← Table of contents
Handboek voor den kaasmaker in Nederland

Schadelijke Gewassen.

Reading edition

Alleen deugdzame, gezonde melk kan goede kaas geven; maar de eerste wordt slechts dan verkregen als het dier gezond is en goed voedsel bekomt. Wij hebben ons hier met het voedend vermogen der verschillende stoffen wel niet af te geven, maar zijn toch verpligt de voornaamste der scherpe, giftige en bedwelmend werkende planten te vermelden, daar zij niet alleen nadeelig werken op de hoeveelheid en hoedanigheid der melk, ja, de melkafscheiding soms geheel doen ophouden, maar ook voor de gezondheid van het dier vaak zeer verderfelijk zijn. Deze planten geven aanleiding tot allerhande ziekten, van welke het verwerpen van het kalf wel de gevaarlijkste is, daar dit niet alleen het dier zeer aangrijpt, maar in de gevolgen een groot melkverlies na zich sleept.

De narcotische en scherpe planten oefenen ten deele hare nadeelige werking uit door dat zij de scheikundige zamenstelling van het bloed veranderen en zoo gebreken in de melk brengen, ten deele door dat zij storend inwerken op het zenuwstelsel, onder welks invloed de afscheiding der melk staat. De melkboer moet derhalve niet alleen zijne zorgen besteden aan het kweeken van nuttige, krachtig voedende planten; maar hij moet er ook bijzonder op letten dat zich op zijne weiden geene schadelijke gewassen ontwikkelen. Om de kennismaking met deze nadeelige planten en hare eigenschappen gemakkelijker te maken, laten wij hier de alphabetische lijst der voornaamste met hare afbeeldingen volgen. Wij maken, om alle verwarring te voorkomen, in de eerste plaats gebruik van de latijnsche of botanische namen, waarop wij, voor zoo verre ons die bekend zijn, de hollandsche, fransche, duitsche en engelsche namen laten volgen.

PL. I ACONITUM LYCOCTONUM. (vergroting 434×1267, 86kb)

PL. I - ACONITUM LYCOCTONUM.
PL. I - ACONITUM LYCOCTONUM.

Aconitum lycoctonum Jacq: (plaat I.) Gele Monnikskap. Fransch: Aconite Tue-loup. Duitsch: Wolfswurz, gelbes Wolfsgift, gelber Eisenhut.

Aconitum napellus L. Gewone Monnikskap. Fransch: l'Aconit napel, le Napel. L'Aconit à fleurs bleues. Eng.: the common Wolfsbane or Monkshood; the blue Aconit. Duitsch: Eisenhütlein, blauer Eisenhut, Kappenblume, Narrenkappe, Teufelsblume, gemeiner Eisenhut.

Aconitum neomontanum en aanverwante soorten behooren tot de Ranunculaceae of Boterbloemigen. De Aconiet, in Noord-Braband Stormhoed genaamd, komt als eene vaste plant veel in tuinen gekweekt en ook enkele malen verwilderd voor. Haar bloeitijd is in den zomer. Zij is eene vergiftige plant, waarop de bijen dikwijls vergiftigden honig opzamelen; wanneer men zich hierbij herinnert hetgeen over den vergiftigden honig uit Rhododendron, Azalia pontica en Kalmia bekend is, wiens gevolgen reeds de tien duizend grieken onder Xenophon in Klein-Azie ondervonden, dan zal die opmerking zeer waarschijnlijk worden.

Ook voor dieren, als koeijen, geiten, paarden, katten, honden, wolven en muizen is dit gewas een doodelijk gif. Met het afkooksel van den wortel heeft men weegluizen gedood. Het gedroogde kruid schijnt voor paarden onschadelijk. De bladen zijn soms met salade verwisseld en de wortel met andere, eetbare knollen, bijv. Sellerij. Door kweeking schijnt dit gewas een groot gedeelte zijner vergiftige eigenschappen te verliezen.

PL. II AETHUSA CYNAPIUM. (vergroting 659×1094, 95kb)

AETHUSA CYNAPIUM.
AETHUSA CYNAPIUM.

Aesculus hippocastanum. Paarden-Kastanje. In onze streken zal men de koeijen niet vaak met kastanjes voeden; de melk, room en boter nemen, bij dit voeder, een zamentrekkenden, in het bitter overgaanden smaak aan.

Aethusa cynapium L. (pl. II.) Kleine Honds-Pieterselie, kleine dolle Kervel, wilde Eppe, wilde Pieterselie. Fransch: petite Ciguë, Ethuse. Duitsch: Gartenschierling, Glanzpetersilie, Hondspetersilie, tolle Petersilie, Krötenpeterlein, Hundsdille, kleine Schierling, faule Grete. Zij is een der vergiftige Umbelliferae of Schermbloemigen van ons vaderland, welke in Julij en Augustus bloeit. Dit gewas gelijkt in blad veel op Peterselie, maar is daarvan door een geheel anderen, walgelijken reuk te onderscheiden. Wortel en kruid zijn scherp verdoovend, verwekken maagkramp, braking, diarrhee en den dood.

PL. III ALISMA PLANTAGO. (vergroting 718×1457, 180kb)

ALISMA PLANTAGO.
ALISMA PLANTAGO.

Alisma plantago L. (pl. III.) Gemeene Waterweegbree, groote Waterweegbree. Fransch: Le Plantain d'eau. Duitsch: der gemeine Froschlöffel. Deze plant behoort tot de familie der Alismaceae of Waterweegbreeën; zij bloeit in de maand Julij. Men treft haar overal langs vaarten, slooten en andere wateren aan, waar zij door haar colossaal uiterlijk en hare groote eironde, gaafrandige en tot een wortelrozet vereenigde bladen spoedig in het oog loopt. Schapen, rundvee en paarden worden door het gebruik dezer plant ziek; alleen op de geiten zou zij geen werking hebben. Ook gedroogd onder het hooi is zij nadeelig; volgens Lindestolpe zou zij zelfs verlamming der achterbeenen bij het rundvee veroorzaken. Het sap der bladen is zoo scherp, dat het als blaartrekkend middel kan dienen.

PL. IV ALLIUM VINEALE. (vergroting 594×1397, 90kb)

PL. IV - ALLIUM VINEALE.
PL. IV - ALLIUM VINEALE.

Allium vineale. (pl. IV.) Kraailook of Wijngaardslook, ook bekend als Wildlook, Hondslook, Boerenlook, Wilde Knoflook of Wilde Uijen. Dit gewas behoort tot de Lileaceae of Leliegewassen, bloeit in Julij, maar is als een waar onkruid te beschouwen, zoowel in de weiden, waar het aan melk, boter en kaas een onaangenamen sterken uijenreuk en smaak mededeelt, als op de bouwlanden, waar het den grond nog al uitput en een onaangenamen reuk aan de granen geeft.

Middelen tot verdelging bestaan er, zoover ons bekend is, geene andere dan het uitwieden.

PL. V ANEMONE NEMOROSA. (vergroting 497×842, 42kb)

PL. V - ANEMONE NEMOROSA.
PL. V - ANEMONE NEMOROSA.

Anemone nemorosa. (pl. V.) Bosch-Anemoon of Melkwortel, ook wel Bosch-Hanevoet of Windbloem geheeten. Fransch: Anémone des bois of Silvie. Duitsch: Busch-Anemone of Weisse Osterblume, behoort tot de Ranunculaceae of Boterbloemigen, bloeit in April en Mei en bevat scherpe bestanddeelen, waardoor zij blaren trekt op de huid. Zij is schadelijk voor runderen en schapen en wordt als eene der oorzaken van het bloedpissen bij runderen beschouwd. Vele soorten van Boterbloemen en Ranunculaceae in het algemeen zijn scherp, worden door het rundvee op de weiden niet gegeten en zijn alzoo schadelijk, wanneer zij versch aan het vee worden voorgeworpen. Door drooging schijnen zij echter hare scherpte te verliezen, waarom zij in het hooi onschadelijk gerekend worden. Men kan deze gewassen op de weiden overwinnen door die met schapen kort te houden, maar wanneer zij reeds in bloei staan, worden zij zelfs niet door de schapen en evenmin door de paarden gegeten.

PL. VI ARTEMISIA ABSINTHIUM. (vergroting 613×1336, 99kb)

PL. VI - ARTEMISIA ABSINTHIUM.
PL. VI - ARTEMISIA ABSINTHIUM.

Artemisia absinthium. (pl. VI.) Gewone Alsem of Aalst. Fransch: Armoise, Absinthe. Duitsch: Wermuth, behoort tot de Compositae, bloeit in Augustus en wordt door het vee gegeten, maar geeft een bitteren smaak aan de melk.

Calendula arvensis. Akker-Goudsbloem werd tot nog toe niet anders gevonden dan in de omstreken van Maastricht. Volgens een duitsch schrijver kleurt deze plant de melk roodachtig, vooral wanneer het gebruik lang wordt voortgezet.

PL. VII CICUTA VIROSA. (vergroting 810×1202, 144kb)

PL. VII - CICUTA VIROSA.
PL. VII - CICUTA VIROSA.

Cicuta virosa. (pl. VII.) Waterscheerling; vergiftige of groote Waterscheerling; tweede Water-Eppe, ook wel dolle Kervel genaamd. Fransch: Cicutaire aquatique; Ciguë vireuse. Engelsch: the Water-hemlock. Duitsch: Wasserschierling; Wasserwütherig; Watscherling; Wehdendunk; Berstekraut; Schirle; Largenkraut.

Deze plant behoort tot de Umbelliferae of Schermbloemen; zij bloeit in Junij of Julij en groeit alleen in het water of op zijn hoogst aan de kanten der slooten, nooit op het drooge.

Hoe schadelijk deze plant voor het vee is, blijkt uit eene waarneming van Linnaeus, vermeld in zijne Flora Lapponica, waarin wij tevens een nieuw blijk hebben hoe nuttig voor den landbouwer grondige kennis der natuur is. Te Tornoa, namelijk, was eene groote sterfte onder het rundvee, vooral in het voorjaar, wanneer het voor het eerst weder op de weilanden kwam. Men had te vergeefs naar de oorzaak van deze plaag gezocht, totdat Linnaeus ontdekte dat het vee, gedurende den winter uitgehongerd, in het voorjaar den Waterscheerling tot voedsel nam. Volgens Linnaeus nuttigen paarden en geiten dit gewas zonder eenig nadeel, hetwelk Schwencke door eene opzettelijke proef bevestigd heeft. Varkens echter zouden, volgens Wepfer, nadeelige gevolgen ondervinden van het gebruik der Cicuta virosa, maar eene opmerking van Gunner spreekt dit tegen. Gadd wil zelfs opgemerkt hebben dat vee door het gebruik van water, waarin eenig sap van dezen wortel aanwezig scheen te zijn, omgekomen was. Ook voor honden, wolven en sprinkhanen is de Scheerling een doodelijk gif.

PL. VIII COLCHICUM AUTUMNALE. (vergroting 859×1141, 134kb)

PL. VIII - COLCHICUM AUTUMNALE.
PL. VIII - COLCHICUM AUTUMNALE.

Colchicum autumnale. (pl. VIII.) Najaars-Tijdloos. Fransch: Colchique d'automne; Tue-Chien. Engelsch: the common meadow Saffran. Duitsch: Herbstzeitlose; Wiesenzeitlose; Wiesensafran; Michelsblume; Lichtblume; Strockenbrod; Winterhauchen; Spinnblume; Matsafran.

Deze plant, tot de Colchicaceae of Tijdeloozen behoorende, bloeit in het najaar met eene geheel naakte rozenrood-paarsche bloem en draagt niet voor het volgend voorjaar bladen en, tusschen deze bladen, de rijp wordende vruchten. Zaden en bollen zijn voor mensch en vee een wezentlijk vergift, zoodat de plant op de weiden behoort uitgeroeid te worden. Door uitboren vernietigt men den bol. De dieren laten het gewas op de weilanden gewoonlijk onaangeroerd staan, hetwelk gelukkig is. Toch zag men in het oostenrijksche Krain er groot nadeel van voor de koeijen, doch minder in den herfst dan in andere jaargetijden. Opzetting der liezen is een van de eerste verschijnselen der ziekte. Een kalf dat van de bloemen gegeten had, stierf na twee dagen. Een huishond stierf na het gebruik van 8 grammen van den wortel. Bij de koe veroorzaakt dit gewas het verwerpen van het kalf—miskraam of vroeg-geboorte. In ons land komt deze plant enkel op vochtige weilanden langs de Maas en den IJssel voor.

PL. IX CONIUM MACULATUM. (vergroting 920×1177, 127kb)

PL. IX - CONIUM MACULATUM.
PL. IX - CONIUM MACULATUM.

Conium maculatum L. (pl. IX.) Gevlekte Scheerling of dolle Kervel. Fransch: la grande Ciguë; la Ciguë ordinaire. Engelsch: the common Hemlock; the Kex. Duitsch: gefleckter Schierling; Hedschierling; Wuthschierling; Wütherig; Tollkorbel; Bonzenkraut; Ziegenkraut; Vogeltod; Rülberkern; Teufelspeterlein; Schornpiepe; Wagendünk.

Deze gevaarlijke plant behoort tot de natuurlijke familie der Umbelliferae of Schermbloemen; haar bloeitijd valt in de maanden Julij en Augustus. Zij komt voor langs wegen, bouwlanden en in tuinen en is zeer vergiftig. Het vee is afkeerig van haar, maar varkens, die van de plant gegeten hadden, stierven een kwartier uur later. In het hooi schijnt zij minder schadelijk te zijn. Ook schapen en geiten vreten haar zonder nadeel.

PL. X EQUISETUM ARVENSE. (vergroting 649×1263, 102kb)

PL. X - EQUISETUM ARVENSE.
PL. X - EQUISETUM ARVENSE.

Equisetum arvense. (pl. X.) Akkerpaardenstaart, ook Hermoes, Heringmoes, Roobol, Roebol, Unjer en Kattenstaart genaamd. Fransch: la Prêle des champs. Duitsch: Ackerschafthalm, Schachtelhalm, Schaftheu; Katzenwedel; Zinnkraut.

Dit gewas behoort tot de Equisetaceae of Paardenstaartigen en is in Maart of April vruchtdragend. Men acht het schadelijk voor het rundvee, maar het wordt gelukkig slechts zeldzaam in wei- en hooilanden gevonden. Geheel onschadelijk voor het vee is het Equisetum limosum, in Zuid-Holland Pijpkruid of Pijphermoes, ook Rijt geheeten, in Groningen Lidruske en Holpijp genaamd. Gevaarlijk daarentegen is het

Equisetum palustre, Hermoes, ook Heringmoes, kleine Waterpaardenstaart of Moeraspaardenstaart geheeten. In Overijssel en Noord-Holland wordt deze plant Unjer genoemd, in Zuid-Holland Kwadenaard of Kwadernaat, in Groningen en Drenthe Onnijt en Lidruske, ook Ruigebol Roobol of Roebol. Gaat men op de hollandsche namen af, dan schijnt men het Equisetum arvense en het E. palustre meermalen met elkander verward te hebben. En nu moge het E. limosum of de kleiminnende Paardenstaart onschadelijk voor het vee zijn, toch wordt geene enkele soort van Paardenstaart gaarne op het land gezien; integendeel men moet er zich op toeleggen om de weilanden van deze lastige en zeer sterk vermenigvuldigende planten te bevrijden.

Men heeft voor dit gewas het spreekwoord: „der paarden brood, der koeijen dood.” De plant is zeer schadelijk, vooral voor melkvee, dat na het gebruik minder en wateriger melk geeft. Zelfs in het hooi behoudt zij hare nadeelige eigenschappen. Men heeft opgemerkt dat de melk na het gebruik dezer plant slijmig en blaauw, soms bitter wordt. Ook geeft zij aanleiding tot het ontstaan van vele ziekten als: het verwerpen van het kalf, bloedpissen, buikloop, opblazen van den darm, vermagering, enz. Een regenbui op het hooi neemt, zegt men, iets van de schadelijke eigenschappen weg (?). Als geneesmiddel wil men zwavelzuur ijzeroxydule aangewend hebben, omdat dit ijzerzout met de looistof der plant eene onoplosbare verbinding aangaat. Wij betwijfelen echter of de looistof wel het ware schadelijke der plant uitmaakt; liever willen wij aannemen dat de tandjes, waarmede de randen der schede van dit gewas bezet zijn, eene verwonding van de maag—de boekpens—der koe veroorzaken. Die tanden zijn zeer fijn, van hoornachtige geaardheid en kunnen derhalve gemakkelijk verwonding van het ingewand teweegbrengen. Maar ook de stengel is om dezelfde of om dergelijke oorzaak gevaarlijk; men vindt op dezen stukken verhard kiezelzuur, zoo hard dat zij den nagel afvijlen.

In vele lage streken van Zuid-Holland is deze plant zoo algemeen en als schadelijk bekend, dat het land verdeeld is in kwadenaardsland en in goedenaardsland, in welk laatste namelijk het Equisetum ontbreekt; beide soorten van land worden door 8 voet diepe slooten afgescheiden, wijl bij mindere diepte der slooten de kruipende wortelstok onder den bodem der sloot doorgaat en het goedenaardsland besmet.

Onder de overige middelen om dit kwaad te beteugelen telt men, volgens van Hall; 1º eene drooge ligging van het grasland; 2º eene krachtige bemesting, vooral met varkensmest en gier, waardoor de zode in kracht toeneemt en de Hermoes onderdrukt; 3º als het blijkt dat deze middelen niet genoegzaam baten, het herhaald overrollen van het land, of het overtrekken met een zoogenaamden hort, zijnde eene ruitvormige vereeniging van kantige balken. Het, herhaaldelijk in eenen zomer, knakken der stengels schijnt dit onkruid ten laatste geheel te doen omkomen.

Behalve deze middelen raadt von Lengerke ook aan om hermoezig land over te mennen met zand, dit te mesten met varkensmest, en daarop haver en graszaad uit te zaaijen, hetwelk den wasdom der hermoes althans onderdrukt; voorts het gebruik van delfstoffelijke meststoffen, waaronder welligt het zwavelzuur ijzer te beproeven ware.

Euphorbiaceae of Wolfsmelkachtige gewassen bevatten een scherp melksap, dat bij de geringste verwonding uitvloeit. Het verwekt, in het darmkanaal gebragt, brakingen en purgeren, in grootere giften den dood door ontsteking van dat ingewand. Het inlandsche geslacht Euphorbia, Wolfsmelk, verdient meer bijzonder onze aandacht; alle soorten van dat geslacht zijn schadelijk, maar bepaaldelijk de volgende:

PL. XI EUPHORBIA CYPARISSIAS. (vergroting 529×1375, 112kb)

PL. XI - EUPHORBIA CYPARISSIAS.
PL. XI - EUPHORBIA CYPARISSIAS.

Euphorbia cyparissias L. (pl. XI.) Cypresbladige Wolfsmelk. Fransch: l'Euphorbe à feuilles de Cyprès. Duitsch: Cypressen Wolfsmilch; Teufelsmilch; Hundsmilch; Krötenkraut. Zij groeit zeer algemeen in de nabijheid van den IJssel; in de aan zee gelegene, door aangespoeld land gevormde provincien, schijnt zij niet voor te komen.

Euphorbia esula L. Stompbladige Wolfsmelk, ook kleine Esula of kleine Spurge. Fransch: l'Euphorbe Esule. Duitsch: gemeine Wolfsmilch, Eselsmilch; Hundsmilch. Deze soort groeit voornamelijk langs de IJsselboorden.

Euphorbia gerardiana W. Spitsbladige Wolfsmelk. Ook deze soort groeit aan den IJsseldijk; men vindt haar langs de Lek en de Waal.

De drie genoemde soorten bloeijen in Junij en Julij, zij zijn overblijvende gewassen, die jaarlijks nieuwe stengels vormen.

Euphorbia palustris of moeras Wolfsmelk, groote Spurge, Duivelsmelk, groeit vooral in de lage weilanden van Holland.

Alle soorten van het geslacht Euphorbia zijn gemakkelijk te onderkennen, en wie ooit eene soort gezien heeft, zal ook de andere spoedig voor soorten van Wolfsmelk herkennen. Daarom hebben wij slechts eene, de Euphorbia cyparissias, afgebeeld.

Allen bevatten het scherpe, bijtende melksap in vrij groote hoeveelheid, zoodat zij zelfs tot het wegbijten van wratten gebruikt worden.

Over het algemeen laat het vee deze soort van planten onaangeroerd staan; vreet het haar, dan ziet men er al spoedig de nadeelige gevolgen van. Bij schapen ontstaat roode loop en bij het rundvee verkrijgt zelfs het vleesch een onaangenamen smaak. Volgens sommigen zou de melk der geiten door E. Esula eene purgerende werking verkrijgen. De Euphorbia peplus, de Duivelsmelk, Hexenmelk, Kroontjeskruid, kleine Spurge of Tuinwolfsmelk wordt door de schapen gegeten, doch verwekt diarrhee.

Fagus sylvatica, Beukenboom, Boekenboom, Beuk. De Beukenboom is bekend genoeg, even als de veel olie bevattende beuknoot of beukel. Volgens Haubner zijn koeken van beuknoten vergiftig voor paarden en ezels; Miquel geeft op dat zij ook voor varkens schadelijk zijn. Blijft het rundvee onder het gebruik dier koeken al gezond, dan is toch de melk waterhoudend en geeft minder kaas. Deze koeken komen echter in ons land weinig voor, omdat hier hoogst zelden olie uit de beuknoten geslagen wordt.

PL. XII HIERACIUM PILOSELLA. (vergroting 434×842, 35kb)

PL. XII - HIERACIUM PILOSELLA.
PL. XII - HIERACIUM PILOSELLA.

Hieracium pilosella. (pl. XII.) Muizenoor of langharig Havikskruid. Muisoor bloeit in Junij en Julij, behoort tot de Compositae en is als onkruid op de weiden te beschouwen, daar paarden en runderen het niet eten, en het voor de schapen nadeelig is; het brengt bij deze laatste dieren verstoppingen te weeg. Dit wordt bevestigd door Lengerke, die deze plant beschrijft als onaangenaam voor het vee, nadeelig werkend op de melk, en voor de schapen in het bijzonder zeer schadelijk.

PL. XIII HYDROCOTYLE VULGARIS. (vergroting 591×780, 45kb)

PL. XIII - HYDROCOTYLE VULGARIS.
PL. XIII - HYDROCOTYLE VULGARIS.

Hydrocotyle vulgaris. (pl. XIII.) Waternavel of Navelkruid behoort tot de Umbelliferae of Schermbloemen en bloeit in Junij.

Het plantje is zeer scherp en hierdoor voor het vee, in het bijzonder voor de schapen, zeer nadeelig. Het veroorzaakt inwendige ontstekingen en is een der oorzaken van het bloedpissen. Men weet dat lage, moerassige weiden ongezond zijn voor de schapen; voor een gedeelte is dit toe te schrijven aan dit giftig gewas.

PL. XIV MYOSOTIS PALUSTRIS. (vergroting 615×909, 45kb)

PL. XIV - MYOSOTIS PALUSTRIS.
PL. XIV - MYOSOTIS PALUSTRIS.

Myosotis palustris. (pl. XIV.) Water Muizenoor of Vergeet-mij-niet. Fransch: Myosotis vivace of Oreille-de-souris. Duitsch: Sumpfvergissmeinnicht, vindt men in de familie der Borraginaceae of Ruwbladigen, bloeit in Junij en Julij met fraaije, naar evenredigheid der andere soorten vrij groote, helder blaauwe bloemen, en groeit in moerassige oorden. Zij is schadelijk voor het vee, in het bijzonder voor de schapen, waarom men haar in Overijssel den naam geeft van Schapengal.

PL. XV NARTHECIUM OSSIFRAGUM. (vergroting 725×1441, 101kb)

PL. XV - NARTHECIUM OSSIFRAGUM.
PL. XV - NARTHECIUM OSSIFRAGUM.

Narthecium ossifragum. (pl. XV.) Moeras Narthecium; gele Water-Affodillen, in Groningen ook wel wilde gerst of Cipelgras genaamd. Deze plant kenmerkt zich onder de Liliaceae of Lelieachtigen terstond door het gemis van een bol en het bezit van een kruipenden wortelstok. Het Cipelgras bloeit niet in April of Mei, zoo als de meeste Lelieachtigen, maar in Julij of Augustus. In veenachtige streken en op de eigenlijke hooge veenen is het lang niet zeldzaam. Zoo als de latijnsche soortsnaam aanwijst, zou het eten van deze plant de beenderen van runderen en schapen week maken en ten laatste doen breken. Hoewel dit nu, volgens de Gorter, door de ondervinding hier te lande niet bevestigd is, zoo wordt zij evenwel voor eene voor het vee schadelijke plant gehouden, ook in het Westerwoldsche. Een kundig waarnemer heeft evenwel aan den hoogleeraar Kops verzekerd dat het rundvee, hetwelk weidt op de Bergumerheide, waar deze plant in groote menigte groeit, ten laatste zeer zwak in de beenderen wordt, zoo dat van sommigen de pooten breken.

PL. XVI OENANTHE FISTULOSA. (vergroting 914×1201, 86kb)

PL. XVI - OENANTHE FISTULOSA.
PL. XVI - OENANTHE FISTULOSA.

Oenanthe fistulosa L. (pl. XVI.) Pijpachtig Torkruid; welriekende Waterbiezen. Fransch: l'Oenanthe fistuleuse. Duitsch: Tropfwarz; Wasserstein; breitröhrige-Rebendolde; Drüswurz.

Het pijpachtig Torkruid, een der Umbelliferae of Schermbloemen, groeit op vele plaatsen aan de kanten der slooten en in vochtige weilanden. Het bloeit in Julij en Augustus. Deze plant is schadelijk voor het rundvee; de wortel vooral is vergiftig, en, als de bladeren door de runderen gegeten worden, dan verkrijgt de boter hierdoor een scherpen en onaangenamen smaak. Ook het verschilbladige Torkruid, hier en daar bevernelbladig T. genaamd, oenanthe pimpinelloides L., is een inlandsch en waarschijnlijk schadelijk gewas.

PL. XVII PARIS QUADRIFOLIA. (vergroting 615×926, 55kb)

PL. XVII - PARIS QUADRIFOLIA.
PL. XVII - PARIS QUADRIFOLIA.

Paris quadrifolia L. (pl. XVII.) Vierbladig Pariskruid. Fransch: Parisette; Etrangle-loup. Engelsch: Oneberry. Duitsch: die Einbeere; Wolfsbeere; Wolfskirsche; Einbeerkraut; Sternkraut; Parisbeere; Schweinsauge; Sauauge.

De vierbladige Paris is eene der vreemdste Eenlobbigen van ons vaderland, en onder de Aspergieachtige planten vooral gekenmerkt door hare bloembekleedselen, die uit twee kransen van in het geheel niet op elkander gelijkende blaadjes bestaan, en dus eigenlijk een waren kelk en eene bloemkroon, en geen bloemdek vertegenwoordigen. Zij bloeit van Mei tot Junij en na den bloeitijd vindt men op de plaats der bloem eene groote blaauwzwarte bes.

De plant heeft verdoovend vergiftige eigenschappen en is ook eenigzins scherp. De versche bladen en bessen hebben een onaangenamen en verdoovenden, de wortel een meer vlugtig scherpen reuk; de wortel is braakverwekkend en de bladen werken als een scherp purgeermiddel. Voor het rundvee en de vogels is deze plant vergiftig.

PL. XVIII PEDICULARIS PALUSTRIS. (vergroting 503×1175, 94kb)

PL. XVIII - PEDICULARIS PALUSTRIS.
PL. XVIII - PEDICULARIS PALUSTRIS.

Pedicularis palustris. (pl. XVIII.) Moeras Kartelblad; IJzerhorde; roode Horte; roode Schartelen of Honger; Fistelkruid of Luiskruid. Fransch: Pédiculaire des marais. Engelsch: Rattle. Duitsch: Sumpf-Laüsekraut.

Het moeras-Kartelblad wordt gebragt tot de familie der Rhinanthallae of Rinkelbloemen; het bloeit van Mei tot Julij. Pedicularis palustris is eene der schadelijkste planten onzer moerassige graslanden, vooreerst omdat zij door het meeste vee niet gegeten wordt, en ten tweede omdat zij, na werkelijk genuttigd te zijn, aanleiding geeft tot het ontstaan van verschillende kwalen. Bij de schaapherders staat deze plant in zeer slechten naam; zij brengt eene soort van waterzucht bij het wolvee teweeg, waarvan slechts zeer weinig dieren herstellen.

Miquel noemt deze, evenals de andere soort van Kartelblad, het bosch-Kartelblad, onder de scherpe planten, welke hevige toevallen, diarrhee, bloedpissen en ontsteking der ingewanden bij het vee veroorzaken. Hij verhaalt dat het poeder, als middel tegen ongedierte op het hoofd van den mensch gestrooid, nadeelige gevolgen teweeg brengt; dat daarentegen geiten geen nadeel van de plant ondervinden, die, volgens Poiret, mede door varkens gegeten wordt.

PL. XIX POLYGONUM HYDROPIPER. (vergroting 855×1443, 84kb)

PL. XIX - POLYGONUM HYDROPIPER.
PL. XIX - POLYGONUM HYDROPIPER.

In het algemeen moet men trachten het Kartelblad zoo veel mogelijk uit te roeijen, wat men het best zal verkrijgen door aan het land een zoo veel doenlijk drooge ligging te geven. Door hoogen ouderdom wordt de stengel hard, dat bij het maaijen van het gras last geeft en welligt met den naam van ijzer horde of horte in verband staat.

Polygonum hydropiper. (pl. XIX.) Waterpeper of scherpe Duizendknoop bloeit van Julij tot September en wordt gerangschikt onder de veelknoopige planten of Polygonaceæ. In Groningen wordt deze plant Bittertong genaamd. De schapen laten haar staan, maar bij het rundvee veroorzaakt zij in kleine giften bloedpissen, bij grooter hoeveelheid genomen ontsteking der ingewanden.

Ranunculaceæ, zie Anemone nemorosa.

PL. XX SECALE CORNUTUM. (vergroting 261×1240, 60kb)

PL. XX - SECALE CORNUTUM.
PL. XX - SECALE CORNUTUM.

Scleratium clavus; Sphacelia segetum of Secale cornutum. (pl. XX.) Moederkoorn; Spoor; Hanespoor; Kraaijenbekken; Ooijevaarsbek; Hanepooten; Wolfstand; Zwarte Broodjes. Fransch: l'Ergot. Eng.: the Spur. Duitsch: das Mutterkorn.

Men vindt dit product op de graangewassen en het meest algemeen op de rogge, ook op een groot aantal inlandsche grassen. Bij het schoonen van de rogge moet het Moederkoorn weggeworpen en niet te gelijk met het uitschoonsel tot veevoeder gebruikt worden, omdat er voorbeelden bekend zijn dat dragtige koeijen en schapen, na het gebruik dezer zelfstandigheid, hare jongen verworpen hebben. Na lang voortgezet gebruik ontstaat de ziekte bekend onder den naam van droog versterf.

PL. XXI SIUM LATIFOLIUM. (vergroting 829×1333, 114kb)

PL. XXI - SIUM LATIFOLIUM.
PL. XXI - SIUM LATIFOLIUM.

Sium latifolium. (pl. XXI.) Breedbladerige Watereppe, bloeit in Julij en Augustus, behoort tot het geslacht der Umbelliferae of Schermbloemen en heeft, gelijk de meeste soorten van Watereppe—Sium—schadelijke eigenschappen voor het rundvee en de schapen. De wortel is vooral in den herfst nadeelig. Paarden eten haar zonder letsel. Zij groeit op vele plaatsen aan de kanten der slooten.

Taxus buccata, Taxis of Taxus, ook wel Venijnboom geheeten. Fransch: l'If. Eng.: Yew-tree. Duitsch: Eibenbaum, Ifenbaum. Hoezeer deze plant eene uitlandsche is, wordt zij niet zelden tot heggen aangekweekt. De bladen en takjes van dezen boom zijn stellig vergiftig. Voor het rundvee is het versche kruid nog nadeeliger dan het gedroogde. Paarden, rundvee, schapen en geiten vreten het loof gaarne, maar men heeft opgemerkt dat zij na het gebruik plotseling neervallen en sterven. Vele zulke voorbeelden vindt men opgeteekend. In geringe hoeveelheid genuttigd geeft de plant aanleiding tot afscheiding van bloederige melk en van bloed in de piswegen.

Uredo rubigo. Roest. Onder de onvolkomenste der zwammen zijne vele woekerplanten, welke op bladeren, stengels en vruchten gevonden worden. Tot deze behoort ook de Roest, welke zich voor het bloote oog voordoet als oranje-kleurige stippen en strepen op het blad van vele granen en grassoorten, doch welke, bij het gebruik van een vergrootglas, blijkt gevormd te worden onder de opperhuid der plant, welke opperhuid dan bij verderen groei openbarst, zoodat de oranje-kleurige zaadkiemen der roestplant als een fijn poeder te voorschijn komen. In het najaar is de Roest op de grassen onzer weilanden soms zoo overvloedig, dat de schoenen, bij het loopen over het gras, geheel oranje-kleurig worden. De onderste bladen der granen zijn dikwijls roestig, maar als deze Roest tot de hoogere bladen, de stengels en de aar zelve opklimt, wordt het gewas hierdoor aanmerkelijk benadeeld. De ondervinding heeft voorts bij herhaling geleerd dat het gebruik van roestig stroo tot voeder menigmaal oorzaak was van gevaarlijke ziekten bij het vee.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings