pogingen tot onderrigt van dezen wilde, en ik moet bekennen, hetgeen geloof ik allen, die even zoo handelen, zullen ondervinden, dat terwijl ik hem leerde, ik mij zelve vele dingen eigen maakte en opmerkte, die ik vroeger niet wist of nimmer aan gedacht had, maar mij thans voor den geest kwamen, nu ik ze ter onderrigting voor dezen armen wilde bijeen zamelde; en ik onderzocht deze zaken thans met meer lust dan ooit te voren. Het zij dus deze arme wilde mij genoegen of gevaren zou aanbrengen, altijd had ik groote reden tot dankbaarheid. Mijn verdriet werd thans ligter, mijne woning was mij genoeglijker, en als ik bedacht, dat ik in dit eenzaam leven, waartoe ik veroordeeld was, niet alleen zelf naar den hemel had leeren opzien, en nadenken door wiens bestier ik hier gekomen was, maar thans zelf tot een werktuig verkoren was, om met hulp der Voorzienigheid, niet alleen het ligchaam maar ook de ziel van dezen armen man te redden, en hem de kennis van den waren God en de Christelijke leer in te prenten; ik zeg, wanneer ik dit alles bedacht, gevoelde ik mij van eene heimelijke vreugde doordrongen, en verheugde mij alsdan, dat ik naar deze plaats gevoerd was, hetgeen ik vroeger beschouwde als de grootste ramp, die mij ooit treffen kon.

Deze dankbare gemoedsstemming bleef mij van dien tijd af gestadig bij, en de gesprekken, die Vrijdag en mij in onze ledige uren, drie jaren achtereen bezig hielden, waren zoodanig, dat wij al dien tijd zoo volkomen tevreden en gelukkig waren, als men dit in deze ondermaansche wereld wezen kan. De wilde was thans een goed Christen, een beter Christen dan ik, schoon ik met grond en met dankbaarheid jegens God, zeggen durf, dat wij beide boetvaardige en berouwhebbende zondaren waren. Wij hadden het woord Gods tot ons onderrigt, en zijn geest was ons even nabij alsof wij in Engeland waren.

Gestadig las ik hem de Heilige Schrift voor, en trachtte hem naar mijn beste vermogen te doen begrijpen, wat ik las; terwijl hij door zijne ernstige vragen mij, gelijk ik gezegd heb, veel ervarener in schriftuurlijke kennis maakte dan ik ooit door het bloote lezen zou geworden zijn. Ik mag ook niet voorbij gaan hier uit ervaring in dit mijn eenzaam leven te doen opmerken, welk een oneindig groote zegen het is, dat de kennisse Gods en de leer der zaligmaking door Jezus Christus, zoo duidelijk in Gods woord bevat is, dat alleen het lezen der Heilige Schrift mij genoegzaam mijne pligten deed kennen, om mij dadelijk tot opregt berouw te bewegen over mijne zonden, en tot het aankleven van onzen Zaligmaker, door wien ik behouden moest worden; als ook tot eene duurzame verbetering van mijn gedrag, en gehoorzaamheid aan Gods geboden, en dit zonder eenigen menschelijken leermeester. Even zoo was dit eenvoudig onderrigt genoegzaam voor dezen wilde, om hem tot een Christen te maken, zoo als ik in mijn leven slechts weinigen gezien heb.

Wat betreft de twisten en geschillen, die er in de wereld over de godsdienst bestaan hebben, hetzij over de leer of over derzelver bedienaars, deze waren voor ons even nutteloos, als zij, naar ik zien kan, steeds voor de geheele wereld zijn geweest. Wij hadden den zekeren gids ten hemel, namelijk Gods woord, en, Gode zij dank, genoegzame ondersteuning van zijnen geest om ons het te doen verstaan, en geneigd en gehoorzaam aan deszelfs onderrigtingen te maken. Ik kan niet inzien wat de uitgestrekte kennis in godsdienstige geschillen, die in de wereld zooveel onrust verwekt hebben, ons voor nut zou gedaan hebben, al hadden wij die kunnen verwerven.

Doch om tot mijne geschiedenis terug te keeren, en iedere zaak op hare beurt te vermelden. Nadat Vrijdag en ik bevriend waren geworden, en hij schier alles verstaan kon wat ik tot hem zeide, en mij vloeijend, ofschoon in gebroken Engelsch, antwoorden, verhaalde ik hem mijne eigene geschiedenis; althans wat mijne komst alhier aangaat, hoe ik hier huis gehouden had en hoe lang. Ik leerde hem het geheim (want dit was het voor hem) van kruid en lood en hoe hij een geweer afschieten moest. Ik gaf hem een mes, waarmede hij zeer in zijn schik was, en maakte hem een draagband om het in eene scheede in te dragen; in plaats van eene sabel gaf ik hem om daaraan te hangen eene bijl, die als wapen in sommige gevallen nuttig kan zijn, maar nog veel nuttiger in vele andere omstandigheden.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Ik beschreef hem de landen van Europa, maar in het bijzonder mijn vaderland, hoe wij daar leefden, hoe wij God dienden, hoe wij ons in de maatschappij gedroegen, en hoe wij in schepen naar alle deelen der wereld gingen. Ik verhaalde hem van het wrak, waar ik aan boord was geweest, en wees hem de plaats zoo nabij als ik kon, want het was lang te voren aan stukken geslagen en geheel verdwenen.

Ik toonde hem hetgeen er nog over was van de boot, die bij mijne redding op het strand geslagen werd, en welke ik nimmer had kunnen bewegen, maar die thans in stukken was gevallen. Toen Vrijdag deze boot zag stond hij eene poos in gedachten en zeide niets. Eindelijk echter toen ik vroeg waar hij zoo op peinsde, zeide hij: "Ik heb eene boot zoo zien komen op eene plaats van mijn volk."

Ik begreep hem eerst niet, maar bij nader onderzoek maakte ik uit hem op, dat zulk eene soort van boot op de plaats waar hij woonde, gekomen was, namelijk, gelijk hij mij verklaarde, door slecht weder daar heen geslagen. Ik verbeeldde mij thans, dat de sloep van een Europeesch schip op die hoogte, verloren geraakt en op strand geworpen was; ik was echter zoo dom, dat ik er met eens aan dacht, dat er wel menschen zich daarmede bij eene schipbreuk hadden kunnen redden, en vroeg hem dus alleen hoe de boot er uitzag.

Vrijdag beschreef mij die vrij wel, maar ik begreep hem nog beter toen hij er met eenige warmte bijvoegde: "Wij redden die blanke menschen van verdrinken!" Ik vroeg dadelijk of er eenige blanken in de boot waren geweest.—"Ja de boot vol," zeide hij. Ik vroeg, hoeveel? Hij telde op zijne vingers tot zeventien. Op mijne vraag wat er van hen geworden was, zeide hij: "Zij leven, zij wonen bij mijn volk."

Dit deed weder nieuwe gissingen bij mij ontstaan; ik geloofde thans, dat deze menschen misschien tot het schip behoord hadden, dat naar mijn eiland heengeslagen was, en dat nadat het schip op de rots gestooten had, en zij een onvermijdelijken dood voor oogen zagen, zij zich in de boot gered hadden en op de woeste kust onder de wilden geland waren. Ik vroeg vervolgens naauwkeuriger wat er van hen geworden was; hij verzekerde mij dat zij daar nog leefden, dat zij er ongeveer vier jaren geweest waren, dat de wilden hen geen leed deden en hun voedsel gaven. Ik vroeg hem hoe het kwam, dat zij hen niet dood sloegen en opaten. Hij zeide: "neen, zij maken broeders met hen," waarmede hij een verbond of wapenstilstand, naar het scheen, wilde te kennen geven. "Zij eten geen mannen, als die niet in den oorlog zijn gevangen genomen."

Eene geruime poos daarna waren wij op den top van den heuvel aan de oostzijde des eilands, vanwaar, gelijk ik verhaald heb, ik op een helderen dag weder het vaste land van Amerika gezien had. Vrijdag zag met inspanning eene poos derwaarts, en in eene vlaag van verrukking begon hij te dansen en te springen, en mij te roepen, want ik was een eind weegs vandaar. Ik vroeg hem wat het was. "O vreugde, o blijdschap!" riep hij uit. "Dáár mijn land, dáár mijn volk zien!"

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Ik bespeurde, dat het genoegen uit zijne trekken blonk, en zijne oogen fonkelden, en uit zijn geheele voorkomen scheen te blijken, dat hij naar zijn vaderland verlangde. Dit bragt mij op ernstige gedachten, zoodat ik in den beginne niet zoo gerust omtrent hem was als vroeger, en ik twijfelde niet of, als hij weder tot zijn eigen natie kon terugkeeren, hij niet alleen al zijne godsdienst zou vergeten, maar ook zijne verpligtingen jegens mij, en welligt ondankbaar genoeg zijn om met een paar honderd wilden terug te keeren, om mij op te eten, en een feest te houden, zoo als hij gewoon was met zoodanige vijanden, als zij in den oorlog krijgsgevangen maakten. Maar ik deed den armen eerlijken jongen groot ongelijk, hetgeen mij naderhand genoeg speet; daar echter mijn argwaan aangroeide, en eenige weken stand hield, was ik wat omzigtiger en niet zoo gemeenzaam en vriendelijk jegens hem, waaraan ik gewis groot onregt deed; want de eerlijke brave knaap, had geene andere dan de beste voornemens, en was zoowel een opregt Christen als een dankbare vriend, gelijk mij naderhand ten duidelijkste bleek.

Terwijl mijn argwaan jegens hem stand hield, was ik elken dag bezig hem uit te hooren, om te zien of hij ook eenige dier denkbeelden koesterde, waarvan ik hem verdacht hield; maar alles wat hij zeide was zoo opregt en zoo onschuldig, dat ik niets vond wat mijne achterdocht voedsel kon geven, en in weerwil mijner ongerustheid werd ik weder jegens hem even als vroeger; ook had hij niets van mijnen argwaan bespeurd, zoo dat er aan geene veinzerij van zijn kant te denken viel.

Toen wij op zekeren dag weder op dienzelfden heuvel waren, maar met mistig weder, zoodat wij het vaste land niet zien konden, riep ik hem en zeide: "Vrijdag, zoudt gij niet gaarne in uw land, onder uw eigen volk willen terugzijn?"—"Ja," zeide hij. "O hoe blijd zou ik weer bij mijn volk zijn."—"Wat zoudt gij daar doen," zeide ik, "zoudt gij weder een wilde worden, gelijk te voren, en menschenvleesch eten?"—Hij zette een ernstig gelaat en schudde het hoofd, zeggende: "Neen, Vrijdag zou hun zeggen braaf te leven, hun zeggen God te bidden, hun zeggen brood te bakken, vleesch van dieren te eten, melk te drinken, geen menschenvleesch eten."—"Maar," hernam ik, "dan zouden zij u doodslaan." Hij zette weder een ernstig gezigt, en zeide: "Neen, zij mij niet dooden, willen gaarne leeren." Hij voegde er verder bij, dat zij veel leerden van de mannen met baarden uit de boot. Daarop vroeg ik hem of hij naar hen terug wilde keeren. Glimlagchend zeide hij, dat hij zoo ver niet zwemmen kon. Ik zeide, dat ik eene kanoe voor hem wilde maken. Hij antwoordde wel te willen gaan als ik mede ging. "Ik!" zeide ik; "wel zij zouden mij opeten als ik daar kwam."—"Neen, neen," zeide hij, "ik zal maken dat zij u niet eten, maken, dat zij u veel liefhebben." Hij zou hun zeggen, voegde hij er bij, hoe ik zijne vijanden gedood en hem het leven gered had, en zoo zou hij maken dat zij mij liefhadden. Daarop verhaalde hij mij zoo goed hij kon, hoe welgezind zij waren jegens die zeventien blanken of gebaarde mannen, gelijk hij ze noemde, die daar op het strand schipbreuk hadden geleden.

Ik moet bekennen, dat ik, van dit oogenblik af begon te verlangen om een overtogt te wagen, en te zien of ik welligt bij die gebaarde mannen komen kon, die ik niet twijfelde, dat Spanjaarden of Portugezen waren. Ik begreep, dat wij welligt daar, op het vaste land en met gezelschap, beter eenig middel zouden vinden om te ontkomen, dan ik alleen, op een eiland, en veertig (Eng.) mijlen van den vasten wal en zonder hulp. Na eenige dagen bragt ik het gesprek met Vrijdag weder hierop, en zeide hem, dat ik hem eene boot wilde geven om naar zijn volk terug te keeren, en bragt hem daarop naar mijne boot, die aan de andere zijde van het eiland lag, en na het water er uit geschept te hebben (want ik liet die altijd onder water liggen) haalde ik ze uit, wees ze hem en wij gingen er beide in.

Ik zag, dat hij er zeer goed mede te regt kon, en ze bijkans zoo snel roeide als ik; toen hij er dus in was, zeide ik: "Wel, Vrijdag, willen wij nu naar uwe natie gaan?" Hij scheen over dit gezegde zeer verslagen, naar het schijnt, omdat hij begreep, dat de boot daartoe te klein was. "Ik heb nog een grooter," zeide ik, en dus bragt ik hem den volgenden dag naar de boot, die ik het eerst gemaakt had, maar welke ik niet te water had kunnen brengen. Hij zeide, dat deze groot genoeg was, maar daar ik er geen zorg voor gedragen had, en zij daar drieëntwintig jaren gelegen had, was zij door de zon vaneen gespleten, uitgedroogd en half vermolmd. Vrijdag zeide, dat zulk eene boot goed was, en genoeg eten en drinken kon meenemen, zoo als hij zich uitdrukte.

Mijn voornemen om met hem naar het vaste land over te steken, had thans zoo diep wortel bij mij geschoten, dat ik hem zeide, dat wij er eene zouden maken, die even groot was, en dat hij daarmede vertrekken kon. Hij antwoordde niet, maar zag er zeer bedrukt uit. Ik vroeg wat hem deerde. Hij antwoordde met de vraag waarom ik boos op Vrijdag was? Wat hij mij gedaan had? Ik vroeg wat hij hiermede bedoelde, en zeide, dat ik in het geheel niet boos op hem was. "Niet boos! niet boos!" herhaalde hij verscheidene malen, "waarom wilt gij dan Vrijdag naar zijn volk terugzenden?"—"Wel," zeide ik, "hebt gij niet gezegd, dat gij wenschte daar te zijn, Vrijdag?"—"Ja, ja," zeide hij, "ik wenschte, dat wij beiden daar waren, Vrijdag daar niet, als meester daar niet is."—Kortom, hij wilde er niet aan denken daarheen te gaan zonder mij. "Zou ik daarheen gaan, Vrijdag?" hernam ik, "wat zou ik daar doen?" Driftig keerde hij zich naar mij toe, en zeide: "Gij daar zeer veel goed doen, gij leeren de wilden goede, brave menschen zijn, gij hun leeren God kennen, God bidden en een nieuw leven leiden."—"Helaas, gij weet niet wat gij zegt, Vrijdag," hernam ik, "ik ben zelf een onwetend mensch."—"Ja, ja," vervolgde hij, "gij mij goed leeren, gij hun ook goed leeren."—"Neen," zeide ik, "gij zult zonder mij gaan Vrijdag, en mij hier alleen laten leven, gelijk vroeger." Hij zag er zeer verslagen uit, en daarop spoedig eene bijl halende, die hij gewoonlijk bij zich droeg, gaf hij mij die in de hand. "Wat moet ik daarmede doen?" vroeg ik. "Gij Vrijdag doodslaan," zeide hij. "Waarom zou ik u doodslaan?" vroeg ik weder. Hij antwoordde driftig: "Waarom gij Vrijdag wegzenden? Vrijdag doodslaan, Vrijdag niet wegzenden." Dit sprak hij zoo ernstig, dat ik een traan in zijne oogen zag. Kortom, ik ontdekte zoo duidelijk in hem de uiterste genegenheid jegens mij en zijn vast besluit, dat ik hem toen zeide, en naderhand dikwijls herhaalde, dat ik hem nimmer zou wegzenden als hij bij mij wilde blijven.

Daar ik over het geheel in al zijne woorden zulk eene gehechtheid aan mij vond, en dat niets hem mij zou doen verlaten, begreep ik, dat de grondoorzaak van zijn verlangen om zijn vaderland terug te zien, uit de vurige liefde voor zijn volk en de hoop het wel te doen ontsproot; eene zaak tot welke ik niet den minsten lust of verlangen gevoelde. Mijne grootste zucht om derwaarts te vertrekken ontstond uit het berigt dat ik van hem vernomen had, dat namelijk zich daar zeventien blanken bevonden. Zonder verder dralen ging ik derhalve met Vrijdag aan het werk om een grooten boom te vinden, die geschikt was voor eene groote praauw of kanoe om de reis te ondernemen. Er was hout genoeg op het eiland om eene geheele vloot te bouwen, niet alleen van praauwen of kanoes, maar van groote schepen zelfs. De hoofdzaak echter waarnaar ik verlangde, was er een te vinden, die zoo digt bij het water stond, dat wij die, als zij af was, te water konden brengen, ten einde niet weder in denzelfden misslag als vroeger te vervallen.

Eindelijk wees Vrijdag mij een boom, want ik vond, dat hij veel beter wist dan ik welke soort van hout de geschiktste was. Ik weet nog niet tot welke soort de boom behoorde, die wij velden, behalve dat hij veel naar verwhout geleek. Vrijdag was er voor den stam met vuur uit te hollen, maar ik zeide hem dit liever met werktuigen te doen, en nadat ik hem het gebruik daarvan gewezen had, kon hij er spoedig goed mede te regt. Na eene maand harden arbeid, hadden wij hem af, en zeer goed gevormd, vooral toen wij met onze bijlen, die ik hem had leeren behandelen, er de goede gedaante van eene sloep aan hadden gegeven. Vervolgens kostte het ons nog wel veertien dagen tijds om haar als het ware duim voor duim, op groote rollen naar het water te brengen; maar toen zij er in was, had zij zeer goed twintig man kunnen dragen.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Toen de sloep te water was, zag ik met genoegen hoe vlug en behendig Vrijdag haar, in weêrwil van hare grootte, kon behandelen, doen voortgaan en wenden. Ik vroeg hem dus of hij er thans mede zou willen en durven oversteken? "Ja," zeide hij, "ik er zeer goed mede overkomen, al waait het ook harden wind!" Maar ik had een ander voornemen, waarvan hij niets wist, en dat was om een mast en zeil te maken, en haar van een anker en ankertouw te voorzien. Een mast was gemakkelijk te vinden, ik koos hiertoe een jongen, regten cederboom, dien ik daar digt bij vond, en waarvan er op het eiland eene menigte waren, en ik liet Vrijdag dien vellen, en wees hem hoe hij dien afkappen en in orde brengen moest. Met het zeil hield ik mij zelf onledig. Ik wist, dat ik oude zeilen of liever stukken van oude zeilen genoeg had, maar daar ik die nu zesentwintig jaren lang gehad en niet zeer zorgvuldig bewaard had, omdat ik mij niet verbeeld had ze ooit op die wijze te kunnen gebruiken, twijfelde ik niet of zij zouden allen verrot zijn, hetgeen ook met de meesten het geval was. Ik vond echter twee stukken, die nog vrij gaaf waren, en met deze ging ik aan het werk, en na vrij wat moeite, en naaijen, dat, gelijk men denken kan, bij gebrek aan naalden uiterst links en vervelend van de hand ging, maakte ik eindelijk een leelijk driehoekig zeil, met een gaffel en een giek, gelijk onze sloepen gewoonlijk voeren, en waarmede ik het best wist om te gaan, omdat ik zulk een gebruikt had in de boot, waarmede ik uit Barbarije vlugtte, gelijk ik hiervoor verhaald heb.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Ik bragt bijkans twee maanden zoek aan het in orde brengen van mijn mast en zeilen; want ik maakte ook nog een kleine vlieger en een fok er bij, om te helpen als wij door den wind moesten gaan, en ik maakte er van achteren een roer aan om te sturen; en schoon dit er vrij onbehouwen uitzag, kende ik echter het nuttige en noodzakelijke er te goed van, om mij niet zoo veel moeite te geven, dat het eindelijk tot stand kwam, schoon, als ik bedenk hoe dikwijls mijne proefnemingen hiertoe mislukten, ik geloof, dat het mij schier even veel moeite kostte als de boot zelve.

Nadat dit gedaan was moest ik Vrijdag leeren hoe met de boot te zeilen, want schoon hij zeer goed eene kanoe wist te roeijen, begreep hij van zeil en roer niets en stond niet weinig verbaasd toen hij mij mijne boot bij den wind zag brengen, en weder afvallen, door behulp van mijn roer, en hoe het zeil over dezen of dien boeg vol stond, naarmate ik van koers veranderde. Toen hij, zeg ik, dit zag, stond hij van verbazing verstomd, weldra echter geraakte hij door eenige oefening er gemeenzaam mede, en hij werd een vlug matroos, behalve ten aanzien van het kompas, dat ik hem nimmer goed kon doen begrijpen; aan den anderen kant, daar het zeer zelden bewolkte lucht en bijkans nimmer nevelachtig in deze streken was, was er weinig behoefte aan een kompas, daar bij nacht altijd de sterren, en over dag het strand zigtbaar was, behalve in het regensaizoen, en dan verlangde niemand buiten's huis te zijn, noch te land noch ter zee.

Ik was nu het zevenentwintigste jaar mijner gevangenschap op deze plaats ingetreden, schoon de drie laatste jaren van mijn verblijf eigenlijk met de vorige niet kunnen vergeleken worden, daar het in dien tijd geheel anders was geworden dan vroeger. Ik vierde dit jaarfeest van mijne komst alhier met dezelfde dankbaarheid jegens God, voor zijne goedheid, als het eerste; en had ik toen reeds zoo veel stof tot dankbaarheid, nu was dit nog veel meer het geval, daar ik zoo veel meer blijken van Gods vaderlijke zorg voor mij had ontvangen, en de hoop op eene spoedige bevrijding koesterde, want ik hield mij vast overtuigd, dat mijne bevrijding spoedig op handen was, en ik geen volgende verjaring mijner komst aldaar zou vieren. Ik bleef echter even zoo voor mijne huishouding zorgen als te voren; ik spitte en plantte en omheinde, droogde mijne druiven, en deed al wat noodig was, als te voren.

Middelerwijl viel het regensaizoen in, waarin ik meer binnen 's huis bleef dan anders; dus had ik onze boot zoo goed mogelijk geborgen, door haar in de kreek te brengen, waar ik, gelijk ik gezegd heb, in den beginne mijne vlotten van het schip aan land bragt. Nadat ik haar bij hoog water op den wal gehaald had, deed ik Vrijdag een klein dok graven, dat juist groot en diep genoeg was om de sloep te bevatten, en toen het water afliep, sloten wij het met een stevigen dam af om er het water uit te houden; dus lag zij droog, en om den regen af te keeren, maakten wij er met zware takken eene soort van stevig afdak over heen; en aldus wachtten wij de maanden November en December af, waarin ik besloten had het avontuur te ondernemen.

Toen het weder gestadig werd, en de gedachte aan mijn voornemen, met de schoone dagen tegelijk terug kwam, maakte ik dagelijks toebereidselen tot onze reis. Het eerste wat ik deed, was een aantal levensmiddelen, voor de reis bestemd, bijeen te brengen; met oogmerk, om een of twee weken later het dok te openen en onze boot te water te brengen. Op een morgen was ik aan iets hiertoe bezig, toen ik Vrijdag riep en hem gelastte naar het strand te gaan, om te zien of hij een schildpad vinden kon, iets waarnaar wij gewoonlijk alle weken eens zochten, zoowel om de eijeren als om het vleesch. Vrijdag was nog niet lang weg geweest, toen hij terug kwam loopen, over mijn buitensten wal vloog als iemand, die den grond onder zijne voeten niet voelt, en voor ik den tijd had hem toe te spreken, riep hij: "O meester, meester! o verdriet! o kwaad!"—"Wat is het, Vrijdag?" zeide ik.—"O, ginder," zeide hij, "ginder een, twee, drie kanoes, een, twee, drie kanoes!" Uit zijne wijs van zich uit te drukken maakte ik op, dat er zes waren; maar bij verdere navraag hoorde ik, dat er slechts drie waren. "Nu goed, Vrijdag, wees niet bang," zeide ik, en zoo trachtte ik hem een riem onder het hart te steken. Ik zag echter, dat de arme knaap doodelijk beangst was, want hij had zich in het hoofd gezet, dat zij alleen gekomen waren om hem te zoeken, en dat zij hem in stukken zouden houwen. Hij beefde zoo, dat ik niet wist wat ik met hem zou beginnen. Ik stelde hem gerust zooveel ik kon, en zeide, dat ik even veel gevaar liep als hij, en dat zij mij zoowel als hem zouden opeten. "Maar," zeide ik, "Vrijdag, wij moeten besluiten, met hen te vechten. Kunt gij vechten, Vrijdag?"—"Ik kan schieten," zeide hij, "maar er zijn er zooveel."—"Wees daar niet bang voor," hernam ik, "die wij niet doodschieten zullen door ons vuur bevreesd geworden zijn." Ik vroeg hem daarop, als ik besloot hem te verdedigen, of hij mij zou bijstaan en stipt doen wat ik hem gelastte. Hij zeide: "Ik sterven zal als gij mij gelast te sterven, meester." Ik ging daarop heen en nam een goeden slok rum en gaf hem ook een borrel; want ik had met mijn rum zoo zuinig huis gehouden, dat er nog vrij wat over was. Daarop liet ik hem de twee jagtgeweren, die wij altoos bij ons hadden, geven, en laadde die met groven ganzenhagel, die bijkans zoo zwaar was als pistoolkogels; daarop nam ik vier geweren, en laadde die ieder met twee patronen en vijf kogels, en op mijne twee pistolen deed ik ook twee kogels op ieder. Volgens gewoonte hing ik mijne groote sabel op zijde en gaf Vrijdag zijne bijl.

Na ons aldus uitgerust te hebben, nam ik mijn kijker en klom den heuvel op, om te zien wat ik ontdekken kon. Weldra bemerkte ik, dat er eenentwintig wilden waren, drie gevangenen en drie kanoes; en dat hunne geheele bezigheid scheen te zijn om van deze drie mannen een gastmaal te houden—een barbaarsch feest waarlijk, maar dat bij hen niets ongewoons was.

Ik bemerkte ook, dat zij niet geland waren op de plek waar Vrijdag ontsnapt was, maar digter bij mijne kreek, waar het strand laag was, en een digt bosch zich tot vlak bij de zee uitstrekte. Deze omstandigheid en de afschuw van het onmenschelijk oogmerk dezer barbaren, maakten mijne verontwaardiging zoo gaande, dat ik naar Vrijdag terugkeerde en hem zeide, dat ik besloten had op hen af te gaan, en hen allen dood te schieten, en hem vroeg of hij mij wilde bijstaan. Zijn angst was thans bedaard, en zijn moed door den sterken drank wat opgewekt, zoodat hij zeer wel gemoed was, en mij zeide, even als vroeger, dat hij wilde sterven als ik hem gelastte te sterven.

In deze eerste vlaag van woede deelde ik de wapens, die ik geladen had zoo als ik verhaald heb, tusschen ons; ik gaf Vrijdag eene pistool om in zijn gordel te steken en drie geweren op zijne schouders; ik nam zelf eene pistool en ook drie geweren, en aldus trokken wij op weg. Ik stak een fleschje rum bij mij, en gaf Vrijdag een zak met kruid en lood te dragen. Ik gelastte hem digt achter mij te blijven, en niet vooruit te gaan, noch te schieten noch iets te doen buiten mijn orders, en tevens geen enkel woord te spreken. Aldus uitgerust, maakte ik een omweg van bijkans eene (Eng.) mijl, zoo wel om de kreek over te trekken als om in het bosch te komen; opdat ik hen binnen bereik van mijn schot mogt bekomen, zonder dat zij mij ontdekten, hetgeen naar ik met mijn kijker gezien had, gemakkelijk te doen was.

Terwijl ik op weg was, kwamen mijne vroegere bezwaren bij mij op en mijn besluit begon te wankelen. Ik wil niet zeggen, dat ik eenige vrees voor hun aantal voedde; want daar zij naakt en ongewapend waren, was ik gewis de overhand te hebben, al ware ik geheel alleen geweest. Maar ik bedacht welke roeping, welke reden ik had, laat staan welke noodzakelijkheid er bestond, dat ik mijne handen in bloed zou doopen, en heden aantasten, die mij nimmer eenig leed hadden gedaan, en hiertoe ook geen voornemen hadden; die ten mijnen aanzien schuldeloos waren, en wier barbaarsche zeden hun eigen ongeluk waren, daar dit een teeken was, dat God hen met andere volken van dit werelddeel aan diepe onwetendheid ten prooi had gelaten. Maar dit gaf mij geen regt om over hunne daden het vonnis uit te spreken, veel minder mij tot uitvoerder der goddelijke geregtigheid op te werpen; want zoo God het goedvond zou Hij zelf hen straffen, en door rampen over hun geheele volk te brengen, de zonden des volks bestraffen; maar dit was geenszins eene taak, die mij toekwam. Wel is waar, in Vrijdag kon dit verschoonbaar zijn, omdat hij hun verklaarde vijand en als het ware in staat van oorlog met deze natie was; maar zoo het hem vrijstond hen aan te vallen, was dit niet bij mij het geval. Deze gedachten kwamen mij zoo levendig voor den geest, terwijl ik op weg naar hen toe was, dat ik besloot in hunne nabijheid post te vatten, en dan te handelen zoo als God mij zou aanwijzen; maar zoo ik geen duidelijker roeping dan thans ontving, mij niet met hen in te laten.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Met dit besluit trad ik het bosch in, en trok met de meeste stilte en omzigtigheid, terwijl Vrijdag mij digt op de hielen volgde, tot aan den zoom van het bosch, aan den kant, die het digtst bij hen was, behalve, dat een uithoek van het bosch mij van hen afscheidde. Hier gekomen riep ik Vrijdag zachtjes bij mij, en hem een grooten boom, die juist aan den hoek stond, wijzende, gelastte ik hem daarin te klimmen, en mij tijding te brengen als hij duidelijk zien kon wat zij verrigtten. Dit deed hij en kwam onmiddellijk terug, zeggende, dat men ze vandaar duidelijk zien kon; dat zij allen om het vuur zaten, het vleesch van een hunner gevangenen etende, terwijl een ander, niet ver van hen af, gebonden op het zand lag, die zij volgens zijn zeggen, daarna zouden doodslaan; hetgeen mij buiten mij zelven van drift maakte. Hij zeide mij, dat het niet een van zijne natie was, maar een dier witte gebaarde mannen, die bij zijn volk in de boot waren gekomen. Dit berigt, dat het een blanke was, deed mijn afschuw ten top stijgen, en naar den boom gaande zag ik door mijn kijker duidelijk den blanke, die op het strand lag, aan handen en voeten gekneveld met eene soort van biezen, en dat hij een Europeër was, en kleederen aanhad.

Er was nog een andere boom met eenig struikgewas er om heen, ongeveer vijftig schreden digter bij hen dan de plek waar ik stond, en door een kleinen omweg te maken kon ik zonder gezien te worden, daar komen, en dan was ik op een half geweerschot afstands van hen. Ik bedwong mijne drift derhalve, ofschoon die ten hoogsten top gestegen was, en ongeveer twintig schreden teruggaande, begaf ik mij achter eenig kreupelhout, dat zich uitstrekte tot aan den anderen boom, en toen kwam ik aan eene kleine hoogte, die mij op ongeveer tachtig schreden afstands, een duidelijk gezigt van hen opleverde.

Ik had geen tijd te verliezen, want negentien dier rampzaligen zaten op den grond allen digt bij elkander, en hadden juist de twee anderen afgezonden om den armen Christen te slagten, en hem misschien aan stukken gehouwen, naar hun vuur te brengen, en zij bukten om de banden aan zijne voeten los te maken. Ik keerde mij tot Vrijdag. "Doe nu zoo als ik gelast heb," zeide ik. Hij antwoordde van ja, en ik herhaalde: "Vrijdag, doe juist wat gij mij ziet doen, en geef wel acht." Ik zette een der musketten en het jagtgeweer op den grond, en Vrijdag deed hetzelfde. Met het andere geweer legde ik op de wilden aan, waarin hij mij navolgde. Ik vroeg daarop of hij gereed was. "Ja," was zijn antwoord. "Geef dan vuur," zeide ik, en op hetzelfde oogenblik brandde ik ook los.

Vrijdag had veel beter gemikt dan ik, aan den kant waar bij heenschoot had hij twee man gedood en drie gekwetst, en ik had aan mijne zijde een gedood en twee gekwetst. De wilden geraakten in vreesselijke opschudding, gelijk men wel denken kan; allen, die niet gekwetst waren, sprongen dadelijk op de been, maar zij wisten niet waarheen zij vlugten noch waarheen zij uitzien moesten; want zij zagen niet vanwaar het verderf hen naderde. Vrijdag hield mij gestadig in het oog, ten einde, gelijk ik hem gelast had, te zien wat ik deed; onmiddellijk na het eerste schot liet ik dus het geweer vallen en nam het jagtgeweer op, en Vrijdag deed hetzelfde; hij zag mij den haan overhalen en deed evenzoo. "Zijt gij gereed, Vrijdag?" vroeg ik. "Ja," hernam hij. "Vuur dan, in Gods naam," zeide ik, en ik brandde weder los op de verbijsterde wilden, en Vrijdag deed evenzoo, en daar onze geweren nu met groven ganzenhagel of kleine pistoolkogels geladen waren, zagen wij slechts twee vallen, maar eene groote menigte waren gewond, die als razenden heen en weder liepen, gillende en schreeuwende, terwijl spoedig daarna er nog drie of vier, die zwaar gekwetst waren, nederstortten.

"Volg mij nu, Vrijdag," zeide ik, het afgeschoten geweer nederleggende, en het nog geladen musket opnemende. Hij deed het moedig, en ik kwam het bosch uit en vertoonde mij, met Vrijdag vlak achter mij. Zoodra ik bemerkte, dat zij mij zagen schreeuwde ik zoo luid als ik kon, en gelastte Vrijdag dit ook te doen; en zoo hard als ik loopen kon, hetgeen in het voorbijgaan gezegd, door de wapens waarmede ik beladen was, niet zeer snel ging, begaf ik mij regt naar den armen mensch toe, die gelijk ik zeide, op het strand lag, tusschen de plaats waar zij zaten en de zee. De twee wilden, die hem juist hadden willen slagten, hadden de vlugt genomen in den schrik voor ons eerste vuur, en waren in eene kanoe gesprongen, en nog drie begaven zich ook daarheen. Ik keerde mij naar Vrijdag, gelastte hem verder te gaan en op hen vuur te geven. Hij begreep mij dadelijk, en ongeveer veertig schreden vooruitgaande, om te digter bij hen te zijn, gaf hij vuur op hen, en ik meende, dat hij hen allen gedood had; want ik zag ze allen over elkander in de boot tuimelen, doch twee hunner stonden spoedig weder op. Hij had echter twee er van gedood en den derde gekwetst, zoodat deze als dood op den bodem van de kanoe lag.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Terwijl Vrijdag op hen vuurde haalde ik mijn mes uit, en sneed de banden door, waarmede de arme mensch gebonden was; hielp hem op de been en vroeg hem in het Portugeesch wie hij was. Hij antwoordde mij in het Latijn een Christen; maar was zoo zwak en flaauw, dat hij naauwelijks staan of spreken kon. Ik haalde mijne flesch uit den zak en wenkte hem, dat hij drinken zou, hetgeen hij deed; en ik gaf hem een stuk brood, hetgeen hij opat. Toen vroeg ik hem wat landsman hij was, en hij zeide een Spanjaard, en zich een weinig hersteld hebbende, gaf hij mij door alle mogelijke teekens te kennen hoezeer hij mij dankbaar was voor zijne bevrijding. "Sennor," zeide ik, in zoo goed Spaansch als ik bijeen kon brengen, "daar zullen wij later over spreken, maar nu moeten wij vechten, als uwe krachten het toelaten, neem dus deze pistool en die sabel, en weer u daarmede." Hij nam ze met dankzegging aan, en naauwelijks had hij de wapens in de hand, of hij scheen nieuwe kracht te krijgen, vloog als woedend op zijne moordenaars aan, en had twee hunner in een oogenblik neergeveld; want om de waarheid te zeggen, de arme schepsels, wien dit alles zoo onverwachts overkwam, waren zoo verschrikt van de losbranding onzer geweren, dat zij van verbazing en angst nederstortten, en even weinig in staat waren op de vlugt te denken, als om onze kogels af te weren, en zoo ging het ook met de vijf, die in de boot waren, want toen Vrijdag schoot en er drie die getroffen waren, nedervielen, stortten de andere twee van blooten schrik neder.

Ik hield mijn geweer nog in de hand, maar zonder vuur te geven, omdat ik mijn schot bewaren wilde, daar ik den Spanjaard mijne pistool en sabel had gegeven; ik riep Vrijdag dus, en zond hem terug naar den boom vanwaar wij het eerst gevuurd hadden, om de ongeladen geweren te halen, die wij daar hadden laten liggen, hetgeen hij met groote vlugheid deed; en na hem mijn geweer gegeven te hebben, ging ik zitten om de anderen weder te laden; en gelastte hem naar mij toe te komen als hij ze noodig had. Terwijl ik ze laadde geraakte de Spanjaard in een fel gevecht met een der wilden, die hem met een dier houten zwaarden aanviel, hetzelfde wapen, waarmede hij zou geslagt zijn geworden, als ik het niet belet had. De Spanjaard, die ofschoon zwak, zoo moedig was als een leeuw, had dezen Indiaan eene geruime poos bevochten en hem twee wonden aan het hoofd toegebragt; maar de wilde, een kloeke sterke kerel zijnde, had den afgematten man nedergeworpen en trachtte hem mijne sabel uit de hand te wringen, toen de Spanjaard, hoewel onderliggende, wijsselijk de sabel losliet, mijne pistool uit zijn gordel trok en den Indiaan door het ligchaam schoot, zoodat hij op de plek dood bleef, alvorens ik, die hem te hulp kwam, bij hem was gekomen.

Vrijdag, die nu naar eigen willekeur handelen kon, vervolgde de vlugtende wilden met geen ander wapen dan zijne bijl, en hiermede maakte hij de drie af, die gelijk ik gezegd heb, bij het eerste schot gevallen waren, en al die hij verder bereiken kon. Den Spanjaard, die mij om een geweer vroeg, gaf ik een der jagtgeweren, waarmede hij twee wilden vervolgde, en ze beide kwetste; maar daar hij bezwaarlijk loopen kon, ontsnapten zij hem beide in het bosch, waar Vrijdag ze vervolgde, en er een van doodde; maar de andere was hem te vlug af; en ofschoon gewond, sprong hij echter in zee, en zwom uit al zijne magt naar de twee, die nog in de kanoe waren, welke drie personen, waaronder een gekwetste, die wij niet wisten of hij leven kon of niet, alles was wat ons van de eenentwintig ontsnapte. Zie hier den uitslag van het gevecht.

3 Gedood bij ons eerste vuur van den boom. 2 Gedood bij het volgende schot. 2 Door Vrijdag in de kanoe gedood. 2 Gekwetsten, door Vrijdag afgemaakt. 1 Door hem in het bosch gedood. 3 Door den Spanjaard gedood. 4 Dooden, hier en daar gevonden, aan hunne wonden gestorven of door Vrijdag afgemaakt. 4 Ontsnapt in de boot, waaronder een gewond of dood. —— 21 in het geheel.

Die in de kanoe waren roeiden zoo hard zij konden om buiten ons schot te komen, en hoewel Vrijdag twee of drie schoten op hen deed, kon ik niet bespeuren, dat hij een hunner getroffen had. Vrijdag had wel gewild, dat ik een hunner kanoes genomen en hen vervolgd had; hunne ontvlugting baarde mij ook veel zorg, uit vrees, dat zij, na hunnen landslieden deze tijding gebragt te hebben, misschien met twee of driehonderd kanoes terug mogten keeren, en ons door hun aantal overweldigen. Ik gaf dus mijn toestemming hen op zee te vervolgen, sprong in een der kanoes en gelastte Vrijdag mij te volgen; maar in de kanoe gekomen stond ik niet weinig verwonderd daar nog een levend wezen in te vinden, even als de Spanjaard aan handen en voeten gebonden om geslagt te worden, en schier dood van schrik, niet wetende wat er gebeurde, daar hij niet over de zijde der kanoe heen had kunnen zien; hij was zoo stijf gebonden, en zoo lang gekneveld geweest, dat er schier geen leven meer in hem was.

Oogenblikkelijk sneed ik de gestrengelde biezen los, waarmede zij hem gebonden hadden; en wilde hem ophelpen; maar hij kon niet staan of spreken; maar kermde jammerlijk, meenende naar het schijnt, dat hij alleen losgemaakt werd om geslagt te worden.

Toen Vrijdag er bij kwam, gelastte ik dezen hem zijne bevrijding bekend te maken, en mijne flesch uithalende, gaf ik den armen drommel een slok, hetwelk, met de tijding van zijne bevrijding, hem weder bij bragt, en hij ging in de kanoe zitten; maar toen Vrijdag hem hoorde spreken en hem in het gelaat zag, zou het iedereen tot tranen bewogen hebben, die gezien had hoe Vrijdag hem kuste, omhelsde en troetelde, hoe hij schreeuwde, lachte, juichte, sprong, danste, zong, dan weder schreeuwde, de handen wrong, zich op het gelaat en de borst sloeg, en dan weder als een razende danste en sprong. Het duurde eene geruime poos eer ik het zoo ver brengen kon, dat hij tot mij sprak en mij zeide wat er van de zaak was, maar toen hij een weinig tot zichzelven kwam verhaalde hij mij, dat dit zijn vader was.

Ik zou moeijelijk kunnen uitdrukken hoe het mij trof, toen ik zag hoe krachtig de verrukking en kinderliefde waren bij dezen wilde, toen hij zijn vader, en dat wel van den dood gered wederzag; ik kan inderdaad niet half al de volgende uitsporige blijken zijner kinderlijke liefde beschrijven, want hij was nu eens in de kanoe en dan weder er uit. Als hij er in kwam, ging hij naast zijn vader zitten en hield diens hoofd tegen zijne borst gedrukt, gelijk eene moeder haren zuigeling, een half uur achtereen om hem te koesteren; dan nam hij zijne armen en beenen, die geschaafd en stijf van het binden waren, en verwarmde en wreef die met zijne handen; en ik dit ziende gaf hem wat rum uit mijne flesch om ze te wrijven, hetgeen ze zeer veel goed deed.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Dit maakte een einde aan onze vervolging van de andere kanoe met de wilden, die thans genoegzaam uit het gezigt geraakt was, en dit was een geluk voor ons, want twee uren later woei het zoo hard, terwijl zij nog geen kwartier ver konden zijn, en het bleef den geheelen nacht zoo hard uit het noordwesten doorstormen, dat ik niet onderstellen kon, dat bij dien zwaren tegenwind hunne kanoe zee kon bouwen noch zij hunne kust bereiken konden.

Doch om tot Vrijdag terug te keeren: hij had het zoo druk met zijn vader, dat het mij eenigen tijd niet van het hart kon hem te roepen, maar eindelijk deed ik het, en hij kwam lagchende en dansende naar mij toe. Ik vroeg hem of hij zijn vader wat brood had gegeven. Hij schudde het hoofd, en zeide: "Neen, ik slechte kerel, alles opgegeten heb." Ik gaf hem dus een stuk, dat ik nog in mijn zak had, voor zijn vader en een slok rum voor hem, maar hij wilde het niet drinken maar bragt het ook aan zijn vader. Ik had twee of drie trossen rozijnen in mijn zak, die ik hem ook gaf voor hem en zijn vader. Maar naauwelijks had hij dit gedaan, of ik zag hem uit de kanoe springen en wegloopen alsof hij dol was. Hij liep zoo vlug (ik heb nimmer iemand gezien, die zoo snel kon loopen als hij) dat hij in een oogenblik uit het gezigt was, en of ik hem toeriep en naschreeuwde, het hielp niet. Een kwartier daarna zag ik hem terugkomen, schoon niet zoo snel als vroeger, omdat hij iets droeg, en naderbij gekomen, zag ik, dat het eene pot met water was.

Toen hij bij mij kwam zag ik, dat hij een aarden pot of pan gehaald had om zijn vader wat zoet water te brengen, en hij had ook een paar koeken of brooden medegebragt. Het brood gaf hij mij, maar het water bragt hij aan zijn vader, hoewel ik, die zeer dorstig was, er ook een slokje van nam. Het water verkwikte zijn vader meer dan al de sterke drank, dien ik hem gegeven had, want hij bezweek schier van dorst. Toen zijn vader gedronken had, riep ik hem of er nog water over was, en daar hij ja zeide, gelastte ik hem dit aan den armen Spanjaard te geven, die het even hoog noodig had als zijn vader, en ik zond tevens een stuk brood naar dien man, die zeer afgemat was, en in de schaduw van een boom lag uit te rusten, en wiens leden ook zeer stijf en gezwollen waren van het zware knevelen, dat men hem gedaan had. Ik zag, dat toen Vrijdag met het water bij hem kwam, hij overeind ging zitten en dronk en ook een stuk brood at; ik ging dus naar hem toe en gaf hem ook een tros rozijnen. Hij zag mij aan met een gelaat, waarop de dankbaarheid ten duidelijkste te lezen stond, maar was zoo zwak, niettegenstaande hij zich in het gevecht zoo dapper geweerd had, dat hij niet opstaan kon; hij beproefde het twee of drie malen, maar kon niet op de been komen; zijne enkels waren zoo gezwollen en zoo pijnlijk, dat ik hem verzocht te blijven zitten en Vrijdag gelastte zijne beenen te wrijven en met rum te wasschen, gelijk hij zijn vader gedaan had.

Gedurende al den tijd, dat hij dit deed, vergingen er geen twee minuten of de arme jonge keerde het hoofd om, om te zien of zijn vader nog op dezelfde plaats en in dezelfde houding zat, waarin hij hem verlaten had, en toen hij eindelijk hem eens niet zag, sprong hij, zonder een woord te spreken op, en liep er zoo snel naar toe, dat het scheen alsof zijne voeten den grond niet raakten, maar bij hem komende bespeurde hij, dat hij alleen gemakshalve was gaan liggen. Dus kwam hij tot mij terug, en ik zeide den Spanjaard, dat Vrijdag hem zou helpen om als hij kon naar de boot te gaan, en dan zou ik hem naar onze woning voeren om verder voor hem te zorgen; maar Vrijdag, die een sterke knaap was, nam den Spanjaard op zijn rug en droeg hem zoo naar de boot, zette hem voorzigtig op het boord van de kanoe, met zijne voeten er in, ligtte hem vervolgens er geheel in en zette hem naast zijn vader, en vervolgens de boot afzettende, pagaaide hij die langs de kust sneller dan ik loopen kon, schoon het vrij hard woei. Zoo bragt hij ze behouden in de kreek, en hen in de boot latende, liep hij heen om de andere kanoe te halen. Terwijl hij mij voorbij liep vroeg ik waar hij heenging. Hij zeide: "Meer boot halen," en weg vloog hij als de wind, want nimmer liep een mensch of paard harder, en hij was met de andere kanoe bijkans zoo spoedig aan de kreek als ik er over land kwam, dus haalde hij mij over, en ging toen onze nieuwe gasten uit de boot halen, maar zij waren geen van beide in staat om te loopen, dus wist de arme Vrijdag niet wat hij doen zou.

Om hier te helpen, spande ik mijne hersens in, en toen Vrijdag roepende, zeide ik hem hen te verzoeken op het strand te blijven zitten. Spoedig had ik daarop eene soort van draagbaar gemaakt en Vrijdag en ik droegen hen daarop tusschen ons in. Maar aan onzen buitenwal gekomen, waren wij nog meer in verlegenheid, want het was ons onmogelijk hen er over te helpen, en ik wilde die niet gaarne afbreken. Vrijdag en ik gingen dus weder aan het werk, en binnen een paar uren hadden wij een vrij knappe tent opgeslagen, met oude zeilen en daarover takken bedekt, op de opene plek, tusschen mijn buitenste schans en de streek jong hout, door mij geplant, en hier maakten wij hun twee bedden van hetgeen ik had, namelijk van rijsten stroo, met dekens er over om op te liggen, en op ieder bed een deken om hen te dekken.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Nu was mijn eiland bevolkt, en ik achtte mij reeds ruim voorzien van onderdanen, en verheugde mij thans dikwijls met het denkbeeld hoeveel ik van een koning had. In de eerste plaats was het eiland geheel en al mijn eigendom, zoodat mijn regt van heerschappij onbetwistbaar was. Ten tweede was mijn volk mij volkomen onderdanig; ik was hun oppermagtig heer en wetgever; zij hadden allen hun leven aan mij te danken, en waren bereidwillig hun leven voor mij op te offeren, als daartoe de gelegenheid zich opdeed. Het was ook opmerkelijk, dat hoewel ik slechts drie onderdanen had, deze allen een verschillend geloof hadden. Vrijdag was een Protestant, zijn vader een Heiden en Kannibaal, en de Spanjaard een Roomschgezinde. Ik liet echter door mijn geheele gebied, volkomen vrijheid van godsdienst heerschen. Doch dit in het voorbijgaan.

Naauwelijks had ik mijne twee verloste, zwakke gevangenen te huis gebragt, en hun huisvesting en eene slaapplaats verschaft, of ik begon aan eenigen leeftogt voor hen te denken. Het eerste wat ik deed was Vrijdag te gelasten een halfwassen, eenjarige geit uit mijne kudde, te dooden; ik nam daarop het achterdeel, en hakte dat aan kleine stukjes; daarop zette ik Vrijdag aan het koken en braden, en maakte hun een zeer goeden maaltijd van vleesch en soep gereed; in welke laatste ik ook eenige rijst en wat koren gedaan had; en na het buiten's huis gekookt te hebben, want ik stookte nimmer vuur binnen mijne schans, bragt ik het eten naar de nieuwe tent. Na eene tafel voor hen geplaatst te hebben, ging ik met hen het middagmaal houden, en sprak hen zooveel mogelijk moed in, met behulp van Vrijdag, die mijn tolk was bij zijn vader, en ook bij den Spanjaard, want deze sprak de taal der wilden zeer goed.

Illustration from Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1

Na gegeten te hebben, gelastte ik Vrijdag eene kanoe te nemen en onze geweren en andere wapens te halen, die wij in de haast op het slagveld hadden laten liggen, en den volgenden dag zond ik hem uit om de lijken der gedoode wilden te gaan begraven, die thans in de zon lagen, en tevens de overblijfselen van hun afschuwelijk gastmaal onder den grond te bedelven. Ik kon er niet aan denken dit zelf te doen, noch zelfs het aan te zien als ik dien kant uitging. Dit alles volbragt hij zeer stipt, en deed zelfs alle sporen, dat hier wilden geweest waren, verdwijnen, zoodat toen ik weder dien kant uitkwam, ik niet vinden kon waar het geweest was, dan aan den hoek van het bosch, die zich naar het strand uitstrekte.

Ik begon toen mij een weinig te onderhouden met mijne twee nieuwe onderdanen, en het eerst deed ik Vrijdag aan zijn vader vragen wat hij dacht van de vlugt dier wilden in de kanoe, en of wij mogten verwachten hen te zien terugkeeren met eene overmagt, die wij niet zouden kunnen wederstaan. Zijne eerste meening was, dat de wilden nimmer den storm zouden hebben kunnen doorstaan, die des avonds, nadat zij vertrokken waren, was opgestoken, maar dat zij noodwendig verdronken of zuidwaarts verder op de kust moesten geslagen zijn, en dan zouden zij even zeker geslagt worden. Maar wat zij doen zouden als zij behouden aan hunne kust kwamen, wist hij niet, maar hij was van meening, dat de wijze waarop zij overvallen waren geworden, dat de schoten en het vuur hun zooveel schrik zouden aangejaagd hebben, dat zij hunnen landslieden zouden zeggen, dat zij door donder en bliksem en niet door menschenhanden gedood waren; en dat de twee, die zij gezien hadden (namelijk Vrijdag en ik) geen gewapende menschen, maar twee hemelsche of helsche geesten waren, gekomen om hen te verdelgen. Dit wist hij, zeide hij, omdat hij hen dit in hunne taal elkander had hooren toeroepen, want het was hun onmogelijk te begrijpen, dat een man vuur spuwen en donder spreken en van uit de verte dooden kon, zonder de hand op te heffen, gelijk thans geschied was.—De oude wilde had gelijk, want gelijk ik naderhand langs een anderen weg vernam, de wilden uit die streek hebben nimmer weder beproefd het eiland te naderen. Zij waren zoo ontzet door het verhaal van die vier menschen, (want deze waren naar het schijnt, niet op zee vergaan) dat zij geloofden, dat ieder, die zich op dit betooverd eiland waagde, door de goden met vuur zou verdelgd worden. Ik, die dit echter niet wist, bleef een geruimen tijd in aanhoudende vrees, en was altijd op mijne hoede, met mijn geheele leger, en daar wij nu met ons vieren waren, zou ik mij altijd tegen honderd van hen in het open veld gewaagd hebben.

Daar er echter na eene poos geene kanoes kwamen opdagen, sleet de vrees voor hunne komst uit, en ik begon mijne vroegere denkbeelden van een togt naar het vaste land weder op te vatten, daar nu ook Vrijdags vader mij verzekerd had, dat ik door hem op een goed onthaal bij zijn volk mogt rekenen als ik daarheen ging.

Echter schorste ik mijn voornemen eenigen tijd op, na een ernstig gesprek met den Spanjaard, en toen ik vernam, dat er nog zestien zijner landslieden en Portugezen, in den storm daar het leven gered hadden, en daar wel in vrede met de wilden leefden, maar niets meer ontvingen dan hoog noodig was om niet van honger te sterven. Ik vroeg hem al de bijzonderheden zijner reis, en vernam, dat zij op een Spaansch schip behoord hadden van Rio de la Plata naar Havanna bestemd, met last om daar hunne lading, die hoofdzakelijk uit huiden en zilver bestond, te lossen, en zoodanige Europesche goederen als zij daar konden vinden, terug te brengen; dat zij vijf Portugesche matrozen aan boord hadden gehad, die door hen van een ander wrak gered waren; dat bij het vergaan van hun schip vijf man van hun eigen volk verdronken waren, en dat de geredden onnoemelijke gevaren hadden doorgestaan, en half dood van honger op de Kannibaalsche kust gekomen waren, waar zij verwachtten elk oogenblik vermoord te zullen worden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings