De Pluviervogels (Charadriornithes). (continued 2)
Reading edition
Gewoonlijk ziet men den Kluit in ’t water staan of langzaam rondstappen en met voortdurende, knikkende en zijwaartsche beweging van den kop voedsel opnemen, niet zelden ook den bodem van ’t water onderzoeken, waarbij hij op de manier van een Eend min of meer op den kop staat. Hij gebruikt zijn vreemdsoortigen snavel op een geheel andere wijze dan de overige moerasvogels; hij “sabelt”, gelijk Naumann zegt, “maakt tamelijk snel opeenvolgende, gymnastische bewegingen naar links en naar rechts en grijpt intusschen het in ’t water zwevende voedsel, dat door de lijsten aan de binnenste oppervlakte van den snavel wordt teruggehouden.” Als men dicht bij een plaats komt, waar honderden van deze Vogels ijverig bezig zijn voedsel op te sporen, bemerkt men, dat alle bij het eerste waarschuwende sein onrustig worden, wadend of zwemmend zich naar de diepere gedeelten van het water begeven, of opvliegen en niet eerder rusten, voordat zij buiten schot zijn.
Korten tijd na hun terugkomst in ’t vaderland splitsen de zwermen zich in paren, die geschikte nestplaatsen opzoeken, liefst op een met kort gras bedekte vlakte. Het nest is een ondiepe uitholling van den grond en met eenige droge halmpjes of worteltjes bekleed; er worden in den regel 4, soms slechts 2 peer- of tolvormige eieren in gelegd; deze hebben een fijne, glanslooze schaal, die op licht roestgeelachtigen of geelachtig olijfkleurigen grond met een meer of minder groot aantal grauwzwarte en violette vlekken en stippels geteekend is. Het mannetje en het wijfje broeden om beurten, zijn vol zorg voor hun broedsel, vliegen onder klagend geschreeuw om den mensch, die in de nabijheid van hun nest komt en brengen de jongen, zoodra deze droog geworden zijn, naar een terrein, waar zij schuilplaatsen kunnen vinden, later naar groote poelen en eindelijk, als zij hunne vleugels beginnen te gebruiken, naar de open zee.
De gevangen Kluiten vereischen een zorgvuldige verpleging; hun voedsel moet flink gekruid zijn met insectenlarven of mierenpoppen; zij kunnen dan jaren lang in de kooi in ’t leven gehouden worden.
De echte Pluvieren (Charadriinae) zijn forsch gebouwde, korthalzige, grootkoppige Vogels van geringe grootte. Hun snavel is meestal kort, zijn lengte gaat zelden die van den overigen kop te boven; aan den wortel is hij met een zachte, aan de spits met een harde huid bekleed; de neusgaten zijn ovaal en bevinden zich aan het einde van het achterste derde gedeelte (of van de achterste helft) van den snavel, welks rug op deze plaats benedenwaarts gekromd is, doch nader bij de spits zich weer verheft; zulk een snavel heet “kolfvormig” gezwollen. De pooten zijn middelmatig hoog, slank, in ’t spronggewricht een weinig verdikt, de voeten meestal drieteenig. De vleugels zijn tamelijk groot, smal en spits; hun spits wordt door de eerste of de tweede slagpen gevormd; de bovenarmpennen zijn tot een zoogenaamden schoudervleugel verlengd. De korte of middelmatig lange, uit 12 pennen samengestelde staart is aan den top flauw afgerond. Het dichte en zachte, glad aanliggende vederenkleed biedt bij jongen en ouden minder verschil aan, dan er tusschen het zomer- en het winterkleed bestaat.
De echte Pluvieren zijn de bedrijvigste van alle moerasvogels. De meeste maken weinig verschil tusschen den dag en den nacht; van den morgen tot den avond, van den avond tot den morgen zijn zij ijverig in de weer, een vasten slaaptijd, die misschien slechts eenige minuten duurt, hebben zij niet; toch zijn sommige over dag, andere ’s nachts het meest werkzaam. Zij loopen uitmuntend en vliegen met gemak en snel, zonder door een dezer bewegingen spoedig vermoeid te worden. Zij zwemmen niet gaarne, maar toonen zich in geval van nood ook hiervoor geschikt. Bijna alle soorten hebben een luid klinkende, fluitende stem en brengen gedurende den paartijd tot trillers vereenigde tonen voort, die eenige aanspraak kunnen maken op den naam van gezang. Hun nest is eenvoudig een kuiltje in den grond; zelden wordt het met eenige halmen bekleed. Het dient tot berging van 3 of 4 peer- of tolvormige, bont gevlekte eieren, nooit meer, nooit minder, die altijd zoo gerangschikt zijn, dat de spitsen elkander in ’t midden aanraken. De beide ouders broeden om beurten; door hen begeleid, verlaten de jongen het nest, onmiddellijk nadat zij uit den dop gekomen en droog geworden zijn; in den eersten tijd zoeken zij nu en dan beschutting onder de vleugels van de moeder.
Deze Vogels voeden zich met Insecten en Weekdieren, Wormen en kleine waterdieren; zij worden als wild hooggeschat en hebben daarom veel vervolging te verduren.
*
De Kievit, in Overijsel Kiefte, in ’t Friesch Ljiep genoemd (Vanellus cristatus), vertegenwoordigt een gelijknamig geslacht, dat kenbaar is aan den zwak kolfvormig gezwollen snavel, aan de vierteenige voeten, aan de stompe vleugels, welker spits gevormd wordt door de derde handpen en aan de kuif, waarmede de kop versierd is. De bovenkop, de voorhals, de bovenborst en de achterste helft van den staart zijn glanzig donkerzwart, de veeren van den mantel donkergroen met blauwen of purperen weerschijn, de zijden van den hals, de onderborst, de buik en de wortelhelft van de staartveeren wit, eenige boven- en alle onderdekveeren van den staart donker roestgeel; de kuif bestaat uit lange, smalle veeren, die een dubbele spits vormen. Het oog is bruin, de snavel zwart, de voet vuil donkerrood. Totale lengte 34, staartlengte 10 cM.
Van den 81en graad N.B. tot Voor-Indië en Noord-Afrika heeft men den Kievit in alle bekende landen van de Oude Wereld waargenomen. Hij is op de voor hem geschikte plaatsen in China even algemeen als in Groot-Britannië; tegen den winter trekt hij zuidwaarts naar de tusschen Marokko en Noord-Indië gelegen landen, ook dwaalt hij wel naar de Fär-öer en IJsland en zelfs naar Groenland af. Van alle Europeesche landen is Nederland ongetwijfeld het rijkst aan Kieviten: zij zijn voor ons land even karakteristiek als de kanalen, de zwartbonte koeien, de windmolens en de door hooge boomen overschaduwde buitenplaatsen en boerderijen. Ook in Duitschland zijn zij niet zeldzaam.
De Kievit is een van de eerste lenteboden; evenals de Spreeuw en de Leeuwerik verschijnt hij soms reeds in ’t vaderland, als de winter er nog zijn schepter zwaait en hem gebrek doet lijden. Meer dan van andere Vogels heeft men van den Kievit waargenomen, dat het hoofdleger voorafgegaan wordt door enkele éclaireurs. Deze worden dikwijls bitter teleurgesteld door een weersverandering. Late sneeuwvlagen maken, dat zij geen voedsel kunnen vinden; vermoedelijk worden zij door de hoop op een gunstigen keer van zaken weerhouden om terug te keeren; zij dwalen van het eene veld naar het andere, wachten en hopen, verkwijnen meer en meer en bezwijken. In het tijdperk 1879 tot 1888 wisselde de tijd van aankomst der Kieviten in ons vaderland af tusschen 10 Februari en 14 Maart (gemiddeld 2 Maart), de tijd, waarin zij vertrokken of voor de laatste maal gezien werden, van 18 September tot 6 December (gemiddeld 30 October). Hierbij moet echter in ’t oog worden gehouden, dat na het vertrek van de Vogels, die hier gebroed hebben en geboren zijn, andere, uit noordelijker streken komende exemplaren doortrekken; dit duurt, totdat de vorst invalt; een enkele maal is het gebeurd, dat Kieviten hier den winter overbleven.

Kievit (Vanellus cristatus). 1/3 v. d. ware grootte.
Hoe beter men den Kievit leert kennen, des te meer wordt men overtuigd van zijn schranderheid. Zijn waakzaamheid, die den jager vaak teleurstelling bereidt, strekt hem tot eer. Een onaangename ervaring vergeet hij nooit, nog jaren lang herinnert hij zich het oord, waar een zijner soortgenooten een ongeluk is overkomen. Met den felsten haat bejegent hij alle roofdieren en toont daarbij grooten moed, zelfs ware doodsverachting. Woedend schiet hij neer op den snuffelenden Hond, dikwijls zoo dicht langs den kop van den verontwaardigden viervoeter, dat deze zich genoopt ziet naar den aanvaller te happen. Reintje wordt even ijverig bestookt, maar niet altijd overwonnen en verdreven; integendeel deze grijpt niet zelden een van zijne vermetelste tegenstanders en vermoordt hem voor de oogen van zijne kameraads, die vol ontzetting in alle richtingen uiteenstuiven en ver van de kampplaats gaan weeklagen over den verongelukten makker. Stoutmoedig valt de Kievit Meeuwen, Reigers en Ooievaars aan, kortom alle roofvogels, die minder goed vliegen dan hij; de gevederde roovers, die hem in bekwaamheid overtreffen, gaat hij echter voorzichtig uit den weg. De strandvogels zijn gewoon acht te geven op hetgeen de Kievit doet en ontkomen door zijn voorzichtigheid aan vele gevaren. Daarom draagt hij bij de Grieken den zeer eigenaardigen naam van “Goede Moeder.”
Naar het schijnt, maken Regenwormen het voornaamste voedsel van den Kievit uit; bovendien moeten als belangrijke bestanddeelen van zijn maal allerlei Insectenlarven, Waterslakken, kleine Landslakken enz. genoemd worden. Verscheidene malen in den loop van den dag gaat hij drinken. Het baden is voor hem een levensbehoefte.
Het nest van den Kievit vindt men het veelvuldigst op uitgestrekte grasvelden en vochtige akkers, zelden in de onmiddellijke nabijheid van het water, nooit in het eigenlijke moeras. Het bestaat uit een ondiepe holte, die soms met eenige dunne grashalmpjes en fijne worteltjes sierlijk bekleed is. In gunstige jaren begint het leggen bij ons omstreeks het midden van Maart, soms echter eerst in de laatste dagen van deze maand of in de eerste dagen van April. De 4 betrekkelijk groote eieren zijn peervormig en hebben een fijnkorrelige, gladde schaal, die op dof olijfgroenachtigen of bruinachtigen grond met donkerder, dikwijls zwarte stippels, vlekken en streepjes op zeer verschillende wijzen geteekend is; zij liggen in het nest zóó, dat hunne spitsen elkander in het midden aanraken en worden door het wijfje altijd weder op deze wijze gerangschikt. Het wijfje broedt de eieren in 16 dagen uit en brengt de jongen vervolgens naar plaatsen, waar zij zich verbergen kunnen. De kleur van het jong, dat zich bij naderend gevaar plotseling tegen den grond drukt, komt zoo zeer met die van den grond overeen, dat men het voor een aardkluit zou kunnen aanzien.
Bij ons en in Duitschland maakt men geen jacht op den Kievit, omdat zijn vleesch te recht onsmakelijk wordt geacht. In Zuid-Europa is men een andere meening toegedaan; hier worden de wintergasten even ijverig vervolgd, als waren het Snippen. De eieren worden hier te lande ijverig gezocht; er wordt een belangrijke handel in gedreven; vooral uit Friesland worden groote hoeveelheden naar Engeland gezonden. In het laatst van April is de hoeveelheid, die ter markt wordt gebracht, zeer aanzienlijk. Toch is, tengevolge van den uitvoer naar Engeland, de prijs, althans in de steden van Friesland, zelden lager dan 15 cents per stuk. Voor de eerste eieren worden gewoonlijk zeer hooge prijzen betaald. Over 20 jaren berekend, wordt in Friesland het eerste ei gemiddeld op 23 Maart gevonden (Albarda). Daar de Kievieten, welker eieren men herhaaldelijk wegneemt, in het geheel niet meer zouden broeden, het getal dezer Vogels derhalve van jaar tot jaar verminderen zou, is bij de wet bepaald, wanneer het rapen van kievitseieren moet ophouden. Hier te lande is het na den 30en April verboden; het vervoeren en verkoopen van de eieren mag nog tot den 5en Mei plaats hebben.
De gevangen Kieviten zijn zeer gezellige Vogels; vooral als zij zeer jong in de kooi komen, schikken zij zich spoedig in de veranderde levensomstandigheden; zij worden tam en gemeenzaam met hun verzorger, eten uit zijn hand, volgen hem ook wel een eind weegs, sluiten zelfs vriendschap met Honden en Katten en matigen zich het oppergezag aan over andere in de kooi levende strandvogels. Als men hun aanvankelijk stuk gesneden Regenwormen voorwerpt, geraken zij licht gewoon aan het voedsel, dat men hun gewoonlijk geeft, n.l. wittebrood; hiermede kan men ze jaren lang in ’t leven houden; zij moeten echter tegen koude beschut worden, zoodra de winter aanvangt.
In Egypte wordt onze Kievit vervangen door den Spoorkievit, wegens zijn geschreeuw ook Sieksak genoemd (Vanellus spinosus). Deze kenmerkt zich door een echten Kievitsnavel, slanke pooten met 3 teenen, een scherpe, aan de vleugelbocht voorkomende spoor, betrekkelijk spitse vleugels en een stompe kuif op den achterkop.
Van alle Egyptische Pluviervogels is deze de algemeenste. Men vindt hem overal, waar de aanwezigheid van zoet water zijn verblijf mogelijk maakt, want zelden of nooit begeeft hij zich op grooten afstand van het water. Hij stelt zijne eischen echter niet hoog, maar is tevreden met een veld, dat nu en dan onder water wordt gezet. Hij schijnt de zeekust te vermijden, maar komt voor aan de oevers der strandmeren, die deels brak, deels zout water bevatten.
In levenswijze komen de Spoorkieviten veel met onze Kieviten overeen, hoewel zij minder gezellig schijnen te zijn en meer bij paren leven. Het eene paar woont echter dicht bij het andere en de buren komen gaarne voor korten tijd bijeen. Tegen Vogels maakt de Spoorkievit van zijn wapen gebruik; hij stort zich plotseling op zijn tegenpartij en tracht hem door een slag met den vleugel te kwetsen. Ongetwijfeld kan hij met de spoor gevoelige wonden toebrengen; de Vogels, die er kennis mede maken, toonen duidelijk hoe onaangenaam hun dit is.
Het voedsel van den Spoorkievit is ongeveer gelijk aan dat van zijn inheemschen verwant. In Noord-Egypte begint zijn voortplanting omstreeks het midden van Maart; de meeste nesten vindt men echter in het midden van April, vele nog in Mei.
*
De Pluvieren i. e. z. (Charadrius) hebben een middelmatig langen, kolfvormig gezwollen snavel van meerdere of mindere dikte, tamelijk hooge, gewoonlijk drieteenige pooten, welker bevedering kort boven het spronggewricht aanvangt, spitse vleugels, waarin de eerste handpen de langste is en een middelmatig langen, afgeronden staart; bij de meeste soorten is een aanmerkelijk verschil op te merken tusschen het (bonte) zomer- en het (eenvoudiger) winterkleed. Men verdeelt de Pluvieren in een aantal groepen, die soms als ondergeslachten, soms als geslachten worden beschouwd.
De Goudkievit, in Friesland Zeewilster, Blanke Wilster of Zilverpluvier genoemd (Charadrius squatarola) is de eenige vertegenwoordiger van het ondergeslacht der Zilverpluvieren (Squatarola), dat zich kenmerkt door het bezit van een zeer kleinen achterteen. Zij gelijkt overigens in gestalte, kleur, aard en levenswijze veel op de Goudpluvier en weinig op den Kievit. De bovendeelen zijn bruinzwart met witte of bruinachtige vlekken; de staartwortel is wit, de staart wit met 6 à 7 zwarte dwarsbanden; de onderstaartdekveeren zijn wit, de ondervleugeldekveeren wit, verder achterwaarts grijs, de okselveeren zwart, de voorhoofdsrand, de teugel en de onderdeelen zwart; in den winter zijn de onderdeelen witachtig met donkere schaftvlekken. Totale lengte 30, staartlengte 9 cM.
Evenals de Goudpluvier, bewoont de Goudkievit de toendra, van deze echter slechts de noordelijkste gedeelten en, naar het schijnt, alleen het kustgebied van de Poolzee, misschien met uitzondering van IJsland, Spitsbergen en Nowaja Semlja, waar hij nog niet gevonden werd. Van hier begeeft hij zich in den herfst zuidwaarts en doorreist bijna de geheele aarde; slechts op Nieuw-Zeeland en in de zuidelijkste landen van Amerika heeft men hem nog niet ontmoet. Ons land en meer bepaaldelijk het zeestrand bezoekt hij van October tot April; vooral in den trektijd wordt hij hier, hoewel nooit in grooten getale, waargenomen en met de andere Pluvieren gevangen.
De Goudpluvier, bij Oirschot Tuter en in Friesland Wilster genoemd (Charadrius pluvialis), van het ondergeslacht der Echte Pluvieren (Charadrius), heeft de kruin, den nek, den achterhals, den mantel en den rug zwart, alle veeren met goudgroene randen en topvlekken. Wit zijn het voorhoofd, de wenkbrauwen en de zijden van hals, borst en buik, die met elkander een onafgebroken streep vormen; dezelfde kleur hebben de stuit en de onderdekveeren van den staart. De handpennen zijn dofbruin, de armpennen op zwarten grond met goudgroene dwarsstrepen, de onderdekveeren van den vleugel wit, bij de vleugelbocht met bruinachtige teekening, de okselveeren zuiver wit, de staartveeren op bruinzwarten grond met 7 à 9 lichtere banden. De onderdeelen zijn in den zomer zwart, in den winter wit met donkere vlekken op den buik. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet grauwzwart. Totale lengte 26, staartlengte 8 cM.
De Goudpluvieren zijn kenmerkende Vogels voor de toendra: zij behooren tot dit gebied zooals de Renvogels en de Woestijnloopers tot de woestijn. Als men de moerassen doorkruist, die zich over het geheele noorden van de aarde uitstrekken, hoort men van alle zijden het droefgeestige, bijna klagende geschreeuw van deze Vogels, die men, al naar de zomer meer of minder ver gevorderd is, tot paren, kleine troepen, familiën of talrijke vluchten vereenigd ziet. Het eene paar woont hier dicht bij het andere; de jager, die deze Vogels tot buit kiest, kan van den vroegen morgen tot den laten avond onafgebroken bezig blijven. Omstreeks den 57en graad N.B. beginnen zij zeldzamer te worden. In Nederland en Duitschland broeden zij slechts in kleinen getale, bij ons op heidevelden van Gelderland, Noord-brabant en Friesland en op Ameland. Op deze broedplaatsen komen zij in April, om in September weer te vertrekken. De exemplaren, die in noordelijker gewesten broeden, bezoeken ons vaderland ieder jaar in groote menigte tweemaal op den trek; deze begint tegen het einde van September en eindigt in Maart. In zachte winters blijven sommige in Middel-Duitschland achter; het hoofdleger begeeft zich echter verder zuidwaarts: van Lapland en Finland trekt het naar de kustlanden van de Middellandsche Zee en naar Noordwest-Afrika, van Noord-Azië naar Indië en China, van het hooge noorden van Amerika naar het zuiden van de Vereenigde Staten en zelfs naar Brazilië. De reis wordt gewoonlijk in gezelschap aangevangen en heeft hoofdzakelijk gedurende den nacht plaats. De trekkende Goudpluvieren vliegen zeer hoog, soms in ongeregelde zwermen, meestal echter in wigvormige rangorde, evenals de Kranen.
In aard verschilt de Goudpluvier weinig van de andere leden van haar geslacht en van haar familie. Zij is een wakkere, schuwe Vogel, die voortreffelijk loopt, d. w. z. op bevallige wijze voortstapt of buitengewoon snel voortrent en slechts na een langen marsch even stilstaat. Zij vliegt snel en behendig, recht op het doel af, wanneer zij een langen weg heeft af te leggen; in de nabijheid van het nest vermeit zij zich echter in allerlei fraaie wendingen en vliegkunsten. Haar welluidend, helder gefluit, dat als “tluïe” klinkt, maakt een aangenamen indruk, hoewel de intonatie ons eenigszins zwaarmoedig voorkomt; in den paartijd wordt het tot een triller (“taluudl-taluudl-taluudl-taluudl”) verlengd. Hare zintuigen en geestvermogens zijn goed ontwikkeld. Bovendien toont zij een gezelligen, vreedzamen aard, liefde voor gade en kroost en andere goede eigenschappen. Wormen en insectenlarven vormen de hoofdbestanddeelen van haar voedsel; in den zomer eet zij bijna uitsluitend Muggen in allerlei ontwikkelingstoestanden, op den trek Kevers, Slakken, Regenwormen en dergelijke kleine dieren; ook slikt zij tot bevordering van de spijsvertering zandkorrels door. Water om te drinken en om zich te baden kan zij volstrekt niet ontberen.
De Goudpluvieren zijn bekend als smakelijk wild. Vooral in Friesland levert wilstervangst (waarvoor groote enkele slagnetten dienen) soms belangrijke voordeelen op. Meer dan eens bedroeg de marktprijs van deze Vogels te Londen een shilling per stuk. Het is wel eens voorgekomen, dat een vogelvanger op één dag er 400 stuks bemachtigde.

1) Morinelpluvier (Charadrius morinellus), 2) Goudpluvier (Charadrius pluvialis). 1/3 v. d. ware grootte.
Eén enkele maal werd in Nederland (Friesland) een aan de Goudpluvier nauw verwante soort waargenomen, die in het oosten van Azië en in ’t noorden van Amerika broedt en soms naar Europa, o. a. naar Helgoland, afdwaalt. De Aziatische Goudpluvier (Charadrius fulvus) is iets kleiner dan de vorige soort, hare vleugels zijn korter en de schenkels minder ver bevederd, de vleugelspitsen strekken zich voorbij den staart uit, de staartveeren hebben slechts 5 of 6 heldere dwarsbanden en de okselveeren zijn bruinachtig grijs.
De Morinelpluvier [Charadrius (Eudromias) morinellus], draagt een kleed, dat voortreffelijk past bij de kleur van den bodem op een steenachtige glooiing in het gebergte. De bovendeelen zijn zwartachtig, door de roestroode randen der veeren lichter geteekend; de grijze kleur van den kop is door een smallen, zwarten en een witten gordel van de borst gescheiden; deze is roestrood, de onderborst in het midden zwart, de buik wit; boven ieder oog bevindt zich een breede, lichte streep; deze beide strepen komen in den nek samen. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet groenachtig geel. Totale lengte 22, staartlengte 7 cM.
De Morinelpluvier behoort thuis in hooge bergstreken en in de hooge toendra. Hier houdt zij zich op van April tot Augustus. Haar broedgebied strekt zich uit van Finmarken tot in het Taimirland en van Spitsbergen of Nowaja Semlja tot Middel-Duitschland (op het hoogste deel van het Reuzengebergte), de Schotsche Hooglanden en Zuid-Siberië (op bergvlakten, die 2000 à 3000 M. boven den zeespiegel liggen). De Nederlandsche duinen en heidevelden bezoekt zij geregeld op den trek, van Augustus tot October en van April tot Mei. Evenzoo bezoekt zij Duitschland, Frankrijk, Hongarije en Noord-Italië. Zelden wordt de reis verder voortgezet dan tot de landen om de Middellandsche Zee en de hiermede overeenkomende gewesten van Middel-Azië; haar winterverblijf heeft zij dus reeds in Spanje, Griekenland en Turkije of in Tartarije en Perzië bereikt. Waarschijnlijk bewoont zij ook hier de gebergten.
De Morinelpluvier is een van de aantrekkelijkste leden harer familie. Haar houding is zeer bevallig, haar gang gracieus en behendig, bovendien licht en snel. Zij vliegt uitmuntend, pijlsnel en, indien dit noodig is, met bewonderenswaardige wendingen. Haar stem is een zachte, op gefluit gelijkende, hoogst aangename toon, dien men door de klankteekens “duurr” of “duuru” ongeveer weergeven kan. Zij is lieftallig, vreedzaam en gezellig van aard en, daar zij eenzame streken bewoont, weinig schuw. De voor haar kroost bezorgde moeder, verstaat meesterlijk de kunst om, als zij menschen ziet, gebreken te veinzen, om hierdoor hare jongen de gelegenheid te geven een schuilplaats te zoeken. Zij loopt, hinkt, fladdert, waggelt dicht voor de verstoorders van haar rust langs. Eens, toen ik gedurende een rendierenjacht in de gebergten van Noorwegen getuige was van dit komediespel, werd het door de Lappen, die mij vergezelden, voor ernst opgenomen; zij vervolgden ijverig de oude en zagen de kleine, lieve kuikentjes, die zich tegen den grond aangedrukt hadden, geheel over ’t hoofd. Vlak voor mij lagen zij alle drie, den hals languit op den bodem gestrekt, ieder gedeeltelijk achter een steentje verborgen, de kleine, heldere oogjes geopend, onbeweeglijk, zonder eenig teeken van leven. Ik stond dicht bij hen; zij verroerden zich niet. De moeder leidde hare vervolgers hoe langer hoe verder van den weg af en vloog daarna plotseling pijlsnel terug naar de plaats waar de jongen zich verborgen hadden; toen zij mij daar zag staan en geen van hare kinderen bespeurde, hervatte zij onmiddellijk haar listig bedrijf. Ik nam de kuikentjes, die zich gewillig lieten grijpen, in de handen en toonde ze aan de moeder. In ’t zelfde oogenblik staakte zij haar komediespel, kwam dicht bij mij, zoo dicht, dat ik haar werkelijk had kunnen grijpen, zette de veeren op, bewoog trillend hare vleugels en maakte allerlei gebaren om mijn gemoed te verteederen. De kleintjes liepen uit mijne handen weg op den grond: een onbeschrijfelijke juichkreet van de moeder weerklonk, toen zij haar kroost weer bij zich had. Overstelpt van vreugde door het herkrijgen van hare kinderen, ging zij voor mij zitten, bedekte de kleintjes, die vlug onder hare veeren waren gekropen, als een hen en bleef verscheidene minuten op dezelfde plaats, misschien in de meening verkeerend, dat zij een nieuw middel had gevonden tot beveiliging van hare geliefden. Hoewel ik mijn vader en andere vogelkenners een groot genoegen zou hebben bereid door de jongen in het donskleed voor hen mede te nemen, kon ik het niet van mij verkrijgen als jager te handelen. Ongelukkig denken sommige verzamelaars van eieren hierover anders: vooral aan hen is het te wijten, dat de Morinelpluvier in de Noordduitsche Alpen, op de hooge toppen van het Reuzengebergte, bijna uitgeroeid is.
Gedurende haar reis is de Morinelpluvier blootgesteld aan alle gevaren, die de Goudpluvier bedreigen; wegens haar niets kwaads vermoedende gemeenzaamheid wordt zij waarschijnlijk nog vaker gedood dan haar verwant. Als wild verdient zij, wegens de malschheid en smakelijkheid van haar vleesch, boven alle andere Vogels, zelfs boven de beste Snippen, de voorkeur.
De Bontbekpluvier, die in Friesland Bonte Wilster wordt genoemd (Charadrius hiaticula), behoort met de beide volgende soorten tot het ondergeslacht der Zandpluvieren (Aegialites), gekenmerkt door de betrekkelijk geringe grootte, den zwakken snavel, de lange, spitse vleugels en het zeer overeenstemmende vederenkleed, dat aan de bovenzijde zandkleurig, aan de onderzijde wit en met een witten, ringvormigen halsband versierd is. Zij houden zich niet in moerassen op, maar bewonen de zeekust en de met grind of zand bedekte vlakten in de nabijheid van zuiver helder water, zooals rivieroevers, zand- en grindbanken in stroomen enz.—De Bontbekpluvier is kleiner dan de vorige soort (totale lengte 19, staartlengte 6 cM.) en kenbaar aan de oranjeroode kleur van de pooten en van de wortelhelft van den snavel. Een smalle zoom aan den wortel van den bovensnavel, het voorste deel van de kruin en een met beide plekken samenhangende, breede teugel- en oorstreep, benevens een zeer breede dwarsband over den krop zijn zwart. Een smalle, door de zwarte plekken begrensde dwarsband over het voorhoofd, de slaapstreek, de kin en de keel en een van hier uitgaande, naar achteren smaller wordende, ringvormige halsband, benevens alle nog niet genoemde onderdeelen zijn wit. De kruin en de geheele bovenzijde zijn zandkleurig of licht olijfkleurig bruin, de slagpennen bruinzwart, op de binnenvlag aan den wortel met breeden, witten rand, op de buitenvlag (bij de vijfde pen te beginnen) met een witte vlek versierd, de bovendekveeren van de armpennen bruin met witten eindzoom, de staartpennen bruinzwart en vóór den breeden, witten eindrand het donkerst.
De Bontbekpluvier bewoont het noorden van de Oude Wereld: zij broedt in Siberië en in het noorden van Europa, ook nog langs de kust der Oostzee en zelfs in het Oldenburgsche en op de eilanden langs de Duitsche en Nederlandsche kust, hetzij aan het strand, hetzij aan de zandige oevers van rivieren en meren, of, indien zijn nest verstoord wordt, ook op plaatsen, die met kort gras begroeid zijn. Enkele paren broeden op onze Noordzee-eilanden; ook op Rozenburg bij Brielle zijn enkele malen jonge Vogels waargenomen. Zij strekken haar winterreis uit tot aan de zuidspits van Afrika, over geheel Azië en Australië. In het voor- en najaar zijn zij talrijk aan ons zeestrand, komen ten deele reeds in Augustus en blijven tot laat in het voorjaar; soms worden zij ook wel binnenslands onder het wilsternet gevangen (Albarda).
De Kleine Pluvier [Charadrius (Aegialites) curonicus] is nauwelijks grooter dan een Leeuwerik, heeft roodachtig grijze pooten en een op iederen leeftijd zwarten snavel. De wangen, de kruin en het bovenste deel van den romp zijn aardkleurig grijs, de krop en een van hier naar achteren gerichte band donkerzwart, de onderdeelen overigens wit; het voorhoofd draagt een smallen, zwarten band, waarop een breede, witte volgt, die van achteren weer door een zwarten begrensd wordt; de teugels zijn zwartachtig. Het donkerbruine oog is door een tamelijk breeden, gelen ring omgeven. Totale lengte 17, staartlengte 5–1/2 cM.
Deze soort werd in geheel Europa, bijna geheel Afrika en ook in bijna geheel Azië gevonden. In het Noorden houdt zij zich bijna uitsluitend aan de oevers van binnenwateren, ver van de zee op; in hare winterkwartieren geeft zij aan dergelijke plaatsen de voorkeur, doch komt ook nu en dan aan ’t zeestrand voor. Bij ons is zij niet zeer menigvuldig op den doortrek (Augustus en September): op het strand van Terschelling, in Friesland bij Suawoude, in Noord-Holland bij Diemen heeft men haar opgemerkt. Herhaaldelijk werd zij broedend gevonden in de putten onder Cromvoirt (Noord-brabant) (Albarda).
Op reis zijn de Kleine Pluvieren tot groote zwermen vereenigd en ook in den vreemde vormen zij steeds tamelijk groote gezelschappen.
*
De Renvogels (Cursorius) zijn slank van gestalte, hebben een middelmatig langen, zwak gekromden snavel, welke diep gespleten, aan den wortel zacht, aan de spits hoornachtig is, pooten met hoogen loop en drie korte, volledig gescheiden teenen, die met kleine, slanke nagels gewapend zijn, spitse vleugels, een korten staart en een zacht, glad vederenkleed.
De Gewone Renvogel (Cursorius gallicus) dwaalt somtijds naar Europa af en is een enkele maal ook in ons vaderland waargenomen. Hij valt in ’t oog door zijn isabelkleurig vederenkleed en heeft een lengte van 23 cM., waarvan 7 cM. op den staart komen.
Noord-Afrika, van de Roode Zee tot aan de Kanarische Eilanden, en West-Azië, van Palestina tot aan het noordwesten van Indië, vormen het vaderland van den Renvogel; hij houdt zich op in de woestijnen, die binnen de genoemde grenzen gelegen zijn. Andere woestijndieren kiezen in het gebied waar zij thuis behooren, plaatsen uit, die eenigszins minder schraal begroeid zijn dan de overige; de Renvogels daarentegen geven de voorkeur aan streken, die door hun dorheid en eenzaamheid ons onbewoonbaar voorkomen. Met onvergelijkelijke snelheid ziet men deze Vogels paarsgewijs over de vlakte rennen op ongeveer 15 schreden afstand van elkander (zelden meer of minder). Zoolang de Vogel loopt, ziet men alleen zijn romp, niet zijne pooten; deze ontgaan door hun voortdurend heen- en weerslingerende beweging geheel aan onze waarneming; men zou kunnen meenen, dat de Vogel geen pooten heeft en door een onverklaarbare kracht over den bodem wordt voortgedreven. Plotseling houdt de beweging op; de renner staat stil, om door rond te kijken zich te overtuigen, dat zijn veiligheid geen gevaar loopt, of misschien om een Insect op te pikken, en schiet eensklaps opnieuw vooruit. Op plaatsen waar hij geen vervolgingen ondervonden heeft, laat hij den onderzoeker tot op tamelijk korten afstand naderen; altijd echter weet hij de tusschenruimte zoo groot te houden, dat hij met een gewoon jachtgeweer niet getroffen kan worden: zoo kan men hem lang volgen, zonder dat hij zich genoodzaakt ziet te vliegen. Wegens deze geveinsde argeloosheid noemt men hem op de Kanarische Eilanden “Kinderbedrieger”, omdat onervaren knapen meenen, dat zij den Vogel, die van zijne vleugels geen gebruik schijnt te maken, met de handen kunnen grijpen, maar tot hun teleurstelling ondervinden, dat het dier met zijne betrekkelijk korte pooten zich even snel kan bewegen als de mensch met zijne langere beenen. Niet slechts de pooten, maar ook de vleugels van den Renvogel zijn uitmuntend voor dit doel geschikt.
Op de Kanarische Eilanden vangt men hem op zeer eenvoudige wijze. “Een groote, diepe schotel,” zegt Bolle, “of een andere steenen pot wordt in een schuinschen stand gehouden door een als lokaas dienende, van verre zichtbare, gele maïskolf, waaraan soms bovendien een Worm is vastgeprikt. Hoewel de Renvogel hoogst zelden zaden eet, onderzoekt hij toch de maïs om er larven uit te halen. Zoodra hij in de kolf pikt, valt de pan hem over den kop en is hij gevangen.”—
“Terwijl de Krokodil met geopende bek op het land ligt,” verhaalt Plinius in navolging van Herodotus, “komt de Vogel Trochilus aanvliegen en sluipt hem in den muil om dezen te reinigen. De Krokodil vindt dit aangenaam en laat daarom den Vogel begaan, opent den bek nog verder, opdat de “Trochilus”, als hij er uit wil, zich niet zal kwetsen. Deze Vogel is klein, niet grooter dan een Lijster, houdt zich in de nabijheid van ’t water op en waarschuwt den Krokodil voor den Ichneumon, door naar zijn vriend te vliegen en dezen, zoowel door geschreeuw als door pikken in den snuit, te wekken.” Dit verhaal, dat men geneigd zou zijn voor een fabel te houden, is op een feit gegrond; wel degelijk bestaat er een vriendschapsbond tusschen den Krokodil en zijn “Wachter”, gelijk de Arabieren den bedoelden Vogel noemen.
De Krokodilwachter (Cursorius aegyptius) vormt in zekeren zin den overgang van de Renvogels tot de Pluvieren, hoewel hij veel nader verwant is aan gene dan aan deze. De bovenkop, een breede teugelstreep, welke zich in den nek met die van de andere zijde vereenigt, de nek, een breede borstband en de smalle, verlengde veeren van den rug zijn zwart; een wenkbrauwstreep, die boven de neusgaten begint en aan den achterkop ineenvloeit met die van de andere zijde, de keel, de gorgel en alle overige onderdeelen zijn wit, de flanken en de borst echter licht roodbruin, de bovendekveeren van den vleugel en de schouderveeren licht leikleurig blauw of aschgrauw, de slagpennen zwart, aan den wortel en vóór de spits echter wit, waardoor twee breede banden ontstaan, die een groot sieraad zijn van den geopenden vleugel. Totale lengte 22, staartlengte 7 cM. Het wijfje is een weinig kleiner dan het mannetje.
De Krokodilwachter, wiens beeld op de Oud-Egyptische gedenkteekenen dikwijls voorkomt, daar het in het hieroglyphische alphabet de klank u voorstelt, is in het geheele Nijlgebied veelvuldig. Van Kaïro af stroomopwaarts ontbreekt hij op geen voor hem geschikte plek van den Nijloever. Bij voorkeur kiest hij een zandbank als standplaats uit met het doel om er te blijven, totdat het wassen van den stroom hem verdrijft.
Iedere reiziger langs den Nijl merkt deze aardige, levendige, behendige en schreeuwlustige Vogels op. Zij trekken de aandacht, wanneer zij met de haast, die aan de leden van hun familie eigen is, voortrennen, maar vallen nog meer in ’t oog, wanneer zij hunne fraaie, wit en zwart gestreepte vleugels uitbreiden en over ’t water vliegen. Zij doen dit zeer snel, zooals men reeds bij ’t zien van de spitse vleugels zou verwachten, en zonder merkbare inspanning; toch begeven zij zich in één vlucht zelden ver, hoogstens van den eenen zandbank naar den anderen; steeds scheren zij dicht bij de oppervlakte van ’t water langs. Onder het vliegen laten zij geregeld hun luide, fluitende stem hooren, deze bestaat uit een reeks van tonen en klinkt ongeveer als “tsjiep tsjiep hoit”. Maar ook gedurende het zitten en rondloopen schreeuwen zij dikwijls. Zij doen dit telkens, als er iets bijzonders in hun omgeving voorvalt: de nadering van ieder schip, van iederen mensch, van ieder Zoogdier, van iederen grooten Vogel wordt door een luid geschreeuw aangekondigd. Op deze wijze vervult de “Wachter” niet alleen bij den Krokodil, maar bij ieder dier, dat op hem let, de rol, die door zijn naam wordt aangeduid. Hij onderscheidt zich door een merkwaardige sluwheid, een scherp oordeel en een bewonderenswaardig geheugen: het is, alsof hij geen gevaren vreest, omdat hij ze kent en hun omvang weet te schatten. Met den Krokodil leeft hij werkelijk in vriendschap, evenwel niet, omdat het vraatzuchtige Reptiel hem genegen is, maar, omdat de Vogel door zijn schranderheid en behendigheid aan de boosaardige aanslagen van het monster weet te ontkomen. Als bewoner van de zandbanken, waarop de Krokodil slaapt en zich in de zon koestert, heeft hij van jongs af met dit ondier verkeerd. Op diens gepantserden rug loopt hij even onbeschroomd rond als op een weiland en zoekt er de Insecten en Bloedzuigers af, die op het bloed van den Krokodil belust zijn; zelfs ontziet hij zich niet het gebit van zijn kolossalen vriend schoon te maken, d. w. z. de stukken voedsel, die tusschen de tanden overgebleven zijn, of de dieren, die zich aan de kaken en aan het tandvleesch vastgehecht hebben, weg te pikken. Het geschreeuw van den Vogel bij het zien van een wezen, dat hem vreemdsoortig of gevaarlijk voorkomt, doet den slapenden Krokodil ontwaken en noopt dezen zich naar de veilige diepte te begeven.

Krokodilwachter (Cursorius aegyptius). 1/2 v. d. ware grootte.
Mogelijk is het, dat de Krokodilwachter met zijn spijs nu en dan enkele zaden doorslikt; zijn gewone voedsel ontleent hij echter aan het dierenrijk. Hij eet allerlei Insecten, vooral Zandkevers, Vliegen, Waterspinnen, Wormen, kleine Schelpdieren, Visschen en, naar uit de bovenstaande mededeelingen blijkt, ook stukjes vleesch van grootere Gewervelde Dieren.
Het wijfje legt hare eieren in een kuiltje in den grond en bedekt ze met zand, wanneer zij bij ’t broeden gestoord wordt. Slechts toevallig komt men dus op het spoor van de broedplaats.
*
De Steenloopers (Arenaria) zijn fraai geteekende, zeer beweeglijke vogeltjes, die van de overige bevederde strandbewoners, behalve door hun gestalte, ook in vele opzichten door hun levenswijze verschillen. Men heeft ze nagenoeg over de geheele wereld verspreid gevonden, aan de kusten van IJsland en Skandinavië, zoowel als aan die van Griekenland, Zuid-Italië en Spanje, in Australië zoowel als in Middel-Amerika en Brazilië, in Egypte en in het Kaapland, in China zoowel als in Indië. Zij zijn dus wereldburgers in de strengste beteekenis van het woord. Men ontmoet ze overal echter het veelvuldigst aan de zeekust, slechts gedurende den trektijd, en ook dan steeds in zeer kleinen getale, bij binnenwateren.
De Steenloopers zou men kunnen beschouwen als Pluvieren met dikke en tamelijk korte pooten. Hun lichaam is forsch gebouwd, de kop betrekkelijk groot, het voorhoofd hoog, de snavel recht, bijna zoo lang als de kop, korter dan de loop, kegelvormig, aan de spits een weinig naar boven gebogen en stomp, maar niet verdikt, op den rug afgeplat, geheel met een harde huid bedekt; de neusgaten zijn aan den snavelwortel gelegen; in de lange, spitse vleugels is de eerste handpen de langste; de ternauwernood middelmatig lange staart is uit 12 pennen samengesteld; de voorteenen zijn niet verbonden, de achterteen is klein en hoog aangehecht; het vederenkleed is goed voorzien, maar glad aanliggend en onderscheidt zich door levendige kleuren; de schouderveeren zijn sterk verlengd.
Van de beide soorten van dit geslacht bewoont de eene de Nieuwe, de andere de Oude Wereld. Bij deze—bij den Gewonen Steenlooper (Arenaria interpres)—zijn in volwassen toestand en gedurende den zomer het voorhoofd, de wangen, een breede band in den nek, de onderrug, de keel en de onderdekveeren van den vleugel zuiver wit; een streep, die op het voorhoofd begint, voor het oog langs en over den hals naar beneden loopt, is zwart, evenals de onderhals met het voorste deel en de zijden van de borst; de veeren van den mantel zijn zwart en rood gevlekt, die van de kruin wit en zwart overlangs gestreept, de vleugeldekveeren kastanjebruinrood met zwarte vlekken; over den staartwortel loopt een breede, bruine band; de slagpennen zijn zwartachtig, de stuurpennen aan den wortel en aan de spits wit, vóór de spits met een breeden, zwarten band geteekend. Het oog is bruin, de snavel zwart, de voet oranjegeel. Totale lengte 24, staartlengte 6 cM.

Steenlooper (Arenaria interpres). 1/2 v. d. ware grootte.
De Steenlooper broedt in de koude streken van de Oude Wereld, in Europa niet zuidelijker dan Jutland. Gedurende den winter werd hij op Madeira en in Noord-Afrika, in Azië tot op Java waargenomen. Men mag aannemen, dat hij vooral langs de zeekust trekt en daarom zoo zelden in het binnenland gezien wordt. De komst van de Steenloopers in Skandinavië, op IJsland en Groenland duurt van de laatste dagen van April tot in het midden van Mei; reeds vóór het einde van Augustus vertrekken zij. In deze maand ziet men ze, hoewel niet talrijk, op onze kust verschijnen en ook aan de noordelijke en zuidelijke oevers van de Middellandsche Zee. Die, welke zich naar ons land begeven, blijven meestal den winter over en kiezen bij voorkeur de steenen hoofden langs de kust tot rust- en verblijfplaatsen. De Steenlooper houdt evenwel niet van rust; hoogstens verdroomt hij in de middaguren eenige minuten. Gedurende den overigen tijd van den dag is hij aanhoudend in beweging, van ’s morgens tot na zonsondergang, dikwijls zelfs ’s nachts. Hij gaat trippelend en bij ’t zoeken van voedsel tamelijk langzaam; maar kan zich ook rennend en buitengewoon snel over groote afstanden verplaatsen, hoewel hij gewoon is om, na als een pijl uit den boog een zekeren weg doorloopen te hebben, op de een of andere verhevenheid een tijdlang stil te staan en daarna opnieuw vooruit te schieten. In ’t vliegen is hij even ervaren als zijne verwanten.
Zoolang hij in beweging is, houdt de zorg voor ’t voedsel hem bezig. Hij eet allerlei kleine zeedieren, vooral Wormen en teere Schelpdieren, maakt deze buit door met den snavel in ’t zand te boren of door het omwentelen van steenen, en ontleent hieraan zijn naam. De Insecten, die binnen de hoogwaterlijn komen, worden natuurlijk ook opgepikt, voornamelijk is zijn proviand echter afkomstig uit de kuststrook, die bij eb droog valt, waar Insecten tot de uitzonderingen behooren.
*
Iedere bezoeker van de Noordzeekust zal er zeer zeker kennis maken met een hier bijna overal voorkomenden Strandvogel, die men wegens zijn eigenaardige levenswijze niet licht over het hoofd zal zien. De Scholekster, aan den Dollard Slijkaakster, op Texel Lieuw, op Terschelling Bonte Piet, in Friesland Strandkievit, Bonte Lieuw of Oostindische Kievit, in ’t Friesch Stranljiep, in Vlaanderen Zeeekster genoemd (Haematopus ostralegus), valt ook door haar gestalte in ’t oog en heeft behalve de leden van haar geslacht geen verwanten, die veel op haar gelijken. Haar kenmerken een gedrongen lichaamsbouw, een groote kop, die in een dubbel zoo langen, rechten, naar voren zeer sterk samengedrukten, wigvormigen, harden snavel eindigt, middelmatig hooge, krachtige voeten met drie korte en breede teenen, waarvan de buitenste en de middelste door een groot spanvlies vereenigd zijn, middelmatige lange, doch spitse vleugels en een uit 12 pennen samengestelden, tamelijk korten, recht afgesneden staart. Op de bovendeelen, den voorhals en den krop zijn de veeren zwart, een weinig iriseerend, op den onderrug en den staartwortel, onder het oog, op de borst en den buik wit; de hand- en stuurpennen zijn aan den wortel wit, overigens zwart; de grootste vleugeldekveeren vormen over den vleugel een witten band. Het oog is bloedrood, aan den rand oranjekleurig, een naakte ring er omheen menierood. De bek is oranjerood, bij de jongen roodachtig bruin, maar aan de spits geel. De pooten zijn donker vleeschkleurig. Totale lengte 42, staartlengte 11 cM.
Van de Noordkaap of van de Finsche Golf tot aan Kaap Tarifa heeft men de Scholekster aan alle Europeesche kusten waargenomen, veelvuldig vooral op plaatsen waar de kust rotsachtig is. Eveneens ontmoet men haar op de Noordzee-eilanden en aan alle kusten van de Noordpoolzee, opmerkelijkerwijze ook bij de groote stroomen van Noord-Azië, volgens onze waarnemingen o. a. aan den geheelen benedenloop van den Ob. Zuid-Europa bezoekt zij ’s winters, hoewel volstrekt niet in grooten getale; haar wijze van trekken is in vele opzichten eigenaardig. Zoo verlaat zij vóór den winter geregeld het strand van de Oostzee, terwijl zij op IJsland eenvoudig van de noordkust naar de zuidkust trekt. De verklaring hiervoor is niet moeielijk te geven. Daar waar de Golfstroom de kust bespoelt, blijft deze Vogel gedurende het geheele jaar; op plaatsen waar de zee ’s winters dichtvriest, is hij tot trekken gedwongen.
Bij ons komen de Scholeksters in April en vertrekken in September. Zij broeden overal in de duinen, maar ook uren ver van deze, in de weilanden. Na den broedtijd trekken zij naar de kust, waar een groot aantal overwinteren en steeds andere doortrekken, zoodat zij hier voortdurend te vinden zijn en bijna den geheelen winter door in steekgarens gevangen worden. Vooral op de Noordzee-eilanden zijn zij zeer menigvuldig. Hoewel de Scholekster plomp en log van uiterlijk is, kan zij zich toch uitstekend bewegen. Haar gang gelijkt op dien van den Steenlooper; zij loopt bij rukken, gewoonlijk stappend of trippelend, maar kan in geval van nood ook buitengewoon snel rennen; hare breedzoolige voeten stellen haar in staat om zelfs op de weekste slib te loopen. Zij zwemt voortreffelijk, ook wanneer zij er niet toe genoodzaakt is en heeft een zeer krachtige en snelle vlucht; meestal vliegt zij rechtuit, dikwijls echter ook in koene bogen en zwenkingen; meer dan de meeste overige strandvogels drijft zij op hare wieken. Haar stem, een als “hie iep” klinkend gefluit, laat zij bij iedere gelegenheid hooren, soms met een lang gerekt “kwierrr” als inleiding, dikwijls ook kort samengetrokken, zoodat het geluid als “kwiek kwiek kewiek kewiek” klinkt. De lang aanhoudende trillers, die zij in den paartijd voortbrengt, zijn zeer welluidend en vol afwisseling. Vooral door haar levenswijze trekt de Scholekster onze aandacht. Geen andere strandvogel is zoo bedrijvig, onrustig, moedig, plaag- en strijdlustig en toch voortdurend zoo goed geluimd. Als zij zich verzadigd en een weinig gerust heeft, begint zij dadelijk met andere Vogels, althans met hare soortgenooten, te stoeien en hen na te jagen; lang stil zitten, rustig op dezelfde plaats blijven kan zij niet. Op dit gestoei volgt soms een ernstig gemeende twist, daar zij iedere beleediging onmiddellijk tracht te wreken. Overal waar Scholeksters zijn, spelen zij de eerste viool, regelen, plooien als ’t ware, het leven van alle strandbewoners naar hare inzichten.
“Haar voedsel,” schrijft Schlegel, “bestaat uit vischbroedsel, jonge Garnalen en Wormen. Om het te zoeken boort zij, evenals de Snippen, gaten in het zand of keert met haar bek de hoorns, schelpen en andere op het strand liggende voorwerpen om; waarschijnlijk heeft men haar hierom den naam Oestervisscher gegeven.” Dat de Scholekster nooit Oesters vischt, ligt voor de hand. Wel eet zij graag kleine Weekdieren, of vreet een groot Schelpdier leeg, dat dood aan het strand werd gespoeld; zij is echter niet in staat om een levend Schelpdier te openen. Waarschijnlijk zijn Strandpieren een hoofdbestanddeel van haar maal. Dat zij intusschen een klein Schaaldier, een vischje en andere zeedieren niet versmaadt, behoeft niet uitdrukkelijk gezegd te worden en evenmin, dat zij op Insecten jacht maakt in de nabijheid van het vee, dat aan de kust graast.

Scholekster (Haematopus ostralegus). 1/3 v. d. ware grootte.
De Scholeksters, die als standvogels beschouwd kunnen worden, beginnen omstreeks half April, die welke trekken, iets later haar nest te bouwen. Het liefste doen zij dit op met kort gras begroeide vlakten in de nabijheid van de zee; waar deze ontbreken, maken zij gebruik van de wieren, die door hooge vloeden aan het strand worden geworpen. Het nest is een ondiep kuiltje, dat het wijfje in den grond heeft uitgekrabd; het bevat, als het broeden aanvangt, 3 (soms ook maar 2) zeer groote, spitse of zuiver eivormige eieren, welker stevige, glanslooze schaal op licht bruinachtig roestgelen grond een zeer varieerende teekening vertoont, die uit licht paarse of donker grijsbruine en grauwzwarte vlekken en stippels, strepen, krullen enz. bestaat. Het broeden duurt ongeveer 3 weken. De jongen verlaten onmiddellijk het nest en worden geleid door de beide ouders, die in dezen tijd voorzichtiger en stoutmoediger zijn dan ooit te voren.
Het gemakkelijkst kan men de Scholekster verschalken, door haar op te zoeken, terwijl zij haar middagslaapje houdt; dan moet men haar zeer voorzichtig naderen, daar hare scherpe zintuigen zelfs zwakke voetstappen van den mensch hooren of althans opmerken. Dat zij een zeer flink schot kan verdragen, vergroot de moeielijkheid van deze jacht.

Vorkstaartpluvier (Glareola pratincola). 1/2 v. d. ware grootte.
De Zwaluwpluvieren (Glareolidae) vereenigen als ’t ware de kenmerken van verscheidene orden in zich. Haar snavel houdt ongeveer het midden tusschen dien van een Hoen en dien van een Nachtzwaluw. De slanke, boven het springgewricht naakte pooten hebben vier middelmatig lange, smalle teenen met slanke, spitse, bijna rechte nagels; de buitenste en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden. De overeenkomst van hare lange vleugels, welker eerste pen alle overige in lengte overtreft, met die van de Zwaluwen heeft aanleiding gegeven tot den naam van de familie. De tamelijk lange, recht afgesneden of gaffelvormige staart is uit 14 pennen samengesteld. Het vederenkleed is dicht en zacht, zeer overeenstemmend bij alle soorten, bij mannetjes en bij wijfjes, in den herfst en in den zomer; maar biedt tamelijk veel verschil aan bij ouden en bij jongen.
In alle landen, die de Middellandsche en de Zwarte Zee omgeven, voorts in de laagvlakten van den Donau en van den Wolga alsook in de steppen van Rusland en Siberië ontmoet men de Vorkstaartpluvier (Glareola pratincola). Zij is 26 cM. lang, waarvan 10 cM. op den staart komen. De veeren van de bovendeelen zijn olijfbruin, op de schouders en de dekveeren met metaalachtigen weerschijn; de staartwortel, de onderborst en de buik zijn wit; de roodachtig gele keel wordt door een bruine ring omlijst. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, aan den mondhoek koraalrood, de voet zwartbruin.
De Vorkstaartpluvier kan uitmuntend loopen, maar nog beter vliegen. Zij loopt in korte rukken, op soortgelijke wijze als de Pluvier. Haar wijze van vliegen gelijkt op die van de Zeezwaluw en kenmerkt zich door groote snelheid, fraaie zwenkingen, plotselinge wendingen, kortom, zij biedt velerlei afwisseling aan.
Gedurende den broedtijd ziet men deze sierlijke en onschadelijke Vogels paarsgewijs, loopend of vliegend jacht maken op Insecten, Kevers, Motten, Haften, Libellen en Sprinkhanen. Tijdelijk voeden zij zich bijna uitsluitend met Sprinkhanen, die zij zoo wonderbaarlijk snel verteren, dat reeds 10 minuten na het doorslikken van zulk een buit, het als ’t ware uitgeperste, uitwendige skelet met den drek het lichaam verlaat. Alle Insecten, die zij vangen, worden in hun geheel verzwolgen, gelijk ook de Geitenmelker doet. Von der Mühle vond in het spijskanaal van Vorkstaartpluvieren, die hij op de jacht gedood had, zeldzame Kevers geheel onbeschadigd, volkomen geschikt voor een insectenverzameling. Evenals de Nachtzwaluwen, jagen de Vorkstaartpluvieren soms nog laat in den avond; zij zijn over ’t geheel genomen eer schemeringvogels dan dagvogels; dit blijkt uit hun slapen of rusten gedurende de middaguren; in den voortplantingstijd doen zij dit in de nabijheid van haar nest, in den trektijd ziet men ze op een eindelooze reeks, aan den oever van een rivier of van een meer zitten.
Enkele voorwerpen, gewoonlijk jonge, verdwalen in den zomer naar noordelijker streken; ook in Nederland, en wel in Noordbrabant (bij ’t meertje tusschen Vlijmen en Engelen), heeft men er eens (in Juli 1892) één gevangen, in gezelschap van Kieviten, Kemphanen enz. (Albarda).
In Hongarije en Rusland worden de eieren van de Vorkstaartpluvier veelvuldig ingezameld; in Griekenland wordt jacht gemaakt op den volwassen Vogel wegens zijn smakelijk vleesch, dat vooral in den herfst zeer vet is. Voor de kooi wordt hij zelden gevangen.
Eenige afwijkende uitheemsche Vogels, die vroeger nu eens bij de Hoenderachtigen, dan weer tot de Moerasvogels gerekend werden, brengt Fürbringer tot de groep der Meeuwpluviervogels en vormt er drie kleine familiën van. Deze zijn de Kluitsterns (Dromadidae), de IJshoenderen (Chionidae) en de Kwartelsnippen (Thinocoridae).
De familie van de Kluitsterns bevat slechts één geslacht met één soort (Dromas Ardeola). Deze komt in grootte met een Duif overeen, maar heeft pooten, welke door lengte en bevedering en door de aanwezigheid van halve zwemvliezen tusschen de voorteenen aan die van de Kluiten herinneren. Zij heeft een stevigen, lancetvormigen snavel met eironde neusgaten. Door hare kleuren herinnert zij (zelfs in het jeugdkleed) aan de Zeezwaluwen. Zij wordt aan de kust van de Roode Zee en op het vasteland van Indië gevonden, waar zij, volgens Von Heuglin, in de duinen een diep, schuins naar boven gericht hol graaft, dat als broedplaats dient. In het najaar trekt zij langs de oostkust van Afrika zuidwaarts tot Madagaskar.
De familie der IJshoenderen (Chionidae) omvat twee soorten, die rotsachtige eilanden in de koude zeeën van het zuidelijk halfrond bewonen en op de wijze der Scholeksters hun voedsel verkrijgen. Beide zijn wit bevederd. De kleinste bij de zeelieden onder den naam van Zuidpoolduif bekend (Chionis minor), komt op Kerguelen-eiland voor; de andere—de Zuidpoolkip (Chionis alba)—, die de grootte van een Patrijs heeft, wordt gevonden op Statenland (bij Vuurland), de Falklandsarchipel en andere naburige eilanden. Beide zijn gezocht wegens hun smakelijk vleesch. Zij hebben tamelijk spitse vleugels, een korten staart, pooten met onbevederd spronggewricht, een tamelijk korten, dikken loop en vier teenen: de achterteen is klein, de voorteenen zijn door spanvliezen verbonden. Merkwaardig is hun snavel, welke op dien van een Hoen gelijkt, doch aan den wortel, waar de neusgaten voorkomen, overwelfd wordt door een van voren getande, van boven gegroefde hoornplaat.
De familie van de Kwartelsnippen (Thinocoridae) omvat eenige tot de gematigde en koude gewesten van Zuid-Amerika beperkte soorten, welker grootte afwisselt tusschen die van een Duif en die van een Leeuwerik. Zij hebben spitse vleugels, korte, vierteenige pooten met hoog ingeplanten achterteen, een korten, nagenoeg kegelvormigen snavel en gelijken op de IJshoenderen o.a. door het met veertjes begroeide vlies, dat hare neusgaten overdekt. Zij komen niet aan de zeekust, maar in het binnenland voor; sommige (Attagis) zijn kortstaartig, bewonen de bosschen der hooge gebergten en herinneren door haar levenswijze aan de Sneeuwhoenderen; andere (Thinocorus) hebben een langen staart, houden zich in droge, met gras begroeide streken op en gelijken door hare gewoonten op Kwartels en Patrijzen. Zij voeden zich met Insecten en plantaardige stoffen.
Alle zeeën en de meeste binnenwateren der aarde herbergen leden van de familie der Meeuwvogels (Laridae), waarvan ongeveer 150 soorten beschreven zijn. Zij gelijken op elkander door den eerder gedrongen, dan slanken romp, den korten hals en den middelmatig grooten kop; hun snavel is middelmatig lang en zijdelings min of meer samengedrukt, de zijranden en de spits zijn scherp, de beide kaken recht of de bovenste gekromd, de onderste met duidelijken kinhoek; bij uitzondering is de eene langer dan de andere; de neusgaten zijn spleetvormig, de drie voorteenen door zwemvliezen verbonden, de vleugels lang en spits; de staart is middelmatig lang, recht afgesneden of gaffelvormig, bij uitzondering ook wel wigvormig; het vederenkleed is dicht en zacht en vertoont weinig verscheidenheid van kleur. Hoewel de Meeuwen voor ’t meerendeel zeevogels zijn, behooren zij toch volstrekt niet in de open zee, maar integendeel op de kusten thuis, sommigen leven tijdelijk of voortdurend bij binnenwateren; op den trek volgen zij dikwijls de rivieren. Om uit te rusten zetten zij zich gaarne op banken, kusten en oevers, minder dikwijls op het water neer. Zij toonen een sterke neiging tot gezelligheid en broeden meestal in koloniën, die soms uit vele duizenden stuks bestaan; groepsgewijs vermengen zij zich ook gaarne met andere soorten van zwemvogels, zoodat b.v. op een beperkt terrein dicht bij elkander troepen van Zeezwaluwen, Meeuwen, Scholeksters, Bergeenden enz. voorkomen. Een merkwaardig voorbeeld van zulk een broedterrein levert het eilandje Rottum, waarop slechts één menschengezin woont, n. l. dat van den voogd. Door een boogvormige reeks van hooge duinen wordt het eiland aan de westzijde tegen de golven beschut. Op het open strand aan de noordwestzijde staande, ziet men in de verte boven de toppen der duinen als ’t ware sneeuwvlokken dwarrelen, terwijl men hoog boven zich in de blauwe lucht witte gestalten rustig ziet zweven. Nader komend, merkt men op, dat de hoofdmassa van den zwerm uit Zilvermeeuwen en Groote Zeezwaluwen bestaat. Als de wagen, waarmede de voogd ons van ’t strand afgehaald heeft, dicht bij een nestplaats langs rijdt, ziet men alle Vogels, die op deze ongewone wijze gestoord worden, opvliegen, men kan dan zonder overdrijving wegens de Vogels den hemel niet zien. De prachtige Zilvermeeuwen, waarvan ongeveer 5000 paren hier broeden, houden de hoefijzervormige duinenreeks bezet: De Groote Zeezwaluwen, ten getale van minstens 6000 paren, broeden op slechts drie hooge duinen, maar hier zoo dicht bijeen, dat op sommige plaatsen het eene nest het andere raakt en men bijna geen voet verzetten kan, zonder gevaar te loopen eieren of jongen te vertreden. Geen enkel paar van deze soort broedt elders. Het kleinere Vischdiefje daarentegen is meer over de geheele oppervlakte verspreid en is vooral in de nabijheid van het huis buitengewoon talrijk. Men schat het aantal paren van deze soort op minstens 8000. Minder veelvuldig zijn de Bergeenden en de Scholeksters hoewel deze door hun kleur, gene door hun geschreeuw en levenswijze zeer de aandacht trekken; van ieder dezer soorten broeden hier ongeveer 400 paren. Wanneer bij de reeds genoemde Vogels nog gevoegd worden de in geringer aantal hier broedende Wilde Eenden, Tureluurs en Kemphanen, komt men tot een totaal van omstreeks 20000 paren strand- en watervogels, die op dit kleine eilandje broeden. Zoodra de jongen vliegen kunnen, is het gewemel van de Vogels onbeschrijfelijk. Men kan zich hier een goede voorstelling vormen van de wijze, waarop de guano-lagen ontstaan. De uitwerpselen, de schelpen van de doorgeslikte zeedieren, die door de Zilvermeeuwen als ballen weer uitgeworpen worden en zelfs de lijken van tallooze jongen (eens zag ik n.l. door een hevigen en lang aanhoudenden plasregen het geheele broedsel van de Groote Zeezwaluwen vernietigd), alles hoopt zich op zulke gemeenschappelijke nestplaatsen opeen. Hier in het duinzand worden deze meststoffen schielijk door den vocht doorlatenden bodem opgenomen, ginds op rotsen en klippen voegt de eene laag zich bij de andere. Hoewel ook op de andere, naburige Noordzee-eilanden broedplaatsen van de meeste der genoemde Vogelsoorten voorkomen, is toch Rottum als de geboorteplaats te beschouwen vooral van de Zilvermeeuwen en Groote Zeezwaluwen, die buiten den broedtijd de naburige kusten, zoowel van ’t vasteland als van de eilanden, verlevendigen (Altum).
Door een buitengewone bekwaamheid in ’t vliegen en duiken onderscheiden zich de Sterns of Sterntjes (Sterninae). Zij zijn sterk gebouwd en middelmatig groot of klein; de spitse, harde snavel is zoo lang als de kop of nog iets langer en recht of nagenoeg recht; de korte pooten hebben vier teenen, die met tamelijk scherpe, gekromde klauwen gewapend zijn; de achterteen is meestal zeer kort; de zwemvliezen zijn meestal kort en dikwijls diep uitgesneden; de vleugels zijn zeer lang, smal en spits; hun eerste slagpen is langer dan de overige; de staart is middelmatig lang, meer of minder diep gevorkt en uit 12 pennen samengesteld; het vederenkleed is dicht, zacht, glad aanliggend en grootendeels licht loodkleurig grijs, zwart en wit; het verschilt weinig of niet bij ’t mannetje en bij ’t wijfje; duidelijk merkbaar is echter het onderscheid tusschen het herfst- en het lentekleed, niet minder dat tusschen de jongen en de volwassen Vogels.
De Sterns bewonen alle aardgordels, leven in de nabijheid van de zee of van het binnenwater en volgen bij het trekken de kust of den loop der rivieren. Eenige soorten houden van het vlakke, kale zeestrand, andere van water, dat rijk is aan planten; enkele houden zich bij voorkeur op in de kustwouden der tropische gewesten. Alle leden van deze onderfamilie zijn zeer onrustig van aard, houden veel van beweging en zijn van ’t opgaan tot aan ’t ondergaan van de zon bijna voortdurend werkzaam. Den nacht brengen zij aan den oever liggend, den dag bijna uitsluitend vliegend door.
Haar voedsel bestaat uit Visschen en Insecten; de grootste soorten verslinden echter ook kleine Zoogdieren, Vogels, Kruipende Dieren en Amphibiën, de zwakste soorten verschillende Wormen en allerlei kleine zeedieren. Om haar buit te overmeesteren, vliegen zij op geringe hoogte boven den waterspiegel, waarop zij voortdurend hare scherpe blikken gevestigd houden, blijven, als zij een slachtoffer ontdekken, met snelle vleugelbeweging eenige oogenblikken daarboven zweven, om het goed in ’t oog te vatten, storten zich dan schielijk naar beneden en trachten het met den snavel te grijpen.
Reeds eenige weken vóór het eierleggen verzamelen de Zeezwaluwen zich op de broedplaats, ieder jaar zooveel mogelijk op dezelfde. Die welke de zee bewonen, kiezen voor dit doel zandige landtongen, kale eilanden, koraalbanken of mangle- en andere kustwouden; de meer binnenlands levende soorten nestelen op soortgelijke, maar minder kale plaatsen bij of in meren en moerassen. Alle viervoetige roofdieren, die de broedplaatsen der Zeezwaluwen kunnen naderen, azen, evenals de Raven en de groote Meeuwen, op de eieren en jongen, de vlugste Roofvogels ook op de volwassen Sterns. Ook de mensch treedt vijandig tegen haar op door het rooven van hare eieren, die zeer smakelijk zijn. Overigens worden deze Vogels niet vervolgd, omdat men zoomin hun vleesch als hunne veeren gebruiken en hen zelf slechts gedurende korten tijd in de kooi in ’t leven houden kan.
*
Het soortenrijkste geslacht van de onderfamilie is dat der Zeezwaluwen (Sterna). Deze hebben een rechten snavel met zwak gebogen rug en rechte, niet haakvormige spits; het voorhoofd is tot aan de neusgaten bevederd. De zwemvliezen zijn uitgesneden, d.w.z. hun voorrand vormt een binnenwaarts gebogen lijn; de buik is wit.
De grootste van alle soorten is de Reuzenstern (Sterna caspia). Zij onderscheidt zich van hare verwanten door den snavel, die even lang als de kop en betrekkelijk dik is, door de kortheid van den staart en zijne 4 cM. lange gaffelspitsen, waarachter de vleugelspitsen ver uitsteken. De bovenkop is in den zomer zwart, des winters zwart en wit gevlekt, de mantel licht blauwachtig grijs, de zijden van den hals, de onderdeelen en de bovenrug zijn schitterend wit; de toppen van de slagpennen zijn donkerder, de staartpennen lichter van kleur dan de overige veeren van de bovenzijde. Het oog is bruin, de snavel koraalrood, de voet zwart. In het jeugdkleed hebben de veeren van den rug bruine dwarsvlekken. Totale lengte 52, staartlengte 15 cM.
De Reuzenstern behoort in Middel-Azië en in ’t zuiden van Europa thuis; kleine broedkoloniën van deze soort komen echter voor op de Pommersche kust, op het eiland Sylt en op de Fransche kust. In ons land is zij zeldzaam: kleine troepen van 3 à 4 stuks werden herhaaldelijk, zelfs reeds in de tweede helft van Juni, bij Texel, aan den Maasmond en zelfs langs de Zijl bij Leiden aangetroffen.
Gewoonlijk ziet men haar op een hoogte van ongeveer 15 M. boven den waterspiegel vliegen; zij houdt den kop met den van verre zichtbaren, glanzig rooden snavel loodrecht naar onderen gericht, beweegt langzaam de groote vleugels en ploft van tijd tot tijd op het water neer om een prooi te grijpen. Haar voedsel bestaat hoofdzakelijk uit visch; zij kan exemplaren van aanzienlijke grootte vangen en verzwelgen. Van tijd tot tijd vallen haar echter ook strand- en watervogels ten buit, vooral zwemmende exemplaren; het doorslikken van deze prooi kost aan de Reuzenstern even weinig moeite als het verzwelgen van Insecten aan kleinere Sterns. Schilling was de eerste, die haar verdacht, de eieren van de aan ’t strand broedende Vogels op te zoeken, omdat de Meeuwen en de Zeezwaluwen uit de buurt bij haar nadering onder vreeselijk geschreeuw opvlogen, woedend op haar neerschoten en haar trachtten te verdrijven; andere waarnemingen hebben zijn vermoeden bevestigd.
Naumann beschrijft de broedkolonie op Sylt, die zich op het noordelijkste gedeelte van dit eiland bevindt, doch tegenwoordig slechts zeer zwak bevolkt is. De eieren liggen op het kale zand in een kleine uitholling, die door de Vogels zelf wordt uitgekrabd, op een niet grooten afstand van ’t water. Op plaatsen waar vele nesten gevonden worden, zijn zij nauwelijks 60 cM. van elkander verwijderd. Ieder nest bevat 2, zelden 3 eieren, nooit meer. Deze komen in grootte en vorm nagenoeg overeen met die van Tamme Eenden. Zij zijn geel- of bruinachtig wit met grauwe en zwartbruine vlekken en stippen. Men neemt verscheidene malen eieren uit het nest en laat den Vogel eerst 8 à 14 dagen vóór St. Jan broeden. Het broedende wijfje wordt door het mannetje dikwijls met voedsel voorzien; de jongen verlaten het nest korten tijd nadat zij uit den dop zijn gekomen en worden door hunne ouders met vischjes groot gebracht.
Voor de gevangenschap is deze Zeezwaluw niet geschikt, omdat zij begint te kwijnen, zoodra haar de gelegenheid om te vliegen ontnomen is en omdat zij niet graag doode visch eet.
De Groote of Zwartbekkige Zeezwaluw of Kaugek, op Texel Groote Star, in Groningen Groote Ikstern en Kliefstern, op Rottum Krijtstern, op Ameland Klikstans genoemd (Sterna cantiaca), heeft een zeer slanken, merkbaar gebogen snavel, die iets langer is dan de kop, kleine voeten met sterk uitgesneden zwemvliezen, zeer lange vleugels, welker spitsen echter slechts weinig verder reiken dan die van den 5 cM. diep gevorkten, langen staart. De bovenkop en de nek zijn fluweelachtig zwart, alle bovendeelen helder zilvergrijs, de hals en de onderdeelen zijdeachtig wit met een flauw rozerood waas, de vleugelspitsen donker aschgrauw, de laatste armpennen en de stuurpennen grijsachtig wit. In het winterkleed is de kop wit tot aan het achterhoofd, en vertoont dit zwarte vlekken; de onderdeelen zijn dan zuiver wit. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart met gele spits, de voet zwart. Totale lengte 40, staartlengte 17 cM.
De Groote Zeezwaluw, is een echte zeevogel; zij verlaat de kust nagenoeg niet en bezoekt hoogstens bovendien de strandmeren, zeer zelden echter binnenzeeën. Haar verbreidingsgebied strekt zich uit over Middel- en Zuid-Europa, Afrika en Amerika, in zuidelijke richting tot aan de Kaap de Goede Hoop en tot Brazilië. Aan onze Noordzeekusten verschijnt zij op zijn vroegst tegen het einde van April; reeds in Augustus, op zijn laatst in September trekt zij weder zuidwaarts, om in de Middellandsche en Roode Zee, in den Indischen of in het zuidelijke deel van den Atlantischen Oceaan te overwinteren. Zij broedt in talrijke koloniën op eenzame, rustige plaatsen langs onze duinen, b.v. in Zeeland, aan den Hoek van Holland, bij Calantsoog en op de Noordzee-eilanden. Ieder nest bevat 2, hoogstens 3 eieren, die op witten, roestgeelachtigen of groenachtig witten grond met bleekviolette onder-, bruine middel- en donkerbruine bovenvlekken van zeer verschillenden vorm geteekend zijn; het broeden duurt drie weken; de jongen verlaten schielijk het nest.

Reuzenstern (Sterna carpia). 1/4 v. d. ware grootte.
Naumann verhaalt, dat het eiland Norderoog, waar hij het broeden der Groote Zeezwaluwen heeft nagegaan, op eenigen afstand beschouwd, er uitzag, alsof het met sneeuw bedekt was, wegens het groot aantal Vogels op het strand, en als een lange, witte streep scherp afstak bij de donkere golven der zee. Door een man, die zich met eierenzoeken bezig hield, opgeschrikt, vloog de geheele, ontelbare zwerm plotseling op en vormde een onafzienbare wolk, welker bestanddeelen zich vlug heen en weer bewogen en op vreemdsoortige wijze door elkander heen wriemelden. Als men zich op de broedplaatsen begeeft, vliegen de Vogels laag bij den grond langs om de rustverstoorders heen; tallooze exemplaren verduisteren de lucht, men geraakt verbijsterd door hunne doordringende, krijschende stemmen. Terwijl men langzaam en voorzichtig met ter aarde gerichte blikken tusschen de dicht bij elkander gelegen nesten doorgaat, en zich moeite geeft om op geen der eieren te trappen, worden de Vogels zoo driest en fladderen zoo dicht bij den onderzoeker langs, dat zijn hoed of hoofd niet zelden met hunne vleugels in aanraking komt. Intusschen vallen hunne uitwerpselen zoo dicht bij hem neer, dat zijne kleeren er later uitzien, alsof zij met kalk bespat werden. De Vogels vliegen zoo dicht naast en boven elkander, dat de vleugels van den eenen met hoorbaar geklepper tegen die van de andere stuiten.
Meer dan de andere inheemsche Zeezwaluwen gelijkt deze door aard en levenswijze op de Reuzenstern, met dit onderscheid, dat zij alleen op Visschen en niet op Vogels jacht maakt en ook hunne nesten niet uitplundert.
Het Vischdiefje, ook wel Splitstaart en Starre, op Texel Middelstar, in Groningen Ikstern en Sterentje, in Friesland Stins, op Ameland Stans, op Terschelling Kobus en Jacobus, bij Oirschot Groote Venkraai genoemd (Sterna hirundo), heeft een dunnen, eenigszins gekromden, in dwarse richting tamelijk afgeronden snavel, die niet langer is dan de kop, zeer korte pooten met korte teenen en een 8 cM. diep gevorkten staart, waarachter de vleugelspitsen uitsteken. De bovenkop en de nek zijn zwart, de mantel en de schouders blauwachtig aschgrauw, de zijden van den kop, de hals, de staartwortel en alle onderdeelen wit, de slag- en stuurpennen op de buitenvlag blauwgrijs, op de binnenvlag wit. De oogen zijn donkerbruin, de pooten en de snavel koraalrood, de rug en de spits van den snavel zwartachtig of bruin. Totale lengte 40, staartlengte 17 cM.
Het vaderland van het Vischdiefje omvat Europa tot aan den poolcirkel met een groot deel van Azië en van Noord-Amerika; zijne reizen strekken zich tot in Zuid-Afrika uit; meer dan andere soorten bewoont deze rivieren en zoetwatermeren. In ons land komt het Vischdiefje gemiddeld 20 April en vertrekt in September; het broedt koloniesgewijs in duinen, lage moerassen, hooilanden en op de weilanden; men ziet het overal langs de binnenwateren vliegen, zelfs boven de grachten der steden.
In aard en levenswijze komt het Vischdiefje overigens met de andere Zeezwaluwen overeen. Haar gewone geluid is het bekende “krieè”; een zacht “kek” of “krek” geeft angst te kennen; deze klank wordt dikwijls herhaald bij toenemend, en in “kreiïk” veranderd, bij afnemend gevaar. Bij toorn roept het zoo dikwijls en haastig “krek”, dat men de afzonderlijke geluiden bijna niet meer onderscheiden kan. Als het bij zijn nest verrast wordt, klinkt zijn geschreeuw als “snirrit snirrit”.
Het wijfje legt in het begin van Juni in een eenvoudige uitholling van den grond 2 of 3 vuil rosachtig witte eieren, die met paarsachtig grijze en rood- of zwartbruine vlekken en stippen geteekend zijn. Des nachts worden zij door het wijfje, over dag tijdelijk ook door het mannetje bebroed, in de middaguren echter aan de zonnestralen blootgesteld. De jongen komen binnen 16 of 17 dagen uit den dop, loopen spoedig uit het nest weg en verbergen zich bij gevaar tusschen de grootste steenen van den grindgrond of andere oneffenheden; alleen als de moeder door een schot gedood werd, verraden zij hun aanwezigheid door een klagend gepiep; na twee weken kunnen zij reeds fladderen en in de derde week hunne ouders vliegend volgen; eerst later echter doen zij dit met de behendigheid van de volwassene Vogels.
Enkele malen worden aan onze kust exemplaren gevangen van twee soorten, die nauw aan het Vischdiefje verwant zijn: De Kustzeezwaluw (Sterna paradisea Brünnich) komt in grootte nagenoeg geheel met de algemeen bekende soort overeen, maar heeft een korteren loop (1.5 cM. in plaats van 2 cM.), roode pooten en een geheel rooden bek. Zij broedt aan de kusten van de Oostzee en op de Noordzee-eilanden, westwaarts tot Borkum en bezoekt nimmer de binnenwateren; op hare jaarlijksche reizen naar de Middellandsche zee en de westkust van Afrika, trekt zij langs onze kusten, waarop zij bij hevigen noordwestenwind soms aanlandt.
Dougall’s Zeezwaluw (Sterna Dougalli), heeft een langeren, dieper gevorkten staart. (Totale lengte 45, staartlengte 23 cM.). Zij heeft gele of roodgele pooten; haar bek is zwart met een weinig kersrood aan den wortel. Zij broedt aan de oostkust van Engeland, in Norfolk en op de Farne-eilanden in Northumberland. Eénmaal (in October) zijn eenige exemplaren van deze soort bij ruw weder aan de Friesche kust in staltnetten gevangen (Albarda).
Bij de Dwergzeezwaluw, op Texel Kleinstartje, Blauwwaterstartje of Stare-Klikkie genoemd (Sterna minuta), zijn het voorhoofd tot aan de oogen, de onderdeelen en de stuurpennen wit, de bovenkop en de nek zwart, de mantel- en vleugelveeren aschgrauw. Het oog is bruin, de snavel oranje met zwarte spits, de poot oranje. De vleugelspitsen steken voorbij den staart uit en deze is 3 cM. diep gevorkt. Zij is de kleinste soort van de geheele familie. Totale lengte 22, staartlengte 8 cM.
Haar verbreidingskring strekt zich uit over vier werelddeelen: Azië, Europa, Afrika en Amerika; noordwaarts tot ongeveer 58, zuidwaarts tot ongeveer 24 N.B. Zij nestelt in Nederland aan den Hoek van Holland, bij Calantsoog, op Texel, Ameland en andere eilanden, op groote, buiten de duinen gelegen, droge zandbanken. Als zij in dezen tijd gestoord wordt, klinkt haar geschreeuw als “retsj”; hare gewone geluiden komen veel met die van het Vischdiefje overeen. In Augustus en September, na den broedtijd, zwerft zij rond en bezoekt dan de binnenwateren, vooral groote rivieren, zonder echter de zeekust geheel te vermijden. Haar vertrek en haar aankomst hebben ongeveer ter zelfder tijd plaats als die van het Vischdiefje.
*
De Lachzeezwaluw (Gelochelidon anglica, Sterna nilotica), die een gelijknamig geslacht vertegenwoordigt, vormt in sommige opzichten een overgang van de Sterns tot de Meeuwen. Haar snavel is merkbaar gebogen, even lang als de loop, korter dan de kop; de kleine, met sterk uitgesneden zwemvliezen voorziene poot is slank en hoog, de staart kort en betrekkelijk ondiep gevorkt. De bovenkop en de nek zijn donker glanzig zwart, de mantel en de vleugeldekveeren licht aschgrauw, de zijden van den hals en alle onderdeelen wit; de handpennen hebben witte schaften, zijn op de buitenvlag licht, op de binnenvlag donker aschgrauw, met breede witte randen; de armpennen, die van de eerste tot de laatste lichter van kleur worden, zijn blauwachtig witgrijs, aan de spits wit gezoomd; de staartveeren hebben dezelfde kleur; de buitenste is op de buitenvlag bijna zuiver wit. Het oog is bruin, de snavel en de pooten zijn zwart. In het winterkleed hebben kop en nek een grijswitte kleur. Totale lengte 40, staartlengte 13 cM.
De Lachzeezwaluw, hoewel alle werelddeelen bewonend, ontbreekt in ’t noorden geheel; hare broedplaatsen zijn uitsluitend in het midden en het zuiden van de beide noordelijke faunistische Rijken gelegen; in geringer aantal komt zij voor op kleine eilanden van de Oostzee en sommige meren van Duitschland en Oostenrijk-Hongarije, veelvuldig echter in Zuid-Europa, Middel-Azië, Noord-Afrika, het zuiden van de Vereenigde Staten en Middel-Amerika. De reizen, die zij ieder jaar onderneemt, voeren haar naar het binnenland van Afrika, Zuid-Azië, Australië en de zuidspits van Amerika. Meer dan eenige andere Zeezwaluw is zij een landvogel, die ook wel van groote stroomen en zeekusten als heerwegen gebruik maakt, maar toch zeer dikwijls het water verlaat en ver in het binnenland rondzwerft. Op den trek bezoekt zij de steppen en zelfs de woestijnen, evenals bij ons de velden en weiden. Tweemaal (Aug. 1838 en Mei 1896) werd in Nederland een exemplaar van deze soort gevangen (bij het Brazemermeer in Zuid Holland en te Kloosterburen in Groningen). In vele opzichten herinnert haar levenswijze aan die der Meeuwen en meer bepaaldelijk van de Kapmeeuw. Evenals deze kiest zij tot broedplaats en winterverblijf de oevers van meren, moerassen en dergelijke binnenwateren en gaat van hier op roof uit. Terwijl zij afwisselend boven het water en boven het land zweeft, worden de hals en de kop recht naar voren gestrekt en is de snavel dus niet naar beneden gericht. Hoewel zij nu en dan een vischje buit maakt, zijn toch Insecten, vooral Sprinkhanen, Libellen, Vlinders, groote Kevers, de zittende zoowel als de vliegende, het hoofddoel van haar jacht; zij volgt den ploegenden landman om engerlingen uit de voren op te pikken; verschijnt met Valken, Wouwen, Berghanen (Helotarsus ecaudatus), Bijenvreters, Vorkstaartpluvieren en Ooievaars vóór de vuurlijn van den steppenbrand en stort zich hier, gelijk Heuglin heeft opgemerkt, even behendig als vermetel door de dichtste rookwolken heen op haar prooi; ook bezoekt zij de broedplaatsen der Strandvogels, zelfs die van hare verwanten, en ontrooft hun, gelijk Schilling heeft aangetoond, de eieren en de jongen. Dergelijke handelingen zou men eerder van Meeuwen dan van Zeezwaluwen verwachten. Zelfs haar stem, een lachend geschreeuw, dat als “hè, hè, hè” of “ef, ef, ef” klinkt, herinnert aan die der Meeuwen.
*
De Moeraszeezwaluwen (Hydrochelidon) zijn forsch gebouwd, maar fraai van gestalte; zij hebben een zwakken snavel; lange teenen, welker zwemvliezen diep uitgesneden zijn, zeer lange vleugels, een betrekkelijk korten, ondiep gevorkten staart en een dicht, zacht vederenkleed, dat al naar het jaargetijde en den leeftijd niet onbelangrijk verschilt, maar waarin gedurende den broedtijd donker fluweelachtig zwart de overhand heeft.
De Zwarte Zeezwaluw of Rietzwaluw, in Groningen Zwarte Ikstern, Bruinsteren en Zwartsteren, op Texel Zwarte star of Blauwstar, in Friesland Blauwe Stins of Schierstins, in Zuid-Holland Zwarte Vischdief, bij Oirschot Venkraai geheeten (Hydrochelidon nigra), heeft den kop en den nek, de borst en het midden van den buik fluweelachtig zwart, den mantel blauwgrijs. Het oog is bruin, de snavel aan den wortel rood, overigens grauwzwart, de voet bruinrood. In het winterkleed zijn alleen de achterkop en de nek zwart, het voorhoofd en de overige onderdeelen echter wit; in het jeugdkleed hebben de veeren van den mantel en de vleugeldekveeren roestgele zoomen. Totale lengte 26, staartlengte 8 cM.
De Witvleugelige Moeraszeezwaluw (Hydrochelidon leucoptera) is bijna even groot. De veeren van den romp zijn donker fluweelachtig zwart, de vleugels van boven blauwgrijs (de schouder en de toppen der armpennen echter grijswit), van onderen wit, de staartwortel en de stuurpennen wit. De snavel is kersrood, aan de spits zwart, de voet rood. Totale lengte 27, staartlengte 8 cM.
De Witbaard-moeraszeezwaluw (Hydrochelidon hybrida) is de grootste soort van haar geslacht (totale lengte 28, staartlengte 8 cM.). De donkerzwarte bovenkop en nek zijn door een breede, witachtige teugelstreep gescheiden van den donkergrijsblauwen onderhals; de borst is zwart, de mantel lichtgrijs, de buik grijswit.
Het broedgebied van al deze soorten is gelegen in de gematigde gewesten van de beide noordelijke faunistische Rijken. De eerstgenoemde broedt ook in ons land, terwijl de beide overige hier niet en in Duitschland zelden voorkomen. De Rietzwaluw komt met de Zeezwaluwen bij ons aan en trekt ongeveer terzelfder tijd naar ’t zuiden; zij vestigt zich echter niet aan de zeekust of aan rivieren en stroomen, maar in uitgestrekte broeklanden en moerassen, dus uitsluitend bij stilstaand water. Gedurende de reis vormt zij vluchten van 20 à 1000 stuks, die de stroomen volgen; in hun nabijheid houdt zij zich geruimen tijd op bij plaatsen, waar het water buiten de oevers getreden is en het omliggende land in een moeras veranderd heeft; voor ’t overige vermijdt zij de zee en de rivieren.
Van de andere Sterns onderscheiden de Moeraszeezwaluwen zich niet alleen door haar woonplaats, maar ook door de wijze waarop zij zich bewegen, voeden en voortplanten. Zij loopen even zelden en even slecht als de overige, zwemmen zelden en niet beter dan zij, vliegen minder onstuimig en niet zoo zwaaiend, maar zachter en losser, daarom bevalliger en met meer afwisseling, zoodat zij een aangenaam schouwspel opleveren. Hevige wind of storm maken haar het vliegen bijna onmogelijk, omdat hare vleugels nog meer dan die van hare verwanten buiten alle verhouding tot het kleine lichaam en de zwakke krachten schijnen te staan. Hun voedsel bestaat uit allerlei water-insecten en Spinnen.
De Moeraszeezwaluwen nestelen te midden van het moeras; doch doen dit steeds op een geheel andere wijze dan de overige Sternvogels. Zij bouwen haar nest op zeer kunstlooze wijze van bladen, halmen, pluimen, worteltjes enz. tusschen waterplanten, zoodat het veelal direct op het water rust. In Juni legt de inheemsche soort hare drie eieren; deze zijn op geel of groenachtig olijfkleurigen grond, bruingrijs, rood en zwartbruin gevlekt.
In Italië wordt ook op deze Vogels jacht gemaakt.
*
Van de uitheemsche Sterns, die zich door haar levenswijze onderscheiden, verdient de Feeënzeezwaluw (Gygis alba) vermelding, de eenige vertegenwoordiger van haar geslacht. Zij is slank gebouwd, haar zilverwit kleed is als zijde zoo zacht, hare oogen zijn zwart, de pooten saffraangeel; de snavel is aan den wortel donkerblauw, aan de spits zwart. Totale lengte ongeveer 30, staartlengte 9 cM.
Deze door schoonheid uitmuntende Vogel bewoont de tusschen de tropen gelegen eilanden van Polynesië en van den Indischen Oceaan, maar dwaalt soms af naar den Atlantischen Oceaan; ook hier echter overschrijdt hij in den regel de keerkringen niet. Op de kusten van alle eilanden binnen den genoemden aardgordel komt hij in grooten getale voor. Aan de zuiver witte kleur van zijn kleed en aan zijn bevallige wijze van vliegen dankt hij zijn naam. Ook zijn levenswijze is merkwaardig. Tot rustplaats kiest hij bij voorkeur dichte, schaduwrijke wouden, waar hij zich op boomen neerzet. Prachtig steekt zijn wit gevederte af bij het donkergroene loover, wanneer hij behendig tusschen de boomen rondvliegt, o.a. bij het vervolgen van een indringer in zijn heiligdom. Het wijfje legt slechts één ei op een horizontalen tak en wel op een plaats, die juist vlak genoeg is om te voorkomen, dat de storm het legsel naar beneden werpt. Het jong blijft op deze gevaarlijke plaats, totdat het heeft leeren fladderen, voor zoover het ontkomt aan het niet zelden dreigend gevaar van, naar beneden tuimelend, den dood te vinden. De jongen worden grootgebracht met vischjes, misschien ook wel met Insecten en Spinnen, die in de boomkroon gezocht zijn.
In soortgelijke betrekking als de Uilen tot de Scharrelaars, staan de Schaarbekken (Rhynchopsinae) tot de Sterns: zij zijn nachtvogels. Hun snavel, welks onderkaak ver voorbij de bovenkaak uitsteekt, is reeds bij den wortel zoo buitengewoon smal, dat de beide kaken met de beide bladen van een schaar vergeleken kunnen worden. De betrekkelijk lange, vettige veeren liggen dicht tegen het lichaam aan.
Aan den middelloop en den bovenloop van den Nijl ontmoet men een soort, die wij kortweg Schaarbek zullen noemen (Rhynchops flavirostris). Bij dezen zijn het voorhoofd, het aangezicht, de staart en de onderdeelen benevens de spitsen van de groote vleugeldekveeren wit, de bovenkop, de achterhals, de nek en de mantel zwartbruin. Het oog is donkerbruin, de snavel geel, de voet koraalrood. Totale lengte 45, staartlengte 7 cM.
[Een andere soort (met gelen bek en witten halsband: Rhynchops albicollis) bewoont Indië, de derde (met rooden, aan de spits zwarten snavel: Rhynchops nigra) Amerika.]
De Schaarbek vliegt over dag even goed als ’s nachts, maar doet dit alleen, wanneer hij opgeschrikt wordt. Gewoonlijk ligt hij bewegingloos op een zandbank; meestal plat op den buik, zeldzamer op de kleine, zwakke pootjes rustend. Tegen zonsondergang, bij donker weer ook reeds in de late namiddaguren, wordt hij wakker, beweegt zich en rekt zich uit, heft de vleugels op en begint heen en weer te trippelen en te schreeuwen; als de nacht is aangevangen, vliegt hij uit om voedsel te zoeken. Pechuel-Loesche zag hem trouwens in Neder-Guinea hiermede ook over dag bezig. Met langzame vleugelslagen glijdt hij, zonder gedruisch te maken, op korten afstand boven den waterspiegel, van tijd tot tijd den ondersnavel verscheidene minuten achtereen in ’t water houdend en dit op deze wijze doorploegend; intusschen vangt hij de Insecten, die aan de oppervlakte zwemmen; deze maken, althans in de Nijllanden, zijn voornaamste voedsel uit.
De Meeuwen (Larinae) zijn goed gebouwde krachtige Vogels van zeer verschillende grootte, daar de kleinste soort nauwelijks een Kauw in omvang overtreft, terwijl de grootste in dit opzicht een Arend evenaart. Haar romp is forsch ontwikkeld, de snavel middelmatig lang, zijdelings sterk samengedrukt, tot aan het midden van den rug recht, van hier af flauw haakvormig naar beneden gebogen; de middelmatig hooge voet heeft een slanken loop en zwemvliezen tusschen de voorteenen; de vleugel is groot, lang en breed, hoewel smal toegespitst; de middelmatig lange, breede staart bestaat uit 12 pennen en is aan den top recht, zeldzamer ondiep uitgesneden; het zeer dichte, maar zachte vederenkleed heeft op de onderdeelen het voorkomen van een vacht; het vertoont teere en bevallige, over ’t algemeen overeenstemmende kleuren, die in den zomer en in den winter, bij jongen en bij volwassenen meestal verschillen.
Men onderscheidt ongeveer 85 soorten van Meeuwen, die over alle deelen der aarde verbreid zijn, en alle zeeën verlevendigen. Weinige soorten verwijderen zich ver van het land; zij die het doen, keeren altijd spoedig weer terug; eigenlijk moet men ze dus als kustvogels aanmerken. Voor den schipper zijn zij de betrouwbaarste voorboden van het land: als zij om een vaartuig heenvliegen, is het land niet meer veraf. Liever dan naar de open zee vliegen zij tot diep in het binnenland, waarbij zij den loop van groote stroomen volgen, of zich van het eene water naar het andere begeven. Enkele soorten geven trouwens de voorkeur aan binnenwateren en kiezen deze tot verblijfplaats, althans gedurende den voortplantingstijd. Vele soorten behooren tot de trekvogels, verschijnen in hun noordelijk gelegen vaderland, als de lente gekomen is, broeden en begeven zich in ’t najaar weer op de terugreis, andere zwerven meer of minder geregeld rond. Deze veranderingen van verblijfplaats hangen ten nauwste samen met de voeding. Voor alle Meeuwen zijn Visschen een zeer gewild voedsel; vele van hen behooren echter tot de ijverigste insectenjagers; juist deze zijn gedwongen om geregeld te trekken, terwijl de overige op plaatsen, waar de zee niet met ijs bedekt wordt, ook ’s winters nog een welvoorzienen disch vinden. Behalve op deze beide voornaamste voedingsmiddelen maken zij jacht op alle kleine dieren, die de zee bewonen en zoeken allerlei andere dierlijke stoffen op. Zij eten aas als de Gieren, vervolgen een levenden buit als de Roofvogels en zoeken het op ’t strand liggende voedsel bijeen als de Duiven of de Hoenderen, kortom zij zijn even veelzijdig als de Raven, maar gretiger en vraatzuchtiger dan deze; ook zij worden, naar ’t schijnt, door een voortdurenden honger gekweld en zijn letterlijk niet te verzadigen.
Bevallig zijn haar gestalte en haar kleur, lieftallig hare bewegingen, ook de werkzaamheid der Meeuwen is aantrekkelijk. Haar houding op den vasten grond noemen wij edel, omdat zij een zekere fierheid verraadt; zij gaan goed en betrekkelijk snel. Haar bekwaamheid in ’t zwemmen overtreft die van de meeste overige leden harer orde: licht als ballen schuim rusten zij op de golven, met welker sombere tinten hare heldere kleuren zulk een levendige tegenstelling vormen, dat de indruk, dien het zeegezicht wekt, er niet weinig door verhoogd wordt. Zij vliegen met langzame vleugelslagen, maar wisselen deze beweging dikwijls af met een langdurig drijven op hare wieken; zij doen dit zonder merkbare inspanning, als ’t ware spelenderwijs, en herinneren dan door lichtheid en schoonheid van houding aan de breedvleugelige Valken. Minder goed dan de Zeezwaluwen verstaan zij de kunst om, boven het water zwevend, den gewenschten buit op te sporen en, uit de lucht er op neerschietend, hem te vangen. Wanluidend is haar stem, welker krijschende en krassende tonen in verschillende toestanden met meer of minder kracht uitgestooten en bij hevige gemoedsbewegingen eindeloos vaak herhaald worden. Onder hare zintuigen zijn die van het gezicht en van het gehoor het hoogst ontwikkeld.
Alle Meeuwen zijn schrandere, verstandige Vogels, die de omstandigheden goed weten te beoordeelen en hare handelingen hiervan laten afhangen; alle zijn moedig bij ontmoetingen met andere dieren; zij toonen zelfvertrouwen, eenige neiging tot heerschen, en een trouwe liefde voor gade en kroost; zij zijn op het gezelschap hunner soortgenooten gesteld, maar nijdig, afgunstig en wantrouwig jegens andere Vogels; zonder aarzeling wordt de schijnbaar aanwezige vriendschap verbroken, wanneer deze in strijd geraakt met de vraatzucht. Den mensch wantrouwen zij allerwege en in alle omstandigheden; toch verschijnen zij telkens weer in zijn nabijheid, bezoeken iedere haven, ieder dorp aan de kust, vliegen om ieder schip, dat in zee gaat of het land nadert, en wagen zich zoo ver, als in ’t gegeven geval raadzaam schijnt, omdat zij door ervaring geleerd hebben, dat het afval uit de huishouding van den mensch voor hen nog veel bruikbaars bevat. Na veelvuldig herhaalde bezoeken aan bewoonde oorden leeren zij niet slechts deze, maar ook enkele daar levende personen onderscheiden. Zij toonen daarom op plaatsen, waar zij dikwijls en ongestoord iets buit hebben gemaakt, een zeer groote gemeenzaamheid of liever driestheid; daarentegen worden die, waar zij een onaangename bejegening ondervonden, vermeden of met groote omzichtigheid bezocht. Een Meeuw, die op een of andere wijze benadeeld werd, is gewoon van zijn ervaring mededeeling te doen aan al zijne metgezellen. Over ’t algemeen heerscht onder hen de beste verstandhouding, wanneer het er op aankomt zich te verzetten tegen een gevaar, dat allen bedreigt: Roofvogels, Roofmeeuwen en Raven of Kraaien worden door alle Meeuwen uit de buurt te gelijker tijd aangevallen en gewoonlijk op de vlucht geslagen.
Buiten den broedtijd kan het voorkomen, dat men oude Meeuwen alleen ziet, gedurende den broedtijd echter vereenigen de leden van iedere soort zich tot troepen, die niet zelden tot ontelbare zwermen aangroeien. Reeds in Nederland en Noord-Duitschland vindt men “meeuwenbergen”, die door verscheidene honderden paren bewoond worden; in noordelijker gewesten komen koloniën voor, waarvan het aantal bewoners zelfs niet bij benadering te bepalen is. Ook hier blijven de leden van groote soorten minder nauw aaneengesloten dan de kleinere vertegenwoordigers van de familie; deze echter bedekken in den letterlijken zin van ’t woord geheele rotswanden of bergen, maken gebruik van iedere hier aanwezige ruimte en plaatsen het eene nest dicht bij het andere, zoodat de broedende ouders dicht opeengedrongen zitten. De voorbereidende werkzaamheden verschillen in verband met de plaatselijke gesteldheid; daar, waar geen gebrek is aan bouwstoffen, wordt aan het nest eenige moeite besteed; het is dan van water- en strandplanten los en kunsteloos samengevoegd; daar, waar zulke stoffen ontbreken, is de inrichting zoo eenvoudig mogelijk. Het nest bevat, als ’t broeden begint, 2 à 4 groote eieren van gewonen vorm; hun dikke, grofkorrelige schaal is op vuil-groenachtigen, bruingroenachtigen of groenachtig bruinen grond aschgrauw en zwartbruin gevlekt. Het mannetje en het wijfje broeden beurtelings gedurende 3 of 4 weken, bij slecht weer ijveriger dan bij zonneschijn. Beide ouders toonen een buitengewone gehechtheid aan hun kroost; zoodra het gevaar loopt, vergeten zij de zorg voor eigen veiligheid. De jongen komen in een dicht, gevlekt, donzig kleed uit de eischaal; op plaatsen, waar zulks mogelijk is, verlaten zij reeds in de eerste levensdagen het nest en houden zich verder op het strand op, waar zij zich ingeval van nood tusschen de oneffenheden van den bodem verbergen, of in het water hun toevlucht zoeken; zij, die op uitstekende punten van steile rotsen het eerste levenslicht aanschouwden, moeten echter hier blijven, totdat hunne slagpennen zich ontwikkeld hebben. Aanvankelijk krijgen de jongen half verteerd voedsel, dat de ouders voor hen uitbraken; later worden zij met versch gevangene of opgegaarde dierlijke stoffen gevoed. Na het uitvliegen blijven zij nog eenigen tijd bij hunne ouders, verlaten de broedplaatsen en verstrooien zich in alle richtingen.
In het hooge noorden rekent men de Meeuwen niet slechts tot de schoonste, maar ook tot de nuttigste Vogels der aarde. Voor eenige grondeigenaars van Noorwegen bestaat een belangrijk deel van de opbrengst hunner bezitting uit meeuweneieren; deze worden overal heen verzonden en betrekkelijk duur betaald. Meeuwenveeren vervangen bij de arme Nordlanders het eiderdons en de ganzeveeren, die door de rijkere bewoners als vulsel van bedden worden gebruikt. Van het vleesch der oude Meeuwen maken slechts eenige van de noordelijkste volken gebruik. Jonge Meeuwen echter worden op Helgoland, IJsland enz. gaarne gegeten en leveren na een behoorlijke toebereiding ook werkelijk een smakelijk gerecht; overal echter wordt meer prijs gesteld op de eieren en de veeren dan op het vleesch dezer Vogels. In eenige streken worden ieder jaar groote meeuwenjachten gehouden, meer uit moordlust, dan om het voordeel, dat deze dieren kunnen opleveren; in de noordelijkere gewesten vervolgt men ze evenwel niet. Een omhoog geworpen witte zakdoek is voldoende om een Meeuw aan te lokken. Als men er eerst één heeft gedood, komen spoedig vele andere aanvliegen, daar iedere Meeuw, die een wit voorwerp boven uit de lucht naar beneden in ’t water ziet storten, meent, dat op deze plek een goede vangst te maken is; zij begeeft zich uit jaloezie naar hier om er een deel van te verkrijgen. De vangst heeft op verschillende wijzen plaats: men zet strikken op de zandbanken, voorziet netten met Visschen als lokaas, werpt hoeklijnen uit, waaraan een stuk spijs bevestigd is en bereikt op deze of op gene wijze het beoogde doel. De levend gevangen Vogels kan men gemakkelijk in ’t leven houden; zij zijn echter dure kostgangers, daar men hen met Visschen of vleesch moet voeden om hunne behoeften te bevredigen. Indien dit geschiedt, schikken zij zich spoedig in hun lot, geraken gewoon aan de kooi en aan hun verzorger, weten hem zeer goed te onderscheiden van andere menschen, begroeten hem met vroolijk geschreeuw, zoodra hij zich vertoont, antwoorden, wanneer hij hen roept, kortom, worden bijna even tam als een Raaf; ook planten zij zich in de gevangenschap voort, wanneer men hun een groote kooi tot woonplaats geeft.
Het soortenrijkste geslacht van de geheele onderfamilie is dat der Meeuwen i.e.z. (Larus). Deze hebben een forschen snavel zonder washuid en met haakvormige spits, langwerpige, spleetvormige neusgaten in ’t midden van den bovensnavel; de eerste handpen is de langste, de staart recht afgesneden, de loop bijna zoo lang als de middelste teen; de achterteen is aanwezig.—Verreweg de meeste en tevens de grootste en krachtigst ontwikkelde van de 60 leden van dit geslacht behooren tot de groep der Zeemeeuwen. Bij deze is het verschil tusschen het zomerkleed en het winterkleed gering; hun kop is zoowel ’s zomers als ’s winters wit. De jongen zijn meestal bruinachtig van kleur, de ouden wit met grijze of blauwachtig zwarte vleugels en rug. Zij houden zich meer uitsluitend aan de zeekust op en verrichten hier met de Stormvogels en de Albatrossen hetzelfde werk als de Gieren op het land: zij verslinden n.l. allerlei dierlijke overblijfselen.
Een der grootste soorten is de Burgemeester (Larus glaucus), die in ’t hooge noorden broedt, doch in December en Januari niet zeldzaam is aan onze kust (voor ’t meerendeel zijn dit Vogels in ’t eerste levensjaar). De mantel en de rug zijn teer blauwgrijs, de groote slagpennen licht blauwachtig grijs, alle overige deelen wit. De vleugels reiken bijna niet voorbij den staart. Het oog is stroogeel, de snavel citroengeel, de hoek van de onderkaak met een roode, overlangsche vlek versierd, de voet lichtgeel. Totale lengte 75, staartlengte 22 cM. Het winterkleed is aan den hals flauw bruinachtig gevlekt.
De Kleine Burgemeester (Larus leucopterus), die ’s winters zeer zelden op onze kust voorkomt, verschilt van de vorige soort door geringere grootte en langere vleugels (5 cM. voorbij den staart uitstekend), voorts door de zuiver witte handpennen en de roodachtige voeten. Totale lengte 65, staartlengte 19 cM.
Van de beide vorige soorten verschilt de Zilvermeeuw, in Groningen ook Kaap en Kobbe genoemd (Larus argentatus), door den iets donkerder gekleurden, blauwachtig grijzen mantel; dezelfde kleur hebben de vleugels. De schouderveeren en groote bovenvleugeldekveeren zijn echter aan ’t einde wit gezoomd, de beide eerste handpennen nagenoeg geheel zwart en op de witte spits met een zwarten band geteekend, de volgende grootendeels en in toenemende mate grijs, doch vóór de witte spits zwart. De snavel is geel, de voet geelachtig vleeschkleurig. Totale lengte 65, staartlengte 18 cM. In den winter zijn de kop en de hals grijsbruin gevlekt.
Het broedgebied van deze soort omvat bezuiden den evenaar de Poolzee en in ’t noorder halfrond deelen van de Oude en van de Nieuwe Wereld, het reikt in Amerika van Labrador tot Cuba, in Europa van 71° N. B. tot de Middellandsche Zee; talrijk broedt zij in Europa aan de kusten van de Noordzee. Aan onze kust gedurende het geheele jaar zeer gemeen, nestelt zij in de duinen, vooral van de Noordzee-eilanden en wel het meest op Rottum; een dergelijke broedkolonie komt voor op het eiland Sylt. Op haar winterreis bezoekt zij alle Europeesche kusten, ook die van de Middellandsche en Zwarte Zee en dringt dikwijls ver in ’t binnenland door. In Noord-Amerika nestelen soms geheele koloniën op boomen, soms wel 12 M. boven den grond. Hare eieren zijn olijfgroen, met grijze en bruine vlekken.
De Kleine Zeemeeuw, Stormmeeuw, Wintermeeuw of Zeekob (Larus canus) broedt in ’t Noorden van de Oude Wereld en is van October tot April zeer talrijk op onze kust. Zij begeeft zich dan ook langs de binnenwateren, zelfs ziet men haar langs de grachten der groote steden vliegen. Bij stormachtig weer komt zij in groote vluchten diep landwaarts, waar zij soms op boomen zittend wordt aangetroffen. Zij volgt ook gaarne den ploeg, en verslindt zeer vele, zoowel levende als doode Muizen in de weilanden. Te Amsterdam overwintert zij gewoonlijk in grooten getale. Ook in het zomerhalfjaar is zij hier vrij gemeen, zonder er echter te broeden. Vroeger broedde een kleine kolonie op Texel, doch thans niet meer (Albarda).
Zij heeft ongeveer dezelfde kleuren als de vorige soort, maar verschilt er o.a. van door de verdeeling van het wit en het zwart over de eerste handpennen (van de 1e en de 2e is de spits zwart). Totale lengte 45, staartlengte 14 cM. Hare eieren zijn okergeel met grijze en bruine vlekken.
Van de Meeuwen met donkere bovendeelen is de Mantelmeeuw, in Groningen Zeekaag, op Texel Kokmeeuw genoemd (Larus marinus), de grootste. De kop, de hals en de nek, de geheele onderzijde, de onderrug en de staart zijn schitterend wit, de bovenrug en de vleugels leikleurig blauwzwart, de spitsen van de slagpennen wit. Het oog is zilvergrijs, de oogring vermiljoenrood, de snavel geel met een hoogroode vlek aan de onderkaak vóór de spits, de voet licht grijsgeel. Totale lengte 73, staartlengte 20 cM.
Het noorden van de aarde tusschen 60 en 70° N.B. is het vaderland van deze Meeuw. Bij ons broedt zij niet. Gedurende den winter bezoekt zij geregeld de kusten van de Noord- en Oostzee, zwerft langs de kust ook naar Zuid-Europa en nog verder zuidwaarts. Van September tot Mei is zij zeer algemeen aan onze kust; jonge Vogels vindt men hier reeds gedurende den zomer, soms ook oude (waarschijnlijk zulke, welker in noordelijker streken gelegen nest verstoord werd); zij broedt hier echter niet. Onder hare verwanten is zij, in overeenstemming met haar grootte, een van de ernstigste en bedaardste; toch kan men haar zoomin naar het lichaam als naar den geest traag noemen; integendeel zij houdt van beweging en bedrijvigheid. Haar stem klinkt diep en heesch als “ach-ach-ach”, in opgewonden toestand als “kjau”, welk geluid op zeer verschillende wijzen geïntoneerd kan worden. Visschen van verschillende grootte maken haar voornaamste voedsel uit; lijken van Zoogdieren zijn voor haar een zeer gewilde spijs; ook vangt zij Lemmingen, jonge en zieke Vogels, rooft de eieren van de zwakkere zeevogels en zoekt aan ’t strand allerlei Wormen en andere kleine dieren op. Als de schaal of schelp van haar buit te hard is, vliegt zij er mede omhoog en laat hem van een aanzienlijke hoogte op de rotsen te pletter vallen. In de gevangenschap geraakt zij spoedig gewoon aan ’t eten van brood en beschouwt dit ten slotte als een lekkernij.