← Table of contents
Frank Mildmay, De zeeofficier

Veertiende hoofdstuk.

W. (Willem) Degenhardt translation

Spoedig na mijne aankomst in Plymouth, werd bij circulaire van het vlaggeschip kenbaar gemaakt, dat den zooveelsten aan boord van de Salvador del Mundo gelegenheid gegeven zou worden tot het afleggen van het examen voor den rang van Luitenant ter zee. Ten spoedigste maakte ik mijn vader hiermede bekend, hem mededeelende, dat ik er mij gereed toe gevoelde en voornemens was de aanvraag daartoe in te dienen. Ik kwam dienovereenkomstig op den aangewezen dag, met nog veertien of vijftien andere hoopvolle adspiranten, op het vlaggeschip bijeen. Wij waren allen gekleed in onze groot-tenue-rok, zoo onberispelijk mogelijk, met een bundel journalen en aanteekeningboeken onder den arm. Als zoovele schapen, die ter slachtbank worden geleid, werden wij voorloopig afgezonderd in eene van zeildoek opgeslagen hut.

Tegen elf uren kwamen de hoofdofficieren, die ons onder handen zouden nemen, aan boord aan. Toen wij een glimp van hun aanschijn te zien kregen, kwamen wij overeen, dat de »snit van hunne kluivers” niet erg in onzen smaak viel. Te twaalf uren werd de eerste naam afgeroepen. Het »slachtoffer” verzamelde al zijn moed, ruimde zijn keel, trok zijn boordje recht, verstrikte zijn das, en zijn steek en boeken grijpende, volgde hij met stouten pas den bode naar de kajuit, alwaar drie ernstig voor zich uit ziende heeren, in klein uniform gekleed, hem wachtten. Zij waren aan eene ronde tafel gezeten; half achter den president zat een schrijver; Moore’s »zeevaartkunde” lag voor hem, met een zeemansalmanak, lei, griffel, papier en inkt. De bevende jonker kwam nader, en toen hij zeer eerbiedig zijne boeken en getuigschriften van matigheid en goed gedrag aangeboden had, werd hij verzocht te gaan zitten. De eerste vragen hadden alleen op de theorie betrekking; en ofschoon hij die in de longroom en in elk ander gezelschap met het meeste gemak zou hebben weten te beantwoorden, was hij zoo bedwelmd en verlegen, dat hij zijn kop kwijtraakte, bij de eerste vraag zenuwachtig trilde, bij de tweede bedenkelijk naar boven keek en bij de derde nog minder wist te zeggen wat iets op een antwoord geleek. Hij werd teruggezonden met aanbeveling om »nog eerst een zes maanden te gaan varen.”

Hij kwam bij ons in eene zeer ontroerde stemming; nooit zag ik iemand meer verdriet hebben. Niet wetende, hoe spoedig ik in hetzelfde geval zou kunnen verkeeren, had ik des te meer met hem te doen. Een ander werd opgeroepen en kwam weldra niet gelukkiger terug; en de beschrijving, die hij gaf van het bulderend uitvaren van den jongsten kolonel, drukte ons in de hoogste mate terneder en was voldoende om ons allen moed te benemen. Het was mij echter zeer nuttig dit te weten. Bij onderzoek bleek mij, dat zij steeds over de theorie waren gestruikeld, en ik was vol zelfvertrouwen wat dit onderdeel van mijn vak aangaat, en vast besloten mij door dat bulderen van dien kolonel niet van streek te laten brengen. Toen dit besluit bij mij rijpte, kwam een derde candidaat onverrichter zake bij ons terug; en dit was nog wel een jongmensch, op wiens bekwaamheid ik vol vertrouwen had gehad; onwillekeurig deed mij dit in mijn zelfschatting nadeel. Toen de vierde met een vroolijk gezicht kwam aanzetten en ons vertelde, dat hij er door was, schepte ik weder adem; maar ook deze gerustheid was van korten duur, daar hij er bij vertelde, dat een van de heeren examinatoren een vriend van zijn vader was. Hierdoor werd het raadsel opgelost; want gedurende den korten tijd, dien ik hem gekend had, had ik dezen laatste voor allesbehalve een feniks aangezien.

Toen mijn eigen naam werd afgeroepen, kreeg ik een koud gevoel om het hart, zooals ik nooit te voren ondervonden had, noch bij eenig gevecht, noch gedurende den orkaan, noch toen ik ter reede van Spithead klaar was om te water te gaan en naar den wal te zwemmen. »O macht der onbeschaamdheid, o geest van de algebra,” zeide ik, »sta mij bij, of ik ben verloren.” Nog al te spoedig naar mijn zin vloog de kajuitsdeur voor mij open, werd door den schildwacht achter mij gesloten, en bevond ik mij in tegenwoordigheid van het gevreesde driemanschap. Ik had het gevoel van Daniël, toen hij den leeuwenkuil intrad. Ik werd uitgenoodigd om te gaan zitten, en daarop staken mijne rechters de hoofden bijeen tot eene korte beraadslaging, die ik niet verstaan kon of wilde; terwijl ik in den tusschentijd gelegenheid vond mijne tegenpartij van top tot teen op te nemen. Ik sprak mij zelf moed in door te denken, dat ik één wel zou kunnen staan en, als ik dien nu onzijdig wist te houden, de twee overigen ook wel klein zou krijgen.

Een van deze heeren had een gelaat als een beschilderde meloen, en zijne hand die op de tafel lag deed aan de vin van een schildpad denken; de nagels daarvan waren zoo kort afgebeten, dat het scheen alsof de overblijfselen zich in het vleesch teruggetrokken hadden uit vrees van verdere mishandeling, die de andere hand op dit oogenblik had te lijden. »Nu,” dacht ik in mijzelven, »als ik ooit ergens ongemeubileerde bovenkamers te huur heb zien staan, dan is het in die kokosnoot of pompoen van UEd.”

De hoofdofficier, die naast hem zat, was een klein, mager, donker, uitgedroogd gerimpeld mannetje met levendige oogjes en een vooruitspringenden neus. Bij de adelborsten had hij den bijnaam van »oude Chili-azijn” of »oude zuurspons”. Hij was wat men een »ijzeren Hein” noemt. Hij kon een matroos twee maanden lang op de zwarte lijst houden en gaf hem het bodemstuk van een kanon om te poetsen en blank te houden, zonder hem tijd te gunnen tot het heel houden zijner kleeren of het schoonhouden van zichzelf, terwijl hij nu schoon en schitterend moest houden, wat voor zijn eigenlijke bestemming beter zwart en dof was. Zelden liet hij een man slaan; maar hij kon hem »negeren”, zoodat hij zichzelf niet meer was, door wat hij noemde »den duivel uit te drijven.” Spoedig bemerkte ik, dat deze kleine krates, die er als een droog palingvel uitzag, het meeste had in te brengen. De derde kolonel was een lang, knap, deftig man (de jongste van het drietal), met een bevelende en strakke uitdrukking op het gelaat. Om de grootste aardigheid zou geen spier daarvan tot lachen vertrokken zijn geworden.

Juist was ik met mijne opname gereed en had mij een oppervlakkig oordeel gevormd over de eigenaardigheden mijner examinatoren, toen mijn verhoor een aanvang nam en de president mij aldus aansprak:

»Ik houd het er voor, dat gij volmaakt op de hoogte zijt van de theorie der stuurmanskunst; anders zoudt gij zeker niet hier gekomen zijn.”

Ik antwoordde, dat ik hoopte dat dit blijken zou, als de heeren mij geliefden te ondervragen.

»Hij is met zijn antwoord vlug genoeg,” zeide de lange kolonel; »ik denk, dat dit heerschap het meeste praats in de voorlongroom heeft. Onder wien hebt gij gediend, jonker?”

Ik noemde de verschillende commandanten op, die ik gehad had, en vooral lord Edward.

»O, zoo, dat is voldoende; als gij onder lord Edward gediend hebt, dan moet gij wel op de hoogte zijn.”

Ik begreep de afgunstige en schimpende wijze, waarop dit gezegd werd, en bereidde mij daarom voor op een zwaren strijd, overtuigd, dat deze man, die volstrekt geen zeeman was, het hoogst aangenaam zou vinden, een van lord Edward’s adelborsten te kunnen afwijzen. Verscheidene vraagstukken werden mij voorgelegd, die ik goed wist te beantwoorden. De heeren keken zeer nauwkeurig mijne medegebrachte werkboeken en ook mijne getuigschriften na, en deden mij toen eene vraag uit de hoogere wiskunde. Ook deze loste ik op; maar toen bespeurde ik, dat het niet juist knapheid was, waar zij naar zochten. De kleine gerimpelde kolonel scheen eigenlijk teleurgesteld, dat hij mij nergens op vatten kon. Een moeielijk vraagstuk uit de bolvormige driehoeksmeting lag voor hen, zorgvuldig uitgewerkt en met de uitkomst duidelijk onderaan geschreven; maar deze mocht ik natuurlijk niet zien. Zoodra ik die vraag opgelost had, werd mijn werk met het hunne vergeleken; en daar het niet volkomen overeenstemde, werd mij gezegd, dat ik het fout had. Ik werd daardoor niet van mijn stuk gebracht, doch na mijn werk nog eens overgezien te hebben, zeide ik, dat ik nergens eene vergissing kon ontdekken en de uitkomst, uit de figuur, kon bewijzen.

»Ik geloof, dat gij uzelf al voor heel knap houdt,” zeide de kleine, dikke kolonel.

»Een tweede Euclides!” vulde de lange kolonel aan. »Vertel eens, jonker de beteekenis van Pons asinorum?”

»Ezelsbrug, sir,” zeide ik, hem vierkant in het gezicht ziende.

Nu bleek het mij klaar en duidelijk, dat de kleine, dikke kolonel nooit van eene »brug voor ezels” had gehoord en daarom veronderstelde, dat ik spotte met den langen kolonel, die zijn heele leven »binnenslands gevaren” hebbende, wel van den Pons asinorum afwist, doch niet zeggen kon welk probleem van Euclides het was, noch hoe het bij de stuurmanskunst toepassing vond. De dikke kolonel proestte het daarom van het lachen uit, zeggende: »Nu, hij heeft u goed beet; laat hem stil loopen: straks zal hij het u nog benauwd maken.”

Geraakt over deze opmerking, werd de lange kolonel driftig en herinnerde, dat de laatst gestelde vraag niet naar behooren was opgelost, en hij zwoer bij hoog en laag, dat hij mijn certificaat niet teekenen zou, vóór de oplossing goed was ingediend. Ik bleef volhouden, dat mijn werk goed was; beide oplossingen werden naast elkaar gelegd en vergeleken: men dreigde mij weg te zenden, toen tot groote ontsteltenis van de partij de fout in hun eigen werk werd ontdekt. De dikke kolonel, die een goedaardig man was, lachte recht hartelijk; de beide anderen keken ontstemd en boos.

»Dit deel zullen wij dan hierbij laten,” zeide de ijzeren Hein: »sta nu eens op en laat zien, wat gij met een schip weet te doen.” De veronderstelling was, dat het schip op de helling stond; het liep te water; ik werd er als eerste officier op geplaatst en moest het verder zeeklaar maken. Ik haalde het in het droge dok en liet het koperen; verhaalde het onder den mastbok en zette de masten in; bracht het over naar de ballastkade, nam over en stuwde den ballast en de waterkisten; verhaalde naar de overzijde bij den tuigzolder, tuigde het schip van a tot z op, sneed de zeilen, nam de batterij over, en de benoodigdheden en de victualie; rapporteerde gereed te zijn; deed sein voor een loods; ging er mede uit de haven; kreeg order er elders mede binnen te loopen, en de ondiepten en klippen op te noemen op den weg naar Portsmouth, Plymouth, Falmouth, Duins, Yarmouth, ja tot de Shetlands-eilanden toe.

Maar de kleine »ijzeren” en de lange kolonel konden maar niet vergeven, dat ik in het trigonometrische vraagstuk gelijk had gehad, en de ondervragingen gingen voort. Zij brachten mijn schip in alle mogelijke omstandigheden, die bij de vele gevallen, welke op zee kunnen voorkomen, in zulke eindelooze verscheidenheid bestaan. Ik moest elk zeil bijzetten en bergen van een bovenbramzeil af tot een gaffeltopzeil toe. Mijne masten werden weggeschoten, en ik zette noodmasten op: ik had de zeilen daarbij pas gemaakt en zou juist eene haven inloopen, toen »oude zuurspons” wreedaardig mijn schip over zij wierp, op bot lagerwal, met donkeren nacht, onder een orkaan, en mij toen opdroeg, mij daar eens uit te redden. Ik antwoordde, dat als er ankergrond was, ik al mijne ankers zou laten vallen en afwachten wat er gebeurde; maar dat, als er geene ankergrond was, noch hijzelf, noch iemand anders het schip zou kunnen afbrengen, zonder verandering van den wind of eene bijzondere tusschenkomst van de Voorzienigheid. Hiermede was »ijzeren Hein” niet tevreden. Ik zag nu den toeleg om mij te laten »zakken”, en dat de uitkomst mijne hoop zou beschamen: dit maakte mij onverschillig; dat eindelooze vragen begon mij tegen te staan, en ik maakte toen, gelukkig voor mijzelf, eene vergissing, althans in de oogen van den langen kolonel. De mij gedane vraag was juist eene, die aan boord der schepen tot velerlei uiteenloopende opvattingen aanleiding gaf: n.l. of wanneer de wind zeer achterlijk inkwam, het roer midscheeps kon varen, dan wel een paar spaken òp moest leggen? Ik meende het eerste; maar de lange kolonel beweerde het laatste en gaf daarvoor zijne gronden aan. Op twijfelachtig terrein staande, gaf ik toe en dankte hem voor den raad, dien ik verklaarde stellig te zullen opvolgen, als ik in het geval kwam; toch was ik er zoo zeker niet van, dat hij gelijk had, en sedert dien tijd heb ik dat ook ondervonden; maar mijne meegaandheid vleide zijne eigenliefde, en van dat oogenblik af stond hij mij vóór. Op zijn gelaat vertoonde zich een barsche glimlach, hij wendde zich tot zijne collega’s, en vroeg hun of zij voldaan waren.

Deze vraag maakt, evenals de hamer bij eene publieke verkooping, een eind aan alle quaestie; want bij dergelijke gelegenheden zullen de hoofdofficieren elkander niet tegenspreken; ik ontving de kennisgeving, dat ik zeer voldoende geslaagd was. Ik maakte eene sierlijke buiging en ging heen, op weg naar de schaapskooi overdenkende, dat ik bijna mijne bevordering verspeeld had, door hunne ijdelheid te kwetsen, doch dat alles nog goed terecht was gekomen, door die te streelen. Zoo gaat het in de wereld; van mijn vroegste jeugd af werden steeds al mijne ondeugden vergroot door het slechte voorbeeld, dat mijne meerderen mij gaven.

Buitenslands zou mijn examen veel gemakkelijker zijn afgeloopen. Ik herinner mij eens in de West-Indiën, terwijl wij op zee waren, dat er eene sloep gestreken werd en daarmede een adelborst (die niet eens den vollen diensttijd had, en wiens leeftijd en voorkomen aan alles behalve zeevaartkundige kennis deden denken) naar een ander met ons zeilend schip werd gezonden; na een kwartier was hij al terug met een certificaat van goed afgelegd examen. Wij waren ten zeerste verwonderd en vroegen, wat men hem toch wel in dien tijd gevraagd had. Hij antwoordde: »Alleen naar de gezondheid van papa en mama; en of ik port of witten wijn met water wilde drinken. Bij mijn heengaan,” vervolgde de knaap, »zeide een der officieren, dat als ik naar huis schreef, ik zijne eerbiedige groeten moest overbrengen aan lord en lady G..... Hij had een kalkoen voor mij in de sloep laten brengen en wenschte mij veel geluk.”

Dit jongmensch werd spoedig bevorderd; doch overleed, gelukkig misschien voor den dienst, op zijnen overtocht naar Engeland.

Zeker was er een zeer groot verschil tusschen dit examen en het mijne; doch toen het eenmaal over was, verheugde ik mij juist over de gestrengheid, die ik ondervonden had. Mijne eerzucht was gestreeld door de zege mijner bekwaamheden; en toen ik mij het zweet van het voorhoofd had afgewischt, verhaalde ik mijne moeielijkheden, mijne beproevingen en den gunstigen uitslag op een toon van zelfbehagen, die mij van een ander als onuitstaanbare ijdelheid zou geklonken hebben. Het grootste voordeel van mijn lang examen, dat anderhalf uur geduurd had, trokken de overige adelborsten, die daardoor slechts weinig vragen kregen. De commissie was van haar werk vermoeid; en dus waren het alleen de arme ongeluksvogels, die de eerste kracht van haren vroegtijdigen morgenijver gevoeld hadden, die de lijdende partij waren, en onder de »gezakten” waren meer bekende knappe jongens dan onder degenen, die er met vlag en wimpel doorgerold waren.

Eene bijzonderheid verschafte mij veel genoegen. Toen de kolonels op dek kwamen, riep »Zuursponsje” mij bij zich en vroeg, of ik ook familie was van Mr.—— Ik vertelde, dat dit mijn oom was.

»Wel, mijnheer! dat is mijn beste vriend. Waarom hebt ge niet gezegd, dat gij zijn neef waart?”

Ik antwoordde met nagebootste nederigheid, die zeer na geparenteerd was aan onbeschaamdheid, dat ik niet aan zijn gezicht had kunnen zien, dat hij mijn oom kende, maar dat, als ik het geweten had, ik te kiesch zou zijn geweest er bij deze gelegenheid melding van te maken; daar het òf gebrek aan vertrouwen in mijne eigene kennis zou verraden hebben, òf den schijn zou gegeven hebben, dat hij door die mededeeling verzocht werd, mij eenigszins genadig te behandelen, wat veel van eene beleediging zou gehad hebben.

»Dat is allemaal mooi, en allemaal waar,” zeide de oude heer, »maar als gij eerst eens wat ouder zijt en wat meer van den dienst hebt gezien, dan zult gij minstens evenveel op uwe vrienden, als op uwe verdiensten rekenen; en maak daar staat op, dat gij er te beter bij varen zoudt, als ge bewijzen kondt een broers kind van den ouden kater aan de Admiraliteit te zijn. Maar enfin, alles is nu voorbij en afgeloopen; maar breng mijne groeten aan uwen oom over en zeg hem, dat gij uw examen op eene alleszins bevredigende wijze hebt afgelegd.”

Dit zeggende, groette hij de wacht, die in het geweer stond, en ging den valreep af naar de giek, die hem wachtte. Toen hij de trap afsteeg, mompelde ik in mijzelven: »De duivel hale uw apengezicht, koffiekleurige, kleine krates! Het is uwe schuld niet, dat ik er door ben. Ik houd het er voor, dat uw vader broeken-lapper was van den bottelier van den eersten lord (van de Admiraliteit), of misschien waart gij zoogbroeder van een anderen toekomstigen lord, en daaraan hebt gij het commandement te danken van de ——.”

Verrukt over den gunstigen uitslag van dezen dag, sprong ik dien avond in den postwagen en bereikte spoedig daarop mijns vaders huis. De ontvangst aldaar was zeer hartelijk; doch de dood had gedurende mijn afzijn groote offers van mijne familie geëischt. Mijn oudste broeder en twee mijner zusters waren achtereenvolgens gestorven, en mijn vader bezat nu nog slechts eene jongere zuster en mijzelven. Ik moet bekennen dat mijn vader mij zeer getroffen ontving; zijne bittere droefheid over het verlies zijner kinderen, de gevaren die ik had doorstaan, de stellige bewijzen van mijn goed gedrag, die hem onder de oogen waren gekomen, dat alles bracht er toe bij hem al mijne dwalingen te doen vergeten; en hij scheen, en was in werkelijkheid, meer dan vroeger met mij ingenomen en trotsch op mij.

Ik wil geene pogingen doen mijne eigene gevoelens bij deze gelegenheid te verbergen. Zeker was ik bedroefd over den dood mijner naaste verwanten, maar het bericht daarvan had ik ontvangen te midden van de afleiding van eenen zeer drukken dienst. De dood was voor mij niets buitengewoons; en destijds maakte mijn verlies op mij een zoo geringen indruk, dat ik niet eens den draad van mijn verhaal heb afgebroken om er toen melding van te maken. In werkelijken zin was ik verhard geraakt door mijne omgeving en mijne levenswijze. Het fijne gevoel was bij mij verstompt door de ruwe school der ondervinding, die ik doorloopen had. In het verlies van mijn ouderen broeder troostte ik mij gemakkelijk. Mijne ouders hadden hem steeds voorgetrokken en mij aanleiding gegeven hem vaak te benijden. Thomas was altijd een geschikte, brave jongen geweest, ik daarentegen een rumoerige wildzang. Groote sympathie had er tusschen ons nooit bestaan.

Mijn beide zusters had ik eigenlijk slechts zeer weinig gekend. Nooit had ik mij veel aan haar laten gelegen liggen. Nu ik ze verloren had, gevoelde ik eerst wat eene bron voor broederlijke genegenheid weder voor mij verstopt was geraakt. Onwillekeurig bracht ik thans alle liefde op mijne overgebleven zuster over. Ons beider verlies had ons nader tot elkaar gebracht.

Daar mijn vader nog al eenigen invloed had en ik thans op goede getuigschriften kon wijzen, ontving ik mijne benoeming tot luitenant bij Zr. Ms. zeedienst ongeveer veertien dagen na mijne aankomst in Londen; maar aangezien ik nog geene plaatsing had gekregen, besloot ik een korten tijd eenige vergoeding te nemen voor de harde dagen op de Amerikaansche kust doorgebracht. Het streelde mij thans werkelijk iets te zijn en, zoo noodig, onafhankelijk van mijnen vader te kunnen leven; deze bevordering verschafte mij meer genoegen dan de twee, die hier op gevolgd zijn.

Nauwelijks was de vreugde over mijne benoeming uit, of ik dacht aan Emilia; en toen ik twee dagen in het bezit van dien rang was, gaf ik mijn vader mijn voornemen te kennen om een bezoek op ... Hall te brengen.

Mijn vader was op dat oogenblik in zeer opgeruimde stemming; wij zaten, na een goed middagmaal, samen onder genot van een flesch wijn te praten. Ik was de woordvoerder en deed hem schudden van het lachen over mijne grappen te Quebec en Prins Edwards Eiland en aan boord. Toen ik van miss Sommerville sprak, zeide mijn vader niet te twijfelen, of zij zou zeer verheugd zijn mij weer te zien, en dat zij thans het mooiste en liefste meisje uit den ganschen omtrek was.

Den lof van Emilia hoorde ik met schijnbare kalmte en onverschilligheid aan, en alsof zij mij volstrekt niet na aan het hart lag, beweerde ik dat zij altijd aanleg gehad had een mooi meisje te worden, »maar,” zeide ik, »aan mooie meisjes is tegenwoordig geen gebrek.”

Dit gezegde maakte op mijnen vader een zeer verkoelenden indruk en gaf hem aanleiding aan den heer Sommerville, nog vóór ik naar ... Hall vertrok, mede te deelen, dat een plan dat zij zamen voor de toekomst hunner kinderen op het oog hadden gehad, wel geen groote kans op vervulling meer had. Dit bericht had men voor Emilia niet geheel kunnen verbergen.

Wat mij nu eigenlijk bewogen had met mijnen vader, die mij zoo vriendelijk te gemoet was gekomen, zoo onoprecht om te gaan, weet ik niet te verklaren; het was weer die oude lust tot bedriegen, die in mij opkwam. Sedert er zooveel betere berichten van mij waren thuis gekomen en mijne vooruitzichten waren verbeterd, hadden de beide oude heeren eens de mogelijkheid besproken en elkaar den wederkeerigen wensch verraden, dat Emilia, die niet had kunnen verzwijgen, dat zij mij genegen was, en ik een paar zouden worden, zoodra ik den kapiteinsrang in den zeedienst zou hebben verkregen. Vandaar dat mijn vader zich gehaast had mijne veranderde zienswijze aan zijnen vriend mede te deelen.

Emilia was over mijne gebleken onverschilligheid natuurlijk zeer ontstemd; langzamerhand won bij haar de overtuiging veld, dat zij hare genegenheid aan eenen onwaardige had geschonken. Toen verkreeg hare jonkvrouwelijke fierheid weder de overhand en schonk haar althans de noodige kalmte en troost om zich bij ons spoedig daarop gevolgd wederzien met gepaste terughoudendheid te gedragen.

Ik werd te ... Hall dus beleefd, maar overigens vrij koel ontvangen. Ik zag dadelijk in, dat het mij groote moeite zoude kosten den hoogst ongunstigen indruk weg te nemen, die mijne onverschilligheid, te huis aan den dag gelegd en door den brief van mijnen vader bekend geworden, had teweeggebracht. In den grond mijns harten was ik echter Emilia blijven liefhebben; ik had slechts den schijn aangenomen, dat zulks niet langer het geval was, en Emilia zelve werd door mijne vernieuwde betuigingen hiervan langzamerhand ook overtuigd. Toen ons bijeen zijn dan ook nog slechts kort geduurd had, werden wij volkomen verzoend.

Het gebeurde kon wederom niet anders dan een diepen indruk op mijn gemoed teweegbrengen. Opnieuw kwamen de beste voornemens, om eens eindelijk een meer eerlijk, braaf, oprecht en degelijk mensch te worden, bij mij boven.

In het bijzijn van Emilia vlood weder de tijd met snelheid voort, en te vroeg naar ons beider verlangen was weder de ure der scheiding aangebroken.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings