← Table of contents
Hermelijn

XXVII.

Reading edition

Op een half uur afstand van het »groote huis” lag een Javaansch kerkhof; de weg daarheen was kaal en slechts hier en daar met eenige klapper- en arengboomen omzoomd; tusschen den weelderigen plantengroei, die van alle kanten Ngaroengan omringde, maakte deze kalkachtige, in het zonlicht verblindend witte weg een zonderlingen indruk; over het kerkhof echter lag koele schaduw.

Eens sprong een kikvorsch tegen haar op, waarna zij het op een luid geschreeuw en achteruit loopen zette, met een verwilderden blik rondom zich heen ziende, om onmiddellijk weer haar oogst voort te zetten.

Toen zij het noodige bij mekaar had gebonden, strompelde zij het kerkhof weer af, waar juist een Javaansche begrafenis aankwam; een viertal Javanen met bloot bovenlijf en allen in een sarong gekleed, die in niet onbevallige plooien langs de heupen viel, droegen de baar, waarop de doode, alleen door een wit lijkkleed bedekt, rustte; paarse en witte soelassa bloemen waren daarover gestrooid.

De oude vrouw ging stil en als vreesachtig op zijde; zij hield haar bos kruiden in de hand en stapte, over het lage steenen muurtje, weer op den weg; zij had daar slechts weinige stappen te doen, een smal voetpad daalde aan den overkant bergaf; zij verdween tusschen de pisangboomen, die het met hun breede, wuivende, langwerpige bladen overschaduwden.

Daar lag een klein dal, van drie zijden door roodachtige rotsen ingesloten, waartusschen slechts betrekkelijk weinig planten groeiden. Een kleine bamboezen hut stond er beschut tegen wind en stormen en ook tegen de heftige zonnestralen, want zelfs midden op den dag was het hier koel.

Voor de deur zat een magere knaap, rillend in zijn sarong gewikkeld; zijn oogen stonden hol en zijn lippen, door geen sirih gekleurd, waren bleek en bevend; zijn tanden schenen tegen elkaar te klapperen.

»Begiemana, Mas?” (»Hoe gaat het, schat?”) vroeg de Nènèk.

»Demem,” (koorts) was het lakonieke antwoord.

»Dat zou ik wel eens willen zien; of de wéwéh bestand is tegen mijn obat.”

»Och neen, spaar die moeite! ’t Helpt niets en ik wou zoo graag beter zijn, nu rijdt de Nonna altijd met Gollok rond en hij heeft mijn kleeren aan en Djankrik mijn paard raakt mij ontwend!”

»Wie weet, of je niet met Nonna op plaatsen geweest bent, die anker (noodlottig) waren of je niet over een heilige koeboer geloopen hebt, of gevischt in een gewijde bron. Ik weet niet, welke boschgeest door je vertoornd is, en zoo moet ik het met allerlei djamoe’s probeeren.”

De oude heks betrad het armelijke door geen deur afgesloten huisje; een baléh-baléh waarop de geheele familie, want er waren er nog meer, sliepen, een opgerold matje, een kleine kerpek (koffertje), waarin hun eenvoudige garderobe geborgen was, een paar aarden pannetjes en komforen, een koekoesan om rijst in te koken, het onvermijdelijke rijstblok met stamper, dat was het eenige meubilair.

Eenige Europeesche prentjes versierden alleen den gevlochten bamboezen muur; Djario had ze bij de Blanda’s gevonden en daar opgehangen; niettegenstaande de gewetensbezwaren zijner grootmoeder, die hun een onheilspellenden invloed toeschreef, wilde hij ze niet verwijderen.

Toen zij haar kookgereedschap ging uithalen, gaf de oude vrouw plotseling weer een reeks doordringende gillen.

»Alla-la-la-lak-Astaga!” schreeuwde zij luid, vreemde bewegingen met haar handen makende, doch het scherpe geluid bracht niet den minsten indruk op Djario teweeg; hij was er aan gewoon dat zijn grootmoeder latah was, een soort van bij de Javaansche vrouwen veel voorkomende opschrikkerigheid, die echter dikwijls in een soort van biologie overgaat.

Jongeren drijven er soms een boos spel mede als zij een door latah toevallen gekwelde vrouw, plotseling doen schrikken, gebaren voor haar maken en gezichten trekken, die zij als door een onzichtbare macht gedreven, tot in de kleinste bijzonderheden nabootst; nu was de schrik alleen voortgekomen door de plotselinge verschijning van een oude, leelijke kat, van het soort op Java koetjing-maling genaamd en wier staart even als die harer meeste landgenooten door een knoop ontsierd werd.

De oude vrouw ging buiten zitten op een laag bankje en plukte haar kruiden af; de zon neigde ten ondergang, boven was het nog helder licht maar in het dal vielen reeds schaduwen.

Onverwacht sprongen een paar Europeesche kinderen te voorschijn; men wist niet van waar, en de Nènèk begon tot hun grootste pret weer met haar latah-geroep; wie weet, welke grappen zij uitgehaald hadden indien zij niet op den voet gevolgd werden door een groote, indrukwekkende gestalte, op wier nadering de arme, zieke knaap en de schrikachtige grootmoeder eerbiedig opstonden om dadelijk weer neer te hurken en hun hoofd voor haar voeten ter aarde te buigen.

Het was Corona, die met een paar van het jonge volk haar zieken jockey kwam bezoeken.

»Stil, kinderen,” gebood zij en sprak toen in het Javaansch grootmoeder en zoon aan.

»Hoe gaat het, ben je nog niet beter, Djario,” vroeg zij zoo medelijdend als weinigen het van haar zouden verwacht hebben.

»Ik mis je erg, Gollok is een slordige jongen, die meer aan spelen en slapen denkt dan aan werken. Heb je mijn medicijn niet trouw ingenomen?”

»O ja, maar alles is op,” antwoordde Nènèk snel.

»Trima kassi, nona,” antwoordde Djario onderworpen.

»En kom nu niet met die djamoe’s aan Nènèk; je bent weer aan ’t plukken geweest, ik zie ’t wel. Ik had Djario niet naar huis moeten laten gaan, ik had hem bij ons moeten behandelen, dat was beter geweest.”

»Ze zijn niet voor obat,” hernam de Nènèk met gemaakte verlegenheid, »ze zijn voor iets heel anders.”

»Waarvoor dan?”

»Niet voor sakit badan (lichaamskwalen) maar sakitatti (hartskwalen),” zeide zij op geheimzinnigen toon.

»Malligheid,” sprak Corona glimlachend, »wat zal zoo’n drankje helpen voor een ziek hart?”

»En waarvoor helpen ze dan?”

Zij zat op het omgekeerd rijstblok en wendde snel het hoofd om daar de kinderen bezig waren de kat op te jagen, die akelig miauwde; zij verbood hen ’t dier te plagen en zag de afzichtelijke Nènèk weer glimlachend aan.

»Nu Nènèk, misschien gebruik ik ze ook wel, als ik er aan geloof,” zoo drong zij aan.

»Kan je mij iets geven, waardoor een man, zijn … zijn vrouw mooi en lief vindt en van haar leert houden?”

»Die heb ik juist klaargemaakt; wil Nonna ze hebben?”

»Dank je, ik geloof er niet aan, ik vraag het maar. Zorg liever dat Djario geregeld zijn medicijnen inneemt en de dengdengs trouw opeet, dat zal hem krachten geven. Want ik sta er op, dat hij spoedig beter wordt, hier heb jij je traktement van deze maand; ’t is je schuld niet dat je ziek bent en ook Hollandsche ambtenaren krijgen verlof wegens gezondheidsredenen met vol tractement.”

De oogen van den knaap schitterden, hij zag haar aan als ware zij zijn godin, kroop voor haar voeten en kuste de plek, waarop zij stond.

»Kom Djario,” zeide zij vriendelijk, »maak zooveel beweging niet! Neem trouw in, dan kan je me weer vergezellen; in je mooi jockeypakje, dat Gollok volstrekt niet staat.”

Zij riep de jongetjes en verliet het dal:

»Zuster,” sprak Alain haar bleekneuzig stiefbroertje. »Ik ben bang voorbij het kerkhof te gaan.”

»Foei, van wie heb je die dwaasheid geleerd? Weet je niet dat wij overal in God’s hand zijn en dat dooden geen kwaad meer kunnen doen?”

»Maar de geesten?”

»Dat is Inlandsch bijgeloof, waaraan een Christenkind niet gelooven mag.”

»Jantje heeft van zijn mama gehoord!”

Corona fronste haar wenkbrauwen, zooals zij gewoonlijk deed, wanneer zij zich ergerde en zij dacht:

»Poppie is erg bijgeloovig; Nènèk Tjioeng is vroeger haar baboe geweest; zij heeft van haar al die inlandsche knoeierijen leeren maken. Zou hij waarlijk denken, dat ik aan dien rooden hond geloofde? Ik schaam er mij voor en ’t is toch zoo, wat ik ook aan die kinderen zeg!”

Zij ging snel vooruit en hield haar broertje aan de hand; de duisternis viel in, de gambodja bloemen vervulden de lucht met hun welriekende geuren, die echter in Indië steeds aan graven en lijken doen denken en daarom onaangenaam aandoet.

Op den eenzamen weg, aan de eene zijde door sawah-velden omzoomd, aan de andere, op eenigen afstand door het kerkhof van de koffietuinen gescheiden, was niets te zien, mensen noch dier.

Corona voelde het handje van den knaap in het hare beven. Jantje liep eenige stappen achter haar en amuseerde zich met al fluitend steenen op de kraaien te werpen, die over de graven stapten, deftig als waren zij Hollandsche bidders, en soms hun akelig gekras deden hooren.

»Wil je dat laten, Jan! Neem Alain’s andere hand!”

Jantje gehoorzaamde zijn tante, hoewel schoorvoetend; Baji, het kleine meisje, volgde hen een paar stappen verder. Toen zij eindelijk aan den uitersten grens van het kerkhof gekomen waren, waar de weg zich in tweeën scheidde, de eene naar de vlakte, de andere naar huis, was het bijna geheel donker geworden.

»Ik ga nooit meer zoo laat van huis zonder één van de heeren,” dacht Corona, die ook min of meer angstig begon te worden, welk gevoel zij vertolkte door het enkele woord »Mergilan” (griezelig.)

»Zijn we haast t’huis?” vroeg Alain klagend.

»Dadelijk! ventje, dadelijk,” troostte Corona.

»Kijk eens! Zuster kijk!” riep de knaap en wees naar voren. Corona zag iets roods en vurigs door het gebladerte schitteren, en in de richting van het kerkhof verdwijnen; meteen begonnen de kraaien angstig te krassen en een huilend hondengeblaf vervulde de lucht.

»De kalang,” riep Baji, »Astaga!”

En de jongetjes grepen zich vast aan Corona’s kleeren. Zij huiverde en voelde zich niets op haar gemak, maar met haar gewone geestkracht overwon zij dat onwillekeurige angstgevoel.

De kinderen liepen voort, nu beiden vastgeklemd aan haar handen; het javaansche meisje zoo dicht mogelijk achter haar.

De weg ging opwaarts en met een kleine bocht kwam men achter in den bloementuin uit; na weinige oogenblikken zag men de lichten van het groote huis door het geboomte flikkeren.

»Zie jullie wel, daar zijn we t’huis,” zei Corona met een zucht van verlichting naar het licht wijzend.

»Maar we hebben toch den kalang gezien!” verzekerde Jantje.

Notes in this chapter

Note 1 · Graven. ↑Note 2 · Lampjes. ↑Note 3 · Mahomedaansche priester. ↑Note 4 · Oude vrouwen. ↑Note 5 · Baadje. ↑Note 6 · Buiging. ↑Note 7 · 1 Graven. ↑ 2 Lampjes. ↑ 3 Mahomedaansche priester. ↑ 4 Oude vrouwen. ↑ 5 Baadje. ↑ 6 Buiging. ↑ 7 Gebed. ↑ 8 Hoed. ↑ 9 Medicijn. ↑ a b 10 SNote 8 · Medicijn. ↑ a bNote 9 · Spook. ↑Note 10 · De groote juffrouw. ↑Note 11 · Hollandsche medicijn. ↑Note 12 · Vasten. ↑Note 13 · Mahomedanen. ↑Note 14 · Eiland Java. ↑Note 15 · Blanke menschen. ↑Note 16 · Inlandsche opperhoofden. ↑ a bNote 17 · Galeien. ↑Note 18 · Offermaal. ↑Note 19 · Bedehuis. ↑Note 20 · Gedroogd vleesch. ↑Note 21 · Gouverneur-generaal. ↑Note 22 · Indische snoeperijen. ↑Note 23 · De gambodja, de bloemdragende graf- en treurboomen der Javanen, wierpen de schaduw van hun schier bladerlooze takken tegelijk met hun duizenNote 24 · Op het einde staat een meer versierd graf, door een dakje van atap overdekt en met offergaven, uit rijst, vruchten en plita’s2 bestaande, veNote 25 · Een oude vrouw, afzichtelijk zooals de Javaansche Nènèks4 er uit kunnen zien, hinkte langs de graven, tot zij aan de heilige koeboeran kwam:Note 26 · In een harer dorre handen droeg zij een van pisangbladen gevlochten korfje, waarin vruchten en bloemen lagen, die zij op de heilige plek neeNote 27 · Twee andere Javanen hielden hun geopende zonneschermen over de lijkbaar; daar achter ging de stoet, uit eenige mannen en kinderen bestaande,Note 28 · »Ik zal je wel beter maken, ik heb hier obat9 voor je geplukt en die zal zeker goed werken, want ik heb er een sembayang voor gedaan en ik bNote 29 · »Och grootmoeder, ’t zal me niet helpen. Ik ben op een vrijdag in den klapperboom geklommen en toen heb ik ’s nachts de wéwéh10 gezien, die Note 30 · »Ik had liever, moeder, dat u de medicijn, die Nonna besaar11 hier gebracht heeft, niet had weggegooid; toen laatst sinjo Philip ziek was, rNote 31 · »Denk je dat de wéwéh niet boos is als men met obat-blanda12 aankomt? Ik heb zooveel vreemde kinderen genezen, zou ik mijn eigen kleinzoon nNote 32 · »Geef me toch hollandsche medicijn, Mak! De Nonna komt niet meer naar me kijken, zij denkt niet meer aan mij. Gollok heeft mijn plaats ingenNote 33 · »Zoo zijn de Toewan Blanda allen, Djario, allen! Heb je niet gehoord wat de Hadji laatst zei? Spoedig zal de tijd komen dat er alleen maar ONote 34 · »Ik geloof ’t niet en zou het niet wenschen moeder! Ik heb liever met orang blanda16 te doen dan met onze wedono’s en onze loera’s17. ToewanNote 35 · »Die Pangoeloe17 was bedorven door de Blanda’s en jij bent het ook Djario en tot straf daarvan heeft Toewan Allah je die ziekte toegezonden,Note 36 · »Nu Nèk, als het maar waar is; hier heb je een nieuw fleschje dat ik zelf voor je heb klaar gemaakt, Djario! Drink daar nu ’s morgens en ’s Note 37 · »Nonna wil me niet gelooven, Nonna weet alles beter, Nonna wil geen toewan Resident tot man hebben; de Toewan Besaar22 alleen, zou goed genoNote 38 · »Als de meisjes verlieven op een man, dien zij niet mogen trouwen en die hun betooverd heeft, dan krijgen zij van mij een drankje dat zij inNote 39 · »Komt kinderen! weest zoo dwaas niet! ’t zal een hond zijn, die een stuk brandend stroo draagt of ’t is een kat, die ze geplaagd hebben. Er
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings