← Table of contents
Frank Mildmay, De zeeofficier

Vierentwintigste hoofdstuk.

W. (Willem) Degenhardt translation

Op hoe wonderbaarlijke wijze kunnen soms toch menschen door het noodlot bij elkander gebracht worden! Hoe dikwijls gebeurt het, dat de minste kleinigheid een zeer zwaar gewicht wordt in de schaal der gebeurtenissen, een grooten invloed oefent op het lot van den sterveling!

De lezer zal zich herinneren, dat ik vroeger in kennis kwam met een reizend tooneelgezelschap en daaronder ook een meisje had ontmoet, Eugenia genoemd, dat mij door haar fatsoenlijk voorkomen had getroffen. Ik was toen zelf uit verveling en loszinnigheid eenigen tijd lid van dit gezelschap geweest, tot ik tot mijne dienstplichten en betamelijkheid teruggebracht werd door de toenmaals weinig gewaardeerde tusschenkomst mijns vaders.

Thans te Bordeaux in den schouwburg zittende, werd ik reeds spoedig in de eerste acte getroffen door de mij nog zeer bekende gelaatstrekken van de actrice, met wie ik bij die vroegere gelegenheid voor korten tijd had kennis gemaakt.

Was zij het? Hoe kwam zij daar? Dit waren vragen, die om oplossing bij mij aandrongen. Reeds den volgenden morgen stelde ik een onderzoek in en vernam, dat Eugenia, thans als Madame de Rosenberg bekend, gehuwd was geweest met iemand, die eerst haar klein vermogen had doorgebracht en toen was gestorven. De arme weduwe moest, om in haar onderhoud te voorzien, wel tot haar oud beroep hare toevlucht nemen en was, na tal van wederwaardigheden te hebben ondervonden, thans in vrij bekrompen omstandigheden, zonder vrienden, in den vreemde. Dit alles vernam ik uit haren mond, toen ik er in geslaagd was hare tegenwoordige verblijfplaats te ontdekken en haar aldaar had opgezocht. Juist dienzelfden morgen had zij echter een schrijven van een rechtspersoon in Londen ontvangen, haar mededeelende, dat zij eene kleine erfenis had gekregen van een verren bloedverwant en daarbij de vrije beschikking over eene villa op een dorpje nabij de groote stad.

Het was nu haar voornemen om ten spoedigste haar tegenwoordig beroep te laten varen en naar het vaderland terug te keeren. Het dorpje, waar zij zich vestigen wilde, was mij niet onbekend. Ik was er bij mijne bezoeken aan de familie Sommerville te ... Hall telkens doorgetrokken; mijn eigen plan was zoodra mogelijk naar Engeland door te reizen; wat lag dus meer voor de hand, dan dat ik aanbood haar geleider te zijn tot aan de plaats harer bestemming? Eenmaal onderweg, nam ik ook op mij, haar raadsman in geldaangelegenheden te worden, zonder daarbij te denken, dat dit mij meermalen tot een bezoek aan haar zou noodzaken.

Van mijne reis door Frankrijk en over het Kanaal kan ik zwijgen; dit onderwerp is bij herhaling behandeld en daardoor uitgeput. Ik stap dit dus over, tot ik Eugenia in haar nieuwe verblijfplaats onder dak had gebracht en weder aan de woning mijns vaders aankwam, waar mijne komst het sein was voor groote verheuging.

Ik vond aldaar Clara geheel genezen van hare vooroordeelen tegen de zeeofficieren, zoover gebracht door de aangename manieren van mijnen vriend Talbot, met wien ik vernam, dat zij gedurende mijne afwezigheid verloofd was. Dit was, gelijk ik Clara lachende opmerkte, eene groote zegepraal voor de zeemacht; en daar ik Talbot de grootste achting toedroeg, beschouwde ik de vooruitzichten mijner zuster als zeer schitterend en oordeelde, dat zij eene keuze gedaan had, die zeer in het voordeel van haar toekomstig geluk was.

Reeds den volgenden dag begaf ik mij naar den heer Sommerville op weg en werd ook aldaar, zooals te verwachten was, met open armen ontvangen; toen het gezelschap eenige dagen later vermeerderd werd door de aankomst van mijn vader met Clara en Talbot, achtte ik mij den gelukkigsten sterveling ter wereld. Mijne aanstaande noemde zes weken als den korsten tijd, dien zij noodig had om opgetuigd te worden, hare nieuwe zeilen opgebracht te zien en gereed te zijn voor het ondernemen van de lange en dikwijls vervelende huwelijksreis. Ik maakte bezwaren tegen dit hinderlijke uitstel.

»Hoe lang het u ook schijnt,” zeide zij, »is het toch nog veel korter dan de tijd, dien gij noodig gehad hebt om uw mooi fregat voor Noord-Amerika uit te rusten.”

»Dat fregat werd toen nog niet eens gereedgemaakt door eenigen drang van mijne zijde,” was mijn antwoord; »en als er ooit van mij nog eens een eerste lord van de admiraliteit mocht groeien, dan zal ik een waakzaam oog houden op de jonge luitenants en hunne liefjes te Blackheath, vooral wanneer er eenig schip met spoed te Woolwich moet gereedgemaakt worden.”

Tot groot genoegen van alle partijen, hadden vele zulke kleine schermutselingen plaats; intusschen waren de jonge dames bezig om groote bestellingen in de modewinkels te doen, en hunne papa’s om de daaruit voortvloeiende rekeningen te voldoen. Mijn vader was ten opzichte van Emilia bijzonder vrijgevig op het punt van tafelzilver en juweelen, en de heer Sommerville even vriendelijk tegenover Clara.

Ik had het zoo druk en was zoo overgelukkig, dat ik drie weken liet verloopen, vóór ik aan Eugenia dacht. Eindelijk droomde ik, dat zij mij verwijten deed, dat ik haar naar Engeland had teruggebracht en thans in allerlei beslommeringen alleen liet staan. Den volgenden dag, zoodra het ontbijt over was, liet ik, onder den levendigen indruk van dien droom, mijn paard zadelen, beval de beide jonge dames in de zorg van Talbot aan en reed naar de haar toebehoorende villa. Zij ontving mij vriendelijk, doch scheen in den tusschentijd veel hartzeer te hebben ondervonden; hare gezondheid had daaronder blijkbaar geleden.

Mijne tegenwoordigheid, wat vroeger, zou vele zwarigheden, die zij nu ondervond, uit den weg hebben kunnen ruimen. Ik weidde thans al mijne zorg aan hare belangen, en vooral bewerkte ik, dat er uit de naaste stad spoedig geneeskundige hulp werd ontboden, die ik zag dat zij moeielijk langer kon ontberen.

Het was heerlijk zomerweder geworden, en ik meende, dat het de arme verlatene goed zou doen eenigen tijd de frissche lucht in te ademen. Ik bood haar daarom den arm en geleidde haar naar een priëel, toen op ditzelfde oogenblik mijne oogen, naar den rijweg heenziende, den blik ontmoetten van Emilia, die met haren vader te paard een toer gemaakt had. Zij stonden bewegingloos op slechts weinige passen van ons verwijderd. Het was mij alsof zij noch ademhaalden, noch zich bewogen. Zelfs hunne paarden schenen van brons te zijn, of misschien was het wel de ongelukkige toestand, waarin ik mijzelf gevoelde te verkeeren, die mij dit denken deed. Zij waren even onverwacht tegenover ons gekomen, als wij hen ontdekt hadden. De zachte grond had de indrukken der paardenhoeven ontvangen, doch geen geluid daarvan wedergegeven; en zoo zij al snoven, hadden wij daarop geen acht geslagen in de drukte van ons gesprek.

Ik liep haastig toe, kreeg een hooge kleur, stamelde en was op het punt om te spreken. Misschien ware het beter van niet; trouwens er was ook geene gelegenheid om iets te zeggen. Als verschijningen waren zij gekomen, als verschijningen verdwenen zij. Door de laan, waarlangs zij zoo stil tot ons genaderd waren, trokken zij weder af en zij waren weg, vóór Eugenia hunne tegenwoordigheid bemerkt had.

Ik was door deze rampzalige ontmoeting zoo diep en smartelijk getroffen, dat ik bewusteloos op den grond viel; en het duurde lang voor de zorgen van Eugenia mij weer konden bijbrengen. Zoodra mogelijk begaf ik mij naar de herberg, waar mijn paard gestald was, en reed naar ..... Hall terug.

De heer Sommerville en zijne dochter waren pas thuis gekomen, en men was verplicht geweest Emilia van het paard te lichten en naar hare kamer dragen.

Clara en Talbot kwamen naar mij toe, om te vragen wat er gebeurd was. Ik kon dit niet mededeelen, doch gaf dringend mijn verlangen te kennen om Emilia te zien. Er kwam antwoord terug, dat miss Sommerville mij niet kon ontvangen. In de loop van dien dag, die wat zielesmart aanbetrof, de treurigste van mijn gansche leven was, legde ik alle omstandigheden uit tegenover mijn vader en den heer Sommerville.

Mijne uitlegging was niet voldoende om het verbreken van mijn engagement en de teruggave van alle geschenken, die Emilia van mijn vader en mij had ontvangen, te beletten. Daar mijn fout in groote onvoorzichtigheid en laakbare achterhoudendheid, maar geenszins in slechtheid bestaan had, deden mijn vader zoowel als de heer S. al wat zij konden om de goede verstandhouding te herstellen. Ook Clara en Talbot trachtten bemiddelaars te zijn, doch met even weinig succes. De jonkvrouwelijke trots van de niet aan ’t wankelen te brengen Emilia was verontrust door eene, zoo zij meende, schoone mededingster, die in het nabijgelegen dorp woonde. Die indruk eens teweeggebracht, kon niet worden weggewischt. Ik was valsch, wispelturig en trouweloos, en miss Sommerville liet weten, dat, zoolang ik daar als gast in huis was, zij zich verplicht gevoelde hare kamer te houden.

Onder deze omstandigheden was het voor den vrede van alle partijen maar beter dat wij uiteengingen.

Mijn vader bestelde tegen den volgenden morgen zijne paarden, en ik werd, meer dood dan levend, naar Londen teruggebracht. Aldaar kreeg ik een zware koorts en was drie weken lang ijlende; weer tot mijne zinnen gekomen, zag ik des te treuriger mijn lot in en was allesbehalve dankbaar voor mijn herstel.

Zoolang ik zorgen noodig had, was ik door Clara nooit alleen gelaten. Zij had mij eigenhandig alle geneesmiddelen toegediend. Ik vroeg haar naar alles wat er gebeurd was. Zij vertelde mij dat Talbot was afgereisd; dat mijn vader den heer Sommerville had weder gezien, die hem mededeelde, dat Emilia een langen brief van Eugenia had ontvangen, waarin de laatste alles naar waarheid had voorgesteld, waaruit mijne onschuld duidelijk moest blijken en voor zoover er kwaads kon zijn in onze ontmoeting, daarvan geheel de schuld op zich had genomen. Emilia had over dien brief tranen gestort, doch haar eens genomen besluit was niet gewijzigd. »En ik vrees, beste broeder,” zeide Clara, »dat haar besluit niet licht veranderen zal. Ik heb er mijn uiterste best toe gedaan, maar zij heeft zich nu eenmaal in het hoofd gezet, dat zij door u is misleid geworden. Hadt gij ook maar dadelijk van die weduwe Rosenberg gesproken! Maar dat komt van die achterhoudendheid. Gij vergist u wanneer ge denkt, dat wij zulks licht tellen. En in Emilia’s oogen althans is het een onvergefelijke fout geweest. Ik geloof u een dienst te bewijzen, Frank, met u te zeggen, dat gij geene hoop meer hebt. Hoeveel gij ook moogt geleden hebben en zult lijden, haar lijden is nog veel grooter; en ofschoon zij u nooit weder zal aannemen, uwe plaats zal niet door een ander worden ingenomen—zij zal met een gebroken hart in het graf nederdalen.

Nadat Clara in hare zusterlijke genegenheid mij aldus de waarheid gezegd had, roerde zij verder dit onderwerp niet meer aan, doch luisterde met ernst naar mijne verklaringen. Zij gaf toe, dat onze ontmoeting te Bordeaux even toevallig als ongelukkig was geweest; zij veroordeelde echter ten strengste mijne achterhoudendheid, die oorzaak van al het tegenwoordige misverstand was.

Met een diepen zucht erkende ik het onvruchtbare van Clara’s sympathie en betuigde mijn eigen bewustzijn, dat op deze wereld voor mij geen geluk meer bestaan kon.

Zoodra ik in staat was mijne kamer te verlaten, had ik een ernstig gesprek met mijn vader, die, hoeveel belang ook stellende in mijn geluk, verklaren moest, dat hij duidelijk inzag, dat alle pogingen tot verzoening vruchteloos zouden zijn. Hij deed mij een tweeledig voorstel, dat de strekking had de gevolgen van al te hevige droefheid te matigen. Het eerste was: om bij zijne vrienden aan het admiraliteitshof voor mij het commando over eene korvet aan te vragen; het tweede was: dat ik voor minstens een jaar op het vaste land zou gaan reizen, om bij terugkeer in Engeland te zien, of tijd en afwezigheid niet eenige voor mij gunstige verandering hadden teweeggebracht. Hij ging van de meening uit, dat Emilia in mijn afzijn de slechte kanten van mijn karakter zou leeren over het hoofd zien en in het einde alleen de goede zijden zou herdenken, en dat het de moeite waard was de proef te nemen, als de eenige kans van slagen.

Ik stemde hierin toe. »Doch,” zeide ik, »daar de oorlog met Frankrijk over is en die met Amerika onmogelijk lang meer kan duren, verlang ik geenszins u op kosten te jagen en mijzelf moeielijk te maken met het uitrusten van eene korvet in vredestijd. Dit zou eigenlijk slechts een pleizierjacht voor groote heeren en dames worden, waar ik aan boord niets meer of minder dan de hofmeester zou wezen. Als ik ons beider geld verteerd en mij in beleefdheden uitgeput had, zou ik daarvoor zelfs geen dank inoogsten en wellicht alleen van ter zijde vernemen, dat ik in de hoogere kringen beschouwd werd als »nog al een dragelijke zeebeer”. Om die reden,” vervolgde ik, »wil ik liever geen schip hebben, en geef ik er de voorkeur aan wat verstrooiing op het vaste land te gaan zoeken.”

Toen dit overeengekomen was, sprak ik er Clara over. De arme meid was er zeer bedroefd om. »Mijn beste broeder,” weeklaagde zij, »ik zal u verliezen en dan alleen op de wereld staan. Uw onstuimige en voor indrukken zoo licht ontvlambaar gemoed, zal zoo misplaatst zijn in de omgeving der vroolijke en lichtzinnige Franschen!”

Ik stelde haar, zooveel in mijn vermogen was, gerust, en toen alle toebereidselen voor mijn vertrek naar den vreemde gemaakt waren, besloot ik nog éénmaal een blik te slaan op ... Hall, vóór ik Engeland verliet. Ik vertrok derwaarts, zonder het aan iemand mijner huisgenooten te hebben medegedeeld, en maakte, dat ik tegen de schemering nabij het park was. Over het hek klimmende, wist ik langs zijwegen het huis nabij te komen. De gewone huiskamer was gelijkvloers, en voorzichtig naderde ik daarvan het raam. Ik zag Emilia en haren vader in het vertrek. Hij las hardop; zij zat met een boek voor zich, doch blijkbaar waren hare gedachten elders; met hare hand ondersteunde zij het voorhoofd; toen zich over de tafel voorover buigende, rustte zij op de ellebogen en scheen in diep, treurig gepeins verzonken.

