Note 1 — De Pluviervogels (Charadriornithes). (continued 2)
Reading edition
Zoodra de Kieviten in hun vaderland teruggekomen zijn en hunne gewone standplaatsen hebben opgezocht, begint hun zomerleven. De Kievit houdt niet van de nabijheid van den mensch en vermijdt zooveel mogelijk diens woonplaats, misschien met uitzondering van de lage, moerassige kuststreken. Een voorwaarde, waaraan iedere broedplaats moet voldoen, is de nabijheid van water. Wanneer, hetgeen zeldzaam geschiedt, de Kieviten hoog gelegen bergvlakten opzoeken om er te nestelen, kan men er vrij stellig op rekenen, dat de gewone nestplaatsen in den loop van den zomer overstroomd zullen worden. Op deze nestplaatsen nu ziet of hoort men den Kievit op iederen tijd van den dag1. Bijna voortdurend is hij in beweging. Gedeeltelijk is de oorzaak hiervan gelegen in zijn waakzaamheid, daar hij ieder ander schepsel, misschien met uitzondering van Runderen en Schapen, voor gevaarlijk houdt. Daar hij liever vliegt dan loopt, bij voorkeur van zijne vleugels gebruik maakt bij het toonen van liefde zoowel als van misnoegen en voor vele spelen, welker reden ons niet volkomen duidelijk is, kan het niet missen, dat men hem opmerkt. Het drukst beweegt hij zich, zoolang er eieren in zijn nest liggen, of zijne jongen nog niet geschikt zijn om aan een naderend gevaar vliegend te ontkomen. In dezen tijd vliegen zij onder luid geschreeuw, dat als “kiewiet” klinkt, om iederen mensch heen, die in de nabijheid van hun broedplaats komt. Zij doen dit met een driestheid, die te recht verbazing wekt. De voor zijn kroost beduchte Vogel schiet dikwijls zoo dicht bij het hoofd van den mensch langs, dat deze de door ’t snelle vliegen veroorzaakte luchtstrooming duidelijk voelen kan. Hij vliegt voortreffelijk en siert zijn vluchtlijn als ’t ware op door velerlei zwenkingen. Alleen als de weg van den Kievit dicht over den waterspiegel heen leidt, vliegt hij met langzame vleugelslagen; zoodra hij tot hoogere luchtlagen is opgestegen, begint hij kunsten te maken, alsof hij iedere aandoening door een bepaalde beweging uitdrukken wil. Wanneer een gevaar hem of zijne jongen bedreigt, maakt hij de koenste wendingen, stort zich naar beneden tot dicht bij den grond, rijst echter dadelijk weer in steile richting omhoog, slaat nu eens naar deze, dan weer naar gene zijde over, daalt op den bodem af, trippelt hier even rond, verheft zich opnieuw in de lucht en hervat het vorige spel. Geen der andere inheemsche Vogels vliegt zooals hij, geen hunner is in staat om op dezelfde wijze alle denkbare bewegingen met de vleugels uit te voeren. Karakteristiek voor deze wijze van vliegen is het eigenaardige gesuis en gewapper, dat door de snelle vleugelslagen ontstaat, zoo zelfs, dat men hieraan Kieviten, die door de lucht voorbijtrekken, in een duisteren nacht van alle andere Vogels onderscheiden kan. Zijn gang is sierlijk en behendig; de snelheid van ’t loopen kan aanmerkelijk vermeerderd worden. Bovendien speelt deze in ’t oogloopende Vogel zoowel onder ’t vliegen als onder ’t gaan voortdurend met zijn kuif, die hij in ’t eene oogenblik horizontaal neerlegt, in ’t andere hoog opricht. Van zijn niet bijzonder buigzame stem maakt hij zeer dikwijls gebruik; de weinige tonen, waaruit zij bestaat, weet hij op velerlei wijzen te verbinden. Zijn loktoon, het reeds genoemde “kiewiet”, is nu eens meer, dan weer minder gerekt; de verschillende intonaties hebben ieder een bepaalde beteekenis; angst wordt te kennen gegeven door “chrèiët”, de paringsroep bestaat uit een reeks van nauw aaneenverbonden klanken, die men door de lettergrepen “chèh kwerkhoiët kiewietkiewietkiewiet kioeïeht” ongeveer kan aanduiden.