← Table of contents
Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel

GESCHIEDENIS VAN DEN KLEINEN GEBOGCHELDE. (continued 2)

Reading edition

Zie daar, sire,” zeide de Muzelmansche koopman tot den sultan van Cachgar, „hetgeen de koopman van Bagdad gisteren aan ons gezelschap vertelde.” „Deze geschiedenis,” hernam de sultan, „heeft wel iets buitengewoons, maar zij is niet gelijk te stellen met die van den kleinen gebogchelde.” De Joodsche doctor hierop voortredende, wierp zich voor den vorstelijken troon, en zeide: „Sire, indien uwe majesteit de goedheid wil hebben mij aan te hooren, zoo vlei ik mij, dat zij over de geschiedenis, welke ik haar te vertellen heb, ten hoogste voldaan zal zijn.” „Welnu, spreek!” zeide de sultan „maar vlei u niet dat ik u het leven zal schenken, tenzij uwe geschiedenis verwonderlijker is dun die van den gebogchelde.”

De Joodsche geneesheer nam nu aldus het woord op.

GESCHIEDENIS, VERHAALD DOOR DEN JOODSCHEN GENEESHEER.

„Sire, ten tijde dat ik te Damaskus in de medicijnen studeerde, kwam een slaaf mij halen, ten einde een zieke te bezoeken bij den gouverneur der stad. Ik haastte mij derwaarts te gaan, en men bragt mij in eene kamer bij een jongmensch van eene schoone gestalte, doch zeer neêrslagtig wegens de kwaal waaraan hij leed. Ik groette hem, en ging bij hem zitten. Hij sprak echter niet; maar gaf mij met een' oogwenk te kennen, dat hij mij wachtende en over mijne komst tevreden was. „Heer,” zeide ik, „wees zoo goed mij de hand te geven, opdat ik uwen pols kan voelen.” In plaats van mij de regterhand te geven, reikte hij mij de linker toe, waarover ik mij zeer verwonderde. „Dat is,” dacht ik bij mij zelven, „een groot bewijs van onbeleefdheid in een fatsoenlijk jongmensch, om niet eens te weten, dat het gebruikelijk is de regter- en niet de linkerhand den geneesheer toe te reiken.” Ik voelde hem echter den pols, en na een recept te hebben geschreven, dat ik achterliet, groette ik hem en ging heen.

Ik vervolgde mijne visites negen dagen, en telkens als ik hem de pols wilde voelen, stak hij mij de linkerhand toe. Op den tienden dag bevond ik hem vrij wel. Ik zeide hem dat hij genoegzaam hersteld was, en verder niets te doen had, dan een bad te nemen. De gouverneur van Damaskus, hierbij tegenwoordig, betuigde mij zijne vreugde, en om mij een bewijs van zijne tevredenheid te geven, deed hij mij een zeer rijk kleed omhangen, zeggende, dat hij mij tot geneesheer van het stedelijk gasthuis benoemde en mij tevens tot zijnen lijfarts begeerde, terwijl zijn huis en zijne tafel ten allen tijde voor mij zouden openstaan.

De jonge man gaf mij ook vele vriendschapsblijken, en hij verzocht mij, dat ik hem naar het bad zou vergezellen. Toen wij daar kwamen, en zijne bedienden hem ontkleed hadden, zag ik dat de regterhand hem ontbrak. Dit had men voor mij verborgen gehouden, en mij alleen geroepen, om de koorts, die zich sterk openbaarde, tegen te gaan. Ik kon mijne verwondering en mijn verdriet over deze zijne verminking, die nog van korte dagteekening scheen te zijn, niet genoeg verbergen. „Doctor,” zeide hij tot mij, „bevreemdt het u, dat mijne regterhand is afgekapt, gij zult u nog meer verwonderen, als gij te eeniger tijd met mijne lotgevallen bekend zult zijn.”

Uit het bad komende, gingen wij aan tafel, en na ons eenigen tijd onderhouden te hebben, vroeg hij mij of hij, zonder nadeel voor zijne gezondheid, eene wandeling buiten de stad of in den tuin van den gouverneur zou kunnen doen. Ik antwoordde, dat hij dit gerust wagen kon, en dat de frissche lucht hem zelfs goed zou zijn. „Indien dit zoo is,” hernam hij, „en wanneer gij lust hebt mij op mijne wandeling te vergezellen, dan zal ik u bij die gelegenheid mijne geschiedenis verhalen.” Ik betuigde hem, dat ik den geheelen dag ter zijner beschikking was. Wij gingen daarop naar den tuin van den gouverneur, en nadat wij een fiksche wandeling hadden gemaakt, liet de jonge man, door de slaven die ons volgden een tapijt uitspreiden, waarop wij ons onder de schaduw van een' lommerrijken boom nederzetten, en hij op de volgende wijze zijn verhaal begon.

„Ik ben,” sprak hij, „geboortig van Moussoul, en mijne familie behoorde tot de voornaamste van die stad. Mijn vader was de oudste van tien kinderen, die mijn grootvader bij zijn overlijden achterliet, en die allen toen reeds gehuwd waren. Maar van al deze broeders was mijn vader de eenigste, die een kind had, en die eenige zoon ben ik. Hij spaarde voor mijne opvoeding zorgen noch kosten, en liet mij alles leeren wat een jongmensch van mijnen stand behoeft te weten.

Ik was reeds een volwassen jongeling, en op het punt om de wereld in te treden, toen ik mij op een' Vrijdag met mijn' vader en mijne ooms in de groote moskee van Moussoul bevond tijdens het middaggebed. Nadat het gebed geëindigd was, verwijderden alle geloovigen zich, uitgenomen mijn vader en mijne ooms. Zij zetten zich op het tapijt neder, dat op den vloer lag, en knoopten een gesprek aan, waarvan ook ik toehoorder was. Zij spraken over de reizen, die zij gedaan hadden, en gaven zeer hoog op van de vele schoone zaken, welke zij in andere landen gezien en daarvan gehoord hadden. Een van mijne ooms beweerde, dat indien men aan verhalen van reizigers geloof wilde hechten, er op den geheelen aardbodem geen heerlijker land was dan Egypte, en geen schoonere rivier dan de Nijl; zoodat hetgeen hij daarvan mededeelde, mij een zoo hoog denkbeeld van dat land gaf, dat ik van stonden af lust gevoelde derwaarts te reizen. Wat mijne andere ooms ook mochten zeggen van de voorkeur, die zij aan Bagdad en aan den Tigris gaven, noemende Bagdad de stad der steden, waar het Mohamedisme zijn' hoofdzetel had, zulks maakte op mij niet den indruk van Egypte. Mijn vader kleefde het gevoelen aan van dengene zijner broeders, welke ten voordeele van Egypte gesproken had, hetgeen mij eene groote vreugde was. „Wat men ook mag zeggen!” riep hij uit, „wie Egypte niet gezien heeft, heeft het schoonste der wereld niet gezien. De aarde is er van goud, dat wil zeggen zoo vruchtbaar, dat zij hare inwoners onnoemelijk rijk maakt. De vrouwen trekken u aan door hare schoonheid en hare bevallige manieren. Spreekt gij mij van den Nijl, is er eene meer bewonderenswaardige rivier op geheel de aarde? Welk water kan in zuiverheid en klaarheid met het zijne wedijveren? Zelfs het slijk, dat hij bij zijne overstroomingen achterlaat, dient tot vruchtbaarmaking der landerijen, en doet deze zonder eenige moeite duizend malen meer vruchten voortbrengen, dan elders de met de meeste zorg bebouwde akkers. Luister wat een dichter, die Egypte verpligt was te verlaten, tot de Egyptenaren zegt.

„Uw Nijl overlaadt u dagelijks met weldaden; Hij schijnt alleen voor u in het verre Zuiden te ontspringen. Helaas! nu ik mij van u verwijderen moet, zullen mijne tranen vloeijen, als zijne wateren. Gij zult u in zijne weldaden kunnen verheugen, terwijl ik mij veroordeeld zie daarvan verstoken te zijn.”

Indien gij de oogen wendt,” vervolgde mijn vader, „naar de kusten van het eiland, dat door de twee hoofdtakken van den Nijl gevormd wordt, welk eene schakering van groen en bloemen, van koren en maïsvelden, van kanalen, van bloeijende steden, dorpen en gehuchten, doet zich daar aan u voor! Slaat gij den blik naar het zuiden, naar den kant van Ethiopië, hoe vele wonderen vertoonen zich ook hier aan uwe oogen! Ik kan de groene beemden, de vruchtbare met kanalen doorsneden velden, die hun water uit den Nijl ontvangen, niet beter vergelijken, dan bij schitterende smaragden in zilver gezet. Is er eene stad op de aarde, gelijk in uitgestrektheid, in bevolking, in rijkdom en in weelde aan het groote Caïro? Welke prachtige paleizen en gebouwen ziet men daar! Nadert gij in uwe gedachten de Pyramiden, die gedenkstukken van eene grijze oudheid, en van de magt en den rijkdom der Pharao's, gij zult verbaasd staan, dat die hemelhooge, uit groote marmerblokken zaâmgestelde, de eeuwen trotserende steenhoopen, door menschenhanden daar bijeen zijn gebragt. Waar leeft in onzen tijd de vorst, zoo groot, zoo magtig en zoo rijk, dat hij zulke gedenkteekenen voor het laatste nageslacht zou kunnen stichten. Ik spreek niet van de magtige zeesteden, waarop Egypte bogen mag, van Damiate, van Alexandrië en anderen, in welker haven men de vlaggen ziet wapperen van alle handeldrijvende volken der aarde. En dit alles heb ik niet van hooren zeggen, ik heb in dat schoone land in mijne jeugd eenige jaren doorgebragt, en ik beschouw die nog heden als de aangenaamste mijns levens.”

Mijne ooms hadden mijn' vader hierop niets te antwoorden,” vervolgde de jonge man van Moussoul. „Zij moesten met hem instemmen, omtrent alles wat hij gezegd had van den Nijl, van Caïro en van geheel het Egyptische koningrijk. Wat mij betreft, mijne gedachten waren daarmede zoo vervuld, dat ik dien nacht geen oog kon sluiten. Niet lang daarna gaven ook mijne ooms het bewijs, hoezeer zij door dit gesprek van mijnen vader getroffen waren geworden. Zij stelden hem voor, om gezamentlijk eene reis naar Egypte te doen, hetgeen hij aannam, en daar zij rijke kooplieden waren, zoo besloten zij eene menigte goederen in te slaan, ten einde die te Caïro met winst te verkoopen. Ik smeekte mijn' vader met tranen in de oogen, om hem te mogen vergezellen, en ook aan mij, om zelf handel mede te drijven, eenige koopmansgoederen af te staan. „Gij zijt,” antwoordde hij, „nog te jong om de lange reis naar Egypte mede te maken, de vermoeijenissen daaraan verbonden zijn voor u te zwaar, en wat uwen handel betreft, bij uw gebrek aan ondervinding, zoudt gij daarbij slechte zaken maken.” Deze afwijzing doofde echter mijn' reislust niet uit, ik nam mijne toevlugt tot de voorspraak van mijne ooms, die zoo veel op mijnen vader verkregen, dat ik tot aan Damaskus mede gaan, en daar achterblijven zou, totdat zij uit Egypte terugkwamen. „De stad Damaskus,” zeide mijn vader, „heeft ook hare schoonheden, en ik wensch, dat hij zich zal te vreden stellen met de vergunning, ons tot daartoe te mogen vergezellen.” Hoe groot nu ook, naar hetgeen ik hem er van had hooren verhalen, mijn verlangen was, om Egypte te bezoeken, hij was mijn vader, en ik onderwierp mij aan zijnen wil.

Zoo vertrok ik met mijne ooms en met mijn' vader van Moussoul. Wij gingen door Mesopotamië, trokken over den Euphraat, en kwamen te Aleppo. Hier vertoefden wij eenige dagen, en begaven ons van daar naar Damaskus. Wij namen onzen intrek in dezelfde khan of herberg. Ik zag in Damaskus eene groote, welbevolkte en goed versterkte stad, waarin vele rijke lieden woonden. Wij besteedden eenige dagen, om de omstreken te bezoeken, vermaakten ons met in de schoone lusthoven te wandelen, welke men daar heeft, en moesten allen toestemmen, dat men teregt van Damaskus zeide, dat het te midden van een paradijs is gelegen. Alvorens mijn vader en mijne ooms de reis naar Egypte voortzetten, droegen de laatsten zorg de koopwaren, welke ik van Moussoul had mede genomen, aan den man te brengen. Zij deden dit op eene voor mij zoo voordeelige wijze, dat ik vijf tegen één won. Die verkoop verschafte mij dus eene aanzienlijke som, waarover ik zeer verheugd was.

Mijn vader en mijne ooms zetten nu hunne reis voort, en lieten mij te Damaskus achter. Ik droeg evenwel, nu aan mij zelven overgelaten, wel zorg mijn geld niet nutteloos te verkwisten. Ik huurde een prachtig huis, geheel van marmer opgetrokken, met een fraaijen tuin, waarin zich zeer schoone fonteinen bevonden. Ook de vertrekken van binnen waren prachtig beschilderd en behangen, hemelsblaauw met goud afgezet. Het huisraad, dat ik mij aanschafte, hoewel ik daarbij niet karig te werk ging, was echter niet zoo rijk, als de pracht van mijne woning vereischte. Deze had vroeger toebehoord aan een der voornaamste heeren uit de stad, genaamd Medoun Abdalraham, en was thans het eigendom van eenen rijken juwelier, aan wien ik slechts twee goudstukken per maand betaalde. Ik hield eene menigte bedienden, leefde op een' goeden voet, en onthaalde nu en dan mijne bekenden aan mijne tafel, of ging bij hen eten. Op deze wijze bragt ik, in afwachting dat mijn vader terug kwam, mijn' tijd te Damaskus door. Geen enkele hartstogt verstoorde mijne rust, en de omgang met fatsoenlijke lieden was mijne eenigste uitspanning.

Eens nu, dat ik, om frissche lucht te scheppen, voor de deur van mijne woning zat, trad eene welgekleede dame van eene schoone gestalte naar mij toe, met de vraag, of ik ook zijden stoffen verkocht. Dit zeggende, trad zij te gelijker tijd mijne woning binnen. Ik stond op, deed de deur digt, en liet haar in de zaal gaan, waar ik haar verzocht op eene sofa plaats te nemen. „Mevrouw,” zeide ik tot haar, „ik heb stoffen gehad, die geschikt zouden zijn om u te worden voorgelegd, maar voor het tegenwoordige kan ik u daaraan tot mijn leedwezen niet helpen, ik leef hier thans zonder handel te drijven.” Zij nam nu den sluijer af, die haar gelaat bedekte, waardoor ik een paar oogen zag schitteren, zoo schoon en met zulk een vuur bezield, dat alleen op een gezigt daarvan eene tot dus verre ongekende gewaarwording zich van mij meester maakte. „Ik heb,” antwoordde zij met een schalksch lachje, „geene behoefte aan zijden of andere stoffen; ik kom alleen om u, en om den avond met u door te brengen, indien u dit welgevallig is. Met het geringste onthaal ben ik tevreden.”

Verblijd over deze gelukkige ontmoeting, gaf ik aan mijne bedienden last, om eenige flesschen wijn en fijne vruchten te brengen. Wij waren spoedig aan tafel geschikt, aten, dronken en vermaakten ons tot middernacht, in een woord, ik had gedurende mijn geheele leven nog geenen zoo aangenamen avond doorgebragt. Den volgenden morgen namen wij afscheid, terwijl zij mij beloofde, over drie dagen met zonsondergang terug te zullen komen.

Zij bleef niet in gebreke na drie dagen op het door haar bepaalde uur ten mijnent te verschijnen, en ik beijverde mij haar goed te onthalen. Wij bragten den avond als de vorige maal door, en toen zij den volgenden morgen heenging, beloofde zij andermaal over drie dagen terug te zullen komen.

Toen zij voor de derde maal bij mij kwam, en de kracht van den wijn ons beiden naar het hoofd steeg, sprak zij tot mij: „Mijn geliefde, wat dunkt u van mij? Ben ik niet schoon en bekoorlijk?” „Deze vraag,” antwoordde ik, „is overbodig, al de u gegeven liefdeblijken moeten u overtuigd hebben, dat ik u teeder bemin. Ik ben verblijd u bij mij te zien en u te bezitten; gij zijt mijne koningin, mijne sultane, gij maakt het geluk van mijn leven uit!” „En echter,” hernam zij, „ben ik verzekerd, dat gij eene geheel andere taal zult voeren, indien gij eene mijner vriendinnen gezien hebt, die jonger en nog schooner is. Zij heeft een zoo vrolijk karakter, dat zij zelfs den droefgeestigste doet lagchen. Ik heb met haar over u gesproken, en naar hetgeen ik van u gezegd heb, sterft zij van verlangen om u te zien. Zij heeft mij gebeden, haar dat vermaak te verschaffen, maar ik wilde dit niet doen, zonder er u over gesproken te hebben.” „Mevrouw,” hernam ik, „doe zoo als gij zult goedvinden; maar wat gij mij ook zeggen moogt van uwe vriendin, het zal haar niet mogelijk zijn, u mijn hart te ontrooven, reeds zoo sterk aan u gehecht, dat niets ter wereld dien band kan verbreken.” „Let op u zelven,” herhaalde zij, „en op mijn zeggen; ik verzeker u, dat ik u op eene zware proef zal stellen.”

Wij lieten het daarbij, en den volgenden morgen, toen zij vertrok, zeide zij, dat ik over twee dagen nog eene gast zou hebben. „Denk er om,” vervolgde zij, „ons goed te onthalen; wij zullen zorg dragen op het gewone uur met zonsondergang ten uwent te zijn.” Ik deed de zaal feestelijk opsieren, en eenen voortreffelijken maaltijd bereiden voor den dag, dat zij komen zouden.

Zij kwamen op het vastgestelde uur mij bezoeken, en ontsluijerden zich beide. Was ik getroffen door de schoonheid van de mij bekende dame, nu ik hare vriendin zag, geraakte ik buiten mij zelven van verbazing, zij was schoon als de dageraad, de liefde scheen haren zetel op hare lippen te hebben gekozen, en hare oogen flikkerden van zulk een' gloed, dat ik er den glans bijna niet van kon verdragen. Ik betuigde haar mijnen dank voor de eer, die zij mij aandeed ten mijnent te komen, en verontschuldigde mij, dat ik haar niet kon onthalen, zooals zij dit waardig was. „Laat ons alle pligtplegingen achterwege laten,” sprak zij met het beminnelijkste gelaat ter wereld, „anders zou het aan mij zijn, u die te maken, daar gij de goedheid gehad hebt aan mijne vriendin toe te staan, dat zij mij medebragt. Laat ons nu om niets anders denken, dan om ons te vermaken.”

Zoodra het eten gereed was, zetten wij ons aan tafel. Ik zat naast mijne beminde en tegenover hare vriendin, die niet ophield mij lonkjes en lachjes toe te werpen. Ik kon aan hare betooverde blikken geen' weêrstand bieden, en zij veroverde mijn hart, eer ik er op bedacht was. Zij wist zich zoo weinig te bedwingen, dat zij mij dingen zeide, die in bijzijn van eene verklaarde medeminnares beter gezwegen waren.

Mijne minnares, die ons naauwkeurig gadesloeg, lachte in het eerst met ons mede, en zeide tot mij: „Ik heb het u wel gezegd, dat gij mijne vriendin allerliefst zoudt vinden, en ik bemerk, dat gij den eed van onveranderlijke trouw, mij gezworen, reeds hebt verbroken.” „Mevrouw,” antwoordde ik, ook lagchender wijze, „gij zoudt reden hebben u over mij te beklagen, indien ik te kort schoot in wellevendheid jegens eene dame, die uwe vriendin is en die gij genegen zijt; gij beiden zoudt mij dan kunnen verwijten, dat ik de eer van mijn huis niet naar behooren wist op te houden.”

Wij gingen inmiddels voort met drinken, en naarmate de wijn ons verhitte, spraken de laatst gekomen dame en ik met zoo weinig terughouding, dat hare vriendin deswegens eene woedende jaloezij opvatte, waarvan wij spoedig de noodlottige gevolgen ondervonden. Zij stond op en zeide, zich slechts voor een oogenblik te verwijderen, en dadelijk terug te zullen komen. Maar naauwelijks was zij vertrokken, of de andere dame, die bij mij was gebleven, werd door hevige stuiptrekkingen aangetast, en het duurde niet lang of zij gaf in mijne armen den geest. Ik ging terstond buiten de kamer en vroeg naar de andere dame, doch de dienstboden zeiden mij, dat zij zich verwijderd had, zonder iets te zeggen. Nu kwam ik dadelijk op het vermoeden, dat zij schuld had aan den plotselingen dood van hare vriendin. En dit was, helaas, maar al te waar. Zij had de behendigheid gehad, een dadelijk werkend vergif te mengen in den beker wijn, dien zij hare vriendin eigenhandig had toegereikt.

Ik was zeer bedroefd en ontsteld over dit treurige voorval ten mijnen huize. „Wat moet ik doen,” dacht ik bij mij zelven, „wat zal er van mij worden?” De vrees dreef mij om geen oogenblik te verliezen; ik liet door mijne bedienden bij het maanlicht, op het plein mijner woning, een' der marmeren steenen opnemen, en een graf maken, waarin wij het lijk van de jonge dame nederlieten. Nadat dit met aarde bedekt en de steen weder op zijne plaats gebragt was, gaf ik mijnen dienstboden hun loon met eenige geschenken, en liet hen vertrekken. Toen trok ik een reisgewaad aan, deed het voorhanden geld in een valies, sloot al de vertrekken, benevens de voordeur, hing mijn zegel daaraan, en verwijderde mij met spoed. Ik begaf mij naar den juwelier, die de eigenaar van mijne woning was, betaalde de verschuldigde huur en een jaar vooruit, en gaf hem den sleutel in bewaring. „Eene gewigtige zaak,” zeide ik tot hem, „dringt mij onmiddelijk op reis te gaan, en mijne ooms te Caïro op te zoeken.” Een oogenblik later steeg ik te paard en vertrok naar Egypte.

Mijne reis,” vervolgde de jonge man van Moussoul, „was zeer gelukkig, ik kwam zonder eenige onaangename ontmoeting te Caïro aan. Mijne ooms waren zeer verwonderd mij daar te zien. Ik gaf ter mijner verontschuldiging voor, dat het mij verdroten had langer op hen te wachten, en dat, volstrekt geene tijding krijgende, ongerustheid mij tot deze reis gedrongen had. Zij ontvingen mij zeer wel, en beloofden het bij mijnen vader goed te zullen maken, dat ik Damaskus zonder zijne toestemming had verlaten. Ik nam mijn' intrek in de zelfde khan, en bezigtigde alles wat Caïro aan schoons aanbood. Daar mijne ooms inmiddels hunne handelswaren verkocht hadden, begonnen zij er van te praten om naar Moussoul terug te keeren, en maakten zij toebereidselen tot vertrek. Mijne begeerte om meer van Egypte te zien was echter zoo groot, dat ik besloot een ander verblijf in Caïro op te zoeken, en mij daar verborgen te houden, tot dat mijne ooms zouden zijn afgereisd. Zij zochten mij door de geheele stad, maar mij niet vindende, dachten zij eindelijk dat het berouw, van tegen den wil mijns vaders in Egypte te komen, mij bewogen had, dadelijk naar Damaskus terug te keeren. Zij vertrokken dus derwaarts, in de hoop er mij te zullen aantreffen, en van daar naar Moussoul mede te nemen.

Ik bleef op deze wijze na hun vertrek in Caïro achter, en hield mij daar gedurende drie jaren op, ten einde geheel te voldoen aan mijnen wensch, om al de wonderen van Egypte te zien. Gedurende mijn verblijf aldaar, droeg ik zorg aan den juwelier te Damaskus geld voor de huishuur over te maken, met verzoek zijne woning voor mij open te houden, daar het mijn plan was, die later weder te betrekken. Te Caïro had ik geene ontmoeting waardig om u te verhalen; maar gij zult zeer zeker ten hoogste verbaasd zijn, over hetgeen mij bij mijne terugkomst te Damaskus bejegend is.

Bij mijne aankomst in deze stad steeg ik bij den juwelier af, die mij met blijdschap welkom heette, en zich de moeite getroostte, mij naar mijne woning te vergezellen, om mij te doen zien, dat alles zich nog in den zelfden toestand bevond, als ik het bij mijn vertrek gelaten had. Werkelijk waren de zegels op alle sloten nog ongeschonden, waarover ik hoogst voldaan was. Toen ik nu met het opruimen en schoonmaken der zaal, waar ik met de beide dames gegeten had, een begin liet maken, raapte een mijner bedienden een gouden halsketen op, waarin tien zeer groote en fijne paarlen gezet waren. Hij bragt ze mij, en ik herkende haar als het halssieraad van de vergiftigde jonge dame. Ik vermoedde, dat ze los geraakt en op den grond moest zijn gevallen, zonder dat ik daarvan iets gemerkt had. Ik kon de keten niet aanzien, zonder tranen te storten over het treurige lot van de beminnelijke vrouw, die ze gedragen had, en die ik in mijne armen had zien sterven. Ik wikkelde de keten in een' zijden doek, en droeg ze tot een aandenken op mijn hart.

De eerste dagen wijdde ik aan de rust toe, ten einde van de vermoeijenissen der reis te bekomen. Vervolgens ging ik mijne oude vrienden en bekenden weder opzoeken, en leidde een vrolijk en genoegelijk leven. De verteringen, die ik maakte waren echter te groot voor mijn vermogen, en zoo zag ik mij na eenigen tijd in eene dringende geldverlegenheid. In plaats van mijne meubelen te verkoopen, besloot ik mij van het gevonden juweel te ontdoen, maar geene de minste kennis van paarlen hebbende, overlegde ik mijne zaak zeer slecht, zoo als gij nu zult hooren.

Ik ging naar den berestein, en vervoegde mij bij een' makelaar, aan wien ik mijne keten liet zien. Ik zeide hem, dat ik die wenschte te verkoopen, en hij ze aan de voornaamste juweliers kon aanbieden. De makelaar, verbaasd over de kostbaarheid van de halsketen, gaf zijne verwondering te kennen door den uitroep: „O hoe schoon!” Hij kon zich niet verzadigen de paarlen te aanschouwen, en verzekerde mij, dat de juweliers als om strijd er naar dingen zouden ze te koopen, zoodat ik gewis een' hoogen prijs zou maken. Hij bragt mij in een' winkel, en wel toevallig in dien van den eigenaar mijner woning. „Wacht mij hier,” sprak hij, „ik zal u weldra meer kunnen zeggen.”

Terwijl de makelaar van koopman tot koopman ging, om onder het zegel van geheimhouding mijn juweel te laten zien, zette ik mij bij den juwelier neder, en onderhield mij met hem over verschillende zaken, tot dat de makelaar terugkwam, en mij ter zijde nam. In plaats van mij te zeggen, dat men de halsketen op minstens twee duizend goudstukken gewaardeerd had, verzekerde hij mij, dat men er niet meer dan vijftig voor wilde geven. „Dit komt,” voegde hij er bij, „omdat de paarlen niet echt zijn; bedenk u nu, of gij ze voor dien prijs wilt laten.” Ik geloofde den man op zijn woord, en daar ik zeer om geld verlegen was, zeide ik: „Ga, ik verlaat mij op hetgeen gij zegt, en op het woord van hen, die meer kennis van paarlen hebben dan ik; lever het halssnoer voor den u geboden prijs, en breng mij dadelijk het geld.”

De makelaar had mij vijftig goudstukken geboden op last van een' der rijkste juweliers van den berestein, die mij dit bod deed, ten einde mij op de proef te stellen, of ik ook met de waarde bekend was van hetgeen ik ter verkoop liet aanbieden. Naauwelijks had hij dus mijn antwoord van den makelaar vernomen, of hij ging met hem naar den commissaris van policie, aan wien hij het halssnoer liet zien. „Heer,” zeide hij „zie hier eene keten, welke men mij heeft ontstolen; de dief, zich voor een' koopman uitgevende, heeft de onbeschaamdheid gehad, ze op den berestein, waar hij zich nog bevindt, te koop aan te bieden. Hij vergenoegt zich,” voegde de juwelier er bij, „met vijftig goudstukken voor een juweel, dat onder kenners twee duizend waard is; bewijs genoeg, dat hij een' dief moet zijn.”

De commissaris van policie zond terstond eenige zijner dienaren om mij op te halen, en toen ik voor hem werd gebragt, toonde hij mij het halssnoer en vroeg mij of het niet datgene was, hetwelk ik op den berestein te koop had laten veilen. Ik kon dit niet ontkennen. „Is het ook waar,” vervolgde hij, „dat gij dit kleinood voor vijftig goudstukken missen wilt?” Ik stemde ook dit toe. „Wel nu,” sprak hij op spottenden toon, „dat men hem stokslagen geve; hij zal ons' met zijn fraai koopmanskleed, spoedig belijden, dat hij slechts een onhandige dief is; sla er op los, tot dat hij de waarheid bekend heeft.” De smart der stokslagen, die als hagel op mij nederstortten en mijne leden radbraakten, deed mij eene leugen zeggen; ik beleed, tegen de waarheid in, dat ik het halssnoer gestolen had, waarop de commissaris van policie mij terstond de regterhand deed afkappen.

Dit voorval maakte op den berestein een groot gerucht, en naauwelijks had ik mijne woning bereikt, of de eigenaar liet zich daar ook vinden. „Mijn zoon,” sprak hij, „gij komt mij voor als een verstandig en welopgevoed jongmensch. Hoe is het mogelijk, dat gij u aan eene zoo onwaardige daad hebt schuldig gemaakt, als waarvan ik op den berestein heb hooren spreken. Gij hebt mij gezegd, en ik wil u gelooven, dat uw vader een rijk man is. Waart gij in verlegenheid, waarom mij niet om geld gevraagd? Ik zou het u geleend hebben. Maar na hetgeen nu is voorgevallen, mag ik u in mijn huis niet langer laten wonen, draag dus zorg u van eene andere woning te voorzien.” Ik werd door deze woorden zeer ter neêr geslagen, en smeekte den juwelier met tranen in de oogen mij dan toch te vergunnen, nog drie dagen in zijn huis te blijven, hetgeen hij mij toestond.

„Helaas!” riep ik uit, „hoe groot is mijn ongeluk en mijne schande! Zal ik naar Moussoul durven terugkeeren? Zal wel iets in staat zijn mijn' vader te overtuigen, dat ik als een dief gestraft, toch onschuldig ben?”

Drie dagen na de ondergane straf, zag ik tot mijne verwondering eene menigte lieden, waaronder de eigenaar van mijn huis en de koopman, die mij valsch beschuldigd had, met den commissaris van policie mijne woning binnendringen. Ik vroeg hen, wat zij van mij begeerden, maar in plaats van te antwoorden, kwamen de geregtsdienaren naar mij toe, en bonden mij de armen op den rug, terwijl men mij allerlei beleedigingen zeide. De geregtsdienaren gaven mij te kennen, dat zij mij voor den gouverneur van Damaskus moesten brengen, aan wien het noodlottige halssnoer vroeger had toebehoord, en die het, te gelijk met eene van zijne dochters, nu bijna drie jaren geleden vermist had. Gij kunt denken, hoe ik bij dit nieuwe gevaar, dat mij bedreigde, te moede werd. Ik nam evenwel terstond mijn besluit. „Ik zal,” sprak ik in mij zelven, „den gouverneur de volle waarheid zeggen, het zal dan van hem afhangen mij vergiffenis te schenken, of mij te doen sterven.”

Toen men mij voor den gouverneur gebragt had, bemerkte ik, dat hij eenen mededoogenden blik op mij vestigde, waardoor ik eenige hoop begon te koesteren op een' goeden uitslag. Hij deed mij van mijne banden bevrijden, en zich vervolgens wendende tot den juwelier, mijn' aanklager, en tot mijn' huisheer, vroeg hij: „Is dit de man, die het halssnoer te koop heeft laten veilen?” Naauwelijks hadden zij dit met ja beantwoord, of hij vervolgde: „Ik ben echter overtuigd dat hij het halssnoer niet heeft gestolen, en het bevreemdt mij zeer, dat men hem zoo onregtvaardig heeft behandeld.” Bemoedigd door deze woorden, wierp ik mij aan zijne voeten en zeide: „Heer, gij hebt wel gezegd, ik zweer u dat ik aan den diefstal geheel onschuldig ben. Zelfs heb ik de overtuiging, dat het snoer paarlen nooit aan mijn' aanklager toebehoorde, wiens verfoeijelijk bedrog de oorzaak is, dat ik op eene zoo onwaardige wijze behandeld ben geworden. Het is waar, ik heb beleden het gestolen te hebben, maar ik deed dit onder de mijne leden martelende stokslagen, die men mij toedeelde, tegen de waarheid in. Ook bestond daarvoor nog eene andere reden, die ik bereid ben u mede te deelen, indien gij de goedheid wilt hebben mij aan te hooren.” „Ik weet genoeg,” hernam de gouverneur, „om u reeds thans een gedeelte van het regt te laten wedervaren, waarop gij aanspraak hebt. Dat men,” vervolgde hij, een' verpletterenden blik op den juwelier werpende, „den valschen beschuldiger van hier brenge, en de zelfde straf doe ondergaan, die hij dezen jongeling berokkende, voor wiens onschuld ik insta.”

Het bevel van den gouverneur werd dadelijk ten uitvoer gebragt. Men leidde den koopman in juweelen naar buiten, en hij onderging zijne welverdiende straf. Hierop liet de gouverneur allen vertrekken, waarna hij zich tot mij wendde, en zeide: „Mijn zoon, verhaal mij thans zonder beschroomdheid, op welke wijze het halssnoer in uw bezit is gekomen, en verheel niets voor mij.” Ik deelde hem nu al het gebeurde mede, en beleed, dat ik liever voor een' dief had willen doorgaan, dan het treurspel, dat ten mijnent was voorgevallen, aan het daglicht brengen. „O Allah!” riep de gouverneur, zoodra ik met spreken geëindigd had, „uwe oordeelen zijn ondoorgrondelijk, en wij moeten er ons aan onderwerpen, zonder te morren. Ik ontvang met diepe onderwerping den slag, waarmede het u behaagt heeft mij te treffen.” Daarop het woord tot mij rigtende, vervolgde hij: „Mijn zoon; nu ik de oorzaak van uw ongeluk ken, wil ik u ook een verhaal doen van het mijne. Verneem dan, dat ik de vader ben der twee dames, waarover gij mij gesproken hebt. Weet,” ging hij zuchtende voort, „dat de eerste dame, welke de schaamteloosheid had, u in uwe woning te komen opzoeken, mijne oudste dochter was. Ik had haar aan een' zoon mijns broeders te Caïro uitgehuwelijkt. Na den dood van haren man, kwam zij bij mij terug, verdorven door allerlei ondeugden, welke zij gedurende haar verblijf in Egypte had aangeleerd. Vóór hare komst had mijne tweede dochter, die op eene zoo beklagenswaardige wijze in uwe armen is gestorven, een onbesproken leven geleid. Hare oudste zuster verbond zich ten naauwste met haar, en maakte haar van lieverlede even slecht, als zij zelve was. Toen ik haar op den dag na haren rampspoedigen dood niet aan tafel zag verschijnen, vroeg ik aan mijne oudste dochter of zij niets van haar wist, doch in plaats van mij te antwoorden, begon zij zoo bitter te weenen, dat ik voor het ergste beducht werd. Ik drong er sterk op aan, dat zij mij op mijne vraag zou antwoorden. „Vader,” zeide zij nu snikkende, „al wat ik zeggen kan, is dat mijne zuster gisteren in haar beste kleed, en met haar schoonste parelsnoer uitgegaan, en sedert niet teruggekomen is.” Ik liet door de gansche stad naar mijne dochter zoeken, maar ik kon van haar ongelukkig lot niets te weten komen. Intusschen beweende mijne oudste dochter hare zuster dag en nacht; ongetwijfeld gevoelde zij berouw over hare in woedende jaloezij begane misdaad, althans zij weigerde alle voedsel, en maakte op die wijze een einde aan haar rampzalig leven.

Zie daar het lot der menschen. Gelukkig hij, wiens leven geene aaneenschakeling van rampen is! Maar mijn zoon,” vervolgde hij, „want als zoodanig beschouw ik u van dit oogenblik af, laat ons het ongeluk als mannen dragen, en elkander zoo veel mogelijk trachten te troosten, over hetgeen wij niet veranderen kunnen. Ik zal u mijne derde en jongste dochter ten huwelijk geven, die van een geheel ander gedrag is, dan dat hare zusters waren. Zij is niet alleen schoon, maar heeft een zoo zacht en beminnelijk karakter, dat ik verzekerd ben, dat zij u gelukkig zal maken. Gij zult zamen bij mij wonen, tot troost en vreugde in mijnen ouderdom, en na mijnen dood zult gij mijne eenigste erfgenamen zijn.”

„Heer,” zeide ik tot den gouverneur, „ik ben verlegen over uwe goedheid, en ik zal die nimmer genoeg kunnen erkennen.” „Spreek mij daar niet van,” viel hij mij in de rede, „laat ons den tijd niet met woorden verbeuzelen.” Dit gezegd hebbende, liet hij den kadi en getuigen ontbieden, en nog dien zelfden dag werd ik met zijne dochter in den echt verbonden.

De gouverneur vergenoegde zich niet alleen den juwelier, die mij valsch beschuldigd had, te straffen, hij liet ook al zijne bezittingen, die zeer groot waren, ten mijnen voordeele verbeurd verklaren. In één woord, hij heeft mij lief als een eigen zoon, en gij zelf hebt gezien, hoe verblijd hij over mijne herstelling is. Nog moet ik u zeggen, dat mijne ooms iemand naar Egypte zonden om mij daar op te zoeken. Deze bode vond mij op zijne terugreis, en stelde mij een' brief van hen ter hand. Mijn ooms berigtten mij het overlijden van mijn' vader, en noodigden mij uit te Moussoul te komen om zijne nalatenschap, die zeer aanzienlijk is, te aanvaarden. Ik kon echter niet besluiten mijnen schoonvader te verlaten, en heb derhalve aan den mij gezonden bode eene volmagt voor een' mijner ooms ter hand gesteld, ten einde deze die zaak voor mij zou kunnen regelen. Na al hetgeen ik u verhaald heb, hoop ik, dat gij mij de onwellevendheid zult vergeven, dat ik gedurende mijne ziekte, als gij mij den pols wildet voelen, u steeds de linkerhand aanbood in plaats van de regter.”

Zie daar sire,” zeide de Joodsche geneesheer tot den sultan van Cachgar, „wat mij de jonge man van Moussoul verhaalde. Ik bleef te Damaskus, zoo lang de gouverneur leefde, maar na zijn overlijden, nog in den bloei mijns levens zijnde, kreeg ik lust te gaan reizen. Ik trok door geheel Perzië, een gedeelte van Indië en Tartarijë, en heb mij eindelijk in uwe hoofdstad neêrgezet, waar ik mijn vak, zoo ver mij bekend is, steeds met naauwgezetheid heb uitgeoefend.”

De sultan van Cachgar vond in deze geschiedenis meer behagen, dan in de beide voorgaande verhalen. „Ik moet toestemmen,” zeide hij tot den Jood, „dat hetgeen gij mij daar verteld hebt, verwonderlijk is, maar ronduit gezegd, de geschiedenis van den gebogchelde, is dit in nog hoogere mate. Reken er dus niet op dat ik u, met de anderen, het leven zal schenken; ik zal u integendeel alle vier doen ophangen.” „Niet zoo haastig, sire, als ik u bidden mag!” riep de snijder, terwijl hij vooruitdrong, en zich voor den troon des sultans nederwierp. „Daar uwe majesteit op vermakelijke geschiedenissen gesteld is, zal die, welke ik te verhalen heb, haar zeker niet mishagen.” „Ik wil ook u nog wel aanhooren,” zeide de sultan, „maar vlei u niet, dat ik u zal laten leven, tenzij gij mij eene fraaijere geschiedenis mededeelt, dan die van mijnen hofnar.” De kleêrmaker, als ware hij zeker van zijne zaak, nam met zelfvertrouwen het woord op, en ving aldus aan.

GESCHIEDENIS, VERHAALD DOOR EEN KLEÊRMAKER.

„Sire, een burger dezer stad liet mij gisteren op een feest noodigen, dat hij aan eenige zijner vrienden wilde geven. Ik ging op het bepaalde uur derwaarts, en trof er een twintigtal personen aan.

Wij wachtten nog alleen op den gastheer, die voor eene onverwachts opgekomen zaak was uitgegaan, toen wij hem terug zagen komen, vergezeld door een nog jeugdig vreemdeling, van een goed uitzigt, maar sterk mank gaande. Wij stonden op en noodigden, om onzen gastheer, naar wij dachten, genoegen te geven, den jongen vreemdeling uit, zich bij ons op de sofa neder te zetten. Gereed om hieraan te voldoen, viel zijn oog op een' barbier die zich in ons gezelschap bevond, waarop hij dadelijk terugtrad, en zich wilde verwijderen. De gastheer vond dit zeer vreemd, hield hem tegen, en zeide: „Waar wilt gij heen? Ik nam u met mij, opdat gij mij de eer zoudt aandoen deel te nemen aan dit vriendenfeest, en naauwelijks hebt gij den voet in mijne woning gezet, of gij wilt u verwijderen?” „Heer,” antwoordde de jonge man, „ik smeek u mij dit niet euvel te duiden, en mij toe te staan, dat ik vertrek. Ik kan den hatelijken barbier daar onder mijne oogen niet dulden; ofschoon geboren in een land waar de menschen blank zijn, heeft hij het uitzigt van een' Ethiopiër, en zijne ziel is nog zwarter en afzigterlijker dan zijn gelaat.”

Wij waren allen verwonderd over eene beschuldiging zoo regt op den man aan, en ofschoon wij niet wisten, waarop die gegrond was, nam ons zulks echter zeer tegen den barbier in. Wij verklaarden zelfs niet aan tafel te willen zitten met iemand, die ons zoo ongunstig werd afgeschilderd, en zich dit zoetsappig liet aanleunen. De gastheer verzocht inmiddels den jongen man, van hem te mogen weten, wat hij tegen den barbier had.

„Zoo verneem dan, mijne heeren,” zeide de jonge vreemdeling, „dat die verwenschte barbier oorzaak mijner kreupelheid is, en dat hij mij in eene verlegenheid heeft gebragt, waarbij ik mijn leven ligtelijk had kunnen verliezen. Daarom heb ik gezworen, mij nimmer met hem in gezelschap te zullen bevinden, en zelfs de stad te verlaten, waar hij zijn verblijf houdt! Dit noopte mij uit Bagdad te gaan, waar ik hem achterliet. Om mij te zekerder en voor altoos van hem te bevrijden, deed ik eene zeer lange reis en zette mij in deze stad, midden in Tartarijë, neder. Geheel tegen mijne verwachting is hij echter een der eersten, die mij hier voor de oogen komt, en dit verpligt mij, mijne heeren, het genoegen te missen, in uw gezelschap te blijven. Ik heb vast besloten, deze stad nog heden te verlaten, en elders eene wijkplaats te zoeken, waar ik hoop van het zoo gehate barbiersgezigt bevrijd te zullen blijven.” Dit zeggende wilde de vreemdeling vertrekken, maar de gastheer hield hem andermaal terug, verzocht hem te blijven, en ons mede te deelen, waardoor zijn groote afkeer van den barbier was ontstaan. Gedurende dit geheele gesprek hield de barbier de oogen ter aarde geslagen en bewaarde het stilzwijgen, alsof hem de zaak niet aanging. Wij inmiddels voegden onze beden bij die van den heer des huizes. De jonge man, eindelijk voor onzen aandrang zwichtende, zette zich op de sofa, terwijl hij den barbier den rug toedraaide, en verhaalde ons het volgende.

„Mijn vader woonde te Bagdad en behoorde tot eenen stand, die hem aanspraak gaf naar de eerste staatsambten te dingen. Hij stelde echter meer prijs op een rustig leven, dan op aanzien en vorstengunst. Ik was zijn eenig kind. Hij liet mij bij zijn overlijden zeer vele goederen na, en hoewel de jongelingsjaren pas ontwassen, was ik verstandig genoeg de erfenis mijns vaders niet te verspillen. Ik maakte daarvan zulk een gebruik, dat ik mij de achting verwierf van alle weldenkende lieden.

Op mijn twintigste jaar wist ik nog niet bij ondervinding, wat liefde was. Ik geloofde zelfs daarvoor ongevoelig te zijn, en was nog zoo kinderachtig, het gezelschap der schoonen zoo veel mogelijk te vermijden. Op zekeren dag, dat ik mij op straat bevond, zag ik verscheidene jonge meisjes naderen, en sloeg, om haar te ontwijken, een zijstraatje in, waar ik mij op eene bank voor de deur eener woning nederzette. Ik had hier het gezigt op een venster tegenover mij, waarheen mijne aandacht werd getrokken door eene aldaar prijkende vaas met zeer zeldzame bloemen. Terwijl ik de bloemen bewonderde, werd het venster geopend door eene jonge dame van betooverende schoonheid. Zij sloeg eenen blik op mij, voorzag de bloemen van water en wierp mij een' vriendelijken groet toe. Ik kon de oogen niet van haar afwenden, en toen zij, vóór het venster te sluiten, mij nog eenen vriendelijken blik verwaardigde, was ik geheel genezen van mijnen afkeer van de vrouwen, en zoo verliefd als het maar zijn kan.

Nog lang nadat mijne schoone verdwenen was, zat ik naar haar venster te turen, en zou daar misschien nog een uur gezeten hebben, indien niet een gerucht van komende menschen mij in mijne verliefde droomerijen had gestoord. Ik wendde het hoofd om, en opstaande, zag ik dat het de eerste kadi der stad was, die op een' muilezel gezeten en vergezeld door vijf of zes van zijne dienaren naderde. Hij steeg voor de deur van het huis af, waar ik de schoone jonge dame aan het venster had gezien, en ging naar binnen, hetgeen mij deed denken dat hij haar vader was.

Bij mijne tehuiskomst bevond ik mij in eene zeer vreemde stemming; mijn bloed was zoo zeer in beweging geraakt, dat eene hevige koorts zich van mij meester maakte, en ik mij te bed moest begeven. Mijne bedienden waren deswegens zeer ontsteld. Zij liepen naar mijne bloedverwanten, die mij onverwijld kwamen opzoeken, en het mij zeer lastig maakten met vragen naar de oorzaak van mijne ongesteldheid, die ik mij wel wachtte hun mede te deelen. Mijne achterhoudendheid vermeerderde hunne ongerustheid over mijne ziekte, die de geneesheeren niet konden meester worden; want de geneesmiddelen, welke zij mij toedienden, maakten mij zieker in plaats van beter. Reeds begon men voor mijn leven te vreezen, toen eene bejaarde dame, die men van mijne ziekte onderrigt had, mij een bezoek bragt. Zij sloeg mij met aandacht gade, en na een naauwkeurig onderzoek, scheen zij, ik weet niet op welke wijze, de oorzaak van mijne ongesteldheid te raden. Zij verzocht mijne bloedverwanten haar met mij alleen te laten, en de bedienden te verwijderen.

Nadat allen het vertrek verlaten hadden, zette zij zich bij mijn rustbed neder. „Mijn zoon,” sprak zij tot mij, „gij hebt tot heden de oorzaak van uwe kwaal halstarrig trachten te verbergen, maar ik heb niet noodig, dat gij mij die zegt. Ik heb ondervinding genoeg om uw geheim te doorgronden, en gij zult mij niet tegenspreken, indien ik u zeg, dat het de liefde is, die u ziek maakt. Ik kan u echter tevens genezing aanbrengen, mits gij mij het meisje doet kennen, dat uwe algemeen bekende ongevoeligheid aldus deed ophouden.”

De bejaarde dame hield hier op met spreken, en scheen op mijn antwoord te wachten, maar ofschoon zij een' gunstigen indruk op mij maakte, durfde ik haar echter de oorzaak van mijn leed niet blootleggen. Ik bleef haar al zuchtende zwijgend aanzien. „Is het valsche schaamte of wantrouwen in mij,” hernam zij, „die u weêrhoudt te spreken? Twijfel niet aan de waarheid van hetgeen ik u heb toegezegd. Ik zou u onder uwe bekenden meer dan een' kunnen noemen, die zich in uwen toestand bevond, en die aan mij zijn tegenwoordig geluk verschuldigd is.”

Op deze wijze wist de goede dame mij eindelijk te bewegen, een hardnekkig stilzwijgen te laten varen, mijnen hartstogt te bekennen, haar alles mede te deelen, wat daarmede in betrekking stond, en van hetgeen mij bejegend was, niets te verzwijgen. „Indien gij slaagt,” zeide ik tot haar, „en mij het geluk verschaft, die lieve schoone te zien en haar te kunnen spreken over mijne liefde, zoo kunt gij staat maken op mijne erkentelijkheid.” „Mijn zoon,” antwoordde zij, „ik ken die jonge schoone van wie gij mij spreekt, zeer goed; zij is inderdaad, zoo als gij vermoedt, de dochter van den kadi, en zijn eenig kind. Het verwondert mij niet, dat gij op haar verliefd zijt geworden, zij is de schoonste en beminnelijkste jonge dame van geheel Bagdad; maar zij is tevens zeer koud en daardoor moeijelijk te genaken. Gij weet tevens dat onze regters zeer streng de harde wetten, die onze vrouwen in eenen lastigen dwang houden, toepassen. Waar het hunne eigene vrouwen of dochters geldt, doen zij dit nog meer, en de kadi is in dit opzigt de gestrengste van al zijne ambtgenooten. Daar zij hunne dochters steeds voorhouden, dat het eene groote misdaad is, zich aan een' man te laten zien, zijn de meesten zoo bevreesd, dat zij, over straat gaande, slechts oogen schijnen te hebben, om zich niet aan de steenen te stooten. Ik weet niet of dit ook het geval is met de dochter van den eersten kadi, maar toch vrees ik groote moeijelijkheden te zullen ondervinden, zoowel van haren kant, als bij haren vader. Mogt het Allah behaagd hebben, dat uw oog op eene andere dame ware gevallen! Ik zou dan met zoo vele hinderpalen niet te kampen hebben. Intusschen wil ik al mijne bekwaamheid in het werk stellen, maar gij moet geduld hebben, want dit zal hier niet het werk van éénen dag zijn. Houdt inmiddels goeden moed, en vertrouw op mij.”

De oude dame liet mij vervolgens alleen, en mij al de zwarigheden voor den geest halende, welke zij mij had opgesomd, deed de vrees, dat zij niet in hare onderneming zoude slagen, mijne ongesteldheid eer toe dan afnemen. Zij kwam des anderen morgens terug, en ik las op haar gelaat, dat zij mij niet veel gunstigs te berigten had. Zoo was het ook. „Mijn zoon,” zeide zij, „ik heb mij niet bedrogen: ik heb geheel iets anders te bestrijden gevonden, dan de waakzaamheid van eenen vader; gij bemint een ongevoelig wezen, dat er behagen in schept de mannen verliefd te maken op hare bekoorlijkheden, zonder hun de minste gunst toe te staan. Zij hoorde mij met blijkbaar vermaak, zoo lang ik slechts van uw lijden sprak; maar zoodra had ik niet gerept van uwen wensch, om haar te zien en te spreken, of zij wierp mij een' vertoornden blik toe, en zeide: „Gij zijt wel onbeschaamd, mij zulk een voorstel te doen. Indien gij mij immer weder met iets dergelijks aankomt, zal mijne woning voor altoos voor u gesloten zijn.”

Dat dit,” vervolgde de bejaarde dame, „u echter niet te zeer bedroeve; ik laat mij zoo spoedig niet afschrikken. Indien gij slechts geduld wilt nemen, zoo wanhoop ik geenzins, ook deze moeijelijke zaak tot een goed einde te brengen.”

De goede oude dame wendde vervolgens nog verscheidene pogingen aan, zonder het voorwerp mijner liefde gunstig voor mij te kunnen doen stemmen. De droefheid hierover deed mijne kwaal zoo zeer toenemen, dat de doctor mij opgaf. Ik werd dus reeds aangemerkt als iemand den dood nabij, toen de oude mij het leven kwam teruggeven.

Opdat niemand het zou hooren, naderde zij mijn bed, en fluisterde mij op eene geheimzinnige wijze in het oor: „Denk aan het geschenk, dat gij mij moet geven voor het goede nieuws dat ik u breng.” Deze woorden bragten een wonder te weeg. Ik ging terstond overeind zitten, en antwoordde haar met geestvervoering: „Het geschenk zal niet achterblijven, wat hebt gij mij voor goeds te zeggen?” „Mijn lieve heer,” antwoordde zij, „gij zult niet sterven, en ik hoop u weldra gezond te zien. Hoor slechts, gij zult over mij tevreden zijn. Gisteren middag bezocht ik nogmaals de dochter van den kadi, en trof haar in eene zeer goede stemming. Daarmede meende ik mijn voordeel te moeten doen. Ik zette een zeer treurig gezigt, zuchtte diep, terwijl de tranen mij langs de wangen liepen. „Wat scheelt u, mijne goede moeder?” vroeg zij. „Helaas! mijne lieve dame,” antwoordde ik, „ik was zoo even bij den jongen man, van wien ik u vroeger reeds gesproken heb; het is met hem gedaan, hij sterft van liefde voor u, uwe hardheid gaat waarlijk te ver.” „Ik begrijp niet,” hernam zij, „waarom gij wilt dat ik oorzaak van zijnen dood zou zijn. Hoe kan ik daartoe iets hebben bijgedragen?” „Dat is nu een vraag!” gaf ik ten antwoord, „heb ik u niet vroeger reeds gezegd, dat hij zich tegenover uw raam bevond, toen gij dit opendet, om uwe bloemen te begieten? Hij zag uwe schoonheid en de bekoorlijkheden, welke uw spiegel u dagelijks voorhouden. Van dat oogenblik af kwijnt hij, en zijne ziekte is sedert zoo toegenomen, dat hij thans op sterven ligt.

Gij zult u nog wel herinneren, mejufvrouw,” vervolgde ik na een kort stilzwijgen, „hoe hard gij mij hebt bejegend, als ik u van zijne liefde sprak, en u het voorstel deed om hem uit zijn' gevaarlijken toestand te redden. Toen ik met die treurige boodschap bij hem kwam, dat gij niets van hem wildet weten en uw hart voor het mededoogen gesloten was, nam zijne ziekte hand over hand toe, en van dat oogenblik af verkeert zijn leven in gevaar, en ik weet zelfs niet, of hij nog te helpen zou zijn, indien gij medelijden met hem wildet hebben.”

Ziedaar, wat ik haar zeide,” vervolgde de oude vrouw. „De vrees, de oorzaak van uwen dood te zullen zijn, bragt haar aan het wankelen, zij werd bleek. „Is het wel alles waar,” hernam zij, „wat gij mij daar zegt? Is hij werkelijk alleen ziek uit liefde tot mij?” „Ach, mejufvrouw,” antwoordde ik „het is maar al te waar; de hemel gave, dat het anders ware!” „En gelooft gij,” hernam zij, „dat de hoop mij te zien en te spreken, zou kunnen bijdragen, om hem uit dien gevaarlijken toestand te redden?” „Misschien wel,” antwoordde ik, „en indien gij het mij gelast, zoo wil ik deze genezing beproeven.” „Welnu” zeide zij zuchtende, „geef hem dan hoop, dat hij mij zien en spreken zal; maar voeg er bij, dat hij op geene verdere gunsten te rekenen heeft, tenzij hij naar mijne hand wil dingen, en mijn vader zijne toestemming tot ons huwelijk geeft.” „Mejufvrouw!” riep ik uit, „gij zijt bijzonder goed; ik ga den jongen man dadelijk opzoeken en hem zeggen, dat hij de vreugde zal smaken, een onderhoud met u te hebben. Wanneer wilt gij zulks?” „Ik weet daartoe geen' beteren tijd,” zeide zij, „dan aanstaanden Vrijdag onder het middaggebed. Laat hij dan toezien, wanneer mijn vader uitgaat, om zich naar de moskee te begeven, en zoodra deze de straat uit zal zijn, zich onder mijn venster vertoonen; ik zelve zal dan afkomen, om hem de deur te openen. Wij kunnen dan zamen spreken, maar hij moet zich verwijderen, vóór dat mijn vader te huis komt. Is hij echter Vrijdag nog te ziek, dan zullen wij een' later uur bepalen.”

Wij hebben heden Dingsdag,” ging de oude voort, „gij hebt dus tot Vrijdag tijd, om uwe krachten te herstellen.” Naarmate zij met spreken voortging, voelde ik mijne krachten toenemen, en toen zij geëindigd had, was ik van mijne ziekte genezen. „Neem dit,” zeide ik, haar eene goed gevulde beurs gevende, „gij hebt mij genezen, en daarom geloof ik dit geld beter besteed, dan hetgeen ik aan den geneesheer heb moeten geven, die mij gedurende mijne ziekte slechts geplaagd heeft.”

Nadat de oude dame vertrokken was, gevoelde ik mij sterk genoeg, om het bed te verlaten. Ik stond op, en overtuigde mijne bloedverwanten van mijne geheele herstelling.

Des Vrijdags morgens, terwijl ik bezig was mijn beste kleed aan te trekken, kwam de oude dame mij bezoeken. „Ik behoef, naar hetgeen ik hier zie,” zeide zij, „niet te vragen, hoe het u gaat, maar wilt gij alvorens naar de dochter van den kadi te gaan, niet een bad nemen?” „Dat zou mij te veel tijd rooven,” gaf ik ten antwoord, „ik zal alleen een' barbier laten komen, om mij het haar te knippen en den baard te scheren.” Te gelijker tijd gaf ik aan een' van mijne slaven last, een' bekwamen barbier te gaan opzoeken.

De slaaf bragt mij den misselijken vent, dien gij hier ziet. Hij groette mij en zeide: „Heer, aan uw gelaat te zien, zou ik denken dat gij niet wel waart.” Ik antwoordde, dat ik ziek geweest was. „Ik wensch,” hernam hij, „dat Allah u voortaan van alle kwalen mag bevrijden, en dat zijne gunst u bijblijve al uwe levensdagen.” „En ik hoop,” antwoordde ik, „dat uw wensch vervuld mag worden.” „Daar gij herstellende zijt,” ging hij voort, „zoo zal ik Allah bidden, dat gij geheel moogt beteren. Zeg mij thans, wat er van uwe dienst is, ik heb mijne scheermessen en lancetten mede gebragt; wilt gij, dat ik u zal scheren of aderlaten?” „Ik heb u reeds gezegd,” hernam ik, „dat ik ziek ben geweest; gij kunt dus wel denken, dat ik u alleen noodig heb, om mij te scheren; haast u dan, en laat ons geen' tijd verliezen met praten, want mijne oogenblikken zijn mij kostbaar; men wacht mij tegen het middaguur.”

De barbier maakte veel tijd zoek met zijn' scheerzak te openen en zijne messen aan te zetten; en in plaats van water in het bekken te doen, haalde hij uit zijn' scheerzak een astrolabium te voorschijn, ging de kamer uit naar het voorhof, waar hij met deftigen ernst de hoogte der zon ging opnemen. Hij kwam met den zelfden langzamen tred terug, en zeide bij het binnen treden: „Gij zult blijde zijn, mijnheer, van mij te vernemen, dat wij heden den 18en Vrijdag van de maand Safar hebben, in het 653e jaar sedert de vlugt van onzen grooten Profeet van Mekka naar Medina, en in het 7320e van den grooten Iskender met twee horens; terwijl de vereeniging van Mars en Mercurius beteekent, dat gij geen gelukkiger oogenblik, dan het tegenwoordige zoudt kunnen uitkiezen, om den baard te laten afnemen. Maar van den anderen kant is deze vereeniging der beide planeten Mars en Mercurius voor u een slecht voorteeken; zij onderrigt mij, dat u op dezen dag een groot gevaar boven het hoofd hangt. Niet dat uw leven daarbij bedreigd wordt, maar het geldt hier eene verminking, die u tot aan het graf zal bijblijven. Gij moet mij alzoo ten hoogste verpligt zijn voor mijne waarschuwing, waardoor gij u in acht kunt nemen tegen een ongeluk, dat mij groot leed zou doen, indien het u overkwam.”

Gij kunt oordeelen, mijne heeren, over mijnen spijt, in de handen gevallen te zijn van zulk eenen praatzuchtigen en onbeschaamden barbier! Welk knellend tijdverlies voor een' minnaar, die zich gereed maakt, zijne geliefde te bezoeken! Ik was buiten mij zelven van kwaadheid. „Wat gaan mij,” riep ik in toorn uit, „uwe waarschuwingen en voorspellingen aan! Ik heb u niet laten roepen, om sterrekundige waarnemingen te doen, maar om mij den baard af te nemen; scheer mij dus, of ga van hier, en ik zal een' ander laten komen.”

„Heer,” gaf hij ten antwoord met eene kalme bedaardheid, om mij het geduld nog meer te doen verliezen, „welke reden hebt gij, om u boos te maken? Weet gij wel, dat niet alle barbiers aan mij gelijk zijn, en dat gij, om er zoo eene te vinden, hem eerst zoudt moeten maken. Gij hebt slechts naar een' barbier gevraagd, en in mij hebt gij gevonden den besten barbier uit geheel Bagdad, een' geneesheer, die ondervinding heeft en zijn vak verstaat, een' chimist, die in de diepste geheimen der scheikunde is doorgedrongen, een' sterrekundige die zich nog nooit in zijne berekeningen bedrogen heeft; een' taalkundige zonder weêrga, een' volmaakten rhetoricus, een' spitsvindigen redekunstenaar, een' mathematicus volleerd in de meetkunde en in de moeijelijkste stellingen der algebra, een' geschiedschrijver, die bekend is met de geschiedenis van alle koningrijken en volken der aarde! Bovendien ben ik te huis in alle vertakkingen der wijsbegeerte; onze wetten en overleveringen staan in mijn geheugen geschreven als in een boek, er ontbreekt niets aan. Ik ben dichter, bouwkundige, maar wat is er, dat ik niet ben? Er is niets in de natuur, dat voor mij verborgen is. Wijlen mijnheer uw vader, aan wien ik niet kan denken, zonder tranen te storten, als een offer aan zijne nagedachtenis, was overtuigd van mijne verdiensten; hij beminde mij, bewees mij alle vriendschap, en waar hij zich in gezelschap bevond, daar sprak hij van mij als van den grootsten man, die ooit onder den hemel leefde. En ik wil, uit dankbaarheid en uit liefde voor hem, mij aan u verbinden, u onder mijne bescherming nemen, en u behoeden voor al de ongelukken, waarmede de sterren u mogen bedreigen.”

Bij dit gesprek kon ik, niettegenstaande mijnen toorn, mij niet van lagchen onthouden. „Zijt gij nu haast ten einde, onophoudelijke babbelaar!” riep ik uit, „en zal het u nu behagen mij te scheren?” „Heer,” hernam hij, „gij hebt ongelijk, mij een' babbelaar te noemen; ieder, die mij kent, geeft mij integendeel den eervollen titel van den zwijger. Ik heb zes broeders gehad, die gij met regt babbelaars hadt kunnen noemen. Om u eenigzins met hen bekend te maken, zoo weet, dat de oudste werd genaamd Bacbouc, de tweede Bakbarah, de derde Bakbac, de vierde Alcouz, de vijfde Alnaschar en de zesde Schacabac. Dat waren allen lastige praters, maar ik, die hun jongste broeder ben, ik ben ernstig en beknopt in mijne gesprekken.”

Ik bid u, mijne heeren, stelt u voor een oogenblik in mijne plaats, wat moest ik doen, om ontslagen te worden van een' mensch, door wien ik mij aldus op de folterbank zag gebragt? „Geef hem drie goudstukken,” zeide ik tot een' mijner slaven, die met de uitgaven van mijn huis belast was, „opdat hij heenga, en mij met rust late; ik wil heden niet geschoren worden.” „Mag ik u vragen, heer, hoe gij dat verstaat?” hernam de barbier, „ik heb u niet opgezocht, maar gij hebt mij hier laten ontbieden; en dit zoo zijnde, zoo zweer ik u bij mijn geloof als Muzelman, dat ik uw huis niet zal verlaten, alvorens u geschoren te hebben. Dat gij mijne verdiensten niet kent, kan ik niet helpen. Wijlen mijnheer uw vader liet mij beter regt wedervaren; zoo menigmaal als hij mij deed roepen, moest ik naast hem gaan zitten, en het was dan een vermaak aan te hooren, welke schoone zaken ik hem vertelde. Ik wist hem in eene voortdurende verwondering te houden, ik nam hem geheel in, en wanneer ik geëindigd had, „O!” riep hij dan uit, „uw hoofd is eene onuitputtelijke bron van wetenschappen! Er is geen mensch op de wereld, die bij u in diepte van kennis halen kan.” „Mijn goede heer,” antwoordde ik dikwijls, „gij doet mij meer eer aan, dan ik verdien. Heb ik iets schoons gezegd, ik ben dat verschuldigd aan het goedgunstige gehoor, dat gij mij geeft; het zijn uwe goedheden, die mij de schrandere denkbeelden ingeven, waarmede ik de eer heb, u te behagen.” Op zekeren tijd, dat uw vader geheel in verrukking was, over het bewonderenswaardige gesprek, dat ik tot hem gevoerd had, riep hij uit: „Dat men hem honderd stukken goud geve, en hem omkleede met mijn beste kleed.” Ik ontving deze geschenken gaarne, en trok dadelijk zijn' horoscoop, die ik bevond zeer gelukkig te zijn.”

Denkt echter niet mijne heeren,” vervolgde de jonge kreupele van Bagdad, „dat de barbier het daarbij liet, neen, hij knoopte nu een ander gesprek aan, dat meer dan een half uur duurde. Vermoeid van hem aan te hooren, en ontevreden, dat de tijd inmiddels voorbij ging, zonder dat ik iets verder kwam, wist ik bijna niet meer, wat tegen dezen grooten kwelgeest te moeten zeggen. „Neen,” riep ik eindelijk uit, „het is niet mogelijk, dat er een tweede mensch op aarde gevonden wordt als gij, die er vermaak in schept, de lieden dol te maken.” Daar echter ook dit niet hielp, besloot ik te beproeven, of ik misschien met zachtheid bij hem verder zou komen, dan door mijn ongenoegen te laten blijken. „In naam van den grooten Profeet, bid ik u,” sprak ik tot hem, „uwe schoone gesprekken achterwege te laten, en mij spoedig te helpen; eene belangrijke zaak, gelijk ik u reeds gezegd heb, vereischt mijne tegenwoordigheid elders.” Op dit mijn zeggen, begon hij te lagchen. „Het zou zeer lofwaardig zijn,” sprak hij, „indien wij onzen geest altijd meester bleven, en immer wijs en voorzigtig waren; ik wil echter aannemen, dat uw toorn jegens mij meer de schuld van uwe ziekte, dan van uwe inborst is. In dezen toestand hebt gij echter behoefte aan eene goede leiding, en gij kunt niet beter doen, dan het voetspoor drukken van uwen vader en grootvader; zij kwamen mij spreken in alle gewigtige zaken, en ik kan zonder grootspraak zeggen, dat zij zich bij mijne raadgevingen steeds zeer wel bevonden. Gij moogt daaruit leeren, dat men, om in eene moeijelijke onderneming wel te slagen, den raad van lieden moet vragen, die kennis van zaken bezitten en ondervinding hebben. Het spreekwoord zegt niet te vergeefs: Wie verstandig wil wezen, moet den raad van een' verstandig mensch inroepen. En wat mij betreft, ik ben hierin geheel tot uwen dienst, gij hebt slechts te spreken.” „Kan ik dan niet van u verkrijgen,” viel ik ongeduldig in, „dat gij die lange gesprekken achterwege laat, die geene andere uitwerking hebben, dan mij het hoofd te vermoeijen, en die mij beletten te gaan, waar mijne zaken mij roepen? Scheer mij toch, of vertrek!” Dit zeggende stond ik vol spijt op, en trapte met den voet op den grond, dat de vloer dreunde.

Toen mijn kwelgeest zag, dat ik in ernst kwaad was, zeide hij: „Maak u niet boos: wij zullen een begin maken.” Werkelijk ligtte hij mijn hoofd op, en ving aan met scheren. Maar naauwelijks had hij vier streken met het scheermes gedaan, toen hij ophield, om tot mij te zeggen: „Heer, gij zijt opvliegend, gij moet die ondeugd, die alleen het werk des duivels is, bedwingen. Ik verdien, dat gij eerbied voor mij hebt, uithoofde van mijne jaren, mijne veelzijdige kennis en mijne uitstekende deugden, die . . . . . . .”

„Ga voort mij te scheren,” viel ik andermaal luide in, „en spreek geen woord meer!” „Dat wil zoo veel zeggen,” hernam de barbier, „als dat gij eene dringende zaak hebt te verrigten, ik wil wedden, dat ik mij niet vergist heb.” „Reeds twee uur geleden,” antwoordde ik met drift, „heb ik u dit gezegd, waarom maakt gij dan niet voort.” „Matig uwe haast,” hernam hij, „misschien hebt gij de zaak nog niet rijpelijk overwogen, die gij te verrigten hebt, en wat men met overhaasting doet, heeft bijna altoos berouw ten gevolge. Gij zoudt beter doen, mij te vertellen welke zaak u dus dringt, dan kan ik er mijn gevoelen over zeggen. Overigens hebt gij nog drie uur tijd, daar men u eerst tegen den middag verwacht.” „Ik behoef mij daaraan niet te binden,” zeide ik tot hem, „mannen van eer en woord zorgen vóór den bepaalden tijd ter plaatse te zijn, ten einde niet welligt op zich te laten wachten. Maar door aldus met u te redeneren, zou ik gevaar loopen zelf een babbelachtige barbier te worden; ik zwijg dus, en verzoek u, mij spoedig verder te scheren.”

Hoe meer haast ik aan den dag legde, hoe minder spoed hij maakte. Hij legde zijn scheermes neêr, om zijn astrolabium te krijgen, dan had hij het eene, dan het andere in de handen, tot dat hij eindelijk weder met zijn astrolabium in de hand naar buiten ging, om den juisten tijd van den dag op te nemen, terwijl hij mij half geschoren zitten liet. „Heer,” zeide hij, terug komende, „het is nog drie uur vóór den middag, ik ben daar zeker van, of alle regelen der sterrekunde moeten falen.” „Geregte hemel!” riep ik uit, „mijn geduld is ten einde, ik kan mij niet langer inhouden. Verwenschte barbier, wat let mij u te verwurgen!” „Zacht wat, zacht wat!” zeide hij met de grootste koelbloedigheid, zonder zich aan mijne oploopendheid te storen, „vergeet niet, dat gij ziek zijt geweest. Maak u niet driftig, gij zult binnen een oogenblik geholpen zijn.” Dit zeggende borg hij het astrolabium in zijn barbierskoker, vatte zijn scheermes op, dat hij eenige malen over den scheerriem streek, en ving weder aan mij te scheren; maar onder de hand kon hij toch het praten niet nalaten. „Indien gij mij wildet zeggen,” sprak hij, „welke zaak gij dezen middag te verrigten hebt, ik zou u een' goeden raad geven, waarbij gij u wel zult bevinden.” Om hem tevreden te stellen, gaf ik voor, dat mijne vrienden mij dien middag verwachtten op een feestmaal, dat zij ter eere van mijne herstelling aanrigtten.

Zoodra de barbier van een feestmaal hoorde spreken, riep hij eensklaps uit: „Dat Allah u zegene, nu en eene lengte van dagen! Gij herinnert mij daar, dat ik vier of vijf van mijne vrienden heb uitgenoodigd, om dezen middag bij mij te komen eten. Dit was mij geheel door het hoofd gegaan; zoodat ik nog volstrekt geene toebereidselen tot hunne ontvangst gemaakt heb.” „Laat u dit niet verlegen maken,” zeide ik, „hoewel ik dezen middag buitenshuis ga eten, is mijn provisiekamer echter goed voorzien, en al wat zij bevat, is geheel tot uwen dienst. In mijn' kelder heb ik voortreffelijken wijn, waarvan ik u zal doen geven, zoo veel als gij verlangen zult; alleen haast u nu, mij verder te scheren; bedenk, dat ik u deze geschenken niet geef zooals mijn vader, om u te hooren spreken, ik geef ze om u te doen zwijgen.”

Hij scheen aan mijn woord alleen echter niet genoeg te hebben. „Allah zal u vergelden!” riep hij uit, „al het goede dat gij mij bewijst; maar toon mij dadelijk dien voorraad, opdat ik zal kunnen zien, of er genoeg is om mijne vrienden te onthalen; want ik wil, dat zij over mij tevreden zullen zijn.” „Er is,” zeide ik, „een lam, er zijn zes kalkoenen, een dozijn kuikens, en genoeg om voor het eerste geregt vier vleeschschotels toe te bereiden.” Een' mijner slaven beval ik, dit alles binnen te brengen, en daarbij vier groote kruiken wijn te voegen. „Dat zal wel genoeg zijn,” hernam de barbier, „maar de vruchten en de kruiden, om bij het vleesch te gebruiken, ontbreken.” Ik liet hem ook deze nog geven. Zoodra was dit niet gedaan, of hij hield op, mij te scheren, ten einde alles stuk voor stuk na te zien, en daar dit onderzoek bijna een half uur duurde, begon ik te vloeken en hem te verwenschen. Maar hoe meer leven ik maakte, hoe minder hij zich haastte. Eindelijk echter nam hij het scheermes weder in handen, en schoor mij gedurende een paar seconden. Toen hield hij plotseling nogmaals op. „Ik had nooit durven denken, heer,” zeide hij, „dat gij zoo mild waart, thans echter zie ik, dat uw vader in zijn' zoon herleeft. Zeker ik verdien de goedheden niet, waarmede gij mij overlaadt, en ik beloof, er u eeuwig dankbaar voor te zullen zijn. Want, waarom dit voor u te verbergen; ik bezit niets, dan hetgeen ik van edelmoedige menschen, gelijk gij zijt, ten geschenke krijg. Ik sta gelijk met Zoutout, die de badgasten moet wrijven; met Sali, die met geroosterde graauwe erwten door de straten van Bagdad te koop loopt; met Salouz, die boonen verkoopt; met Akerska, die in groenten handelt; met Abou-Mehares, die de straten besproeit, om het stuiven te voorkomen, en met Cassem, die tot de wacht van den kalif behoort. Geen dezer lieden is droefgeestig; zij zijn noch ligtgeraakt, noch twistzoekend, en beter tevreden met hun lot, dan de kalif in al zijn' rijkdom en overvloed. Altoos zijn zij opgeruimd en liefhebbers van zang en dans. Ieder hunner heeft zijne eigene zangwijze, en eene bijzondere soort van dans, waarmede zij de inwoners van Bagdad weten te vermaken. Maar wat ik in hen boven alles moet prijzen, zij zijn geene groote praters, evenmin als uw slaaf, die de eer heeft tot u te spreken. Hoor aandachtig,” vervolgde de barbier, „naar het lied, en let op den dans van Zoutout, die de badgasten wrijven moet; ziet eens, of ik hem niet sprekend weet na te bootsen.” De barbier,” vervolgde de jonge kreupele, „zong nu het lied en danste den dans van Zoutout; wat ik ook mogt zeggen, om hem met deze gekheden te doen ophouden, hij liet niet af, vóór dat hij ook zijne andere door hem opgenoemde vrienden had nageäapt. Hierop zich tot mij wendende, zeide hij: „Heer, al deze brave lieden zal ik ten mijnent laten komen, en indien gij mij een genoegen wilt doen, zoo wees ook van de onzen, en laat uwe vrienden loopen. Misschien zijn dat groote praters, die u met hunne vervelende gesprekken het hoofd op hol brengen, en nog zieker maken dan gij geweest zijt; terwijl gij bij mij niets dan vermaak te wachten hebt.”

Hoe boos ik was, ik moest echter om zijne dwaasheid lagchen. „Het spijt mij,” zeide ik, „mijn woord reeds gegeven te hebben, anders zou ik gaarne van uw aanbod gebruik maken, en den dag met u en uwe vrienden doorbrengen. Nu moet ik u echter verzoeken, mij daarvan te ontslaan; op een' anderen dag kunt gij over mij beschikken. Maar scheer mij nu af, en haast u naar uw huis te gaan, waar uwe vrienden misschien reeds op u wachten.” „Mijn goede heer,” hernam hij, „weiger mij de gunst niet, waarom ik u verzoek. Kom u vermaken met het uitgelezene gezelschap, dat ik verwacht. Indien gij slechts éénmaal met deze lieden kennis gemaakt hebt, zult gij zoo over hen tevreden zijn, dat gij, om hun bijzijn te genieten, gaarne van uwe andere vrienden afziet.” „Laat ons daar niet verder over praten,” antwoordde ik, „ik kan heden op uw feest niet tegenwoordig zijn.”

Ook met zachtheid kon ik echter op dien stijfkop niets winnen. „Daar gij volstrekt niet ten mijnent wilt komen,” hernam hij, „zoo zult gij het voor lief moeten nemen, dat ik met u ga. De voorraad, dien gij mij hebt gegeven, zal ik naar mijne woning brengen. Mijne vrienden kunnen dan eten en drinken naar hartelust; doch ik zelf kom dadelijk terug. Ik zal mij wel wachten, zoo onbeleefd te zijn, om u alleen te laten gaan; gij hebt het wel aan mij verdiend, dat ik u deze beleefdheid bewijs.” „Hemel!” riep ik uit, „is er dan geene mogelijkheid, mij van dezen lastigen man te ontslaan. Bij Allah,” sprak ik tot hem, „houd op, mij lastig te vallen! Ga naar uwe vrienden, eet, drink en vermaak u, doch laat mij in vrijheid de mijnen bezoeken. Ik wil alleen gaan, en begeer geen gezelschap. Ook moet ik u nog zeggen, dat ik ergens verwacht word, waar uwe tegenwoordigheid niet gewenscht zou zijn, men verlangt alleen mij daar.” „Nu schertst gij met mij, heer,” hernam de barbier, „indien uwe vrienden u op een feest genodigd hebben, wat zou u dan kunnen beletten, mij mede te nemen? Gij zult hun, daar ben ik verzekerd van, integendeel veel vermaak doen, een' man mede te brengen, die op zijn pas een geestig woord weet te zeggen, dat de lachspieren in beweging brengt, en die er zich op verstaat een geheel gezelschap aangenaam bezig te houden, al zou hij ook de eenige spreker aan tafel zijn. Wat gij er dan ook tegen zeggen moogt, het is eene afgedane zaak; ik vergezel u, of gij er vrede mede hebt of niet.”

Deze halstarrigheid van den barbier, mijne heeren, bragt mij in groote verlegenheid. „Hoe mij te ontslaan van dien verwenschten baardschrapper,” zeide ik tot mij zelven. „Indien ik voortga hem te wederspreken, zoo komt er geen einde aan.” Ook werd er reeds voor de eerste maal tot het middaggebed geroepen, en het was voor mij hoog tijd, om te gaan. Ik besloot alzoo, mij van de zaak af te maken door in schijn toe te geven, en hield mij, alsof ik er in toestemde, dat hij mij vergezellen zou. Nu schoor hij mij eindelijk af. Zoodra dit gedaan was, zeide ik tot hem: „Neem eenige van mijne slaven, opdat zij dezen voorraad naar uwe woning brengen, en kom terug, zoodra gij uwe vrienden zult gesproken hebben; ik zal u wachten.”

Zoo raakte ik eindelijk van hem ontslagen; hij ging heen, met belofte van spoed te zullen maken. Naauwelijks had hij mij den rug toegekeerd, of ik kleedde mij verder aan, en daar men reeds voor de laatste maal tot het gebed riep, begaf ik mij zonder tijdverzuim op weg. Maar de boosaardige barbier, mijn oogmerk, om hem te misleiden, doorgrondende, was niet verder gegaan dan tot in het gezigt zijner woning, welke hij den slaven aanwees. Hierop was hij teruggekeerd, en hield zich schuil om den hoek eener straat, ten einde mij gade te slaan en te volgen. Toen ik mij nu voor de woning van den kadi bevond, en omkeek, zag ik mijn' kwelgeest de straat inslaan. Ik verwenschte hem tot in den diepsten afgrond.

Inmiddels had ik geen' tijd te verliezen; de deur van de woning des kadi's stond op een' kier. Ik trad binnen, en werd door de oude dame ontvangen. Zij bragt mij in het vertrek van het door mij zoo zeer beminde meisje. Wij hadden echter naauwelijks eenige woorden gewisseld, toen zich in de straat gerucht liet hooren. De jonge dame ging naar het venster, en zag dat haar vader van het gebed terugkwam. Ook ik keek uit; de kadi zat op dezelfde plaats, waar ik gezeten was, toen ik mijne geliefde voor de eerste maal zag.

Er waren twee zaken, die mij vrees aanjoegen: de komst van den kadi en de tegenwoordigheid van den schelmschen barbier. Omtrent het eerste punt stelde de jonge dame mij gerust, zeggende, dat haar vader uiterst zeldzaam op hare kamer kwam, en dat zij overigens, op de mogelijkheid daarvan bedacht, hare maatregelen voor mijne veiligheid genomen had. Mijne grootste vrees bleef dus de aanwezigheid van den hatelijken barbier, van wiens onbedachtzaamheid en praatzucht ik het ergste duchtte. Het zal u blijken, mijne heeren, dat dit niet zonder grond was.

Zoodra de kadi zijne woning binnentrad, telde hij met eigen hand aan een' zijner slaven, die iets verzuimd had, eenige stokslagen toe. De slaaf hief een groot gekerm aan, zoodat men hem aan het andere einde van de straat kon hooren. De barbier geloofde nu, dat men mij mishandelde, en begon op eene barbaarsche wijze te schreeuwen, verscheurde zijne kleederen, wierp stof op zijn hoofd, riep om hulp, en bragt de geheele buurt in beweging. Weldra school er een hoop volks om hem zamen, waarvan sommigen vroegen, wat hem deerde, en of hij hulp begeerde. „Ach!” riep hij, „men vermoordt mijn' meester, mijn' waarden patroon!” Zonder iets meer te zeggen, liep hij al jammerende naar mijn huis, en kwam terug, gevolgd door al mijne slaven, die met stokken gewapend waren. Zij sloegen als razenden op de huisdeur van den kadi. Deze gelastte een' zijner bedienden te gaan zien, wat er te doen was, die verschrikt in allerijl tot zijnen meester terugkeerde. „Heer,” zeide hij, „meer dan tienduizend gewapende mannen staan gereed, om met geweld uwe woning binnen te dringen, reeds zijn zij bezig de deur open te breken.”

De kadi begaf zich nu zelf naar voren, opende eigenhandig de deur, en vroeg wat men van hem verlangde. Zijn eerwaardig voorkomen was zelfs niet in staat, mijnen slaven ontzag in te boezemen. „Verwenschte kadi, hond van een' kadi!” riepen zij op barschen toon, „welke reden hebt gij, om onzen meester te vermoorden? Wat heeft hij u gedaan?” „Goede lieden,” antwoordde de kadi, „waarom zou ik uwen meester vermoorden, dien ik volstrekt niet ken, en die mij dus ook niet beleedigd kan hebben? Mijn huis staat voor u open, gaat binnen, doorzoekt alles, en overtuigt u.” „Gij hebt hem stokslagen doen geven,” zeide de barbier, „ik heb hem daar zoo even nog hooren schreeuwen.” „Maar nog eens,” hernam de kadi, „welke beleediging kan uw meester mij hebben aangedaan, waardoor ik verpligt zou geweest zijn, met hem te handelen, zooals gij daar zegt? Is hij dan in mijn huis? Voor zoover ik weet, niet, en is hij er, hoe is hij dan binnen gekomen, of wie heeft hem hier gebragt?” „Gij zult mij niet van de wijs afbrengen met uwen grooten baard, deugniet van een' kadi!” hernam de barbier, „ik weet zeer goed, wat ik zeg. Uwe dochter bemint onzen meester, en zij heeft hem onder het middaggebed bij zich ontvangen. Daar hebt gij de lucht van gekregen; gij zijt naar huis gegaan, vroeger dan men u verwachtte; gij hebt hem overvallen, en toen door uwe slaven stokslagen doen geven. Maar gij zult er niet ongestraft afkomen. De kalif zal er kennis van dragen, en men zal kort en goed regt met u maken. Breng onzen meester voor den dag, en geef hem dadelijk aan ons over, zoo niet, dan zullen wij zelven hem gaan zoeken.” „Het is niet noodig, zoo vele woorden te gebruiken,” hernam de kadi, „noch zoo veel opschudding te maken; indien hetgeen gij zegt waarheid is, zoo moet gij slechts naar binnen gaan en hem zoeken. Ik geef er u volkomen vrijheid toe.” De kadi had naauwelijks uitgesproken, of de barbier en mijne slaven drongen als razenden in het huis, en liepen mij overal zoeken.

Daar ik alles gehoord had, wat de barbier tot den kadi zeide, zoo zag ik naar eene plaats om, ten einde mij te verbergen. Ik vond geene andere schuilplaats dan een' grooten ledigen koffer, waarin ik mij neêrlegde, en welks deksel ik digt liet vallen. De barbier kwam eindelijk ook in de kamer, waar ik mij bevond. Hij naderde den koffer, ligtte het deksel op, en had mij naauwelijks nog gezien, of hij nam de kist op zijne schouders en droeg er mij mede weg. Langs den steilen trap kwam hij gelukkig beneden, bereikte de voordeur, en liep nu zoo hard hij maar kon, met mij de straat over. Het ongeluk wilde echter, dat het deksel van den koffer open ging, zoodat ik aan den spot en de lachlust van den ons vergezellenden volkshoop werd prijsgegeven. Dit was mij onverdragelijk; ik sprong uit mijne gevangenis op straat, en deed zulks met zoo veel overhaasting, dat ik mijn been erg bezeerde. Op dat oogenblik echter voelde ik geene pijn, en rigtte mij dadelijk op, ten einde mij door eene spoedige vlugt, aan de nieuwsgierige blikken der mij uitjouwende menigte te onttrekken. Ik haalde mijne beurs, die goed gevuld was, te voorschijn, en strooide het goud en zilver met handen vol onder het volk uit, dat nu aan het grabbelen ging. Op die wijze kwam ik den volkshoop vooruit, en, door eene zijstraat in te slaan, uit het gezigt. Maar van dien verwenschten barbier kon ik mij niet ontslaan. Hij liet het volk grabbelen, wierp den nu ledigen koffer op straat en volgde mij op de hielen, mij naschreeuwende: „Sta toch stil, heer, waartoe loopt gij zoo hard? Indien gij eens wist, hoe bedroefd ik geweest ben over de slechte behandeling, welke de kadi u heeft doen ondergaan, aan u, die zoo grootmoedig zijt, en aan wien wij, mijne vrienden en ik, zulk eene dure verpligting hebben! Maar heb ik het u niet gezegd, dat gij door uwe hoofdigheid, om onvergezeld te willen uitgaan, uw leven in gevaar zoudt stellen? Wat u dus overkomen is, hebt gij aan u zelven te wijten, en indien ik van mijnen kant niet bedaard had volgehouden, u te volgen, en te zien waar gij heen gingt, wat zou er dan van u geworden zijn? Waar wilt gij toch heen, heer? Wacht mij toch!”

Zoo schreeuwde die armzalige barbier mij op de straat na. Hij hield zich niet tevreden mij in de buurt, waar de kadi woonde, zulk een groot schandaal gemaakt te hebben; de gansche stad moest er kennis van dragen. In mijne woede gevoelde ik grooten lust, hem op te wachten en te worgen; maar daardoor zou ik mij slechts in nog grooter ongelegenheid gebragt hebben. Ik koos dus een ander middel, om mij van hem, en van de door zijn geschreeuw overal te voorschijn komende en uitkijkende menschen te ontslaan. Ik trad eene khan binnen, waarvan de portier mij zeer goed kende. Hij stond aan de deur, waar het straatrumoer hem had heen gelokt. „Bij Allah!” zeide ik, „bewijs mij de dienst, dien razende hier niet binnen te laten.” De man beloofde het mij, en hield woord. Het kostte hem echter groote moeite den barbier, die met geweld bij mij wilde zijn, af te wijzen; deze ging niet heen, zonder hem uitgemaakt te hebben, voor al wat leelijk was. In het naar huis gaan moest hij ieder, dien hij ontmoette en slechts van aanzien kende, vertellen, welk eenen grooten dienst hij mij, naar zijne meening, bewezen had.

Ziedaar, hoe ik eindelijk van dien lastigen mensch ontslagen werd. Ik vroeg in de khan, om voor mij een vertrek in gereedheid te brengen, waar ik tot aan de genezing van mijn been zou kunnen blijven. „Mijnheer,” zeide men, „zoudt gij in uwe woning niet meer op uw gemak zijn dan hier?” „Dat weet ik niet,” luidde mijn antwoord, „maar al wist ik het, ik zou naar mijn huis niet willen terugkeeren, want die verfoeijelijke barbier zou niet nalaten, mij daar te komen opzoeken; ik zou alle dagen met hem opgeschept zijn; en hem voor mijne oogen te moeten zien, zou mij van verdriet doen sterven. Bovendien, na hetgeen mij heden is overkomen, kan ik niet besluiten, langer in deze stad te blijven. Ik zal gaan, waar het ongeluk mij heen voert.” Ik hield hierin woord. Zoodra ik genezen was, bragt ik zoo veel geld bijeen, als ik dacht, op mijne reizen noodig te hebben, en mijne andere goederen stond ik af aan mijne bloedverwanten. Zoo vertrok ik van Bagdad, mijne heeren, en ben tot hier gekomen. Ik had alle reden te verwachten, dat ik in een land, zoo ver verwijderd van mijne geboorteplaats, dien hatelijken barbier niet zou aantreffen, en toch vind ik hem in uw gezelschap. Gij kunt zelven oordeelen, welk een' onaangenamen indruk het gezigt van eenen man op mij maakt, door wiens overdreven ijver ik kreupel ben, en mij tot de treurige noodzakelijkheid veroordeeld zie, een zwervend leven te leiden, ver verwijderd van mijne bloedverwanten, van mijne vrienden en van mijn vaderland.” Dit zeggende, stond de jonge kreupele op, maakte eene buiging voor ons, en vertrok. Onze gastheer deed hem uitgeleide tot aan de deur, en gaf onder het gaan derwaarts te kennen, hoezeer het hem speet, dat hij, zonder dit te willen, hem zulk eene onaangename ontmoeting bezorgd had.

Toen de jonge kreupele vertrokken was,” vervolgde de snijder, „gaven wij elkander onze verwondering te kennen over zijne levensgeschiedenis; onze oogen waren daarbij op den barbier gerigt, en wij zeiden tot hem dat, indien alles waarheid was, wat wij gehoord hadden, hij dan groot ongelijk had. „Mijne heeren,” antwoordde hij zijn hoofd oprigtende, hetgeen tot dusverre steeds naar den grond gekeerd was, „het stilzwijgen, dat ik bewaard heb, zoo lang de jonge man sprak, moet u overtuigen, dat hij u niets heeft verhaald, waarmede ik niet instem. Maar wat hij ook mogt beweren, ik blijf er bij, dat ik gehandeld heb, zoo als ik moest handelen; ik wil u zelven hierover laten oordeelen. Heeft hij zich niet, ofschoon ik hem gewaarschuwd had, in het gevaar begeven? en zou hij zonder mijne hulp er wel zoo goed zijn afgekomen? Hij mag zich gelukkig rekenen, het er met een kreupel been te hebben afgebragt. En wiens schuld was het dan nog, heb ik hem misschien laten vallen? Neen, was hij rustig in zijn' koffer gebleven, ik zou hem ongedeerd in zijn huis hebben gebragt. Kon ik het helpen, dat hij er uitsprong en zijn been bezeerde? Heb ik mij niet aan een groot gevaar blootgesteld, om hem uit een huis te halen, waar ik mij verbeeldde dat hij mishandeld werd? Heeft hij dan regt, zich over mij te beklagen, en mij zulke grove beleedigingen te zeggen? Doch ziedaar, wat men er bij wint, als men eenen dienst bewijst aan ondankbare menschen. Hij beschuldigt mij een babbelaar te zijn; dit is enkel laster! Van ons zeven broeders ben ik het minst praatachtig, en daarbij de verstandigste en knapste. Om u hiervan te overtuigen, mijne heeren, is er niets anders noodig, dan dat ik u onze geschiedenissen vertel. Vereer mij daarbij met uwe aandacht.

GESCHIEDENIS VAN DEN BARBIER.

Onder de regeering van den kalif Mostanser Billah,” vervolgde de barbier, „een vorst beroemd door zijne milddadigheid jegens de armen, werden de omstreken van Bagdad onveilig gemaakt door een tiental roovers, die zich sedert lang aan de stoutste diefstallen en aan ongehoorde wreedheden schuldig maakten. De kalif, hieraan een einde willende maken, liet den oppersten regter, eenige dagen vóór dat het Baïramsfeest inviel, bij zich ontbieden, en gelastte hem, op verbeurte van zijn leven, alle tien dieven voor hem te brengen.

De regter stelde al het mogelijke in het werk, en bragt zoo veel volk op de been, dat de tien roovers op den dag zelven van het Baïramsfeest gevat werden, juist toen ik eene wandeling aan den oever van den Tigris maakte. Ik zag daar namelijk tien rijk gekleede lieden in eene boot gaan. Ligtelijk zou ik hen als roovers herkend hebben, indien ik acht had gegeven op de wachten, die hen vergezelden, maar ik lette daar zoo weinig op, dat ik tegelijk met hen in de boot stapte, in de hoop op die wijze eenen genoegelijken dag in hun gezelschap te smaken. Wij voeren den Tigris af, en men deed ons voor het paleis van den kalif aanleggen. Nu eerst bemerkte ik, dat ik mij deerlijk bedrogen had. Zoodra wij de boot verlieten, werden wij door andere wachten omringd; gekneveld en voor den kalif gebragt. Ik had mij gelijk de anderen laten binden zonder iets te zeggen; wat zou het mij gebaat hebben, indien ik mij verzet had? Dit zou den regten weg geweest zijn, om mij door de wachters te doen mishandelen, die toch niet naar mij zouden geluisterd hebben. Ik bevond mij onder de roovers, en dit was voldoende, om hun te doen denken, dat ik er ook een was.

Zoodra wij voor den kalif verschenen, sprak hij het vonnis uit over de tien booswichten: „Dat men,” zeide hij, „deze tien roovers het hoofd afsla!” De scherpregter plaatste ons terstond op eene rij binnen het bereik van zijn zwaard; bij geluk was ik de laatste. Hij sloeg de tien roovers achtereenvolgens het hoofd af, maar toen de beurt aan mij kwam, liet hij zijn zwaard zakken. De kalif werd toornig. „Heb ik u niet bevolen,” sprak hij, „aan tien roovers het hoofd af te slaan? Waarom doet gij dit slechts aan negen?” „Beheerscher der geloovigen,” antwoordde de beul, „Allah beware mij, dat ik het bevel van uwe majesteit niet volvoerd zou hebben. Tien hoofden heb ik afgeslagen, en er liggen tien ligchamen ter aarde, gij kunt ze doen natellen.” Nadat de kalif zich nu met eigen oogen overtuigd had, dat de beul waarheid sprak, zag hij met bevreemding op mij. Mijn uitzigt behaagde hem, hij vond er niets rooverachtigs in. „Goede grijsaard,” zeide hij tot mij, „door welk toeval zijt gij onder deze ellendelingen geraakt, die den dood duizendmalen verdiend hebben?” „Beheerscher der geloovigen,” gaf ik hem ten antwoord, „ik zal u de volle waarheid doen kennen. Heden morgen zag ik deze tien roovers, wier teregtstelling de regtvaardigheid van uwe majesteit op nieuw zoo schoon heeft doen uitblinken, in eene boot gaan. Ik scheepte mij met hen in, meenende dat het lieden waren, die zich te zamen gingen vermaken, om dezen grooten feestdag te vieren.” De kalif kon zich niet onthouden, eens hartelijk om mijne ontmoeting te lagchen, en in tegenstelling van den jongen kreupele, die mij als een' babbelaar heeft doen voorkomen, bewonderde hij mijne koelbloedigheid en mijn voortdurend zwijgen. „Beheerscher der geloovigen,” hernam ik, „het moet uwe majesteit niet verwonderen, dat ik gezwegen heb, bij eene gelegenheid, die anderen zou doen praten. Ik heb mij op het zwijgen bijzonder toegelegd, en het is door deze deugd, dat ik den fraaijen titel draag van „den zwijger.” Men noemde mij dus, om mij te onderscheiden van zes broeders, die ik had. Deze stilzwijgendheid is de vrucht mijner wijsbegeerte; ik stel daar al mijn' roem en mijn hoogste geluk in.” „Het strekt mij tot een groot genoegen,” zeide de kalif glimlagchende, „dat men u eenen titel heeft gegeven, waarvan gij een zoo schoon gebruik weet te maken. Maar zeg mij, welke soort van lieden waren uwe broeders, stonden zij met u op eene lijn?” „In geenen deele,” antwoordde ik, „het waren allen babbelaars, de een zoowel als de ander. Zelfs wat het uiterlijke aangaat, bestond er tusschen hen en mij een groot verschil; de eerste was gebogcheld, de tweede tandeloos, de derde blind, de vierde éénoogig, den vijfde waren de ooren afgesneden, en de zesde had gespleten lippen. Hunne lotgevallen zijn zeer zonderling, en gij zult daaruit over hunne karakters kunnen oordeelen, indien ik de eer mag hebben, die aan uwe majesteit te verhalen.” Daar het mij toescheen, dat den kalif niets aangenamer zou zijn, dan die aan te hooren, ging ik, zonder op zijn bevel te wachten, aldus voort.

GESCHIEDENIS VAN DEN EERSTEN BROEDER VAN DEN BARBIER.

„Sire,” zeide ik tot hem, „mijn oudste broeder, die zich Bacbouc noemde, en die gebogcheld was, werd van zijn vak kleêrmaker. Nadat hij zijne leerjaren voleindigd had, huurde hij een' winkel tegenover een' molen; en dadelijk nog weinig werk hebbende, kostte het hem veel moeite van zijn' arbeid te leven. De molenaar integendeel was welgesteld, en had eene zeer schoone vrouw. Eens dat mijn broeder in zijnen winkel zat te werken en naar boven keek, zag hij de vrouw van den molenaar voor het open raam staan, dat op de straat uitzag. Hij vond haar zoo schoon, dat hij er geheel door betooverd werd. Wat de molenaarster betreft, zij sloeg niet de minste acht op mijn' broeder; sloot haar venster en liet zich den geheelen dag niet meer zien. Intusschen keek de verliefde snijder onder zijn werk telkens op naar den molen. Hij pikte zich onderscheidene malen in de vingers, en op de netheid van zijn werk viel dien dag niet te roemen. Des avonds, toen het tijd werd zijn' winkel te sluiten, kon hij daartoe bijna niet overgaan, daar hij nog altoos hoop had, dat de molenaarster aan het raam zou komen. Hij wachtte met sluiten, totdat het geheel donker werd, en ging toen al zuchtende naar zijne woning, waar hij den nacht slapeloos doorbragt. Zoodra de dag aanbrak, stond hij op, en ijlde naar zijne werkplaats; zoo zeer dreef hem het ongeduld, om zijne schoone te zien. Hij was echter dien dag niet gelukkiger dan den voorgaande; de molenaarster vertoonde zich slechts éénmaal aan het raam, en dat maar voor een oogenblik. Doch dat oogenblik was voldoende, om hem tot den verliefdste van alle mannen te maken. Op den derden dag had hij reden, beter tevreden te zijn. De molenaarster liet bij toeval de oogen op hem vallen, en verraste hem, terwijl hij zijne smachtende blikken op haar gevestigd hield, waardoor zij ontdekte, wat er in zijn hart omging. In plaats van daarover verstoord te zijn, besloot zij er zich mede te vermaken, en lachte hem vriendelijk toe. Mijn broeder zag haar mede lagchend aan, maar met zulk een koddig gelaat, dat zij ijlings het venster digt wierp, uit vrees van in lagchen uit te barsten, en alzoo aan mijn' broeder te verraden, dat zij hem bespottelijk vond. De onnoozele Bacbouc legde echter hare handelwijze in zijn voordeel uit, en vleide zich, dat zij hem wederliefde toedroeg.

De molenaarster nam dan, zoo als gezegd is, het besluit zich met mijn' broeder te vermaken. Zij had een stuk zijde liggen, waarvan zij sinds lang voornemens was, zich een kleed te laten maken. Dit deed zij in eenen fijnen geborduurden zakdoek, en zond het hem door eene jonge slavin, welke zij in haren dienst had. De goed onderrigte slavin, kwam in den winkel van den kleêrmaker. „Mijne meesteres laat u groeten,” zeide zij, „en verzoekt u van dit stuk zijde een kleed voor haar te maken, volgens het model van het hier bijgaande. Zij verandert dikwijls van kleeding, en dit is eene gewoonte, waarover ook gij reden zult hebben zeer voldaan te zijn.” Mijn broeder twijfelde nu niet meer, of de molenaarster was verliefd op hem. Hij geloofde, dat zij hem dit werk zond, met geen ander doel, dan om hem te kennen te geven, dat zij in zijn hart had gelezen, en hij ook het hare veroverd had. Gestreeld door deze voor hem gunstige opvatting, belastte hij de slavin aan hare meesteres te zeggen, dat hij om harentwil al zijn ander werk ter zijde leggen, en het kleed reeds den volgenden morgen gereed zijn zou. En inderdaad hij werkte met zoo veel ijver, dat hij het nog dien eigen dag afmaakte.

Den volgenden morgen kwam de jonge slavin zien, of het kleed gereed was. Bacbouc stelde het haar ter hand, zeggende: „Ik stel er te veel belang in, uwe meesteres genoegen te doen, dan dat ik iets zou verzuimd hebben, haar het werk heden te leveren. Ik wensch door mijne spoedige bediening haar aan te moedigen, in het vervolg geen' anderen kleêrmaker dan mij te gebruiken.” De jonge slavin deed een paar schreden achterwaarts, als wilde zij heengaan, doch plotseling terugkomende, zeide zij tot hem op fluisterenden toon: „Wacht eens, ik zou haast vergeten mij van de boodschap te kwijten, die mij is opgedragen. Mijne meesteres heeft mij belast u hare groete te doen, en te vragen, hoe gij den nacht hebt doorgebragt. Wat haar aangaat, de arme vrouw bemint u zoo sterk, dat zij er niet van heeft kunnen slapen.” „Zeg haar,” antwoordde mijn dwaze broeder met geestdrift, „dat mijne liefde voor haar zoo hevig is, dat ik reeds sedert vier nachten geen oog heb toegedaan.”

Er was nog geen kwartier uurs verloopen, sedert de slavin mijn' broeder had verlaten, of hij zag haar terugkomen met een stuk satijn onder den arm. „Mijne meesteres,” zeide zij, „is zeer tevreden over het door u gemaakte kleed; het zit haar allerliefst, doch daar het zeer mooi is, wil zij het niet dragen dan met een' nieuwen onderrok, en zij verzoekt u van dit stuk satijn er eene te maken.” „Zeer goed,” antwoordde Bacbouc, „die zal nog heden klaar zijn, vóór dat ik mijn' winkel sluit; gij kunt ze tegen den avond halen.” De molenaarster liet zich dien dag dikwijls aan het venster zien, om mijn' broeder bij zijnen arbeid te bemoedigen. Het was een lust, hem te zien werken, en de onderrok was dan ook weldra klaar. De jonge slavin kwam dien halen, maar bragt den armen snijder geen geld, noch voor de gemaakte japon en onderrok, noch voor zijne gedane verschotten. Intusschen had deze ongelukkige minnaar, met wien men zich vermaakte, zonder dat hij er iets van merkte, den geheelen dag nog niet gegeten, en hij moest eenig geld leenen, om zijn avondmaal te bekostigen. Den volgenden morgen was hij naauwelijks in zijn' winkel, of de jonge slavin kwam zeggen, dat de molenaar hem verlangde te spreken. „Mijne meesteres,” voegde zij er bij, „heeft hem zooveel goeds van u gezegd, dat gij ook voor hem zult werken. Zij heeft dit hoofdzakelijk gedaan, om u met haren man in kennis te brengen, waarin zij het beste middel ziet, om uwen en haren wensch naderbij te komen.” Mijn goede broeder liet zich bepraten, en nam alles voor goede munt aan. Hij ging zelfs onmiddelijk met de slavin mede, om niet van onverschilligheid verdacht te worden. De molenaar ontving hem zeer wel, en liet hem een stuk linnen zien. „Ik heb,” zeide hij, „broeken noodig, zie hier linnen; ik wensch, dat gij er mij twintig maakt, wat er van overschiet, kunt gij mij teruggeven.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings