Note 1 — XXVII.
Reading edition
De gambodja, de bloemdragende graf- en treurboomen der Javanen, wierpen de schaduw van hun schier bladerlooze takken tegelijk met hun duizenden witte bloemen, over de eenvoudige graven. Hun sterke eigenaardige geur vervulde de lucht; de talrijke graven zijn alle even eenvormig en verlaten, van vier zijden door een balkje begrensd, wijst een kort paaltje slechts de plek aan, waar het hoofd der dooden rust; geen andere tooi siert de koeboeran1 dan de neervallende regen der gambodja bloemen.