Emilia zag haar boek weder in, zoodra haar vader had opgehouden luid te lezen; zij wischte zich een traan van de wangen.

Getroffen door dit huiselijk tafereel en nog onder den indruk van mijne laatste, ernstige ongesteldheid, die niet geheel over was, gevoelde ik eene flauwte opkomen; hopende, dat deze slechts van voorbijgaanden aard was, zette ik mij onder het raam neder. Doch het baatte niet meer; ik viel op den grond in een staat van volkomen bewusteloosheid, die wel een half uur geduurd moet hebben. Later vernam ik van Clara, dat Emilia het venster geopend had en naar buiten was gekomen, om zich een weinig te herstellen, en mij toen bij het heldere maanlicht had zien liggen. Hare eerste gedachte was geweest, dat ik zelfmoord had begaan; en onder dien indruk was zij de kamer ingesneld, had het venster dichtgetrokken en was in onmacht gevallen. Niemand had begrepen wat er gaande was, daar zij, naar hare slaapkamer gedragen, eerst den volgenden morgen in staat was geweest, eenige verklaring af te leggen.

Ikzelf kwam door de nachtkoelte langzaam weder bij en strompelde met moeite naar mijn rijtuig terug, waarvan de voerman mij mededeelde, dat ik ongeveer een uur afwezig was geweest, en reed naar de stad terug, niet denkende, dat ik door iemand en allerminst dat ik door Emilia was opgemerkt geworden. Toen deze haren vader mededeelde wat zij gezien had, wilde hij het niet gelooven, of nam daarvan althans den schijn aan, het uitleggende als een bewijs, dat zij in een overprikkelden gemoedstoestand had verkeerd, wat zij later zelf begon te gelooven.

Weinige dagen daarna ging ik naar het vaste land op reis. Talbot bood mijn vader aan mij te vergezellen. Door het gebeurde was zijn huwelijk met Clara een tijdlang uitgesteld, daar zij verklaarde niet gelukkig te willen worden, zoolang ik in rouwe was.

Wij kwamen te Parijs aan; doch ik bleef zoo verstrooid en mij zoo ellendig gevoelen, dat ik zag, noch hoorde en alle pogingen, die mijn reisgenoot in het werk stelde om mij af te leiden, vruchteloos waren.

Verscheidene dagen achtereen was mijn geest in een toestand van verstomping, die Talbot het ergste voor mij deed vreezen en hem aanleiding gaf een hoogst gevaarlijk middel tot mijne opwekking aan te wenden. Wij ontmoetten eens op eene kalme wandeling eenigen zijner vrienden; op hun aandrang begaven wij ons naar de zalen van het Palais Royal. Bijna was dit bezoek op mijn geheelen ondergang uitgeloopen; alleen door een groot wonder ontsnapte ik daaraan. In den tijd, waarvan ik spreek, was het Palais Royal een groot speelhol. In mijne gemoedsstemming, uitgesloten uit het gezelschap van al wat ik liefhad, kan ik meer tot mijne verontschuldiging aanvoeren, dat ik mij door het spel liet medeslepen, dan zoo menig andere ongelukkige, die langs dien weg zijne huisgenooten en daardoor zichzelf in het verderf heeft gestort.

Emalia gaat naar buiten en ziet Frank liggen.
Emalia gaat naar buiten en ziet Frank liggen.

Emalia gaat naar buiten en ziet Frank liggen.

Pag. 296.

Voor het eerst sedert mijne ziekte gevoelde ik belangstelling in mij ontwaken, en ik legde geld neder op die vervloekte speeltafels. De kansen waren afwisselend voor en tegen mij; doch ik gevoelde mij herleven door dien prikkel en verlangde dagelijks met onstuimig verlangen naar het tijdstip dat het spel weder zou aanvangen. Ik begon nu te winnen, hoe langer hoe meer; elken nacht bracht ik aan de tafel door,—want geldzucht is niet te verzadigen; na eenige dagen liet mijn geluk mij weer in den steek; toen werd ik telkens weer daarheen gedreven door de hoop, terug te winnen wat ik verloren had.

De fortuin bleef mij ongunstig, en ik verloor belangrijke geldsommen. Ik werd wanhopig en trok groote wissels op mijn vader. Hij verzocht mij in zijne brieven om mij te matigen, daar tweemaal zijn inkomen niet in staat zou zijn dergelijke verteringen het hoofd te bieden. Ook schreef hij aan Talbot, en toen deze hem had medegedeeld welken weg al dat geld opging en dat hij geen kans meer zag mijne speelwoede te temperen, verklaarde hij voortaan mijne wissels te zullen weigeren.

Nog slechts een zeer kleine som restte mij. Was ook deze verloren, dan moest ik wel eindigen, want voor het maken van schulden bestond geene gelegenheid. Tegen Talbot gevoelde ik eenigen wrok; onrechtvaardig genoeg gaf ik hem in stilte de schuld, dat mij de middelen om door te blijven spelen ontbraken, want na zooveel tegenspoed was de fortuin immers verplicht te keeren?! Ik zou nog één avond de kans wagen en dan niet meer. Talbot vergezelde mij en hield een wakend oog op mijne handelingen, daar hij zich van schuld bewust gevoelde, mij aan den speelduivel te hebben overgeleverd.

Men speelde »rouge et noir.” Ik zette alles op rood en won, liet den inzet staan, verdubbelde, won weder. De hoop goud nam reusachtige afmetingen aan. Weder, nogmaals, andermaal verdubbelde hij. Zeven malen achtereen was de roode kaart gekeerd, zeven malen was mijn inzet verdubbeld. Talbot, die achter mij stond, bad en smeekte mij om nu te eindigen.

»Bedenk toch wat de gevolgen zijn van het ééns keeren van de andere kaart,” zeide hij; »waag nu niet langer, wees tevreden met hetgeen gij hebt.”

»Dat,” mompelde ik, »Talbot, kan mij niet helpen; ik wil meer hebben.”

Wederom werd rood gekeerd, tot verbazing der omstanders; en tot hun nog grooter verbazing bleef mijn goud nog steeds op de tafel liggen. Weer trachtte Talbot mij te overtuigen, dat langer doorgaan krankzinnigenwerk was.

»Als een krankzinnige ben ik reeds lang aan het werk,” was mijn antwoord; »nu nog éénmaal en dan voor het laatst.”

De bankiers, wetende hoe gering de kans is, dat na acht malen rood gekeerd te hebben, andermaal die kleur boven komt, en voor hen dus de meeste waarschijnlijkheid bestond hun geld terug te krijgen, gaven vergunning voor den 9den zet. Talbot beefde als een blad. De kaart werd gekeerd: het was rood, de bank was gesprongen.

Voor dien nacht was het spel ten einde. De verliezers gaven natuurlijk aan hun gevoel lucht in de hevigste verwenschingen, terwijl ik bedaard al mijne winst bijeenstreek en per rijtuig huiswaarts keerde met Talbot, die de voorzorg had genomen, om het geleide van twee gendarmes te vragen. Beiden ontvingen een Napoleon tot belooning.

»Nu, Talbot,” zeide ik, »ik zweer plechtig om, zoo waar als ik in den hemel hoop te komen, nooit weder te spelen.” En deze belofte heb ik eerlijk gehouden. Mijn goed geluk was één op de tienduizend, die in dat huis geruïneerd zijn geworden. Den volgenden morgen reeds zond ik alles aan mijn vader terug wat ik van hem ontvangen had, en hield zelf nog eene belangrijke som over.

Vast besloten om dezen kring van losbandigheid en verleiding, waar mijn voornemen elk uur op de proef werd gesteld, te verlaten, kwamen wij overeen om naar Brest te reizen en aldaar de arsenalen te gaan zien.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings