← Table of contents
Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel

GESCHIEDENIS VAN DEN KLEINEN GEBOGCHELDE.

Reading edition

Te Cachgar, aan de Zuidelijke grenzen van Groot-Tartarije, woonde voor vele jaren een kleêrmaker, die eene zeer schoone vrouw had. Deze echtelingen beminden elkander hartelijk, en leefden te zamen zeer eendragtig. Op zekeren dag, dat de kleêrmaker op zijne snijderstafel met ijver zat te werken, trad een kleine gebogchelde man binnen, zette zich voor de tafel, en begon bij de muzijk van eene tambourijn te zingen. De kleêrmaker hoorde hem met vermaak aan, en kwam op het denkbeeld, hem naar zijn huis mede te nemen, opdat ook zijne vrouw in zijn genoegen zou kunnen deelen. „Hij kan ons,” sprak hij bij zich zelven, „dezen avond met zijne kluchtige zangstukjes regt vermaken,” en hij deed hem het voorstel daartoe. Toen zulks door den gebogchelde aangenomen werd sloot hij zijne werkplaats en nam hem mede naar zijne woning.

De vrouw van den snijder had bij hunne aankomst het avondeten gereed, en zette een' schotel met visch op, welke zij zeer smakelijk had toebereid. Men plaatste zich aan tafel, doch de gebogchelde at zoo gulzig, dat hem eene groote graat in de keel bleef zitten, waardoor hij stikte. De kleêrmaker en zijne vrouw zagen zich hierdoor in groote verlegenheid gebragt. Zij waren zeer ontsteld, omdat dit ongeval binnen hunne woning had plaats gehad, en er dus, indien de zaak ruchtbaar werd, bij het geregt ligtelijk het vermoeden kon ontstaan, dat zij hem vermoord hadden. Na eenig nadenken vond echter de man een middel, om zich van het lijk te ontdoen. Hij wist dat er in de nabijheid een Joodsch geneesheer woonde, en daarop grondde hij zijn plan. Hij nam met zijne vrouw den gebogchelde op, de eene bij het hoofd, de andere bij de voeten. Zoo droegen zij hem naar de woning van den geneesheer. Deze woonde op een bovenhuis, waarheen men met een' buitentrap moest opgaan. De snijder liet zijne vrouw en het lijk beneden, klom den trap op en klopte aan. Eene meid deed dadelijk open, zonder dat zij zich den tijd had gegund licht mede te nemen, en vraagde, wat men verlangde. „Wees zoo goed,” sprak de kleêrmaker, „en zeg uw' meester, dat wij een' zieke bij ons hebben, voor wien wij een geneesmiddel verlangen. Zie daar,” vervolgde hij, haar een geldstuk in de hand drukkende, „geef dit vooraf aan uwen heer, opdat hij weten moge, dat wij geene onbetaalde diensten van hem begeeren.” Terwijl de meid naar binnen ging, om den geneesheer dit goede nieuws over te brengen, droegen de snijder en zijne vrouw het lijk van den gebogchelde den trap op, lieten hem daar, en spoedden zich weg.

Intusschen had de meid hare boodschap aan den geneesheer overgebragt, waarbij zij hem het ontvangen geld overgaf. Op het gezigt dezer vooruitbetaling, werd de doctor zeer verblijd. „Zulk een begin,” dacht hij, „voorspelt wat goeds! Neem haastig een licht en volg mij,” zeide hij tot het dienstmeisje. Hij had echter geen geduld genoeg om te wachten, spoedde zich in het donker vooruit, en den trap willende afgaan, gaf hij door den haast den gebogchelde zulk een' harden schop, dat deze van den trap afrolde, en op de straat te regt kwam. Het scheelde niet veel of de doctor ware hem even spoedig komen narollen, doch hij greep zich nog aan de leuning vast. „Breng toch spoedig licht, Abigaël!” schreeuwde hij, „er lag iets op den trap, en ik heb bijna den hals gebroken.” De meid kwam nu met het licht aanloopen. Zij gingen den trap af, en vonden, dat hij niets meer of minder dan een lijk den trap had afgeschopt. Hierop verschrikte de man zoo hevig, dat hij Mozes, Aäron, Josua, en alle andere profeten van het Oude Verbond aanriep. „Ongelukkige, die ik ben!” jammerde hij, de handen wringende, „waarom moest ik ook zonder licht naar beneden gaan? Ik heb den zieke gedood, dien men ter genezing tot mij bragt! ik ben oorzaak van zijn' dood, en een verloren man. O hemel! O hemel! Ach, Mozes! kom mij te hulp! Weldra zal het geregt komen, en ik gehangen worden als iemand, die een' doodslag begaan heeft.”

Doch hoe ontsteld ook de Joodsche geneesheer was, hij behield nog genoeg tegenwoordigheid van geest, om den gebogchelde naar binnen te slepen en zijne deur te sluiten, daar hij vreesde, dat, zoo een der voorbijgangers bemerkte, wat er was voorgevallen, hij hem bij het geregt mogt aanklagen. Daarna nam hij het lijk op zijne schouders en bragt het in de kamer van zijne vrouw, die, toen zij hem met zulk een' zonderlingen last zag binnenkomen, van schrik in flaauwte meende te vallen. „Vader Abraham, vader Izaäk, vader Jacob! wat zal ons nu overkomen,” gilde zij, „een lijk! Indien de dag aanbreekt, de politie onderzoek doet, en het lijk bij ons vindt, dan zijn wij verloren. Welk eene ramp! Hoe zijt gij er toe gekomen, man, om dezen mensch te dooden?” „Dat is thans de vraag niet,” hernam de Jood, „de hoofdzaak is om een middel tegen het ons dreigend gevaar te vinden.”

De geneesheer en zijne vrouw beraadslaagden nu, hoe zich gedurende den nacht van het lijk te ontdoen. De eerste wist hierop niets te vinden, doch zijne vrouw, vindingrijker dan hij, zeide: „Daar valt mij iets in. Laat ons het lijk op het platte dak van ons huis brengen, en vervolgens neêrlaten door den schoorsteen van onzen buurman, die een goed Muzelman is. Deze zal wel een middel weten, om er zich door te redden, terwijl men ons, integendeel, in dit heidensche land met alle gestrengheid zal behandelen. Wat denkt gij daarvan, man?” „Gij zijt waardig, vrouw!” sprak de doctor, „om in goud te worden beslagen. Uw raad zullen wij volgen. Onze buurman is koopman in olie, boter en smeer, en klaagt er vreeselijk over, dat de ratten en de muizen zoo bij hem huishouden; als hij nu den doode ziet, zal hij denken dat het eene rat op twee beenen is, die hem heeft willen bestelen, maar die door den schoorsteen is gevallen, en zijne onderneming met den dood heeft bekocht.” Zoo gezegd zoo gedaan. De geneesheer en zijne vrouw bragten den gebogchelde op het plat van hunne woning, deden hem een touw onder de armen, en lieten hem door den schoorsteen in de voorraad-kamer van den koopman afzakken, zoodat hij op zijne voeten te staan kwam, regt tegen den muur. Daarna trokken zij de touwen weder omhoog, en lieten het aan den koopman over, zich met den doode te verstaan; hij mogt hem dan voor een' dief of voor een' schoorsteenveger aanzien.

Naauwelijks waren zij weder op hunne kamer, toen de koopman te huis kwam. Hij was op eene vrolijke partij geweest, en had eene lantaarn in de hand. Toen hij zijne kamer opende en het licht op den gebogchelde viel, was de goede man niet weinig verbaasd, een' vreemden gast in zijn huis te vinden, die zijne plaats onder den schoorsteen had genomen, waardoor hij waarschijnlijk, toen hij de voordeur gesloten vond, was binnengekomen. Doch hoe verwonderd de koopman was, greep hij toch, daar het hem niet aan moed ontbrak en daar hij dacht een' dief voor zich te hebben, een' dikken stok, ging regelregt op den gebogchelde af en zeide: „Ha, ha, kameraad! Ik heb gemeend, dat het de ratten en muizen waren, die zoo met mijne boter en mijn vet huis hielden; maar zijt gij het, die door den schoorsteen komt om mij te bestelen? Ik beloof u, dat gij er voor den tweeden maal geen lust toe zult krijgen.” Dit zeggende sloeg hij dapper op den gebogchelde toe, zoo lang, tot dat deze zijn evenwigt verloor en op den grond viel. De koopman hield echter niet op met slaan, tot dat hij eindelijk bemerkte, dat er in den man geene beweging meer was. Hij onderzocht den ongelukkige nader, maar er was geen leven meer in te vinden. Nu kreeg de vrees de overhand op zijn' toorn. „Wat heb ik gedaan?” klaagde hij, „ik heb een mensch omgebragt! Ach! ik ben te ver gegaan in mijne gramschap. O Allah! O Mohamed! indien gij geen mededoogen met mij hebt, is het met mijn leven gedaan. Duizendmaal verwenscht zijn het vet, de olie en de boter, die de oorzaak zijn, dat ik zulk eene strafwaardige daad begaan heb.” Bleek en ontdaan van schrik bleef hij als roerloos staan; in zijne verbeelding zag hij reeds de geregtsdienaars komen, die hem naar de strafplaats zouden slepen. Het klamme zweet brak hem uit, en hij wist niet wat te doen.

Nogmaals onderzocht hij het lijk, en nu ontdekkende, dat hij met een' gebogchelde had te doen gehad, borst hij in nieuwe verwenschingen uit, zonder te bedenken, dat alleen zijn verregaande toorn er de schuld van was. „Verwenschte bogchel!” riep hij, „haddet gij maar, al wat ik heb, gestolen, en hadde ik u hier maar niet ontmoet, dan zou ik mij niet in deze verlegenheid bevinden. Lichten des hemels,” vervolgde hij, „laat uw licht in dit dreigende gevaar alleen voor mij schijnen.” Dit zeggende, laadde hij het lijk op zijne schouders, ging tot aan het einde der straat en plaatste het overeind tegen een der winkels, die op dat uur allen nog gesloten waren. Daarop keerde hij naar zijne woning terug, zonder achterom te zien.

Eenige oogenblikken vóór dat de dag aanbrak, wilde een rijke Christen koopman, die den nacht in zwelgerij had doorgebragt, zich naar het bad begeven. Hoewel half beschonken, bemerkte hij echter, dat de nacht ten einde spoedde en men de geloovige Muzelmannen weldra tot het morgengebed zou oproepen. Dit deed hem zijne schreden verhaasten, uit vrees dat hij door een' Muzelman, die naar de Moskee ging, ontmoet, door dezen als een' dronkaard aangehouden en aan de politie overgeleverd zoude worden; want het was te Cachgar, op straffe van gevangenschap, verboden, zich in beschonken toestand op straat te vertoonen.

Toevallig bleef hij echter bij den winkel, waartegen het lijk was neergezet, een oogenblik staan, en wel met het ongelukkig gevolg, dat hij tegen den doode stiet, en deze hem tegen het lijf viel. De koopman denkende, dat hij door een' straatroover werd aangevallen, gaf het lijk een' zoo geduchten vuistslag, dat dit ter aarde viel, en zich daarna al slaande op hetzelve werpende, begon hij te roepen: „Dieven! Dieven!”

De wacht uit die buurt kwam op zijn geschreeuw toeschieten, en bemerkende dat het een Christen was, die een' Muzelman mishandelde, vroeg men hem wat daartoe aanleiding gaf. „Hij wilde mij berooven,” gaf de koopman ten antwoord, „en wierp zich op mij, om mij bij de keel te vatten.” „Dan hadt gij regt,” sprak de wacht, „doch laat de man nu met rust; gij hebt u genoeg gewroken.” Dit zeggende, trok hij hem bij een' arm terug. Daarna stak hij de hand uit om den gebogchelde op de been te helpen; maar dit was onnoodig; de man was dood. „Niet van deze plaats!” riep thans de wacht, terwijl hij den koopman in de borst greep, „ik moet u voor den regter brengen. Het zal u duur te staan komen, Christenkind! dat gij een' Muzelman gedood hebt.”

Men liet den koopman in de gevangenis brengen, tot dat het den regter gelegen zou komen, hem in verhoor te nemen. De schrik had den koopman nuchter gemaakt, maar hoe meer hij over de zaak nadacht, hoe minder hij kon begrijpen, dat eenige vuistslagen een mensch het leven hadden benomen; iets, wat volstrekt zijne bedoeling niet geweest was.

Toen de regter de wacht gehoord had, liet hij het lijk van den verslagene voor zich brengen. Daarna moest de Christen koopman voorkomen, en ondervroeg men hem. Deze kon de misdaad, waarvan men hem betigtte, niet ontkennen, ofschoon hij die inderdaad niet begaan had. Daar de gebogchelde herkend werd als een' der hofnarren van den sultan achtte de regter het zijn pligt, om, eer hij den koopman ter dood deed brengen, deswege den wil van zijn' vorst te vernemen. Hij begaf zich te dien einde naar het paleis en deelde den sultan den gepleegden doodslag door den Christen koopman aan zijn' hofnar mede. De sultan, die veel van zijn' nar hield, ontstak in hevigen toorn! „Ga,” zeide hij, „en doe uw' pligt. Voor een' Christen, die een' Muzelman gedood heeft, heb ik geene genade.” Hiermede was het doodvonnis van den Christen koopman geveld. Men liet eene galg oprigten, en de omroepers door de geheele stad bekend maken, dat een Christen, die een' Muzelman gedood had, zou worden opgehangen.

Men haalde den koopman uit de gevangenis, en zette hem onder de galg, met den strop om den hals, ten toon. De beul wachtte slechts op een teeken van den regter om het vonnis te voltrekken, toen een koopman in boter buiten adem kwam aanloopen en zich een' weg door de volksmenigte baande, terwijl hij luidkeels riep: „Houd op, houd op, overhaast u niet! Deze mensch is onschuldig; ik ben de man, die den doodslag begaan heeft.” De regter deed den koopman voor zich komen, en deze verhaalde hem zeer naauwkeurig, op welke wijze hij den gebogchelde aangetroffen, met stokslagen afgemaakt, en vervolgens het lijk van den verslagene voor een' winkel geplaatst had, waar het door den Christen koopman was gevonden. „Gij zoudt dus,” vervolgde hij, „een' onschuldige doen sterven, daar hij onmogelijk een lijk kon dooden. Wat mij betreft, het is mij reeds smartelijk genoeg in mijn' toorn een' Muzelman verslagen te hebben, en wensch niet daarbij den dood op mijn geweten te laden van dezen Christen koopman, die geene misdaad heeft begaan.”

Daar de koopman alzoo zich zelven in het openbaar aanklaagde, en zijne misdaad genoeg had gestaafd, kon de regter niet wel anders doen, dan aan den Christen regt te doen wedervaren. „Laat,” zeide hij tot den scherpregter, „dien Christen gaan, en neem dezen man in zijne plaats, daar het uit zijne eigene bekentenis blijkt, dat hij de schuldige is.” De beul liet den Christen los en deed den strop om den hals van den Muzelman; doch op het oogenblik, dat hij hem wilde optrekken, drong de Joodsche doctor door tot aan den voet van de galg, verhief zijne stem en smeekte, dat men het vonnis zou opschorten, tot dat men ook hem zou gehoord hebben. Voor den regter gebragt, sprak de Jood hem aldus aan: „Gestrenge Heer! De Muzelman, dien gij wilt doen hangen, heeft niets gedaan, waardoor hij den dood verdiend heeft; ik alleen ben schuldig. Gisteren nacht kwamen twee onbekende lieden, een man en eene vrouw, aan mijne deur kloppen, en bragten mij een' zieke. Mijne dienstmeid ging zonder licht naar voren, en ontving een stuk geld, met last mij dit te geven en te verzoeken, dat ik zou afkomen om den zieke te zien. Terwijl zij mij deze boodschap overbragt, moeten zij den zieke den trap opgedragen hebben en daarna vertrokken zijn, want toen ik in haast naar beneden ging, zonder te wachten tot de meid het licht had ontstoken, schopte ik tegen iets zwaars, dat den trap afrolde, en zoo ik mij niet aan de leuning vastgegrepen had, zou ik mede gevallen zijn. Bij onderzoek bleek mij, dat ik den zieke naar beneden had geschopt, en dat hij dood was. De vrees voor de gevolgen van dit ongeval deed mijne vrouw eene list uitvinden om ons van het lijk te ontdoen. Wij bragten den doode op het plat van ons huis, en lieten het lijk in den schoorsteen van onzen buurman den koopman afzakken. Deze meende een' dief voor zich te hebben, heeft den doode op stokslagen onthaald, en verkeerde in den waan hem gedood te hebben, hetgeen echter, gelijk uit mijn verhaal blijkt, eene vergissing is. Ik alleen ben, hoewel zonder mijne schuld, de oorzaak van den dood des gebogchelden; en ik wil mijn geweten niet bezwaren met een ander voor mijne onvoorzigtigheid te laten boeten. Moet er dus een offer zijn, zoo laat dezen onschuldige gaan, en neem mij in zijne plaats.” „Dat zal geschieden,” sprak de regter, wien het misschien niet ongevallig was een' Jood in plaats van een' Muzelman, zijn' geloofsgenoot, te kunnen doen ophangen.

Reeds had de beul den Jood den strop om den hals gedaan, toen de snijder kwam aanloopen en voor den regter trad. „Heer,” sprak hij, „het scheelde weinig, of gij zoudt drie onschuldige menschen het leven hebben doen verliezen; doch indien gij zoo goed wilt zijn mij aan te hooren, zoo zal ik u de waarheid doen kennen. Moet de dood van dezen gebogchelde met het leven van iemand geboet worden, dan zal het met het mijne zijn. Gisteren avond, terwijl ik vrolijk in mijn' winkel op mijne werktafel zat te naaijen, zette de gebogchelde, in half beschonken toestand, zich bij de deur neder. Hij zong eenige vrolijke liederen, waarin ik behagen vond, en ik noodigde hem uit, den avond in mijn huis door te brengen. Hij stemde daarin toe, en ik nam hem, na mijn' winkel gesloten te hebben, mede naar mijne woning. Wij zetten ons aan tafel, waarop onder anderen een schotel met visch kwam. Hiervan at onze gast zoo gulzig, dat hem eene graat in de keel bleef zitten, en hij daarin stikte. Mijne vrouw en ik zochten hem te helpen, maar hij stierf in onze armen. Wij waren zeer ontsteld over zijn' dood, en de vrees, dat wij zouden verdacht worden daaraan schuldig te zijn, deed ons het lijk voor de deur van den Joodschen geneesheer brengen. Ik klopte aan en zeide tot de meid, die open deed, dat zij spoedig naar haren meester zou gaan, om hem te verzoeken, dat hij mogt afkomen, om naar een' zieke te zien, dien wij hadden medegebragt. Opdat wij hieraan te gereeder zouden voldoen, gaf ik haar een stuk geld, met last hem dit onmiddelijk, bij wijze van vooruitbetaling, ter hand te stellen. Zoodra de meid vertrokken was, plaatste ik het lijk op de bovenste trede van den trap en maakte mij met mijne vrouw uit de voeten. Toen de doctor den trap wilde afgaan, deed hij den gebogchelde, zoo als ik zeer goed kan begrijpen, naar beneden rollen, en hem dood vindende, moest dit hem in den waan brengen, dat de val, dien hij hem had laten doen, daarvan de oorzaak was. Daar nu de zaak zich heeft toegedragen, zoo als ik u verhaald heb, zoo laat den Jood gaan, en indien men des doods schuldig is, omdat iemand, dien men te gast heeft genoodigd, aan eene vischgraat stikt, zoo ben ik de man, die sterven moet.”

Zoowel de regter als de omstanders konden zich niet genoeg verwonderen over de vreemde gebeurtenissen, welke de dood van den gebogchelde ten gevolge had gehad. „Laat dan,” zeide de regter tot den beul, „den Jood los, en hang den snijder op, daar hij zelf zijne misdaad heeft beleden. Ik moet echter toestemmen, dat deze geschiedenis zeer buitengewoon is, en waardig met gouden letters te worden opgeschreven. Het regt moet zijn' loop hebben.” Toen dus de beul den doctor los gemaakt had, deed hij het touw om den hals van den kleêrmaker.

Terwijl nu de scherpregter aanstalten maakte om den kleêrmaker de doodstraf te doen ondergaan, was het den sultan van Cachgar ter oore gekomen, dat zich, buiten den Christen koopman, nog drie anderen hadden opgedaan, die allen verklaarden den gebogchelde gedood te hebben. Dit kwam hem zoo zonderling voor, dat hij besloot zelf onderzoek naar die zaak te doen. „Ga,” sprak hij tot een' der wachten van het paleis, „ga, in alle haast en beveel den regter, dat hij onmiddelijk de beschuldigden voor mij brenge en ook het lijk van den armen gebogchelde, dat ik nog eenmaal zien wil.” De wachter vertrok en kwam op de strafplaats aan, toen de beul het koord reeds in de hoogte trok, om den snijder op te hangen. De dienaar des sultans schreeuwde uit al zijne magt, en de beul, hem herkennende, had den moed niet met zijn werk voort te gaan; hij liet den snijder weder zakken, en maakte het touw los van zijn' hals, om hem adem te doen scheppen. De vorstelijke bode naderde nu den regter en maakte hem met den wil des sultans bekend. De regter, hieraan onmiddelijk gevolg gevende, begaf zich op weg naar het paleis, met den snijder, den Joodschen geneesheer, den Muzelman en den Christen koopman; hij liet het lijk van den gebogchelde door vier van zijne dienaren derwaarts overbrengen.

Zoodra zij voor den sultan kwamen, wierp de regter zich aan de voeten van dezen monarch, en zich weder oprigtende, deelde hij hem alles mede wat met den gebogchelde na diens dood had plaats gehad. De sultan vond dit zoo merkwaardig, dat hij zijn' bijzonderen geschiedschrijver last gaf, alles naauwkeurig te boek te stellen; en zich vervolgens tot al de aanwezenden rigtende, zeide hij: „Heeft wel iemand uwer ooit iets zonderlinger gehoord?” De Christen koopman, zich met het voorhoofd ter aarde buigende, nam toen het woord. „Magtige monarch!” zeide hij, „mij is eene geschiedenis bekend, nog wonderlijker, dan die van uw' hofnar; indien uwe majesteit mij daartoe verlof geeft, zal ik de eer hebben, haar die te verhalen. De daarin voorkomende gebeurtenissen zijn van dien aard, dat niemand ze kan aanhooren, zonder er door getroffen te worden.” De sultan stemde in zijn verzoek toe, en de koopman ving aldus aan.

GESCHIEDENIS, VERHAALD DOOR DEN CHRISTEN KOOPMAN.

„Sire! alvorens een' aanvang te maken met het verhaal, dat uwe majesteit mij veroorlooft haar mede te deelen, moet ik doen opmerken, dat ik de eer niet heb in dit rijk geboren te zijn. Ik ben een vreemdeling, geboortig van Caïro in Egypte, een Copt en belijder van de Christelijke godsdienst. Mijn vader was makelaar en liet mij bij zijn overlijden een aanzienlijk vermogen na. Ik volgde hem op in zijn beroep. Op zekeren dag, dat ik mij te Caïro in eene herberg bevond, waar de graanhandelaars zich gewoonlijk verzamelden, kwam een jonge koopman, wel gekleed en van een zeer gunstig voorkomen, naar mij toe. Hij groette mij zeer beleefd, en zijn zakdoek openende, waarin hij een monster Turksch koren had, zeide hij: „Hoeveel geldt de groote maat Turksch koren van dezelfde soort, als gij hier ziet?”

Ik bezag het monster, dat de jonge koopman mij toonde, en gaf ten antwoord, dat het volgens marktprijs en tegen kontant geld, honderd zilveren drachmen kon opbrengen. „Zie,” zeide hij, „of gij kooplieden kunt vinden, die er dien prijs voor willen besteden, en geef er mij kennis van; ik ben gehuisvest in de khan bij de poort der Overwinning.” Dit gezegd hebbende, vertrok hij, na mij het monster Turksch koren gegeven te hebben, dat ik nu aan onderscheidene kooplieden liet zien. Allen zeiden, dat zij er zooveel van wilden nemen, als ik hun leveren kon, de groote maat tegen honderd en tien drachmen. Er schoot dus voor mij, behalve mijn makelaarsloon, tien drachmen per maat over. Aangelokt door dit aanzienlijk voordeel, begaf ik mij onmiddelijk naar de khan bij de poort der Overwinning, en ik trof daar ook den jongen koopman aan. Hij bragt mij in zijn pakhuis, dat tot aan de zoldering met Turksch koren was opgevuld. Er waren honderd vijftig groote maten, die ik op ezels liet laden en voor vijftien duizend drachmen zilver verkocht. „Van die som,” zeide de jonge koopman, toen ik hem het geld bragt, „sta ik u honderd vijftig drachmen als makelaarsloon toe; en wat het overige geld aangaat, ik heb dat thans niet noodig, wees dus zoo goed het te behouden, tot dat ik het u zal opvragen.” Ik antwoordde hem, dat het geld steeds ter zijner beschikking zou zijn. Wij scheiden met een' handgroet, en ik verliet hem zeer voldaan over het vertrouwen, dat hij in mij stelde.

Gedurende eene maand hoorde ik niets van den jongen koopman, doch na verloop van dien tijd, kwam hij mij in mijne woning opzoeken. „Waar zijn,” vraagde hij, „mijne veertien duizend acht honderd en vijftig drachmen, die gij nog in bewaring hebt?” „Zij zijn ter uwer beschikking,” antwoordde ik, „en ik zal ze u oogenblikkelijk ter hand stellen.” Daar hij op zijn' ezel zat, verzocht ik hem af te stijgen, en het middagmaal bij mij te gebruiken. „Neen,” zeide hij, „ik kan van uwe vriendelijke uitnoodiging dit maal geen gebruik maken; ik heb hier in den omtrek nog eene belangrijke zaak te verrigten. Bij mijne terugkomst zal ik mijn geld halen; wees zoo goed het gereed te houden.” Dit gezegd hebbende, groette hij mij en reed heen.

Ik wachtte hem gedurende eenige dagen, doch er verliep weder eene maand, vóór dat ik hem terug zag. Ook nu weigerde hij zijn geld mede te nemen, en liet dit steeds onder mijne berusting blijven. „Zie daar,” dacht ik, „een jonge koopman, die al heel veel vertrouwen in mij stelt, daar hij zulk eene aanzienlijke som voortdurend in mijne handen laat, zonder mij te kennen. Een ander zou zoo niet handelen, maar bevreesd zijn, dat ik met zijn geld op den loop mogt gaan. Die jonge man moet wel schatrijk zijn, of hij handelt zeer onvoorzigtig; en als hij dit ook met andere zaken doet, zal hij meermalen bedrogen uitkomen.”

Den volgenden keer kwam hij eerst na de derde maand terug. Hij zat weder op zijn' ezel, maar was veel prachtiger gekleed, dan de vorige malen. Toen ik den jongen koopman zag aankomen, ging ik hem te gemoet, verzocht hem weder af te stijgen, en vraagde hem of hij niet begeerde, dat ik hem zijn geld zou ter hand stellen. „Daar is geen haast bij,” antwoordde hij met een blij en tevreden gelaat, „ik weet immers, dat het in goede handen is; ik zal het komen halen, als ik alles doorgebragt heb, wat ik bezit, en mij dus niets anders meer overblijft. Wees gegroet,” vervolgde hij, „en wacht mij in de aanstaande week.” Dit zeggende, gaf hij den ezel een slag met zijne rijzweep, en was weldra uit mijn gezigt. „Wel is waar,” overlegde ik bij mij zelven, „hij zegt, dat ik hem in de volgende week verwachten moet, maar uit zijn overig praten zou men opmaken, dat er wel een jaar kan voorbijgaan, eer ik hem wederzie. Ik zal inmiddels zijn geld uitzetten of er handel mede drijven; dat kan mij een aardig voordeel opleveren.”

Ik had mij niet vergist; het jaar ging voorbij, zonder dat de jonge koopman iets van zich liet hooren. Eindelijk verscheen hij, even rijk gekleed als de laatste maal, maar ik meende een' droefgeestigen trek op zijn gelaat te bemerken. Ik vroeg hem weder mij de eer te bewijzen binnen te komen. „Dat wil ik ditmaal wel doen,” antwoordde hij, „doch onder beding, dat gij om mij volstrekt geene kosten maakt.” „Ik zal in alles naar uw verlangen handelen,” hernam ik, „bewijs mij alleen de gunst het bij mij voor lief te nemen.” Hij steeg nu af en trad bij mij binnen. Ik liet zijn' ezel op stal brengen, en gaf last den maaltijd gereed te maken. In afwachting daarvan, spraken wij over handelszaken, zonder dat hij zich echter uitliet, of het hem sedert onze laatste ontmoeting voor- of nadeelig was gegaan. Toen de spijzen waren opgedragen, zetten wij ons aan tafel. Reeds bij het eerste, dat hij in den mond stak, merkte ik op, dat hij met de linkerhand at, en zich in het geheel niet van de regter bediende. Dat verwonderde mij zeer, en ik wist niet, wat ik er van denken moest. Zoo lang ik hem kende, had hij zich steeds als een wellevend en hoogst beschaafd jong mensch gedragen; handelde hij thans tegen alle regels der welvoegelijkheid uit minachting voor mij? Of om welke andere reden bediende hij zich niet van zijne regterhand? Zulks bleef mij duister.

Nadat de spijzen afgenomen en de bedienden vertrokken waren, gingen wij op de sofa zitten, en ik bood hem een glas met fijne likeur aan. Hij nam dit, maar wederom met de linkerhand. „Heer,” zeide ik toen, „vergeef mij de vrijheid, die ik mij veroorloof, maar mag ik vragen, waarom gij u niet bedient van uwe regterhand; waarschijnlijk is die gekwetst.” In plaats van mij te antwoorden, loosde hij een' zwaren zucht, en zijn' regterarm van onder zijn opperkleed te voorschijn brengende, liet hij mij zien, dat daaraan de hand ontbrak, waarover ik zeer ontstelde. „Gij hebt het zeker euvel opgenomen,” zeide hij, „dat ik mij aan den maaltijd van de linkerhand bediende; maar oordeel nu, of ik anders heb kunnen handelen.” „Mag ik vragen,” hernam ik, „door welk ongeluk gij uwe regterhand verloren hebt?” Op deze vraag barstte hij in tranen uit, en verhaalde hij mij zijne geschiedenis, gelijk ik de eer zal hebben, die aan uwe majesteit mede te deelen.

„Gij moet weten,” zoo ving hij aan, „dat ik geboortig ben van Bagdad, en de eenige zoon van een schatrijken vader, die in die gansche stad om zijne deugden en zijn' rang geacht werd. Naauwelijks was ik de wereld ingetreden, of ik kwam in kennis met kooplieden, die veel gereisd hadden, en die mij van Egypte, vooral van het wereldberoemde Caïro, bijzonderheden verhaalden, welke mij lust inboezemden eene reis derwaarts te doen; doch mijn vader was nog in leven en ik had den moed niet, hem daartoe het voorstel te doen. Kort daarop had ik het ongeluk hem te verliezen, en nu meester over mijne daden, besloot ik aan mijn verlangen te voldoen en naar Caïro te gaan. Ik besteedde te Bagdad en te Moussoul eene groote som aan fijne stoffen, en begaf mij op weg.

Bij mijne aankomst te Caïro nam ik mijn' intrek in de karavanserij, welke den naam draagt van de khan van Masroun. Ik huurde aldaar eene vrije kamer en een pakhuis, om daarin mijne waren op te slaan, die ik op kameelen had mede gebragt. Toen ik dit bezorgd had, ging ik naar mijne kamer, om van de vermoeijenissen der reis uit te rusten, terwijl mijne bedienden, aan wie ik geld had gegeven, levensmiddelen kochten en den maaltijd toebereidden. Na het eten, ging ik het kasteel, eenige moskeën, en andere openbare gebouwen bezigtigen. Den volgenden morgen kleedde ik mij zorgvuldig, en zocht eenige stukken zeer schoone en rijke stoffen uit mijn' voorraad, om daarmede naar den berestein(1) te gaan en te zien, wat men er mij voor bieden zou. Ik deed die stoffen door eenige mijner slaven dragen, en begaf mij naar den berestein der Circassiers. Ik zag mij weldra omringd door eene menigte makelaars, die reeds berigt van mijne aankomst hadden ontvangen. Ik verdeelde de monsters van mijne stoffen onder hen, en zij maakten er dadelijk werk van om ze aan den man te brengen, maar niet één koopman op den berestein wilde er zoo veel voor bieden, als zij mij bij inkoop gekost hadden. Dit verdroot mij, en daar ik mijn ongenoegen aan de makelaars liet blijken, zeiden zij tot mij: „Wij kunnen de kooplieden niet dwingen, maar indien gij ons wilt vertrouwen, zullen wij u een middel aan de hand doen, waardoor gij op uwe stoffen niets zult behoeven te verliezen.”

Ik vraagde hun,” vervolgde de jonge koopman, „waarin dat middel bestond? „Verdeel,” zeiden zij, „uwe waren onder verscheidene kooplieden, opdat zij die in het klein voor u uitverkoopen; gij kunt dan twee malen per week, Maandags en Donderdags, zoo als hier gebruikelijk is, uw geld ophalen voor hetgeen zij verkocht zullen hebben. Op die wijze hebt gij winst in stede van verlies te verwachten, en de kooplieden zullen ook iets verdienen, terwijl gij er uw vermaak van kunt nemen, en de stad en omstreken bezigtigen.”

Ik besloot hun' raad te volgen, en nam hen mede naar mijn pakhuis, liet al mijne waren er uitdragen en naar den berestein vervoeren, waar ik ze verdeelde onder verscheidene kooplieden, welke zij mij als vertrouwde lieden aanwezen, en die mij een bewijs van ontvangst gaven, door getuigen onderteekend, intusschen op voorwaarde, dat ik hun de eerste maand niet om geld zou vragen.

Mijne zaken dus geregeld hebbende, was ik op niets anders bedacht, dan om mijn vermaak te zoeken. Ik knoopte vriendschap aan met onderscheidene jonge lieden van mijne jaren, die zorg droegen, dat ik den tijd genoegelijk doorbragt. Toen de eerste maand verstreken was, ging ik mijne kooplieden tweemaal in de week bezoeken, vergezeld door een' openbaar beambte, die hunne boeken nazag, en door een' wisselaar, die over de deugd en de waarde van de munt, waarmede men mij betaalde, moest oordeelen. Reeds op den eersten betaaldag, kwam ik met eene goed gevulde beurs in de khan van Mousroun terug. Op de overige dagen van de week, bragt ik van tijd tot tijd bij dezen en genen koopman een morgenbezoek, en vond er vermaak in, mij met hen te onderhouden en gade te slaan, wat er op den berestein zoo al omging.

Op zekeren dag, dat ik den winkel bezag van een' koopman, die zich Bredradan noemde, trad eene dame, naar het uiterlijk aanzien van hoogen stand, zijn magazijn binnen, en zette zich in mijne nabijheid neder. Zij was rijk en met smaak gekleed, en ook de slavin, die haar vergezelde, was kostbaar uitgedost. Dit uiterlijk, gepaard met eene natuurlijke bevalligheid, die in elke harer bewegingen doorstraalde, nam mij dadelijk voor haar in, en deed den wensch bij mij ontstaan, nader met haar bekend te worden. Ik wist niet zeker, of zij het bemerkte, dat ik haar met buitengewoone belangstelling gadesloeg, en of haar dit niet ongevallig was; maar zij hief het krip op, dat voor den mousselinen sluijer hing, die haar gelaat bedekte, en liet mij een paar groote zwarte oogen zien, door wier glans ik als betooverd werd(2). In één woord, die oogen, hare liefelijke stem en hare bevallige manieren, dit alles maakte mij smoorlijk verliefd.

Zij scheen den koopman goed te kennen, want, nadat zij hem gegroet had, vraagde zij naar zijne gezondheid, sedert zij hem het laatst gezien had, en onderhield zich eenigen tijd met hem over onverschillige zaken. Eindelijk gaf zij te kennen, dat zij eene stof zocht met een' grond van gouddraad, en zeide, dat zij meende, die wel bij hem te zullen vinden, daar zijn winkel het best voorzien was van allen op den geheelen berestein. Bredradan liet haar onderscheidene stukken zien, en tot eene van die bepaalde zich hare keus. Zij vraagde hem naar den prijs, en hij liet haar dat stuk voor elf honderd drachmen zilver. „Met dien prijs neem ik genoegen,” zeide zij, „maar ik heb geen geld bij mij. Ik denk echter, dat gij mij wel crediet zult verleenen tot morgen, en mij het stuk toevertrouwen; ik beloof u, dat ik u de elf honderd drachmen morgen zal zenden.” „Mejufvrouw,” gaf Bredradan ten antwoord, „ik heb alle vertrouwen in u, en zou u gaarne deze stof afstaan, indien die mijn eigendom ware, maar zij behoort aan dezen jongen koopman, en het is heden de dag, waarop ik met hem moet afrekenen.” „Wel!” hernam de dame, ten hoogste verbaasd, „hoe komt het, dat gij heden zoo met mij handelt? Ben ik niet gewoon uw' winkel te bezoeken en heb ik niet dikwijls bij u gekocht, zonder dadelijk te betalen? Kunt gij mij verwijten, dat ik ooit achterlijk ben gebleven mijne belofte na te komen en u het geld den volgenden dag te zenden?” „Dat is alles waar, dame!” hernam hij, „maar ik ben heden om geld verlegen.” „Welnu,” zeide zij, hem het stuk toewerpende, „zie daar dan uwe stof. Maar dat Allah u verdelge, u en al wat koopman heet. Gij zijt allen met het zelfde water overgoten, en weet iemand de achting niet te bewijzen, die hem toekomt.” Dit zeggende, stond zij driftig op en verliet in hevigen toorn den winkel.

Toen ik zag,” vervolgde de jonge koopman, „dat de dame heen ging, bespeurde ik, dat mijn hart voor haar pleitte; ik riep haar terug. „Mejuffrouw!” zeide ik op beleefden toon, „bewijs mij de gunst nog een oogenblik te blijven, misschien ken ik het middel om u beiden tevreden te stellen.” Zij kwam terug, verklarende, dit alleen te doen uit achting voor mij. „Heer Bredradan!” zeide ik nu tot den koopman, „voor hoeveel zegt gij, dat gij deze stof, welke mij toebehoort, wilt verkoopen?” „Voor elf honderd drachmen zilver,” antwoordde hij, „ik kan ze niet minder geven.” „Lever ze dan aan deze dame,” hernam ik, „en laat haar ze vrij mede nemen. Ik zal u honderd drachmen voordeel geven en een bewijs, dat gij dat stuk met mij verrekend hebt.” Hierin nam hij gaarne genoegen, en ik haastte mij de dame de stof aan te bieden. „Gij kunt die mede nemen, dame!” zeide ik, „en wat het geld betreft, dit kunt gij morgen of op een' anderen dag zenden, of, zoo ik u niet beleedig, veroorloof mij dan, u deze stof ten geschenke aan te bieden.” „Dat is mijne bedoeling niet,” antwoordde zij, „maar gij zijt zoo verpligtend jegens mij, dat ik u daarvoor gaarne mijne erkentenis betuig. Dat Allah er u voor beloone; hij vermeerdere uwe goederen, schenke u een lang leven, en ontsluite u na uw' dood de poort van het paradijs. Moge de stad gewagen van uwe edelmoedigheid!”

Deze woorden maakten mij stoutmoedig. „Mejufvrouw!” sprak ik tot haar, „laat mij, tot loon voor het genoegen, dat ik u verschaft heb, uw gelaat zien, en ik zal met woeker betaald zijn.” Zich nu tot mij keerende, hief zij den sluijer op, die haar gezigt bedekte, en liet mij een gelaat aanschouwen, dat mij in verrukking bragt. Ik werd er zoo door getroffen, dat ik geene woorden kon vinden om haar mijne gedachten te kennen te geven. Nimmer zou ik moede geworden zijn haar aan te staren; maar zij liet spoedig haren sluijer weder vallen, ten einde niet door anderen te worden opgemerkt. Zij gaf nu de stof aan hare slavin, en verliet den winkel, waar zij mij in eene geheel andere gemoedsgesteldheid achterliet, dan die, waarin ik daar gekomen was. Gedurende een' geruimen tijd verkeerde ik in eene vreemde verwarring, en vóór ik heen ging, vroeg ik aan den koopman, of hij die dame kende? „Ja,” antwoordde hij, „zij is de dochter van een' emir, die haar een ontzaggelijk vermogen heeft nagelaten.”

Toen ik in de khan van Masroun terugkwam, maakten mijne lieden het avondmaal gereed; maar ik gebruikte er niets van. Gedurende den nacht kon ik den slaap niet vatten. Die nacht scheen mij toe eene eeuwigheid te zijn, en zoodra het dag werd, stond ik op, in de hoop, het voorwerp, dat mijne rust verstoorde, te zullen wederzien. Ik kleedde mij nog prachtiger dan den vorigen dag, en toen het eenigzins gevoegelijk kon geschieden, ging ik naar den winkel van Bredradan.

Ik was daar nog niet lang, of ik zag de dame aankomen, gevolgd door hare slavin, en nog rijker gekleed dan den vorigen dag. Zij verwaardigde zich niet den koopman aan te zien, maar zich terstond tot mij wendende, zeide zij: „Gij ziet, dat ik mijn woord houd. Ik kom alleen hier, om u het geld te brengen, waarvoor gij, zonder mij te kennen, borg zijt gebleven; eene grootmoedigheid, die ik nimmer zal vergeten.” „Mejufvrouw!” gaf ik ten antwoord, „ik had geen vrees voor mijn geld en het doet mij leed, dat gij u daarmede zoo gehaast hebt.” „Het zou niet billijk zijn,” hernam zij, „indien ik van uwe goedheid misbruik hadde gemaakt.” Dit zeggende, stelde zij mij het geld ter hand, en zette zich bij mij neder.

Illustration from Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel

Geschiedenis verhaald door den Christen Koopman. Dl. III, pag. 21.

Ik maakte van deze gunstige gelegenheid gebruik, om haar de gevoelens te doen kennen, die zij mij had ingeboezemd; doch, zoodra het woord liefde over mijne lippen kwam, stond zij op, en ging heen zonder mij te groeten, even als of zij zich beleedigd achtte door de verklaring, welke ik haar gedaan had. Ik volgde haar met de oogen, zoo lang ik kon, en daarop den koopman groetende, verliet ik zijn' winkel en den berestein, zonder zelfs te weten, waarheen ik ging. Droomend voortgaande, voelde ik, dat iemand mij aan de kleederen trok. Ik wendde mij om, en zag tot mijne groote blijdschap voor mij de slavin van haar, die mijne gedachten geheel bezig hield. „Mijne meesteres,” zeide de slavin, „de jonge dame, met wie gij zoo even in den winkel gesproken hebt, wilde u nog iets zeggen. Heb dus de goedheid mij te volgen.” Ik deed dit, en zij bragt mij bij een' wisselaar, waar hare meesteres op mij wachtte.

Zij deed mij aan hare zijde plaats nemen. „Mijn waarde Heer!” zeide zij, „laat het u niet bevreemden, dat ik u eenigzins overhaast verlaten heb. Ik vond het niet goed, in tegenwoordigheid van dien onwellevenden koopman een gunstig antwoord te geven op uwe vertrouwelijke mededeeling van de teedere gevoelens, die ik u heb ingeboezemd. Doch, in plaats van mij daardoor beleedigd te achten, heb ik u met genoegen aangehoord, en ik beschouw het als een geluk, een' jongen man van uwe verdiensten tot minnaar te hebben. Ik weet niet, welken indruk ik bij het eerste gezigt op u maakte; doch dit kan ik u verzekeren, zoodra ik u zag, hadt gij mijne genegenheid gewonnen. Sedert gisteren heb ik slechts aan u gedacht, en dat ik dezen morgen zelve kwam om mijne schuld af te doen, is wel een sterk bewijs, dat uw persoon mij niet mishaagt.” „Mejufvrouw!” hernam ik, buiten mij zelven van liefde en van blijdschap, „gij zoudt mij niets aangenamers kunnen zeggen. Niemand kan u meer beminnen dan ik. Van het eerste oogenblik af dat ik u zag, werden mijne oogen verblind door uwe bekoorlijkheden, en mijn hart gaf zich over zonder wederstand te bieden.” „Laat ons,” viel zij mij in de rede, „den tijd niet met nuttelooze woorden verkwisten; ik ben overtuigd van de opregtheid uwer liefde, en gij kunt het van de mijne zijn. Wilt gij mij de eer aandoen ten mijnent te komen? Of wenscht gij, dat ik bij u kom?” „Mejufvrouw!” antwoordde ik, „ik ben hier vreemdeling en houd mijn verblijf in eene khan, die de plaats niet is om eene dame van uwen rang te ontvangen. Het is dus beter, dat gij mij uwe woning opgeeft, en dat ik u daar kom bezoeken.” De dame stemde dit toe. „Overmorgen,” zeide zij, „is het Vrijdag, kom dan des namiddags bij mij. Ik woon in de straat der boetvaardigen; gij hebt slechts te vragen naar het huis van den voormaligen opperste der emirs, Abandi Schamma, en ieder zal u teregt wijzen.” Hierop namen wij afscheid, en ik bragt den volgenden dag in het grootste ongeduld door.

Des Vrijdags stond ik zeer vroeg op, deed mijn beste kleed aan, en stak eene beurs met vijftig goudstukken bij mij. Zoodra het middag was, klom ik op den ezel, dien ik reeds daags te voren besproken had, en vertrok, vergezeld door den eigenaar van dat dier. Toen wij in de straat der boetvaardigen kwamen, zeide ik tot den ezelverhuurder, dat hij naar de woning zou vragen, welke ik hem noemde. Men wees hem die, en hij bragt er mij heen. Ik steeg voor de deur af, gaf hem een goed drinkgeld en zeide, dat hij naauwkeurig acht moest geven op het huis, waar hij mij gebragt had, en niet nalaten mij den volgenden morgen te komen afhalen, om mij naar de khan van Masroun terug te brengen.

Ik klopte aan de poort, en kleine slavinnen, zoo blank als sneeuw, openden de deur. „Kom binnen, Heer!” zeiden zij, „onze meesteres wacht u met ongeduld. Sedert twee dagen heeft zij niet opgehouden over u te spreken.” Ik trad den voorhof binnen, en zag daar een groot paviljoen, waarheen men met zeven trappen opging, en dat door een traliewerk gescheiden werd van een' heerlijken tuin. Behalve de boomen, die alleen dienden om schaduw te geven, waren er een oneindig aantal vruchtboomen, met rijp fruit beladen. Ik werd verrukt door het liefelijk gezang van honderden vogels, die in kooijen van zilverdraad aan de takken der boomen hingen. In het midden van den tuin was eene fontein, die in eene vierkante marmeren kom stond, op welker hoeken vier vergulde draken geplaatst waren, die uit hunnen muil water uitwierpen, nog helderder dan kristal. Reeds deze prachtige hof gaf mij een hoog denkbeeld van den rang en van het vermogen der dame, wier hart ik veroverd had. De beide kleine slavinnen deden mij nu in eene prachtig gemeubelde zaal gaan, en terwijl de eene heen ging om hare meesteres van mijne komst te verwittigen, bleef de andere bij mij, en deed mij al het schoone van de zaal opmerken.

Ik behoefde echter niet lang te wachten of de dame, welke ik beminde, verscheen. De paarlen en diamanten, welke zij droeg, moesten achterstaan bij den glans harer oogen. Hare ranke gestalte, thans achter geen' nijdigen sluijer verborgen, scheen mij de schoonste ter wereld. Ik zal niet spreken van de vreugde, die ons bezielde, toen wij elkander wederzagen; ik zou u daarvan slechts een zeer flaauw denkbeeld kunnen geven. Ik zeg u alleen, dat wij ons na den eersten welkomstgroet op eene sofa plaatsten, en dat de tijd onder een aangenaam gesprek en de teederste liefkozingen voorbij scheen te vliegen. Eindelijk zetten wij ons aan eene tafel, die met de uitgezochtste spijzen, de fijnste wijnen en de heerlijkste vruchten overladen was. Wij aten en dronken bij het geluid van muzijk-instrumenten, welke de slavinnen met hare stemmen begeleidden. Ook mijne beminde zong een lied, zoo teeder en schoon, dat ik er geheel door betooverd werd. Zoo bragten wij den nacht met allerlei genoegens door.

Den volgenden morgen nam ik afscheid van mijne beminde, na behendig mijne beurs met vijftig goudstukken onder haar sofa-kussen gelegd te hebben, zonder dat zij daarvan iets bemerkte. Zij vraagde mij, wanneer ik dacht terug te komen. „Dierbare!” antwoordde ik, „indien het mij vrij staat, nog dezen avond.” Zij scheen verrukt over mijn antwoord, deed mij uitgeleide tot aan de deur, en toen wij scheidden, herinnerde zij mij op den teedersten toon nog aan mijne belofte. De zelfde man, die mij daar gebragt had, wachtte met zijn' ezel. Ik steeg op, en kwam in de kahn van Masroun terug, zoo gelukkig, als iemand slechts zijn kan. Toen ik den eigenaar van den ezel liet gaan, betaalde ik hem, ten einde te zekerder te zijn, dat hij dien middag op het bepaalde uur terug zou komen, om mij af te halen.

Zoodra ik in mijne herberg terug kwam, was mijne eerste zorg een lam en vele soorten van wildbraad te laten koopen, dat ik door een' drager aan het huis deed brengen van mijne beminde. Vervolgens hield ik mij met mijne zaken bezig, tot dat de man met den ezel voorkwam. Wij vertrokken onmiddelijk, en de dame ontving mij zoo mogelijk met nog meer liefde en blijdschap dan den vorigen dag. Zij onthaalde mij ook niet minder voortreffelijk, en toen ik haar den volgenden morgen verliet, verzuimde ik niet weder eene beurs met vijftig goudstukken achter te laten.

Ik ging voort,” vervolgde de jonge koopman, „mijne minnares dagelijks te bezoeken, en elken morgen liet ik haar eene beurs met vijftig goudstukken. Dit duurde zoo lang, tot dat de kooplieden, aan welke ik mijne stoffen ten verkoop had gegeven, en van wie ik getrouw twee malen per week mijn geld ontving, mij niets meer schuldig waren. Toen bevond ik mij eindelijk zonder geld, en wist niet, hoe dat te krijgen. Bijna wanhopig verliet ik de khan en dwaalde zonder eenig bepaald doel rond, tot dat ik bij het kasteel kwam. Hier zag ik eene groote menigte menschen bijeen, en ik vernam dat de sultan van Egypte een schouwspel zou geven. Ik voegde mij bij de menigte, en het toeval wilde dat ik in de nabijheid van een ruiter te staan kwam, die zeer smaakvol was uitgedost, en die aan den knop van zijn' zadel een' half geopenden zak had, waaruit een zijden koordje hing. Toen ik mijne hand, als bij toeval, op den zak liet rusten, kwam het mij voor, dat dit koordje tot eene beurs behoorde, die zich daarin bevond. Terwijl ik hierover nadacht, kwam er aan de andere zijde van den ruiter een houtdrager voorbij, die eene zware vracht op zijn hoofd droeg, dit noopte mijn buurman zich met het gelaat naar hem toe te keeren, ten einde zijn' rijmantel niet aan het hout haken en scheuren zou. Nu werd ik door den booze verzocht; ik nam het koordje in de eene hand, en met de andere den zak open houdende, trok ik er de beurs uit, zonder dat dit door een' der omstanders bemerkt werd. Zij was vrij zwaar, en ik twijfelde niet of er was goudgeld in.

Toen echter de drager voorbij was, voelde de ruiter, die misschien eenige verdenking op mij had, terstond in de zak, en de beurs missende, gaf hij mij, zonder een woord te spreken, een' zoo hevigen slag met zijne strijdbijl, dat ik op den grond viel. Allen, die deze daad van geweld zagen, waren er over verontwaardigd. Sommigen grepen zijn paard bij den teugel en vraagden hem, waarom hij mij had geslagen, en of het geoorloofd was een' Muzelman dus te mishandelen. „Waar bemoeit gij u mede,” sprak de ruiter barsch, „ik heb niet zonder reden dus gehandeld, hij is een dief.” Bij deze woorden rigtte ik mij op, en mijn gunstig voorkomen gaf aanleiding, dat ieder mijne partij koos, en dat men hem voor een' leugenaar hield, daar men niet gelooven wilde, dat een jongman van zulk een fatsoenlijk uiterlijk zich aan eene zoo slechte daad zou schuldig maken. Wat de ruiter mogt inbrengen, zij beweerden, dat ik onschuldig was, en zij hielden zijn paard tegen, ten einde mij gelegenheid te geven om heen te gaan. Doch tot mijn ongeluk kwamen juist politie-beambten voorbij, en een' hoop volk om den ruiter en mij verzameld ziende, naderden zij, en vraagden wat er gaande was. Er ging slechts ééne stem op ter beschuldiging van mijn' tegenstander, omdat hij mij had mishandeld, onder voorwendsel van hem bestolen te hebben.

De politie-dienaren stoorden zich echter aan dit geschreeuw niet; zij vraagden den ruiter, of hij niemand anders dan mij verdacht. „Neen,” hernam hij, en gaf de redenen op, waarom hij juist mij voor den dief hield. Het hoofd der politiewacht beval nu mij te grijpen en te onderzoeken. Men deed gelijk hij bevolen had, en vond bij mij de beurs, die men aan het volk toonde. Ik stierf bijna van schaamte, en viel in zwijm. Het hoofd der wacht liet zich vervolgens de beurs brengen, en vraagde aan den ruiter, of hij deze voor de zijne erkende, en hoeveel geld er in moest zijn. Deze zag dadelijk dat het zijne beurs was, en verzekerde dat er twintig sequinen in waren.—Een regter opende de beurs, en daar hij er werkelijk twintig sequinen in vond, gaf hij een en ander aan den eigenaar terug. Daarop deed hij mij voor zich brengen. „Jongman!” sprak hij, „beken de waarheid; hebt gij deze beurs aan den eigenaar ontnomen! Wacht niet, tot dat ik u door de pijnbank tot bekentenis van uw misdrijf moet brengen.” Toen de oogen neêrslaande, zeide ik bij mij zelven: „Zoo ik ontken, dan zal de beurs, die bij mij is gevonden, tegen mij getuigen, en ik een leugenaar zijn.” Om nu eene dubbele straf te ontgaan, rigtte ik het hoofd op, en beleed mijn misdrijf. Naauwelijks had ik deze bekentenis afgelegd, of de regter gaf last, dat men mij de regterhand, waarmede de misdaad bedreven was, zou afkappen. Dit vonnis werd op staanden voet volbragt, en maakte het mededoogen der toeschouwers, zelfs dat van den ruiter, gaande. De regter wilde mij ook nog een' voet doen afhakken, maar ik bad den ruiter genade voor mij te vragen; hij deed dit, en kreeg die.

Toen de wacht vertrokken was, naderde mij de bestolene. „Ik zie wel,” zeide hij, mij de beurs aanbiedende, „dat het de nood is, die u eene daad heeft doen bedrijven, zoo schandelijk en zoo onwaardig voor een jongmensch van uw voorkomen. Zie hier de noodlottige beurs, ik schenk ze u, en ik zou wenschen dat ik u ook uwe hand kon wedergeven.” Dit gezegd hebbende, verliet hij mij, en daar het bloedverlies mij zeer verzwakt had, namen eenige barmhartige lieden, die in de nabijheid woonden, mij in huis op, en gaven mij een glas wijn te drinken. Zij verbonden ook mijnen arm, en deden mijne afgekapte hand in een' linnen doek, dien zij aan mijnen gordel vastmaakten, opdat ik die zou kunnen medenemen.

Ondertusschen wist ik niet, waarheen ik mij in dezen toestand zou wenden; in de khan van Masrour kon ik de oppassing, waaraan ik behoefte had, niet verwachten, en bij mijne minnares durfde ik ook niet gaan. „Als zij met mijne schande bekend is,” dacht ik, „zal zij mij niet meer willen kennen.” Echter trok mijn hart mij derwaarts; ik besloot tot haar te gaan en moest het zijn, door haar veracht, te sterven. Ten einde mij van de volksmenigte te ontslaan, ging ik door verscheidene afgelegen straten en stegen, en zoo kwam ik, na een' langen weg afgelegd te hebben, eindelijk aan het huis van de dochter des emirs. Ik was zoo verzwakt en afgemat, dat ik dadelijk op eene sofa nederzeeg. Mijn' regterarm hield ik onder mijn opperkleed verborgen, en droeg wel zorg dien niet te laten zien. Naauwelijks had mijne beminde vernomen, dat ik in haar huis was en mij ongesteld bevond, of zij ijlde naar mij toe, en ziende, dat mijn gelaat bleek en geheel ontdaan was, zeide zij: „Mijn waarde vriend, in welk een' toestand zie ik u! Ik bid u, zeg mij toch wat u deert?” „Zware hoofdpijn,” gaf ik ten antwoord, de ware oorzaak van mijne ongesteldheid verbergende. „Ziedaar wat mij kwelt en allen lust beneemt.” Zij scheen hierover zeer bedroefd te zijn. „Ga toch weêr zitten,” hernam zij, „en zeg mij hoe gij die hoofdpijn hebt gekregen. De laatste keer, dat ik het genoegen had u bij mij te zien, waart gij nog zoo wel. Er heeft zeker iets plaats gehad, dat gij voor mij tracht te verbergen, zeg het mij vrij uit.” Ik zweeg hierop, en in plaats van te antwoorden, vloeiden de tranen mij uit de oogen. „Ik begrijp niet,” zeide zij, „wat u zoo kan bedroeven, heb ik daartoe misschien onwetend reden gegeven? En komt gij thans hier om mij te zeggen, dat gij mij niet meer bemint.” „Dat volstrekt niet,” hernam ik, zwaar zuchtende, „uwe ongegronde verdenking verhoogt integendeel mijne smart.”

Ik kon niet over mij verkrijgen, haar de ware oorzaak mijner droefheid te verklaren. Toen het avondeten werd opgedischt, verzocht zij, dat ik mij aan tafel zou zetten, doch daar ik alleen de linkerhand tot mijn gebruik had, verontschuldigde ik mij, voorgevende dat ik volstrekt geenen eetlust gevoelde. „Gij zoudt daarover niet te klagen hebben,” zeide zij, „indien gij mij mededeeldet hetgeen gij met zooveel halstarrigheid voor mij verbergt. Dat gij geen eetlust hebt, spruit ongetwijfeld nergens anders uit voort, dan uit de moeite die het u kost openhartig te zijn.” „Helaas!” hernam ik, „ik zal daartoe wel moeten besluiten!” Deze woorden had ik naauwelijks nog gesproken, of zij schonk mij in, en zeide: „Neem dezen beker en drink; dat zal u moed geven.”

Toen ik den beker met de linkerhand had aangenomen,” vervolgde de jonge man, „verdubbelde mijn schreijen en zuchten. „Wat doet u toch zoo droevig weenen en klagen,” zeide mijne beminde tot mij, „en waarom neemt gij den beker met uwe linker- en niet met uwe regterhand?” „Ach!” riep ik, „ik bid u mij te verontschuldigen; ik heb aan mijne regterhand een zeer pijnlijk gezwel.” „Laat mij dat gezwel eens zien,” hernam zij, „opdat ik het doorsteke; dat zal de pijn verligten.” Ik verschoonde mij daarvan, voorgevende dat het gezwel daartoe nog niet rijp was, en ik dronk den beker, die zoo groot was, in eene teug ledig. De wijn deed in den zwakken toestand, waarin ik mij bevond, weldra zijne werking; ik werd er door bedwelmd en viel in eenen vasten slaap, die tot aan den morgenstond voortduurde.

Mijne beminde, die weten wilde, wat ik aan mijne regterhand had, maakte van deze gelegenheid gebruik om hare nieuwsgierigheid te bevredigen. Zij ligtte de slip van mijn kleed, waaronder ik mijnen arm verborgen had, op, en zag met ontzettende verbazing, dat mijne hand was afgekapt. Zij begreep nu gemakkelijk, waarom ik zoo halstarrig geweigerd had, haar met de ware oorzaak van mijn leed bekend te maken, en bragt den nacht door met zich te bedroeven over mijn ongeluk, niet twijfelende of ik had mij dit uit liefde tot haar op den hals gehaald.

Bij mijn ontwaken kon ik aan haar gezigt zien, dat zij den nacht slapeloos en in de diepste droefheid had doorgebragt. Evenwel om mij niet te bedroeven, sprak zij van niets. Zij deed mij eenige spijzen toedienen, en dwong mij te eten en te drinken, opdat ik, zeide zij, de krachten terug mogt krijgen, waaraan ik behoefte had. Daarna wilde ik heengaan; maar zij hield mij bij mijn kleed terug. „Ik zal niet dulden,” sprak zij, „dat gij van hier gaat. Ofschoon gij er mij niets van gezegd hebt, ben ik overtuigd de oorzaak te zijn van het ongeluk dat gij u berokkend hebt. De smart, die ik daarover gevoel, zal mij niet toelaten lang meer te leven; maar vóór mijnen dood, moet ik nog ééne zaak volbrengen, waartoe ik in uw belang heb besloten.” Daarop liet zij een' kadi en getuigen komen, en deed eene acte opmaken, waarbij zij mij al hare goederen vermaakte. Vervolgens opende zij een' groote koffer, waarin zich al de beurzen bevonden, welke ik haar van het begin onzer kennismaking af geschonken had. „Zij zijn hier nog allen in haar geheel,” zeide zij, „ik heb er niet eene van geopend; zie hier den sleutel van het koffer, gij zijt er meester over.” Ik bedankte haar voor hare belangelooze edelmoedigheid. „Wat ik voor u doe,” antwoordde zij, „is weinig, en ik zal niet te vreden zijn vóór dat ik sterf, om u een bewijs te geven, hoezeer ik u bemin.” Ik bezwoer haar, bij alles wat de liefde kan ingeven, een zoo noodlottig besluit te laten varen, maar ik kon haar van dit denkbeeld niet terugbrengen; het verdriet, mij éénhandig te zien, berokkende haar eene ziekte, waaraan zij na verloop van vijf of zes weken bezweek. Ik was langen tijd ontroostbaar over haar verlies, en het koren, dat gij de goedheid hebt gehad voor mij te verkoopen, maakte een gedeelte uit van de goederen, die bij haren dood in mijn bezit kwamen.

Hetgeen ik u heb medegedeeld,” besloot de jonge man van Bagdad, „moet mij bij u verontschuldigen, dat ik met mijne linkerhand heb gegeten; ik ben u zeer verpligt voor de moeite, die gij u om mijnentwil gegeven hebt. Uwe trouw kan ik niet genoegzaam erkennen, en daar ik, hoe groot ook mijne verteringen waren, Allah zij geloofd, nog goederen genoeg bezit, verzoek ik u, de gelden, die gij onder uwe berusting hebt, als een geschenk van mij aan te nemen. Bovendien, daar ik na het gebeurde niet in Caïro kan blijven, en dit voor altoos wil verlaten, heb ik u nog een voorstel te doen, of gij namelijk genegen zijt, mij op mijne reis te vergezellen en voor gezamentlijke rekening handel te drijven?”

Dit voorstel,” vervolgde de Christen koopman, „was te voordeelig, dan dat ik het niet met dankbaarheid aannam. Ik bedankte den jongen koopman voor zijn geschenk en voor den prijs, dien hij op mijn gezelschap stelde, terwijl ik hem verzekerde dat zijne belangen mij steeds even dierbaar als die van mij zelven zouden zijn.

Wij stelden den dag tot ons vertrek vast, en toen deze aangebroken was, begaven wij ons op weg. Na Syrië en Mesopotamië te zijn doorgetrokken, doorreisden wij geheel Perzië, en na ons in verscheidene steden te hebben opgehouden, zijn wij, sire, eindelijk in uwe hoofdstad aangekomen. Eenigen tijd geleden gaf de jonge koopman mij te kennen, dat hij plan had naar Perzië terug te keeren en zich aldaar te vestigen. Wij maakten onze rekening op, en scheidden zeer voldaan over elkander. Ziedaar de geschiedenis, die ik u had te vertellen: vindt uwe majesteit ze niet wonderlijker, dan die van den gebogchelde?”

Op deze woorden berstte de sultan van Cachgar in toorn tegen den Christen koopman los: „Gij zijt wel onbeschaamd mij eene geschiedenis te durven verhalen, die mijne aandacht zoo weinig waardig is, en deze te vergelijken met die van mijnen gebogchelde. Hoe kunt gij mij voorpraten, dat de weinig beteekenende avonturen van een' jongen losbol wonderlijker zijn dan die van mijnen hofnar? Om mij over zijnen dood te wreken, zal ik u alle vier doen ophangen.”

Nu wierp de Muzelmansche koopman zich verschrikt voor de voeten des sultans. „Sire,” sprak hij, „ik smeek uwe majesteit haren geregten toorn te bedwingen, mij aan te willen hooren, en ons alle vier genade te schenken, indien de geschiedenis, welke ik uwer majesteit zal vertellen, boeijender is dan die van den bogchel?” „Ga uw' gang dan,” antwoordde de sultan, „laat hooren!” De Muzelman nam nu het woord op, en verhaalde de volgende geschiedenis.

Illustration from Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel

GESCHIEDENIS, VERHAALD DOOR DEN MUZELMANSCHEN KOOPMAN, MAGAZIJNMEESTER VAN DEN SULTAN VAN CACHGAR.

„Sire, gisteren werd ik door een aanzienlijk heer alhier uitgenoodigd op de bruiloft van eene zijner dochters. Ik bleef niet in gebreke, mij op het bepaalde uur ten zijnent te begeven, en vond daar een gezelschap van geleerden, raadslieden en andere zeer hooggeplaatste personen. Na de gewone pligtplegingen werden wij aan tafel genoodigd, die met de uitgezochtste geregten overladen was. Ieder at en dronk naar zijn verlangen. Van alle spijzen vond een schotel met ragout, toebereid met knoflook, eenen bijzonderen aftrek. Daar wij echter bemerkten, dat een der gasten dien schotel onaangeroerd liet, ofschoon deze voor hem stond, noodigden wij hem uit, ons voorbeeld te volgen en toe te tasten. „Ik zal mij wel wachten,” antwoordde hij, „eenige ragout te proeven, die met knoflook is toebereid; ik heb nog niet vergeten, wat mij het nuttigen daarvan eens berokkend heeft.” De gastheer nam met deze verklaring echter geen genoegen, en zeide: „Doet gij op deze wijze mijne tafel eer aan? De ragout is uitmuntend, bewijs mij de gunst er van te eten, zooals alle anderen, en wees niet zoo zonderling.” „Heer,” antwoordde de gast, een koopman uit Bagdad, „geloof niet dat eene gril mij aldus doet handelen; ik wil u wel gehoorzamen, indien gij het volstrekt wilt, doch onder beding, dat ik daarna mijne handen veertig maal kan wasschen in loogzout, veertig maal met de as van die zelfde plant, en even dikwijls met zeep. Gij zult mij dit zonderlinge beding ten goede houden, indien ik u zeg, dat ik door eenen eed gebonden ben geen knoflook te eten, dan op de bovengenoemde voorwaarde.”

De gastheer, die den koopman van Bagdad niet wilde ontslaan om van zijne ragout met knoflook te eten, gelastte een' zijner bedienden een bekken met water en loogzout, een ander met as van de zelfde plant, en een derde met zeep en water te brengen, ten einde zijn gast zich zou kunnen wasschen, zoo dikwijls als hij mogt goedvinden. Vervolgens wendde hij zich tot den koopman en zeide: „Doe als wij en eet. Het loogzout, de as van de zelfde plant en de zeep zullen u niet ontbreken.”

De koopman, verstoord wegens den dwang die hem werd aangedaan, strekte de hand uit, nam een klein stukje, dat hij bevende aan zijnen mond bragt, en at dit met blijkbaren tegenzin op. Maar wat ons nog meer verwonderde, wij bespeurden thans voor het eerst, dat hij slechts vier vingers en geen' duim aan zijne hand had, waarop niemand onzer tot dus verre gelet had, hoewel wij hem van andere spijzen hadden zien nemen. De gastheer nam terstond het woord op: „Gij hebt geen' duim,” zeide hij, „door welk toeval hebt gij dien verloren? Het komt mij voor, dat dit bij eene vrij zonderlinge gelegenheid heeft plaats gehad, vreemd genoeg om het gezelschap met het verhaal daarvan te vermaken.” „Heer,” antwoordde hij, „niet slechts aan mijne regterhand, maar ook aan de linker ontbreekt de duim!” Nu liet hij ons om zijne woorden te staven, ook zijne linkerhand zien. „En dit is nog niet alles,” vervolgde hij, „ook de groote teenen ontbreken aan mijne voeten. Gij kunt mij gerust gelooven. De verminking heeft plaats gehad op eene tot dusverre ongehoorde wijze, die ik, indien gij het geduld hebt mij aan te hooren, bereid ben u te verhalen, en die evenzeer uwe verwondering als uw medelijden zal opwekken. Doch veroorloof mij eerst mijne handen te wasschen.” Dit zeggende, stond hij van tafel op, en na zich de handen honderd twintig maal gewasschen te hebben, nam hij weder plaats, en verhaalde ons zijne geschiedenis op de volgende wijze.

„Gij moet weten, mijne heeren, dat ik geboren ben te Bagdad, onder de regeering van den kalif Haroun-al-Raschid. Mijn vader ging door voor een' der rijkste kooplieden dier stad. Doch daar hij op grooten voet leefde, zich aan vele buitensporigheden overgaf, en zijne zaken slecht bestuurde, liet hij mij bij zijn overlijden, in plaats van een groot vermogen, meer schulden dan geld na, zoodat ik met overleg en zuinigheid te werk moest gaan, om zijne eer op te houden. Ik slaagde er echter in al zijne nagelaten schulden te voldoen en door vlijt en oppassendheid namen mijne zaken allengskens een' gunstigen keer.

Op zekeren dag, dat ik mijnen winkel opende, reed eene dame, op een' muilezel gezeten en vergezeld door een' gesnedene en twee slavinnen, voorbij. Zij hield in de nabijheid stil, en liet zich, geholpen door den gesnedene die haar de hand bood, van haren ezel glijden. „Heb ik u niet gezegd, mevrouw,” sprak deze tot haar, „dat wij te vroeg zouden komen; gij ziet dat er nog niemand op den berestein is; indien gij mij hadt willen gelooven, zoo zoudt gij u de moeite hebben gespaard van te moeten wachten.” Zij zag overal rond, en bemerkende dat er werkelijk nog geen enkele winkel buiten de mijne geopend was, naderde zij, groette mij en verzocht ten mijnent te mogen uitrusten, tot dat de kooplieden gekomen zouden zijn. Ik beantwoordde haren groet met de verschuldigde beleefdheid.

De dame zette zich in mijnen winkel neder, en bespeurende dat er, buiten mij en den gesnedene, geen enkele man op den berestein was, ontsluijerde zij haar gelaat om lucht te scheppen. Van bewondering opgetogen over hare schoonheid, kon ik van dat oogenblik af mijne oogen niet meer van haar afwenden. Ook dacht mij, dat mijne oplettendheid en bewondering haar niet ongevallig waren, want eerst toen de vrees van door anderen gezien te worden haar daartoe verpligtte, bedekte zij haar gelaat.

Nadat zij haren sluijer had laten vallen, gaf zij mij te kennen, dat zij eenige zeer schoone en rijke stoffen zocht, welke zij mij opnoemde, vragende of ik daarvan voorzien was. „Helaas, mevrouw,” antwoordde ik, „ik ben een nog jong koopman, die zijne zaken eerst kort geleden begonnen heeft, niet rijk genoeg een' zeer grooten voorraad op te slaan. Het is voor mij eene groote teleurstelling, niets in mijnen winkel te hebben, van hetgeen gij op den berestein zoekt, doch ten einde u de moeite te besparen om van magazijn tot magazijn te gaan, zal ik met uw goedvinden, zoodra de kooplieden er zijn, de stoffen, die gij verlangt, bij hen halen. Zij zullen mij den naasten prijs opgeven, en gij kunt hier uwe inkoopen doen, zonder dat gij er een' voet verder om behoeft te verzetten.” Zij stemde hierin toe, en ik had een onderhoud met haar, dat zoo lang duurde als ik haar kon doen gelooven, dat de kooplieden, bij wie ik mij moest vervoegen, zich nog niet op den berestein bevonden. Ik was niet minder opgetogen over hare geestelijke vermogens dan over haar schoon gelaat; doch eindelijk moest ik dit genoegelijk onderhoud afbreken. Ik ging de stoffen halen, welke zij mij had opgenoemd, en toen zij daaruit naar haar genoegen eene keus had gedaan, maakten wij den prijs op, welk eene waarde bedroeg van vijf duizend zilveren drachmen. Van het door haar gekochte werd een pak gemaakt, en zulks aan den gesnedene gegeven, die het onder zijnen arm nam. De dame stond nu op, nam afscheid van mij en vertrok. Ik volgde haar met mijne oogen, tot dat zij de poort van den berestein bereikt, en haren muilezel bestegen had.

Zoodra zij echter uit mijn gezigt verdwenen was, bemerkte ik, dat de liefde mij eene groote fout had doen begaan. Mijn geest was daardoor zoo in verwarring gebragt, dat ik er niet eens op had gelet, dat zij heenging zonder mij te betalen, en dat ik haar zelfs niet gevraagd had, wie zij was of waar zij woonde. Ik zag evenwel in, dat ik jegens verscheidene kooplieden voor eene aanzienlijke som verantwoordelijk was, en dat zij er misschien niet best mede gediend zouden zijn, lang naar hun geld te wachten. Ik ging mij daarom bij hen zoo goed mogelijk verontschuldigen, zeggende, dat de dame zeer goed bij mij bekend was. Zoo kwam ik in mijnen winkel terug, even verliefd, als bezwaard over mijne groote schuldvordering aan eene mij geheel onbekende schoone.

Ik had, mijne heeren,” vervolgde de koopman van Bagdad, „mijne schuldeischers verzocht, acht dagen geduld te hebben. Toen de achtste dag daar was, bleven zij niet in gebreke bij mij op voldoening aan te dringen. Ik bad hen mij nogmaals een uitstel van ééne week te verleenen, waarin zij eindelijk bewilligden. Doch reeds den volgenden dag, zag ik de dame op haren muilezel gezeten aankomen, op het zelfde vroege uur als den voorgaanden keer.

Zij ging regt op mijnen winkel aan. „Ik heb u een weinig laten wachten,” zeide zij, „maar eindelijk breng ik u het geld voor de stoffen, die ik voor eenige dagen heb medegenomen; zend het naar den wisselaar, opdat hij zien moge of de munt goed is en de som uitkomt.” Ik begaf mij met den gesnedene derwaarts, en bevond dat de rekening in orde was. Daarna smaakte ik andermaal het geluk, mij met de dame te onderhouden, tot dat al de winkels op den berestein geopend waren. Hoewel ons gesprek slechts over dagelijksche zaken liep, wist zij daaraan echter eene geheel nieuwe wending te geven, waaruit mij bleek, dat ik bij ons eerste onderhoud juist geoordeeld had, en dat zij uitmuntende verstandelijke vermogens bezat.

Toen de andere kooplieden hunne winkels geopend hadden, haastte ik mij, mijne schulden af te doen, en het kostte mij geene moeite hen te bewegen, mij weder andere stoffen toe te vertrouwen, waarnaar de dame mij gevraagd had. Ik nam daarvan voor duizend goudstukken, en de schoone koopster liet deze andermaal wegdragen, zonder te betalen en zonder mij iets te zeggen of zich bekend te maken. Dit verwonderde mij, want van hare zijde waagde zij niets, terwijl zij mij liet borg blijven bij de kooplieden, zonder dat ik de minste zekerheid van betaling had. Het is waar, zij had mij eene aanzienlijke som voldaan, maar die zij mij schuldig bleef, was nog veel grooter. Mogt het eene bedriegster zijn, en zij de eerste som slechts hebben betaald om mij te beter op te ligten, dan was ik een verloren man, want de kooplieden kenden haar niet, en zouden zich alleen aan mij houden. Hoe sterk ook mijne liefde was, kon ik toch dergelijke onrustwekkende gedachten niet geheel van mij afzetten, en toen er nu eene volle maand verliep, zonder dat de dame iets van zich liet hooren of zien, begon ik wezentlijk te denken, dat zij mij had afgezet.

De kooplieden verloren hun geduld: zij verklaarden niet langer te willen wachten, en ik stond op het punt al het mijne te verkoopen, ten einde hunne schuldvorderingen te voldoen, toen de dame eindelijk weder op een' vroegen morgen aan mijnen winkel kwam. „Neem uw goudgewigt,” zeide zij bij het inkomen, „om het goud te wegen, dat ik voor u heb medegebragt.” Deze woorden maakten een einde aan mijne vrees, en deden mijne liefde verdubbelen. Alvorens mij de goudstukken toe te tellen, deed zij mij onderscheidene vragen, onder anderen of ik reeds gehuwd was, waar ik ontkennend op antwoordde. Toen gaf zij het goud aan den gesnedene, en zeide tot hem: „Verleen mij uwe bemiddeling om onze zaak af te doen.” De gesnedene begon te lagchen, en mij ter zijde nemende, liet hij mij het goud wegen. Terwijl ik hiermede bezig was, fluisterde hij mij in het oor: „Vergis ik mij niet, dan bemint gij mijne meesteres, en het verwondert mij, dat gij den moed niet hebt, haar dit te zeggen; want zij bemint u niet minder sterk dan gij haar. Geloof niet, dat zij uwe stoffen noodig heeft, zij komt nergens anders om hier, dan omdat zij in eene vurige liefde voor u ontstoken is. Daarom ook vroeg zij u, of gij gehuwd waart. Gij behoeft slechts te spreken, en indien gij wilt, zal het alleen van u afhangen, haar tot vrouw te hebben.” „Ik zal niet ontkennen,” antwoordde ik hem, „dat ik reeds van het eerste oogenblik, dat ik haar zag, liefde voor uwe meesteres heb opgevat, maar ik durfde niet op het geluk hopen, haar te zullen behagen. Ik ben intusschen geheel ter harer beschikking; wat zij wenscht, zal steeds mijn' wensch zijn; en wat u betreft, de tijd zal komen, dat ik de dienst, die gij mij thans bewijst, dankbaar zal weten te vergelden.” Ik ging inmiddels voort het goud te wegen, en terwijl ik dit weder in den zak deed, wendde de gesnedene zich tot zijne meesteres, en zeide tot haar, dat ik voldaan was. Dit was het woord dat zij met elkander afgesproken hadden; de dame stond op en vertrok, terwijl zij mij toevoegde, dat zij den gesnedene tot mij zou zenden, en ik niets anders te doen had, dan na te komen, hetgeen hij mij uit haren naam zeggen zou.

Zoodra de dame vertrokken was, bragt ik aan de kooplieden het goud, dat ik hun schuldig was, en gedurende eenige dagen zag ik met groot verlangen de komst van den gesnedene te gemoet. Eindelijk kwam hij. Ik bewees hem de meest mogelijke vriendschap, en vroeg met belangstelling naar tijding van zijne meesteres. „Gij zijt,” antwoordde hij, „de gelukkigste der minnaars, want zij is ziek van liefde. Zij hijgt van verlangen om u te zien, en indien zij over hare handeling vrij kon beschikken, zou zij u komen opzoeken, en met vreugde haar geheele leven bij u doorbrengen.” „Ik kon wel merken,” hernam ik, „dat zij van eene aanzienlijke familie is.” „Hierin hebt gij u niet bedrogen,” antwoordde de gesnedene, „zij is de eerste gunstelinge van Zobeïde, de gemalin van den kalif, welke haar te meer lief heeft, omdat zij haar van hare kindschheid af heeft opgevoed. Zij verlaat zich geheel op haar bij alle inkoopen, die zij doen wil. Omtrent haar plan van te huwen, heeft zij aan de gemalin van den beheerscher der geloovigen te kennen gegeven, dat zij de oogen op u heeft laten vallen, en hare toestemming gevraagd. Zobeïde heeft haar geantwoord, dat zij er in bewilligde, maar dat zij u eerst wilde zien om te kunnen beoordeelen, of hare gunstelinge eene goede keuze had gedaan, terwijl zij in dat geval de kosten van haar huwelijk dragen, en voor haren uitzet zorgen zou. Gij kunt daarom van uw geluk zeker zijn. Daar gij aan de favorite behaagt, zult gij dit ook aan hare meesteres, want deze wil niets anders dan haar genoegen geven, en hare keuze geheel vrij laten. Gij hebt u dus slechts naar het paleis te begeven, en ik heb last u daartoe uit te noodigen; neem nu een spoedig besluit.” „Dat is reeds genomen,” sprak ik, „ik ben bereid u overal te volgen, waar gij mij wilt heen brengen.” „Dat is in zoo verre goed en wel,” hernam de gesnedene, „maar gij weet, dat het aan geen' man geoorloofd is, in de vrouwenvertrekken van het paleis te vertoeven. De favorite heeft hare maatregelen genomen om er u in het geheim binnen te brengen; doch van uwen kant wordt voorzigtigheid en geheimhouding vereischt, daar bij eene ontdekking uw leven op het spel staat.”

Ik verzekerde hem dat ik alles zou nakomen, wat mij bevolen werd. „Zorg dan,” zeide hij, „heden met het vallen van den avond in de moskee te zijn, welke Zobeïde aan den oever van den Tigris heeft laten bouwen, en blijf daar tot dat men u komt halen.” Ik bewilligde in alles wat hij verlangde, zag den avond met ongeduld te gemoet, en vertrok zoodra het donker begon te worden. Ik woonde het avondgebed in de moskee bij, en bleef daar, nadat reeds alle geloovigen vertrokken waren.

Weldra zag ik eene boot naderen, die door gesnedenen geroeid werd. Zij landden en bragten onderscheidene groote koffers in de moskee, waarna zij op één na weder vertrokken, in wien ik weldra den mij bekenden gesnedene herkende. Vervolgens zag ik ook de dame binnen komen. Ik ging haar te gemoet, en betuigde haar dat ik gereed was hare bevelen te ontvangen. „Wij hebben geen' tijd te verliezen,” gaf zij ten antwoord, opende een' der koffers en beval mij daarin te gaan liggen. „Dit,” voegde zij er bij, „is noodig tot ons beider veiligheid. Vrees niet, en laat verder alles aan mij over.” Ik was te ver gegaan, om terug te treden en deed dus zoo als mij gezegd werd. Zij sloot den koffer, en stak den sleutel bij zich. De gesnedene, haar vertrouwde, riep nu de anderen terug; liet hen den koffer weder in de boot dragen, en scheepte zich met zijne meesteres in. Naauwelijks was deze aan boord, of de roeijers stelden zich in beweging, om mij naar het verblijf van Zobeïde te brengen.

Gedurende dit watertogtje maakte ik in mijnen koffer de ernstigste opmerkingen, en het gevaar waarin ik verkeerde in overweging nemende, had ik berouw mij daaraan te hebben blootgesteld. Ik bad en deed geloften van niet weder zoo dwaas te zullen zijn; maar deze kwamen te laat: ik was nu eenmaal in het schuitje en moest mij laten roeijen. De boot legde bij de Waterpoort van het paleis des kalifs aan; en de koffers werden naar binnen gedragen in het vertrek van den opperste der gesnedenen, die belast was niets den harem te laten binnen gaan, zonder een gestreng onderzoek. Deze officier had zich reeds ter rust begeven; men moest hem dus gaan wekken. Ontstemd, omdat men hem in zijnen slaap gestoord had, beknorde hij de favorite, dat zij zoo laat terugkwam. „Gij zult er,” zeide hij, „zoo gemakkelijk niet afkomen, als gij u welligt voorstelt; niet een van deze koffers zal doorgaan, voor dat ik ze heb doen openen en den inhoud onderzocht.” Te gelijker tijd beval hij den gesnedenen, ze stuk voor stuk bij hem te brengen. Zij maakten een begin met den koffer, waarin ik mij bevond, namen dien op, en bragten ze voor hem. Bij deze handelwijze werd ik door een' onuitsprekelijken schrik bevangen; ik dacht dat het laatste oogenblik mijns levens daar was.

De gunstelinge, welke den sleutel in haar bezit had, weigerde dien af te geven, en betuigde niet te zullen dulden, dat deze koffer geopend werd. „Gij weet zeer goed,” zeide zij, „dat ik niets laat komen dan voor Zobeïde, uwe en mijne meesteres, en deze koffer in het bijzonder bevat kostbaarheden, welke mij door nieuw aangekomen kooplieden zijn toevertrouwd. Ook zijn er eenigen flesschen in met water uit de bron Zemzem, van Mekka naar hier gebragt. Zoo iemand het ongeluk had, daar eene van te breken, dan zouden de andere koopwaren daardoor bedorven worden, en gij er verantwoordelijk voor zijn. De gemalin van den beheerscher der geloovigen zou zich weten te wreken over uw beleedigend wantrouwen.” Om kort te gaan, zij sprak op een' zoo fermen toon, dat de opperste der gesnedenen den moed niet had, op het openen der koffers verder aan te houden, ofschoon hij ten dien aanzien in zijn goed regt was. „Laat ze dan doorgaan,” sprak hij in toorn, „ga!” Men opende nu het verblijf der vrouwen, en droeg er al de koffers binnen.

Naauwelijks was dit geschied, of ik hoorde roepen: „De kalif, de kalif!” Dit deed mijnen angst zoo hoog klimmen, dat het mij nog dikwijls verwondert, toen niet van schrik te zijn gestorven. Intusschen kwam de kalif werkelijk. „Wat brengt gij toch in die koffers hier binnen?” vroeg hij aan de favorite. „Beheerscher der geloovigen,” antwoordde zij, „het zijn nieuw aangekomen stoffen, welke de gemalin van uwe majesteit wenscht te bezigtigen.” „Doe open,” hernam de kalif haastig, „ik moet die ook eens zien.” Zij wilde zich verontschuldigen, door op te merken dat de koffers slechts vrouwenzaken bevatten, en hij daardoor zijne gemalin van het vermaak zou berooven, er hem mede te verrassen. „Doe, wat ik u gezegd heb,” hernam de kalif, „ik beveel het!” Nogmaals hield zij hem voor, dat indien zijne majesteit haar hiertoe dwong, zij dan aan hare verpligting omtrent hare meesteres te kort deed en haren toorn te vreezen zou hebben. „Neen!” hernam hij, „ik beloof u, dat zij u deswegens niet het minste verwijt zal doen. Open de koffers en laat mij niet langer wachten.”

Zij moest gehoorzamen, en ik verkeerde in eene vreeselijke spanning en angst. De kalif zette zich neder, en de favorite liet alle koffers, den eenen na den anderen, voor hem brengen, en sloot die open. Ten einde dit werk op de lange baan te schuiven, maakte zij hem opmerkzaam op de schoonheid van ieder stuk, dat zij ontpakte. Zij wilde op die wijze zijn geduld uitputten, doch dit mislukte haar.

Daar echter haar belang, even zeer als het mijne, vorderde, den koffer niet te openen, waarin ik mij bevond, maakte zij ook geene haast dezen te laten voorbrengen, doch ook dit baatte niet. „Laat ons gedaan maken,” sprak de kalif, „en nog zien wat deze laatste kist bevat.” Ik gevoelde op dat oogenblik naauwelijks meer of ik nog leefde, dan reeds dood was, het dreigende gevaar verpletterde mij.

Toen de gunstelinge van Zobeïde zag,” vervolgde de koopman van Bagdad, „dat de kalif volstrekt begeerde, dat zij den koffer, waarin ik was, zou openen, zeide zij: „Wat eindelijk nog deze koffer betreft, zoo moet ik uwe majesteit smeeken, mij de gunst toe te staan, die niet te openen, dan in tegenwoordigheid van mijne meesteres. Er zijn zaken in, waarmede zij eene verrassing voorheeft, die ik niet mag openbaren.” „Dat zij dan zoo,” sprak de kalif, „ik ben thans voldaan; laat den koffer wegbrengen.” Zij liet dien nu dadelijk opnemen en op hare kamer plaatsen. Hier begon ik weder vrijer adem te halen.

Zoodra de gesnedenen, die den koffer gedragen hadden, waren heên gegaan, haastte mijne beminde zich hem te ontsluiten. „Kom” sprak zij, mij met den vinger naar de deur van eene bovenkamer wijzende, „klim dien trap op en blijf mij daar wachten.” Zij sloot de deur achter mij digt, en niet zoodra was dit geschied, of de kalif trad binnen en zette zich op den zelfden koffer neder, welke ik een oogenblik te voren verlaten had. De aanleiding tot dit bezoek kwam echter voort uit eene nieuwsgierigheid, waarbij ik niet betrokken was. De monarch wilde aan de favorite eenige vragen doen, over hetgeen zij in de stad gezien en opgemerkt had. Dit onderhoud duurde eenen geruimen tijd. Eindelijk stond hij op, en begaf zich naar zijn vertrek.

Naauwelijks was de gunstelinge van Zobeïde vrij in hare handelingen of zij kwam mij opzoeken, en verontschuldigde zich wegens al de angsten, welke zij mij had veroorzaakt. „Mijne bezorgdheid,” zeide zij tot mij, „was niet minder groot dan de uwe zijn kon. Gij behoeft daaraan niet te twijfelen, want ik leed voor u en voor mij zelve, daar wij bij eene ontdekking een gelijk gevaar liepen. Menigeen zou in mijne plaats den moed niet gehad hebben, om zich uit eene zoo netelige zaak te redden. Er behoorde daartoe niet minder onverschrokkenheid dan tegenwoordigheid van geest; of liever, men moet eene liefde hebben, zoo als ik u die toedraag, ten einde daarin de kracht te putten, om uit zulk eene ongelegenheid te geraken. Doch stel u gerust, er is thans niets meer te vreezen.” Na een teeder onderhoud van meer dan een uur, zeide zij: „Het is thans tijd, dat gij rust neemt, ga dus te bed. Ik zal niet in gebreke blijven u morgen aan Zobeïde, mijne meesteres, voor te stellen. Zij heeft den dag geheel vrij, want de kalif bezoekt haar alleen 's avonds.” Hierdoor gerustgesteld, sliep ik dien nacht vrij goed, en werd mijn' slaap nu en dan gestoord, het waren slechts aangename beelden, die mij bezig hielden, mij ingegeven door de hoop, weldra in het gerust bezit te zullen zijn van eene gade, die zoo schoon en zoo verstandig was.

Den volgenden morgen kwam de gunstelinge van Zobeïde reeds vroegtijdig, ten einde mij te onderrigten, hoe ik mij in tegenwoordigheid van hare meesteres moest gedragen. Zij stelde mij de vragen voor, welke deze waarschijnlijk tot mij rigten zou, en gaf mij de daarop passende antwoorden in den mond. Na dit onderrigt bragt zij mij in eene zeer prachtige zaal. Ik was daar nog niet lang geweest, toen twintig reeds bejaarde, doch rijk gekleede slavinnen uit het vertrek van Zobeïde, dat aan de zaal grensde, binnentraden. Zij schaarden zich aan twee rijen ter zijde van den troon, die zich in het midden der zaal bevond. Twintig andere jonge slavinnen, die op gelijke wijze doch smaakvoller gekleed waren, volgden haar. Te midden van deze laatsten bevond zich Zobeïde, kenbaar aan hare majestueuse gestalte, en door een schat van paarlen en edelgesteenten, welke zij droeg. Zij nam plaats op den troon, en mijne beminde bleef aan hare regterzijde staan, terwijl de overige slavinnen zich op een' eerbiedigen afstand hielden.

Zoodra de gemalin van den beheerscher der geloovigen zich op den troon had gezet, gaven de slavinnen, die het eerst in de zaal waren gekomen, mij een teeken, dat ik nader moest treden. Ik ging door de beide rijen welke zij vormden en mij voor den troon nederwerpende, raakte ik met mijn hoofd het tapijt aan, waarop de voeten van de vorstin rustten. Zij beval mij op te staan, en bewees mij de eer naar mijnen naam, naar mijne familie en naar den staat van mijn vermogen te vragen, waaraan ik zeer ten haren genoegen voldeed. „Ik ben zeer verblijd,” zeide zij, „dat mijne dochter, want als zoodanig beschouw ik haar, eene keus gedaan heeft, waarover ik tevreden kan zijn; en geef dus mijne toestemming tot uw huwelijk. Ik zelve zal de toebereidselen voor uwe bruiloft in orde doen maken; maar vooraf gevoel ik behoefte mijne dochter nog tien dagen alleen te bezitten. Inmiddels zal ik met den kalif spreken, en zijne toestemming tot uw huwelijk verwerven. Gij kunt zoo lang hier blijven, men zal zorg voor u dragen.” Ik bleef dus tien dagen in den harem van den beheerscher der geloovigen verborgen, en moest gedurende al dien tijd het bijzijn van de gunstelinge missen. Men onthaalde mij echter op hare bevelen zoo goed, dat ik overigens alle reden tot tevredenheid had.

Zobeïde onderhield intusschen den kalif over haar voornemen, om hare favorite uit te huwelijken. Deze liet haar daarin geheel vrij, en stond bovendien eene zeer groote som als huwelijks uitzet toe. Toen de tien dagen verloopen waren, deed Zobeïde het huwelijks-kontrakt opmaken, en de toebereidselen voor de bruilofts-dagen in orde brengen. De muzijkanten, dansers en danseressen werden ontboden, en gedurende negen dagen heerschte er in het paleis eene onafgebroken vreugde. Op den tienden dag, die tot sluiting van het huwelijksfeest bestemd was, bragt men mijne aanstaande en mij, ieder in een bad. Tegen den avond werd ons een soupée voorgezet, bestaande uit de keurigste geregten, waaronder ook eene ragout voorkwam, die even als deze met knoflook was toebereid. Zij smaakte mij zoo lekker, dat ik de andere spijzen bijna onaangeroerd liet. Maar van tafel opstaande, droogde ik tot mijn groot ongeluk alleen mijne handen af, in plaats van die te wasschen, een verzuim waaraan ik mij nooit te voren had schuldig gemaakt.

Intusschen werden de feestelijkheden voortgezet. Alles was prachtig verlicht. De muzijk liet zich hooren, men danste en rigtte spelen aan, en het geheele serail weêrgalmde van vreugdekreten. Men bragt mij en mijne vrouw in eene groote zaal, waar men ons op twee troonen deed plaats nemen. Slavinnen deden mijne echtgenoote onderscheidene malen van kleed verwisselen, en blanketten haar gelaat op verschillende wijzen, zoo als dit op den huwelijksdag gebruikelijk is; telken male als zij van gewaad veranderd had, kwam men haar aan mij voorstellen.

Nadat al deze plegtigheden waren afgeloopen, bragt men ons in de bruidskamer. Zoodra wij ons daar alleen bevonden, naderde ik mijne echtgenoote om haar te omhelzen; maar in plaats van mijne liefde te beantwoorden, stootte zij mij met kracht van zich af, en slaakte zulke vreeselijke kreten, dat weldra al de vrouwen van den harem kwamen toeschieten, om te vernemen wat haar deerde. Wat mij betreft, mijne verbazing was zoo groot, dat ik de kracht niet had, naar de oorzaak van dit zonderlinge gedrag mijner gade te vragen; ik dacht, dat zij plotseling krankzinnig was geworden. „Lieve zuster!” zeiden de vrouwen, welke kwamen binnenstroomen, „wat is u toch overkomen in de weinige oogenblikken sedert wij u verlaten hebben? Zeg het ons, opdat wij u helpen mogen.” „Neemt,” schreeuwde zij, „dien onwellevenden man van voor mijne oogen weg!” „Maar! mevrouw,” sprak ik, „waardoor heb ik het ongeluk gehad uwen toorn op mij te laden?” „Gij zijt zeer onwellevend,” antwoordde zij in woede, „gij hebt knoflook gegeten, en uwe handen niet gewasschen! Gelooft gij, dat ik zoo iemand tot man wil hebben? Werpt hem op den grond,” vervolgde zij, zich tot de vrouwen wendende, „en dat men mij een bollepees brenge!” De slavinnen grepen mij aanstonds aan, wierpen mij ter neder, en terwijl sommigen mij bij de armen, anderen bij de voeten vasthielden, sloeg mijne vrouw, welke op hare wenken bediend was geworden, mij aller ongenadigst met den bollepees, zoo lang, tot haar de krachten ontbraken. Toen zeide zij tot de vrouwen: „Nu weg met hem naar den regter, opdat deze hem de hand, waarmede hij knoflook-ragout heeft gegeten, doe afhouwen.”

Op deze woorden, riep ik uit: „Groote Profeet! Ik ben gevoelloos en verbrijzeld door de ontvangen slagen, en tot overmaat van leed, veroordeelt men mij nog, om de hand te worden afgehouwen! En waarom? Omdat ik van eene knoflook-ragout gegeten en verzuimd heb, mijne handen te wasschen. De drommel moge de knoflook-ragout halen! Verwenscht zij de kok, die ze toebereid, en hij die ze mij voorgediend heeft!”

Al de vrouwen,” vervolgde de koopman van Bagdad, „die mij duizend slagen met den bollepees hadden zien toedienen, gevoelden medelijden met mij, toen zij hoorden zeggen, dat mij ook nog de hand zou worden afgekapt. „Lieve zuster,” zeiden zij tot mijne vrouw, „gij drijft uwe gevoeligheid te ver. Deze man heeft, het is waar, getoond dat hij zich niet betamelijk weet te gedragen, hij heeft de achting vergeten, welke hij aan eene dame van uwen rang verschuldigd is; maar wij smeeken u, daar verder geen acht op te slaan, en hem te vergeven.” „Ik ben nog niet voldaan,” hernam mijne vrouw, „ik wil dat hij zal leeren, zich behoorlijk te gedragen, en dat het hem altoos zal heugen ragout met knoflook te hebben gegeten, zonder daarna zijne handen te wasschen.” De vrouwen lieten zich echter door deze weigering niet afschrikken; zij wierpen zich voor hare voeten en kusten hare hand. „In naam van Allah,” zeiden zij, „matig uwen toorn, en sta ons de gunst toe, die wij van u verzoeken” Mijne echtgenoote antwoordde niet, maar zich oprigtende, wierp zij mij duizend beleedigingen naar het hoofd, en verliet in gramschap de kamer. Al de vrouwen volgden haar, en lieten mij alleen achter in een' zeer beklagenswaardigen toestand, daarbij de vrees koesterende, dat mijne vrouw ook hare laatste bedreiging verwezentlijken zou.

Gedurende tien dagen zag ik niemand dan eene oude slavin, welke mij te eten bragt. Ik vroeg haar naar mijne vrouw. „Zij is ziek,” beet mij de oude slavin in het oor, „van den vergiftigen reuk, dien gij haar hebt doen inademen. Waarom hebt gij geene zorg gedragen uwe handen te wasschen, na eene ragout van knoflook te hebben gegeten?” „Is het mogelijk,” dacht ik bij mij zelven, „dat die dames zoo fijngevoelig zijn, en tevens zoo wraakzuchtig over een zoo gering vergrijp?” Mijne liefde was echter zoo groot, dat ik mijne vrouw, hoe wreed zij ook jegens mij gehandeld had, beklaagde, nu ik vernam dat zij ziek was.

Op zekeren dag zeide de slavin tot mij: „Uwe gade is genezen, zij gaat heden naar het bad, en heeft mij gezegd, dat zij u morgen zal komen zien. Heb dus tot zoo lang geduld, en denk er om, u in alles naar haren wensch te voegen, want zij is deugdzaam, verstandig en zeer bemind bij al de dames, welke onze veel geachte meesteres, Zobeïde, omgeven.” Inderdaad des anderen daags kwam mijne vrouw bij mij. „Ik moet wel zeer goed zijn,” zeide zij tot mij, „u nog te komen zien, na de beleediging, welke gij mij hebt aangedaan. Maar ik kan er niet toe besluiten mij geheel met u te verzoenen, vóór dat ik uw vergrijp naar verdienste gestraft zal hebben.” Dit zeggende, klapte zij in de handen, en beval aan de vrouwen, die binnenkwamen, mij op den grond te werpen en stevig aan handen en voeten te binden. Nu nam zij een scheermes, en had de wreedheid mij eigenhandig de beide duimen en de groote teenen af te snijden. Eene der vrouwen bediende zich van een zeker kruid, dat zij tegen de wond hield om het bloeden te stelpen; maar dit belette niet, dat ik van smart en bloedverlies in flaauwte viel.

Toen ik van mijne bezwijming bijkwam, gaf men mij, om mijne levensgeesten op te wekken, wijn te drinken. „Ach, mevrouw,” zeide ik nu met eene klagende stem, „indien ik immer weder ragout met knoflook moet eten, zoo zweer ik u, dat ik mijne handen, in plaats van éénmaal, honderd en twintig malen zal wasschen, met loogzout, met de as van die zelfde plant, en met zeep.” „Welnu dan,” hernam zij, „op die voorwaarde wil ik het verledene vergeten, en met u als met mijn' man leven.”

Zie daar, mijne heeren,” vervolgde de koopman van Bagdad, zich tot het gezelschap rigtende, „de reden, waarom ik geweigerd hebt van de ragout met knoflook te eten, welke voor mij geplaatst was. Deze heeft mij éénmaal eenen zoo kwaden bruiloftsnacht bezorgd, dat ik er nog de teekens van draag.

Intusschen leefde ik na mijne herstelling en onze verzoening met mijne vrouw zoo eendragtig, als of ik nooit knoflook-ragout gegeten had. Maar daar ik gewoon was in vrijheid te leven, verdroot het mij weldra in het paleis van den kalif te zijn opgesloten. Ik nam mij intusschen wel in acht deswegens iets te laten blijken, uit vrees van mijne echtgenoote te mishagen, en in toorn wenschte ik haar niet gaarne nogmaals te zien; ik had aan het eerste proefje genoeg gehad. Zij scheen echter mijne wenschen te raden, en daar zij er eveneens over dacht, zoo wist zij hare meesteres Zobeïde te overreden, aan ons verlangen toe te geven. Eene maand na ons huwelijk kwam zij met een groot aantal gesnedenen, die ieder een' grooten zak met geld droegen, bij mij, en zeide: „Gij hebt mij niets laten blijken van de verveling, welke het u baart in dit paleis als opgesloten te zijn; ik heb dit echter opgemerkt, en het is mij mogen gelukken het middel te vinden, om u te bevredigen. Zobeïde, mijne meesteres, staat ons toe, dit paleis te verlaten; zie hier vijftig duizend sequinen, die zij ons ten geschenke geeft, om ons in staat te stellen, in de stad op een' goeden voet te kunnen leven. Neem daarvan tien duizend, en ga heen om er een huis voor te koopen.”

Ik had voor die som weldra eene woning gevonden, en liet die prachtig in orde brengen, waarna wij er onzen intrek namen. Wij hielden een groot aantal slaven en slavinnen, en leefden op eenen rijken voet. Maar deze gelukkige tijd was slechts van korten duur. Na verloop van een jaar kreeg mijne vrouw eene ziekte, waaraan zij binnen weinige dagen overleed. Ik had kunnen hertrouwen en te Bagdad op een' ruimen voet blijven leven; maar de lust bekroop mij, om de wereld in te gaan. Ik verkocht mijn huis en al mijne bezittingen, sloeg eene menigte koopmansgoederen in, en voegde mij bij eene karavaan, die naar Perzië ging. Van daar nam ik mijnen weg naar Samarcande, waarna ik mij in deze stad heb neêrgezet.”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings