Zevende hoofdstuk.
W. (Willem) Degenhardt translation
De commandant van het fregat, waarop ik nu kwam, stond bij de zeemacht zoo goed aangeschreven, dat lord Collingwood bij voorkeur aan hem de meest vertrouwelijke zendingen opdroeg; zoo kregen wij de order om de Spanjaarden te helpen in hunne verdediging der gewichtige vesting Rosas in Catalonië. Hierboven is al met een enkel woord aangestipt dat de Fransche generaal St. Cyr die provincie was binnengetrokken en, eenmaal in het bezit van Figueras en Gerona, begeerige blikken sloeg op het kasteel Trinity, zuidoostwaarts gelegen, waarvan het bezit de voorloper van den val van Rosas moest zijn.
Mijn bevelhebber nam van die versterking de verdediging op zich, ofschoon eerst kort geleden die positie door een anderen zeeofficier, als onhoudbaar, was verlaten geworden. Hoewel ik slechts tijdelijk aan boord was, deed ik aanzoek om van de landingspartij te wezen en werd ik dienovereenkomstig medegezonden. Ter bestemden plaatse aangekomen, moest ik erkennen, dat de officier, die van de verdediging afgezien had, in mijne oogen nog zoo dom niet was. Het kasteel was niet veel meer dan een bouwval. Hoopen puin en houtwerk, gebroken affuiten en gesprongen kanonnen, schenen mij een zeer ongunstig slagveld toe. Het eenige voordeel, dat ik aan onze zijde kon opmerken, was: dat de bres, die onze aanvallers in een der muren geschoten hadden, te steil was voor beklimming en dat zij daarbij onder allerlei neerstortende steenen moesten bedolven worden, terwijl wij hen van alles naar het hoofd konden werpen. Daar hierop onze voornaamste kans gebouwd was, hadden wij slechts te beletten, dat de vijand de vóórwerken binnenkwam, die echter niet zeer veel te beteekenen hadden.
Tegenover dit voordeel stond een zeer ernstig nadeel. Het kasteel was gebouwd dicht bij den top van een steilen heuvel, waarvan het hooger gelegen deel in de macht was van den vijand, die zich hierdoor in hetzelfde horizontale vlak bevond met ons dak. Op die hoogte waren nu driehonderd Zwitsersche scherpschutters geposteerd, die, van achter aarden wallen op vijftig ellen afstand, een geregeld geweervuur op ons onderhielden. Elk hoofd, dat zich boven den muur blootgaf, was het doelwit voor wel twintig kogels tegelijk, en dezelfde onafgebroken hoffelijkheid betoonden zij ook aan onze sloepen bij hunne landing.
Op eenen anderen, meer Noordwaarts gelegen heuvel, dus meer landwaarts in, hadden de Franschen eene batterij van zes vierentwintigponders opgesteld. Die vroolijke buurman was slechts driehonderd el van ons verwijderd, en met uitzondering van den tijd, dien de stukken af en toe noodig hadden om te bekoelen, schoten zij door van zonsopgang tot zonsondergang. Ik had in mijne jonge jaren nooit kunnen denken, dat ik ooit zooveel kans zou loopen om tot eene zeef te worden geschoten, als zich hier in dit helsche kasteel aanbood. In werkelijkheid werden wij niet royaal behandeld, tegen zulk een macht waren wij niet bestand; maar onze bevelhebber was zeer onversaagd, en ik had gevraagd om mede te gaan, en dus nu geen recht van klagen. Het vuur, waaraan wij blootstonden, was zóó juist, dat wij na elk schot wel den steen konden aanwijzen, die bij het volgende getroffen zou worden, en herhaaldelijk werden er van onze manschappen gewond door splinters die van het graniet onzer muren afstoven, terwijl anderen, als patrijzen uit een vlucht, uitgepikt werden door de Zwitsersche bataljons op den nabijzijnden heuveltop.
Onze bezetting in het kasteel bestond uit honderd en dertig Engelsche matrozen en mariniers, eene compagnie Spaansche en eene andere, bestaande uit Zwitsersche troepen in Spaanschen dienst. Nooit was eenige krijgsmacht slechter betaald en gevoed en beter beschoten geworden. Wij hokten allen onder elkaar; vuil, van de vlooien levendig stroo, diende ons voor ligging; ons eten was naar evenredigheid even fijn; doch de bevelhebber had het niets beter dan de minste man. Vechten kan somtijds een aangename bezigheid zijn, maar overdaad is in alles schadelijk of onaangenaam; en hier hadden wij er meer dan genoeg van, zonder den trouwen compagnon, een behoorlijk maal eten op zijn tijd. Mij blijft het onbegrijpelijk, hoe een man zijn dienst behoorlijk kan blijven doen, zonder goede voeding; maar hier was ik met menig ander gedwongen dit te beproeven, en wanneer, wat dikwijls gebeurde, de sloepen niet aan wal konden komen, werd er pro forma toch voor ons eten geluid, omdat de commandant van een geregelden dienst hield, en in dit geval vulden wij onze magen slechts met koud water.
Menigmaal had ik mijn ouden oom hooren zeggen, dat niemand weet wat hij kan, vóór hij het beproefd heeft. Nu, hier gaf de vijand ons overvloedig gelegenheid om proeven af te leggen in vernuft, werkzaamheid, waakzaamheid en onthouding. Toen de arme Penelope, zoo zegt de fabelleer, haar net weefde, ontrafelde zij des nachts het werk van den dag. Met ons gebeurde het omgekeerde: gedurende den dag werd al onze arbeid van ’s nachts weer vernietigd. Het nachtelijk duister werd gebruikt om de zandzakken te vullen voor het dichtmaken van eenige bres en voor het wegwerken van losse steenen, om opnieuw gereed te zijn ’s vijands vuur te weerstaan, dat van zons opkomst af stellig weer zou beginnen. Dergelijke bezigheden, afgewisseld door aanhoudend en waakzaam wacht doen tegen overrompeling, namen zooveel van onzen rusttijd af, dat er van slapen al heel weinig inkwam, en, zooals gezegd is, vorderden onze maaltijden ook niet veel.
Een onzer verdedigingsmiddelen was zeer oorspronkelijk en zou zeker een ingenieur aan ’t lachen gebracht hebben. De commandant liet van lange, grenen planken, die hij van boord ontbood, een soort van brugbedekking timmeren, die hij schuin af uit de bres liet hangen; deze liet hij met allerlei koksafval vet smeeren; konden nu de vijanden in onze stelling komen, dan moesten zij daarop springen en verdwenen met vliegende vaart langs dit hellende vlak in de droge gracht beneden, waar zij, omdat het eene aanmerkelijke valhoogte was, vrij onaangenaam gestemd aankwamen en veelal zouden hebben moeten wachten tot zij door of vanwege den dokter opgezocht werden; en als zij erg netjes beneden gekomen waren, stond het geheel aan hen, om hetzelfde nog eens te beproeven. Het was een soort van vernuftig uitgedachte muizenval; destijds gaven wij juist zooveel om het leven van een Franschman, als om dat van zoo’n kleinen nachtrustverstoorder.
Nog een ander kunstje was door ons verzonnen. Aan boord was eene groote voorraad vischhaken; deze werden overal geplant, waar verwacht kon worden, dat de vijand handen of voeten plaatsen zou. De bres zelf was ondermijnd, en de mijn geladen met bommen en handgranaten; geladen geweerloopen, tot aan de monding vol kogels, waren daarop gericht en op allerlei plaatsen vastgezet. Ziedaar onze verdedigingsmiddelen; in aanmerking nemende, dat wij in de drie weken, die wij nu op het kasteel waren, bij zulke kwade tegenkansen, slechts twintig man hadden verloren, zal men toestemmen, dat dit verwonderlijk was. Intusschen naderden wij eene oplossing.
Op een morgen, heel vroeg, was het mijne beurt van uitkijk. De laag mist, die in dat land ’s nacht tusschen de heuvels hangt en in de dalen bijna tot op den bodem drukt, was aan het opstijgen en verdunnen en boven ons hoofd begon de glans der sterren te verbleeken, toen ik over den kasteelmuur in de richting van de bres keek. De commandant kwam juist te voorschijn en vroeg mij, waar ik zoo heen staarde. Ik antwoordde, dat ik dit zelf niet goed wist; maar dat zich een ongewoon verschijnsel voordeed in het dal over de bres. Hij luisterde een oogenblik, keek scherp door zijnen nachtkijker, en riep toen in eens op zijn flinken toon, doch gedempt uit: »Onder de wapens!—Daar komen zij!”
Binnen drie minuten was iedereen op zijn post, en, ofschoon alles vlug in zijn werk was gegaan, was er geen tijd te verliezen, want toen reeds was de zwarte colonne van den vijand, zich als een slang door de vallei voortkronkelende, duidelijk zichtbaar. Met de dappere volharding, waarvoor Napoleons troepen zoo bekend waren, begonnen zij in stilte de bres te beklimmen. Het was een angstig en gewichtig oogenblik, maar de kalmte en beslistheid van het kleine garnizoen waren er tegen opgewassen.
Het bevel ging rond om goed te mikken, en eene volle laag van de verdekt opgestelde kanonnen en geweren werd op het dichtste gedeelte van den vijand gelost. Zij kwamen tot staan,—en allerlei verwarde kreten stegen tot ons op. In verwarring werd eenige passen teruggetrokken, toen weer standgehouden en opnieuw tot den aanval voorwaarts gerukt; van toen af aan werd van weerszijden het vuur geregeld onderhouden. De groote vierentwintigponder-batterij, en de nog dichter bij gelegen Zwitsersche keursoldaten vuurden mede onverpoosd op ons en moedigden met luide juichtonen hunne kameraden tot de bestorming aan. Toen zij naderden en boven onze mijn kwamen, werd de mijnlont ontstoken, en met een donderenden slag vloog een groot aantal de lucht in om weer met het puin neer te komen en daaronder begraven te worden. Gekerm, gezucht, verwarde stemmen, Fransche angstkreten en Engelsche hoerrah’s werden alle dooreen gehoord! De vreugdetonen der overwinnaars weerkaatsten van heuvel tot heuvel! Ruim bedeelden wij de aanvallers met handgranaten, en kegelden wij daarmede nog heele gelederen van de been. Ik moet erkennen, dat de Franschen zich flink hielden, ofschoon zij bij hoopen waren gevallen. Ik gilde van woede en opgewondenheid, en allen vochten wij als bulhonden, wel overtuigd, dat er geen kwartier gegeven zou worden.
Tien minuten had het vuren geduurd, menig dapper krijger had in ’t zand gebeten; het hoofd der aanvalscolonne was door de mijnontploffing gedood; toch was onder hen de orde weer hersteld, en toen de dag aanbrak, was de hoofdmacht weer halverwege de bres voorwaarts gerukt. Weder naderde ons, onder aanvoering van hunnen kolonel, een uitgezochte troep van duizend man over de lijken hunner gevallen kameraden.
De dappere aanvoerder scheen even koel en berekenend, alsof hij eene danspartij leidde; met uitgetrokken degen wees hij op de bres, en duidelijk hoorden wij zijn: »suivez moi!” Ik was jaloersch op dien held—jaloersch, dat hij een Franschman was, en ik smeet hem een brandende handgranaat tusschen de voeten. Hij raapte deze op en wierp haar een grooten afstand van zich.
»Kijk mij zoo’n bedaarden kerel eens!” zeide de commandant, die naast mij stond, »ik zal hem er nog een geven;” maar ook deze schopte de ander met evenveel sang froid als waardigheid van zich af. »Die man schijnt voor niets gevoelig te zijn, dan voor een ons lood in zijne ledige maag; het is jammer zoo’n kranigen vent te dooden, maar er zit niets anders op.”
Zoo zeggende, nam hij mij een geweer uit de handen, dat ik juist geladen had, mikte en vuurde; de vijandelijke aanvoerder wankelde, bracht de hand aan zijne borst en viel achterover in de armen van een zijner manschappen, waarvan eene partij de wapens neerlegde, en hem op hunne schouders namen, als onbewust van of onverschillig voor de slachting, die in hunne onmiddellijke nabijheid plaats vond. De kleine troep werd nu het doelwit van onze schutters; allen werden daarvan neergeschoten. De kolonel, opnieuw aan zichzelf overgelaten, kroop nog enkele passen verder, tot hij een klein boschje bereikte, geen tien el verwijderd van de plek, waar hij doodelijk gewond was. Hier viel hij neer; de degen, dien hij nog in de rechtervuist klemde, bleef tegen eene struik overeind en wees opwaarts, als toonde bij den weg, dien de geest van zijn heldhaftigen eigenaar gegaan was.
Met den dood van den kolonel ging de kans van dien dag voor de Franschen verloren. Wij zagen duidelijk, dat de overige officieren hun plicht deden, door woorden en voorbeeld hun manschappen vooruit zochten te drijven en voorgingen, maar alles was tevergeefs. Wij zagen hen eigenhandig hunne vluchtelingen doorsteken; doch ook dat bleef zonder uitwerking; voorloopig hadden zij van vechten genoeg. De eerste aandrang, het eerste vuur was bekoeld met den dood van hun aanvoerder, en langzamerhand werd het een algemeen sauve qui peut, dat den aanval besloot en ons den tijd liet om adem te halen en onze dooden te tellen.
Zoodra de Franschen uit hunne batterijen bespeurden, dat de aanval mislukt, en de aanvoerder der onderneming gesneuveld was, vuurden zij van daar nog eens duchtig op ons los. Ik stak mijn hoed op de punt mijner bajonet, boven den wal uit, en kreeg er in eene minuut tijds twintig kogelgaten in; gelukkig stak mijn hoofd er op dat oogenblik niet in.
Toen het vuren der batterijen ophield, wat nu en dan op gezette tijdstippen plaats vond, hadden wij gelegenheid om een onderzoek in te stellen naar het punt, waar wij aangevallen waren. Stormladders en lijken lagen in menigte daar ter plaatse. Al de gewonden waren medegedragen; in hunne grijze kapotjassen gekleed, lag daar tal van manschappen der Fransche keurbenden, als verbruikt kanonnenvleesch dooreen. Het was een treurig gezicht, die strijders van soms meer dan zes voet lang, die menigen grooten veldslag overleefd hadden, daar voor altijd onbewegelijk te zien!
De nachten waren koud, en ik nam mij in stilte voor een dier kapotjassen te bemachtigen en mijnen commandant de sabel van den gesneuvelden kolonel ten geschenke aan te bieden. Zoodra dus de duisternis ingevallen was, wandelde ik de bres uit en wist mij eerst meester te maken van een stormladder, die ik het kasteel binnenbracht. Zooveel voor den koning gedaan hebbende, ging ik een tweede maal uit om voor mijzelven te zorgen.
Het was toen juist pikdonker. Ik strompelde voort, tegen een hevigen stormwind in, die mij door groote stof- en kalkwolken bijna blind maakte; doch van den te volgen weg was ik volkomen zeker. Toch was het iets hyena-achtigs om in die duisternis mij te midden van zooveel dooden te bewegen, en er kwam een oogenblik, dat ik met afgrijzen aan mijnen toestand dacht. Tusschen de windvlagen in was het eene huiveringwekkende stilte, waarbij ik in de zwarte duisternis soms meende mijn angstig hart te hooren kloppen. Het is juist om zoodanige reden, dat ik weinig ingenomen ben met nachtelijke aanvallen; men kan zoo zelden ten volle op zijne manschappen staat maken; meestentijds mislukken zij, omdat zoo weinigen in het duister denzelfden moed bezitten als in het licht. Vrees en duisternis gaan altijd samen, de laatste verbergt de eerste en moedigt ze daarom aan.
Van het eene lijk naar het andere tastende, kroop ik behoedzaam voorwaarts. Bij het eerste lichaam, dat ik met de hand aanraakte, stolde mij bijna het bloed in de aderen. Ik voelde den ontvleesden elleboog van een grenadier, die door een handgranaat geveld was geworden. »Vriend,” zeide ik, »naar den aard van uwe wond te oordeelen, is aan uwe overjas niet veel meer aan.” Het naastvolgende voorwerp, dat ik bevoelde, had een beteren dood gehad. Een geweerkogel door het hoofd had hem van alle aardsche zorgen ontheven. Daar zijne erfgenamen niet bij de hand waren, maakte ik er geene gewetenszaak van, zijne kapotjas van hem over te nemen, wat nu nog niet eens heel gemakkelijk ging, omdat het lichaam koud en stijf was geworden.
Ik had nu evenwel mijn plan uitgevoerd, trok dadelijk mijn nieuw kleedingstuk aan en ging nu op ’s kolonels degen af; maar hier scheen mij een Franschman vóór te zijn geweest. De kolonel lag er nog, stijf en wel, doch zijn zwaard was niet te vinden. Juist was ik op het punt terug te keeren, toen ik weer een vijand ontmoette, ditmaal geen dood maar een levend exemplaar.
»Qui vive?” vroeg een zachte stem.
»Anglais, bête,” antwoordde ik zachtjes, en voegde er bij: »mais les corsaires ne se battent pas.”
»C’est vrai,” zeide hij, en daarop bonsoir brommende, was hij spoedig verdwenen. Ik scharrelde naar het kasteel terug, gaf het wachtwoord voor den schildwacht en pronkte, zeer voldaan, met mijn groote overjas, die mij door velen zoodanig benijd werd, dat zij er ook eens op uitgingen om iets dergelijks te bemachtigen.
In enkele dagen tijds waren de lijken vóór de bres geheel geplunderd door allerlei nachtelijke bezoekers; dat van den kolonel bleef geëerbiedigd. De gebruiken van den oorlog, zoowel als die der menschelijkheid, brachten mede, dat het stoffelijk overblijfsel van dezen held eene eervolle begrafenis toekwam; en onze bevelhebber, die de ridderlijkheid zelve was, droeg mij op om een witte vlag, als vredesein aan eene piek omhoog te steken en de lijken te gaan begraven, als de vijand dit toeliet.
Ik ging dus, vergezeld van eenige manschappen, met eene spade en een breekijzer naar buiten; maar de tirailleurs op den heuvel begonnen zoodanig op ons te vuren, dat er een onzer gewond werd. Ik keek naar den commandant, als om te zeggen: »moet ik doorgaan?” Hij wenkte met de hand om door te zetten, en ik begon naast een der dooden een graf te graven, waarop de vijand, mijn bedoeling ziende, het vuren staakte. Verscheidenen had ik nu reeds begraven, toen de commandant ook naar buiten en bij mij kwam, met plan om van de gelegenheid gebruik te maken om ’s vijands positie te verkennen. Hij werd van uit het fort herkend en men raadde spoedig zijne bedoeling.
Wij stonden nu bij het lijk van den kolonel, gereed om dit de laatste eer te bewijzen, toen de commandant een brillanten ring aan een der vingers ziende zitten, tot een der matrozen zeide: »Neem hem dat ding maar af; hij heeft er nu toch niets meer aan.” De man beproefde het, maar kon door de stijfheid van het lid, den ring niet op of neer krijgen. »Hij zal uw mes niet voelen”, zeide de commandant. »Arme kerel, een vinger meer of minder maakt weinig voor hem uit; snijd maar af.”
De matroos begon met zijn mes het vingerlid af te zagen, toen een vierentwintigponder, midden door onzen troep heenging, ’s mans schoen van den voet medenam, en een ander de spade uit de hand sloeg. »Nu, stop hem er maar snel onder!” zeide de commandant.
Zoo gezegd, zoo gedaan; daar kwam een tweede schot, niet zoo netjes gericht als zijn voorganger, maar de kogel beploegde den grond aan onze voeten en joeg ons het zand in de oogen. Men begon het ons warm te maken. Het volk werd nu gelast om naar het kasteel terug te trekken, waaraan dadelijk gevolg werd gegeven. De commandant zelf echter liet zich niet zenuwachtig maken: hij wandelde doodbedaard terug, onverschillig voor de hagelbui van geweerkogels, die ons thans door de Zwitsers werden toegezonden. Te meer was dit voor mij niet alles, omdat ik als adjudant denzelfden langzamen pas naast den bevelhebber moest houden, terwijl ik elk oogenblik een kogel achterin kon krijgen en het litteeken in dat geval nooit zou hebben durven vertoonen. Ik vond zoo’n begrafenispas, na den afloop der eigenlijke plechtigheid, allesbehalve noodzakelijk; maar mijn dappere commandant, die nog nooit voor de Franschen op de loop was gegaan, vond geene aanleiding om daar juist heden mede te beginnen.
Onder dergelijke opmerkingen had ik achter hem geloopen, en, toen er meer en meer schoten vielen, stapte ik wat door, kwam eerst naast hem en wilde hem toen tusschen mij en het vuur in brengen. »Kolonel,” zeide ik, »daar ik nog maar adelborst ben, stel ik veel minder prijs op de eer, dan u doet; wanneer het u dus hetzelfde is, zoude ik wel graag onder uwe lij willen blijven.” Hij lachte en zeide: »o, ik wist niet, dat gij nog hier waart; ik dacht, dat gij met de anderen waart medegetrokken; maar nu gij toch uit uw gewonen doen zijt, mijnheer Mildmay, zal ik u maar liever voor mijne beschutting doen dienen. Mijn leven heeft hier nog eenige waarde, doch het uwe slechts weinig, en ik heb slechts eene boodschap te zenden om in uwe plaats van boord dadelijk een anderen adelborst te krijgen: dus wees zoo goed, laat u een beetje zakken en doe voor mij den dienst van kogelvanger!”
»Zeker, sir”, zeide ik, »onmiddellijk”; en ik betrok den mij aangewezen post.
»Nu”, zeide de commandant, »als zij je soms te pakken hebben, dan zal ik u op de schouders nemen!”
Ik betuigde mijne erkentelijkheid voor zijne goede bedoeling en voor de eer, die mij wachtte; maar ik hoopte, toch dat ik hem dien last niet zou bezorgen. Of nu de vijand medelijden had met mijne jeugd en onschuld, of dat zij opzettelijk misschoten, weet ik niet; maar wel, dat ik zeer blijde was heelhuids in het kasteel aan te landen en genoegen zou hebben genomen met elken maatregel, die mij weer aan het meer comfortabele leven in de voorlongroom aan boord zou teruggegeven hebben. Alle menschelijke genoegens zijn toch maar betrekkelijk, en nooit werd ik hiervan beter overtuigd, dan door de gebeurtenissen bij dit gedenkwaardige beleg. Het geluk, en de welbekende lafhartigheid der Spanjaarden, verlosten mij spoedig uit dezen toestand; zij gaven de citadel over en daardoor werd het verder behoud van het kasteel nutteloos. Wij verlieten het dus zoodra mogelijk en trokken met de noodige haast op onze sloepen terug, waar wij, in weerwil van het tot ’t laatst volgehouden snelvuur der tirailleurs op den heuvel, behouden aankwamen en naar boord gingen.
Er was een merkwaardig iets bij voorgevallen. De Zwitsersche huurtroepen in Franschen en in Spaanschen dienst, dus vijandig tegenover elkander staande, vochten altijd met de grootste dapperheid en deden steeds hun plicht met onnavolgbare getrouwheid; doch, op zoo korten afstand geposteerd, en zoo veelvuldig met elkaar in aanraking komende, sloten zij onderling dikwijls een wapenstilstand van een kwartier, in welken tijd zij naar wederzijdsche vrienden onderzoek deden; dikwijls herkenden zij dan over en weer vaders, zoons of nauwe betrekkingen, die aan beide zijden strijd voerden. Nadat zij te zamen gelachen en grappen gemaakt hadden, werd de wapenstilstand weer opgeheven, en kort daarop mikten en vuurden zij weer, alsof zij volkomen vreemd aan elkander waren; maar, zooals ik vroeger al eens opgemerkt heb, was voor hen het oorlogen een beroep.
Van Rosas vertrokken wij nu weer, om ons met den admiraal bij Toulon te vereenigen; en, vernemende, dat eene batterij van zes metalen kanonnen, in de haven van Silva, kans had binnen weinige uren in handen der Franschen te vallen, liepen wij daar binnen en ankerden op pistoolschotsafstand daarvan. Zware gijnblokken werden nu op den top van elk der masten genaaid, daardoor stevige reepen geschoren en de einden daarvan den wal opgebracht, op de kanonnen gestoken en drie daarvan, één voor één met het spil naar boord opgedraaid. Het uiteinde was weer naar de batterij terug, om opnieuw opgestoken te worden, toen onze gasten aldaar door de Franschen overvallen werden en met verlies van één man, die gevangengenomen werd, naar den waterkant teruggejaagd werden.
De partij aan wal, niet sterk genoeg om weerstand te bieden, scheepte zich in met achterlating van eene sloep onder een heftig vuur van de Franschen, die zich intusschen achter steenen en rotsblokken opgesteld hadden. Dat vuur werd van boord goed en van tijd tot tijd ook met een zwaar schot beantwoord; maar zij hadden het voordeel van hunne stelling en bezorgden ons daardoor verscheidene gekwetsten. Met zonsondergang eindigde dit; toen kwam er van den wal een bootje door een Spanjaard geroeid en bracht een brief over van den kapitein, die de Fransche afdeeling commandeerde, aan onzen bevelhebber gericht. Die brief behelsde de beleefde groeten van den Franschen chef aan den onzen, »het speet hem, dat hij genoodzaakt was geweest ons overbrengen van de kanonnen te verhinderen, klaagde over het koude weer, en dat hij in zoo groote haast had moeten afmarcheeren, dat hem de tijd had ontbroken de noodige provisiën mede te nemen, en aangezien er altijd welwillendheid bestond entre braves gens,—of wij niet voor hem en zijne manschappen een kan of wat rum te missen hadden.”
Dit verzoek werd met een beleefd briefje en door den gevraagden sterken drank beantwoord. De Engelsche bevelhebber hoopte, dat de Fransche kapitein het zich zoo aangenaam mogelijk zou maken en een bon repos mocht genieten. Doch onze commandant was van plan, den Franschman den drank te laten betalen, al was dit niet in klinkende munt; te één uur in den morgen zond hij de rekening in.
Het was op dat oogenblik stil als de dood; de Fransche wacht had zich verkwikt en was in het volle genot van des commandants zegening, toen deze ons de opmerking maakte, dat het toch zonde en jammer zou zijn, die eene sloep, die nog aan wal was te verliezen en de drie andere metalen vuurmonden achter te moeten laten;—hij stelde daarom voor een en ander te gaan halen. Vijf of zes der onzen ontkleedden zich, gingen zachtjes te water en zwommen zonder het minste leven te maken naar den wal. Het water was koud en benam mij zelfs korten tijd de ademhaling. Wij landden bij de batterij, verzekerden eerst onze sloep en kropen toen zachtjes naar de plaats, waar het eind van onzen reep nog naast de stukken lag. Onder het opsteken daarvan telden wij verscheidene Franschen, die er dicht-bij lagen, de wacht hielden, maar in diepen slaap waren.
Het zou ons gemakkelijk gevallen zijn hen allen te dooden, maar in aanmerking nemende, dat zij verkeerden onder den invloed van onze rum, verfoeiden wij een dergelijke inbreuk op de gastvrijheid. De meeste geweren echter, die zij naast zich neergelegd hadden, namen wij in bewaring, en, even stil als wij gekomen waren, klommen wij in de sloep, duwden af en roeiden naar boord terug met twee van de riemen. Het geplas daarvan deed enkelen der soldaten ontwaken, opspringen en met de hen overgebleven geweren op ons vuren. Hun aantal nam spoedig toe, want de schoten waren vele en juist, en daar het helder starlicht was en wij in onze naaktheid bijzonder in het oog vielen, hadden wij het hard te verantwoorden.
»Wegduiken,” zeide ik, »is nog geen wegloopen,” en zoo sprongen wij op twee man na, die de sloep moesten overbrengen, te water. Ik hield mij als een schildpad onder en kwam niet boven, vóór ik mijn hoofd tegen de scheepskoperhuid aanstootte; toen zwom ik den boeg rond en werd aan de van den vijand afgekeerde zijde opgepikt. Mijn commandant zou het nemen van dergelijke maatregelen van voorzorg zeker wel weer versmaad hebben, maar, ofschoon ik, evengoed als hij, mijn trots had, dacht ik met Falstaff, »dat bescheidenheid het beste deel van de dapperheid is,” vooral bij een adelborst.
De in de sloep achtergeblevenen brachten deze veilig aan boord. Dáár had men nauwelijks onze riemslagen gehoord, of lustig werden de spillen gedraaid en de kanonnetjes huppelden als kangoeroes de rotsen af. Spoedig waren zij te water nog vóórdat de Franschen een hak naar de reepen konden doen. Toen vuurden zij er op in de hoop hen stuk te schieten, maar ook dit mislukte. Wij bezorgden de kanonnen aan boord, gingen nog voor het aanbreken van den dag onder zeil en stuurden op de vloot aan, die wij kort daarna bereikten. Hier vernam ik, dat mijn eigen schip een prachtig gevecht met een vijandelijk fregat had gehad, dit had genomen, doch daarbij zooveel schade had bekomen, dat het tot herstelling naar huis was gezonden en reeds van Gibraltar naar Engeland onder weg was.
Ik had aanbevelingsbrieven, aan den schout-bij-nacht gericht, bij mij. Deze vlagofficier was de tweede in het bevel, en ik ging die papieren bij Z. H. Ed.Gestr. afgeven. De vlaggekapitein bracht ze in persoon bij hem binnen en het niet overhoffelijke antwoord aan mij terug, dat ik daar aan boord kon komen, als ik daartoe genegen was, en blijven totdat mijn eigen schip in het station teruggekeerd was. Daar dit nu in mijne kraam te pas kwam, was ik genegen; doch de wijze, waarop mij deze gunst ten deel viel, ontsloeg mij van de dankbaarheid daarvoor. De ontvangst was niet zooals ik die verwacht had, en waren het niet brieven van hooggeplaatste personen en vrienden van den schout-bij-nacht geweest, dan zou ik liever gebleven zijn op dat laatste fregat, waarvan de commandant nog al met mij ingenomen was. Dit werd echter niet toegestaan.
Gevolgelijk ging ik op het vlaggeschip over; wat ik daar aan boord eigenlijk doen moest, heb ik nooit kunnen vatten, tenzij het diende om er eene soort van menagerie compleet te maken; ik vond er althans tusschen de zestig en zeventig adelborsten. De meesten hunner waren nog slechts kort aan boord en hadden nog zeer weinig dienst gezien, althans vergeleken bij mij, die in den korten tijd, dat ik gevaren had, al reeds zooveel ondervinding had opgedaan. Zij luisterden dan ook met groote belangstelling naar de »stukjes”, die ik wist te vertellen, en waren allen brandende van verlangen om daartoe ook eens in de gelegenheid te komen. Talrijke aanvragen om overplaatsing, vooral aan boord van de fregatten, waren hiervan het gevolg, en daar de commandant begreep, dat ik hiervan de groote aanleiding was, werd ik er minder aangenaam om aangezien en kwam daardoor in geen goed blaadje te staan.
De commandant was een groote, scheefgevormde, breedgeschouderde man, met één dof oog, een paar dikke lippen en een weinig innemend voorkomen; hij droeg een paar zeer groote epauletten, was bijzonder lastig van humeur en, wanneer zijn drift werd opgewekt, waartoe niet veel noodig was, altijd heftig en schreeuwerig. Zijne stem had veel van den donder, en, als hij aan het uitvaren was tegen de arme jonkers, deden dezen mij altijd denken aan dien zenuwachtige vogel, die bedwelmd door het oog eener slang, zijn vermogen verliest en het monster in den bek vliegt. Was hij erg verontwaardigd, dan had hij de gewoonte zijne schouders op en neer te bewegen, en dan klapperden bij die gelegenheid zijne epauletten als de ooren van een dravenden olifant. Als hij in de verte een puntje van zijn neus gewaar werd of het geluid van zijne stem hoorde, vloog elke adelborst, die niet noodzakelijk blijven moest, weg als een der landkrabben op een West-Indisch zeestrand. Hij had het bijzonder op mij voorzien, vond altijd eene of andere aanmerking te maken en sprak schimpend over mij als: »die fregatsjonker.”
Verbitterd door zijn onrechtvaardige handelingen, antwoordde ik eens op een brutale wijze op eene dergelijke aanduiding, en wanneer de schout-bij-nacht het niet verhinderd had, zou hij mij daarvoor op het halfdek lichamelijk afgestraft hebben; deze echter gaf te kennen, dat hij voor jonge officieren volstrekt geen voorstander van kastijding was. Dit redde mij voor het oogenblik; doch een aangenamer leven aan boord kreeg ik er niet door.
Onder de gewone excercitiën op de vloot behoorde ook het op alle schepen te gelijk, op sein van den admiraal, met zonsondergang reven der marszeilen. Bij die gelegenheden was er altijd veel wedijver om daarmede het eerste gereed te komen. Soms ging het er ruw bij toe; herhaaldelijk kwamen er ongelukken voor, en veelvuldige straffen werden er om uitgedeeld. Bij ons liep dan altijd de commandant als een razende stier op het halfdek te brullen en te schuimbekken. Eens dat het sein weer gedaan, de marszeilen gestreken en het volk op de raas uitgeënterd was, viel een arme kerel van de grootmarsra af overboord, onder weg, door met een schouder de rust te raken, zijn arm brekende. Ik zag, dat hij niet in staat was om te zwemmen, en bemerkende, dat hij zonk, sprong ik hem na en hield hem boven, tot er eene sloep kwam om ons op te visschen. Aangezien de zee kalm en de wind flauw was en het schip niet meer dan twee mijl liep, was het gevaar voor mij niet groot.
Toen ik aan dek kwam, vond ik den commandant dol van woede, omdat door dit ongeluk het weder in top hijschen der marszeilen eenigszins vertraagd was en wij daarmede bij de andere schepen achterkwamen. Hij dreigde den matroos met een pak slaag, omdat hij overboord gevallen was en joeg mij met scheldwoorden van het halfdek af. Dit was toch even onbillijk tegenover ons beiden. Ik heb, zoolang ik in dienst ben geweest, vooral in de hoogere rangen, nooit zoo’n onaangenaam mensch meer bijgewoond.
Kort daarop moesten wij naar Minorca om te victualieren, en daar trof ik, tot mijne groote vreugde, mijn eigen schip weer aan. Met een licht hart ging ik naar mijn oude boord terug, het vlaggeschip met vreugde verlatende. Zoolang ik bij hem aan boord was geweest, had de admiraal nooit een mond tegen mij opengedaan. Zoo zoude ik ook zeker het schip verlaten hebben, zonder door hem »goedendag” te zijn gewenscht, ware het niet geweest ter zake van een medepassagier, een grooten, hem toebehoorenden, hond. Zijn afscheidswoord, of, beter gezegd, het laatste, wat hij mij toevoegde, herinnert aan het geval van dien man, die blufte, dat de koning hem eens aangesproken had, en toen men hem vroeg, wat sire dan wel gezegd had, antwoordde: »Hij gelastte mij om uit den weg te gaan.”
Ongeveer even vriendelijk ging het met den admiraal. Pompeï en ik stonden op de kampanje. Voor tijdpasseering had ik het beest een stuk leer toegestoken om op te knabbelen. Toevallig kwam de admiraal boven en dit ziende, vroeg hij, van wien de hond dit gekregen had? De stuurmansleerling wees op mij, waarop hij mij met zijn langen kijker dreigde en toevoegde: »Mijnheer, als gij ooit Pompeï weer een stuk leder durft geven, zal ik u van de campanje schoppen!”
Dit is al, wat ik van den admiraal te zeggen heb, en tevens alles, wat de admiraal ooit tegen mij zeide.