De Pluviervogels (Charadriornithes). (continued 3)
Reading edition
De Kleine Mantelmeeuw (Larus fuscus) gelijkt nagenoeg volkomen op de vorige soort behalve wat de grootte betreft; de vleugels steken bij haar iets verder voorbij den staart uit, de witte banden aan de spits van de slagpennen zijn smaller, de pooten zijn geel. Totale lengte 60, staartlengte 15 cM.
Zij broedt in het noorden van Europa en zelfs in Groot-Britannië, maar niet aan onze kusten, waar zij echter soms in menigte en reeds in September aankomt om verder te trekken of hier te overwinteren. Ook in de Zuiderzee komt zij voor en vergezelt er de haringscholen.
Kapmeeuwen (Chroicocephalus) noemt men die soorten, welke in het zomerkleed den kop en den bovenhals min of meer donker gekleurd hebben. Zij houden zich bij voorkeur in de nabijheid van binnenwateren op en maken dikwijls haar nest tusschen waterplanten.
De verst verbreide en meest algemeen bekende soort van deze groep is de Kokmeeuw, Kapmeeuw of Lachmeeuw, in Friesland Kob genaamd [Larus (Chroicocephalus) ridibundus]. De bovenkop en de voorhals zijn roetbruin, de nek, de onderdeelen, de staart en de slagpennen tot dicht bij de spits wit, de mantelveeren licht blauwgrijs, de spitsen van de slagpennen zwart. Het oog is donkerbruin, de ooglidrand rood, de snavel en de voet karmijnrood. In het winterkleed ontbreekt de kap. Totale lengte 42, staartlengte 13 cM.
Zij bewoont een groot deel van Europa, Azië en Afrika en houdt zich hier te lande op van Maart tot October. Zij broedt in koloniën op moerassige plaatsen, nabij meren en plassen, in Zeeland aan de binnenzijde der duinen, alsmede op de eilanden. Na den broedtijd, in September, verlaat zij het binnenland, overwintert in grooten getale aan de kust en is in dit jaargetijde met de Kleine Zeemeeuw talrijk boven de binnengrachten van Amsterdam (Albarda).
De Kleine Kokmeeuw [Larus (Chroicocephalus) capistratus], misschien slechts een verscheidenheid van de vorige soort, is een weinig kleiner en zwakker dan deze, ook zijn de bek en de pooten donkerder rood. Nu en dan komt zij op den voorjaarstrek in kleine vluchten tot ons over; des zomers speelt zij de rol van onze Kokmeeuw in Schotland en Ierland.
Een bekoorlijke Vogel is de Dwergmeeuw [Larus (Chroicocephalus) minutus], de kleinste van alle bekende Meeuwen. Haar kop is donker roetzwart, de mantel teer licht blauwgrijs, de nek wit, de onderzijde wit met een rozerood waas, de staart wit; de licht blauwgrijze slagpennen hebben breede, witte spitsen. In het winterkleed is de kap slechts flauw te onderscheiden en de onderzijde wit. Het oog is bruin, de snavel zwartachtig rood, de voet koraalrood. Totale lengte 28, staartlengte 9 cM.

Kokmeeuw (Larus ridibundus). 1/4 v. d. ware grootte.
Als brandpunt van haar broedgebied moet men Oost-Europa en West-Siberië aanmerken; van hier uit bezoekt zij in den winter Zuid-Azië, Zuid-Europa en Noord-Afrika. Zeldzaam komen enkele exemplaren van deze soort in de wintermaanden aan onze kusten voor; in enkele jaren, vooral bij stormweder, verschijnt zij er in troepen, zonder er te vertoeven. “Naar het schijnt, heeft deze soort vroeger aan den Hoek van Holland gebroed. Daar zij dit echter nooit aan zee doet, zal het waarschijnlijk zijn geweest aan een toen daar bestaand meertje, hetwelk later is verdwenen. Al mijne pogingen om van daar, van Calantsoog of van de eilanden eieren te verkrijgen, waren vruchteloos, zoodat ik van meening ben, dat deze soort niet meer tot onze broedvogels behoort. Zij heeft trouwens geen bekende broedplaatsen meer in Europa, dan westelijk van de Koerische Nehrung in Oost-Pruisen.” (Albarda).
De Kokmeeuw, wiens levensgeschiedenis een tamelijk zuiver beeld kan geven van den aard en de gewoonten der inheemsche Kapmeeuwen, wordt in Midden-Europa aan plassen, meren, rivieren of moerassen aangetroffen. Vroeger was zij meer algemeen verbreid dan thans: de toenemende bebouwing van den bodem heeft haar verdrongen uit vele gewesten, die zij thans nog geregeld op den trek bezoekt. In Zuid-Europa blijft zij het geheele jaar door bij hare broedplaatsen; ons vaderland verlaat zij reeds in September om in Maart terug te keeren uit het Middellandsche-zee-gebied, waar zij den winter doorbrengt. De zee bezoekt zij slechts in dit jaargetijde. Zelfs komt het zelden voor, dat de Kokmeeuwen op een eiland dicht bij de kust broeden. Het liefst vestigen zij zich bij zoet water, dat door akkers omgeven is. Steeds broeden zij gezellig, broedkoloniën vormend, die in den regel uit honderden en zelfs duizenden paren bestaan, zoodat de nesten in een kleine ruimte zoo dicht mogelijk opeengedrongen zijn. In Friesland worden in deze koloniën, “kobbevlechten” genaamd, de eieren ijverig geraapt; men laat echter ieder van de Vogels één ei uitbroeden, uit vrees dat zij anders de plaats verlaten (Albarda).
De Kokmeeuw broedt ook in menigte op de Zeeuwsche eilanden langs de binnenzijde der duinen. Na veel getwist en geschreeuw over de plaats, die ieder paar zal innemen, worden de nesten gebouwd op kleine, door open water of door moerassig land omgeven pollen riet of biezen, rietstoppels of hoopen afgesneden riethalmen, soms ook in het moeras tusschen het gras, steeds echter op moeielijk toegankelijke plaatsen. Nadat door het neerdrukken van het riet of gras een kuiltje gevormd is, worden hierin moerasplanten, stroo enz. opgehoopt en deze met zachtere stoffen bekleed. In ieder nest worden 2 of 3, zelden 4, eieren gelegd. Deze zijn geel- of grijsachtig olijfgroen en met bruine vlekken bedekt. Het broeden neemt een aanvang in het begin van Mei. Het mannetje en het wijfje doen dit om beurten; ’s nachts zitten zij voortdurend op de eieren, gedurende de middaguren wordt de zonnewarmte voldoende geacht. De jongen, die na 18 dagen uit den dop komen, zijn drie à vier weken later in staat om te vliegen. Indien het nest door water omgeven is, verlaten zij het in de eerste levensdagen niet; op kleine eilandjes echter loopen zij al spoedig naar buiten, maar blijven aanvankelijk op den vasten grond. De jongen, die een week oud zijn, begeven zich reeds nu en dan te water; in de tweede week beginnen zij te fladderen, reeds in de derde kunnen zij zich tamelijk goed zelf redden. De ouders zijn in de hoogste mate bezorgd voor de veiligheid van hun kroost en duchten voortdurend gevaar. Iedere Roofvogel, die in de verte zichtbaar is, iedere Kraai, iedere Reiger brengt hen in een toestand van opgewondenheid; onder luid geschreeuw vliegen alle op, zelfs de broedende Vogels verlaten de nesten om met de overige den vijand aan te vallen en alle middelen aan te wenden om hem te verjagen. Met woede schieten zij op een Hond of een Vos neer; in enge kringen vliegen zij om een naderend mensch heen. Met ware vreugde vervolgen zij hun belager, als deze zich terugtrekt. Eerst geruimen tijd later komen de opgewonden Vogels tot bedaren.
De Kokmeeuw beweegt zich op een zeer bevallige en behendige wijze en zonder merkbare inspanning. Zij loopt snel en geruimen tijd achtereen, volgt soms uren lang den ploegenden landman of houdt zich op weiden en akkers met de vangst van Insecten bezig; zij zwemt zeer sierlijk, maar niet bepaald snel en vliegt zacht, als ’t ware op haar gemak. Hoewel voorzichtig en eenigszins wantrouwig van aard, vestigt zij zich gaarne in de onmiddellijke nabijheid van woningen van menschen, doet onderzoek naar hun gezindheid en richt hiernaar hare handelingen in. In alle buurtschappen, die dicht bij hare broedplaatsen of bij de zee gelegen zijn, gedraagt zij zich half en half als een huisvogel: onbezorgd oefent zij hier haar bedrijf uit, wel bewust, dat niemand haar kwaad zal doen. Haar stem is zeer wanluidend: de loktoon klinkt krijschend als “krie”; “kek” en “sjerr” zijn de geluiden voor het gezellig verkeer; woede wordt uitgedrukt door een krijschend “kerrekkektek,” of een heesch “gier,” dat gewoonlijk door “krie” wordt gevolgd.
Insecten en kleine vischjes zullen wel de hoofdbestanddeelen van het voedsel van de Kokmeeuw zijn; een Muis wordt echter niet versmaad en ook van een kreng wordt partij getrokken.
In Noord-Duitschland bestaat de gewoonte om op een bepaalden dag tegen de onschuldige Kokmeeuwen te velde te trekken en een verdelgingsoorlog tegen haar te voeren, die aan honderden Vogels het leven kost. Deze nuttelooze slachting, die onder den naam van “meeuwenschieten” als een soort van volksfeest wordt beschouwd, herinnert aan de ruwheid van zeden der bewoners van Zuid-Europa en is op geenerlei wijze te verontschuldigen.
Gevangen Kokmeeuwen zijn allerliefste huisgenooten, vooral die, welke jong uit het nest genomen worden. Zij moeten met vleesch en visch gevoederd worden, maar geraken ook aan ’t eten van brood gewoon, zoodat haar onderhoud eigenlijk niet veel kost. Als men zich veel met haar bemoeit, worden zij weldra zeer tam, loopen haar verzorger als een Hond na, begroeten hem vol vreugde, als hij zich vertoont en volgen hem later vliegend over ’t erf, in den tuin en ook wel naar buiten in ’t veld.
*
“Wie nog nooit een met Drieteenige Meeuwen bezetten vogelberg gezien heeft,” zegt Holböll, “kan zich zoomin van de schoonheid als van het aantal dezer Vogels een goed denkbeeld vormen. Men zou zulk een meeuwenberg misschien kunnen vergelijken met een reusachtige duiventil, bewoond door millioenen Duiven van gelijke kleur. De berg Inoejoeatock is een kwart mijl lang en over zijn geheele lengte meer of minder sterk bezet met verschillende soorten van Meeuwen en dit tot op zulk een hoogte, dat de bovenste Vogels zich slechts als witte puntjes vertoonen.”—Korter en schilderachtiger drukt Faber zich uit. “Op Grimsö’s vogelbergen nestelen zij in zoo grooten getale, dat zij bij hun opvliegen de zon verduisteren, als zij zitten, de rotsterrassen bedekken, door hun geschreeuw de ooren verdooven en in den broedtijd de groene kleur van de met lepelblad begroeide rotsen in wit veranderen.”—Toen ik gereed was om een reis naar Lapland te doen, had ik natuurlijk beide beschrijvingen gelezen, een juiste voorstelling van een meeuwenberg kreeg ik echter eerst op den voor mij onvergetelijken 22en Juli, bij het voorbijvaren van het voorgebergte Suärholm niet ver van den Noordkaap; ik kreeg haar eerst, nadat mijn waarde vriend, de gezagvoerder van den poststoomboot, die mij overvoerde, een kanon had laten afschieten om de Meeuwen op te jagen. Een kolossale rotswand had zich aan mijn oog vertoond als een reusachtige, met millioenen witte stippeltjes bedekte lei, onmiddellijk na de losbranding van het geschut scheidden een aantal van deze stipjes zich af van den donkeren achtergrond en werden levend; het waren Vogels, schitterend witte Meeuwen; eenige minuten achtereen daalden zij naar beneden in de zee, zoo dicht opeengepakt, zoo aanhoudend, alsof er onverwachts een sneeuwstorm was opgekomen, die reusachtige vlokken uit de lucht naar beneden deed warrelen. Eenige minuten achtereen sneeuwde het Vogels, die een onafzienbaar deel van de oppervlakte der zee bedekten; toch scheen daarna de wand nog altijd bijna even dicht met stippen bedekt als vroeger.
De Drieteenige Meeuw (Rissa tridactyla) vertegenwoordigt een gelijknamig geslacht, welks belangrijkste kenmerk hierin gelegen is, dat de achterteen ontbreekt of zich als een kort, al of niet genageld stompje vertoont. Bij de volwassen Vogels zijn de kop, de hals, de onderrug, de staart en de onderdeelen schitterend wit, de mantel is licht grijsachtig blauw; de slagpennen zijn witachtig grijs, de spitsen van de eerste handpennen zwart. Het oog is bruin, de ooglidrand koraalrood, de snavel citroengeel, aan den mondhoek bloedrood, de voet zwart. Totale lengte 43, staartlengte 13 cM.
Ook de Drieteenige Meeuw broedt in het hooge noorden; zij verlaat echter in den winter de Poolzee en verschijnt dan in grootere of kleinere vluchten aan de kusten der Noord- en Oostzee, ook aan de onze (het meest vroeg in ’t voorjaar). Vooral bij stormweer en op den doortrek dwaalt zij, den loop der stroomen en rivieren volgend, soms ver naar het binnenland af, waar zij zich ’s winters vaker en in grootere troepen vertoont dan de eigenlijke Zeemeeuwen. In aard en gewoonten verschilt zij van hare even groote verwanten misschien alleen door haar grootere gezelligheid en schreeuwlust.
Ook hij, die een voorstelling meent te hebben van den oneindigen rijkdom der zee, verbaast zich er over, dat een zoo kleine oppervlakte aan millioenen Vogels voedsel kan verschaffen. Men weet, dat de Drieteenige Meeuw bijna niets anders dan Visschen eet, bovendien heeft Holböll opgemerkt, dat gedurende haar broedtijd de Noordelijke IJszee als ’t ware gevuld is met Lodden (Mallotus villosus), dat de Zeehonden, door deze Zalmachtige Visschen van onderen af te vervolgen, de vischvangst voor de Meeuw zeer gemakkelijk maken en dat deze later wel tien en meer zeemijlen ver moet vliegen om het noodige voedsel te verkrijgen. Dit alles geeft echter nog geen voldoende opheldering over de spijziging van zoovele vraatzuchtige wezens. Hoe ontzaglijk rijk de zee is, hoe vrijgevig zij ook van deze Meeuw den disch voorziet, bemerkt men, als zij, uit de koers gebracht en afgedwaald, het binnenste van het vasteland bezoekt. Hier vindt men haar dikwijls dood aan den waterkant liggen; bij het onderzoeken van de maag blijkt deze volkomen ledig te zijn: zij, die door de vrijgevigheid van de zee verwend werd, lijdt op het land gebrek en verhongert.
Alle meeuwenbergen bestaan uit verscheidene boven elkander gelegen terrassen en zijn rijk aan holen en uitstekende punten; in de holen en op de terrassen liggen de nesten tegen elkaar aan, van den voet van den berg tot zijn top; van elk plekje is partij getrokken; ieder terras dient tot broedplaats aan duizenden paren. Kort na hun aankomst ziet men de paren naast elkander zitten, het mannetje en het wijfje elkander in de bevalligste houdingen liefkoozend, als Duiven trekkebekkend en elkander in de veeren pluizend, en hoort men hun gekir. De berg is voortdurend omhuld door een wolk van Vogels, die zonder ophouden door elkander heen wemelen en krioelen. Het nest zelf bestaat hoofdzakelijk uit zeewieren, maar wordt in den loop der jaren door den vogeldrek met hooge randen voorzien; het is voldoende, dat het in den aanvang van den broedtijd een weinig hersteld wordt. De jongen blijven tot het midden van Augustus in het nest, zijn intusschen volkomen geschikt geworden voor het bedrijf hunner ouders en zwermen nu naar buiten boven de open zee, nadat zij vooraf, gelijk van zelf spreekt, naar vermogen hebben bijgedragen tot het oorverdoovende geschreeuw, waaraan een vogelberg reeds op een afstand kenbaar is.
*
Een enkele maal (Oct. 1892) werd aan onze kust (en wel aan den Hoek van Holland) een exemplaar gevangen van de Vorkstaartmeeuw (Xema Sabinei), een soort, die in Azië, Oost-Siberië en in Amerika de kusten en eilanden van de Noordelijke IJszee bewoont. De oude Vogels schijnen in het koudere jaargetijde slechts weinig zuidwaarts te trekken (tot Spitsbergen en Zuid-Groenland); van de jongen in het eerste of tweede levensjaar echter dwalen enkele naar de kusten van de Noordzee (tot Rouaan) en zelfs naar het binnenland (tot in Hongarijë) af. Van de overige Meeuwen onderscheidt zich deze door den (ondiep) gegaffelden staart en de buitengewoon lange vleugels. De bovenrug en de schouders zijn aschgrauw, de 5 eerste slagpennen zwart met witte spits, de overige aschgrauw met witte spits, de overige veeren in den winter wit, in den zomer aan den kop grauwzwart met zwarten halsring. Totale lengte 35, vleugellengte 28, staartlengte 12 cM.
De gestalte en de kleur van de Roofmeeuwen of Jagers (Stereorariinae) geven ons het recht om deze Vogels als een afzonderlijke onderfamilie te beschouwen. De 7 soorten waaruit zij bestaat, gelijken op de Meeuwen. Haar romp is forsch gebouwd, de kop klein, de snavel betrekkelijk kort, maar stevig en dik, slechts van voren zijdelings samengedrukt, de bovensnavel aan den wortelhelft met een washuid bekleed, aan de spits sterk gewelfd en haakvormig naar beneden gekromd, de onderkaak hoekig uitgebogen. De voet is middelmatig hoog; de betrekkelijk korte voorteenen zijn door echte zwemvliezen aaneenverbonden en met sterk gekromde, spitse, scherprandige nagels gewapend; de achterteen is kort. De vleugels zijn groot, lang, smal en spits; de eerste handpen is de langste. De middelmatig lange staart bestaat uit 12 pennen, waarvan de beide middelste in den regel voorbij de overige uitsteken. Het vederenkleed is rijk en dicht, op de onderdeelen op een vacht gelijkend; zijn dofbruine hoofdkleur vertoont bij de volwassene Vogels zelden, bij de jongen dikwijls lichtere plekken.
De Roofmeeuwen bewonen vooral den noordelijken kouden aardgordel; meestal houden zij zich boven de open zee op, gedurende den voortplantingstijd echter in de toendra’s der kusten en eilanden. Zij loopen vlug en goed, enkele soorten bijna even behendig als de Steltloopers en geven intusschen aan den romp een horizontale richting. Zij zwemmen goed, maar vliegen meer dan zij zwemmen, gaan of staan; zij doen dit op een andere wijze dan de overige zeevogels, maken koene, op velerlei wijzen afwisselende, dikwijls wonderlijke zwenkingen, bewegen zich echter ook glijdend door de lucht en kunnen met snellen vleugelslag op één plaats blijven zweven. Haar stem is een onaangenaam gekras, die van de jongen een zacht gepiep. Zij zijn niet slechts moediger en vermeteler dan hare verwanten, maar hebben ook volkomener zintuigen. Als echte Roofvogels vallen zij alle dieren aan, die zij overweldigen kunnen; evenals de tafelschuimers in deze groep kwellen zij andere Vogels zoolang, tot deze den pas verworven buit aan haar overlaten. Minder goed dan de overige Meeuwen verstaan zij de kunst om een in ’t water waargenomen buit te vangen door er van uit de lucht op neer te schieten. Zij kunnen alleen dan Visschen vangen, als deze dicht onder den waterspiegel langs zwemmen. Haar roofzucht is echter niet minder groot dan die van de Zeemeeuwen. Niet slechts op Visschen zijn zij belust, maar ook op Vogels, vogel-eieren en kleine Zoogdieren, zelfs op ongewervelde zeedieren; zij vallen jonge lammeren aan, pikken hun de oogen uit, hakken hun den schedel open om er de hersenen uit te halen, kortom verslinden al wat voor hen eetbaar is, zoowel van levende als van doode dieren. Bovendien loeren zij op jagende Meeuwen en Zeezwaluwen, op den Jan-van-Gent en dergelijke zeevogels; zoodra een van deze iets gevangen heeft, schieten zij op den gelukkigen jager toe en plagen hem zoolang, tot hij uit angst den reeds verzwolgen buit uitbraakt; zonder fout weten zij het vallende voedsel te grijpen, nog voor het den waterspiegel bereikt heeft. Wegens deze onbeschaamde wijze van bedelen worden zij ten zeerste gehaat, wegens haar voor niets terugdeinzende roofzucht in hooge mate gevreesd door allen, die er de slachtoffers van zijn. Geen zeevogel waagt het in de nabijheid van een Roofmeeuw te broeden, of vertoeft op het binnenwater, waar zij uitrust; ieder let angstig op hare bewegingen, wanneer zij de ronde doet; de moedigste vallen haar aan, de meer beschroomde vluchten.
Als de broedtijd nadert, maakt het wijfje een rondachtig kuiltje in het zand of het mos der toendra, legt in dit eenvoudige nest 2 of 3 eieren, die door haar en het mannetje beurtelings met groote zelfverloochening bebroed worden. De ouders verdedigen hunne jongen moedig tegen iederen vijand en voederen hen gedurende verscheidene dagen in het nest met halfverteerde, dierlijke stoffen, later met vastere vleeschspijzen.
De Noordlanders rapen en eten ook de eieren van de Roofmeeuwen, maar weten overigens geen partij te trekken van deze Vogels, die zij te recht als schadelijke dieren beschouwen en met alle hun ten dienste staande middelen vervolgen. Deze jacht is niet moeielijk, daar de Roofmeeuwen in iedere val of door ieder lokaas gelokt kunnen worden en voor den mensch even weinig vrees toonen als voor andere dieren.
*
De Groote Jager of Skoea (Stercorarius catarrhactes), de meest typische soort van de onderfamilie, is bijna zoo groot als een Raaf. Bij deze soort hebben de middelste stuurpennen een nagenoeg gelijkmatig breede vlag en steken zoo weinig voorbij de overige uit, dat de staart aan ’t einde afgerond is; de loop is iets korter dan de middelste teen met inbegrip van den nagel. Het vederenkleed heeft op grijsbruinen, aan de onderzijde lichteren grond roodachtige en lichtgrijze, overlangsche streepjes; aan den wortel van de donkere slagpennen komt een witte vlek voor. Het oog is roodbruin, de snavel aan den wortel loodkleurig grijs, aan de spits zwart, de voet zwartachtig grijs. Totale lengte 57, staartlengte 17 cM.
Als het vaderland van den Grooten Jager beschouwt men den gordel tusschen 60 en 70° N.B.; men heeft hem echter ook in de zeeën van den zuidelijken gematigden gordel ontmoet. In Europa bewoont hij Fär-öer, de Orkney- en de Shetlandsche Eilanden, de Hebriden en IJsland; in kleinen getale zwerft hij ’s winters langs de Engelsche, Duitsche, Nederlandsche en Fransche kust; enkele exemplaren komen bij hevige stormen soms binnenslands. In Nederland werd tweemaal een exemplaar van deze vogelsoort geschoten, n.l. op Schollevaars-eiland (in de Zevenhuizensche plassen) en bij Zandvoort; bij Hallum op Ameland heeft men er één in een staltnet gevangen. De meeste Skoea’s blijven echter ook gedurende het koude jaargetijde in ’t noorden, en zoeken hun voedsel op plaatsen waar de zee open blijft.

Groote Jager (Stercorarius catarrhactes). 1/5 v. d. ware grootte.
De Middelste Jager (Stercorarius pomarinus) heeft de grootte van een Kraai; zijne beide middelste staartpennen steken 8 cM. ver voorbij de overige uit, behouden tot aan het einde ongeveer dezelfde breedte en zijn dakvormig ten opzichte van elkander geplaatst. De loop is langer dan de middelste teen met inbegrip van den nagel. De bovenvlakte en de zijden van den kop, de mantel, de vleugels en de staart zijn donker zwartbruin, de kin en de keel, benevens de onderdeelen wit, de zijden van den hals wit met duidelijk leemgeel waas; bruinachtige dwarsstrepen vormen in de kropstreek een halsband en komen ook op de zijden van den romp voor; de handpennen hebben witte schaften en zijn ook aan den wortel wit. Het oog is bruin, de snavel aan den wortel blauwgrijs, aan de spits zwartachtig hoornkleurig, de voet zwart. Totale lengte 55, staartlengte 23 cM.
Deze soort broedt in de toendra van de drie noordelijke werelddeelen, maar bezoekt, na den broedtijd rondzwervend, alle zeeën der aarde, zelfs de kusten van Afrika en Australië. Menigvuldig is zij aan de kusten van Groot-Britannië en komt, vooral bij stormen ook aan de zuidkust der Noord- en Oostzee voor, of dwaalt tot ver in ’t binnenland af. Aan onze kust werd zij herhaaldelijk waargenomen.
Van de groote Meeuwen onderscheidt zich de Groote Jager, wiens levensbeschrijving ook voor de Middelste kan gelden, door de menigvuldigheid, behendigheid en vlugheid zijner bewegingen. Hij loopt snel, zwemt flink en maakt bij ’t vliegen bewonderenswaardig koene en onverwachte wendingen, welke aan die der Valken herinneren. Zijn stem is een diepe, als “ach ach” klinkende toon of een heesch “iïa”; bij het aanvallen van een vijand hoort men van hem den diepen toon “hoo”. Van alle Zeevogels is hij de meest gevreesde; met geen zijner klassegenooten leeft hij in vriendschappelijke verhouding; alle Vogels haten hem; slechts de moedigste durven hem aanvallen. Welken indruk zijn vermetelheid op de overige Vogels maakt, blijkt het best uit het feit, dat zelfs de grootste en sterkste zeevogels, die hem aan kracht verre schijnen te overtreffen, hem angstvallig ontwijken. Zijn bedrijvigheid vloeit voort uit een onverzadelijken honger; zoolang hij vliegt, houdt hij zich met de jacht bezig. Andere vleeschetende zeevogels in de verte ontwarend, komt hij nader om hen in ’t oog te houden; zoodra één van hen een buit heeft gevangen, schiet hij toe, toont zich bij den aanval door kracht, behendigheid, moed en vermetelheid de evenknie van de Roofvogels die op gevleugeld wild stooten, en kwelt zijn slachtoffer zoolang, tot het den zooeven verworven buit uitspuwt.
Niet zelden maakt de Skoea zich van den Vogel zelf meester: Graba zag, dat hij met één houw een Papegaaiduiker den schedel stuk hakte; anderen hebben opgemerkt, dat hij Meeuwen en Zeekoeten doodde, verscheurde en verslond. Doode of gekwetste Vogels, die op de zee drijven, worden steeds door hem gegrepen; gave Vogels ontgaan dit lot, door onder te duiken, zoodra de Jager zich vertoont. Zonder mededoogen plundert hij op de vogelbergen de nesten der daar broedende Vogels, neemt de eieren en jongen weg en brengt ze naar zijn kroost. “Uit duizend kelen,” schrijft Naumann, “weerklinkt het angstgeschreeuw, wanneer de vermetele roover zulk een broedplaats nadert; toch durft geen der beangste bewoners zich krachtdadig verzetten tegen zijne booze plannen. Hij pakt het eerste het beste jong en vliegt er mede heen, zonder zich te storen aan de ongelukkige moeder, die, luid schreeuwend, den Skoea, wiens snavel haar van pijn krimpend kind omknelt, nog een eindweegs navliegt, maar geen hulp kan bieden. Zoodra hij geen stoornis meer behoeft te duchten, strijkt hij neer op den waterspiegel, doodt den buit en verslindt hem, vliegt vervolgens naar zijne jongen en braakt de prooi weer voor hen uit.”
Beter dan alle overige soorten kent men den Kleinen Jager (Stercorarius parasiticus), die in den nazomer en den herfst op de Wadden niet zelden aangetroffen wordt. Hij is slanker gebouwd dan de beide vorige soorten en aanmerkelijk kleiner dan de Skoea; door de lengte van het lichaam zonder den staart evenaart hij echter den Middelsten Jager. Zijn totale lengte is n.l. 60 cM., waarvan 28 cM. op den staart komen (welks spits toeloopende middelste pennen 10 cM. voorbij de overige uitsteken). Met uitzondering van een witte of geelachtig witte vlek op het voorhoofd en de eveneens witte keel is hij effen roetbruin, of op de bovendeelen roetbruin, op de keel geelachtig grijs, op de onderdeelen witachtig grijs; ouderdom of sekse hebben niets met dit verschil in kleur te maken. Het oog is bruin, de snavel zwart, de washuid donker loodkleurig grijs, de voet blauwzwart.
Zoover onze waarnemingen reiken, is de Kleine Jager de algemeenst verbreide soort van zijn geslacht. Ook hij bewoont de noordelijke streken van beide werelden; van Spitsbergen en Groenland strekt zijn broedgebied zich uit tot aan het midden van Noorwegen; op IJsland, de Fär-öer en de andere eilanden ten noorden van Schotland, voorts op Labrador, Newfoundland, in de zeeën van Behring en van Ochotsk is hij veelvuldig. In den winter zwerft hij geregeld naar de zuidelijkste kusten van de Noordzee en dwaalt soms ook naar ’t binnenland af. Behalve in den broedtijd leeft hij steeds op zee, volstrekt niet altijd in de nabijheid van eilanden en klippen, maar ook, en naar het schijnt weken achtereen, ver van het vaste land verwijderd.
De Kleine Jager is kenbaar aan zijn wijze van vliegen, die, volgens Naumann, meer afwisseling aanbiedt dan bij eenigen anderen Vogel. Dikwijls gelijkt zijn vlucht gedurende geruimen tijd op die van een Valk, daar hij nu eens met langzame wiekslagen door de lucht roeit, dan weer over een grooten afstand op zijne vleugels drijft en af en toe met tamelijk steil naar boven gericht lichaam als een Toren valk “wiekelt” of “bidt”; het is op eenigen afstand vaak moeielijk hem van een Kuikendief te onderscheiden. Plotseling echter laat hij zich, na eenige zeer haastige, trillende of wapperende vleugelslagen, langs een booglijn naar beneden ploffen om dadelijk weer langs een kronkelenden, uit kleine en groote bogen bestaanden weg op te stijgen, nogmaals met razende snelheid omlaag te schieten en langzaam naar boven terug te keeren. In ’t eene oogenblik schijnt hij afgemat en verslapt, in ’t volgende is hij als “door den duivel bezeten”; nu eens vlug zich wendend en keerend, dan weer spartelend en fladderend, alsof hij hulp behoeft, vertoont hij achtereenvolgens verschillende bewegingsvormen.—Vele karaktertrekken heeft hij met den Skoea gemeen, maar hij is gezelliger dan deze: buiten den broedtijd ziet men de Kleine Jagers vaak tot kleine vluchten vereenigd; op de broedplaatsen echter leven zij bij paren, die niet, zooals hunne verwanten, in elkanders onmiddellijke nabijheid nestelen, maar ieder een bepaald gebied als hun eigendom beschouwen. In hun maag vond ik nooit iets anders dan Visschen en Lemmingen. Dat zij nesten plunderen, is mij niet gebleken; wel zag ik hen aanhoudend Kleine Zeemeeuwen vervolgen, om deze te dwingen tot het afstaan van haar pas gevangen buit. Nog meer dan de Meeuwen worden, naar men zegt, de Zeezwaluwen en de Zeekoeten op deze wijze gekweld. Toch vormt het hierdoor verkregen voedsel stellig niet een hoofdbestanddeel van het maal der Kleine Jagers; want, even vaak als men hen andere Zeevogels ziet vervolgen, merkt men hen in de toendra op, waar zij zich bezig houden met de jacht op Lemmingen en ook Ongewervelde dieren en zelfs bessen zoeken, of aan het zeestrand, waar zij dieren verslinden, die door de golven op de kust geworpen werden.
De Kleinste Jager (Stercorarius cephus) stemt in kleur met de vorige soort overeen, maar heeft een geringere lengte, een korteren snavel en veel langere middelste staartpennen; deze steken ongeveer 15 cM. voorbij de overige uit en eindigen spits. Totale lengte 55, staartlengte 30 cM.
Ook deze Jager broedt in ’t hooge noorden van ’t oostelijk zoowel als van ’t westelijk halfrond. Enkele exemplaren dwalen naar zuidelijker zeeën af; men heeft ze tot bij St. Helena waargenomen. Zelden komen zij aan onze kusten voor, nog zeldzamer meer binnenslands. In Siberië voeden zij zich met Insecten, vogeleieren, Muizen, doch ook met bessen.
Alkvogels (Alcinae) noemt men een 30-tal over de noordelijke zeeën verbreide, in ’t duiken zeer ervaren zeevogels, die zich kenmerken door een forsch gebouwden romp, een korten hals, een dikken kop, een middelmatig langen, zeer verschillend ingerichten snavel, middelmatig hooge, drieteenige voeten, die met groote zwemvliezen voorzien zijn, korte, smalle (bij uitzondering voor ’t vliegen ongeschikte) vleugels, een korten staart en een zacht, meestal tweekleurig vederenkleed.
Alle Alkvogels behooren in de Noordelijke IJszee en in de hiermede samenhangende zeeboezems en straten thuis; ten zuiden van den poolcirkel, die door de meeste soorten des winters op den trek geregeld overschreden wordt, komen slechts hier en daar broedplaatsen van Alkvogels voor. Zij zijn echte zeevogels, die eigenlijk slechts gedurende den broedtijd aan land verkeeren, voor ’t overige echter op en in het water hun bedrijf uitoefenen. Zij zijn meesters in het zwemmen en duiken; zwemmend en duikend verkrijgen zij hun voedsel, op dezelfde wijze trekken zij (althans de meeste soorten); zwemmend rusten zij, brengen hunne veeren in orde, vermaken zich en slapen. Vele Alken vliegen tamelijk goed, hoewel hare vleugels te kort schijnen om het gewicht van het lichaam te dragen en men zich er over verbazen moet, dat de snelle beweging van deze organen zonder al te groote vermoeienis zoo lang voortgezet kan worden. Zij loopen niet gaarne, maar doen dit tamelijk snel, liever stappend op de zool der teenen dan glijdend op den loop; bij alle echter dienen de pooten hoofdzakelijk voor ’t zwemmen en door vele worden ook de vleugels meer voor het duiken in ’t water dan voor de beweging in de lucht gebruikt. Zij hebben scherpe zinnen; hunne overige geestvermogens zijn volstrekt niet zoo gering, als men gewoonlijk meent: men moet niet uit het oog verliezen, dat deze Vogels niet in de gelegenheid zijn om zich op veelzijdige wijze te ontwikkelen. Visschen en Schaaldieren, die voor een deel op zeer groote diepten buitgemaakt worden, maken haar eenig voedsel uit. Alle Alkvogels leven en visschen gaarne gezellig en vereenigen zich gedurende den broedtijd tot meer of minder groote zwermen, die bij sommige soorten stellig wel uit honderdduizenden paren bestaan. Voor de bewoners van het noorden zijn de Alkvogels, en meer bepaaldelijk de Zeekoeten en Alken, een ware zegen. Een soort is naast de Zeehond het voornaamste voedsel van de bevolking van verscheidene koloniën in ’t zuiden van Groenland; hier zou hongersnood ontstaan, indien deze Vogel zich minder talrijk vertoonde.
Een der merkwaardigste zeevogels is de Papegaaiduiker of Zeepapegaai (Fratercula arctica of Mormon articus), een middelmatig groote, korthalzige en dikkoppige Vogel met hoogst eigenaardig gevormden snavel. Deze heeft van ter zijde gezien een driehoekige gedaante, is aan den wortel even hoog als de kop, zijdelings buitengewoon sterk samengedrukt, van achteren begrensd door een lijstvormig gezwollen huid, die zich ook over den mondhoek voortzet, verder naar voren met verscheidene dwarse groeven voorzien, niet bijzonder spits, maar met zeer scherpe zijranden. Aan den drieteenigen voet, die tamelijk lange zwemvliezen heeft, vallen de dikke, zijwaarts gekromde nagels in ’t oog. De vleugels zijn klein, smal, van achteren met afgeronde, korte spitsen; de staart bestaat uit 16 pennen en is zeer kort; het vederenkleed is op de bovendeelen dicht, hard en glad aanliggend, op de onderdeelen vachtvormig en uit iets langere veeren samengesteld, alle bekleedingsveeren zijn losbaardig. De bovenkop, de rug en een band om den hals zijn zwart, de wangen en de keel aschgrauw, de onderdeelen wit, langs de zijden grauw of witachtig. Het oog is donkerbruin, de ring gevormd door de randen der oogleden koraalrood; het hoornachtige huidlapje boven, en de langwerpige, naakte plek onder het oog zijn aschgrauw; de snavel is van voren bleek koraalrood, aan den wortel blauwgrijs, aan den mondhoek oranjegeel. Totale lengte 31, staartlengte 6 cM. Bij de jongen heeft de bek een veel geringere hoogte en ontbreekt de halskraag.
De Papegaaiduiker bewoont de Noordzee, het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan en de IJszee tot 80° N.B., komt derhalve aan de Europeesche zoowel als aan de Aziatische en Amerikaansche kusten voor; in ’t noorden van de Stille Zuidzee wordt hij echter door een verwante soort vervangen. Nu en dan worden doode exemplaren op onze kusten gevonden; enkele malen werden er ook levende, oude en jonge voorwerpen waargenomen, geschoten of gevangen. Op Helgoland broeden eenige paren; verder noordwaarts zijn de broedplaatsen veelvuldiger: in de IJszee komen de Papegaaiduikers in ontelbare menigte voor; bij honderdduizenden en millioenen bevolken zij gedurende den zomer alle geschikte broedplaatsen. Deze zijn gelegen op loodrecht uit de zee opstijgende rotsen en hooge klippen; vooral de naar ’t zuiden en zuidwesten gerichte rotswanden zijn gedurende den voortplantingstijd, van den waterspiegel tot op een hoogte van verscheidene honderden meters, dicht bezet met nesten. Op alle terrassen, lijsten, uitsteeksels staan zij op reeksen gerangschikt naast en boven elkander, de eene soort van Alken laag, de andere in de middelste streek, de derde boven aan. Tusschen deze broeden, eveneens gordelsgewijs, Drieteenige Meeuwen, Aalscholvers, Zilver- en Mantelmeeuwen. Dit zijn de beroemde noordsche “Vogelbergen”, waarvan de (thans nagenoeg geheel ontvolkte) rotsen van Helgoland als zuidelijkste, zeer zwakke voorposten moeten worden beschouwd, maar die reeds op de Fär-öer, op IJsland, op de kusten en klippen van Noorwegen en elders een zeer indrukwekkenden omvang hebben. Tegen de donkere rotsen teekenen de rechtopstaande, als soldaten in gelederen gerangschikte, met de witte buikzijde naar de zee gekeerde gestalten zich duidelijk af. Het eeuwig knikken en buigen dezer Vogels, hun strijd om de niet te ruime plaatsen, het komen en gaan van enkele individuen is natuurlijk slechts van nabij zichtbaar, maar reeds op een afstand gezien schijnen deze met witte, horizontale lijnen geteekende rotsen als door bijenzwermen bevolkt. Duizenden vliegen af en aan. Daar de Alken zich niet van den vlakken bodem kunnen opheffen, moeten zij om weg te vliegen zich laten vallen en gedurende den val de vleugels uitspreiden; aanvankelijk dalen zij dus snel, langzamerhand vermindert hun snelheid, en zacht komen zij op den waterspiegel neer. Omgekeerd moeten zij op een afstand van de kust beginnen zich langzamerhand te verheffen, hetwelk hen in staat stelt in de nabijheid van de rots snel en met kracht omhoog te stijgen. Graba beschrijft de Färö-vogelberg op de volgende wijze: “In een diepe, huiveringwekkende kloof, die door onbestijgbare rotswanden van 1000 voet hoogte begrensd wordt, maakten wij halt. Hier was de vogelberg. Welken kant men ook uitkeek, overal zag men Vogels en niets dan Vogels. Duizenden van Zeekoeten en Alken zwommen in gezelschappen van verschillende grootte om onze boot, keken ons nieuwsgierig aan en verdwenen plotseling onder den waterspiegel om in de onmiddellijke nabijheid weer boven te komen. Kleine Zeekoeten (Uria grylle) kon men met de roeiriemen raken; Zeehonden staken hun kop hoog boven het water uit, de schending van deze vrijplaats niet begrijpend; Groote Jagers schoten neer op Zeekoeten en Drieteenige Meeuwen, die onder het vliegen in den kop getroffen en gedood werden. Hier zocht een ongelukkige Drieteenige Meeuw, die kort te voren het geluk had een Visch te vangen, met jammerlijk geschreeuw te midden van een troep soortgenooten bescherming tegen een haar aan alle zijden bestokenden Skoea; steeds heviger werd de aanval van den vervolger, steeds angstiger het geschreeuw van de vervolgde; eindelijk werkte de angst als braakmiddel, de Visch werd uitgebraakt en door den roover in de lucht gegrepen, nog voordat hij tijd had om in zee te vallen. De Vogels, die op de naburige rotsen stonden, en die, welke op het water dreven, verraadden bij dit tooneel eenige onrust, maar waagden het niet den gevreesden vijand het hoofd te bieden. De lucht wordt doorkruist door af- en aanvliegende Alken, die naar hunne eieren terugkeeren, of ze tijdelijk aan de zorg van hun gade overlaten; sommige zijn zoo hoog gestegen, dat men ze voor Bijen zou kunnen houden, die langs de rots vliegen, andere zoo laag, dat men ze met een stok zou kunnen treffen. Maar, laat ons het eigenlijke domicilie van deze volkplanting in oogenschouw nemen. Op rotsen, die een weinig boven den zeespiegel uitsteken, zitten glinsterend zwarte Aalscholvers, die hunne lange halzen naar alle richtingen wenden en angstig uitzien naar eenige Skoea’s (Groote Jagers) boven hen. Dan volgt de lijn der Drieteenige Meeuwen. Het eene nest grenst aan het andere; samen vormen zij een lange reeks, die zich over de geheele breedte van de rots uitstrekt. Het eene nest volgt ook op het andere in bovenwaartsche richting; overal ziet men koppen van broedende Vogels; de lager gelegen rotsen zijn wit van hunne uitwerpselen. Een weinig hooger, op kleine vooruitstekende punten van de rots, staan Alken en Zeekoeten dooreengemengd in parade opgesteld; alle hebben de witte borst naar de zee gekeerd; de eene staat tegen de andere aan, zoodat er geen hagelkorrel tusschen door kan, aanhoudend neigend voor de ongewenschte bezoekers. Enkele paren, die een kleine rotspunt voor zich alleen hebben ingenomen, wuiven met de vleugels; de eene liefkoost de andere, die, beschaamd rondtrippelend, het ontvangen teeken van genegenheid op dezelfde wijze, n.l. door aanraking met den snavel, beantwoordt. Zwermen Vogels vliegen af en aan; toch weet ieder van deze duizenden zijn plaats spoedig zonder fout te bereiken. Wel komt er soms eenige verwarring. Hier staan er een twintigtal borst tegen borst; plotseling komt een Alk aangevlogen, die zich door de rij heendringt, totdat hij zijn plaats heeft ingenomen en intusschen eenige van zijne buren naar beneden stoot. De hoogste plaats nemen de Papegaaiduikers in; zij zijn minder goed te onderscheiden, behalve wanneer zij af en aan vliegen. Bij een vogelberg heerscht zulk een oorverdoovend geraas, dat men de woorden van zijn buurman niet kan verstaan. Het afschuwelijk stemgeluid van de Drieteenige Meeuw klinkt over alles heen, daartusschen hoort men het eentonige “orr” van den Alk en het met allerlei klinkers verbonden “rrrrrr” der Zeekoeten. Nadat ik lang genoeg de bewegingen van het vogelenheir had nagegaan, werd het verlangen naar het bezit van een met een kuif prijkenden Aalscholver, die op 60 schreden afstands van onze boot op een klip zat, mij te machtig. Ik vuurde. Waar de Aalscholver te recht gekomen is, weet ik niet: de werking van mijn schot was te hevig. De lucht werd verduisterd door de uit hun nest opgeschrikte Vogels. Vele duizenden vluchtten onder ontzettend geraas uit de kloof; waaiervormig breidde de zwerm zich over de zee uit. Waarheen wij onze oogen wendden, zagen wij niets anders dan vliegende Alken, Zeekoeten en Meeuwen. Verwonderd kwamen de Papegaaiduikers uit hunne holen te voorschijn, keken met komische gebaren naar de algemeene verwarring en lieten langzaam hun “orr” hooren. De Drieteenige Meeuwen bleven voor ’t meerendeel rustig op hunne nesten zitten. Alle Aalscholvers stortten zich, door schrik bevangen, in zee.”—In dezen tijd halen de bewoners van de noordelijke gewesten het voornaamste deel van hun vleesch- en eieren-proviand voor het geheele jaar van de vogelbergen. Zij varen er met een schuit heen, dooden of vangen de laagstgezeten Vogels, laten zich aan stevige touwen van den top naar beneden zakken, of beklimmen met groot levensgevaar van onderen of van de zijden uit den rotswand; in den regel zijn dan twee personen door een touw verbonden om elkander te steunen. De buit wordt naar beneden geworpen en door lieden, die in de schuit zijn gebleven, opgezocht.
De Papegaaiduikers zijn geen trekvogels, hoewel zij zich ’s winters dikwijls in zuidelijker gewesten vertoonen en soms, al verder en verder zwervend, in de Middellandsche Zee verdwalen.
Het eerste wat bij dezen Vogel de aandacht trekt, is zijn zeer merkwaardige wijze van vliegen op korten afstand van de golven, alsof hij niet voornemens is zich er boven te verheffen, doch er slechts over voortglijden wil. Hierbij doen zoowel de vleugels als de pooten dienst: de Vogel schuifelt snel van de eene golf naar de andere, ongeveer als een half vliegende, half zwemmenden Visch; hij slaat met de vleugels en de pooten aanhoudend op het water, volgt de gebogen vlakken der golven, beschrijft den eenen boog na den anderen, en verplaatst zich op deze wijze, oogenschijnlijk met groote haast, maar met nog grooter inspanning. De snavel snijdt intusschen door de golven heen, zoodat deze wijze van vliegen levendig herinnert aan die van den Schaarbek. Zoodra de Papegaaiduiker zich boven den waterspiegel verheven heeft, vliegt hij rechtuit met gonzenden vleugelslag en doet dit zoo snel, dat de hieraan niet gewende jager aanvankelijk steeds achter den Vogel schiet. In het zwemmen behoeft hij stellig voor geen der overige leden van zijn familie onder te doen. Hij ligt gemakkelijk op de golven, of daalt, zoodra hij dit wenscht, onder den zeespiegel af, zonder dat dit hem eenige moeite schijnt te kosten en zonder eenig gedruisch, blijft soms wel 3 minuten lang onder water en kan, naar men zegt, een diepte van 60 M. bereiken. Op den vasten grond gaat hij trippelend en waggelend, maar toch beter dan men zou verwachten; vliegend kan hij van zijn zitplaats onmiddellijk naar boven stijgen en na het vliegen zonder bezwaar op den vasten bodem neerstrijken; bij ’t zitten rust hij gewoonlijk op de zolen zijner voeten en den staart, of gaat plat op den buik liggen. Evenals zijne verwanten beweegt hij onophoudelijk den kop en den hals, zelfs als hij rustig zit, alsof hij iets moet zoeken, of verschillende zaken zorgvuldig nagaan moet. Zijn stem onderscheidt zich slechts door haar diepte van het geratel zijner verwanten en gelijkt nog het meest op die van de Alk; zij klinkt diep en gerekt als “orr orr,” volgens Faber soms ook als het geluid, dat een slaperig mensch bij ’t geeuwen voortbrengt; toorn gaat gepaard met een knorrend geluid, ongeveer als dat van een kwaadaardig hondje.
Zijn voedsel bestaat uit kleine Schaaldieren en vischjes; met deze voedert hij zijne jongen groot. Op de vogelbergen eet hij, naar men zegt, soms groene plantendeelen, b.v. de bladen van het Lepelblad.
In ’t midden van April of in ’t begin van Mei, al naar de sneeuw vroeger of later smelt, begeeft hij zich naar de vogelbergen en zoekt nu zoo schielijk mogelijk het hol, waarin hij vroeger broedde, weder op, of graaft een nieuw gat. In dit opzicht verschilt hij van de Zeekoeten en Alken: nooit legt hij zijn ei op den naakten grond. Niet alle paren graven zelf het hol, waarin zij nestelen; zij maken bij voorkeur gebruik van de een of andere spleet of van een donker gat in het gesteente, en gaan slechts in geval van nood zelf aan ’t werk. De nestgaten gelijken op konijnenholen, maar zijn meestal zoo kort, dat men den broedenden Vogel door den ingang er achterin kan zien zitten. Naar het schijnt, neemt zoowel het mannetje als het wijfje aan dezen arbeid deel; de werktuigen voor ’t graven zijn de snavel en de pooten. Terwijl de Vogels bezig zijn, is hun kleed zoo bestoven of liever besmeerd met veengrond, dat men de kleuren bijna niet meer onderscheiden kan; vóór het broeden maken zij zich terdege schoon. Het wijfje legt niet meer dan één ei; dit is echter zeer groot, ongeveer 70 mM. lang. De grofkorrelige en oneffen schaal is aanvankelijk zuiver wit van kleur, maar wordt door den veengrond zeer spoedig geelachtig, later zelfs bruinachtig. Beide ouders broeden, naar men zegt, ongeveer 5 weken lang. Het jong komt met een dicht kleed van langbaardige, koolzwarte en lichtgrijze donsveeren ter wereld, piept jammerlijk gedurende zijne eerste levensdagen, krijgt later een krachtiger stem, maar leert het ratelende “orr” van den volwassen Vogel eerst na het uitvliegen. De beide ouders brengen hunne lievelingen voedsel, dat zij soms van een afstand van vele mijlen moeten aanvoeren en stellen zich zonder schroom aan gevaren bloot, wanneer zij hierdoor de veiligheid van hun kind meenen te kunnen bevorderen; ook verdedigen zij het, zoo noodig, door woedende beten met den snavel.
De eigenaars van de vogelbergen ontnemen den Papegaaiduiker in den regel het eerste ei, als het nest zich op een voor den mensch bereikbare plaats bevindt, maar laten gewoonlijk het tweede door de ouders uitbroeden en zijn dan wreed genoeg om het jong te rooven, voordat het vliegen kan, om het in verschen toestand op te eten, of ingezouten voor den winter te bewaren. In gevangenschap worden de Papegaaiduikers niet gehouden, omdat men niet in de gelegenheid is hun het noodige voedsel te verschaffen.
*
De Alken (Alca) vertoonen eenige overeenkomst met de Papegaaiduikers door den bouw van den snavel. Deze is middelmatig lang, zeer smal en hoog, heeft den rug boogvormig omhoog gekromd, en een uitstekenden kinhoek aan de onderkaak; de zijden van den bovensnavel zijn gegroefd, de gebogen zijranden zeer scherp; de spits van den bovensnavel is haakvormig, die van den ondersnavel eveneens benedenwaarts gekromd. De vleugels zijn slank, eenigszins sabelvormig en hebben een lange spits; de korte staart bestaat uit 12 smalle pennen.
Alle gewesten en zeegedeelten, waarin de Papegaaiduiker voorkomt, herbergen ook de Alk (Alca torda). Het bruiloftskleed is aan de bovenzijde en aan den voorhals zwart; een smalle strook, die van den snavel tot het oog reikt, een zoom aan den top van de slagpennen van den tweeden rang, de borst en de buik zijn wit. Het oog is donkerbruin, de snavel, met uitzondering van een witten dwarsband, zwart, de voet eveneens zwart. Totale lengte 42, staartlengte 9 cM.
Door levenswijze, gewoonten en aard gelijkt de Alk zoozeer op den Papegaaiduiker, dat bijna al wat van dezen gezegd is, ook van genen geldt. Hij is in dezelfde mate zeevogel en bewoont jaar in jaar uit nagenoeg hetzelfde oord; hij zwerft echter gaarne van het eene deel van de zee naar het andere, bezoekt b.v. in den winter vaak alle fjorden van Noorwegen, waar men hem ’s zomers niet ziet, verschijnt (in Augustus) ook tamelijk geregeld aan de Duitsche, Nederlandsche en Fransche kusten, en keert in Maart naar het noorden terug. Op de vogelbergen, waar de Alken in Mei komen om te broeden, zijn zij in den regel even veelvuldig als de Papegaaiduikers en de Zeekoeten, die hier te gelijker tijd aankomen. Boje zag een dicht opeengedrongen zwerm, welks breedte hij op 1000 schreden schatte en die zoo lang was, dat onze berichtgever, terwijl de Vogels over zijn boot vlogen, tienmaal zijn geweer laden en schieten kon. In dezelfde zee heb ik herhaaldelijk dergelijke vluchten gezien. Om na te gaan hoe diep een Alk duiken en hoe lang hij onder water blijven kan, bond men hem een zeer langen, dunnen draad aan den poot en wierp hem uit de boot in zee. De Vogel verdween oogenblikkelijk onder water en rolde het 60 M. lange koord geheel af; na verloop van 2–3/4 minuut ongeveer verscheen hij weder aan de oppervlakte om lucht te scheppen, waarna hij opnieuw onderdook.
De klank van zijn stem is vergelijkbaar met dien van den Papegaaiduiker, maar iets zwaarder en heescher, ongeveer als “örr” of “ar”, soms ook miauwend als “arr err kwer kweör”.
Op de vogelbergen nestelt de Alk bij voorkeur in rotsspleten; ook treft men wel eens enkele nesten onder steenen, dus eigenlijk in holen aan. Het wijfje legt slechts één ei van zeer aanzienlijke groote (80 mM. bij 50). Het jong komt ter wereld in een bruinzwart donskleed met wit aangezicht; het springt in nauwelijks half volwassen toestand, na lange aarzeling, aangespoord door het luid geschreeuw en druk gebarenspel van de ouders van boven van de rotsen onmiddellijk in zee of laat zich van den bergwand afrollen, totdat het in ’t water aankomt; de ouders volgen het na, zwemmen aan zijn zijde, leeren het duiken en zijn voedsel zoeken; nadat het geleerd heeft voor zich zelf te zorgen, begeleiden zij het nog eenigen tijd, zonder het te voederen.
*
Een merkwaardige Vogel, die nog in het begin van deze eeuw het hooge noorden bewoonde, is ten gevolge van de vervolgingen, die hij van den mensch te verduren had, thans waarschijnlijk geheel uitgeroeid. Indien het mocht blijken, dat deze Vogel op een ons onbekende plaats nog leeft, kan men er, zegt Newton, staat op maken, dat hij kort na zijn ontdekking verdwenen zal zijn. Vroeger voorzagen de bewoners van IJsland en Groenland zich door het dooden van dezen Vogel met wintervoorraad; tegenwoordig zou het vel van den Reuzenalk tegen goud opgewogen worden.
De Reuzenalk of Pingoeïn-alk [Plautus (Alca) impennis] wordt te recht beschouwd als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht. Hem kenmerken, behalve de aanzienlijke grootte, vooral de rudimentaire vleugels, die voor ’t vliegen geheel ongeschikt zijn, hoewel alle soorten van vleugelveeren, zij het dan ook in onvolkomen toestand, aan de voorste ledematen voorkomen. De snavel is langwerpig, de snavelrug maakt van den wortel tot aan de spits een flauwe bocht; de ondersnavel is ondiep binnenwaarts uitgehold; de geheele snavel zeer hoog, maar buitengewoon smal; de zijrand van den ondersnavel is nagenoeg rechtlijnig van den mondhoek tot vóór het neusgat, verderop een weinig naar boven gekromd en aan de spits weer benedenwaarts gericht; de zijden van ’t voorste deel van den snavel zijn boven met 6 à 7, onder met 9 à 10 groeven voorzien. De pooten stemmen in maaksel met die van de Alken overeen; het vederenkleed heeft dezelfde eigenschappen; de staart bevat hetzelfde aantal pennen. De Reuzenalk heeft ongeveer de grootte van een Gans; zijn lengte bedraagt ongeveer 90 cM.; de vleugel is 17 à 20, de staart 8 à 9 cM. lang. De veeren van de bovendeelen zijn glanzig zwart, aan de keel zwartbruin; de onderdeelen en de spitsen van de armpennen zijn wit, de snavel en de pooten zwart.

Reuzenalk (Plautus impennis). 1/6 v. d. ware grootte.
Lang heeft men gemeend, dat deze Vogel de zeeën van het noordelijkste deel der aarde bewoonde of nog bewoont; uit Wolley’s onderzoekingen blijkt het tegendeel; Steenstrup’s ontdekkingen bewijzen, dat de Reuzenalk in den vóórhistorischen tijd in grooten getale aan de Deensche kusten geleefd moet hebben. Er zijn geen bewijsstukken gevonden voor de meening, dat hij ooit Spitsbergen bezocht heeft, evenmin werd hij in ’t hooge noorden van Amerika gevonden. Holböll bericht, dat op de Groenlandsche kust bij Fiskernaes in het jaar 1815 de laatste Reuzenalk gevangen werd. Alle overige mededeelingen bevestigen de stelling, dat deze Vogel eertijds zuidelijker gedeelten van de IJszee bewoonde en waarschijnlijk in nog grooter aantal in het noorden van den Atlantischen Oceaan of van de Noordzee gevonden werd. Dat hij vroeger tot aan de Fär-öer als broedvogel afdaalde, schijnt vast te staan, evenmin kan men in twijfel verkeeren over zijne bezoeken aan de Hebriden. In het jaar 1790 werd een exemplaar buit gemaakt in de haven van Kiel; in 1830 spoelde, volgens Naumann, een doode Reuzenalk op de kust van Normandië aan. Het veelvuldigst is hij waarschijnlijk ten allen tijde op IJsland en Newfoundland geweest; het was echter niet op IJsland zelf, maar op de omliggende, bijna voortdurend door een woedende branding omringde klippen en kleine rotsachtige eilanden, dat deze Vogel veilige broedplaatsen en tot in den laatsten tijd van zijn bestaan een nagenoeg ongenaakbaar toevluchtsoord vond.
Werkelijk veelvuldig schijnt de Reuzenalk hier reeds in de vorige eeuw niet meer geweest te zijn. In een oud handschrift uit het begin van de laatste helft van de vorige eeuw vonden Newton en Wolley een beschrijving van de Alkklip van Reykjanes, waarin melding wordt gemaakt van het wonderbaarlijk aantal Vogels op de daar aanwezige rotsen, met de toevoeging echter, dat de Reuzenalk daar volstrekt niet zoo veelvuldig voorkomt, als gezegd werd; de door hem in beslag genomen ruimte werd op niet meer dan het 1/16e deel van de klip geschat; wegens zijn ongeschiktheid tot vliegen kon hij de hooger gelegen rotsen niet bereiken. Een deel van het handschrift is gewijd aan een nauwkeurige beschrijving van den Reuzenalk en zijne eieren; ten overvloede is er een teekening bijgevoegd, die de klip voorstelt met twee mannen, welke zich met de vangst van Reuzenalken bezighouden. Olafsen, die in het jaar 1458 op IJsland vertoefde, vernam, dat men in vroegeren tijd booten vol eieren van de bedoelde klip weghaalde en dus geregeld jachttochten daarheen ondernam. Naar het schijnt, is men hiermede voortgegaan tot in het begin van deze eeuw; in Faber’s tijd echter, in het jaar 1822 dus, geschiedde dit niet meer en werden slechts toevallig bezoeken aan de klip gebracht. Zoo kwam in den zomer van 1813 een schip, dat van de Fär-öer naar IJsland zeilde om levensmiddelen te halen, langs de klip, die toen met Vogels bedekt was; omdat het weer gunstig was ging de bemanning aan land en doodde verscheidene Reuzenalken, waarvan er eenige naar Reykiavik werden gebracht. Naar men bericht, hebben deze zeelieden toen een geweldige slachting onder de Vogels aangericht; hun buit bestond uit niet minder dan 24 Reuzenalken, zonder te rekenen die, welke reeds ingezouten waren. Faber bericht, dat in het jaar 1814 een boer op een kleine klip 7 Reuzenalken doodde. Van 1814 tot 1830 hebben stellig nog verscheidene exemplaren, maar geen groote troepen, hetzelfde lot ondergaan.
In het jaar 1830 ging een zekere Goudmundsson tweemaal ter jacht naar Eldey of de “Meelzak”-klip; hij bemachtigde de eerste maal 12 of 16, de andere keer 8 Reuzenalken, die voor ’t meerendeel voor verzamelingen behouden zijn gebleven. Bij een dergelijken tocht in het volgende jaar werden 24 Reuzenalken buit gemaakt; sommige van deze werden levend medegenomen en een tijdlang in ’t leven gehouden, alle werden ten slotte opgestopt. In 1833 ving men er dertien, in 1834 negen, in 1840 of 1841 drie, in 1844 nog twee; deze beide, de laatste exemplaren waarvan men berichten heeft, waren misschien de laatste vertegenwoordigers van hun geslacht.
Uit talrijke door Steenstrup verzamelde mededeelingen van zeelieden uit vroegeren tijd en uit latere onderzoekingen is gebleken, dat de Reuzenalken of “Pingoeïns” (zooals zij aan de westkust van den Atlantischen Oceaan steeds genoemd worden) op Newfoundland en eenige naburige klippen eveneens veelvuldig zijn geweest; zij waren dit o. a. nog in de 16e eeuw. Hakluyt verhaalt in een brief van 18 November 1578, dat men deze vogels over de loopplank in de boot dreef, totdat het vaartuig vol was. “Wij kregen,” schrijft hij, “een eiland in ’t zicht, dat Pingoeïn-eiland wordt genoemd, naar een Vogel, die daar in ongelooflijke menigte broedt; de Pingoeïn kan niet vliegen, zijne vleugels kunnen het lichaam niet opheffen; hij is zeer groot, niet kleiner dan een Gans en buitengewoon vet. De Franschen vangen dezen Vogel op genoemd eiland zonder moeite en zouten hem in.” De Noorsche onderzoeker Stuvitz vond bij een bezoek, dat hij in 1841 bracht aan een groep van kleine klippen, die voor den ingang van de Bonavista-baai liggen, de overblijfselen van muren, uit opeengestapelde rotsklompen samengesteld, tot het begrenzen van perken, waarin eertijds de Reuzenalken door hunne vervolgers gedreven en afgemaakt werden. Ook vond hij hier hoopen van beenderen, die bij nader onderzoek van den Reuzenalk afkomstig bleken te zijn. In het jaar 1863 kreeg een Amerikaan van de regeering verlof om de aarde van deze rotsen weg te voeren en als mestspecie naar Boston te zenden. Bij het opruimen van den half bevrozen grond werden, behalve vele beenderen, op een zekere diepte ook verscheidene door de natuur gevormde mummiën van den Reuzenalk gevonden. Twee van deze in veen en ijs voor bederf bewaard gebleven exemplaren werden naar Engeland gezonden en stelden Owen in de gelegenheid tot het schrijven van zijn beroemde verhandeling over het beenderenstelsel van den Reuzenalk.
Volgens een in 1883 door Blasius opgemaakte lijst bevatten de Amerikaansche musea 3, de Europeesche 71 opgestopte exemplaren van den Reuzenalk; van deze vindt men er 21 in Groot-Britannië, 20 in Duitschland en 2 in Nederland (n.l. in het Rijksmuseum te Leiden en in het museum van Natura artis magistra te Amsterdam). Een dergelijk exemplaar vertegenwoordigt een waarde van 2000 à 2500 gulden. In ’t geheel zijn 65 eieren van deze vogelsoort in de verzamelingen aanwezig. In 1888 werd zulk een ei verkocht voor f 2640. In het museum van “Artis” is zulk een ei aanwezig.
Eertijds kregen de IJslandsche visschers gedurende den zomer in de zee zoo geregeld Reuzenalken te zien, dat aan deze Vogels geen bijzondere aandacht werd geschonken. Volgens alle waarnemers zwommen zij gewoonlijk met hoog opgeheven kop, maar ingetrokken nek en doken steeds onder, als zij verontrust werden. Op de rotsen zaten zij rechtop, in steiler houding dan de Zeekoeten en Alken. Zij gingen of liepen met kleine, korte pasjes en hielden daarbij den romp verticaal gelijk de mensch; als een gevaar hen bedreigde, stortten zij zich van een hoogte van 4 à 5 M. naar beneden in de zee. Door een gedruisch werden zij meer verschrikt dan door een verschijnsel, dat met de oogen waargenomen wordt. Soms hoorde men van hen een zwak gekras. Nooit heeft men opgemerkt, dat zij hunne eieren verdedigden; wanneer zij zelf aangevallen werden, verweerden zij zich door hevig te bijten.
Hun voedsel schijnt bestaan te hebben uit Visschen van verschillende grootte. Fabricius bericht, dat hij bovendien in de maag van een jong overblijfselen van planten vond.
Het eenige ei, dat in ieder voortplantingsseizoen ontstond, werd in Juni gelegd; het heeft dezelfde tolvormige gedaante als de eieren van andere Alken, maar is veel grooter dan deze; het is grooter dan eenig gevlekt ei, dat van een Europeeschen Vogel afkomstig is. De lengte is 120 à 130, de middellijn Op de dikste plaats 75 à 80 mM. De mannetjes en de wijfjes hebben, zooals uit hunne broedplekken blijkt, om beurten gebroed; hoe lang het duurde, voordat de jongen het ei verlieten, weet men niet, misschien 6 à 7 weken. Het jong had bij de geboorte een donkergrijs donskleed en werd zeer spoedig naar het water gebracht.
*
De Zeekoeten (Uria) verschillen van de Alken door den vorm van den snavel; deze is slank, recht, zijdelings weinig samengedrukt, eenigszins priemvormig, ongeveer even lang als het overige deel van den kop, tot op de langwerpige neusgaten bevederd; de bovensnavel is op den rug flauw afgerond, alleen aan de spits een weinig naar beneden gebogen, de scherpe zijranden zijn eenigszins ingetrokken, de kinhoek is onduidelijk. De pooten zijn ver achterwaarts geplaatst, de vleugels smal en spits met dikke slagpennen; de staart is kort en afgerond, uit 12 à 14 pennen samengesteld; het vederenkleed van den romp bestaat uit korte, losbaardige veeren, heeft op de onderdeelen overeenkomst met een vacht en is bij ouden en jongen, in den zomer en in den winter merkbaar verschillend.
Bij de Kleine Zeekoet (Uria grylle) is het bruiloftskleed fluweelachtig zwart met groenachtigen weerschijn; op de vleugels komt een wit veld voor, het oog is bruin, de snavel zwart, de voet koraalrood. In den winter zijn de onderdeelen wit en zwart gevlekt. Totale lengte 34, staartlengte 5 cM.
De Kleine Zeekoet behoort in ’t hooge noorden thuis en broedt tusschen 80 en 58° N.B. Binnen deze grenzen is zij algemeen, hoewel men haar zelden in zwermen, meestal slechts paarsgewijs en afzonderlijk aantreft. In ’t begin van den eigenlijken winter trekt zij meer of minder geregeld zuidwaarts. Op de Duitsche kusten komt zij echter zelden voor; bij ons werd zij nog niet waargenomen.
Deze Vogel maakt steeds een aangenamen indruk, hetzij men hem op een rotsblok ziet zitten, of hem bij ’t zwemmen en duiken, of vliegen bespiedt. Bij ’t zitten is hij gewoon den geheelen loop op den grond te laten rusten, den romp een nagenoeg verticalen stand te geven en met bevallige kronkelingen van den hals den kop heen en weer te bewegen. In ’t zwemmen is hij zeer bedreven: lichter dan zijne verwanten rust hij op het water, daar gewoonlijk slechts een klein deel van den romp ingedompeld is. Bij ’t roeien worden de fraaie, roode voeten dikwijls zichtbaar. Om te duiken strekt hij beide pooten met kracht achterwaarts, buitelt tevens zonder gedruisch over den kop, breidt onder water dadelijk de vleugels uit en gebruikt ze tegelijk met de voeten als roeiriemen. Na hoogstens twee minuten komt hij weer boven om te ademen. Het vliegen schijnt hem betrekkelijk weinig moeite te kosten, hoewel hij de vleugels zeer snel, als ’t ware gonzend, bewegen moet. Om van ’t water op te vliegen, neemt hij een korten aanloop; op een zekere hoogte gekomen, is zijn vlucht echter veel sneller dan men aanvankelijk vermoed zou hebben; schielijk bereikt hij een aanzienlijke hoogte, b.v. het hooge gedeelte van de rots, waar zijn nest zich bevindt. Naar ’t water terugkeerend, breidt hij eenvoudig de vleugels uit, zonder ze eigenlijk te bewegen. De Kleine Zeekoeten toonen een zachtzinnig, goedaardig, verdraagzaam karakter. Op de broedplaatsen verschijnen zij in ’t begin van Maart, op een grooten vogelberg hoogstens een dertigtal, die zich om de overige zeevogels niet schijnen te bekommeren, ieder paar steeds afgezonderd te midden van millioenen Zeekoeten van andere soorten. Als een mensch de broedplaats nadert, zal het paartje wachten, tot hij op een afstand van slechts 15 à 10 schreden gekomen is en dan de vlucht nemen. De broedende Vogel zit dikwijls zoo “vast”, dat men hem met de hand kan grijpen. De Groenlanders en IJslanders vangen Kleine Zeekoeten, zooveel zij kunnen; de Noren ontnemen haar alleen de eieren. Haar vleesch smaakt tranig, maar kan zoo toebereid worden, dat het eetbaar is; in Lapland worden den reiziger dikwijls jonge Zeekoeten voorgediend, die hij mettertijd als een smakelijk gerecht leert beschouwen. De veeren worden gebruikt tot vulling van bedden. Het meest worden de eieren geschat; wie gewend is aan hun eigenaardigen smaak, vindt ze lekker. Zij worden (zelden voor het midden van April, dikwijls eerst in Mei) ten getale van twee in een rotsspleet gelegd en zijn gemiddeld 6 cM. lang en 4 cM. dik. Het mannetje en het wijfje broeden afwisselend 24 dagen lang en voederen hunne jongen aanvankelijk in het nest met Zandpieren, Slijkvisschen, kleine Zandalen, enz., totdat zij geschikt zijn om, evenals de volwassen Vogels, allerlei soorten van Visschen en Schaaldieren te eten. De jongen in het donskleed kunnen wel zwemmen, maar niet duiken.
Bij de Gewone Zeekoet (Uria troïle of Uria lomvia) zijn de kop, de voorhals en de bovendeelen fluweelachtig bruin, de spitsen van de schouderveeren wit, waardoor op den vleugel een lichte band ontstaat; de onderdeelen zijn wit, aan de zijden met bruine, overlangsche strepen. In het winterkleed zijn ook de voorhals en een deel van de achterwang wit. Het oog is bruin, de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs, aan de buitenzijde donkerder. Totale lengte 46, staartlengte 6 cM.
De Bastaard-zeekoet (Uria hringvia), die, evenals de volgende vorm, soms als een verscheidenheid van de vorige soort wordt beschouwd, heeft in haar bruiloftskleed een witten ring om het oog, die in een witte, tot aan den achterkop reikende streep uitloopt. Overigens stemt zij nagenoeg geheel met de Gewone Zeekoet overeen.
De Groote Zeekoet (Uria Brünnichii) onderscheidt zich van de Gewone door den korteren, dikkeren snavel en de geelachtig witte streep langs de bovenrand van de mondspleet, van den mondhoek tot aan het neusgat; ook is zij ongeveer 3 cM. langer.
Al deze soorten bewonen de noordelijke zeeën van beide werelden; enkele exemplaren broeden echter in den gematigden gordel. Gedurende den winter begeven zij zich geregeld naar zuidelijker zeeën en komen dan ook in de nabijheid van onze kust; het meest vindt men hier de eerstgenoemde soort (enkele exemplaren zelfs in den zomer), het zeldzaamst de laatstgenoemde, hoewel deze op de Deensche kust ’s winters talrijk is. Het grootste deel van hun leven brengen zij in de open zee door; de meeste blijven voortdurend in dezelfde streek; slechts gedurende den voortplantingstijd komen zij aan land. Zij zwemmen uitmuntend, waarbij de romp nagenoeg tot aan de grens tusschen het witte en het zwarte deel van het vederenkleed ingedompeld is; zij zijn meesters in het duiken, roeien zich onder water met de vleugels en de pooten zeer snel en behendig voort en kunnen verscheidene minuten achtereen onder water blijven. Zij vliegen snel, met gonzende vleugelslagen, hoewel niet gaarne ver in één tocht, op aanzienlijke hoogte alleen dan, wanneer zij zich naar haar nest begeven, anders meestal dicht bij ’t water langs. Van verre gezien gelijken zij wegens de snelle beweging der vleugels op groote Insecten; in den broedtijd komt men er onwillekeurig toe den vogelberg, vooral wanneer deze kegelvormig is, met een door Bijen omzwermden korf te vergelijken. Alleen wanneer zij zich van hunne broedplaatsen op den vogelberg in het water storten, glijden zij nagenoeg zonder vleugelslagen lijnrecht naar beneden. Daar de op- en neervliegende Vogels dezelfde richting volgen, schijnt de berg door een dak omgeven te zijn. Buiten den broedtijd ziet men ze nooit op deze wijze vliegen; zij bepalen zich dan tot zwemmen en duiken, of verheffen zich hoogstens voor een korte poos in de lucht, om spoedig naar ’t water terug te keeren. Gewoonlijk hebben zij een glijdenden gang, plomp schuifelen zij met de geheele zool over den grond; soms echter loopen zij, als ’t ware dansend, op de teenen, maar moeten dan van de vleugels gebruik maken om het evenwicht te bewaren, zoodat deze wijze van beweging eerder gebrekkig vliegen dan loopen kan heeten. Hun stem bestaat uit een langgerekt gesnater of geratel, dat echter zeer verschillend geïntoneerd kan zijn en daarom soms als “örr”, soms als “err” schijnt te klinken; ook hoort men van hen wel eens een huilenden of mauwenden toon. De jongen fluiten.
Niemand zal na een bezoek aan een met Zeekoeten bedekten vogelberg zich er over verwonderen, dat deze Vogels dom worden genoemd. Werkelijk toonen zij zich buitengewoon onergdenkend en vol goed vertrouwen, vooral wanneer zij zich te land bevinden: in ’t water laten zij een boot dikwijls dicht bij hen komen; hunne broedplaatsen kan men, zonder hun argwaan te wekken, tot op een afstand van 6 à 4 schreden naderen en hier gaan zitten kijken of zich met teekenen of schrijven bezig houden, zonder dat zij wegvliegen.

Bastaard-zeekoet (Uria hringvia). 1/4 v. d. ware grootte.
Wie hen wil leeren liefhebben, moet hen op hunne broedplaatsen bezoeken. Hiertoe kiezen zij steil uit zee oprijzende klippen of bepaalde rotswanden uit, welker voet door het water bespoeld wordt, die rijk zijn aan terrassen, uitsteeksels en spleten en in welker nabijheid zij met het best mogelijke gevolg kunnen visschen. Tegen het einde van Maart of het begin van April verschijnen zij in meer of minder groote zwermen op de vogelbergen. Dan worden deze weldra het tooneel van een eigenaardig leven en gewemel. De vogelberg is voortdurend door een wolk van Vogels omgeven; duizenden en honderdduizenden zitten schijnbaar op rijen geplaatst met de witte borst naar de zee gekeerd op alle uitsteeksels, hoekpunten, spitsen, terrassen, kortom overal waar gelegenheid is om te zitten; honderdduizenden vliegen intusschen van boven naar beneden of van beneden naar boven, terwijl een niet minder groot aantal zich in de zee aan den voet van den berg met visschen en duiken bezig houdt. Zelfs de grootste berg, de meest uitgestrekte rotswand wordt overstelpt met bewoners, die echter ieder met een kleine ruimte tevreden zijn, zoodat men nooit strijd ziet ontstaan over de standplaatsen der nesten. Het mannetje en het wijfje zijn innig aan elkander gehecht; zij zitten, als de eieren nog niet gelegd zijn, voortdurend naast elkander, vliegen gelijktijdig naar zee, visschen gemeenschappelijk en keeren te zamen naar het nest terug, waar zij later de zorg voor het broeden deelen.
Het wijfje legt slechts één zeer groot, tolvormig ei; het heeft een dikke, grofkorrelige, op lichten grond met donkerder vlekken geteekende schaal; de teekening biedt echter zooveel afwisseling aan, dat men onder de 100 eieren er moeielijk twee volkomen gelijke zal kunnen vinden. Van een eigenlijk nest is geen sprake; het wijfje legt hare eieren op het naakte gesteente, zonder dit ergens mede te bedekken, zelfs zonder er van te voren de grove kiezelsteenen af te krabben. Zoodra het ei gelegd is, neemt het broeden een aanvang; bij deze werkzaamheid lossen de beide echtgenooten elkander af; zelfs treft men op alle vogelbergen goedhartige, ongepaarde Vogels aan, die zich met ware vreugde neervleien op ieder ei, dat zij onbezet zien, om het spoedig een weinig te bebroeden. Na een broedtijd van 30 à 35 dagen komt uit den dop het jong te voorschijn; dit gelijkt meer op een grauwzwarte prop wol, dan op een Vogel; het groeit schielijk, legt het donskleed spoedig af en heeft dit reeds door een vederenkleed vervangen, voordat het één maand oud is. Nu verlaten de jongen hun zitplaats op de rots om zich naar de zee te begeven, “welke verhuizing,” zegt Naumann, “niet geheel vrij is van gevaar, zooals duidelijk blijkt uit het in ’t oogvallend, angstig heen en weer trippelen en het geschreeuw van het gezin bij het naderen van deze gebeurtenis. Gevolgd door de ouders, werpt het jong zich met één sprong van den kant van de rots in zee; voor de eerste maal met het water in aanraking komend, duikt het, wederom gevolgd door de ouden, dadelijk in de diepte; als allen weer boven gekomen zijn, dringt het jong zich onder luid gefluit angstig tegen de ouders aan, als ’t ware om bij hen bescherming te zoeken en op hun rug te klimmen; het moet zich echter een nadere kennismaking met het natte élement getroosten, waarmede het door herhaaldelijk met de ouden onder te duiken weldra meer vertrouwd wordt. Al dadelijk is het dus in de gelegenheid om zelf zijn voedsel te zoeken; het wordt gedrongen zich met ijver hierop toe te leggen, daar zijne ouders zich niet meer met zijn voedering bemoeien; deze blijven echter bij hun kind om het tegen gevaar te beschermen en begeleiden het naar de opene zee; hier ziet men gewoonlijk tal van gezinnen bijeen, die met voor ’t meerendeel slechts halfvolwassen jongen weer en wind trotseeren. Menige jonge Zeekoet verongelukt, terwijl hij zich van de rotsen naar de zee begeeft en valt zich op de steenen te pletter.”
De vogelbergen worden door de menschen geregeld afgezocht en leveren, al naar hun uitgestrektheid en het aantal Vogels, dat er broedt een meer of minder rijken oogst van eieren en jongen. De eerstgenoemde worden in het noorden tamelijk ver verzonden, de jongen gezouten en voor den winter bewaard. Op de Fär-öer vormen de vogelvangers een afzonderlijke kaste; van deze menschen, die geen gevaar schuwen en den dood in allerlei gedaanten moedig onder de oogen zien, sterft er ternauwernood één in zijn bed. Zij beklimmen de rotsen van onderen af, of laten zich aan lange touwen naar beneden zakken, om vervolgens, hieraan slingerend, een met broedende Vogels bedekte rotspunt te bereiken, van welke zij soms wel 15 M. ver verwijderd zijn: zij zetten den voet op terrassen, waar nauwelijks plaats genoeg is voor een Vogel, kortom, verrichten werkzaamheden, die ongelooflijk schijnen. In Groenland schiet men ’s winters duizenden Zeekoeten met het geweer; ook krijgt men ze op de volgende zeer eigenaardige wijze in handen: De Vogels zoeken hunne broedplaatsen op, voordat het kustijs losgeraakt is en brengen hier den korten nacht slapend door. In dezen nacht begeven de Groenlanders zich zoo stil mogelijk naar de vogelbergen, om, zoodra zij hier gekomen zijn, de Vogels schrik aan te jagen door plotseling te schreeuwen en te schieten. De arme Zeekoeten denken er niet om, dat de zee aan den voet van de rots nog met ijs bedekt is storten zich hals over kop naar beneden en vallen zich te pletter op het ijs. Behalve door den mensch worden zij onophoudelijk vervolgd door Roofvogels, Raven en Jagers; onder water loopen zij gevaar door roofvisschen verslonden te worden. Ondanks deze vervolgingen neemt hun aantal niet af.
De Zeekoeten op Helgoland mogen niet lastig gevallen worden voor den 24en Juli; op dezen dag wordt de jacht op genoemde Vogels geopend, in ’t eerst alleen voor de badgasten, later ook voor de bewoners van het eiland.
*
De onderzoekers, die de levenswijze van de kleinste van alle Zeekoeten, van de Kleine Alk (Mergulus alle), den eenigen vertegenwoordiger van het geslacht der Krabbenduikers, hebben nagegaan, noemen haar eenstemmig een van de bevalligste kinderen der zee. Door den korten en dikken, van boven gewelfden snavel, die bij oude Vogels vóór de eironde neusgaten nog flauwe groeven vertoont, houdt zij in zekeren zin het midden tusschen de Alken en de Zeekoeten. Het vederenkleed is op de bovendeelen donkerzwart, op den onderhals dofzwart, op de overige onderdeelen wit; de handpennen en stuurpennen zijn zwart; de armpennen hebben aan de spits een breeden, witten zoom. Het oog is donkerbruin, de snavel dofzwart, de voet blauwachtig zwart. In het winterkleed is ook de keel witachtig en de hals donkergrijs. Totale lengte 25, staartlengte 3 cM.
De Groenlandvaarders noemen de Kleine Alk “IJsvogel”, omdat men gewoonlijk rekenen kan op de nabijheid van groote ijsmassa’s, wanneer zij zich in grooten getale vertoont. Van alle Alkvogels is zij de bewegelijkste, wakkerste en behendigste. Betrekkelijk snel en vlug gaat zij met kleine trippelpasjes op de teenen, sluipt behendig tusschen de steenen rond, of kruipt als een Muis in rotsspleten. Haar bekwaamheid in ’t zwemmen en duiken is zelfs voor een lid van haar familie buitengewoon; zij blijft 2 minuten of langer onder den waterspiegel en kan gedurende geruimen tijd zeer slecht weer verdragen. In de zee gevoelt zij zich steeds volkomen thuis; slapend, met onder de schouderveeren verborgen snavel, zoowel als wakend drijft of zwemt zij welgemoed op de golven, hetzij deze hoog gaan, of zich slechts weinig verheffen. Van ’t water, evenals van ’t land, vliegt zij vlug en zonder merkbare inspanning op. Meer nog dan hare verwanten herinnert zij dan aan een vliegend Insect, daar zij hare kleine vleugels zeer snel moet bewegen. Haar voedsel schijnt hoofdzakelijk te bestaan uit kleine, dicht bij den zeespiegel levende Schaaldieren; slechts zelden vindt men overblijfselen van Visschen in haar maag.
De eilanden van het hooge noorden herbergen gedurende den broedtijd ontelbare zwermen van deze vogeltjes. Op de kusten van Spitsbergen hoort men, volgens Mallingren, nog op een halve mijl afstands van de kust onophoudelijk, over dag zoowel als ’s nachts, van de berghellingen, die zij tot woonplaats hebben uitgekozen, hun als “trr, trr, tet, tet, tet” of als “gief” klinkend geschreeuw. Volgens Faber broeden zij op IJsland slechts op één plaats, n.l. op de noordelijkste spits van het eilandje Grimsö. Ieder paartje zoekt diep onder de neergestorte steenklompen een geschikte plaats om te nestelen; men vindt in dit hol één wit, blauwachtig getint, zelden zwak roodachtig gevlekt ei van 50 mM. lengte en 35 mM. dikte. Zoodra de jongen zelfstandig geworden zijn, vereenigen de Kleine Alken van verschillende broedplaatsen zich tot de ontzaglijke scharen, die de zeevaarders in het noorden tot op de hoogste breedten waargenomen hebben. In den winter, vooral bij storm en ijsgang, komen zij ook aan de kusten van de Oost- en Noordzee voor; aan onze kust ontmoet men ze dan dikwijls in menigte, enkele exemplaren soms reeds in het einde van Augustus. Bij ijsgang in zee treft men ze niet zelden binnenslands in slooten en vaarten aan. De van roof levende Vogels en Visschen richten misschien onder de Kleine Alken geen grooter slachting aan dan de mensch. Naast het vleesch van het Rendier is dat van deze zeevogels een van de grootste lekkernijen van het hooge noorden. Bij duizenden worden zij gedood, soms meer dan 30 in één schot.
De groote, drijvende bladen van verschillende waterplanten, vooral van plompen, die de oppervlakte van stilstaande of langzaam stroomende wateren bedekken, dienen in warme landen tot jachtgebied aan eenige hoogst sierlijk gebouwde Vogels, die Parra’s heeten en een afzonderlijke groep uitmaken (Parrae), die slechts één familie bevat (Parridae). Men ontmoet ze in de keerkringslanden van de Oude zoowel als van de Nieuwe Wereld. Ieder werelddeel heeft zijne eigene soorten, die evenwel alle in levenswijze overeenkomen. Slechts bij uitzondering, vooral in den broedtijd, verlaten zij hunne drijvende eilanden.
In tegenstelling met andere moerasvogels, zijn zij jegens den mensch volstrekt niet schuw, maar vertoonen zich integendeel steeds ongedekt, laten toe, dat een boot dicht bij hen langs vaart, vliegen eerst op ’t laatste oogenblik weg, fladderen even over het water heen en strijken spoedig weer neer. Het zijn zeer bevallige, argelooze Vogels, die nevens de waterleliën en andere fraaie waterplanten zulk een bekoorlijken indruk maken, dat zij iedereen voor zich innemen, hoewel hun aard niet in alle opzichten beantwoordt aan de gunstige meening, die hun aanblik wekt. Door het loopen op bladen, die geen anderen Vogel van deze grootte kunnen dragen, bekoren zij den reiziger; dit feit heeft aanleiding gegeven tot de bijgeloovige verhalen, waarin zij een rol spelen. Overal elders dan op hunne bladen toonen zij zich onbeholpen. Wel zijn zij ook geschikt om over weeke modder te loopen, zonder er in te verzinken; ternauwernood echter kunnen zij zich door het hooge gras bewegen; evenmin zijn zij ervaren in het zwemmen of in het vliegen. Eenige soorten heeft men nog nooit zien zwemmen, van andere is het bekend, dat zij goed kunnen duiken. Zij hebben een vreemdsoortige stem, die bij sommige als lachen klinkt. Zij is niet slechts voor hunne soortgenooten maar ook voor andere Vogels een waarschuwing tegen gevaar.
Zij voeden zich gedurende een deel van ’t jaar bijna uitsluitend met de zaden van de planten, waarop zij zich ophouden, maar bovendien ook met allerlei kleine dieren.
Zij hebben een slanke gedaante, een dunnen, langwerpigen snavel en hooge pooten met buitengewoon lange en dunne teenen, welker lengte door die der slanke, rechte nagels soms verdubbeld wordt. Daar de gezamenlijke teenen, wanneer zij uitgespreid zijn, een groot vlak beslaan en de romp zeer licht is, vindt de Vogel op een groot, drijvend blad een voldoenden steun. De vleugels zijn tamelijk lang, smal en spits; de staart is kort en uit smalle pennen samengesteld; bij één soort echter (bij Parra sinensis, die ook op de Soenda-eilanden gevonden wordt) zijn de middelste stuurpennen draadvormig verlengd. Het vederenkleed is eenigszins schraal voorzien, maar stijf en in den regel fraai van kleur. De naakte voorhoofdsplaat, die bij de meeste soorten voorkomt, is bij sommige—o. a. bij de Haantjesparra (Parra cristata), die op Celebes en Noord-Australië thuis behoort—verlengd tot een huidlel. Opmerkelijk is de stevige, meestal spitse, soms stompe “doorn”, waarmede het handgewricht gewapend is.
*

Jassana (Parra jaçana). 1/2 v. d. ware grootte.
Een van de algemeenste moerasvogels van Zuid-Amerika is die, welke in Brazilië Jassana, in Cayenne Chirurgien, in Suriname Kemphaan wordt genoemd (Parra jaçana). Bij den volwassen Vogel zijn de kop, de borst en de buik zwart, de rug, de vleugels en de flanken roodbruin, de slagpennen geelachtig groen, aan de spits echter zwart, de stuurpennen donker roodachtig bruin. Het oog is lichtgeel, de snavel rood, aan de spits geelachtig, de naakte voorhoofdsplaat, zoowel als de lel aan den mondhoek, bloedrood, het naakte deel van den poot loodkleurig grijs, de doorn geel. Totale lengte 55 cM.; de middelste teen is (met zijn 24 mM. langen nagel) 55 mM. lang en even lang als de loop; de achterteen is 64 mM. lang, waarvan 40 mM. op den nagel komen.
Van Guyana tot Paraguay ontbreekt de Jassana in geen enkel stilstaand water, wanneer dit voor een deel met groote, drijvende bladen bedekt is. Wegens hare fraaie kleuren ziet men haar gaarne en laat haar rustig begaan; zij vestigt zich daarom in de onmiddellijke nabijheid van woningen, vooral in de afwateringskanalen van plantages; houdt zich bovendien op in alle moerassige streken, op natte, moerassige weiden, in de nabijheid van de kust, zoowel als in ’t binnenland of te midden van de oerwouden. Een prachtig schouwspel levert zij op te midden van de prachtige waterleliën, welker kleuren door de hare in de schaduw worden gesteld, pijlsnel loopend over de dicht dooreengegroeide, groote, groene bladen, voortdurend bezig met het zoeken van haar voedsel, dat vooral uit waterinsecten en hunne larven, doch ook uit zaden bestaat.
Het wijfje legt hare 4 à 6 eieren aan den waterkant op bladen van waterplanten, doch ook wel op den naakten grond. De jongen volgen hun moeder schielijk na.
De Trappen en Grielen vereenigt Fürbringer in één groep, die der Trapvogels (Otides).
De Trappen (Otididae) zijn groote of middelmatig groote, zwaarlijvige Vogels met een middelmatig langen, dikken hals, een tamelijk grooten kop, een dikken, aan den wortel van boven naar beneden samengedrukten, overigens kegelvormigen, vóór de spits van de bovenkaak een weinig gewelfden snavel, die ongeveer zoolang is als de kop. De middelmatig lange, zeer dikke loop draagt drie teenen; van de stevige, breede slagpennen der groote, goed ontwikkelde, aan de onderzijde zacht uitgeholde vleugels is de derde de langste; de korte staart bestaat uit 20 breede pennen; het glad aanliggend vederenkleed is aan den kop en den hals dikwijls verlengd (“baard”) en steeds met levendige kleuren versierd. Het mannetje is altijd grooter dan het wijfje en gewoonlijk ook fraaier gekleurd.
Met uitzondering van Amerika bewonen de Trappen alle werelddeelen, vooral echter Afrika en Azië. Haar levenswijze herinnert in vele opzichten aan die van de Hoendervogels, maar evenzeer aan die van de Pluvieren en hare verwanten. Als zij niet gestoord worden, blijven zij den geheelen dag op den bodem; in de middaguren zoeken zij hun voedsel, schreeuwen of vechten met elkander; des middags “gullen” zij (baden zich, op hun gemak uitgestrekt, in het zand), tegen den avond zoeken zij op nieuw voedsel en kiezen ten slotte de meest veilige plaats uit, om er ’s nachts te rusten. Zij eten even graag zaden als bladen, knoppen en knollen, plukken echter bij voorkeur de bladen zelf, laten b.v. gesneden kool onaangeroerd, terwijl zij een geheele kool met smaak verorberen. Aan brood kunnen zij gemakkelijk gewend worden; later beschouwen zij het als een lekkernij.
Hun voortplantingsperiode valt samen met het laatste gedeelte van de lente in hun vaderland. Volgens de meeste onderzoekers leven zij in monogamie. In een korenveld of tusschen het hooge steppengras krabt de hen een ondiep kuiltje, bekleedt het op gebrekkige wijze, en legt er een gering aantal eieren in; zonder hulp van haar gemaal bebroedt zij ze en hoedt de met een sierlijk donskleed bedekte, maar eenigszins plompe jongen; later komt het mannetje bij zijn gezin terug om voor de veiligheid van vrouw en kinderen te zorgen.
De Trappen worden in alle landen met hartstochtelijken ijver gejaagd, omdat haar groote voorzichtigheid den jager prikkelt tot het toonen van zijn meerderheid.
*
De Groote Trap of Trapgans, in Noord-brabant en Zeeland Wilde Kalkoen genaamd (Otis tarda), is de grootste Europeesche landvogel. Haar lengte bedraagt 1 M. of meer (staartlengte 28 cM.), haar gewicht kan tot 14 à 16 KG. toenemen. De kop, de bovenborst en een deel van den bovenvleugel zijn licht aschgrauw; de rug is op roestgelen grond met zwarte dwarsbanden geteekend, de nek roestkleurig, de onderzijde vuilwit of geelachtig wit; de slagpennen zijn donker grijsbruin, aan de smalle buitenvlag en aan de spits zwartbruin, hare schaften geelachtig wit, de laatste bijna zuiver wit, de stuurpennen fraai roestrood, vóór de witte spits met een zwarten band versierd, de buitenste bijna geheel wit. De “baard” bestaat uit ongeveer 30 lange, teere, smalle, losbaardige, grijsachtig witte veeren. Het oog is donkerbruin, de snavel zwartachtig, de voet grijsachtig.
Van Zuid-Zweden en Middel-Rusland af vindt men de Trap in geheel Europa en Middel-Azië; in Noordwest-Afrika komt zij slechts enkel en uitsluitend gedurende den winter voor. In Groot-Britannië is zij reeds uitgeroeid, in Frankrijk zeer zeldzaam, in Spanje slechts in eenige gewesten te vinden; in Hongarije, Moldavië en Wallachije, in Roemelië en Thessalië, in de Zuid-Russische steppe en in geheel Middel-Azië daarentegen treft men haar buitengewoon veelvuldig aan. Gedurende hare zwerftochten (men kan bij haar eerder van zwerven dan van trekken spreken) bezoekt zij niet slechts de zuidelijke, maar ook de meer westwaarts gelegen landen, b.v. Nederland en Zwitserland. In vroegere eeuwen geschiedde dit op grooter schaal dan thans en verschenen deze Vogels bij ons jaarlijks in den herfst in zoo groote menigte, dat (gelijk Merula in zijn “Vlugchtbedrijf” bericht) geheele velden er mede bedekt waren. Ook thans echter strekken enkele exemplaren hun tocht naar ’t westen zoo ver en zelfs tot in Groot-Britannië uit. Hun aantal is evenwel alleen dan van eenige beteekenis, wanneer in Oost- en Middel-Europa een strenge koude heerscht en veel sneeuw valt, gelijk het geval was in December 1890 en Januari 1891. In de meeste provinciën van Nederland zijn in genoemden winter Trappen waargenomen, soms vluchten van 18 stuks; 10 exemplaren werden geschoten. In Groot-Britannië heeft men er in denzelfden tijd 7 bemachtigd. Veel grooter slachting werd destijds in Roemenië onder de Trappen aangericht; op den met ijs bedekten bodem geen voedsel vindend, kwamen deze Vogels, die in den regel op 250 à 400 passen met de buks moeten worden geschoten, in de nabijheid van boerenwoningen en werden in grooten getale gedood. Het aantal Trappen, dat destijds te Boekarest op de markt werd gebracht, schat men op niet minder dan 800 stuks (Albarda).
In de Noordduitsche vlakte en in de uitgestrekte, niet met wouden bedekte velden van Middel- en Zuid-Duitschland bewoont de Groote Trap ook thans nog alle voor haar geschikte plaatsen. Zij is hier standvogel; het gebied, waarin zij zich beweegt, is zeer uitgestrekt; zij verlaat het slechts in zeer strenge winters. In Rusland en Middel-Azië echter verschijnt zij in de lente, blijft tot Augustus in het oord, waar zij zich voortplant en begeeft zich dan naar andere gewesten. Zij zwerft dus op geregelde tijden, of trekt, zij het dan ook in beperkte mate.

Groote Trap (Otis tarda). 1/10 v. d. ware grootte.
De Groote Trap vermijdt steeds boschrijke gewesten, omdat zij in iederen struik een hinderlaag ducht. Evenmin nadert zij in Duitschland bewoonde gebouwen. In den winter houdt zij zich bij voorkeur op in velden, die haar voedsel kunnen verschaffen, het meest dus in akkers met koolzaad of winterkoren. Gedurende dit jaargetijde is zij, zoo mogelijk, nog voorzichtiger dan in den zomer, die haar in het hoog opgeschoten graan een goede schuilplaats verschaft. Des nachts rust zij steeds op de meest afgelegen velden, meestal braakliggend of stoppelland, die zij eerst in de schemering opzoekt en waar, naar het schijnt, wachten uitgezet worden, die voor de veiligheid van het geheele gezelschap moeten waken.
De Groote Trap gaat met langzame en afgemeten passen, hetgeen aan haar voorkomen een zekere waardigheid verschaft; als het noodig is, kan zij echter zoo schielijk rennen, dat een Hond haar slechts met moeite kan inhalen. Om op te vliegen, doet zij een korten, uit 2 of 3 sprongen bestaanden aanloop en verheft zich daarna, wel niet bijzonder snel, maar toch zonder buitengewone inspanning met langzame vleugelslagen in de lucht; als zij eerst een zekere hoogte bereikt heeft, rept zij zich zoo schielijk voort, dat de jager om haar met de buks te treffen een geoefend oog en een vaste hand moet hebben.
Het gewone geluid van de Groote Trap is een vreemdsoortig, zacht gesnater, dat men alleen in de onmiddellijke nabijheid van den Vogel duidelijk kan waarnemen.
De ervaring leert, dat het oog het meest ontwikkelde zintuig is van de Groote Trap. Niet licht ontgaat iets aan haar scherpen blik. De reuk schijnt zeer zwak te zijn; zeker is het evenwel, dat de Trappen scherp hooren.
De Groote Trap voedt zich in volwassen toestand bij voorkeur met groene plantendeelen, graanvruchten en zaden, in haar prille jeugd bijna uitsluitend met Insecten. Al onze landbouwplanten zijn van haar gading, aardappels laat zij echter gewoonlijk liggen; het liefst eet zij naar ’t schijnt, jonge erwtenplanten en verschillende soorten van kool; zij gebruikt echter ook krodde- en mosterdplanten en graast in geval van nood de topspruitjes van het gewone gras af. In den winter voedt zij zich hoofdzakelijk met koolzaad- en graanplantjes; in den zomer gebruikt zij, behalve plantaardig voedsel, ook altijd eenige Insecten, zonder eigenlijk jacht op hen te maken; ook vervolgt zij ijverig Veldmuizen. Geregeld slikt zij ook kleine kwartskorrels door, tot bevordering van de spijsvertering. Haar dorst stilt zij met de dauwdroppels, die ’s morgens aan het gras hangen.
Als de paartijd nadert, toonen de hanen een groote opgewondenheid; zij stappen met waaiervormig uitgespreiden, een weinig opgeheven staart, fier als Kalkoenen rond; intusschen is vooral een vliezige zak aan de keel zoo sterk opgeblazen, dat de hals meer dan eens zoo dik schijnt dan gewoonlijk. Er hebben dan hevige gevechten plaats, tot de zwakste hanen het veld ruimen. Alle bekende feiten pleiten voor de meening, dat de Trappen in monogamie leven.
Bij ’t kiezen van de broedplaats geven zij steeds blijken van groote voorzichtigheid; door oude paren geschiedt dit echter zorgvuldiger dan door jonge. Als het koren reeds zoo hoog is opgeschoten, dat het broedende wijfje zich er in verbergen kan, krabt zij een ondiep kuiltje in den bodem, bekleedt dit soms met eenige droge stoppels, stengels en halmen en legt hierin twee, bij uitzondering ook wel drie, niet bijzonder groote, kort eivormige eieren; deze hebben een dikke, grofkorrelige glanslooze schaal, die op licht olijfkleurig groenen of dof grijsgroenen grond, donkerder gevlekt en gesprenkeld is. Zij nadert het nest steeds uiterst behoedzaam, sluipt er letterlijk heen, laat zich zoo weinig mogelijk zien en legt, zoodra zij iemand bespeurt, den hals, dien zij gedurende het broeden rechtop houdt, plat op den bodem. Als een vijand nadert, sluipt zij, zonder gezien te worden, door het koren weg; als een gevaar haar plotseling overvalt, vliegt zij omhoog, maar strijkt spoedig weer in ’t koren neder en loopt dan verder. Na een bebroeding van 28 à 30 dagen komen de wollige, bruinachtige, zwart gevlekte jongen uit, die zoodra zij droog zijn met de moeder meegaan. Deze is zeer gehecht aan haar kroost; wanneer het gevaar loopt, fladdert zij angstig dichtbij den rustverstoorder langs en neemt allerlei listen te baat om hem van ’t spoor te brengen; wanneer haar dit gelukt is, keert zij naar hare kinderen terug, die zich op een doelmatig gekozen plaats op den grond hebben gedrukt en in de overeenkomst van de kleur van hun kleed met die van den bodem een voortreffelijk middel tot beschutting hebben gevonden. Kleine Kevers, Sprinkhanen, larven van Insecten, die voor een deel door de moeder uit den grond gekrabd of gevangen en voor de kuikentjes neergelegd worden, maken hun eerste voedsel uit. In den beginne zijn zij zeer onbeholpen; hun gang is gebrekkig en waggelend; zij leeren eerst laat zelf hun voedsel op te pikken, maar beginnen dan spoedig groen voer te eten.
Om Trappen te temmen, moet men ze jong gevangen hebben, daar volwassene het verlies van haar vrijheid moeielijk te boven komen. Zeer ervaren vogelfokkers koopen ook wel eieren op, die door herders gevonden zijn en laten deze door Hoenderen of Kalkoenen uitbroeden. De Trappen zijn niet bestand tegen het leven in een stal, maar moeten ’s zomers en ’s winters in de vrije natuur gelaten worden.
De Trap wordt tot de “groote” jacht gerekend en overal ijverig vervolgd. In vroegere tijden gebruikte men voor de trappenjacht de zoogenaamde “karbuks”, een echte helsche machine, die uit vele onderling vereenigde geweerloopen bestond, maar wegens haar zwaarte niet anders dan van een kar gehanteerd kon worden. Ervaren jagers besluipen in den baldertijd de fier rondstappende hanen en dooden hen met den kogel; dikwijls verkleeden zij zich vooraf als een boerenarbeider en nemen een draagkorf op den rug, of duwen een kruiwagen voort, of hebben een ploegpaard bij zich, dat zij berijden, of waarachter zij zich gedurende het besluipen van het wild verbergen. In de Russische steppen worden de Trappen niet zelden met Windhonden “gehitst”, in Azië “beit” men ze met Edelvalken of getemde Steenarenden. Ook wacht men in de steppen soms nevelachtig, vriezend weer af en jaagt dan op flinke Paarden gezeten de Trappen achterna; in dit weder zijn n.l. de vleugels van het wild met een ijskorst bedekt en hierdoor minder geschikt voor het gebruik. De vallen en strikken, die soms aanbevolen worden, leiden zelden tot de gewenschte uitkomst.
In ’t zuiden van Europa vindt men, nevens de zooeven genoemde soort, de Kleine Trap (Otis tetrax). Haar geringere grootte en afwijkende kleur onderscheidden haar van de Groote Trap; bovendien zijn de veeren van bovenhals en achterkop naar de zijden eenigszins verlengd. Bij het mannetje is de zwarte hals geteekend met een van de ooren naar den gorgel afdalenden, witten ringband en heeft de krop een breeden, witten dwarsband; het aangezicht is donkergrijs, de bovenkop licht geelachtig met bruine vlekken, de mantel op licht roodachtigen grond in dwarse richting zwart gevlekt en gegolfd; de vleugelrand, de boven- en onderdekveeren van den staart en de veeren van de onderzijde zijn wit, de handpennen aan den wortel wit, aan de spits donkerbruin, de bovendekveeren van den vleugel en de staartveeren wit, dichtbij de spits met twee banden versierd. Het oog is licht- of bruingeel, de snavel hoorngrijs, aan de spits zwart, de voet stroogeel. Totale lengte 50, staartlengte 13 cM.
Ook de Kleine Trap is een steppenvogel; haar eigenlijk gebied begint, waar de steppe of een hiermede overeenkomend terrein haar geschikte verblijfplaatsen verschaft, n.l. in Zuid-Hongarije en Zuid-Frankrijk; van hier strekt het zich aan de eene zijde uit over Turkije en Griekenland, Zuid-Rusland, geheel Middel- en West-Azië (vooral Toerkestan, Indië, Perzië, Klein-Azië en Syrië), naar de andere zijde over Italië, Spanje en Noordwest-Afrika. De Russische en Siberische steppen moet men als het brandpunt van haar verbreidingsgebied beschouwen. Ook op Sardinië schijnt zij zeer veelvuldig te zijn, terwijl zij in Spanje wel is waar niet in grooten getale voorkomt, maar toch nergens ontbreekt. Na den broedtijd zwerft zij rond en trekt vervolgens uit sommige landen naar zuidelijker streken. Gedurende hare zwerftochten verdwaalt zij ook naar koudere gedeelten van Europa, o. a. naar Nederland; herhaaldelijk zijn hier (van September tot Januari) enkele exemplaren van deze vogelsoort geschoten. Vóór 1870 verscheen zij op deze wijze ook in Duitschland, zoowel in de lente als in den herfst, bleef er altijd echter slechts korten tijd om zich vervolgens hetzij naar het zuidwesten of naar het oosten van Europa te begeven. Sedert het genoemde jaar heeft zij zich in het kale, heuvelachtige, maar vruchtbare gewest van Thuringen, dat tusschen de steden Weissense, Kölleda, Erfurt, Langensalza en Greuszen gelegen is, en later ook in Silezië als broedvogel gevestigd. Toch behoort de Kleine Trap in Duitschland, gelijk bij ons, nog altijd tot de groote zeldzaamheden.
In tegenstelling met haar grootere verwant voedt de Kleine Trap, zelfs als zij volwassen is, zich grootendeels met Insecten, vooral met Sprinkhanen, Kevers en verschillende larven, zonder echter het plantaardige voedsel geheel te versmaden. Niet slechts om deze reden, maar ook omdat zij een uitstekend wildbraad oplevert, moet men haar als een nuttige Vogel beschouwen. In Spanje wordt dit wild onder den naam “Fazant” opgedischt.
De Aziatische Kraagtrap [Otis (Houbara) Macqueenii], die door haar grootte het midden houdt tusschen de beide reeds genoemde soorten, is in ons land geen volslagen vreemdeling, daar zij éénmaal bij Zeist geschoten werd. Ook in Duitschland, België, Frankrijk zijn afgedwaalde exemplaren waargenomen. De Kraagtrap is gemakkelijk kenbaar aan haar kuif, die uit smalle, gekromde, zwarte en witte veeren bestaat, aan den zeer langen en grooten, deels zwarten, deels witten vederkraag aan weerszijden van den hals en aan de zeer fijne, golvende dwarslijnen op de bleek grijsachtig rosbruine bovendeelen en vleugels.
De Hoebara [Otis (Houbara) undulata], die vaak met de Kraagtrap verward werd en veel op haar gelijkt, is iets grooter en heeft zuiver witte kuifveeren, terwijl de veeren van den rug en van de vleugels donkerder, meer bruinachtig zijn.
De Kraagtrap bewoont de vlakten van Pandsjab en de daaraan grenzende gedeelten van Sindh, dwaalt echter ook wel naar andere gewesten van Indië af, wordt veelvuldig aangetroffen in de droge steenachtige vlakten van Afghanistan en komt bovendien voor in andere Aziatische landen, vooral in Toerkestan, Zuidwest-Siberië, Perzië en Mesopotamië.
De Hoebara vervangt haar in de landen ten zuiden van de Middellandsche Zee, van de Kanarische eilanden tot Arabië, is niet zeldzaam in Marokko, Algerië, Tunis en Tripolis, aan de Libysche kust zelfs veelvuldig, maar vertoont zich slechts bij uitzondering in het Nijlgebied.