← Table of contents
Hermelijn

XX.

Reading edition

De koffielanden der Gérans lagen op de helling van den Merawoe, een sinds jaren schijnbaar rustige vulcaan, die echter in den laatsten tijd enkele teekenen van leven gaf in den vorm van luchtige pluimen die als donzige wolken den krater ontsnapten; nu en dan hoorden de Javanen ook een onderaardsch gedruisch, dat schrik en vrees onder hen bracht, maar tot nu toe geen verdere gevolgen had.

Aan den voet van den berg strekte zich een heuvelachtige oppervlakte uit, rijk aan wouden en dalen, aan stille meren en oudheden uit den Hindoetijd, die dit gedeelte tot een der merkwaardigste van Java maakten.

De weg ging steil opwaarts, langs rotsmuren en ravijnen, gevuld met den weelderigsten plantengroei; een rijtuig zou langs den smal kronkelenden weg niet kunnen voortgaan, slechts het kleine, dappere paard van August, te klein bijna voor zijn lange beenen, en de tandoe, waarin beide schoonzusters zaten, door zes koelies gedragen, konden zich aan de moeilijke bestijging wagen.

Portias had gaarne zijn vrouwtje gevolgd maar zijn schoonvader vertrouwde hem een werk toe, dat veel te doen gaf, en waarbij zulk een haast was, dat er van meegaan geen sprake kon zijn.

Corona liet zich dien morgen niet zien; zij had haar vader gevraagd of ’t met zijn goedkeuring was, dat Kitty meeging.

»Maar kindlief,” was het antwoord, »wat kan ’t mij schelen als haar man het goedvindt; heb jij er iets tegen, belet ’t haar dan.”

Zij voelde haar onmacht om dat uitstapje te beletten; met leede oogen zag zij de toenemende vriendschap tusschen Kitty en Hermelijn aan, een vriendschap, waarop zij alleen recht meende te hebben; zij had alle moeite gedaan die te verwerven, zij die niet gewoon was om liefde of vriendschap te bedelen, en Hermelijn bleef standvastig op een afstand. Zij behandelde haar met koelen afkeer, zou ’t dan waar zijn, wat Thoren van Hagen had gezegd, dat het een slechte daad geweest was, Conrad te dwingen tot zijn geluk?

Zoo vertrokken dan Kitty en Hermelijn zonder haar afscheidsgroet en hun stemming was er niet slechter om. Het was zeer vroeg in den morgen, de dauw lag nog over het gras en de boomen, de bamboes en varens, de alang-alang en de woudbloemen; hoe hooger men kwam, hoe frisscher de atmosfeer werd, een nieuw leven doortintelde Hermelijn’s aderen; daar de tandoe hoogst langzaam ging, stapte zij nu en dan uit om te wandelen en ten volle de heerlijke natuur te genieten.

Bij elke kromming van den weg vertoonde zich een ander gezicht: rotsblokken in chaotische verwarring opeengestapeld, bedekt met mantels van groen, wit en rood gebladerte, vergezichten op rijstvelden, die een groot meer geleken, waaruit als eilanden de groene boomen doken, die een kampong overschaduwden; wouden, ineengestrengelde koepeldaken, die met moeite een zonnestraal doorlieten en op welks bodem het donkergroene mos met ontelbare woekerplanten doorwoeld werd; ravijnen, waarin de toppen van de hoogste boomen onbereikbaar diep aan haar voeten lagen.

En boven dat alles de top van den bergreus, verscholen tusschen blauwe wolken, die nu eens een bekoorlijken sluier wierpen over bosschen en rotsen, dan weer door de zon beschenen, schitterden in weergaloozen gouden gloed.

»Hoe heerlijk te leven en gelukkig te zijn,” riep Hermelijn, Kitty’s arm drukkende, terwijl zij de wonderbare tropische natuur plotseling omfloersd zag door het vochtige waas dat haar oogen bedekte.

»We moesten met ons vieren zijn, ik met met mijn José, jij met Conrad!”

»Niets gemakkelijker dan dat voor jou, maar voor mij!”

»Wacht maar, Hermelijn! Wie verzekert ons dat hij niet evenveel verdriet heeft als jij?”

»Omdat hij met mij getrouwd is?”

»Neen, omdat hij verlegen is met zijn eigen houding! Let maar op, zusjelief, hij weet niet, hoe hij ’t moet aanleggen, want hij is een domme jongen, maar geloof me, als hij alles vooruit had geweten, zou hij ’t anders hebben aangelegd.”

»Wat vooruit geweten?”

»Wel dat je zoo’n lief, goed Hermelijntje was, die Cor zoo aardig op haar plaats kon zetten. Portias zal ’t hem vertellen, wat je gisteren avond tegen haar hebt durven zeggen.”

»Maar is daar nu zoo’n moed toe noodig?”

»We zijn allemaal bang voor haar, ik heb zooveel van haar gehouden en toch, zoo iets durfde ik nooit uitspreken.”

Zij spraken niet eens Maleisch maar Javaansch, allen door mekaar, een gillend, de andere kermend, papa tegemoet vliegend. Kitty greep er twee, die als droppels water op elkaar geleken bij de badjoe monjet en stelde ze Hermelijn voor.

»Het tweede tweelingpaar, tot het oudste behoort Jantje.”

»Dan is het gemakkelijk er tien bij mekaar te krijgen,” antwoordde Hermelijn lachend en dreef de zelfoverwinning zoover, dat zij op het met zand en pisangpap bemorste gezichtje een plek zocht, waar zij een kus drukte, bij welk onverwacht bewijs van tantelijke liefde het jongentje of meisje ’t op zulk een luid geschreeuw zette, dat zij zich niet meer aan de herhaling der liefkoozing waagde.

»Hoor eens Pop,” zei Kitty, »onze lieve zus kan reeds heel aardig maleisch voor haar doen, maar met haar schoonzuster spreekt zij bij voorkeur Hollandsch.”

»Ja, ik vergeet haast! Kom hier, ik zal wijzen met jou kamer en dan wij gaan eten.”

»Ja, kassian! Cor geeft ook niets mee voor te eten, wacht als ze weg gaat, ik geef ketoepat en saté, en kwee-kwee!”

»Dadelijk eten!”

Met bedrijvige hartelijkheid rolde de goedhartige dikkert voor hen uit naar de logeerkamer, die er heel anders uitzag dan die van Ngaroengan en Djantong; alles had een even Inlandsch aanzien, ofschoon blinkend van zindelijkheid. De voorgalerij werd nooit gebruikt en was bijna altijd gesloten; in de achtergalerij scheen men te huizen, daar stond tenminste August’s leuningstoel en de rustbank met kussens opgestapeld, waarop moeder Poppie en haar kinderen met opgetrokken knieën zaten te eten, want van aan tafel zitten was geen sprake.

Na het maal, dat zoo overvloedig was als een echte Indische rijsttafel het slechts kon wezen, gingen zij naar haar kamer en daar spraken beiden naar hartelust over hetgeen hen zoo ter harte ging: Conrad en alweer Conrad; Hermelijn werd niet moe over zijn jeugd te hooren verhalen.

»Hou je nog altijd veel van hem?” vroeg Kitty.

»Moet ik ’t dan niet? Hij is mijn man, als ik niet meer van hem kon houden dan zou mijn ongeluk niet te overzien zijn.”

Al was dus de geest, die in dit huishouden heerschte, voor Hermelijn nu juist niet opwekkend of verfrisschend, materieel deed het haar bijzonder goed, dank de groote wandelingen, die zij met Kitty en August maakte, de rijtoertjes, welke zij alleen met hem ondernam, want Kitty bleef t’huis gehoorzaam aan haar man, met alle blijmoedigheid, die een liefhebbende vrouw leggen kan in haar onderwerping aan den wil van een beminden meester.

»Kon ik den mijne ook maar gehoorzamen. Gaf hij mij maar een gebod, een wensch, dien ik opvolgen moest!” zuchtte Hermelijn.

Maar voornamelijk was het haar een troost met Kitty over al die duizend kleine nietigheden te kunnen keuvelen, waarover jonge meisjes en vrouwtjes nooit uitgeput raken, en waaraan zij evengoed behoefte hebben als aan versche lucht en dagelijksch brood. Zich uit te praten is zoo iets echt vrouwelijks, dat zij, die er de gelegenheid niet toe hebben, het gemis daarvan voelen tot schade van haar lichaams- of zielsgezondheid; het onverstoorbaar optimisme van Kitty werkte gunstig op Hermelijn, haar gezonde natuur, die een afkeer had van neerslachtigheid, kwam den druk te boven, welke haar in Djantong zoo pijnigde; zij begon zooals Thoren van Hagen het raadde, zilveren randen aan de donkere wolken te onderscheiden en vreesde niet terug te keeren naar huis; ook trachtte zij de kinderen van August uit hun verwilderden staat op te heffen. Vroeger had zij het in haar blinde ingenomenheid tegen Corona wreed en onnatuurlijk gevonden dat deze de kinderen van hun ouders verwijderde om ze onder haar oog op te voeden, nu echter, nu zij hen als Javanen in het wilde hier zag opgroeien kon zij de groote, gevreesde Cor geen ongelijk meer geven.

Haar schoonzuster Poppie gaf zich veel af met Inlandsche geneeskunde; geen kwaal of zij wist er raad voor; zij had zalfjes en dranken voor ieder ten beste, maar zeide zij:

»Cor geeft niet ik gebruik die obat! Kassian, als laatst ik mag helpen met kleine Jantje, hij stellig beter, maar nu hij is dood.”

August liet zijn vrouw haar gang gaan; hij zat het liefst in Indisch costuum staten te schrijven, hij was de copiist der kolonie, had een prachtige hand en maakte nooit fouten, zijn vrouw zorgde goed voor zijn tafel; meer scheen hij niet van haar te verlangen.

Acht dagen bleef Hermelijn hier logeeren en verkreeg daardoor een blik in een echt Indisch huishouden, dat haar volstrekt niet aantrekkelijk voorkwam. Kitty, die reeds in dien tusschentijd een kort bezoek van haar man en dagelijks eenige brieven van hem had ontvangen, verlangde naar huis, maar Guillaume kwam zijn beide zusters dringend vragen, ook zijn Toetie eens te komen bezoeken, en Hermelijn, die geen haast had naar Djantong terug te keeren, vanwaar zij taal noch teeken ontving, voelde lust de uitnoodiging aan te nemen.

Notes in this chapter

Note 1 · Dorpen. ↑Note 2 · Rijstvelden. ↑Note 3 · Bladeren. ↑Note 4 · Rieten valgordijnen. ↑Note 5 · Banaan. ↑Note 6 · Haarwrong. ↑Note 7 · Erge honger. ↑Note 8 · Rustbank. ↑Note 9 · Mevrouw. ↑Note 10 · Hollandsche. ↑Note 11 · Gebak. ↑Note 12 · Schotels van gevlochten riet. ↑Note 13 · Vredige dessa’s1 brachten met hun goudbruine daken afwisseling in die zee van groen, en sawahs2, dambordvormig afgedeeld, daalden trapsgewijNote 14 · Tegen den middag kwam men aan het hooggelegen, bijna geheel in de bosschen verscholen huis van August; het was van bamboes opgetrokken en meNote 15 · Toen zij het huis betrad kwam de dikke Poppie in een bonte kabaja, met hooge kondé6, geheel het uiterlijk eener Javaansche baboe, aangewaggeNote 16 · »Laper sekali,”7 bromde August.Note 17 · Poppie deed op gewone dagen als er geen logés waren alles op een diep bord en zette den hoogen rijstberg voor August, die in zijn luiaardstoNote 18 · Daarna ging Njonja9 een praatje houden met de kokkie, die naast de naaister op een matje kwam hurken; zij zelf nam daarbij een korte welverdNote 19 · Nu echter was alles anders ingericht; de zusters waren het zoo deftig gewoon, daarbij de eene was een tottok.10 De tafel werd behoorlijk gedNote 20 · ’s Middags werd er gebaad, maar het toilet van Poppie bepaalde zich tot het aantrekken van een schoone witte kabaja, dat was nog een beleefdNote 21 · Zij was steeds in groote zorg of haar kinderen wel gebruik maakten van de djamoe’s, borehs, parems en hoe al die middeltjes, welke den anti-
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings