De Pluviervogels (Charadriornithes). (continued 4)
Reading edition
Beide geven de voorkeur aan heete, dorre, zandige en steenachtige, schaars met struiken begroeide vlakten en bewonen dus het liefst de echte woestijn. De Arabieren en Indiërs zijn hartstochtelijke liefhebbers van de Trappenjacht, die een voortreffelijk wildbraad oplevert; zij maken hierbij hoofdzakelijk gebruik van gedresseerde Valken.
Op een der eerste avonden, die ik in een min of meer bouwvallige woning in een der voorsteden van Kaïro doorbracht, zag ik tot mijn niet geringe verrassing van de platte daken der huizen groote Vogels naar beneden vliegen, die zich naar het struikgewas in den tuin begaven en hier verdwenen. Ik dacht eerst aan Uilen, hoewel hun vlucht niet strookte met deze onderstelling, die ik geheel verwierp na het hooren van het luide geschreeuw van een der Vogels. Deze zag ik bij het licht der volle maan hoe langer hoe drukker zich bewegen in den tuin, naarmate het later werd. Als spookgestalten glipten zij uit de oranjeboomboschjes en verdwenen even plotseling, als zij gekomen waren. Een goed gemikt schot verschafte mij de gewenschte inlichting. Ik repte mij naar buiten en bemerkte, dat ik een landgenoot had geschoten, een Vogel, die ik dikwijls opgezet had gezien, een Griel, den middelvorm tusschen de Trap en de Pluvier, de Nachttrap, gelijk men hem zou kunnen noemen. Later had ik gelegenheid genoeg om den vreemdsoortigen klant na te gaan, want ik ontmoette hem of een zijner verwanten, die geheel dezelfde levenswijze hebben, in alle landen van Zuid-Europa en van Noordoost-Afrika, die ik bezocht.
De kenmerken van de Grielvogels (Oedicnemidae) zijn: een betrekkelijk aanzienlijke grootte, een middelmatig lange, dunne hals, een dikke kop met groote oogen, een rechte, vóór het voorhoofd verhoogde, aan de spits kolfvormige, aan den wortel zachte, aan de spits harde snavel, hooge, aan het spronggewricht verdikte pooten, drieteenige voeten, middelmatig lange vleugels, waarin de tweede slagpen de langste is, een middelmatig lange, bijna wigvormige, uit 12 à 14 stuurpennen samengestelde staart en een tamelijk dicht vederenkleed, welks kleuren aan die van den Leeuwerik herinneren en bij ouden en jongen, bij mannetjes en wijfjes, in den zomer en in den winter nagenoeg gelijk zijn. De 9 soorten van deze familie behooren uitsluitend tot het oostelijk halfrond.
*
Onze Griel, Doornsluiper, Scharluip of Scharlupen (Oedicnemus crepitans), het kleinste lid en de eenige Europeesche vertegenwoordiger van zijn familie, is ongeveer 45 cM. lang (staart 13 cM.); hij evenaart dus in grootte een Woudduif. De geheele bovenzijde is als die van een Leeuwerik gekleurd; de veeren zijn roestkleurig grijs en in het midden zwartbruin gestreept; het voorhoofd, een plek vóór het oog, benevens een streep er boven en een er onder zijn wit, zoo ook een streep op den bovenvleugel; de veeren van de onderzijde zijn geelachtig wit, de slagpennen zwart, de stuurpennen zwart, zijdelings en aan de spits wit. Het oog is goudgeel, de snavel geel, aan de spits zwart, de voet stroogeel.
Als het eigenlijke vaderland van den Griel moet men beschouwen de landen van Zuid-Europa, Noord-Afrika en Middel-Azië, waarin echte woestenijen of althans steppe-achtige gewesten voorkomen. In alle landen om de Middellandsche Zee, in Syrië, Perzië, Arabië, Indië enz. komt hij in grooten getale voor. In Hongarije, Oostenrijk en Duitschland ontbreekt hij evenmin, bovendien ontmoet men hem in Nederland, Groot-Britannië, Denemarken en het zuiden van Zweden. Bij ons komt hij van Mei tot October tamelijk zelden voor; hij werd broedend gevonden in de duinen van Noord- en Zuid-Holland en op de duinachtige heidevelden bij Oirschot in Noordbrabant; ook op de eilanden werd hij waargenomen. Op den trek bezoekt hij gaarne heidegronden. In Zuid-Europa vindt hij bijna overal woonplaatsen.
De Griel houdt van de eenzaamheid, bekommert zich nagenoeg niet om zijne soortgenooten en geeft zich nog minder met andere wezens af. Over dag merkt men hem slechts zelden op, meestal niet anders dan toevallig, want hij heeft den mensch, die zijn standplaats nadert, veel eerder gezien dan deze hem. Als hij zich op een uitgestrekte effene vlakte zonder beschuttend struikgewas bevindt, drukt hij zich plat op den bodem neer en maakt zich daardoor, dank zij zijn aardkleurig vederenkleed, bijna onzichtbaar. Als de nacht aanbreekt, wordt hij roerig, rent en vliegt onrustig heen en weer, laat zijn sterk fluitende, op grooten afstand hoorbare stem weerklinken, verheft zich spelenderwijs zonder inspanning tot op een betrekkelijk aanzienlijke hoogte en vertoont sterke toeren op het gebied der vliegkunst, die men van hem niet verwacht zou hebben.
Wormen, Insecten in allerlei ontwikkelingstoestanden, Slakken en andere Weekdieren, Kikvorschen, Hagedissen en Muizen zijn het wild, waarop de Griel jacht maakt; eieren en jonge vogeltjes, die het nest nog niet kunnen verlaten, worden waarschijnlijk eveneens door hem begeerd. De Veldmuizen, die hij als een Kat beloert, weet hij loopend zeer geschikt te vangen; na den buit door een krachtigen snavelhouw buiten gevecht gesteld te hebben, grijpt hij hem met den snavel aan, stoot hem herhaaldelijk tegen den grond, waardoor alle beenderen breken en verzwelgt vervolgens het letterlijk verpletterde slachtoffer. Ook de Insecten worden vóór het doorslikken gedood. Tot bevordering van de spijsvertering dienen de tevens ingeslikte, grove zandkorrels.
In het einde van April vindt men in een kuiltje in ’t zand, 3 of 4 eieren; deze zijn ongeveer zoo groot als hoendereieren en op bruin groenachtig-gelen grond met grijze stippen en olijfbruine vlekjes en schrapjes geteekend. Het wijfje broedt, het mannetje houdt bij het nest de wacht. Na ongeveer 16 dagen komen de jongen uit; reeds den volgenden dag verlaten zij het nest en gaan onder toezicht van hun moeder voedsel zoeken.
Codering
Dit bestand is in de oude spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn hersteld.
Hoewel in dit werk laag liggende aanhalingstekens openen worden gebruikt, zijn deze gecodeerd met “. Geneste dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens.
Merk op dat de Latijnse namen in dit boek in veel gevallen kunnen afwijken van de moderne zoölogische naamgeving.
Verbeteringen
De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
Bladzijde Bron Verbetering
420 7.5 7,5
423 weinge weinige
423 [Niet in bron] .
431 [Niet in bron] .
431 Totauus Totanus
434 zee Zee
435 waterspiege waterspiegel
442 Noordbrabant Noord-brabant
442 zee Zee
450 [Niet in bron] .
454 [Niet in bron] .
454 zee Zee
454 , [Verwijderd]
458 Groot Groote
459 Stereorarius Stercorarius
460 [Niet in bron] .
463 [Niet in bron] .
465 Uriu Uria
466 rhingvia hringvia
467 kleine Kleine
468 Para Parra
471 dich bij dichtbij
472 [Niet in bron] .