Vijftiende hoofdstuk.
W. (Willem) Degenhardt translation
Door de zorg van mijnen vader ontving ik thans spoedig eene plaatsing als luitenant aan boord van de brik van achttien stukken, de D—— te Portsmouth liggende, onder bepaling dat ik zoodra mogelijk mijne betrekking zou aanvaarden. Na een aandoenlijk afscheid van de familie Sommerville te hebben genomen, ging ik derwaarts op reis.
Ik nam mijn intrek in een der best aangeschreven hotels, dat toevallig juist tegenover de woning van den admiraal gelegen was, en daar dit in den regel gebruikt werd door de fatsoenlijke zeeofficieren, deed ik dadelijk onderzoek naar mijnen nieuwen kapitein. Vóór ik achter zijn adres was gekomen, had ik verscheidene logementen van den tweeden rang moeten afloopen en was eindelijk beland in de Star and Garter, het gewone verblijf voor minder uitgezocht publiek en ook veel door adelborsten, zelfs door onderofficieren bezocht. Slechts nu en dan was mijn waardige bevelhebber hier aan te treffen, daar hij gewoonlijk aan boord logeerde. Dit vond ik zeer vreemd; ik houd niet van commandanten, die in de haven op hun schip blijven; geen schip kan dan aangenaam wezen, niemand kan doen wat hem behaagt, wat juist het uitsluitend voorrecht behoort te zijn van een binnenslands liggend oorlogsschip.
Ik vond toevallig mijn bevelhebber thuis, zond mijn kaartje en werd toegelaten. Hij zat in een klein vertrek met een glas cognacgrog vóór zich; zijne voeten rustten op het haardijzer, en de tafel lag bedekt met officiëele papieren, die hij pas ontvangen en doorgelezen had. Bij mijn binnentreden stond hij op, zich voordoende als een kort, vierkant gebouwd man, met aanleg tot corpulentie en op een paar stevige beenen. Zijn gelaat was niet onknap, hij had regelmatige trekken, een aangenamen glimlach om de lippen en een kuiltje in de kin. Het vreemdste was echter zijn oog; klein maar scherp en bewegelijk, alsof hiermede het perpetuum mobile opgelost was, daar het onmogelijk scheen dat het één oogenblik op hetzelfde punt gevestigd bleef. Bovendien was er eene arglistige uitdrukking in, die ik met al mijne gelaatskennis niet goed wist te huis te brengen.
»Mr. Mildmay,” zeide mijn kapitein, »het is mij bijzonder aangenaam u te zien, en nog meer dat gij aan boord van mijn schip geplaatst zijt. Ga zitten!”
Toen ik hieraan gevolg had gegeven, wendde hij zich om, en zijne handen over elkaar strijkende, alsof hij zoo pas de zeep had neergelegd, vervolgde hij: »Het is bij mij een regel om, als ik een nieuw officier aan boord krijg bij mijne collega’s informatiën in te winnen; het is een voorzichtigheidsmaatregel, omdat naar mijn oordeel het spreekwoord van: één schurftig schaap enz. bijzonder op onzen dienst toepasselijk is. Ik heb gaarne goede officieren en beschaafde menschen om mij heen; ongetwijfeld bestaan er tal van officieren, die goed hunnen dienst doen en op welke ik niets zou weten aan te merken; maar er is eene wijze, waarop men die doen kan, waartoe alleen een gentleman in staat is; ruwe manieren, vloeken en onbeschoftheden verbitteren het volk, onteeren den dienst en zijn daarom zeer wijselijk bij no. 2 van de krijgsartikelen verboden. Onder zulke officieren werkt het volk met tegenzin. Ik ben zoo vrij geweest naar u eenig onderzoek te doen, en ik moet u zeggen, dat ik niets ten uwen nadeele heb vernomen. Ik twijfel niet, of wij zullen het wel samen kunnen vinden; wees verzekerd, dat het mijn streven zal zijn het u zooveel mogelijk naar den zin te maken.”
Op deze verstandige en beleefde toespraak gaf ik een passend antwoord. Hij verhaalde daarop, dat wij binnen weinige dagen naar zee zouden gaan; dat de officier, in wiens plaats ik was gekomen, weinig met hem overeengestemd had, hoewel hij aannemen moest, dat het een zeer waardig jong mensch was, die noodzakelijk zoodra mogelijk naar zijn nieuwe schip moest, doch eerst door mij diende vervangen te zijn. »Daarvoor,” zeide hij, »komt het ’t beste uit, dat gij morgenochtend te negen uren aan boord komt: dan zal ik u voorstellen; daarna kunt gij u eenige dagen als meester van uwen tijd beschouwen, omdat ik begrijp, dat gij een en ander voor onzen kruistocht in orde te maken zult hebben. Ik weet,” vervolgde hij met een minzamen glimlach, »dat er zoo allerlei kleinigheden zijn, waarvoor de heeren graag zorgen; zooals het opsieren van de hut, de aankoopen voor de tafel, en allerlei zaken niet bij name te noemen, die dienen voor tijdpasseering en voor het verdrijven van de eentonigheid aan boord. Veertig jaren aan een stuk heb ik aan boord van onze vloot gediend, als knaap en als man, en zooals gij kunt nagaan uit den rang, dien ik bekleed en de levenswijze, die ik leid, zonder bijzonder geluk; want hier zit ik onder een nederig glas grog, in plaats van in het gezelschap mijner mede-commandanten in het Hotel De Kroon onder genot van een flesch wijn; maar ik heb twee zusters te onderhouden, en het is voor mij een grooter zelfvoldoening om mijn broederplicht te vervullen, dan aan mijne lusten toe te geven; hoewel ik bekennen moet niets tegen een glas rooden wijn te hebben, als ik er gemakkelijk bij kan komen,—dat is, als ik er niet voor behoef te betalen, wat niet best lijden kan. Maar laat ik u niet langer ophouden. Gij hebt hier zeker verscheidene kennissen, die gij wel graag ontmoeten wilt, en wat ik te zeggen heb, dat is later goed om er op zee de wacht mede klein te krijgen, als er geen aangenamer bezigheid is.” Zoo sprekende stak hij mij de hand toe en schudde de mijne zeer hartelijk. »Dus morgen om negen uren,” herhaalde hij; en ik verliet hem, zeer ingenomen met ons onderhoud.
Ik ging terug naar mijn hotel, overdenkende hoe gelukkig ik het getroffen had, op het eerste schip, waar ik als officier zou dienen, zoo’n eerlijken, rechtschapen, flinken commandant aan te treffen. Ik bestelde mijn middagmaal en ging er toen weer op uit, om allerlei aankoopen te doen. Verscheidene oude scheepsmakkers ontmoette ik, die mij met mijne bevordering gelukwenschten en niet ophielden vóór ik hun een diner beloofde, om daarmede mijn promotie in te zegenen, waartoe ik mij liet overhalen. De dag werd overeengekomen en het eten besteld.
Na ditmaal zonder gezelschap gemiddagmaald te hebben, verdreef ik den tijd met een langen brief aan mijne dierbare Emilia te schrijven; met behulp van een flesch wijn, gelukte het mij een tamelijk vurig en opgewonden stuk op te stellen, dat ik verzegelde en op de post deed; daarna ging ik luchtkasteelen bouwen, en geen was daaronder, waarvan niet mijne schoone de meesteres was. Ik begaf mij te bed en sliep weldra vast in; den volgenden morgen kleedde ik mij in mijn nieuwe uniform, natuurlijk met een groote epaulet op den rechterschouder. Na het ontbijt zeilde ik de deur uit, in eigen oogen een verbazend knappe jongen zijnde. Met een lichten, veerkrachtigen pas zweefde ik de Hoogstraat af.
»Een bootje, mijnheer?” riepen een dozijn stemmen mij toe, toen ik de havenpoort bereikt had. Maar ik vond, dat Point-straat evenveel recht als de Hoogstraat had, om mij te zien te krijgen; ik bewaarde dus op die aanbiedingen een diep en geheimzinnig stilzwijgen en liet mij door de bootroeiers naar de Point volgen, als zoovele zuigvisschen, die een haai nazwemmen.
»Een boot naar Spithead, mijnheer?” vroeg een grijze, oude varensgast.
»Ja, dat is goed,” zeide ik, sprong in zijn vaartuig, en wij staken af.
»Naar welk schip moeten wij gaan?” zeide de man.
»Naar de brik de D——.”
»Zoo, moet u daar naar toe? Behoort u daar aan boord, als ik vragen mag?”
»Ja,” antwoordde ik.
De roeier liet een zucht en sprak geen woord meer, tot wij op zijde van het schip kwamen. Het speet mij niets, dat hij zoo weinig spraakzaam was, want ik hield mij liever met mijn eigen gedachten bezig, dan met de redeneeringen van onbeschaafd volk.
De brik was een prachtig vaartuig. Zij voerde achttien kanonnen en lag als een meeuw op het water. Ik zag, dat de vlag, ten teeken van afstraffing, geheschen was, en vond dit een ongewoon verschijnsel voor de reede van Spithead en maakte daaruit op, dat er een buitengewoon misdrijf, oproer—of minstens diefstal,—moest hebben plaats gevonden. Toen men zag, dat ik officier was, werd mijne boot bij den valreep toegelaten; ik betaalde mijn roeier en zond hem weg. De valreep opgeklommen zijnde, zag ik een armen kerel met de armen uitgespreid, volgens scheepsgebruik, aan den rooster gebonden, terwijl de commandant, de officieren en de geheele bemanning er omheen stonden, als getuigen van de krachtige behendigheid van den bootsmansmaat, die, te oordeelen naar de even diepe en evenwijdige striemen, die op rug en schouders van den gestrafte zichtbaar waren, een meester in zijn vak scheen. Dit alles verwonderde mij niets,—ik was daaraan lang gewend; maar na de toespraak, die ik den vorigen dag van den commandant gehad had, bevreemdde het mij zeer eene taal te hooren, die lijnrecht indruischte tegen het tweede der krijgsartikelen.
Vloeken en verwenschingen stroomden uit zijn mond met een gemak, dat hem het brutaalste vischwijf benijd zou hebben.
»Bootsmansmaat!” bulderde de commandant, »doe uw plicht, of bij hier en ginder! laat ik u voorbinden en zelf vier dozijn toedienen. Men zou voor den dit en dat denken dat gij bezig waart van eene slapende Venus de vliegen af te jagen, in plaats van een schurk te raken, met een huid zoo dik als die van een buffel. Doe uw plicht, sir, of de d.... zal u halen.”
Gedurende deze nette alleenspraak had de ongelukkige kerel vier dozijn zware geeselslagen ontvangen, die de provoost, dicht bij den commandant staande, hardop nageteld had.
»Een andere bootsmansmaat,” riep deze. De ongelukkige wendde met smeekenden blik het hoofd om, maar vergeefs. Ik sloeg aandachtig het gelaat van den commandant gade, en de eigenaardige uitdrukking, die ik bij onze kennismaking niet had weten thuis te brengen, begreep ik nu volkomen: het was helsche wreedheid en genot in het kwellen van zijnen medemensch; hij scheen een duivelsch genoegen te vinden in het schouwspel, dat wij gedwongen waren bij te wonen. De tweede bootsmansmaat begon met een versch martelwerktuig en gaf daarmede een slag over den rug van den gevangene, die mij deed opspringen.
»Een,” riep de provoost, die weer begon te tellen.
»Één!” schreeuwde de commandant »Noem je dat één? Het is nog geen kwart van één. Die vent is alleen geschikt voor vliegenslager in een spekwinkel! Ik zal je degradeeren, gij bl.... weekeling; is dat eene manier, om met de cat om te springen? Gij klopt hem alleen het stof van den rug. Waar is de bootsman?”
»Hier,” riep een ruwe, reusachtige, linksche kerel, vooruittredende, met een hooge, blauwe uniformjas, en een anker op de mouw geborduurd, zijn hoed in de linkerhand houdende en met de rechter het haar uit de oogen strijkende. Ik nam dien man eens goed op, toen hij zich half omdraaide, en maakte de gevolgtrekking, dat hij zeker zijn kleermaker gedreigd had hem een staaltje van zijne handigheid te toonen, indien hij hem met het laken te kort deed; want de panden van zijn jas waren zeer wijd, eindigende in een gebogen vlak, met hoeken, die van voren veel lager hingen dan het middengedeelte van achteren; de knoopen op de heup stonden wel een pistoolschotsafstand uit elkaar.
»Geef dien man een dozijn, sir,” zeide commandant G——; »en als gij genade betoont, zend ik u in arrest en houd uw oorlam in.”
Het laatste deel der bedreiging maakte op Mr. Pipes meer indruk dan het eerste. Hij begon zich »te pellen”, zooals de boksers dat noemen; eerst ging zijn ruime jas uit; toen werd een rood vest—voor de taille van een paaschos—er bij gedeponeerd; toen maakte hij een zwartzijden halsdoek los en liet een keel zien, als een geit met lang bruin haar begroeid, zoo dik als pakgaren. Daarna stroopte hij de hemdsmouwen op tot boven den elleboog en toonde een arm als de Hercules van Farnese.
Deze hoopvolle uitvoerder der krijgswetten greep zijne cat. Het handvat daarvan was twee voet lang, een en drie kwart duim dik en met rood laken bekleed. De staarten van dit vreeselijk wapen, negen in getal, waren drie voet lang, en elk hunner van de dikte van een vinger. Mr. Pipes, wiens bekwaamheid in deze kunst ongetwijfeld aanleiding gegeven had voor zijne bevordering tot bootsman, in welke qualiteit hij nu als de wreker van ’s lands wetten optrad, hanteerde zijne cat alsof hij er de uitvinder van was, bekeek het ding van alle zijden, klaarde de staarten, door er zijne fijne vingertjes tusschenin te brengen, strekte zijn linkerbeen uit,—want hij was aan de beenen evenzeer links als aan de handen,—en met den nauwkeurigen oogopslag van een ingenieur zijn afstand metende, hief hij met zijne linkerhand de cat hoog in de lucht, met de andere de punten der staarten nog vasthoudende, alsof hij hun ongeduld om neer te komen wilde bedwingen; toen met arm en bovenlijf een vollen zwaai makende, waarbij driekwart van den cirkel beschreven werd, liet hij een ontzettenden slag op den rug van den ongelukkigen lijder nedervallen. Dit soort van slagen scheen onzen kapitein te bevallen, ten minste hij beantwoordde den vragenden blik van den bootsman met den goedkeurenden knik van een liefhebber. De arme patiënt was buiten adem van de kracht van den slag, en de staarten van de cat, uit de tegenovergestelde richting van de eerste vier dozijn nederkomende, kruisten de oude striemen, dat het bloed telkens te voorschijn sprong.
Ik wil mijne lezers niet langer pijnigen met eene beschrijving van den toestand van den armen kerel. Zelfs nog nadat er zooveel jaren overheen gegaan zijn, huiver ik er van en betreur ik bitter de droevige noodzakelijkheid, waarin ik dikwijls gebracht ben eene dergelijke bestraffing toe te passen; maar ik hoop en vertrouw er nooit zonder goede, ernstige reden toe overgegaan te zijn, of er eene baldadige vertooning van willekeur en macht van gemaakt te hebben.
Toen het laatste dozijn compleet was, meldde de provoost het eindcijfer »vijf dozijn.”
»Vijf dozijn!” herhaalde kapitein G——, »dat kan; bindt hem los. En nu, man,” zeide hij tegen den flauwvallenden ongelukkige, »ik hoop, dat dit u eene waarschuwing zal zijn, om de eerste maal dat gij weer pruimt, niet op mijn halfdek te spuwen.”
»Genadige hemel!” dacht ik, »is dit alles alleen geweest voor het spuwen op het halfdek? En dat van dien zedemeester van gisteren, die vloeken noch verwenschingen kon dulden, en die in de laatste tien minuten meer godslasteringen heeft uitgebraakt, dan ik de laatste tien weken gehoord heb!”
De commandant had mij nog niet opgemerkt: hij had het te druk met zijn vermaak gehad. Zoodra de gevangene ontslagen was, gaf hij last om »af” te fluiten, of in andere woorden, het volk weer aan hun gewone werk te zetten, toen ik op hem toetrad en de hand aan den hoed bracht.
»O ja, dat is waar ook. Zijt gij gekomen? Vast fluiten, laat alle hens op het halfdek voor den boeg komen!”
Mijne benoeming werd toen voorgelezen, met alle hoeden af tot eerbewijs aan den Vorst, in wiens naam het geschiedde. Toen ik hiermede volkomen geïnstalleerd werd, was ik de tweede luitenant van het vaartuig, en de commandant, die zich niet verwaardigde mij een woord toe te spreken of met een blik te vereeren, beval zijne giek klaar te maken, om naar den wal te gaan. Ik was door hem aan niemand der officieren voorgesteld, wat hij beleefdheidshalve had dienen te doen. Dit verzuim werd echter door den eersten officier goedgemaakt, die mij verzocht met hem naar de longroom te gaan, om kennis te maken met mijne nieuwe kameraden. Wij lieten den tijger, het dek op en neer stappende, achter.
De eerste officier was van gemiddelde lengte, juist goed voor eene brik, mager en ongeveer veertig jaren oud; hij had slechts één oog, maar dat was even vreemd als die van den commandant. Er sprak echter, in tegenstelling met die van laatstgenoemden, zeer veel geest uit, en wanneer hij er mede knipte, wat hij telkens deed, dan sprak het als ’t ware mede. Nooit zag ik drie zulke oogen in twee zulke hoofden. Een eigenaardige glimlach deed het gelaat van den eersten officier betrekken, toen ik hem vertelde, dat de commandant verlangd had, dat ik aan boord zou komen om geïnstalleerd te worden en dat ik daarna een paar dagen voor mijzelf kon krijgen, om mij voor de zeereis voor te bereiden.
»Nu,” zeide hij, »het is het beste, dat ge nu nog naar hem toegaat en het hem vraagt; maar ik denk, dat gij een vreemd antwoord zult krijgen.”
Ik ging dus naar hem toe: »Hebt u er iets tegen, dat ik naar den wal ga, mijnheer?”
»Naar den wal, mijnheer!” schreeuwde hij. »En wie duivel zal voor den dienst opkomen, als gij naar den wal gaat? Naar den wal? Ik wenschte wel, dat er geen wal bestond en de duivel elk haalde, die niet zwemmen kon! Neen, mijnheer, gij zijt genoeg aan den wal geweest. De dienst gaat naar de maan, mijnheer! Een paar knapen met den rang van luitenant, vóór zij nog uit de kinderkamer behoorden te komen! Neen mijnheer, blijf aan boord, of verd.... ik zal u klein krijgen als eene eierschil, vóór de glans van die mooie nieuwe epaulet af is! Neen, neen, G... d... geen katten hier, of zij moeten muizen vangen. Gij blijft aan boord en doet uwen dienst; iedereen doet hier zijn dienst: en laat mij voor den dit en dat eens zien, wie daarin kort komt!”
Gedeeltelijk was ik op deze verhevene aanspraak voorbereid; doch mijn brein was ruim genoeg om tevens eene groote hoeveelheid verwondering te kunnen bevatten over deze plotselinge weersverandering. Ik antwoordde, dat hij mij gisteren verlof beloofd had, en dat ik op grond van die belofte het grootste gedeelte van mijn goed aan den wal had laten staan en daardoor zóó niet naar zee zou kunnen.
»Zoo beloofde ik u verlof? Dat is wel mogelijk; maar dat was alleen om u aan boord te krijgen. Ik ken die streken van jelui jongelieden: eens aan den wal, zijt ge er niet meer vandaan te krijgen. Neen, neen, dat is maar malligheid. Als ik je losliet, zou ik je in geen drie dagen weerzien! Nu ik je heb, houd ik je, voor den d....!”
Ik herhaalde mijn verzoek om naar den wal te gaan; maar, zonder zich te vermoeien met mij verdere bezwaren daartegen op te geven, antwoordde hij:
»Gij kunt naar de w....l... loopen, sir! En onthoud voorts, dat ik nooit tegenspraak kan dulden. Met het meeste genoegen van de wereld verplicht ik mijne officieren in al wat redelijk is, maar ik verwacht nooit een antwoord.”
Ik dacht bij mijzelven: »Ongetwijfeld zou Domitianus u admiraal en uwen bootsman kapitein op zijne vloot hebben gemaakt!”
Met deze overdenking liep ik een paar malen het dek op en neer, overwegende wat ik nu doen zou, wetende dat ik hier voor de hoogste macht stond, toen de officier, dien ik vervangen had, de achtertrap opkwam en, eerbiedig den commandant groetende, hem vergunning vroeg om van boord te gaan.
»Gij kunt naar de hel gaan, mijnheer!” zeide de commandant (die niet met ruwe taal ophad); »gij zijt het zout niet waard, dat gij eet; en hoe eerder gij weg zijt, des te schooner zal het schip er om wezen! Sta mij niet zoo aan te gapen, als een os over het slaghek! Ga omlaag, pak uw boeltje in, of ik zal er een handje bij helpen!” Te gelijk lichtte hij den voet op, alsof hij daarmede een schop wilde geven.
De jonge officier, een zacht, fatsoenlijk mensch deed wat hem bevolen was. Ik stond werkelijk verstomd: tot nog toe had ik steeds met beschaafde menschen gevaren. Ik had dikwijls genoeg van allerlei soort van commandanten gehoord, van strenge, van kleingeestige, van ruwe; maar deze overtrof al mijn begrip en verreweg wat ik dacht, dat ooit door een flink officier zou geduld worden. Zeer verontwaardigd en vast besloten mij niet op die wijze te laten behandelen, ging ik nogmaals naar hem toe en verzocht vergunning om naar wal te gaan.
»Ik heb u daarop reeds antwoord gegeven, mijnheer.”
»Ja, dat hebt gij ook, commandant,” zeide ik, »en dat wel in eene taal, zooals ik nog nooit op het halfdek van een van Zr. Ms. schepen heb hooren spreken. Ik kwam hier aan boord als officier en als gentleman, en verlang als zoodanig behandeld te worden.”
»Muiterij!” brulde de commandant. »Al zooveel praats in uwen nieuwen rang, nog vóórdat de inkt droog is!”’
»Zooals gij wilt, sir,” antwoordde ik; »maar ik zal een brief aan den haven-admiraal schrijven en daarin, onder mededeeling der omstandigheden, verlof aanvragen; dat schrijven zal ik u geven, met verzoek tot doorzending.”
»Ik zal verd.... zijn, als ik dat doe!” zeide hij.
»Dan, mijnheer,” zeide ik hierop, »wanneer door u in tegenwoordigheid der overige officieren de doorzending geweigerd wordt, zal de brief buiten u omgaan.”
Mijn laatste gezegde maakte den noodigen indruk; hij wist niet veel te antwoorden, en ging in zichzelf mompelende de kajuitstrap af.
Nu kwam de eerste officier op mij toe en wenschte mij geluk met de behaalde overwinning. »Gij hebt den beer volkomen gemuilband,” zeide hij; »lang heb ik naar zoo’n helper uitgezien, als gij zijt; Wilson, die nu weggaat, is een dood-goede, beste jongen, dapper als een leeuw tegenover den vijand,—maar voor dezen vleeschelijken duivel zit hij er in.”
Ons gesprek werd gestoord door eene boodschap van den commandant, dat hij mij in de kajuit wenschte te spreken. Ik ging omlaag en werd daar ontvangen met den vriendelijken glimlach onzer eerste ontmoeting.
»Mijnheer Mildmay,” zeide hij, »ik ben altijd een weinig barsch tegen mijne officieren, wanneer zij pas aan boord komen” (en ook als zij van boord weggaan, dacht ik), »niet alleen om hen te toonen, dat ik kapitein ben op mijn eigen schip, maar ook als voorbeeld voor het volk, dat als het ziet, dat de officieren ondergeschikt zijn, eerder met zijn lot tevreden is en beter gehoorzaamt; maar, zooals ik u reeds te voren gezegd heb, het comfort mijner officieren is mijne eerste zorg: gij kunt naar den wal gaan en hebt vierentwintig uren verlof om uwe zaken te regelen.”
Ik vond het onnoodig hierop nog te antwoorden en verliet met eene buiging de kajuit. Voor dien man gevoelde ik zulk eene diepe minachting, dat ik bang was te spreken en daarbij mijzelf te vergeten.
Kort daarop ging de commandant van boord en deelde den eersten officier mede, dat ik vergunning had om naar den wal te gaan. Ik had nu nadere gelegenheid om met mijn makkers in het ongeluk kennis te maken; niets toch brengt de menschen spoediger tot elkaar dan gemeenschap van lijden. Mijn verzet tegen de onbeschoftheid van onzen gezamenlijken kwelgeest droeg de algemeene goedkeuring weg; tallooze staaltjes van zijne tirannie werden mij verteld, hoe hij een schande voor den dienst was, hoe betreurenswaardig het was, dat aan hem het bevel over zoo’n mooi vaartuig was toevertrouwd. Wij kwamen overeen dat, zoo hij ergens had moeten commandeeren, het dan op een boevenschip moest wezen. De verhalen, die ik hoorde, waren bijna niet te gelooven, en het was alleen te danken geweest aan de al te zeer gegronde vrees, dat een officier zijnen commandant voor den krijgsraad dagende, daarvan voor zijne verdere carrière zeer schadelijke gevolgen ondervindt, dat hij tot nu toe daarvan zoo vrij had kunnen loopen; geen officier had het ooit langer dan drie weken in het schip kunnen uithouden, en zij maakten er allen werk van om er af te komen.
In mijn verslag van hetgeen op dit vaartuig voorviel gedurende den tijd, dat ik er op diende, moet ik, ter rechtvaardiging van alle in de marine dienende commandeerende officieren, er bijvoegen, dat het hier een op zichzelf staand geval gold; zulk eene persoonlijkheid als de overste G—— werd reeds toen ter tijd hoogst zeldzaam in den zeedienst aangetroffen en zal later nog minder voorkomen. De eerste officier vond, dat ik zeer verstandig gedaan had, mij zoo dadelijk al te verzetten tegen dergelijke onbehoorlijke machtsuitoefening en vertelde, dat hij zoowel een tiran en een schreeuwer als een lafaard was en in ’t vervolg wel omzichtig zou zijn in de wijze om mij aan te pakken. »Maar wees op uwe hoede,” zeide hij; »vergeven doet hij het u nooit, en juist dan, als hij zich het aangenaamste voordoet, heeft hij het meeste kwaad in den zin. Hij zal u in slaap sussen, en het minste dat hij vat op u heeft, maakt hij er eene krijgsraadzaak van. Ik zou nu maar aan wal gaan en daar uwe zaken afdoen, om zoo mogelijk nog vóór het verstrijken van uw verlof terug te wezen. Die vergunning hebt gij alleen te danken aan uwe bedreiging met den haven-admiraal. Gij zijt er hem volstrekt geen dank voor schuldig; als hij gedurfd had, zou hij u aan boord hebben gehouden. Zoolang ik hier geplaatst ben, heb ik geen voet van het schip gezet, en er is geen enkele dag gepasseerd zonder ten minste eene scène als gij van morgen hebt bijgewoond. En toch,” vervolgde hij, »als het niet was om zijne wreedheid tegenover het volk, dan zou hij de aardigste leugenaar zijn, dien ik ooit gehoord heb. Dikwijls ben ik meer geneigd om te lachen, dan om boos op hem te zijn. In zekeren zin is hij altijd luimig. Zelfs zijn kwaadaardigheid is koddig, en mochten wij soms niet van hem af kunnen komen, dan zullen wij er ons maar op moeten toeleggen hem zoo goed mogelijk te verdragen.”
Ik ging naar den wal, pakte mijne kleederen en andere zaken die ik noodig had, bijeen en was den volgenden morgen vóór acht uren weer aan boord terug.