← Table of contents
Het eerste ontwerp voor de bedijking der Zuiderzee, 1848

DE INDIJKING EN DROOGMAKING VAN DE ZUIDERZEE EN HET IJ, (continued 2)

Reading edition

Het Departement der maatschappij: tot Nut van 't Algemeen aan de Zaan, kan deszelfs prijsvraag, tot wering van de steeds toenemende armoede, alsdan intrekken;—het tijdelijk plaats gehad hebbende gebrek, zal eene gebeurtenis in de geschiedenis worden, welke opgehouden zal hebben te bestaan!

Er zijn zekere ongeriefelijkheden, waarop men, van zijne jeugd af er aan gewoon, naauwelijks meer let, of gevoelt, dat ze bestaan. Wie denkt er aan de Zaan aan, dat het een ongerief is om, naauwelijks uit het huis komende, gevaar te loopen van in het water te stappen? Verkrijgt men eens eene verbeterde afwatering, zoodat de landerijen droog blijven, waardoor men zonder klompen droogvoets kan loopen dan zal men erkennen, van eenen grooten last ontslagen te zijn, dien men nu naauwelijks meer opmerkt.

Doch niet alléén, dat het eigenaardig zoogenaamde Waterland een droog land zal worden, maar daardoor zal het ook tot alle kultuur geschikt worden, en alzoo zal de waarde der landerijen niet alleen verhoogen, maar ook de bouw en verkoop der produkten zal toenemen, en daardoor meer arbeid en welvaart geboren worden.

Hoe vele duizende bunders land, binnen den omtrek van Amsterdam en Zaandam, nu drassig en moerassig liggende en kwalijk eenig gras opleverende, zullen door de droogmaking dubbele waarde verkrijgen. Draagt daarom ook, én voor uw zelfbehoud, én voor de vermeerdering uwer middelen, én voor de toekomstige welvaart uwer kinderen van het uwe bij, opdat de droogmaking der Zuiderzee ten uitvoer gelegd kunne worden.

En zijn zoovele West-Vriesche steden, wier kronijken van vroegere welvaart melding maken, binnen wier muren de half gesloopte bouwvallen van bestaan hebbende paleizen, pakhuizen, werven, enz., den voorbijganger weemoedig daarop doen staren met oneindig meer belangstelling dan de tegenwoordige inwoner van Rome de overblijfselen der grootheid zijner voorzaten, wier bestaan hij naauwelijks kan bevroeden. Neen, nog zijn die tijdperken zoo ver niet in het verledene, nog leest men in de geschiedenis van ons vaderland met bewondering en belangstelling het tijdperk der bevrijding van het Spaansche juk, en hoe de Watergeuzen van uit hunne havens tot de bevrijding van hun vaderland hielpen bijdragen; hoe de Nederlanders, de vrijheid bevochten zijnde, meer vredelievende, doch niet minder gevaarlijke togten ondernamen, hoe zij Nova Zembla naderden en de Oost-Indiën bezochten, hoe zij uit het Noorden den walvisch, uit het Oosten de geurige specerijen mede huiswaarts bragten!

Moge alsnu de vaart van uit die havens niet meer naar zoo ver gelegene streken plaats hebben, de inwoners zullen evenwel gelegenheid vinden, om schepen tot aan- en afvoer van velerlei behoeften voor zich zelven en de bewoners van de drooggemaakte Zuiderzee, binnen hunne havens te zien laden en lossen; terwijl zij thans de magt niet bezitten, om door de slib, die hen omgeeft, hunne havens genaakbaar te maken.

Wij kunnen het geheele territoir niet bewandelen, dat den weldadigen invloed van deze onderneming zal ondervinden. De bewoners van elke plaats moeten daarover nadenken, de voordeelen opsommen, wikken, wegen en beslissen, of niet de drang der noodzakelijkheid, hun allen gebiedt, met den meesten spoed tot het ten uitvoer brengen der droogmaking van de Zuiderzee mede te werken, opdat de voorgespiegelde welvaart geene ijdele begoocheling blijve, maar zich met de daad verwezentlijke.

Eene waarheid is en blijft het, dat wij op de Voorzienigheid moeten blijven vertrouwen; het is echter niet minder waarheid, dat wij verpligt zijn, naar onze menschelijke inzigten de middelen, welke tot verbetering van onzen toestand kunnen leiden, ter hand te nemen, om daarop naar de bedoelingen van den Alwijze, zijnen zegen af te wachten. Wij mogen beschouwen en bepeinzen, maar dat moet geene besluiteloosheid worden, die de gelegenheid laat voorbijgaan, om tot de algemeene verbetering van onzen toestand handen aan het werk te slaan. Dat toch niet op den duur de schimp des vreemdelings bewaarheid worde: „De Hollander praat veel, doch voert niets uit!”

Duldt niet, dat de droogmaking van de Zuiderzee uit gebrek aan geld, onuitgevoerd blijve, zoodat ook de vreemdeling met zijn geld er toe bijdragen moet, en het den schijn zoude hebben, alsof het u onverschillig ware, hoe de droogmaking tot stand moge komen.

En wat is er dan wel noodig, om dat alles daar te stellen? zal men welligt vragen.—Om de Zuiderzee van Enkhuizen af tot bij Stavoren in te dijken en droog te maken, met de indijking van het IJ, het daarmede verbondene kanaal tot in de Noordzee, de vaarten van Zaandam en Nauerna, al de opgegevene ringvaarten om de Zuiderzee, benevens het afwateringskanaal door de Geldersche Veluwe naar de Steenenkamer, voor dit alles, benevens het sloten, slechten en kavelen van de geheele oppervlakte der 270,000 bunders, worden ruim negentig millioenen guldens vereischt. Maar die som ware er noodig, zoo men alles wilde daarstellen, en staande de volvoering van het geheel, niets wilde verkoopen;—doch het droog gemaakte en geheel voor de kultuur gereede IJ, heeft minstens eene waarde van zestien millioenen guldens, welke te realiseren waren. Het sloten, slechten, kavelen à ƒ 84,— over den 260,000 Bunders berekend, beloopt wel twintig millioenen guldens. Het toebereiden van het land kon trapsgewijze geschieden, naar gelang dat er verhuurd of verkocht werd, in welk laatste geval het sloten, slechten en kavelen aan den kooper konde overgelaten worden, zoodat met omstreeks 50 à 60 millioenen guldens een werk te voltooijen ware, dat jaarlijks millioenen guldens kan opleveren.—Vier en vijftig millioenen guldens kostte de enkele spoorweg van Londen naar Birmingham, en de inschrijving daarvoor was binnen weinig tijds vol en welke waarborg biedt die weg den geldschieter aan? Een vermoedelijk vertier van reizigers en het vervoer van goederen, terwijl eene opkomende concurrentie, eene verbeterde uitvinding van wegen te leggen, die een goedkooper vervoer oplevert, gezwegen nog van het luchtreizen, dat, naar men zegt, door eenen Hollander schijnt mogelijk gemaakt te zullen worden, de waarde der actiën tot nul zal kunnen doen dalen—het land, hetwelk ƒ 350,— het bunder, geheel ter bebouwing gereed, zal kunnen kosten, kan door geen onvoorzien evenement verloren gaan. „Land is zekere bezitting,” zegt het spreekwoord.

De zaak zal, wat het geld betreft, wel uitvoerbaar worden, indien er maar eene directie gekozen wordt, wier persoonlijk karakter en moraliteit vertrouwen inboezemt.

Het is in Amsterdam niet alléén, het is overal in ons vaderland, dat er zoovele inrigtingen, aan de weldadigheid gewijd, in stilte bestaan, waar niet mede gepraald wordt, zooals in Engeland, door de woorden: „Gesticht door vrijwillige bijdragen,” in vergulde letters voor de gevels te hechten; maar welke gestichten desniettemin door belanglooze waarneming van het beheer voldoening geeft voor de eerlijkheid en goede trouw der bestuurders.

Nog mag men in deze de Hollandsche trouw roemen, en het strekt ons ten bewijze, dat het niet aan mannen zal ontbreken, welke er eene eer in zullen stellen, dit ontwerp met belangloozen ijver te helpen tot standbrengen. Mogen wij namen noemen, wij zeggen dan, kiest mede in het bestuur den tegenwoordigen burgemeester van Amsterdam, den man, die in de zitting der tweede kamer van de Staten Generaal blijken gaf, de belangen van het rijk belangloos voor te staan, door van het Honorarium af te zien; den man, die een der edelste voorstanders, van de Kweekschool voor de Zeevaart is, waar hij even trouw den toestand van de zieken onderzoekt, als in den vroegen morgen, in de open lucht, de exercitiën der kweekelingen bijwoont; hij, die bewijzen gegeven heeft, de stads belangen voor te staan, en met moed ontzag in te boezemen tot waarneming der verpligtingen, die op de ambtenaren rusten, en die welligt slechts door den gebrekkigen langzamen gang, dien de verouderde vorm van regeren mede brengt, verhinderd wordt, om aan de stad meerdere welvaart te verschaffen. Schouwt om u heen,—zoo vindt gij er nog velen bij ons. Wij kennen er ook, die gaarne zouden willen medewerken, maar die te naauwgezet zijn, en wien de vrees weêrhoudt, omdat hun goeden naam anderen zou aansporen tot geldelijke bijdragen, en zij zich daardoor bij eventueel nadeel, een onverdiend verwijt zouden op den hals halen.

Heeft men op Engelsche wijze eene naamlijst van de notabelste ingezetenen van Amsterdam, aan eene, zoo niet geheel, nogtans meerendeels Engelsche onderneming, de Rijn-Spoorweg, weten te voegen, die, zonder voordeel te trekken, zelfs nog met opofferingen de belangen der onderneming voorstaan; waarom zoude het met deze onderneming dan niet geschieden, waaraan de belangen, de voorspoed en welvaart van allen in dit Rijk verbonden zijn? Zouden hier niet ook Graven, Baronnen en Jonkheeren willen medewerken (niet blootelijk in schijn hun naam presterende, zooals in Engeland), om eene zaak voor te staan, waarmede ook hun belang verbonden is; grondeigenaren, wier eigendommen allen verbeteren zullen, door de daar te stellen betere uit- en afwateringen? Wij zouden verlangen, dat eene commissie zich, zonder dadelijke geldelijke belooning, belastte met een onderzoek omtrent de uitvoerbaarheid van ons ontwerp, en wat het technische betreft, deze taak liet waarnemen door waterbouwkundigen, daarbij respectabele aannemers voegende, welke door practische ondervinding geleid, eene, hoewel steeds globale berekening van de kosten konden indienen, of de door ons gemaakte ramingen, in overleg met ons, konden onderzoeken, om daarin zoodanige wijzigingen te maken, als zij met hunne kunde en ondervinding gelooven te moeten maken. Er waren zeker aanvankelijk wel eenige kosten mede gemoeid, doch er heeft zoo menig voorloopig onderzoek, op deze wijze, in minder belangrijke aangelegenheid plaats gevonden, waarom zouden wij dan betwijfelen, dat men hier niet zoude slagen?

Is dit voorloopig onderzoek gunstig, dan schare men uit alle standen notabelen om zich heen, welke eene directie kiezen, die zich constitueert, en de gevorderde maatregelen neemt, om eene maatschappij te vormen, die het voorgestelde doel zal ten uitvoer brengen; die de noodige onderhandelingen met de hooge regeering leidt, zoo mede met alle hierin betrokkene partijen, en zich van een toereikend kapitaal voorziet. Deze directie beschouwe, totdat er voordeelige resultaten aanwezig zijn, hare taak als eenen eerepost; zij bedenke, hoeveel tijd, kosten en moeite zoo vele commissiën thans vorderen, om de bestaande armoede te lenigen, om gebrek voor te komen, om tijdelijk te voorzien, waar de toekomst thans niet gunstiger is, terwijl daarentegen, door het daarstellen dezer onderneming, de oorzaken van de armoede, en dit gebrek in tijdelijke voorzieningen, zullen ophouden te bestaan.

Hier zal het bestuur der werkzaamheden van alle zijden medewerking vinden, terwijl eens ieders voordeel daaraan verbonden is. Hoe spoediger de dijken daargesteld, de omdijkingen gereed, en de droogmaking der Zuiderzee voleindigd zal zijn, zooveel te spoediger zal ook de zorgelijke gesteldheid, waarin een ieder, zoowel als de schatkist, verkeert, ophouden te bestaan.

„Waarom dit ontwerp niet aan de regering ingediend, opdat het door haar worde ten uitvoer gebragt?” heeft men ons gevraagd en zal men nog wel vragen. Wij komen er onbewimpeld voor uit, dat wij daarin groote zwarigheid vinden.

Engeland en Frankrijk strekken ons ten voorbeeld, dat zij het raadzaam oordeelen, groote ondernemingen door particuliere associatiën te laten ten uitvoer brengen, omdat deze, in hun eigen belang werkende, dezelve zuiniger en met meerdere spoed daarstellen, het ook hier te lande plaats vindt.

Bij eene regering moet naar administratieve instructiën gehandeld worden; daar worden zekere plannen beraamd, die plannen worden door haar alléén gevormd, overwogen en goedgekeurd, zonder daarover adviezen van andere deskundigen in te winnen, waardoor zwarigheden opgelost, en verkeerde berekeningen zouden kunnen worden opgehelderd. Alles wordt op de bureaux in het geheim behandeld, en noch het publiek, noch deskundigen, kunnen er over oordeelen, dan wanneer het te laat is; eerst dan, wanneer men reeds een begin met de uitvoering gemaakt heeft, en de feilen onherstelbaar zijn, worden er somwijlen, op goede gronden rustende, verslagen medegedeeld in de dagbladen, de agenten van het bestuur antwoorden niet, en wanneer zulks al eens geschiedt, dan nog maar zeer onvolledig en oppervlakkig. De toegevoegde commissiën, waarvan veelal de leden notabelen zijn, welke het somwijlen aan de noodige kunde ontbreekt, om de dáár eenzijdig voorgelegde plannen en bestekken te beoordeelen, roepen geenen raad van onzijdige deskundigen in, welke in staat zouden zijn, hen voor te lichten omtrent de eenzijdig gestelde ontwerpen, en aldus worden plannen van menschen, die natuurlijk met hun eigen werk zijn ingenomen, zonder neutraal onderzoek, en zonder eigene kunde der commissie goedgekeurd en aangenomen. Dit nu heeft bij ondernemingen door particulieren geene plaats; daar heeft men natuurlijk zijne eigene, daartoe gekozene, deskundigen; maar derzelver ontwerpen worden niet administratief onderzocht. Dat agenda's schriftelijk om rapporten en advies vragen, valt daar weg; het gekozene commité hoort, ziet, oordeelt, en beslist spoedig en tijdig.

Bij de regeering heeft men superieuren en ondergeschikten, de generaal en de korporaal, en blindelings moeten daar de orders gevolgd worden. Is de superieur kundig, dan heeft hij somwijlen onverschillige en trage ondergeschikten; deze doen zooveel en zoo weinig als hun wordt voorgeschreven, en als zij verantwoorden kunnen. Zien zij fouten, zij laten dezelve oogluikend voorbijgaan: het is zeker, dat zij hersteld moeten worden,—doch ziedaar eene reden, waarom het werk langer onderhanden blijft, en er alzoo meerder kans is, om langer geëmploijeerd te blijven. Weet men iets beters, men zwijgt; en wel vooral, wanneer de superieur een opgeblazen persoon is. De superieur moge geschikt zijn, maar trage ondergeschikten hebben, hij vordert niet; zoo lang zij als machines de hun opgelegde taak volbrengen, kunnen zij niet ontslagen worden. Is de superieur verwaand, en zijn de ondergeschikten bekwaam, zij moeten zwijgen; zij worden als wijsneuzen beschouwd, en hun wordt aangemaand, niet te denken, maar te handelen, zooals hun voorgeschreven is.

Voor velen onzer bekwame waterbouwkundigen is dikwijls de minder kundige ondergeschikte een last, waarvan zij niet kunnen ontslagen worden, en waardoor dan dikwerf niet zoo gehandeld wordt, als wel behoort, terwijl hij zelf aan beperkte instructiën gebonden is, en zijne, na bevind van zaken betere inzigten, moet laten rusten. Is hij daarentegen bij eene particuliere onderneming, daar is elke voorgestelde verbetering welkom, dewijl men, voor eigen belang werkende, niet van hoogere magt afhankelijk is; men komt dan tot een dadelijk besluit. Bij zulke ondernemingen worden de onderscheidene verdiensten ook beter beloond, waardoor de ambitie geprikkeld wordt. Ook is er, bij aanbesteding der werken door particulieren, meerder vooruitzigt, dat de voorgestelde werken goedkooper aangenomen worden en beter ten uitvoer zullen gebragt worden—zulks is door de ondervinding bevestigd. Dit wordt veroorzaakt, door dien de aannemer vrijere magt heeft om te handelen. De letter van het bestek op te volgen, is veelal schier ondoenlijk, en wordt evenwel door 's Rijks Ingenieurs gevorderd; en dit volgen der letter van het bestek heeft menig aannemer ten val gebragt, terwijl het Rijk er juist niet beter bij gevaren is. Als men bij particuliere aanbestedingen bespeurt, dat de aannemer zijnen pligt betracht, en de zaak (hoewel niet letterlijk volgens het bestek) ten uitvoer brengt, dan is men tevreden. Is er somwijlen verschil, men gaat vrijelijk naar de directie; maar geen aannemer bij het Rijk, die zich over den bij het werk aangestelden Ingenieur beklagen zal, want hij weet, voor ééns en voor altijd, dat het nutteloos en ondoenlijk is.(5)

Bij particuliere ondernemingen, weet de aannemer, is er voor de stipte betaling gezorgd, en bij het Rijk?—hoe dikwijls zijn aannemers daar niet te leur gesteld? In 1815 en 1816 ontvingen zij voor hunne ƒ 100 in plaats van geld, syndicaat ter waarde van 80 à 85%, in 1830 schatkistbiljetten van 70 à 80%. Dit gebruik maken van zoodanige hulpmiddelen, hetwelk menigen onschuldige in verlegenheid bragt, heeft het Rijk veel meer gekost, dan het verschil tusschen den prijs van het papier en kontant bedroeg. In Engeland betaalt men immer 's Rijks werken met wissels op 3/m. op de bank, met inbegrip der 3/m. disconto. Dan dient ook de meerdere spoed in aanmerking te komen, waardoor de particuliere, uit den aard der zaak, aan de regeringswerken vooruit zijn. Veel wordt bij particulieren mondeling behandeld, hetwelk bij de regering schriftelijk moet geschieden. Deze schriftelijke voorstellen hebben eenen geruimen tijd noodig, om in en uit de handen der maar op zekere tijden bijeenkomende commissiën te komen; en dan moeten dezelve nog door vele handen in de ministeriën circuleren, alvorens de minister fiat teekent. Bij eene particuliere directie heeft ieder belang en winst bij spoed; daarentegen bij rijks-commissiën wordt aan de leden geen nadeel berokkend door vertraging; het honorarium gaat door.

De Ingenieur, die bij eene droogmaking zijne buitengewone toelage geniet, zoo lang de droogmaking duurt, heeft er geen belang bij, dezelve met spoed te volbrengen; want eigenbelang is en blijft immer eene sterke drijfveer.

Zoo wil men, dat er eindelijk verstopt geraakte pompen in de dijken van eenen drooggemaakten plas gevonden zijn, terwijl men vele gissingen gemaakt heeft omtrent het gestadige toevloeijen van het water. Intusschen heeft de droogmaking vele duizenden boven de vastgestelde raming gekost. Even als de pompen bij toeval zijn verstopt geraakt, even zoo zijn zij bij toeval ontdekt. Bij vele dingen ligt evenwel de blaam niet op de hooge regering zelve, het is de administratie aan wier werkzaamheden, zoo het schijnt, niet meer spoed kan bijgezet worden, daar hare omslagtigheid allen spoed weert.

Wij hebben onbewimpeld onze gedachten gezegd; de toedragt der zaak, naar ons inzien, bloot leggende, beschuldigen wij niemand. Wij hebben meermalen de eer gehad, vele verdienstelijke ambtenaren, zoo in hooge als mindere betrekkingen, te leeren kennen, wier kunde en beleid wij alle achting toedragen. Hoe ook door dezen en genen onze wijze van denken en spreken moge beschouwd worden, men zal moeten erkennen, dat wij, zoo verre het in ons bereik mogelijk is, nut willen stichten.

Wij willen ook eene nationale eerezuil oprigten: wij willen 's Rijks schatkist door 's Lands welvaart gestijfd hebben; wij willen eenen magtigen steun geven aan handel, aan scheepvaart, aan landbouw, en aan alle bij ons te huis behoorende fabrijken en trafijken. De gedrukte middelstand zal nieuw leven erlangen, en voor jaren zal de armoede geweerd zijn; er zal meer nationale rijkdom ontstaan, doordien wij eene grootere hoeveelheid goeden bebouwbaren (slib)grond zullen aanwinnen, dan wij thans bezitten. De noodzakelijkheid en de uitvoerbaarheid betoogd hebbende, willen wij de onderneming eerst eens uit staatkundig oogpunt beschouwen.

Wij prijzen dezelve aan, als eene schadevergoeding voor het door den Belgischen opstand geleden verlies van grondgebied.

Zij zal den Staat tot voordeel zijn, door den aanwas der bevolking te bevorderen, daar op den aan de zee ontwoekerden grond, meestal, zoo niet geheel, van den vruchtbaarsten aard, steden en dorpen zullen herrijzen, waarin duizende huisgezinnen in welvaart en voorspoed zullen kunnen leven.

Door de gelegenheid daar te stellen, om de overvloedige gelden, nu ongebruikt of aan vreemden ter leen verstrekt, voordeelig ter bevordering van eigen welvaart te besteden.

Door de nijpende armoede te beteugelen, daar er omstreeks tachtig millioenen guldens, alléén of meerendeels, aan graaf- en dijkwerken, met inbegrip van sloten, slechten en bekavelen, zal moeten worden besteed, behalve hetgeen aan bouwmaterialen, fabrijk- en stoom-werktuigen zal moeten worden ten koste gelegd.

De nijverheid, gepaard met aanzienlijke vorderingen in wis-, natuur-, schei- en werktuigkunde, heeft onder alle volken verbazende voortgangen gemaakt, en allerwege heerscht eene overproductie. Door den ontzettenden aangroei der bevolking, vooral in de fabrijkdistrikten en steden, is er een overvloed van menschen, welke, bij de vereenvoudiging der werktuigen in de fabrijken, waardoor minder handen benoodigd worden, onmogelijk werk en brood kunnen vinden. Voor die overbevolking hier te lande, in groote mate door verminderden handel en daardoor ontstaan gebrek aan vertier veroorzaakt, moet naar middelen van bestaan en werk omgezien worden. Voor den landbouw is de handwerker zoo niet in eens bekwaam; er moeten dus openbare werken ondernomen worden, waardoor èn landbouw èn vertier bij de ambachten en bedrijven ontstaat; en daartoe strekt ons ontwerp.

De nationale rijkdom zal aanzienlijk vermeerderen: men schatte de 600,000 bunders eventueel in te dijken grond gemiddeld maar op ƒ 500 per bunder, hetwelk eene vermeerdering geeft van ƒ 300,000,000 aan eigendom; dan zal men het niet voor overdrijving houden, dat de in de zee aanwezige slibgronden, die de beste in ons rijk zullen evenaren, na verloop van tijd eene waarde van meer dan ƒ 1000 per bunder zullen verkrijgen, daargelaten nog, dat de gering te heffen polderlasten, en het niet wisselvallige van het drooghouden, eene betrekkelijk meerdere waarde aan dezen grond zullen verzekeren, en éénmaal die 600,000 bunders, bebouwd wordende, op eene ruwe gemiddelde huurwaarde aangeslagen van ƒ 60 à ƒ 70 per bunder, zal dit jaarlijks eene circulatie van plus minus veertig millioenen guldens te weeg brengen, behalve hetgeen de gebruiker voor zich en de arbeiders verdient.

De aanslag voor de belastingen zoude verminderd kunnen worden, door vermeerdering van belastbare personen en voorwerpen. Dus invloedrijke vermeerdering van inkomsten van 's Rijks directe en indirecte belastingen en accijnsen. De ondervinding leert het, en de statistieke opgaven van Engeland leveren er de bewijzen van, hoe voordeelig handenarbeid op 's Rijks inkomsten terugwerkt.

Eene hoogst belangrijke besparing zoude plaats hebben aan omstreeks honderd uren lange zeeweringen, dijk-, paal- en sluiswerken, waarmede de Zuiderzee, om verdere inbraak en verwoesting van gronden te beletten, moet beteugeld worden, en welke schier allen zullen vervallen, alsmede het onderhoud aan al de in en om de Zuiderzee liggende eilanden.

De physieke toestand van het Rijk zoude verbeteren, en door verbeterde afwateringen aanzienlijk bevoordeeld worden, waardoor het Rijk en verscheidene provinciën van geldelijke en andere moeijelijkheden zouden worden ontheven.

In de behoefte aan goed bouw-, hooi- en weiland werd voorzien; bij gebrek aan land, naar evenredigheid van pachters, wordt thans de huurwaarde onmatig opgedreven, waardoor de ondergang van de pachters wordt berokkend, en waardoor de eigendommen later in waarde moeten dalen. Door het daar te stellen lagere peil of meerdere verval in de Noordzee, verkrijgt een groot gedeelte van Rijnland, geheel Amstelland, het Noorder kwartier van Holland en de Vecht en Eemlanden eene betere waterloozing dan immer; de verveeningen zullen daardoor gemakkelijker worden gemaakt, de waarde der landerijen, welke nu bij het kadaster als moerassig en drassig op de laagste tauxatie staan, zal aanzienlijk vermeerderen, doordien het land droog worden zal en blijven, en tot kultuur geschikt worden; zoo zullen vele duizende bunders verachterd, en steeds verslimmerend land, in waarde aanzienlijk moeten rijzen, gezwegen nog van de meerdere welvaart, die de landman zal verkrijgen, hetwelk wederom van grooten invloed op het vertier in de steden moet zijn.

Het is niet alleen in de hiervoren genoemde districten, maar over alle gewesten, zoowel noordelijk als oostelijk, waar verbeterde afwatering, zoo reikhalzend wordt verlangd hetwelk maar al te duidelijk uit de provinciale verslagen blijkt, zoodat verbeterde afloop des waters bijdragen zal, tot vermeerdering van 's Rijks welvaart en inkomsten.

Het is ook een gewigtige omstandigheid, dat de Rijks maritieme werf te Amsterdam weder als vroeger zal kunnen worden gebruikt;—dat van dáár volledig uitgeruste schepen van het zwaarste kaliber, binnen weinige uren in de Noordzee zullen kunnen komen; maar dat ook de maritieme haven van Amsterdam vatbaar voor een groote vloot wordt, welke veilig voor elken vijandelijken aanval zal zijn, en behalve dit, daar wij thans maar eene betrekkelijk gebrekkige haven, die aan het Nieuwe Diep, bezitten, dat wij er alsdan 5 nieuwe bij zullen bekomen, welke allen van uit het hart van het Rijk, van alles zullen kunnen worden voorzien. Niet alleen zal dan het binnenloopen der schepen in tijden van oorlog gemakkelijk worden gemaakt, maar ook door middel der ringvaarten zullen met den meesten spoed van Amsterdam en elders, stoombooten naar alle zeehavens kunnen worden afgezonden, om den vijand, die alsdan zes in stede van één punt zoude te observeren hebben, te bestoken.

Uit een handels-politiek oogpunt beschouwd, is het voor de stad Amsterdam van het grootste gewicht, dat dezelve door het zeekanaal, dan eene zeehaven geworden, voordeeliger ligging verkrijgt dan de steden Antwerpen, Hamburg en Bremen, en dat ook de andere, thans slechts door schepen van minder diepen gang te naderen, handelsteden, zooals Groningen, Harlingen, Zwol en Kampen, in betere gemeenschap zullen geraken met Groot-Brittanje en de Oostzee; langs de kanalen van daar de Duitsche grenzen bereikende, zullen de aan- en afvoeren door die steden van en naar het noordelijke Duitschland, even goed als den Rijn op- en afwaarts, spoediger, veiliger en minder kostbaar worden, dan thans over Hamburg en Bremen.

Bij matiger regten, en bij een vrij granenstelsel, zal men Amsterdam ook boven Hamburg en Bremen de voorkeur geven, daar de togt naar en van Amsterdam, door het zeekanaal, korter, veiliger en minder kostbaar wordt, dan in en uit de Noordzee, uit en in de Elbe en Wezer.

De groote hinderpaal voor Amsterdam, dat een groot schip in het Nieuwe Diep moet lossen, om door het Noord-Hollandsche Kanaal te kunnen komen, met welken doortogt gemiddeld 14 dagen zijn gemoeid, ware alsdan uit den weg geruimd.

Vestigen wij het oog op den handel zelven, de heilrijke gevolgen daarvoor, welke uit dit ontwerp zullen ontstaan, zijn niet te berekenen.

Mogt ook al vroeger menigeen het nut van een kanaal, door de duinen heen tot in de Noordzee, ingezien hebben, niet slechts voor den handel, maar ook voor de droogmaking van het Haarlemmer Meer,—men werd afgeschrikt, niet om het onmogelijke der uitvoering, maar om de kosten. Van dit bezwaar wordt men echter, door de winst aanbrengende indijking en droogmaking van het IJ, ontheven, waartoe slechts een voorschot noodig is, dat genoegzaam gerestitueerd zal worden.

Amsterdam zal Rotterdam zijnen stroom niet meer te benijden hebben, daar het alsdan beter in gemeenschap met de zee zal komen. Het is geen trek van wangunst, die ons deze zaak te berde doet brengen, het is slechts om aan te toonen, hoe men dit bezwaar, hetwelk Amsterdam immer heeft gevoeld, zou kunnen opheffen, dat wij zulks hier aanstippen.

Het is voor beide steden van het grootste belang, dat de handel van beide worde uitgebreid; en wordt de handel op de eene plaats verlevendigd, zoo blijft dit niet zonder invloed op de andere, terwijl het verkeer tusschen beide zoo gemakkelijk is. Boeit men slechts den handel niet, dan zal de drukte en bedrijvigheid grooter worden dan immer. Door PEELS stelsel, door den toenemenden handel en de behoefte in de Rijn-provinciën, de uitbreiding daarvan in Zwitserland en in het oostelijk gedeelte van Frankrijk, zal men bij ons thans reeds meer vrijgevig handelsstelsel, en daardoor van alles meer voorziene havens, de voorkeur geven boven de Belgische, waar men, gedwongen, slechts eenen vrijen vervoerweg geeft, en baatzuchtig en kortziende, alle vreemde fabrikaten in eigen gebruik van de hand wijst.

Alle andere moeijelijkheden daarlatende, die den doortogt door het Noord-Hollandsche kanaal belemmeren, blijft de ongeschiktheid van hetzelve voor stoomboot- en stoomsleepdienst het groote bezwaar. Alle voorgestelde kanalen en ringvaarten, zullen daarvoor geschikt zijn. Welk vertier door de verkorte gemeenschap van de zee, met al de havens aan de Zuiderzee geboren zal worden, is moeijelijk te berekenen en te beschrijven.

Er zullen van Amsterdam directe stoombootdiensten kunnen geopend worden, op vele der Engelsche havens en op die van Frankrijk, en zij zullen kunnen worden uitgebreid op de West-Indiën en op Amerika. Is de handel van vee, groenten en vruchten van Rotterdam, Harlingen en het Nieuwe Diep zoo belangrijk geworden, hoeveel belangrijker zal dit niet kunnen worden, door de aanwinst van zooveel meer grond, als nu in het IJ en in de Zuiderzee ligt, en door de verbetering der nu door gebrek aan afwatering gedurig achteruitgaande landerijen, waar onder er, zoo als om de Zaan heen, zijn, die voor warmoezierderij van de edelste soort geschikt zijn, die van het Westland evenarende; dan liggen er ook nog de deels uitgeveende, deels niet uitgeveende Loosdrechten, Breukelerveen enz., waar, als het water slechts uitgemalen is, beste gronden gereed zullen zijn.

Door de vermeerdering van weilanden, van vee, hooi, boter en kaas, allerhande vruchten, zullen wij, wanneer onze akkerbouw, welke, zoo als PEEL zelfs omtrent Engeland zegt, nu nog in hare kindschheid is, meerdere ontwikkeling verkrijgt, in uitvoer van levensmiddelen, zoo naar Engeland als naar Oost- en West-Indië, met Noord-Amerika kunnen concurreren.

Zijn de kanalen in Over-IJssel en Drenthe gereed, zoo vinden wij eene spoedige en goedkoope gemeenschap met Hannover en Westphalen, en dan zijn de afstanden, uit onze eigene provinciën, door de beter daargestelde gemeenschappen verkort, zoodat dan ook alle andere mindere voortbrengselen van den lande meerdere waarde verkrijgen, zooals zulks om Nijmegen, overal langs de Maas, de Waal en de Rijn door de snellere gemeenschap met stoombooten plaats vindt.

Verwerpen wij eene betere gemeenschap, met de hoofdstad van ons rijk niet, vooral wanneer zich daarmede buitenlandsche handel paart. Rotterdam, door hare betere gemeenschap langs de rivieren met het buitenland, dankt daaraan gedeeltelijk haar bestaan.

Provinciën en steden, die nader bij Amsterdam liggen en Amsterdam zouden kiezen, zijn door hare gebrekkige ligging aan de zee, buiten aanraking met haar.

Het grootste gedeelte van Gelderland, tot aan de Pruisische grenzen, vervoert deszelfs produkten naar Rotterdam, omdat het vervoer bij eenen veiligen watertogt langs de rivieren daarheen gemakkelijk is, en vandaar een gereede aftrek op Engeland enz. bestaat, al hetwelk thans te Amsterdam niet het geval is.

De concurrentie dwingt tot bezuiniging van kosten en daarom zal het voor Noord-Holland van belang worden, zijne eigene voortbrengselen, ook langs eigene kanalen, over zee te zenden, en geene omwegen, over het Nieuwe Diep of Rotterdam te moeten kiezen.

Alle bestaande stoomboot-diensten, zooals op Zaandam, Harlingen, Zwol en Kampen, zullen langs de ringvaarten behouden blijven, derzelver ondernemers, zullen het zich niet voor schade aanrekenen, dat zij hunne kostbare zeebooten voor binnen- of rivierbooten kunnen verruilen. Deze en alle andere overzeesche schippers, zoo vaak door laag en door hoog water, door storm en tegenwinden, door gevaarlijke togten op zee tegen gehouden, zullen gaarne, gaande weg, hunne thans in aanbouw zijnde en door onderhoud kostbaarder zeeschepen voor trekbooten ruilen, waaraan het wisselvallige der zeetogten niet is verbonden.

Wordt de moeijelijkheid voor de vaart, met onze aan de Zuiderzee gelegene steden en havens uit den weg geruimd, van niet minder gewigt zal het verkorte traject, van uit de Noordzee langs Zandpoort naar Amsterdam zijn, tegen dat van naar het Nieuwe Diep, en van daar door het Noord-Hollandsche kanaal naar Amsterdam, voor onze handelaren en reederijen en voor vreemden, welke vermeenen, dat een schip te Antwerpen gelost en geladen, en weder zee gekozen heeft, alvorens een ander van het Nieuwe Diep voor Amsterdam kan komen.

Bovendien, welk nadeel ons een vroeg invallende, lang aanhoudende winter berokkent, dat heeft ons die van 1844 en 45 bewezen. Wij zouden, bij het voorgestelde zeekanaal, geene vier maanden van alle gemeenschap met andere landen en werelddeelen verstoken zijn; onze producten zouden hunne waarde niet verliezen, door maanden lang gebrek aan gelegenheid, om die te kunnen verzenden naar alle plaatsen en landen, welke gewoon zijn, onze toevoeren te ontvangen. Op die plaatsen, en in die gewesten ontstond alsdan wel gebrek aan onze voortbrengselen, doch daarin werd voorzien door anderen, en wij misten de gelegenheid, onze voortbrengselen te verkoopen, en alzoo kwam het nadeel op ons neder. Ware er de behoefte niet, om in den winter eene geschikte zeehaven te hebben, men zoude geene plannen gevormd hebben, om zoodanige haven bij Scheveningen aan te leggen.

In vier maanden geene toevoer van provisiën uit Nederland naar deszelfs eigene koloniën; ook daarin moest door andere natiën worden voorzien, en daarenboven trokken deze de voor ons bestemde retouren en waarden, en wij zelven hadden geen debouché. Vier maanden lang moesten de reederijen (zoo al niet de schepen, omdat zij het Nieuwe Diep niet binnen konden komen, in Engelands havens bleven liggen!) het equipagie-loon en de levensmiddelen geven, waardoor dikwijls eene, anders winstgevende, vracht verlies berokkende; vier maanden lang bleef een assuradeur risico loopen, waarvan hij in weinige uren bevrijd konde zijn; vier maanden lang derfde de handelaar zijne goederen, en moest zich schadelijke, zijn crediet niet verheffende, maatregelen getroosten,—dit alles zoude vervallen.

De eb en vloed, bij het grooter verval en de diepte van het zeekanaal, zouden den nieuwen stroom van af de sluizen tot in de zee openhouden, de uitijzing, wanneer gevorderd, zoude geene weeken lange vruchtelooze onderhandelingen behoeven, de vaart tusschen Amsterdam tot Zandpoort ware open te houden door af- en toevarende stoomslepers.

En legt de doorvoer-handel niet alle voordeelen van eigen commissie-handel af; het is dan toch voordeeliger, door het binnen komen en uitgaan der schepen, door hun lossen en laden enz., terwijl al die schepen zekere behoeften hebben, waarin moet worden voorzien, iets te verdienen, dan ook dit aan anderen over te laten.(6)

En is die weinige doorvoerhandel, dien wij thans nog maar bezitten, niet voor een groot gedeelte het gevolg van gebrek aan ondernemingen van onze zijde, welke eensdeels werden gestaakt door hooge in- en doorvoerregten, anderdeels door gebrek aan eigene medewerking? Vroeger wist de duitsche fabrikant geen ander debouché, dan door verkoop aan ons; wij kochten hem zijne artikelen af, en verscheepten die, voor eigene rekening naar elders, en bragten van elders de retouren mede.

Door ons prohibitief stelsel werden vele, zoo niet alle, fabrikanten genoodzaakt, andere middelen te beproeven, om hunne goederen te verkoopen; de goederen werden nu naar Hamburg verzonden; men ontving eenige voorschotten, en verscheepte de goederen, voor duitsche rekening, naar andere werelddeelen; Hamburg ontving en verkocht de daarvoor teruggezondene producten en genoot daarvan de winsten.

Door dit alles werd de Duitscher ingelicht, en van dáár dat die thans betere handelsbetrekkingen heeft dan wij, omdat de eigen broeder, zoon of landgenoot, in Noord-Amerika, Brazilië enz. gevestigd, hem van daar met den stand van zaken bekend maakt, tot zelfs uit onze eigene koloniën, daar Duitsche natuurkundigen volledige berigten over Java naar hun land zenden, die wij verminkt na jaar en dag in de mengelwerken onzer tijdschriften en dagbladen terug vinden. Wij staan den vrijen handel voor: met een zeer matig gelijk werkend tarief, zou de Staat, wat zij aan de eene zijde aan revenuën op in- en doorvoerregten derfde; anderzijds door meerdere welvaart der ingezetenen terug bekomen.

Door welvaart van den handel vermeerderen 's Rijks magt, aanzien en middelen, dit leert ons onze eigene geschiedenis. Het waren de Handeldrijvende provinciën Holland en Zeeland, die vroeger het land en tijden van gevaar, met volk, met schepen en geld te gemoet snelden.

Hoe vleide men zich in 1814 en 1815 met herstel van vroegeren handel, en reeds begon dezelve te ontluiken, toen een rampzalig fabrijk-protectiestelsel ons de blijde toekomst vernielde, de ondernemingsgeest uitdoofde, vooruitgang en wetenschappen in en de toepassing daarvan op de fabrijken, en de kennis van handeldrijvende volken belette, voor immer den handel in duitsche linnens, en zoovele niet op onzen grond te huis behoorende fabrijkaten uit het land verbande, waardoor de retouren uit dien handel met Noord-Amerika, Brazilië en West-Indië gekeerd, en daarmede den uitvoerhandel van onze eigene voortbrengselen, van den eigen grond, boter, kaas enz. stremmende, de ondernemingen op den Stillen Oceaan en de Zuidzee stuitte, waarheen Bremen ons met vloten beschaamt, de aan scheepvaart eigene verbonden fabrijken werkeloos maakte, zoodat de werven hier gesloopt, maar in Hamburg en Bremen aangebouwd werden.

De graanhandel werd verdreven, en daardoor het middel van de hand gewezen, om onze eigene granen (mindere soort, met betere vermengd) af te zetten. De pakhuizen voor linnens en koornschuren, die Europa voorzagen, waardeloos gemaakt, duizenden, die door inspanning van geest- en ligchaamskrachten den middelstand deden bloeijen, werkeloos, en tot den bedelstaf gebragt(7).

Dit alles danken wij der protectie, aan den landbouw en de fabrijken verleend; halve maatregelen, hoog opgevoerde schaalregten en transito-regten, die den doorvoer verboden, waardoor millioenen, die door onze handen hadden moeten gaan, met de verdiensten daarop uit het land zijn geweerd, en aan anderen werden prijs gegeven.

Men beschuldige ons niet, dat wij den landbouw willen verwaarloosd zien; deze kan zich zelven helpen; zulks heeft, voor weinige jaren, nog een Zeeuw, een groot landhuishoudkundige beweerd. De landbouw heeft zich immer zelf geholpen, en wij hebben kostelijke weiden voor de veeteelt, zoo wij slechts ons beestenras verbeteren, en zorgen dat de boter en kaas niet, na ouden slendriaan, half bedorven worden vervoerd, terwijl de onkundige waant, dat geen ander product het zijne kan evenaren, en de gegoede Engelschman ze niet op zijne tafel zien wil, daar zij bij hem slechts kost voor de minderen, en tot voorziening van armengestichten en werkhuizen is.

De grondeigenaar betaalt den grond buiten verhouding hoog, waardoor hij zich zelven benadeelt. Door het meer dan benoodigde getal boeren, die naar eene hofstede dingen, worden de huurprijzen zoo hoog opgedreven, dat de huurder, bij den minsten tegenspoed, dezelve niet kan opbrengen; en dit wil men nu door graan-protectie-wetten verhelpen, waardoor de Staat al meer en meer wordt te gronde gerigt!

Dat de landbouw uit de geschiedenis de bewijzen bijbrenge, dat hij gelijke diensten als de handel aan den Staat bewees; welke door zijn gezag, door zijnen invloed en magt, en door zijne ruime offers aan het land voorkwam, dat het niet reeds voor langen tijd geheel of ten deele een wingewest van eenen anderen Staat geworden is.

De handel kwijnt ook wel door deze of gene gebeurtenis, maar schreeuwt dan niet om bijstand ten koste van allen. Wordt het algemeen door rijke oogsten gezegend, zoo kunnen geene protectie-wetten de graanprijzen doen stijgen, en elke gulden protectieregt is eene belasting op het algemeen, ten gunste van eenige weinigen, terwijl de landbouw bij schaarste door hooge prijzen wordt schadeloos gesteld.

Eenerzijds juicht men Albions vrijgevig stelsel toe en men is verblijd, daardoor zijne haver tot voordeelige prijzen te kunnen verkoopen, en anderzijds zal men ons beletten gelijke voordeelen, door even vrijen invoer te genieten. Men verlieze nimmer uit het oog, dat wij graanhandelaren behoeven, die gegoed en ondernemend moeten zijn, die bij dreigend gebrek kapitalen moeten bezitten en den moed hebben, die te wagen, om door ruime aanvoeren het gebrek te voorkomen, men beseffe dat het de graanhandel is, die in tijden van overvloed hare schuren opent, en speculerende, den landbouwer zijnen overtolligen voorraad afkoopt, welke anders alle waarde zoude verliezen.

Men heeft groote ontginningen, waarvan sommige met gebrek aan kunde en doorzigt ondernomen, die zelf bij vrijdom van grond-lasten geene rekening geven; wel spreken de afgevaardigden uit de provinciën waar die ontginningen werden ondernomen, luide voor schaalregten om hunne speculatiën te schragen, terwijl den vrijen graanhandel en den handelaren, door hen overstemd, geene vergoeding wordt gegeven voor het groote nadeel, dat hun, met die duizenden, die door den graanhandel leven, berokkend wordt. Daarbij begint het gezond verstand overal de bovenhand te verkrijgen, dat, ofschoon belasting op het gemaal moge geheven worden, het algemeen niet meer cijnsbaar mag worden gemaakt, aan een reeds te lang bevoorregte klasse. Zochten grondbezitters rondom het Haarlemmer-meer, de droogmaking daarvan te keeren, uit vrees dat hunne eigendommen daardoor in waarde zoude verminderen, wij vreezen dan ook, dat dezen door hunnen baatzucht, ten koste van de welvaart der geheele natie, wel weder de grootste tegenstanders van ons ontwerp zullen zijn.

Wij staan den vrijen handel voor, omdat wij meenen, dat juist de fabrijken, welke hoog beschermende regten genieten, daardoor wel oogenschijnlijk bevoordeeld, echter wezentlijk benadeeld worden. Vóór het verbod van uitvoer van lompen, en vóór dat er hooge regten op het papier werden gelegd, bloeiden onze papier-fabrijken, en overal wilde men hollandsch papier. De fabrikant, steeds begeerig, verlangde verbod van uitvoer van lompen, en geen invoer van papier; maar welk gevolg heeft dit gehad? Hij gaf zich geene moeite meer, sluimerde in, tot dat hij zijn debiet geheel verloren had, en nu blijkt het, bij onderzoek, dat hem andere natiën op het gebied van schei- en werktuigkunde verre zijn vooruitgestreefd. Ware de concurrentie blijven bestaan, dan zou de vrees voor eigen behoud hem op de hoogte gehouden hebben dier wetenschappen, welke onafscheidbaar aan zijne fabrijk verbonden zijn. Nu derven onze papier-fabrijken hun debiet, en wij worden overstroomd met vreemd fabrikaat; eene reeks van jaren heeft men hier eenen hoogst aanzienlijken handel in lompen geweerd, terwijl niet meer werd ingevoerd, dan voor eigen behoefte benoodigd was.

In Engeland is, sedert den vrijen invoer van wol, de schapenteelt niet achteruit gegaan; sedert het opheffen van het verbod van uitvoer der wol, zijn ook dáár de laken-fabrijken niet verachterd en door den vrijen aanvoer van wol uit alle landen, is de fabrikant niet meer zoo beperkt, in de keuze van zijne grondstoffen. En wat is er van onze laken-fabrijken geworden? Cocqueril de oude, boodt zijne nieuwe wijze van fabriceren te Leiden aan; die stad was beroemd om hare laken-fabrijken, en waande zich dus verheven boven de anderen; COCQUERIL dáár afgewezen, wendde zijne schreden naar Verviers, waar men, schranderder dan te Leiden, den inventeur van iets nieuws met open armen ontving. Verviers voorziet thans alle werelddeelen van laken, en Leiden bezit geene fabrijk meer.

De handel biedt aan de wetenschappen de hand, en van daar voorspoed; terwijl kleingeestige begrippen verdwijnen, en de ondernemingsgeest aangewakkerd wordt.

Gouda klaagt over verval harer pijpen-fabrijken; maar geen inboorling van Gouda, die weet, dat er in Amerika en in Engeland vele pijpen van slechter allooi en fatsoen gebruikt worden, zal er heen gaan, om zelf onderzoek te doen, en een beter fabrikaat aan te bieden;—dit ligt niet in zijnen aard. De Commissiën op de pijpen moeten hem, als weleer, op geregelde tijden geworden;—dit nu niet geschiedende, wordt er over verval geklaagd; op wie rust de blaam?

Vele rekwesten van wolkammers zijn er ingediend, om beschermende regten op de garens. Zij hebben het verbeterde engelsche fabrikaat voor oogen, en evenwel blijft men kammen zoo als voor eeuwen. Menig bemiddelde onder hen, die kinderen heeft, is te beangst, om hen uit het vaderlijke oog te laten gaan, of het komt in zijne gedachte niet op, hen naar Engeland te zenden, om onderzoek te doen naar de wijze, waarop de Engelschen werken, en betere artikelen kunnen leveren. Wij zouden nog eene reeks van voorbeelden van gelijken aard kunnen bijbrengen, om te bewijzen, dat het niet raadzaam is, om door verhoogde regten fabrijken te bevoorregten; maar wel dat de wetenschappen aangekweekt en onder het volk verspreid moeten worden, waardoor wij zullen worden in staat gesteld, om met andere natiën te kunnen concurreren.

Men wordt hier met den vinger nagewezen, als men iets, zoogenaamd nieuws, onderneemt, dat veelal jaren achtereen in andere landen bij ondervinding is gebleken goed te zijn.

Waarom lijden sommige dier ondernemingen bij ons schipbreuk? Deels door de traagheid der natie, welke eene afkeer schijnt te hebben van al wat nieuw is; deels door eigenbelang; deels door gebrek aan behoorlijk onderzoek en aan de noodige kunde van den ondernemer, om zelf te oordeelen, zelf een wakend oog te houden op de werkzaamheden: deels door te goed vertrouwen op de vreemden, waarvan sommige wel de noodige bekwaamheden bezitten, doch ook vaak met ondeugden behebt zijn, om welke zij hun eigen land, met betere inkomsten, hebben moeten verlaten; deels, omdat bij ons werkvolk de ondersteuning, de bekwaamheid en de lust ontbreekt, om de behulpzame hand te bieden.

Nog zeer kort geleden hoorden wij eenen thans overleden, met ondernemingsgeest bezielden baron, die groote bekwaamheden had, laken, om de (zoogenaamde zotte) nieuwigheden, die hij bij zijnen landbouw had willen invoeren, zoo als verbeterde wijze van ploegen, zaaijen, enz. De verdienstelijke overledene had zich vele verbeterde werktuigen aangeschaft; maar alles bleef meest ongebruikt, omdat zijn volk dezelve deels met vooroordeel, deels met tegenzin hanteerde.

Een onzer huishoudkundigen bezocht onlangs Engeland, en doorreisde vooral zulke streken, waar de grond met de zijne niet verschilde. Hij moest erkennen, dat men er ons verre vooruit was; maar had geene der dáár met voordeel gebruikt wordende werktuigen mede gebragt, omdat zijn volk er niet mede wist om te gaan, en hij, zoo doende, vergeefsche kosten zoude hebben gemaakt.

Wilde men met voordeel op engelsche wijze, en met engelsche werktuigen werken, dan zoude men eerst eenige jongelieden uit den boerenstand, daar henen moeten zenden, om, onder eene verstandige leiding, in het werken, en door te werken, onderrigt te genieten, waarvan dan hier voordeel zoude kunnen worden getrokken. Dit zoude meer afdoen, dan het beschouwen van de werktuigen, welke in onze landhuishoudkundige kabinetten voor staatsie staan, en alle jaren eens voor de tentoonstelling worden opgepoetst. Het naar Engeland zenden van jonge lieden, uit den boerenstand, zoude thans aan niet veel zwarigheid onderhevig zijn, sedert de engelsche nieuwsbladen ons berigten, dat, ten gevolge van het aanleggen van zoovele spoorwegen, daar gebrek aan handen voor den landbouw ontstaat. Het ware dus maar hoofdzakelijk de reiskosten; het engelsch spreken leert men spoedig genoeg, voor zooverre het noodig is.

Bleef de natie in alles zich, als in hare zucht voor het oude, gelijk, wij zouden dan vrij wat minder schatting aan de parijsche industrie betalen, en de kosten der huishoudelijke ameubelementen en kleeding zouden vrij wat geringer zijn; doch hierin is de zucht voor het oude geenszins blijkbaar. Het zal eenmaal zoo ver komen, dat er geene nationale kleederdragten in onze beschaafde wereld zullen bestaan; zoo als men zich te Parijs kleedt, zal men zich op elk dorp ook moeten kleeden. Wij zien het bewijs daarvan in de parijsche modeplaatjes, die tot op de geringste dorpen toe voor de glazen prijken, waar maar een kleêrmaker of artiste voor de dames woont. Dat men nu een winkelier, madame, tel et telle eert en acht, welke die modeartikelen, in groote magazijnen, uit den vreemde ten toon spreiden, laten wij daar, maar dat men den Hollander veracht, die door eigen vlijt onderneemt, om ook iets nieuws daar te stellen, waardoor in die behoefte kan worden voorzien, dit is onvergeeflijk.

Waren onze voorouders ook zoo aan het oude gehecht? Schuwden ook zij de nationale uitvindingen, zoodat een uitvinder zich kwalijk, om niet (impertinent) lastig te zijn, bij een groot heer durft te laten aandienen? Haalde men bij hen ook voor een groot genie de schouders op, die het een of ander durfde ondernemen? Van wáár dan die vele ontdekkingen op het gebied van kunsten en wetenschappen, zoodat zij de beste papierfabrikanten waren, de beste uurwerken en klokken vervaardigden; hunne lakens boven andere de voorkeur hadden; niets hunne bleeken evenaarde; dat zij de houtzaagmolens uitvonden, olieslagerijen, lijnbanen, in de toenmalige hoogste volmaaktheid, bezaten, en het aan ontdekkings-ondernemingen naar het Noorden en Zuiden niet ontbrak?

Van wáár, dat de trotsche, zich onoverwinnelijk wanende Spanjaard, als hij den Hollander op zee ontmoette met de lont in de hand, liever in de lucht willende springen, dan zich aan hem overgeven, om genade riep, en zich, ofschoon eene groote overmagt hebbende, aan denzelven overgaf? Van wáár, dat een CZAAR PETER DE GROOTE, naar ons land reisde, en er zijn verblijf hield, om de scheepsbouwkunde te leeren?

Is het de regering, die de volksgeest niet weet te verheffen? of is het, omdat het volk hoe langer hoe onverschilliger wordt, en denkt: het is toch alles maar te vergeefs? Aan beide is het te wijten. De regering acht zich veelal boven de voorstellen van den onderdaan verheven, en de onderdanen handelen niet gemeenschappelijk, om hetgeen, wat nuttig is en noodzakelijk wordt, voor te dragen en klem aan hare vertoogen te geven, en die met vastberadenheid door te zetten. De regering stelt de populariteit niet genoeg op prijs, verliest dezelve uit het oog, het volk zwijgt, hetwelk verkeerdelijk als een blijk van goedkeuring wordt voorgedragen; wat wonder, dat dus alles verachtert en het algemeen er door lijdt?

Wordt er een of ander voorwerp of uitvinding aan het bestuur, tot onderzoek, voorgedragen, en bereikt de daarbij belanghebbende zijn doel, dat het door den Minister wordt aangenomen, zoo waant hij zich gered. Hij dwaalt! De ambtenaar, aan wien nu de taak van het onderzoek wordt opgedragen, is of traag, of bevreesd, dat hij, door het uitbrengen van een op waarheid gegrond rapport, zich op de eene of andere wijze compromiteeren zal, en stelt het in dier voege, dat er geen eigentlijk besluit op genomen kan worden,—en de belanghebbenden ziet zijne poging verijdeld! Vaak ook druischt eene uitvinding tegen wezentlijke of vermeende belangen, van bij het bestuur aangestelden of magten in den Staat en commissiën, aan; en dan, tenzij de uitvinder een man van gewigt is, leiden de beste pogingen schipbreuk. Dat heeft men hier niet alleen bij ondervinding, het schijnt overal het geval te zijn; vandaar dan ook, dat vele uitvinders de vruchten van hun genie niet plukken.

Vervolgen wij nu den loop onzer gedachten, hoe de handel, door de instandbrenging van ons plan, gediend zal zijn.

Men vergunne ons, den lezer nog eens nader toe te lichten, welk nut uit de indijking van een gedeelte van het IJ getrokken zal worden.

Het voordeel, door de indijking van 8000 bunders beste kleigrond in het IJ te verkrijgen, in stede van een, kosten zonder voordeel aanbrengend, water te behouden, valt van zelf in het oog.

Amsterdam wilde vroeger nimmer gedoogen, dat de Slaperdijk verhoogd werd. Het regt van zelfbehoud waande, dat, wanneer de Slaperdijk overliep, de stad alsdan gered ware, even alsof bij eenen, door de Voorzienigheid gelukkig altoos afgewenden, aanhoudenden storm en hoogen vloed, er niet meer water uit de Noordzee in de Zuiderzee had kunnen dringen, dan Rijn- en Delfsland kunnen verzwelgen, en dat dan Amsterdam, bij de indringing van dat water, ook niet zou hebben kunnen of moeten onderloopen. Er zijn nu nog menschen in leven, die zich het overloopen van den nu verhoogden Slaperdijk herinneren, en die de schrik en ellende kunnen beschrijven, door dit overloopen veroorzaakt. Het is ook nog in veler geheugen, welke schade en ongelukken, door den hoogen vloed van 1825 in Noord-Holland en alom in ons Rijk veroorzaakt zijn; alsmede in welken angst men later nog te Spaarndam en te Amsterdam heeft verkeerd. Er kunnen weder stormen en hooge vloeden komen, en is dan ons plan voltooid, dan kunnen wij die zonder bezorgdheid te gemoet zien, daar, bij den overvloed van specie uit de diep te graven kanalen, breedere en hoogere dijken, dan nu bestaan, zullen kunnen gelegd worden.

Men verbeelde zich eens, het IJ ingedijkt, zoo als wij zulks voorstellen.

Er zouden alsdan drie wegen van gemeenschap met Noord-Holland komen, waar er nu geen enkele is: men kwam van het Wester-dok naar het Tolhek, van Zaandam op Halfweg, en van Nauerna op Spaarndam, zoodat men bij ijsgang geene overtogten, van 4 uren van de Nieuwe Stads-herberg naar het Tolhek, te vreezen had. Behalve langs de geregelde vaarten van uit de Zaan, zouden 's winters langs die wegen de toevoeren van de Zaanlandsche fabrijken, van vee uit Noord-Holland, en van de behoeften naar de Zaan en Noord-Holland, met geringe kosten kunnen geschieden, hetwelk nu dikwerf voor weken en maanden niet geschieden kan; en wanneer het al plaats kan hebben, dan nog slechts met groote bezwaren, vele kosten en oponthoud. Gelijk deze gemeenschap met Amsterdam zoude verbeteren, vond zulks ook met Haarlem plaats; en is eenmaal de droogmaking van het Haarlemmer-meer voltooid, dan worden daardoor wederkeerige behoeften geboren, welke den weg en de vaart, van de Zaan op Halfweg, van het grootste gewigt zoude doen worden, en Halfweg tot eene plaats van levendig vertier maken, iets, dat voorheen niemand in de gedachten kwam.

Ook het oponthoud, hetwelk onze binnenlandsche handel en scheepvaart zoo vaak ondervinden, dat men, om oosten-wind en gebrek aan water, niet van Spaarndam, noch van de Zaan weg kan komen, of dat men dikwijls dagen achtereen moet blijven liggen, wanneer door hoogen waterstand niet geschut kan worden, zou niet meer plaats hebben. Door al zulke nu zoo veelvuldig in het najaar en in den winter plaats hebbende stoornissen in de vaart, wordt zeer veel verlies geleden, dat, alhoewel niet algemeen bekend, door de belanghebbenden, die het ondervinden, maar al te goed kan beoordeeld worden, zoodat men met vreugde middelen zal zien aanwenden, om zulk ongerief, waaraan groote verliezen verbonden zijn, uit den weg te ruimen.

Men veronderstelle eens, alles bestond reeds, gelijk wij het hier voorgesteld hebben. Nu kwam men op het denkbeeld, om, voor Amsterdam eene waterberging behoevende (even als Rijnland het jaren lang heeft doen voorkomen, daartoe het Haarlemmer-meer te behoeven, ⅓ van Rijnlands geheele oppervlakte), die 8000 bunders schoone, vruchtbare velden in water te veranderen, en dat men om dien boezem dijken moest aanleggen met kostbare sluizen;—zoude men dan niet eene algemeene kreet hooren opgaan? 8000 bunders best land aan de zee ter prooi te geven! Dijken te moeten bekostigen, in aanleg en onderhoud bezwarende! De zoo noodige land- en veilige watergemeenschap op te breken! De geregelde drooghouding der landerijen binnen die dijken te beletten. Daardoor duizende bunders land in moerassen te veranderen, dat toch het gevolg moet worden, aangezien de boezem, na verloop van tijd, onvermijdelijk zou moeten verslibben! Amstelland ook van geregelde spuijing te berooven, en de stads-grachten, steeds van versch en goed drinkwater voorzien, in zoo vele stinkpoelen te veranderen, waardoor men schuiten water van elders zou moeten laten komen, en er sprake zou moeten zijn, om kostbare waterleidingen te maken, die toch op de gewone wijze, met veel overleggingen en veel praten, niet tot stand zouden komen!

Verbeeld u al deze niet overdrevene nadeelen,—welke te verhelpen zijn, als men slechts wil,—die thans bestaan en van jaar tot jaar toenemen.

In het tot dus verre afgehandelde is er van zelf reeds veel sprake geweest van de verbeteringen voor den landbouw, welke uit de exploitatie van ons ontwerp zullen ontstaan; doch die landbouw is te gewigtig, en te velen hebben er belang bij, om niet nog eenige bijzonderheden daarover op te teekenen, waarbij de verbeterde waterloozing, door hare wenschelijke gevolgen, den eersten rang bekleedt.

Wat men nimmer bevroedde, en waarvan men alzoo nimmer de gewenschte gevolgen berekend heeft, is, dat door den krachtigen stroom, met grooten diepgang en waterboezem voor de stad Amsterdam, geheel Noord-Holland en Amstelland op Rijnlands-peil zullen worden gebragt. Wat weldaad zulks voor Noord-Holland zoude zijn, zullen, onder meer anderen, de Heer-hugowaard, de Schagerwaard en het district van Ierswoerde weten te waarderen, welke alle afgesloten liggen van het Noord-Hollandsche Amstel-peil, waardoor de Heer-hugowaard en de Schermer zooveel boezems en strijkgemaal behoeven, die dikwerf niets baten.

Er moeten duizendtallen bunders op boezems uitmalen, welke ½ el lager liggen dan het Noord-Hollandsche Kanaal. De nadeelen, welke daaruit ontstaan, zijn niet te berekenen.

Hoe schrikkelijk werd men in de Heer-hugowaard, in het natte jaar 1841, geteisterd door gebrek aan uitwatering. Eens moest men tien achtereenvolgende dagen den stevigen wind door de hekken laten waaijen, daar de boezem boven peil stond, en men dus door de lagere ligging niets kon ontlasten. De ellende in die polder steeg ten top; het water stond er op eene el hoogte, zoodat die waard naar eene zee geleek. Soortgelijke rampen waren voor immer geweerd en voorgekomen. De noodzakelijkheid, om het Noord-Hollandsche Kanaal altijd op deszelfs tegenwoordig peil te houden, verviel, daaraan was geene behoefte meer, dewijl de groote en diepgaande schepen het Kanaal niet meer zouden passeren, enkele gevallen uitgezonderd. Door het ontstane lagere peil werd eene geheele streek van Noord-Holland, van Zandpoort af tot aan het Buitenveld toe, van bemaling ontslagen.

Het is bekend, dat de sluizen van het Noord-Hollandsche Kanaal, aan het Nieuwe Diep, vermogender zijn, dan al de andere sluizen in Noord-Holland te zamen genomen. Hieruit nu mag men afleiden, dat de uitwatering door het Zeekanaal in de Noordzee, die 14 à 15 uren nader aan den hoek van Holland ligt, veel krachtiger zal worden, dan die aan het Nieuwe Diep, terwijl ook nog dit nieuwe kanaal breeder en dieper wordt, en zich in een magtiger buitenverhang verliest.

Bij den bloei van den groothandel, van de zeevaart en van de tallooze fabrijken van vroegere dagen, lette men niet op den rijkdom van grond aan de Zaan, even min als in vele andere provinciën van ons Rijk. Thans, daar vele bronnen van welvaart aldaar verdwenen zijn, en daardoor de armoede schrikwekkend toeneemt, zal men, bij eene verbeterde afwatering, veel van die armoede kunnen keeren, en den last en druk daarvan kunnen lenigen.

Genoegzaam kosteloos en onopgemerkt, zullen de nu moerassige landen alsdan daar droog blijven. Die gronden zijn bij uitstek geschikt voor de teelt van groenten en vruchten. Het is eene uitgestrektheid van duizende bunders, en die uitgestrektheid wordt van zelf grooter, doordien men het groote aantal van slooten en slootjes zal kunnen ontberen, hetwelk men daar thans heeft.

Bij de daar te stellen scheepsgelegenheden naar buiten'slands, kan men op eenen geregelden aftrek van allerlei vruchten, groenten, gevogelte, eijeren, enz. rekenen. Met weinig moeite en kosten ware alsdan veel te verbeteren. De polders van den Oost- en West-zaner-ban zouden gevoegelijk, door de stoombemaling van den nieuw te scheppen Midden-IJ-polder, kunnen worden geholpen, wanneer er soms nog behoefte aan bemaling mogt bestaan, na alvorens alle fabrijken aan de overzijde van den Zaanstroom, alsmede die van Westzanen, behoorlijk met kaden buiten gedijkt te hebben, en wel zoodanig, dat de hoofd- en dwarsvaarten tot gemeenschap in wezen bleven; van de elf binnensluizen, zouden er ook verscheidene kunnen vervallen; thans kan de Westzaner-sluis alleen bij een dood getij spuijen, en zij zal, met een veel grooter verhang, op de binnenvaarten van den nieuw te scheppen IJpolder kunnen werken. Het is onnoodig, de alsdan aldaar te verkrijgen voordeelen verder toe te lichten.

Het uitgestrekte gebied der Ilpen is, bij den aanleg van het Noord-Hollandsche Kanaal, door onkunde en vooringenomenheid van deszelfs toenmalige bestuurders, tegen betere inzigten van den Waterstaat, in slechter toestand geraakt, dan immer te voren. Door aanhoudenden toevoer van honderde kubieke ellen ziltig water, bij elke schutting van de sluizen, op zijne reeds drassige landen, verviel zijn toestand van erger tot erger. Uithoofde der tegenkanting van dit bestuur, moest er te Purmerend eene kostbare sluis gelegd worden, met dat ongelukkig gevolg, dat de Willemssluis niet in het IJ kan spuijen, en al haar water nu over hooger liggende gronden, zoo als die van het Zand of Koegras, naar het Nieuwe Diep moet geloosd worden.

Het ware voor Noord-Holland voordeeliger geweest, wanneer het geheele kanaal op Amstel-peil ware gelegd. Nu die Ilpen door dure ondervinding van het bederf hunner landerijen ingelicht zijn, mogen zij aanzoek doen bij het Hooge Bestuur, om hunnen misslag hersteld te krijgen, en de vroegere plannen van den Waterstaat in wezen te roepen, maar zeer waarschijnlijk lijdt hun wensch schipbreuk om de daarmede gepaard gaande groote kosten. Met ons plan zouden de Ilpen ook gered zijn.

Door de steeds aangroeijende verslibbing van het IJ, wordt de uitwatering van Amstelland meer en meer belemmerd, zoodat Amsterdam er ook den last van ondervindt; door het Noordzee-Kanaal zal de uitwatering hersteld en een voldoend spuijingsvermogen verkregen worden.

Het is bekend, dat Rijnland een groot half el meer verval door de Katwijkersluizen in de Noordzee heeft, dan door hare sluizen in het IJ, en die sluizen van het Haarlemmer-meer aan Halfweg en Spaarndam liggen reeds 3 palmen lager, dan die van Amstelland, zoo dat Amstelland vermoedelijk een el meer verval zal krijgen, dan het nu bezit.

Het is ligt na te gaan, welk voordeel dit meerdere verval van water der stad Amsterdam zal aanbrengen, daar de stads-grachten en hare singels schoon gehouden en van versch en drinkbaar Vechtwater zullen voorzien worden, alsmede de Overtoom, de Weteringen en de buiten- en binnen-Amstel. Bijzonder zal zulks voor de gezondheid der ingezetenen zeer bevorderlijk zijn. De verlegenheid, waarin men zich dikwerf bevindt, om drinkbaar water te krijgen; het genoegelijker verblijf voor ingezetenen en vreemdelingen, welke zich niet aan de onaangename lucht aldaar gewennen kunnen; de voorziening van vele fabrijken, welke met bezwaarde kosten schuiten voor water moeten aanhouden,—dit alles zijn voordeelen, die buiten het handelsbelang wel in aanmerking dienen te komen, en waarbij nog bovendien de in Amstelland gelegene gronden aanmerkelijk zullen verbeteren.

Het polderwater, hetwelk nu eene wezentlijke last is voor de stad, zal haar alsdan tot eenen zegen verstrekken; want hoe sterker, de aandrang daarvan naar de stad zal zijn, hoe zuiverder de grachten zullen kunnen worden gehouden. Wij gelooven, dat het spuijingsvermogen zoo aanzienlijk zal worden, dat men het wenschelijk zal oordeelen, dat de Vecht en Rijnland met het waterschap van Woerden zich van de stad zullen willen bedienen, voor welke laatste het eene groote weldaad zal zijn.

Heeft men het geopperd ontwerp nog niet geheel ter zijde gesteld, om water uit het IJ in de grachten te laten loopen, en hetzelve daarvan door water-opvoerings-werktuigen, door stoom bewogen, weder te ontlasten, om zoodoende de grachten eenigermate te zuiveren,—bij ons plan zoude dit ontwerp vervallen.

Onopgemerkt zal het voor de onkundigen gebleven zijn, dat de sluizen der stad aan het IJ, en die van Rijnland aan Halfweg en te Spaarndam, maar ten halve werken, daar de laag slib, die voor de sluizen ligt, hooger is dan de drempel dier sluizen, waardoor de afloop van water belemmerd en vertraagd wordt. Door het daarstellen der twee zoogenaamde dokken heeft men wel eene aanzienlijke schuring in den stroom verkregen, zoodat daardoor voor de stad eene meer dan benoodigde diepte is ontstaan; maar ook door het laten bestaan van die ruimte, tusschen de dijken der twee dokken, waardoor eene inham is gevormd, heeft het door den stroom opgestuwd wordende troebele water tijd om te bezakken. De ondiepte neemt aldaar dus bestendig toe, en de moddermolens, moeten gestadig werkzaam blijven, zonder dat dit een gewenscht gevolg oplevert. Hadde men in eene bedijking, van het eene dok naar het andere gelegd, en dan de uitwatering der sluizen, tot aan den stroom, die met eb en vloed, uit en in het IJ vloeit, gelegd, dan ware er beter spuijings-vermogen aan de sluizen gebragt.

Voor Amsterdam is dezelfde fout begaan, als voor het Nieuwe Diep, alwaar men de groote sluis voor de marine, binnen in den bogt heeft gelegd, die, ondanks al het baggeren, onbruikbaar blijft.

Door den voor de stad te vormen boezem of de haven, of dit gedeelte van het IJ, hetwelk daartoe bestemd blijft, en dat omstreeks 1200 bunders of 12,000,000 kwadraat ellen zal beslaan, zal er met het meerdere verhang tot in de Noordzee, en wel van bijna 2 el bij hoog tij, tweemaal 's daags een aan- en afvoer van 24,000,000 kubiek ellen water ontstaan; de werking, die daardoor op de sluizen voor de stad zal worden verwekt, die alsdan op halve diepte van het kanaal zullen liggen, zal daaraan geëvenredigd groot zijn, en nimmer zal er zulk een groot vermogen bestaan hebben.

De vraag zal dan niet meer behoeven geopperd te worden, daar die van zelve opgelost zal zijn: of het IJ, in zijn geheel voor waterberging, tot na geëindigde droogmaking van het Haarlemmer-meer, in wezen zal moeten blijven?

Het Zeekanaal, de boezem voor de stad Amsterdam, de ringvaarten tot Enkhuizen, en die langs Muiden tot Stavoren, allen begrepen in de indijking van Enkhuizen op Stavoren aan, leveren eene oppervlakte van omstreeks 30,000,000 □ el voor waterberging op.

Bij het tijdig afsluiten van de sluizen te Zandpoort en te Enkhuizen en Stavoren, zal men in een regenachtig seizoen, bij eenen opstoppenden wind, een dubbel getal, en dus 60,000,000 kub. el water in dat kanaal, dien boezem en die ringvaarten kunnen bergen, zoodat deze gezamentlijk een zeer aanzienlijke boezem uitmaken. Dusdanige gelegenheid van buiten-waterberging bestaat er thans niet; want bij eenen opstoppenden wind belet de hooge waterstand in de Zuiderzee, den afloop van het water uit onze sluizen en afwateringen; hij doet nog meer: het water der Zuiderzee dringt door de rivieren, door opene, niet bedijkte, en niet afgeslotene afwateringen, tot ver het land in, en zoolang het binnengestuwde water niet weder afgeloopen is, kan het overtollige polder- en binnenwater ook niet ontlast worden. Dit schadelijke binnendringen van zeewater wordt vooreerst belet, en daarenboven is er dan nog gelegenheid gemaakt, dat het overtollige binnenwater ook tijdig weg kan.

Dat dit van het grootste belang voor vijf provinciën is, welke allen behoefte aan deze verbetering hebben, is klaarblijkelijk, en zal door den landman naar waarde geschat worden. De gelegenheid, dit water te kunnen bergen, wanneer het gevorderd wordt, is ook van gewigt, tijdens het droogmaken van de Zuiderzee en van het Haarlemmer-meer, omdat men daardoor in staat gesteld is, onafgebroken te kunnen blijven doorwerken.

Het hier ter nedergestelde is een afdoend bewijs, dat het daarstellen van het kanaal zeer bevordelijk zal zijn aan de droogmaking van het Haarlemmer-meer, en van het wenschelijke, dat het zeekanaal bestond, alvorens men met de uitmaling van het Haarlemmer-meer eenen aanvang maakte.

Men weet, hoe gering het aantal sluisgangen te Halfweg en te Spaarndam in vergelijking met de sluisgangen te Katwijk is; ware het kanaal gereed, dan zouden die sluizen niet zoo werkeloos zijn, en alsdan door hun aantal, en door de meerdere diepte van het kanaal, meer effect doen, dan de Katwijker sluizen; het kostbare strijkgemaal te Spaarndam werd overbodig, dat buitendien niet werken kan, wanneer het boezemwater in het IJ hoog is.

Men heeft veelvuldige meren en plassen, welke aan het Haarlemmer-meer belenden, van welke men sommige van het Meer zelf afgedamd heeft, die men ook al, om aan de bestaande vooroordeelen van waterberging te gemoet te komen, in wezen heeft gelaten; maar welke dreigen, na verloop van jaren, wederom eene oppervlakte zoo als thans het Meer heeft, te zullen beslaan, met hunne kosten ter beteugeling, voor verwoestingen enz. Het zoude wel de moeite beloonen, om te onderzoeken, in hoeverre het doenlijk en raadzaam ware, deze meren en plassen in eens met het Haarlemmer-meer droog te maken; terwijl het spuijingsvermogen door sterk werkenden afloop door middel van het kanaal, zoo veel aanzienlijker werd. Leveren nu het spuijingsvermogen en de water-opvoeringswerktuigen betere resultaten dan vroeger op, zoo moeten natuurlijk de kosten tot bestrijding van het droogmaken aanmerkelijk minder worden, waardoor voor onuitvoerbaar gehoudene, maar gewenschte, plannen verwezenlijkt kunnen worden, dat zeer veel tot de materiële welvaart van ons land zouden bijdragen.

Wij achten die meren en plassen, met het kostbare onderhoud, daaraan verbonden, onnoodig voor waterberging. Leeghwater hield in de Beemster geene bunders land voor boezems achter; wij zullen die evenmin, in het droog te maken IJ en in de Zuiderzee behoeven,—de Noordzee is er voor.

Men ziet toch nu wel in, dat, wanneer er behoorlijk voor de afwateringen van stroomen en rivieren gezorgd wordt, en de afwateringen voor polders enz. onafgebroken in werking zijn, er geene duizenden bunders voor waterberging, en waarvoor de zee dienstbaar is, noodig zijn. Mogt Rijnland voor dezen zoo angstig gestreden hebben voor het behoud van zijnen, steeds aangegroeid zijnde, boezem, die het een derde gedeelte van zijne oppervlakte ontnam, millioenen guldens, aan onderhoud kostte, duizende ingelanden ongelukkig maakte, die dorpen met inwoners, have en vee verslond, het zoude door twee gestadig werkende uitwateringen in de Noordzee een der meest begunstigde polders in ons Rijk kunnen worden(8).

Voor de aan en om de Vecht gelegene landen, voor de provinciën Overijssel en Drenthe, zal de eerst te ondernemene indijking van een gedeelte der Zuiderzee niet minder voordeelig zijn, dan voor Noord-Holland. Voor immer ware men daar mede gewaarborgd voor die schadelijke inundatiën, door het in de Zuiderzee zoo vaak opgestuwd wordende water veroorzaakt, waarvan de nadeelige gevolgen onberekenbaar zijn.

Door eenen gewaarborgden geregelden afloop van het IJsselwater zullen de wateropstoppingen in het hart der provincie Overijssel en Gelderland gekeerd kunnen worden, en zal men in de provinciën zelve alsdan met vrucht veel tot verbetering kunnen bijdragen.

Er ligt daar veel grond, welke, bij tijdigen afloop van het water, in het vroege voorjaar, veel in vruchtbaarheid zal winnen, en waardoor dan de waarde der landerijen met de meerdere welvaart der bevolking zal toenemen. Genoegzaam dezelfde voordeelen, zullen de provinciën Vriesland en Groningen verkrijgen, wanneer de indijking van de geheele Zuiderzee wordt ten uitvoer gebragt, en men ook om de kust van Groningen een bolwerk zal gelegd hebben, waardoor de nu nog bestaande bezorgdheid voor hare veiligheid zal verdwijnen. Ook ware het doenlijk, wanneer er fonds genoeg ingeschreven werd, de omdijking van de Groninger-kust, te gelijk met die van het eerste gedeelte te beginnen, terwijl daardoor de instandhouding der gemeenschap niet belemmerd wordt, en de werkzaamheden aan de beide vakken ver genoeg van elkander zijn afgelegen, om geene stoornis in dezelve, van de eene door de andere, te duchten te hebben.

Komt men tot eene opsomming van al de te verkrijgen voordeelen, welke deze onderneming, tot stand komende, zal kunnen opleveren, zoo zullen die wel opwegen tegen eene ingebeelde vermindering van landswaarde, door de aanwinst van 600,000 bunders land, waarop een daaraan behoefte hebbende boerenstand wacht.

Bovendien zoude het wel begrepen belang niet mede brengen, dat de onderneming hare bezittingen spoedig ging verkoopen, daar de verpachting eene voordeelige geldbelegging aanbiedt, en bij den overvloed van geld, dat men gaarne in vaste goederen wil beleggen, het evenwigt zich zeer spoedig herstellen zou. Den angstigen moge vrees aangejaagd worden, die hen tot den verkoop van land beweegt, spoedig zullen zij echter inzien, dat hunne renten blijven bestaan en de grond niet verzinkt, maar in waarde toeneemt.

Voor de landbouw en de ontginning van heidegronden, zoude de onderneming zeer heilzame gevolgen hebben. De vruchtbaarheid van het grootste gedeelte der gronden in de Zuiderzee is boven allen twijfel verheven: hier vaste blaauwe klei, daar slib met een zeer fijn zand vermengd, en alzoo gronden, welke voor de meest winstgevende kultuur vatbaar zijn. Tarwe, koolzaad en vlas zullen daar even goed kunnen worden geteeld, als in de vruchtbaarste streken van Zeeland, daarvoor waarborgen ons het ingedijkte Eijerland, het Koegras, de Wieringerwaard. Wordt de landbouw in den polder zelven, door zijne vruchtbaarheid bevorderd en begunstigd, dan zal het niet minder voordeelen voor Noord-Holland en al de andere provinciën opleveren. De veestapel zal aanzienlijk kunnen worden vermeerderd, doordien men overvloed van hooi zal kunnen winnen, terwijl men nu in Noord-Holland, in het najaar, gedwongen is, het vee bij duizenden tot geringen prijs, uit gebrek aan voeder, te verkoopen, en er bij late voorjaren, als het hooi op en er nog geen gras op de velden is, nog grooter schade aangerigt wordt, waardoor niet alleen de boer verliest, maar ook de handel in boter en kaas veel lijdt.

Is de meerdere productie van hooi wenschelijk voor Noord-Holland enz., het is mede eene dringende behoefte voor ontginningen van heidegronden, waar men zich niet bepaalt bij het aanplanten van hout. Waar men de gronden wil bebouwen, moet men mest aanwenden, en daartoe is vee benoodigd; voor vee moet men voeder hebben, welk voeder de zandgronden niet in genoegzame hoeveelheid opleveren. Dikwerf is er reeds gebrek aan hooi, of stijgt de prijs daarvan door buitenlandsche vraag zoo hoog, dat de boer dien hoogen prijs niet kan besteden. Men zal met kunstmesten, met guano, enz. veel kunnen verhelpen; desniettemin houden wij het er voor, dat een veestapel den landbouwer bij den graanbouw voordeel zal aanbrengen. Zij, die varkens goed willen mesten, moeten melk hebben en om melk te verkrijgen is vee onontbeerlijk, en daarvoor is hooi eene eerste behoefte; alles hangt dus als een schakel aan elkander.

Wordt de Zuiderzee bebouwd, dan verrijzen daar steden en dorpen; daar moet turf gebruikt worden, alzoo ook voordeel voor de veenen; er moet brandhout zijn, dus weder voordeel voor degenen, die akkermaals-hout aanplanten.

Door eenen vergrooten veestapel zal de uitvoer van vee naar Engeland aanmerkelijk kunnen worden uitgebreid. Dit rijk, dat ons zooveel door haren handelsnaijver heeft benadeeld, en par force majeure, nog in Oost-Indië ons weinigje, in vergelijk van hare bijna onmetelijke bezittingen in Azië, ontneemt, wordt dan op eene andere wijze aan ons cijnsbaar. Door die aanwinst van grond in de Zuiderzee, zal ons land het Rijk worden, waarop de ons omringende Natiën het oog moeten gevestigd houden, om door ons, op de voordeeligste wijze, van eene der voornaamste levensbehoeften, het vleesch, te worden voorzien.

Ons land, zoo bijzonder voor de veeteelt geschikt, mag maar niet langer onverschillig omtrent de verbetering der landerijen, door verbeterde afwateringen, blijven. Mogen de polder-reglementen herzien, de voorstellen tot verbetering niet door karigheid en baatzucht jaren lang in overweging worden gehouden, dan zullen er duizende bunders land tot kultuur, vetweiderij en hooiland ontstaan, welke nu grootendeels geen, of maar weinig en slecht hooi opleveren.

Ons land is een waterrijk land, en onze grondbezitters en bouwlieden moesten allen met de water-bouwkunde min of meer bekend zijn, en middelen aangrijpen om hunne gronden te verbeteren; doch duizende hunner hebben er nog geene inzigten van en zijn traag, om geld tot verbetering van den grond uit te geven. Onkunde, vadzigheid, werkeloosheid, moedeloosheid, wangunst, zucht om zwarigheden te opperen,—het eene paart zich aan het andere om werkeloos te blijven en alles te laten verachteren, waar veel te verbeteren is. Daar ligt voor ons het Bunschoterveld, omstreeks 4000 bunders groot. Elk stemt toe, bij behoorlijk drooghouden, werd elke bunder honderde guldens meer waard. Wij willen slechts ƒ 100 per bunder schatten, zoodat het geheele veld binnen kort ƒ 400,000 meerder waarde zoude bezitten, behalve de jaarlijksche meerdere inkomsten, daar de pacht meer dan verdubbelen zoude. Met hoogstens tien molens, gezamentlijk ƒ 60,000 kostende, ware men gered.—Elk wenscht het, maar daar blijft het bij.—In Mastenbroek is men reeds jaren achtereen aan het plannen maken, het eene voorstel volgt het andere op, en—het blijft, zooals het was. In de omstreken van Breukelen zijn landerijen, nu ter waarde van hoogstens ƒ 300, die ƒ 800 hebben gegolden. Toen waren het winstgevende vetweiderijen, doch door zorgeloosheid en verkeerde bezuiniging van de polderbesturen, is het daar zoo verre gekomen.—Wij zouden een boekdeel van soortgelijke gevallen kunnen vol schrijven.

Is het niet bedroevend, dat er in ons klein landje met deszelfs overbevolking gronden zijn, die aan het rijk vervallen, omdat zij de polder- en grond-lasten niet kunnen goed maken; en, domein geworden, het rijk met administratie kosten bezwaren, grooter dan de inkomsten der geadministreerde gronden? waar, somwijlen door achteloosheid in het bestuur, het land en daarmede de ingeland verarmt, terwijl dijk- en heemraden en de polder-besturen hooge salarissen blijven genieten, en de fabrijk de lasten zonder afdoende verbeteringen in wezen laat? waar de renten perpetueel worden, op ter leen verstrekte kapitalen, die bij een behoorlijk beheer konden worden afgelost?

Bij een bestuur, waarin de meeste leden stadbewoners waren, regters enz., die nimmer in den polder kwamen, onkundig van de molens, werd een ingeland ingekozen, die verklaarde, dat alles schandelijk verachterd was, en die geen zitting wilde nemen, ten zij er aanzienlijke sommen tot herstel besteed werden,—men zocht de eene bezuiniging bij zijne begrooting voor en de andere na op. „Valt er dan niets meer te bezuinigen?” vroeg een hunner.—„Ja, heeren,” antwoordde de nieuw ingekozene, „mij dunkt, wij konden onze traktementen wel eens een paar jaren missen!”—Elk zweeg, er werd van geen bezuinigen meer gerept (de salarissen, waar voor niets gedaan werd, bedroegen omstreeks ƒ 600 's jaars).

Dat de landbouw de hem ter dienste staande hulpmiddelen met onwrikbaren wil te baat neme en behartige, om uit eenen kwijnenden toestand te geraken, in stede van protectie te willen hebben, die hem niet baten kan, en tot algemeenen ondergang leidt. Ook de landbouw heeft meer wetenschappelijk onderrigt en kennis noodig. Het is laaghartig te zeggen: de boer moet niet wijzer zijn, dan hij is. Wij zijn van oordeel: hoe beschaafder de boer is, hoe beter onderrigt hij zal genoten hebben, zoo veel meer zal hij tot de materiële welvaart des lands bijdragen. Hij moet ook kennis genoeg hebben, om zelf, met gezond verstand, over den aanleg van dijken, kaden en water-afleidingen en molens te oordeelen. Wij zouden verscheidene voorbeelden kunnen aantoonen, waar zoowel particulieren als polder-besturen, door gebrek aan oordeel en kunde omtrent de water-opvoerings-werktuigen en de toepassing van de stoomkracht daarop, door de doelloos gemaakte kosten, groote verliezen hebben ondergaan. Hoe beter de landman in zijn vak onderrigt is, hoe meer voordeel hij ook van zijn beroep zal trekken.

Sedert ons hooi ook reeds buiten 's lands begeerd wordt, zoodat er vele verzendingen, tot zelfs naar Algiers toe, plaats hebben, heeft men niet te vreezen, dat wij daar te veel van kunnen aanwinnen. Het is in 't geheel een verblijdend en bemoedigend vooruitzigt voor den landbouw en voor de teelt van alle boom- en tuinvruchten, dat de vraag daarnaar voor het buitenland zoo toeneemt. De teelt van boom- en tuinvruchten zal aan menigen nijveren huisvader met zijn gezin, die geene middelen bezit, om pachter van eene groote boerenhofstede te worden, en te veel kunde, om slechts boerenknecht te blijven, een in zijnen kring redelijk bestaan kunnen verschaffen. Dat er dan ook maar voor goede watergemeenschap gezorgd worde, opdat hij zijne vruchten spoedig aan eene markt kunne brengen, vanwaar dezelve naar buiten worden verzonden.

Door de ruime waterberging, waarvan voortdurend, en niet slechts tijdelijk, gebruik zal kunnen gemaakt worden, moeten de uit- en afwateringen van zelve verbeteren. Het gevolg daarvan zal zijn, dat de lasten, die op eenen polder drukken, door de verbeteringen minder zwaar zullen vallen, ja zelfs ook verminderd zullen kunnen worden. Het zijn de grondlasten niet alleen, het zijn de polderlasten, met dijk-, kaai- en molengelden, die het meeste drukken.

Zijn eenmaal vele der thans bestaande dijken overbodig geworden,—als de afwateringen op eenen verbeterden voet zullen gebragt, en in het gebrek van hooi voorzien zal zijn, dan zullen, naar ons inzien, nog minder redenen bestaan, voor graan-protectie-wetten.

Naar onze wijze van zien, is het verkeerd gehandeld van grondeigenaren en landbouwers, den invoer van vreemd graan te beletten; daardoor wordt de uitvoer van vele onzer eigene voortbrengselen belemmerd; te meer, daar er verschillende soorten van graan zijn, welke ongeschikt zijn, om zonder vermenging met andere gebruikt te worden.

Vroeger voerde men Oost-Zeesche tarwe met Groninger koffen aan; het Groninger product vond mede zijnen aftrek te Amsterdam; daar verstond men de kunst, om geschikte meleringen voor de verschillende markten te maken, en door dezelfde Koffen welke het vreemde graan aangevoerd hadden, werd dit, met het inlandsche vermengd, weder uitgevoerd en de schepen vonden retourladingen met wijn, olie, enz. Toen ten tijd bragt de tarwe prijzen op, waarover de landbouwer zich niet beklaagde en niet beweerde, dat hij ondersteuning behoefde.

Daarbij leert de ondervinding, dat de slechts producerende en niet handeldrijvende landen in geenen deele bevoordeeld zijn. Zij staan doorgaans te veel bloot aan den wisselvalligen aftrek hunner produkten, en moeten dezelve somwijlen jaren achtereen op elkander gestapeld houden liggen, wanneer de oogsten overal overvloedig zijn, en dan heerscht in die slechts producerende landen armoede en nood. Polen en Oost-Pruissen leveren geenszins de bewijzen op van grootere welvaart, ofschoon zij de voorraadschuren van Europa waren.

Daarenboven mag men de geheele bevolking van een land, ter gunste van weinigen niet dwingen, om een onsmakelijk voedsel te gebruiken, dat de bestanddeelen van goed voedzaam brood (de eerste levensbehoefte) mist, door dwang duur betaald moet worden, en waarop bovendien zware, zoo Rijks- als stedelijke-accijnsen drukken, zoodat de reeds karige genietingen van een groot gezin al meer en meer moeten verminderen.

De scheepsbouw en scheepvaart geven brood in het Groningerland aan eene aanzienlijke menigte ambachtslieden en varensgezellen, en deze hebben ook regten, die geëerbiedigd moeten worden, zoowel als de graanhandel, waarmede het bestaan van duizenden gemoeid is. Handel en scheepvaart moeten vooral in ons beperkt land, dat met zulken enorm grooten schuldenlast bezwaard is, den landbouw schragen, terwijl door dezen den aftrek der produkten bevorderd moet worden, en de stadbewoner, die het grootste gedeelte der opbrengsten betaalt, heeft van regtswege aanspraak, dat men hem dus ook de middelen niet ontneme, waardoor hij de lasten kan betalen.

Treurig genoeg ziet men bij onze verminderde scheepvaart een verschijnsel, dat het ontegensprekelijk bewijs is, hoe alles ten onzen nadeele omgekeerd is. Bij de aanzienlijke hoeveelheden spek, die ons Groningen, Overijssel, Drenthe en Gelderland leverden, hadden wij nog behoefte aan toevoer uit Westphalen en Pruissen, doch thans leveren ons die gewesten dit niet meer. Bij den meer levendigen handel van Hamburg en Bremen, en de aldaar steeds toenemende scheepvaart, gaan de verzendingen van spek enz. daar heen. Rijn-Pruissen, dat ons vroeger gaarne voor zag, trekt nu, bij meerdere welvaart aldaar, het spek uit onze provinciën, hetwelk wij vroeger voor onze eigene scheepvaart niet konden ontberen. Het moge den landbouwer onverschillig zijn, waar zijne producten blijven, wanneer hij maar gelegenheid heeft, dezelve te kunnen verkoopen; doch zoodanige verschijnselen, welke ten duidelijkste eene geheele ommekeer van zaken doen blijken, behoort de hooge regering met geen onverschillig oog te blijven aanzien. Het levert de onbetwistbare bewijzen op, hoe ten onzen nadeele de zaken veranderd zijn, en welke treurige gevolgen dit moet hebben; zoodat alle middelen dienen te worden aangewend, om het kwaad zooveel mogelijk te keeren.

Een punt, dat betrekking heeft op al de bij de uitwateringen te Zandpoort belang hebbende districten, is, dat de sluizen aldaar niet alleen zouden gelegd worden, om het buitenwater bij hoogen vloed te keeren, maar te gelijker tijd, om ook het rivierwater op te kunnen houden, opdat er niet te veel van afloope. Zoo kan het ook dienstig zijn, in drooge zomers, wanneer er gebrek aan water in Noord-Holland is, om het van boven afloopende zoete water, in de sluizen te leiden, alwaar men anders wel genoodzaakt is, zich met zout water te behelpen, dat allernadeeligst is voor de kaasmakerij.

De ringvaarten zullen van onberekenbare dienst worden, voor onze kleine steden met hare onbruikbaar gewordene havens; het zijn niet alleen de West-Vriesche steden, die door het verslibben harer havens haren handel en hare welvaart zagen verdwijnen, maar ook de ingang van de Eem zal verbeterd worden, als ook de havens van Harderwijk, Elburg, Vollenhoven, en eenige meer, waar lokale omstandigheden en gebrek aan middelen beletselen zijn.

Zeer dikwijls liggen zoovele landen om den Eem, op het Kamper eiland, om de geheele kust en binnen de provincie Overijssel, bij hooge vloeden, tot laat in het voorjaar onder water; dan dringt de zee langs den kronkelenden IJssel en het Zwolsche Diep, tot ver landwaarts in, benadeelt den hooibouw, en rigt wijd en zijd ontzettende verwoestingen aan, hetwelk door onze voorgestelde bedijkingen voor immer gekeerd wordt. Die vloeden, door opstoppende winden veroorzaakt, zullen geene schade meer kunnen toebrengen en de verwachtingen van den landman op eenen goeden oogst niet meer bedreigen.

Door de ringvaarten, die voorbij Amsterdam op het Zeekanaal uitloopen, zal de IJssel zelf, tot bij Kampen, een beter verhang tot in de Noordzee verkrijgen en wel van vijf duim op elk uur gaans, welk verhang gelijk is aan dat bij de brug voor Kampen; en bovendien zullen de sluizen in de ringvaart, bij Stavoren en Enkhuizen van groot nut zijn, voor den IJssel. Het Zwolsche-Diep en het waterrijk Drenthe, tot aan de Vriesche kust toe, zoo ver de eerste indijking zoude strekken, wordt ook daardoor voor overstrooming beveiligd.

Eene ramp, zoo als men die in het jaar 1825 beleefd heeft, toen het water omtrent 2 ellen hoog binnen de stad Meppel, en in hare omstreken stond en deze alsmede genoegzaam geheel Overijssel eene verwoesting ondergingen, waarvoor jaren benoodigd waren, om de geledene schade te kunnen herstellen, had men niet meer te duchten.

Ware eenmaal de indijking van Enkhuizen op Stavoren volbragt (het daarbij te laten berusten, ware maar half werk), dan konde men aan de niet minder gewigtige indijking van het overige gedeelte van de Zuiderzee en de Wadden beginnen, dat met minder kostbaren aanleg even goede uitkomsten zouden opleveren, Vriesland werd daardoor tot op eenen aanmerkelijken afstand van de Zee verwijderd, en hare op vele plaatsen thans zorgwekkende dijken, werden dan geheel overbodig. Het onderhoud daarvan verviel, hare beemden voor veeteelt, koolzaad en vlas werden aanzienlijk uitgestrekt, en zij genoot, even als alle andere districten, al de weldaden, welke door verbeterde afwateringen en watergemeenschappen te verkrijgen zijn. Vele harer uitgestrekte veenen, waren met beter gevolg dan nu te bewerken, en vele van derzelve meren, en plassen, zouden alsdan met voordeel droog gemaakt kunnen worden, waardoor hare toenemende bevolking mede gelegenheid vond, om een ruim bestaan te verwerven.

Wij zouden vreezen, door eene herhaalde opsomming van aldaar te verkrijgen voordeelen, den geachten lezer te vermoeijen; maar wij moeten er thans op wijzen en dringen er op aan, dat men de zaak ook in Vriesland en op de Eilanden in rijpe overweging neme. Wij twijfelen geenszins, van ook daar vele warme voorstanders te zullen vinden, welke het niet bij overlegging zullen laten, maar mede helpen bijdragen tot derzelver verwezentlijking.

Ook de daar te graven ringvaarten en kanalen zullen volledige waterberging geven, die 13,000,000 kwadraat-ellen beloopen; wij kregen alsdan daarvoor een geheel van 3600 bunders oppervlakte, dat den meest bezorgden daarover reden tot tevredenheid kan geven, ofschoon wij gelooven, dat, na volbragte droogmaking, de ringvaarten en kanalen, als eigentlijke boezems overbodig zullen zijn; terwijl de verhangen, naar gelang der winden, zoo krachtdadig om het noorden, het westen en zuidwesten zullen kunnen werken, dat er altijd van de eene of andere zijde, zoo niet overal te gelijker tijd, genoegzame afloop van water zal plaats hebben, waarvan al de belendende provinciën partij zullen trekken.

De IJssel was altoos, en blijft bij gewonen waterstand op de rivieren de Waal en Rijn, de oorzaak van groot verlies van water op dezelve.

Alle waterbouwkundigen begeerden veel water op den Rijn en op de Waal, om daardoor meerdere schuring en mindere aanslibbing te bekomen. Overijssel verlangde zulks mede voor den IJssel en heeft dat dan ook ten koste der hoofdrivieren verkregen of genomen, en wel door middel van eenen scheppenden arm of kribwerk boven aan den monding van den IJssel te leggen. Door die bekribbing echter werd de laatste doodsteek aan Rijn en Waal gegeven, en Gelderland en Overijssel veel schade, door te veel toevoer van water, toegebragt.

Er zullen weinige jaren meer verloopen, of Rotterdam en Dordrecht zullen bij gewonen waterstand, in den zomer en in het najaar, geene beladene schepen meer stroomopwaarts kunnen zenden. Door de steeds toenemende aanslibbing van Waal en Rijn ondervinden de stoombootdiensten reeds meerder oponthoud dan vroeger. Men begint dan nu ook in te zien en te erkennen, dat de te weeg gebragte waterafleiding langs den IJssel een verlies van water aan de beide hoofdrivieren ten gevolge heeft; dat zij onbruikbaar zullen worden, en om zulks eenigermate te verhelpen, wil men hebben, dat de Kille bij Werkendam zal gedigt worden, iets, waarvan voor eene eeuwe C. VAN VELZEN de noodzakelijkheid reeds heeft betoogd. Dan dat digten van de Kille bij Werkendam zal Rijn en boven-Waal niets baten, zoo lang als den IJssel wordt toegestaan, deze rivieren dood te tappen, zoo als nu plaats heeft. Men moet echter de hulp, die de IJssel verleenen kan, om, wanneer er te veel water van boven komt, om door Waal en Rijn te kunnen afloopen, niet uit het oog verliezen; daarom ware het eene behoefte den IJssel van drie sluizen, op afstanden van elkander gelegd, te voorzien, die het water tot op een bepaald peil zouden kunnen keeren, en dat hoog genoeg ware, om de rivier bevaarbaar te houden en de IJssel, bij hoogen boven-waterstand, zijne uiterwaarde bleef inunderen.

Het voorgestelde kanaal van af beneden Westervoort, door de hooge gronden en de Veluwe heen, tot naar de Steenen-kamer te graven, om den IJssel te vervangen, zoude in eene regte lijn afloopen; het moest van drie sluizen worden voorzien, om in gewonen tijd een verval van acht ellen te keeren, van den IJssel af tot aan de Zuiderzee, aan weêrszij de der sluizen en het kanaal eenen breeden overlaat makende, om, in tijden van nood, bij ijsopstoppingen en hoogen waterstand tot ontlasting van het water te dienen, en daardoor de verwoesting, uit doorbraken ontstaande, en de vernieling van menschenlevens en vee te voorkomen. Dit kanaal zou een afdoend redmiddel voor al de om Rijn en Waal gelegene waarden en landen worden en langs dien regtlijnigen stroom zoude, met een verval van 1 el op een uur, of 5 strepen op eene el lengte, eene verbazende hoeveelheid water afstroomen waar anders een regtlijnige stroom voor eene rivier, in gewonen tijd, nadeel aan dezelve, door te veel spoed, toebrengt, zou het in dit geval een vereischte worden. Men heeft niet te vreezen, dat bij eenen regtlijnigen stroom van 300 ellen breedte, met het verhang van eene el op een uur, geene genoegzame hoeveelheid water zou kunnen afloopen; men moet de regelen der snelheid niet naar de snelheid van eenen overlaat berekenen, waar het water uit rust in beweging moet komen, en bijgevolg tijdverlies plaats heeft; men zoude zich alsdan vergissen kunnen, even als zulks bij het leggen van de afwateringssluis te Katwijk plaats had. Na genomene waarnemingen omtrent overlaten, hebben de ontwerpers op veel minder snellen afloop van water door de sluizen gerekend, dan daadwerkelijk, na de opening derzelve, heeft plaats gevonden, en gelukkig, dat de misrekening voordeelig uitviel.

Wij mogen niet nalaten, hierbij nog eens vlugtig het oog op de helling van ons land te slaan.

Nagenoeg van de Noordzee bij den Dollart af tot aan Emmerik toe, is ons land, als een kustland, door hoogere landen omgeven, dat door persing, geëvenredigd aan die hoogere ligging, eenen aandrang van water op ons lager liggend grondgebied doet ontstaan. Door den aandrang van het hooger afkomende water wordt de last, welken wij van het water op ons grondgebied hebben, natuurlijk grooter; terwijl het water door de verslibbing der Zuiderzee en van de mondingen der rivieren, alsmede door de verhooging van derzelver beddingen, althans omlaag, in zijnen vrijen afloop verhinderd wordt. Hiertoe dragen de steeds verhoogd wordende dijken (welk verhoogen toch eenmaal een einde zal moeten hebben) mede niet weinig bij. Door al deze oorzaken nemen de ophoopingen van water binnen in ons Land toe, en daardoor de overstroomingen; waarbij nog de door noordweste stormen veroorzaakte vloeden komen, zoodat de vruchtbaarste streken in ons Rijk hoe langer hoe meer, en het meest geteisterd worden.

Overijssel en Drenthe zijn thans in strijd, wegens het brengen van kanalen tot op de grenzen (het ware veel verstandiger, om gemeenschappelijk te werk te gaan), welke kanalen, zonder iemand te schaden, tot aan de grenzen konden gebragt worden, om daardoor van die zijde onzen handel met Hannover te verlevendigen.

Wij meenen behoorlijk en duidelijk genoeg betoogd te hebben, dat wij voornamelijk de ringvaarten willen daargesteld hebben, om de watergemeenschap, zoo doelmatig als doenlijk, in te rigten, ten einde daardoor in het onderling verkeer van handel en scheepvaart te voorzien, terwijl zij te gelijker tijd voor de af- en uitwateringen worden dienstbaar gemaakt. Als waterberging vermeenen wij dezelve te kunnen ontberen. In de drooggemaakte Zuiderzee zullen verscheidene vaarten gegraven worden, welke dien grond, tot aller gemak, in verschillende rigtingen zullen doorkruisen, en langs welke breede rijwegen kunnen aangelegd worden, met boomen en plantsoen bezet, zoodat de drooggemaakte Zuiderzee een niet minder aangenaam oord zal worden dan de Beemster, doch desniettemin vrij wat uitgestrekter, waarin, na verloop van tijd, menige stad en menig dorp zal kunnen gesticht worden. De straks genoemde vaarten, welke bevaarbaar zullen worden voor ruime, welingerigte trekschuiten en barges, met paviljoen, achter- en voorkajuit, naarmate van den stand der reizigers, zullen overvloed van waterberging opleveren.

Heeft men vroeger al verschillende indijkingen in de Zuiderzee ondernomen, en is men nu nog daarmede bezig, de weinig voldoende uitkomsten van velen derzelven zijn niet zeer geschikt, om den lust tot soortgelijke ondernemingen aan te wakkeren.

Van zeer verschillenden aard evenwel zijn de redenen, waardoor verlies in stede van winst geleden wordt. Vele dier indijkingen en droogmakingen werden op te kleine schaal ondernomen, zoodat het getal ingedijkte bunders de kosten van een soliede bedijking niet konden goedmaken; vooral, wanneer daarbij tegenspoeden kwamen, welke men niet verwachtte, die echter uit den aard der zaak te duchten waren, omdat men, om kosten te sparen, de grondslagen der dijken te ligt maakte; aan die kwalijk voltooide, versch gelegde dijken werd, bij hooge vloeden en stroom door den afslag veel schade aangebragt, en, om dien weder te herstellen, moest op nieuw geld worden genegociëerd, waardoor de eerste ondernemer aan den tweeden geldschieter zijn regt op den gewonnen grond voorloopig moest afstaan. Het is echter de bedijking niet alleen, maar het zijn ook de uitwateringen, molenvlieten, molens en sluizen, die in verhouding tot weinige honderde bunders de kosten zwaarder doen wegen, dan in verhouding tot zooveel maal duizenden; en wanneer alles zonder tegenspoed afloopt, dan heeft de geldschieter bij eene kleine indijking nog maar eenen karigen interest. De voorwaarden, welke dikwerf den nieuwen ondernemer voorgeschreven worden door de achter de nieuwe bedijking liggenden en bevoordeeld wordenden polder, berokkenen ook nadeelen.

Zoo is het geschied, dat het bestuur van eenen achter eene voorgenomene indijking liggenden polder, tot bewilliging der nieuwe indijking, de voorwaarde stelde, dat langs de uitgestrektheid van den ouden dijk, welke door de nieuwe indijking genoegzaam geheel overbodig werd, tot onderhoud van dien dijk eene strook gronds van den nieuwen polder, langs den ouden dijk, tot zoogenaamd onderhoud daarvan, daaraan moest afgestaan worden,—gronden, die nog eerst moeten aangewonnen worden! Het bestuur van de nieuwe onderneming, dat eerder eenige toelage of uitkeering van den ouden polder had kunnen vragen, daar het onderhoud aan den ouden dijk genoegzaam overbodig werd, willigde welligt uit de niet ongegronde vrees voor langrekkende tegenwerkingen, den meer dan onbillijken eisch in. De geheele aanwinst van grond bedroeg geene 1500 bunders, daar moest een zeedijk van bijna 7000 ellen om heen gelegd worden, en daarenboven moest men zich aan zulke schadelijke en onbillijke conditiën onderwerpen.

Er komen bovendien nog andere nieuwe bezwaren bij: het gouvernement loofde premiën uit aan hen, die indijken wilden. Bij de wet of het besluit van den 6 Junij 1840 werd men daartoe aangemoedigd; doch thans worden harde bepalingen opgelegd, wanneer men concessiën tot indijkingen wil verkrijgen, door vooraf den grond met goud te moeten koopen. Waren onze regering en hare agenten niet boven allen twijfel van venaliteit verheven, voorwaar! er ware geene geschiktere gelegenheid voor uit te denken.

Deze schatting te moeten betalen, houden wij voor onbillijk, en voor geene regtvaardiging vatbaar. Heeft het rijk daarop wettige aanspraak? Is de zee haar domein? Op welk archief beroept men zich, om dit te bewijzen? Dan moest deze bezitting, even als alle domeinen, publiek ten verkoop aangeboden worden of zijn.

Van eene andere zijde beschouwd, is het voordeelen trekken op eene onbehoorlijke wijze. Het rijk wordt van de zorg en kosten tot onderhoud der zeedijken ontheven, voor directe en indirecte schaden, door het opgeruimde water, beveiligd en komt bovendien in het genot van inkomsten van allerlei aard, door den, tot kultuur geschikt geworden, nieuw aangewonnen grond, en nu wil men daarenboven nog, niet bij de wet geregelde, onderhandsche schattingen heffen. Behalve de zwarigheden, door ons opgeteekend, bij bedijkingen van kleinen omvang, komen nog de kosten van een bestuur, dat met de molen- en andere polder-lasten, een voortdurend drukkend bezwaar blijft, hetwelk naar gelang der hoegrootheid van derzelver bedrag, de waarde van eenen, anders vruchtbaren grond, niet onaanzienlijk vermindert.

Bij de door ons voorgestelde ondernemingen lossen zich alle gemaakte bedenkingen van zelve op. Er is eene aanzienlijke hoeveelheid ingedijkte grond tegenover weinige dijken. In alles omstreeks 4 uren gaans bedijking, tegenover een getal van 260,000 bunders vruchtbaar land.

De te leggen dijken worden door de ruime middelen, door voorraad van specie, voor péremptoire schade beveiligd, en hebben weinig onderhoud, als ze eens goed gelegd zijn. Er is slechts een gering getal sluizen, uitwateringen, beslag van molens, in verhouding tot het groote geheel, noodig, en daarenboven zal het bedrag der te betalen polderlasten gering zijn.

Deze beschouwingen zijn niet geschikt, om hier de door ons gemaakte berekening van kosten na te gaan, het zijn slechts voorloopige beramingen, welke door eene speciaal daartoe te benoemen commissie, in overleg met ons, kunnen worden beoordeeld, om tot grondslag dier eventueele kostenberekening te dienen.

In onze berekeningen zijn de kosten voor sluiswerken, bruggen enz. opgenomen, tot prijzen, waarvoor de reeds bestaande sluizen enz. zijn gelegd, zoodat daarin geen groot verschil zal zijn. Men zoude het somwijlen noodzakelijk kunnen achten, meerdere sluizen aan te leggen, doch dit zal de verwezentlijking van het werk niet kunnen verhinderen.

De kosten aan de duizenden ellen lange ringvaarten, die in de millioenen loopen, te besteden, zullen zeer zeker beneden de raming blijven. Al de millioenen kubiek ellen graafwerk zijn tot 30 Ct. per kub. el berekend, waarop de ramingen bij het rijk of eigentlijk bij het Haarlemmer-meer ook gemaakt zijn; intusschen zijn dezelve 50 pCt. daar beneden gebleven. De dijk tusschen Enkhuizen en Stavoren is op ƒ 1,50 per kub. el berekend, gelijk ook het uitgraven der specie in het Zeekanaal, dat meer dan gewone diepte heeft, ook hooger aangeslagen werd.

Het bedrag der kosten voor steenkolen voor de stoom-water-werktuigen is stellig te hoog aangenomen; de consumptie van brandstoffen van het eene werktuig verschilt aanzienlijk met die van het andere. Er zijn in de laatste tijden groote verbeteringen in het vuren aangebragt, en daardoor blijft het cijfer zeer moeijelijk te bepalen. Wij hebben daarom liever eene ruimere berekening tot grondslag genomen, dewijl eene voordeelige uitkomst altijd aangenamer is dan te korten.

Het spreekt van zelf, dat wij nog geene lokale opmetingen, peilingen en boringen hebben gedaan, de juiste lengten hebben om die redenen nog niet kunnen worden bepaald; doch valt ons aangenomen getal op den eenen afstand tegen, het kan op eenen anderen medevallen.

De diepten der zee zijn niet gepeild; doch eigene waarnemingen, de rapporten van loodsen, schippers en visschers kunnen tot, althans vermoedelijk, zekere gidsen verstrekken.

De kosten van bekavelen, slechten en slooten hebben wij op omstreeks ƒ 84 per bunder aangeslagen; dit zal almede bevonden worden te veel te zijn, en dit verschil maakt over de aanzienlijke oppervlakte eene groote som uit.

Bij den grooten omvang van de in te dijken zee en het geringe aantal dijken, dat gelegd zal moeten worden; bij de omstandigheid, dat er bij het droogmaken voor het drooghouden meer dan voldoend beslag van waterwerktuigen is voorgesteld, zullen de te heffen polderlasten al zeer gering zijn.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings