← Table of contents
Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel

GESCHIEDENIS VAN DEN KLEINEN GEBOGCHELDE. (continued 3)

Reading edition

Mijn broeder,”” vervolgde de barbier, „„had aan die twintig broeken voor den molenaar vier à vijf dagen werk, en toen kreeg hij er nog een stuk stof bij, om even zoo vele hemden te maken. Toen alles gereed was, ging hij met zijn werk naar den molenaar, die hem vroeg, wat hij hem schuldig was. Mijn broeder antwoordde, dat hij zich met twintig zilveren drachmen vergenoegen zou. De molenaar riep oogenblikkelijk de jonge slavin, en beval haar een goudschaaltje te brengen, om te zien of de munt het juiste gewigt had. De slavin echter gaf mijn' broeder te kennen, dat hij door geld aan te nemen, zijne zaak bederven zou. De sukkel stelde hierin geloof, en weigerde de hem aangeboden betaling, hoezeer hij daarom ook verlegen was; want reeds had hij geld moeten leenen om het garen te koopen, dat hij voor de hemden en broeken gebruiken moest. Toen hij den molen verliet, ging hij naar mijne woning, en smeekte mij, hem iets te leenen, zeggende, dat hij geene dadelijke betaling ontving. Ik gaf hem eenige koperen muntstukken, alles wat ik in mijne beurs vond. Dit deed hem weder eenige dagen voortleven, hoewel zeer sobertjes.

Op zekeren dag trad mijn broeder bij den molenaar binnen. Deze staakte terstond zijn werk, en ging heen, om geld te krijgen. Maar de jonge slavin fluisterde den snijder toe, dat hij zich wel moest wachten, iets aan te nemen. Mijn broeder deed, zooals hem werd ingeblazen, en zeide, toen de molenaar terugkwam, dat hij daar niet om gekomen was, maar alleen om hem een bezoek te brengen. De molenaar bedankte hem voor zijne oplettendheid, en gaf hem weder een stuk stof, om er een overkleed uit te maken. Bacbouc bragt het reeds den volgenden morgen terug. Nogmaals haalde de molenaar zijne beurs voor den dag, maar de jonge slavin zag mijn' broeder gedurig aan, zoodat deze meende, ook nu weder het geld te moeten weigeren. „Buurman,” zeide hij tot den molenaar, „daar is volstrekt geen haast bij, wij zullen later wel afrekenen.” Zoo keerde deze arme stakkert naar zijn' winkel terug, met drie zware ziekten, namelijk: verliefd, uitgehongerd, en geen geld in den zak.

De molenaarster was gierig en ondeugend. Zij stelde zich niet tevreden, mijn' broeder te onthouden, hetgeen zij hem verschuldigd was, maar zette bovendien haren man aan, wraak te nemen over de voor haar opgevatte liefde van den ongelukkigen kleêrmaker. Ziehier hoe zij dit aanlegde. De molenaar liet Bacbouc uitnoodigen, het avondmaal bij hem te gebruiken. Na hem zoo sober mogelijk onthaald te hebben, zeide hij tot hem: „Buurman, het is voor u te laat geworden, om naar huis te gaan; blijf dus van nacht hier.” Zoo voortpratende bragt hij hem op eene plaats, waar men een bed had gespreid. Hij liet hem daar, en begaf zich met zijne vrouw naar de kamer, waar zij gewoon waren te slapen. Midden in den nacht stond de molenaar op, en ging naar mijn' broeder: „Buurman,” zeide hij, hem aanstootende, „slaapt gij? Mijn ezel is ziek, en ik heb veel koren te malen; zoudt gij mij niet het genoegen willen doen, in zijne plaats den molen te draaijen.” Bacbouc, verblijd hem een bewijs van zijne dienstvaardigheid te kunnen geven, antwoordde, dat hij daartoe bereid was, en hij hem alleen te onderrigten had, wat hem te doen stond. Daarop deed de molenaar hem een' touw om den middel, en maakte hem vast, gelijk hij gewoon was zijnen ezel te doen, als deze in den molen liep. Toen gaf hij hem een' fikschen zweepslag met de woorden: „Vooruit buurman, vooruit!” „Wel, waarom slaat gij mij?” vroeg mijn broeder, een pijnlijk gezigt trekkende. „Dat is alleen, om u aan te moedigen,” antwoordde de molenaar, „zonder die aansporing wil mijn ezel niet loopen.” Bacbouc was zeer verwonderd over deze behandeling; zij viel volstrekt niet in zijn' smaak. Niettemin durfde hij zich daarover niet beklagen. Nadat hij vijf of zes malen den molen had rond gegaan, wilde mijn broeder eens rusten; maar de molenaar gaf hem een twaalftal zweepslagen, die ter dege raak waren, zeggende: „Houd moed, buurman, en sta niet stil, als ik u verzoeken mag; gij moet loopen zonder ophouden, anders zoudt gij mijn koren bederven.”

De molenaar dwong mijn' broeder,”” vervolgde de barbier, „„gedurende het overige van den nacht in den molen te loopen, en telkens als hij verflaauwde, spoorde zijn kwelgeest hem met vernieuwde zweepslagen aan. Met het aanbreken van den dag ging de molenaar, zonder mijn' armen broeder los te maken, naar de kamer zijner vrouw, waar zij zich te zamen over den ongelukkigen minnaar vrolijk maakten. Bacbouc moest inmiddels in zijn' lastigen toestand blijven, totdat eindelijk de jonge slavin hem bevrijdde. „Ach! wat hebben wij u beklaagd, mijne goede meesteres en ik!” riep zij verraderlijk. „Wij hebben volstrekt geen deel aan deze ondeugende behandeling.” Bacbouc gaf hierop volstrekt geen antwoord, hij was daartoe te afgemat, en zijne van de zweepslagen nog gezwollen armen en beenen bij beurten wrijvende, hompelde hij al steunende naar zijne woning, waar hij het kloekmoedig besluit nam, niet meer aan de molenaarster te zullen denken.”

Het verhaal van deze geschiedenis,” vervolgde de barbier, „deed den kalif lagchen. „Ga,” sprak hij, „naar uw huis; men zal u van mijnentwege iets geven, waarmede gij u zult kunnen troosten, wegens het gemis van het onthaal, waarop gij u gespitst hadt, toen gij de tien roovers voor fatsoenlijke lieden hieldt.” „Beheerscher der geloovigen,” hernam ik, „ik smeek uwe majesteit mij toe te staan, dat ik niets ontvang, alvorens haar ook verhaald te hebben de geschiedenissen van mijne andere broeders.” De kalif toonde mij door zijn stilzwijgen, dat hij gestemd was, mij aan te hooren, en ik vervolgde op deze wijze.

GESCHIEDENIS VAN DEN TWEEDEN BROEDER VAN DEN BARBIER.

„Mijn tweede broeder, genaamd Bakbarah de tandelooze, op zekeren dag door de stad drentelende, ontmoette in eene afgelegen straat, eene oude vrouw, welke hem staande hield. „Wat verlangt gij van mij?” vroeg mijn broeder. „Dat zal ik u in weinige woorden zeggen,” zeide de oude. „Indien gij tijd en lust hebt mij te volgen, zoo zal ik u in een prachtig paleis brengen, en gij zult daar eene jonge dame zien, zoo schoon als de dageraad. Zij zal u met voorkomendheid ontvangen, en vorstelijk onthalen; u meer te zeggen, acht ik overbodig.” „Maar is hetgeen gij mij daar zegt, wel waar?” vroeg mijn broeder. „Waar heeft die dame mij gezien? Van waar kent zij mij?” „Dat doet er niet toe,” hernam de oude, „'t moet u genoeg zijn, dat zij verlangd heeft u bij zich te zien, en zich met u te vermaken.” „Kan ik u vertrouwen?” sprak mijn broeder, nog twijfelende, of hij dit alles moest gelooven. „Dat kunt gij,” zeide de vrouw. „Zie mij niet aan voor eene leugenaarster; wat ik u gezegd heb, is de zuivere waarheid. Ééne zaak echter vorder ik van u; gij moet u in haar bijzijn verstandig gedragen en weinig praten, maar haar zooveel te meer beleefdheden bewijzen, want daar is zij zeer op gesteld.” Bakbarah nam deze voorwaarde aan. „Volg mij dan,” vervolgde de oude, „en ik zal u den gelukkigsten der mannen maken; want men kan mijne meesteres niet zien, zonder haar te beminnen.”

Zij kwamen weldra voor de poort van een fraai paleis, met eene wacht er voor. De officier van de wacht wilde mijn' broeder afwijzen, maar naauwelijks had de oude vrouw een paar woorden tot hem gesproken, of hij gaf last beiden door te laten. Nu gingen zij door een' ruimen marmeren gang, totdat zij op de binnenplaats van het paleis kwamen. Eindelijk bragt zij hem in eene allerprachtigste zaal, in welker midden zich eene wit marmeren kom bevond, met eene fontein van welriekend water; rondom de kom waren de fraaiste en geurigste bloemen in albasten vazen geplaatst. De oude deed Bakbarah op eene sofa plaats nemen. „Herinner u,” zeide zij tot hem, „dat zij, die ik thans van uwe komst zal verwittigen, onderworpenheid en terughouding bemint; zij kan niet verdragen, dat men haar tegenspreekt. Indien gij haar echter daarin ter wille zijt, en u naar hare luimen weet te schikken, zoo kunt gij er staat op maken, dat gij alles van haar zult verkrijgen, wat gij moogt begeeren.” Bakbarah bedankte de oude voor haren raad, en beloofde deze te zullen nakomen; waarop zij heenging, om hem bij hare meesteres aan te dienen. Mijn broeder, die nog nooit zoo iets gezien had, hield zich bezig met al de schoone en meestal vreemde zaken, die zich aan zijne oogen vertoonden, met bewondering te beschouwen; en zijn geluk afmetende naar de pracht, waardoor hij zich omgeven zag, had hij moeite zijne blijdschap te bedwingen.

Weldra hoorde hij een groot geraas, veroorzaakt door eene menigte rijk gekleede slavinnen, die hem luid lagchende te gemoet traden. In hun midden bespeurde hij eene jonge dame van uitstekende schoonheid, wier kleed van edelgesteenten schitterde. Hieraan, en aan den eerbied welke de anderen haar bewezen, kon mijn broeder ligtelijk gissen, dat zij de meesteres was. Bakbarah, die gedacht had met de jonge dame alleen te zullen zijn, was echter zeer bevreemd en volstrekt niet in zijn' schik, toen hij haar in zulk een talrijk gezelschap zag komen. Inmiddels bragten de slavinnen, naarmate zij hem naderden, hun gelaat in eene ernstige plooi, en zoodra de jonge dame bij de sofa kwam, waarop mijn broeder gezeten was, stond deze op en maakte eene diepe buiging. Zij nam de eereplaats in, en gaf mijnen broeder een' wenk, dat ook hij zich weêr zou nederzetten, terwijl zij op lagchenden toon tot hem zeide: „Ik ben verrukt u te zien, en wensch u alles goeds toe.” „Mejufvrouw,” gaf Bakbarah ten antwoord, „ik zou geen grooter geluk kunnen wenschen, dan de eer die mij te beurt valt, voor u te mogen verschijnen.” „Het komt mij voor,” hernam zij, „dat gij zeer opgeruimd zijt. Het zal u dus niet onaangenaam zijn, wanneer wij den tijd te zamen genoegelijk doorbrengen.”

Zij gaf thans last, dat men eenige spijzen zou opdragen. Hieraan werd terstond voldaan, en het ontbrak niet aan het fijnste fruit en het lekkerste gebak. De jonge dame deed Bakbarah tegenover zich plaats nemen, terwijl de slavinnen naar rang en ouderdom hare plaatsen aan tafel innamen. Bij het eerste stuk, dat mijn broeder in den mond stak, zag de jonge dame, dat hij geene tanden had, waarop zij ook hare slavinnen opmerkzaam maakte, die er van ganscher harte om moesten lagchen. Bakbarah, die zich nu en dan verstoutte een' steelschen blik op zijne schoone overbuur te werpen, en haar zag lagchen, schreef dit toe aan hare vreugde over zijne komst, en vleide zich, dat zij hare slavinnen weldra weg zou zenden, ten einde met hem onder vier oogen te zijn. De jonge dame scheen zijne gedachte te raden, en schepte er vermaak in, hem in zijne aangename dwaling te doen blijven. Zij zeide hem allerlei aardigheden, en bediende hem met eigen hand van het beste, dat op tafel was.

Na eenige ververschingen gebruikt te hebben, stond men al spoedig van tafel op. Tien slavinnen kregen muzijkinstrumenten, en vingen aan te spelen en te zingen; anderen dansten. Mijn broeder en zelfs de jonge dame namen werkdadig deel in deze vermaken. Toen het dansen eenigen tijd geduurd had, werd er eene pauze gehouden. De jonge dame liet zich een' beker wijn geven, en wierp mijn' broeder een vriendelijk lachje toe, om hem te kennen te geven, dat zij op zijne gezondheid dronk. Hij stond dadelijk op, en bleef in die houding, tot dat zij den beker geledigd had. Nu liet zij den bokaal, in plaats van dien terug te geven, weder inschenken, en bood hem mijn' broeder aan, opdat hij haar bescheid zou doen. Bakbarah kuste de schoone hand, waaruit hij den beker ontving, en dronk dien staande uit, als een blijk, hoezeer hij de hem bewezen gunst op prijs stelde. Vervolgens noodigde de jonge dame mijn' broeder uit, om zich naast haar neder te zetten, en begon hem te liefkozen. Zij sloeg den arm om zijnen hals, en gaf hem van tijd tot tijd een' klap op zijn' wang. Verrukt over deze kleine vrijheden, welke zij zich veroorloofde, achtte Bakbarah zich den gelukkigsten man van den ganschen aardbodem. Hij had moeite zich te bedwingen, en de liefkozingen der bekoorlijke dame niet op gelijke wijze te beantwoorden; maar hij durfde zich die vrijheid niet veroorloven in tegenwoordigheid van hare slavinnen, die de oogen steeds op hem gevestigd hadden, en niet ophielden met hem te gekscheren. De jonge dame ging intusschen voort, hem hoe langer hoe harder klappen te geven, totdat zij hem eindelijk een' zoo duchtigen oorvijg gaf, dat zijn wang er van gloeide. Mijn broeder werd zoo rood in zijn gelaat als een gekookte kreeft; hij stond in toorn op, ten einde zich buiten het bereik te stellen van zulk eene hardhandige minnares. Doch de oude, welke hem daar gebragt had, wierp hem een' verwijtenden blik toe, dat hij hare waarschuwing en zijne belofte van onderworpenheid aan de grillen van hare jonge meesteres reeds zoo spoedig vergeten had. Hij zag zijne fout in, en om deze te herstellen, zette hij zich terstond weder neder, even als of er niets gebeurd was. De schoone plaagster trok hem bij den arm naar zich toe, en ging voort hem duizenderlei ondeugende trekken te spelen. De slavinnen, geen ander oogmerk hebbende dan hare meesteres te vermaken, begonnen nu ook mede te doen: de eene trok hem bij de ooren, de andere kneep hem in den wang, een derde knipte hem voor den neus, terwijl de overigen hem duchtig duwden en sloegen. Mijn broeder stond dat alles met verwonderlijk geduld door, en gaf zich zelfs moeite een vrolijk gezigt te zetten, terwijl hij de oude dame met een' gedwongen lach zacht toevoegde: „Gij hebt wel gelijk gehad te zeggen, dat ik eene dame zou aantreffen, zoo schoon als de dageraad, zeer beminnelijk, en lieftallig als eene duif. Wat ben ik u veel verpligt!” „Dat alles is nog van weinig beteekenis,” antwoordde de oude, fluisterende, „laat haar slechts begaan, en gij zult nog heel wat anders zien.” Nu nam de jonge dame het woord op, en zeide tot mijnen broeder: „Gij zijt een man naar mijn hart en naar mijne wenschen; ik ben verrukt bij u zooveel geduld en toegevendheid te vinden voor mijne grillen; uw karakter stemt geheel met het mijne overeen.” „Mejufvrouw,” hernam Bakbarah, door deze toespraak geheel in vervoering gebragt, „ik behoor mij zelven niet meer; beschouw mij met ziel en ligchaam als uw eigendom, en beschik over mij naar uw welbehagen.” „Gij doet mij het allergrootste vermaak;” hernam de jonge dame, „door mij dit bewijs van uwe onderworpenheid te geven. Ik ben ten hoogste over u tevreden, en wil dat gij dit ook over mij zult zijn. Dat men,” vervolgde zij, „hem het reukwerk brenge, en het rozenwater!” Twee der slavinnen verwijderden zich, om dit bevel te volvoeren. Zij kwamen weldra terug, de eene met een zilveren reukvat van het uitgezochtste aloëhout, waarmede zij Bakbarah bevochtigde; de andere met het rozenwater, dat zij hem in het gelaat en over de handen wierp. Mijn broeder gloeide van vermaak, zoo was hij in zijn' schik over de eer, die hem wedervoer.

Na deze plegtigheid, gelastte de jonge dame aan de slavinnen, welke vroeger reeds gespeeld en gezongen hadden, haar concert te hervatten. Inmiddels riep zij eene andere slavin, aan welke zij beval met mijn' broeder naar buiten te gaan. „Doe hem,” sprak zij, „hetgeen u bekend is, en als gij gereed zijt, breng hem dan weder hier.” Toen Bakbarah met zijne geleidster buiten de zaal kwam, vroeg hij aan de oude, die hen vergezelde, wat men met hem voorhad te doen. „Mijne meesteres,” antwoordde deze al fluisterende, „is nieuwsgierig te weten, hoe gij er in vrouwengewaad zult uitzien, en uwe geleidster heeft last, uwe wenkbraauwen te verwen, uwe knevels af te scheren, en u als eene vrouw te kleeden.” „Men kan mij de wenkbraauwen schilderen, zoo veel men wil,” bragt mijn broeder in, „daar heb ik vrede mede, maar om mij te scheren, gij kunt er staat op maken, dat ik het niet zal dulden. Hoe zou ik zonder knevel onder de oogen mijner vrienden durven komen?” „Draag zorg, u niet te verzetten tegen hetgeen men van u verlangt,” sprak de oude; „want dan zoudt gij uwe zaken, die thans op zoo schoonen voet staan, geheel en al bederven. Men bemint u, men wil u gelukkig maken; zult gij nu om een' leelijken knevel het geluk dat u wacht, met de voeten schoppen?” Bakbarah liet zich door de oude heks bepraten, en zonder er iets tegen te zeggen, volgde hij de slavin naar eene der kleedkamers, waar men hem de wenkbraauwen rood schilderde. Men schoor hem den knevel weg, en wilde nu ook zijnen baard laten vallen. Zoo ver ging echter de leidzaamheid van mijnen broeder niet. „Ho wat!” riep hij, „den knevel heb ik er aan gegeven, maar van mijn' baard zult gij afblijven!” De slavin stelde hem voor, dat het tot niets diende, hem den knevel te hebben weggeschoren, indien niet ook de baard volgde, daar een gebaard gezigt geheel niet paste bij een vrouwenkleed; en dat zij niet kon begrijpen, hoe een man, die op het punt stond de schoonste jonge dame uit geheel Bagdad te zullen bezitten, nog iets aan zijn' baard kon hechten. De oude kwam de slavin te hulp; zij bragt nog nieuwe redenen bij, en bedreigde mijn' broeder met de ongenade van de jonge dame, indien hij haar het offer van zijn' baard niet brengen wilde, en daar meer prijs op stelde, dan op haar bezit. Om kort te gaan, zij bepraatte hem zoo mooi, dat hij met zich liet doen, wat men verlangde.

Toen Bakbarah, na aldus beschilderd, van zijn' knevel en baard beroofd en in vrouwen-kleederen gestoken te zijn, voor de jonge dame werd gebragt, viel zij, hem ziende, van lagchen achterover op hare sofa. De slavinnen lachten even hard, en klapten in de handen, zoodat mijn broeder met zich zelven verlegen werd, en niet meer wist, hoe hij het had, noch hoe hij zich moest houden. De jonge dame, zonder echter haar lagchen te kunnen bedwingen, stond op, en zeide tot hem: „Na de inschikkelijkheid, die gij voor mij gehad hebt, zou ik ondankbaar moeten zijn, indien ik u nu niet met geheel mijn hart beminde. Evenwel verlang ik van uwe liefde nog één bewijs te zien, namelijk, dat gij voor mij zult dansen, zooals gij daar zijt.” Mijn broeder voldeed hieraan op het eigen oogenblik. De jonge dame en de slavinnen dansten met hem, waarbij zij het van lagchen uitproesten. Doch hierbij lieten zij het niet. Na eenigen tijd met Bakbarah te hebben rond gesprongen, wierpen zij zich allen als uitgelaten bacchanten op den ongelukkige, en gaven hem zoo vele oorvijgen, vuistslagen en schoppen, dat hij ten laatste bijna zijn besef verloor en onder den voet geraakte. De oude hielp hem weder op de been, en ten einde hem den tijd niet te geven, zich over deze ruwe behandeling te verstoren, fluisterde zij hem in het oor: „Troost u, gij zijt thans het einde van uw lijden nabij, en zult er den prijs voor ontvangen. Er blijft u,” vervolgde zij, „nog slechts eene zaak te doen over, en dat is voor u maar kinderspel. Weet, dat mijne meesteres wanneer zij een weinig gedronken heeft, zooals thans, zich niet laat liefkozen door hen, die zij bemint, alvorens zij zich van hunne bovenkleederen ontdaan hebben. Als zij zich nu in dien toestand bevinden, dan neemt zij eenige passen op hen vooruit, en loopt voor hen heen over de galerij van kamer tot kamer, zoolang totdat zij haar gegrepen hebben. Dit is,” zooals ik zeide, „eene gril, die ingewilligd moet worden. Voor een' man van uwe gesteldheid, en zoo vlug ter been, heeft dit echter niets te beteekenen. Hoe vele passen zij ook vooruit moge nemen, gij zult haar weldra ingehaald en gevangen hebben. Werp dan uwe boven-kleederen zonder den minsten schroom af.”

Mijn' broeder was te ver gegaan, om thans terug te treden. Hij volgde den hem gegeven raad, terwijl ook de jonge dame zich van eenige harer kleederen ontdeed, ten einde te vlugger te kunnen loopen. Toen beiden in staat waren, om den wedloop te kunnen beginnen, nam de jonge dame een twintig passen vooruit, en ving haren loop met verbazende snelheid aan. Mijn broeder liep haar zoo hard achterna, als zijne beenen maar voort wilden, en dit onder het luid gelach en oorverdoovend handgeklap der slavinnen. De jonge dame intusschen, in plaats van grond te verliezen, behaalde nog eenig voordeel op mijn' broeder. Zij liet hem drie à vier malen de galerij rond loopen, en ijlde toen in eene donkere laan den hof in, waarna zij verdween. Bakbarah, die altoos volgde, doch haar nu uit het gezigt verloor, moest wegens de daar heerschende donkerheid zijnen loop matigen. Hij tastte in den donker rond, doch bemerkte eindelijk in de verte een licht, en hervatte nu zijnen loop in die rigting. Eene openstaande deur deed hem denken: „Daar zal zij zijn!” Vol hoop snelt hij ter deure in, die terstond achter hem wordt toegeworpen. Verbeeld u, hoe dwaas mijn broeder stond te kijken, als hij zich in plaats van bij zijne schoone, midden op straat bevond, in de hem wel bekende buurt der lederbereiders. Deze lieden waren intusschen niet minder verwonderd, mijn' broeder in zijne onderkleederen in hun midden te zien, met roodgeschilderde wenkbraauwen, van knevel en baard beroofd. Eenige jongens begonnen in de handen te klappen, en hem na te schreeuwen; terwijl anderen hem achterna liepen, en zijn' rug met stukken leder behingen. Weêr anderen hielden hem zelfs staande, en zetten hem op een' ezel, dien zij bij toeval ontmoetten; terwijl zij hem door de stad deden rondrijden, onder het gelach en gejuich van eenen joelenden volkshoop.

Een ongeluk, zegt men, komt zelden alleen; mijn reeds beklagenswaardige broeder moest dit thans ondervinden. Toen de schreeuwende troep de woning van een' regter voorbij trok, kwam deze de deur uit, en vroeg naar de oorzaak van den oploop. De lederbereiders zeiden tot hunne verschooning: „Wij hebben dezen man, uitgedost zooals gij hem ziet, uit een poortje zien komen van den harem des groot-viziers, dat in onze straat uitkomt. Hij zag er zoo vreemd uit, dat wij een loopje met hem genomen hebben.” „Wij zullen hem die kunsten wel afleeren,” sprak de regter, en liet aan den ongelukkigen Bakbarah honderd stokslagen geven, waarna hij hem uit de stad deed brengen, met verbod daar weder in te komen.

Ziedaar beheerscher der geloovigen,” zeide ik tot den kalif Mostanser Billah, „de geschiedenis van mijn' tweeden broeder, die ik aan uwe majesteit wilde verhalen. Bakbarah wist niet, dat de vrouwen van onze voorname heeren, zich somtijds op deze wijze vermaken met jongelieden, die dwaas genoeg zijn, zich dus bij den neus te laten nemen. Mij zou zoo iets niet gebeurd zijn. Laat mij thans de eer hebben,”” vervolgde de barbier in éénen adem voortsprekende, „„u te zeggen, hoe het mijnen derden broeder gegaan is.

GESCHIEDENIS VAN DEN DERDEN BROEDER VAN DEN BARBIER.

Mijn derde broeder, Bakbac genaamd, was blind: en zijn kwaad gesternte hem tot den bedelstaf voorbeschikt hebbende, ging hij van huis tot huis om eene aalmoes te vragen. Het was zijne vaste gewoonte aan de deuren te kloppen, en wat men ook roepen of vragen mogt, geen antwoord te geven, vóór dat men had opengedaan. Eens trof het, dat hij aan de deur klopte van eene woning, waarvan de eigenaar of huurder alleen te huis was. „Wie is daar?” riep hij van boven. Mijn broeder gaf geen antwoord, en klopte voor de tweede maal. De bewoner mogt zijne vraag herhalen, hij kreeg geen bescheid, en het kloppen hield aan. Ten laatste kwam hij naar beneden, deed open, en vroeg aan mijn' broeder, wat hij verlangde. „Eene kleine gift om Gods wil,” zeide Bakbac. „Gij zijt blind, naar het mij toeschijnt?” „Helaas, ja,” antwoordde mijn broeder. „Steek dan de hand uit!”

Mijn broeder deed dit, in de meening eene aalmoes te zullen ontvangen, doch de ander greep alleen zijne hand, om hem den trap op te helpen naar zijne kamer. Bakbac geloofde, dat zulks was, om hem ten eten te houden, zooals hem wel eens meer gebeurde. Toen zij beiden op de kamer waren, liet de bewoner zijne hand los, nam zijne plaats weder in, en vroeg opnieuw, wat hij toch begeerde. „Ik heb u reeds gezegd,” gaf Bakbac ten antwoord, „dat ik u eene aalmoes vraag, ter liefde Gods.” „Goede blinde,” hernam de andere, „alles wat ik voor u doen kan, is Allah bidden, dat hij u het gezigt teruggeve.” „Dat hadt gij mij wel aan de deur kunnen zeggen,” gromde mijn broeder, „dan zoudt gij mij de moeite bespaard hebben van trappen te klimmen.” „En waarom, onnoozele, gaaft gij dan geen antwoord, toen ik, nadat gij de eerste maal hadt aangeklopt, vroeg, wie er was? Waarom dwingt gij de lieden, op die wijze u te komen opendoen?” „Dat is zoo mijne gewoonte. Maar wat hebt gij nu met mij voor?” „Ik herhaal nogmaals mijn antwoord, dat ik niets heb, om u te geven.” „Help mij dan naar beneden gaan,” sprak min broeder, „gelijk gij mij bij het naar boven gaan behulpzaam zijt geweest.” „De trap is voor u vrij,” hernam de bewoner, „gij kunt gaan, wanneer het u behaagt, mits gij het alleen doet.” Dat behaagde mijn' broeder wel niet, maar hij moest ditmaal van den nood eene deugd maken. Toen hij eenige treden was afgegaan, glipte zijn voet uit, en hij gleed naar beneden, niet zonder zijn hoofd en zijnen rug te bezeeren. Het kostte hem moeite, om weder op de been te komen; en al grommende en zich beklagende over den bewoner van dat huis, die hem hartelijk uitlachte, ging hij heen.

Twee andere blinden, die op dat oogenblik daar voorbij kwamen, en mijnen broeder aan zijne stem herkenden, bleven staan, en vroegen, waarom hij dus klaagde en steunde. Hij verhaalde hun, wat hem bejegend was, en dat hij den ganschen dag nog niets had ontvangen. „Ik verzoek u dus,” vervolgde hij, „met mij naar mijne woning te gaan, opdat ik in uwe tegenwoordigheid eenig geld neem uit onze gemeenschappelijke kas, ten einde daarvoor mijn avondmaal te kunnen doen.” Zijne kameraden bewilligden hierin; en hij bragt hen naar zijne kamer.

Het verdient hier opmerking, dat de bewoner van het huis, bij wien mijn broeder een zoo slecht onthaal had gevonden, een boosaardig mensch en een afgeriste dief was. Hij hoorde, uit zijn raam leggende, alles aan wat Bakbac tot zijne makkers zeide, waarop hij naar beneden ging, hen van nabij volgde, en te gelijk met hen de onaanzienlijke woning binnendrong, waar mijn broeder zijnen intrek had. De blinden gingen dadelijk zitten, maar Bakbac zeide; „Niet zoo haastig broeders, laat ons eerst de deur sluiten, en ons overtuigen, dat zich geen onbekende hier bevindt.” Hierop was de dief niet verdacht geweest, en geraakte in groote verlegenheid; maar een touw ziende, dat tot het een of ander doeleinde aan de zoldering hing, klom hij daartegen op, en hield zich zoolang in de hoogte, totdat de blinden de deur gesloten en het vertrek, met hunne stokken rondtastende en voelende, onderzocht hadden. Toen dit onderzoek was afgeloopen en de blinden zich weder ter neder gezet hadden, liet ook de dief zich om laag zakken, en nam koelbloedig plaats aan de zijde van mijn' broeder. Bakbac geene andere gedachten hebbende, dan dat hij zich met de beide blinden alleen bevond, nam nu het woord op, en sprak hen aldus toe: „Broeders, daar gij mij tot bewaarder hebt gekozen van onze gemeenschappelijke kas, zoo zal ik u het bewijs geven, dat ik het vertrouwen, hetwelk gij in mij gesteld hebt, niet onwaardig ben. Gij weet, dat toen wij de laatste maal onze rekening opmaakten, er tien duizend drachmen in kas waren, en dat wij die in tien zakken deden. Ik zal u overtuigen, dat zij nog ongeschonden zijn.” Dit zeggende, tastte hij met de hand onder een' hoop oude kleêren, haalde de zakken één voor één te voorschijn, en gaf die aan zijne makkers. „Hier zijn ze alle tien,” vervolgde hij, „hunne zwaarte zal u overtuigen, dat zij nog vol zijn, of zoo gij dit verlangt, dan zullen wij den inhoud natellen.” Zijne kameraden zeiden echter, dat zij hem genoeg vertrouwden. Hierop maakte mijn broeder een' der zakken open, en nam daar tien drachmen uit; de beide andere kregen ieder voor hun aandeel evenveel.

Mijn broeder borg nu de zakken weder op hunne oude plaats, en wilde zich verwijderen om zijn' avondmaaltijd te gaan nuttigen, maar een der blinden hield hem daarvan terug, zeggende, dat dit niet noodig was, daar hij dien dag, door de liefdadigheid van goede lieden, zooveel had opgedaan, dat er meer dan genoeg zou zijn voor hun drieën. Te gelijker tijd haalde hij uit zijn' bedelzak brood, kaas en eenige vruchten te voorschijn, en spreidde dat alles op de tafel uit; waarna zij begonnen te eten. De dief, aan de regterhand van mijn' broeder gezeten, deed als de anderen, doch zorgde het beste voor zich uit te kippen. Hoe voorzigtig hij echter ook te werk ging, Bakbac hoorde hem kaauwen en riep dadelijk: „Wij zijn verraden; er is een vreemdeling bij ons!” Te gelijker tijd stak hij de hand uit, en greep den dief bij den arm. Deze trachtte zich los te rukken, maar mijn broeder wierp zich op hem, overlaadde den schelm met vuistslagen, en riep uit alle magt: „Een dief, een dief!” De andere blinden riepen even hard, en sloegen mede dapper op den dief los, die van zijnen kant zich kloekmoedig te weêr stelde. Daar hij sterk en vlug was, en het gezigt in zijn voordeel had, bragt hij nu aan den eenen, dan aan den anderen blinde zeer gevoelige slagen toe, en riep, zoo dikwijls hij de keel vrij had, nog harder dan zijne aanvallers: „Help, help! Dieven, dieven!” De buren kwamen weldra op dit geschreeuw toeschieten; zij liepen de deur open, en trachtten de vechters te scheiden. Dit had niet zonder veel moeite plaats, want zij schenen allen razend. Naar de oorzaak van dezen hevigen twist vragende, riep mijn broeder, die den dief nog steeds vasthield: „Mijn vrienden, de kerel dien ik bij den kraag heb, is een dief, en hier met ons binnen geslopen, om ons te berooven van het weinige geld, dat wij hebben.” De dief, die zoodra hij de buren zag binnenkomen, de oogen had gesloten, en zich als blind hield, riep nu op zijne beurt: „Ik zweer u mijne vrienden, bij onzen grooten Profeet, en bij het hoofd van den kalif, dat het onwaar is, wat deze man daar zegt. Ik behoor tot hun gezelschap, maar zij willen mij mijn regtmatig aandeel in onze gemeenschappelijke kas onthouden, en ten dien einde hebben zij alle drie tegen mij zamengespannen.” De buren wilden zich in dezen moeijelijk te beslissen twist niet mengen, en bragten hen alle vier voor den regter.

Zoodra zij daar gekomen waren, nam de dief, steeds den blinde spelende, zonder dat hem iets gevraagd werd, het woord: „Heer,” sprak hij, „daar gij zijt aangesteld, om het regt te handhaven in naam van den kalif, wiens magt Allah moge uitbreiden over geheel de bewoonde aarde, zoo dringt mijn geweten mij, u te verklaren, dat wij allen, zooals wij hier voor u staan, mijne drie makkers en ik, even zeer misdadig zijn. Maar daar wij ons onderling door een' eed verbonden hebben, niets te zullen bekennen dan onder den stok, zoo hebt gij, om met onze misdaad bekend te worden, niets anders te doen, dan te bevelen dat men ons stokslagen geve, en met mij een begin te maken.” Mijn broeder wilde nu ook spreken, doch hem werd het zwijgen opgelegd.

Intusschen werd de dief, volgens zijn verlangen, onder den stok gelegd. Hij had de standvastigheid zich twintig of dertig slagen te doen geven. Toen echter veinsde hij zich door de smart te laten overwinnen, deed eerst het eene oog, en kort daarna ook het andere open, terwijl hij luide om genade riep, en den regter smeekte, de strafoefening te doen ophouden. Dezen bevreemdde het zeer, dat de gewezen blinde hem met twee goede oogen aanstaarde. „Deugniet!” zeide hij, „wat moet dit zoogenaamde wonder beteekenen?” „Heer,” antwoordde de dief, „dit staat in verband met een gewigtig geheim; wanneer gij mij straffeloosheid toezegt, en zulks bevestigt door mij uwen zegelring, dien gij aan den vinger draagt, tot pand te geven, zoo zal ik u alles ontdekken.”

De regter deed de strafoefening staken, gaf den ring, en beloofde den dief, hem genade te zullen schenken. „In vertrouwen op uwe belofte van straffeloosheid, heer,” hernam deze, „zal ik u dan bekennen, dat mijne kameraden en ik, wij alle vier, zeer goed kunnen zien. Wij veinsden slechts blind te zijn, ten einde te vrijer in de huizen te worden toegelaten, in de vertrekken der vrouwen binnen te dringen, en met haar zwakheden ons voordeel te doen. Ik belijd u ook nog, dat wij door die veinzerij tien duizend drachmen hebben overgewonnen, die ons gezamentlijk eigendom zijn. Ik vroeg heden aan mijne makkers, om mijn aandeel ten bedrage van vijf en twintig honderd drachmen; zij weigerden mij dit uit te keeren, omdat ik mij van hen wilde scheiden, en zij dan bevreesd waren, dat ik hen zou verklappen. Ik bleef evenwel sterk aandringen. Zij wierpen zich toen alle drie op mij, en mishandelden mij, zooals deze lieden, die ons voor u gebragt hebben, kunnen getuigen. Ik verwacht van uwe regtvaardigheid, heer, dat gij zult zorgen, mij die vijf en twintig honderd drachmen geworden. Wilt gij, dat mijne kameraden de waarheid van mijne bekentenis zullen staven, doe hen dan driemaal zoovele stokslagen geven, als ik heb ontvangen, en gij zult zien, dat ook zij de oogen wel zullen open doen.”

Mijn broeder en de beide andere blinden wilden zich verdedigen en deze valsche beschuldigingen van zich afwerpen, maar de regter verwaardigde zich zelfs niet, hen aan te hooren. „Schelmen,” zeide hij tot hen, „het is dan op die wijze, dat gij de blinden speelt, om anderen te bedriegen, en allerlei slechte daden te bedrijven?” „Dat is niets dan logen en laster,” riep mijn broeder, „het is onwaar, dat wij niet blind zouden zijn. Wij nemen Allah daarbij tot getuige!”

Wat echter mijn broeder mogt inbrengen, 't hielp niet; hij en zijne makkers, zij ontvingen elk tweehonderd stokslagen. De regter verkeerde steeds in de verwachting, dat zij de oogen zouden openen, en schreef aan hardnekkigheid toe, 't geen hun onmogelijk was te doen. Intusschen zeide de dief tot de blinden, als gevoelde hij medelijden met hen: „Onnoozelen, die gij zijt, opent toch de oogen, en wacht niet, totdat gij onder de stokslagen zult bezwijken en sterven.” Na deze tergende en natuurlijk vruchtelooze aanmaning, wendde hij zich tot den regter. „Heer,” sprak hij, „ik zie wel, dat zij besloten hebben in hunne boosheid tot het uiterste te volharden; zij zullen zich liever dood laten slaan, dan de oogen te openen, en zich daardoor aan den spot en de verachting prijs geven van allen, die hen als blinden gekend hebben. Het zal dus wel het beste zijn, hen met de nu ontvangen gevoelige kastijding vrij te laten, en mij iemand mede te geven, om de tien duizend drachmen op te halen, die wij verborgen hebben.”

De regter leende hiernaar het oor; hij gaf den dief een' van zijne dienaren mede, en weldra kwamen zij terug met de tien zakken. Hij liet aan den dief twee-duizend vijf-honderd drachmen uittellen, en hield het overige van den buit voor zich zelven. Vervolgens vergenoegde hij zich, mijn' broeder en zijne makkers, nadat zij reeds half lam geslagen waren, uit de stad te verbannen, zonder verder onderzoek te doen, of zij werkelijk blind waren, of zien konden. Zoodra mij ter ooren kwam, wat den armen Bakbac overkomen was, ging ik hem opzoeken. Hij verhaalde mij zijn ongeluk, en ik bragt hem in stilte weder in de stad. Ik zou hem bij den regter misschien wel hebben kunnen regtvaardigen, en den dief naar verdienste doen straffen, maar ik durfde dat niet aan, uit vrees van mij zelven iets kwaad op den hals te halen. Ik begreep namelijk, dat de regter niet veel lust zou hebben, het gedeelte van den buit, dat hij zich reeds had toegeëigend weder af te staan; en in dergelijke gevallen is het gevaarlijk, met magtige heeren pruimen te eten; zij gooijen met de pitten.”

Zoo,” vervolgde de barbier, „eindigde ik het treurige verhaal van mijn' armen blinden broeder. De kalif moest hier niet minder om lagchen, dan om de beide verhalen, welke hij reeds gehoord had. Hij gaf andermaal bevel mij iets te geven; maar zonder aan hen, dien hij dit bevolen had, den tijd te laten, hunnen last te volbrengen, maakte ik een' aanvang met de geschiedenis van mijnen vierden broeder.

GESCHIEDENIS VAN DEN VIERDEN BROEDER VAN DEN BARBIER.

De naam van mijnen vierden broeder was Alcouz. Hij was van beroep slagter, en bezat de bijzondere gave, om rammen tot den strijd in het worstelperk af te rigten, waardoor hij in kennis kwam, en de toegenegenheid won van vele groote heeren, die vermaak vonden in dergelijke dierengevechten, en daartoe onderscheidene rammen aanhielden. Daarbij had hij vele klanten, en men vond in zijnen winkel steeds het beste vleesch, vermits hij zeer rijk was, en geen geld spaarde, om het schoonste slagtvee magtig te worden.

Op zekeren dag dat mijn broeder zelf in zijnen winkel was, kwam een grijsaard met eenen grooten witten baard zes pond vleesch halen, hetgeen hij met zilvergeld betaalde. Alcouz vond dat geld zoo fraai, zoo blinkend en zoo goed gemunt, dat hij het afzonderlijk in een koffertje wegsloot, om het te bewaren. Gedurende vijf maanden kwam de grijsaard dagelijks eene gelijke hoeveelheid vleesch halen, en betaalde steeds met de zelfde fraaije munt. Mijn broeder ging voort, dit geld steeds in het koffertje te bergen.

Na verloop van die vijf maanden kocht mijn broeder eene kudde schapen, en daar hij op dat oogenblik geld te kort kwam, besloot hij tot de opgespaarde fraaije muntstukken zijne toevlugt te nemen. Hoe groot was echter zijne verbazing, toen hij, het koffertje opensluitende, in plaats van geldstukken, niets anders vond dan een' hoop rond afgeknipte boombladeren. Hij sloeg zich met de vuist voor het hoofd, en schreeuwde zoo hard, dat de buren kwamen toeloopen. Deze waren niet minder ontsteld over zulk eene vreemde gedaante-verwisseling. „Mogt het Allah behagen,” riep mijn broeder in zijne woede, „dat die verraderlijke grijsaard met zijn huichelachtig gezigt thans eens hier kwam.” Naauwelijks had hij deze woorden gesproken, of hij zag hem in de verte aankomen. Alcouz ijlde den bedrieger te gemoet, en greep hem dadelijk bij den kraag. „Muzelmannen!” schreeuwde hij, „komt mij te hulp. Hoort het schelmstuk aan, dat deze oude booswicht aan mij bedreven heeft.” Hierop deed hij aan de hem omringende volksmenigte, een gelijk verhaal, als vroeger aan zijne buren. Toen hij met spreken ophield, zeide de grijsaard, zonder eenige verlegenheid aan den dag te leggen, op bedaarden toon tot hem: „Gij zult zeer wel doen, mij in vrede te laten gaan, en daardoor de beleediging te herstellen, die gij mij voor het oog van zoo vele menschen aandoet, uit vrees dat u niet iets ergers overkome, als ik op mijne beurt zou moeten spreken, hetgeen mij voor u leed zou doen.” „Wel! wat hebt gij op mij te zeggen, oude grijskop?” riep mijn broeder. „Ik ben in mijn beroep een eerlijk man, en volstrekt niet bang voor u!” „Gij wilt dus, dat ik uwe schande openbaar zal maken?” hernam de grijsaard op den zelfden vasten toon. „Weet dan,” vervolgde hij met stemverheffing, zich tot het volk wendende, „dat deze eerlijke man, in plaats van zooals zijn beroep medebrengt schapen te slachten, menschenvleesch verkoopt.” „Gij zijt een lasteraar!” riep mijn broeder. „Neen, neen!” hernam de grijsaard, „wat ik zeg, is waarheid; hoe durft gij het ontkennen, daar gij nog heden een' mensch geslagt, en als een schaap opgemaakt vóór uwen winkel ten toon hebt gehangen? Wie mij niet gelooven wil, moge er heen gaan, en zich met eigen oogen overtuigen, dat ik niet gelogen heb.”

Mijn broeder had dien morgen werkelijk een schaap geslagt, en dit naar gewoonte vóór zijnen winkel ten toon gesteld. Hij kon dus, zoo meende hij, met volkomen gerustheid staande houden, dat de grijsaard een aartsschelm en leugenaar was; maar wat hij ook mogt zeggen, de ligtgeloovige menigte liet zich gemakkelijk innemen tegen een' man, die van eene zoo afschuwelijke misdaad betigt werd, en wilde daaromtrent dadelijk ingelicht zijn. Men dwong mijn' broeder den grijsaard los te laten, maakte zich van hemzelven meester, en voerde hem onder een' geweldigen oploop mede, tot aan zijnen winkel. Hier meende men werkelijk een geslacht mensch te zien hangen; want de grijsaard een toovenaar zijnde, had de oogen van het volk begoocheld, gelijk hij die van mijn' broeder verblind had, als hij hem boombladeren voor echte zilveren munt deed aannemen.

Op dit ingebeeld zien van een geslagt mensch gaf een dergenen, die hem vasthielden, aan Alcouz een' geduchten vuistslag, zeggende: „Ha! booswicht, is het op deze wijze, dat gij ons menschenvleesch te eten geeft?” De grijsaard, die niet van de zijde mijns broeders was geweken, bragt hem een' slag in het gezigt toe, zoo dat het eene oog er uitspatte. Op deze wijze werd Alcouz door ieder mishandeld, die slechts tot hem kon doordringen, en hiermede nog niet tevreden, sleepten zij hem, ook het gewaande lijk medevoerende, tot voor het huis van den regter. „Heer,” zeide nu de toovenaar, voor allen het woord doende, „zie hier een' man die de barbaarschheid heeft, de menschen in zijnen winkel te lokken, als beesten te slagten, en hun vleesch voor schapenvleesch te verkoopen. Het volk hier tegenwoordig verlangt dat deze menschen-slagter, tot een' afschrik voor andere booswichten, streng gestraft zal worden.” De regter riep hierop mijn' broeder voor zich, en hoorde zijne verdediging met geduld aan; maar de geschiedenis van het geld, dat in bladeren was veranderd, kwam hem zoo weinig geloofwaardig voor, dat hij Alcouz voor een' listigen bedrieger hield, en zich verlatende op hetgeen zijne oogen zagen, liet hij hem vijfhonderd stokslagen geven.

Vervolgens dwong hij mijn' ongelukkigen broeder hem de plaats te zeggen, waar hij zijn geld had geborgen, beroofde hem daarvan, en verbande hem voor zijn leven, nadat men hem gedurende drie dagen, op een' kameel gezeten, tot een afschrikkend voorbeeld voor jong en oud door de stad had rondgeleid.

Toen dit treurige voorval met mijnen armen broeder plaats had,” vervolgde de barbier, „bevond ik mij niet te Bagdad. Hij zocht eene eenzame wijkplaats op, waar hij verborgen bleef tot dat zijn rug, die bijna geheel ontveld en bont en blaauw was van de ontvangen stokslagen, geheeld zou zijn. Zoodra hij zich weder in staat bevond, om te kunnen loopen, begaf hij zich langs binnenwegen naar eene stad, waar niemand hem kende, en nam zijn' intrek bij arme lieden, zonder bijna zijne ellendige woning te verlaten, zoo menschenschuw was hij geworden. Eindelijk echter verdroot het hem, steeds als een gevangene binnen vier muren te zitten, en waagde hij het eene wandeling in eene der voorsteden te doen. Plotseling werd hij verschrikt door het gerucht eener naderende ruiterbende, welke hem achterop kwam rijden. Hij bevond zich op dat oogenblik voor de deur van een groot huis; en daar hij, na het ongeluk dat hem had getroffen, overal gevaar zag, vreesde hij dat die ruiters hem achtervolgden en gevangen wilden nemen. In die vrees stootte hij de deur, die niet gesloten was, open, ten einde zich te verbergen, totdat de ruiters voorbij zouden zijn. Maar naauwelijks had hij de deur achter zich gesloten, en de voeten in het voorhof gezet, toen een tweetal bedienden kwamen toeschieten en hem bij den kraag pakten. „Allah zij geprezen!” riepen zij, „dat gij u dus zelven aan ons overlevert! Gij hebt ons reeds zoo veel zorg verwekt, dat wij de laatste drie nachten niet te bed zijn geweest; en hadden wij niet opgepast, gij zoudt ons nog om het leven hebben gebragt.”

Gij kunt wel denken, sire, dat mijn broeder over deze ontvangst zeer verwonderd was. „Goede lieden,” zeide hij tot hen, „ik weet niet wat gij van mij hebben wilt; gij hebt zeker een' verkeerde voor.” „Neen,” antwoordden zij, „wij weten zeer goed, dat gij tot eene bende straatroovers behoort. Het was u niet genoeg onzen meester te bestelen en tot armoede te brengen, gij wildet hem nu ook nog het leven benemen. Laat ons eens zien of gij het mes niet bij u draagt, dat gij in de hand hield, toen gij ons gisteren nacht achtervolgdet.” Dit zeggende betastten zij hem, en bevonden dat hij werkelijk een mes bij zich had. „Aha!” riepen zij, en ontnamen hem het mes, „durft gij thans nog zeggen geen straatroover en moordenaar te zijn?” „Nu nog fraaijer,” antwoordde mijn broeder, „kan men geen mes bij zich dragen, zonder een straatroover te zijn? Hoor mijne geschiedenis,” vervolgde hij, „en in plaats van zulke slechte gedachten van mij te koesteren, zult gij begaan zijn met mijn ongeluk.” Wel verre van hem aan te hooren, wierpen zij hem op den grond, en scheurden hem de kleêren van 't lijf. De lidteekens op zijnen rug vielen hen daarbij in het oog. „Ha, hond,” riepen zij nu, hunne slagen verdubbelende, „wilt gij ons nog vertellen, dat gij een eerlijk man zijt? Uw rug wijst het wel anders uit!” „Helaas,” kermde mijn broeder, „mijne zonden moeten wel groot wezen, dat ik, na reeds éénmaal zoo onregtvaardig mishandeld te zijn; dit nu voor de tweede maal ondervinden moet, zonder eenige schuld te hebben.”

De bedienden werden door zijne klagten niet het minst bewogen; zij bragten hem voor den regter, en deze zeide tot hem: „Wat heeft u zoo stout gemaakt, bij deze menschen in huis te dringen, en hen met het mes in de hand te vervolgen?” „Heer,” antwoordde de arme Alcouz, „zie in mij den onschuldigsten en tevens den ongelukkigsten mensch van den ganschen aardbodem. Indien gij geen mededoogen hebt, en mij niet geduldig wilt aanhooren zoo ben ik verloren.” „Heer,” viel thans een der bedienden in, „zult gij gehoor geven aan de woorden van een' lagen straatroover, die in de huizen sluipt, om de bewoners te berooven en te vermoorden? Indien gij ons niet wilt gelooven, zoo bezie slechts zijnen rug!” Dit zeggende ontblootte hij den rug van mijnen broeder, en liet dien aan den regter zien. Deze beval hierop, zonder dat hij in een nader onderzoek trad of op de herhaalde betuigingen van onschuld van mijn rampzaligen broeder verder acht sloeg, hem onmiddelijk honderd slagen op de schouders te geven. Hij liet hem vervolgens op eenen kameel door de stad rondleiden, terwijl een omroeper voor hem uitging en riep: „Zoo worden degenen getuchtigd, die met geweld of list in eens anders woning binnendringen.” Nadat men hem aldus had rondgevoerd, werd Alcouz buiten de stad gebragt, met streng verbod daarin immer weder terug te mogen komen. Eenige lieden, die mijn' broeder kenden en hem na dit tweede ongeluk ontmoetten, gaven mij berigt van de plaats, waar hij zich ophield. Ik ging hem daar opzoeken, en bragt hem in stilte weder te Bagdad, waar ik hem naar mijn beste vermogen ondersteunde.

De kalif Mostanser Billah,” vervolgde de barbier, „moest over deze geschiedenis niet zoo lagchen als over de vorigen. Hij had de goedheid den ongelukkigen Alcouz te beklagen, en wilde mij andermaal iets doen geven en mij heên laten gaan, maar zonder daarop acht te slaan, nam ik nogmaals het woord op en zeide: „Geëerbiedigd opperheer, gij zult nu de overtuiging hebben, dat ik karig in mijne woorden en in 't geheel niet praatziek ben; en daar uwe majesteit de goedheid heeft gehad, mij tot dus verre aan te hooren, zoo smeek ik haar, ook aan het verhaal der lotgevallen van mijne beide andere broeders een gunstig oor te verleenen. Ik hoop dat zij u niet minder genoegen zullen geven dan de voorgaanden. Zoo zult gij tevens in de gelegenheid worden gesteld, daarvan eene volledige geschiedenis te laten maken, die niet onwaardig zal zijn, als iets zeldzaams in uwen boekenschat te worden opgenomen, om voor het nageslacht bewaard te blijven. Ik zal dus de eer hebben u te zeggen, dat mijn vijfde broeder Alnaschar genoemd werd.

GESCHIEDENIS VAN DEN VIJFDEN BROEDER VAN DEN BARBIER.

Alnaschar was, zoo lang onze goede vader leefde, een regte luiaard. In plaats van den kost met werken te verdienen, schaamde hij zich niet des avonds te gaan bedelen, en leefde dan den volgenden dag van de giften, die hij ontvangen had. Onze brave vader stierf in hoogen ouderdom aan verval van krachten, en liet ons niet meer na dan zevenhonderd zilveren drachmen. Wij verdeelden deze som onder elkander, zoodat ieder onzer honderd drachmen voor zijn erfdeel bekwam. Alnaschar, nooit zoo veel geld op éénmaal in zijn bezit gehad hebbende, bevond zich in groote verlegenheid over het gebruik, dat hij daarvan zoude maken. Hij overlegde dit een' langen tijd, en besloot ten laatste zijn geld aan flesschen en ander glaswerk te besteden, 't welk hij bij een' grossier in dat vak ging halen. Hij pakte zijne koopwaar in eene traliemand en huurde een' zeer kleinen winkel, waarin hij zich nederzette, met de mand voor zich en met den rug tegen den muur geleund, in afwachting dat er koopers zouden komen. In deze gemakkelijke houding, met de oogen op zijn glaswerk gevestigd, geraakte hij aan het mijmeren, en in zijne wakende dromerij hield hij de volgende alleenspraak, luid genoeg, dat daarvan voor zijn' buurman, een schoenmaker, geen enkel woord verloren ging. „Deze mand met glas,” zeide hij, „kost mij honderd drachmen, en dat is mijn geheele rijkdom in de wereld. Ik zal daarvoor, door bij het stuk uit te verkoopen, wel twee-honderd drachmen maken, en met die twee-honderd drachmen, die ik weder aan glaswerk wil besteden, zal ik er vier-honderd verkrijgen. Dus voortgaande, zal ik het door den tijd wel tot vier-duizend drachmen brengen. Van vier-duizend drachmen kom ik ligt tot acht-duizend, en wanneer ik tien-duizend drachmen bij elkander heb, laat ik mijn' glashandel varen, om juwelier te worden. Ik zal dan handel drijven in diamanten, paarlen en allerlei edelgesteenten. Na korten tijd in het bezit van een' aanzienlijken schat, zal ik een fraai huis en landgoed koopen, ik zal mij slaven, gesnedenen en paarden aanschaffen, op eenen grooten voet leven, vertooning in de wereld maken, muzijkanten, dansers en danseressen aan mijne woning laten komen, en mijne vrienden prachtig onthalen. Ik zal het echter bij dat goede leven niet laten blijven, maar als het Allah behaagt, mijn kapitaal tot honderd-duizend drachmen op voeren, mij zelven gelijk achten met een' prins, en de dochter van den groot-vizier ten huwelijk vragen. Indien de vizier, dat echter niet denkbaar is, onwellevend genoeg mogt zijn, mij zijne dochter te weigeren, zoo zal ik haar met geweld doen ontvoeren, en zijns ondanks naar mijne woning laten brengen.

Zoodra ik de dochter van den groot-vizier gehuwd heb, geef ik haar tien zwarte gesnedenen, de jongste en welgemaaktste, die er te krijgen zijn. Ik zal mij kleeden als een vorst, en, gezeten op een schoon paard, met gouden zadel, bezet met paarlen en edelgesteenten, zal ik door de stad rijden, vergezeld voor en achter mij door een groot aantal kostbaar uitgedoste slaven. Zoo zal ik mij naar het hôtel van den groot-vizier begeven, ten aanzien der geheele bevolking van Bagdad, die voor mij in het stof zal buigen. Ik zal afstijgen voor de woning van den vizier, en deze binnentreden te midden van mijne bedienden, die aan twee rijen aan mijne regter- en linkerhand zullen geschaard staan. De groot-vizier zal niet aarzelen, mij als zijn' schoonzoon te ontvangen en zijne plaats af te staan, ten einde mij zoo de meeste eer te bewijzen. Indien dat, zooals ik bijna niet twijfel, gebeurt, zoo zal ik uit de handen van een' mijner slaven twee beurzen elk van duizend goudstukken nemen en ze den vizier aanbieden. „Ziehier,” zal ik tot hem zeggen, „twee-duizend goudstukken, omdat ik uwe dochter tot vrouw genomen heb.” Na zulk eene daad kan het niet wel anders, of een ieder zal den mond vol hebben van mijne edelmoedigheid.

Ik zal vervolgens met de zelfde statie naar mijne woning terugkeeren. Nog niet lang daar, of mijne vrouw zal mij door een' harer slaven laten bedanken voor het bezoek, dat ik mij verwaardigd heb, aan den vizier haar' vader te brengen. Ik zal den slaaf een kostbaar kleed doen geven, en hem met een zeer rijk geschenk voor mijne vrouw terugzenden. Indien zij zich mogt verpligt achten, mij een tegengeschenk te doen, zoo zal ik dat niet aannemen, als voor mij te vernederend, en er den brenger mede terugsturen.

Ik zal niet toestaan, dat zij haar vertrek verlaat, om welke reden zulks ook zijn moge, zonder dat ik daarvan kennis draag. En indien ik haar daar met mijn bezoek zal willen vereeren, zoo zal dit zijn op eene wijze, welke haar ontzag voor mij zal inboezemen. In één woord, er zal geene beter ingerigte huishouding zijn dan de mijne. Ik zal altijd rijk gekleed gaan. Wanneer mijne vrouw des avonds aan mij wordt voorgesteld, neem ik de eereplaats in; ik zal een ernstig gelaat zetten, zonder het hoofd regts of links te wenden. Ik zal weinig spreken, en terwijl mijne echtgenoote in alle pracht uitgedost, als eene Oostersche vorstin voor mij staat, zal ik mij houden, alsof ik haar zelfs niet opmerk. Hare vrouwen, welke haar omgeven, zullen dan tot mij zeggen: „Goede heer en meester, zie hier uwe echtgenoote, uwe zeer nederige dienares voor u staan; zij wacht, dat het u behagen moge, tot haar te spreken, zij is zeer ter neêrgeslagen dat gij haar zelfs met geen' blik verwaardigt, en vermoeid van het lange staan. Zeg haar ten minste, dat zij zich kan nederzetten.” Ik zal op dat verzoek geen antwoord geven, hetgeen hare verwondering en droefheid nog zal verhoogen. De slavinnen zullen zich voor mijne voeten werpen, en eerst nadat zij mij oneindig lang gesmeekt en gebeden zullen hebben, zal ik het hoofd opligten, een' vlugtigen blik op haar werpen, en daarna mijne vorige houding hernemen. Zij zullen nu in het denkbeeld verkeeren, dat mijne vrouw in de kleeding, waarin zij aan mij werd voorgesteld, mij niet behaagt; zij zullen haar met zich nemen, en haar van kleederen doen verwisselen. Zij zal vervolgens nog prachtiger dan de eerste maal voor mij verschijnen. Intusschen zal ook ik een nog kostbaarder kleed aantrekken, en mij als een vorst op een' troon nederzetten. Zij zullen dan met mijne vrouw terugkomen, mij op nieuw smeeken en bidden, en eerst nadat dit lang genoeg geduurd zal hebben, zal ik mijne vrouw aanzien. Reeds op den eersten dag van mijn huwelijk zal ik een' aanvang maken haar te leeren, op welke wijze ik verlang, gedurende het overige van haar leven, met haar om te gaan.

Na afloop der huwelijksplegtigheid,” vervolgde Alnaschar zijne alleenspraak, „zal ik uit de hand van een' mijner bedienden, die bij mij zal staan, eene beurs met vijf-honderd goudstukken nemen, en die aan de kameniers geven. Zoodra deze zich zullen verwijderen, zal ik mij met mijne vrouw te bed begeven, maar haar dadelijk den rug toekeeren, en den nacht voorbij laten gaan, zonder haar een enkel woord toe te spreken. Zij zal niet nalaten, den volgenden morgen over mijne versmading en hoogmoed zich bij hare moeder, de vrouw van den groot-vizier, te beklagen, en in mijn hart zal ik daarover juichen. Hare moeder zal mij dan een bezoek brengen; mij eerbiedig de handen kussen, en tot mij zeggen: „Heer” (want om mij schoonzoon te noemen, zal zij niet durven, uit vrees mij door die gemeenzaamheid te beleedigen), „ik smeek u, mijne dochter niet te versmaden; ik verzeker u, dat zij niets anders zoekt dan u te behagen, en dat zij u bemint met geheel haar hart.” Mijne schoonmoeder zal echter goed praten hebben, ik zal mijnen ernst behouden, en haar geene' lettergreep antwoorden. Dan zal zij zich aan mijne voeten werpen, die bij herhaling kussen, en tot mij zeggen: „Laat toch af mijne dochter dus te grieven, bewijs uwe vrouw de gunst haar aan te zien, tot haar te spreken, en haar te versterken in de goede voornemens, welke zij heeft, u in alles te voldoen en te behagen.” Hierdoor zal ik mij echter niet laten bewegen, en mijne schoonmoeder zal vervolgens een glas wijn nemen, dit aan hare dochter in de hand geven, en tot haar zeggen: „Mijn lief kind, bied dezen beker wijn uwen man aan; hij zal waarschijnlijk de wreedheid niet hebben, zulk eene schoone hand af te wijzen.” Mijne vrouw zal dan met het glas naar mij toekomen, en al bevende voor mij blijven staan. Als zij zal zien, dat ik mijn gelaat van haar afwend en volhoud haar te versmaden, zoo zal zij, met tranen in de oogen, tot mij zeggen: „Mijne geliefde, mijn tweede ziel, mijn beste heer, ik bezweer u, mij de gunst te bewijzen dit glas wijn te ontvangen uit de hand van uwe zeer onderdanige dienstmaagd.” Ik zal mij wel in acht nemen, haar ook dan nog aan te zien of te antwoorden. „Mijn allerliefste echtgenoot,” zal zij voortgaan, terwijl hare tranen verdubbelen en zij mij het glas aan den mond brengt, „ik zal niet aflaten, vóórdat gij drinkt.” Dan, vermoeid door hare beden, zal ik haar een' vreeselijken blik toewerpen, haar een' slag op den wang geven, en een' zoo krachtigen schop toebrengen, dat zij als een bal over den grond zal rollen. Zoo zal ik doen!” vervolgde mijn broeder, de daad bij de gedachten voegende; maar tot zijn ongeluk daarbij niet de dochter van den vizier, waarvan hij droomde, maar de mand met glas, waarvan hij niet droomde en die voor hem stond, aanrakende. De schop was zoo krachtig, dat de mand van zijne uitstalling op de straat viel, en al het glaswerk in duizend stukken brak.

Zijn buurman, de schoenmaker, die zijn zot geklap van woord tot woord had afgeluisterd, borst, toen hij de mand zag vallen, in een schaterend lagchen uit. „Aha!” zeide hij tot mijn' broeder, „dat is loon naar werken, zoo moest gij juist varen. Zijt gij een kerel, gij moest u dood schamen, eene jonge en schoone vrouw, die u niet de minste reden tot klagen gaf, zoo barbaarsch te willen mishandelen; gij moet wel wreed van aard en hardvochtig zijn, om dus te kunnen spotten met de tranen van zulk een beminnelijk wezen. Indien ik in de plaats was van den groot-vizier, uw' ingebeelden schoonpapa, ik zou u honderd stokslagen doen geven, en u door de stad laten rondvoeren, met het lofschrift op de borst: „Zie hier den grootsten vrouwenbeul!””

Mijn broeder kwam inmiddels van schrik tot zich zelven, en ziende wat hem door zijn' hoogmoed was overkomen, sloeg hij zich voor het hoofd, scheurde zijne kleederen, en jammerde over zijn ongeluk. Dit deed de voorbijgangers stilstaan, en daar het Vrijdag was en velen tot het gebed opgingen, was de toeloop zeer groot. De een had medelijden met Alnaschar, een ander lagchte slechts om zijne dwaasheid. Zijn hoogmoed was echter te gelijk met het verlies van zijn goed geweken. Hij zat zijne droomerij en zijn treurig lot nog bitter te beweenen, toen eene aanzienlijke dame, op een' muilezel gezeten, voorbij reed. De toestand, waarin zij mijn' broeder zag, wekte haar mededoogen op. Zij vroeg, wie die man was, en waarom hij zoo bitter schreide. Men zeide haar alleen, dat het een ongelukkige was, die al zijn geld, zijn geheel klein vermogen besteed had, om glaswerk in te koopen, en dat de mand, waarin hij zijne koopwaar gepakt had, was omgevallen, waardoor er geen stuk heel was gebleven. De dame wendde zich daarop tot den gesnedene, die haar vergezelde. „Geef hem,” zeide zij, „'t geen gij bij u hebt.” De gesnedene voldeed aan dezen last, en stelde aan mijn' broeder eene beurs met vijf-honderd goudstukken ter hand. Alnaschar was van vreugde buiten zich zelven. Hij gaf de dame duizend zegenwenschen, en na zijn' winkel, waar zijne tegenwoordigheid thans gemist kon worden, gesloten te hebben, ging hij naar zijn huis.

Nog zat mijn broeder in zijne woning te peinzen over het gebeurde, toen er aan de deur werd geklopt. Hij deed open, en zag eene bejaarde vrouw voor zich staan. „Mijn zoon,” sprak zij, „ik heb eene gunst van u te vragen. Het is tijd, om tot het gebed op te gaan; ik zou mij gaarne willen wasschen, ten einde daaraan te kunnen deelnemen. Heb dus de goedheid mij binnen te laten, en mij eene vaas met water te doen geven?” Mijn broeder zag de vraagster aan, en bemerkte, dat zij reeds hoog bejaard was. Ofschoon hij haar nu volstrekt niet kende, bewilligde hij echter in haar verzoek. Hij gaf haar eene vaas met water, ging toen, steeds met zich zelven bezig, weder zitten, en deed zijn goud in eene lange en naauwe beurs, geschikt om die aan zijn' gordelriem vast te maken en te dragen. De oude deed inmiddels haar gebed, en toen dit ten einde was, ging zij naar mijnen broeder, wierp zich ter aarde, en wenschte hem alle mogelijke zegeningen toe.

Daar die vrouw vrij armoedig gekleed was, en zij zich zoo nederig aanstelde, dacht Alnaschar dat het hare bedoeling was, hem eene aalmoes te vragen. Hij bood haar daarom twee goudstukken aan. De oude deed eene trede achterwaarts, en hield zich over die gift verbaasd, even alsof zij zich daardoor beleedigd achtte. „Wat zal dit beteekenen?” zeide zij. „Zou het mogelijk zijn, heer, dat gij mij aanziet voor eene van die ellendigen, welke zich niet ontzien in de huizen binnen te dringen, ten einde eene aalmoes te vragen? Neem uw geld terug, ik heb daar, Allah zij geloofd, geene behoefte aan; ik behoor bij eene jonge dame die niet alleen met eene uitstekende schoonheid is bedeeld, maar tevens zeer rijk is, en het mij aan niets laat ontbreken.”

Mijn broeder was niet geslepen genoeg, om de slechte oogmerken van de oude te vatten, die de twee goudstukken slechts had geweigerd, om op eene andere wijze meer te bekomen. Hij vroeg haar, of zij hem niet de gelegenheid zou kunnen verschaffen om die dame te zien? „Gaarne,” antwoordde zij, „mijne meesteres zal waarschijnlijk wel met u willen huwen, en u daardoor in het bezit stellen van al hare goederen. Neem dus uw geld, en volg mij.” Opgetogen over zijn geluk van dien dag (eerst eene groote som gelds, welke hem als in den schoot werd geworpen, en nu eene jonge, schoone en rijke vrouw, die om te trouwen, slechts op hem scheen gewacht te hebben), was hij doof en blind voor elke verstandige overweging en liep als eene mol in den val. Hij nam de beurs met vijf-honderd goudstukken, hing die aan zijnen gordel, en liet zich door de oude geleiden.

Zij ging vóór hem tot aan de poort van een groot huis, waar zij aanklopte. Eene jonge Grieksche slavin deed open. De oude liet Alnaschar het eerst binnengaan, en bragt hem over het met marmeren steenen belegde voorhof, in eene zaal, waarvan het huisraad hem moest versterken in de gunstige gedachte, welke zij hem van den rijkdom der eigenares had ingeboezemd. Terwijl de oude hem bij hare meesteres ging aandienen, nam Alnaschar op de sofa plaats, en verhit van het loopen, ontdeed hij zich van zijnen tulband. Niet lang daarna zag hij eene jonge dame binnenkomen, wier schoonheid hem nog meer verbaasde, dan hare rijke kleeding. Hij stond dadelijk op, om haar te begroeten. De dame verzocht hem met een vriendelijk lachje zijne plaats te hernemen, en nam naast hem plaats. Zij betuigde hem hare verrassing over zijn frisch en mannelijk voorkomen. „Maar,” vervolgde zij, „wij zijn hier niet genoeg op ons gemak, geef mij den arm, dan zal ik u in eene andere kamer brengen.” Dit zeggende, geleidde zij Alnaschar naar een afgelegen vertrek; waarna zij hem alleen liet, belovende binnen ééne minuut terug te zullen komen. Mijn broeder wachtte met reikhalzend verlangen, doch in plaats van zijne schoone trad een reusachtige zwarte slaaf met ontbloote sabel in de hand binnen. Hij zag mijnen broeder met een' vreeselijken blik aan, en zeide op barschen toon: „Wat hebt gij hier te doen?” Alnaschar was zoo verschrikt, dat hij niet kon antwoorden. De slaaf greep hem aan, ontnam hem het goud, dat hij bij zich had, kleedde hem geheel uit, en bragt hem vervolgens verscheidene sabelhouwen toe. Mijn ongelukkige broeder viel, in zijn bloed wentelende, ter neder, en bleef zonder beweging liggen, hoewel hij nog bij kennis was. De slaaf meende nu hem gedood te hebben, doch zich daarvan willende verzekeren, riep hij om zout. De Grieksche slavin kwam met een' grooten bak vol aandragen. Zij wreven hiermede de wonden van Alnaschar in, die, niettegenstaande een' onuitstaanbaren pijn, de tegenwoordigheid van geest bezat, niet het minste teeken van leven te geven. Nadat de zwarte slaaf en de Grieksche slavin hun werk verrigt en zich verwijderd hadden, kwam de oude, welk hem in den val gelokt had, binnen, nam het gewaande lijk bij de beenen, sleepte het naar een valluik, dat zij opligtte, en wierp het naar beneden. De zware val bedwelmde in den beginne mijn' broeder. Toen hij weder tot bewustzijn kwam, zag hij zich in een' diepen kelder, te midden van de gedeeltelijk ontbonden lijken der ongelukkigen, die vóór hem in dit moordhol gelokt en omgebragt waren. De wonden, die hij ontvangen had, waren niet verder dan het vleesch doorgedrongen, en daar het bloeden door het zout gestremd was, had mijn broeder aan die pijnlijke inwrijving het behoud van zijn leven te danken. Van lieverlede keerden zijne krachten terug, zoodat hij zich kon oprigten, en na verloop van twee dagen 's nachts den trap opkomen, en het valluik opligten. In het donker rondtastende, vond hij eindelijk eene plaats, waar hij zich tot het aanbreken van den dag meende te kunnen verbergen. Zoodra het licht werd, zag hij het verwenschte oude wijf voorbijgaan; zij begaf zich naar de poort, ontgrendelde deze, en ging de straat op, waarschijnlijk om eene nieuwe prooi te zoeken. Zij liet de deur aan staan, en toen mijn broeder oordeelde, dat zij ver genoeg zou zijn, om hem niet te zien, verliet hij het huis, en kwam bij mij zijne toevlugt nemen.

Door de krachtige en onfeilbare geneesmiddelen, welke ik hem toediende, was Alnaschar na verloop van eene maand van al zijne wonden genezen. Hij besloot nu zich op de oude, welke hem zoo snood had bedrogen, te wreken. Tot dat einde maakte hij eene beurs van de grootte van vijf-honderd goudstukken, en vulde die met rond afgesneden glasscherven.

Mijn broeder,”” vervolgde de barbier, „„maakte de beurs met glas aan zijnen gordelriem vast, verkleedde zich als eene bejaarde vrouw, hing een' sluijer over zijn gelaat, en verborg een scherp zwaard tusschen de plooijen van zijne rokken. Dus vermomd had hij reeds op den derden dag, het was nog vroeg in den morgen, het geluk de oude te ontmoeten, terwijl zij door de stad slenterde, naar gelegenheid zoekende, om den een' of anderen onnoozele eene poets te spelen. Hij klampte haar aan, en eene vrouwenstem nabootsende, vroeg hij: „Zoudt gij mij ook kunnen zeggen, waar ik eene goudschaal koopen of leenen kan? Ik ben eene hier onbekende Perzische vrouw, en zou gaarne willen weten of de vijf-honderd goudstukken, die ik uit mijn land heb medegebragt, allen het goede gewigt hebben.” „Goede vrouw,” gaf de oude minzaam ten antwoord, „gij kunt u niet beter vervoegen, dan tot mij. Ik heb een' zoon, die geldwisselaar is; hij zal het goud met liefde voor u willen wegen, en u zoo de moeite besparen, dit zelve te doen. Laat ons dus geen' tijd verliezen, ten einde hem te huis te treffen, alvorens hij naar zijn kantoor gaat.” Mijn broeder volgde zijne oude bekende naar het zelfde huis, waar zij hem de eerste maal gebragt had; ook de poort werd door de zelfde Grieksche slavin geopend.

De oude bragt mijn' broeder in de zaal, waar zij hem verzocht een oogenblik te wachten, terwijl zij haren zoon zou waarschuwen. De voorgewende zoon verscheen dan ook weldra, maar in de gestalte van den boosaardigen zwarten slaaf. „Verwenscht oud wijf,” sprak hij norsch tot mijn' broeder, „sta op, en volg mij!” Dit zeggende ging hij vooruit, om Alnaschar naar de plaats te brengen, waar hij hem wilde dooden. Alnaschar stond op, en volgde den zwarte; doch naauwelijks hadden zij de moordkamer bereikt, of hij haalde zijne sabel plotseling van onder zijn kleed te voorschijn, en bragt zijn' vijand een' zoo welgerigten slag in den hals toe, dat het hoofd er afvloog. Nu nam hij het lijk en het hoofd, sleepte ze naar het valluik, en wierp ze in den kelder. De Grieksche slavin, daarop afgerigt, kwam weldra met een' bak zout aandragen; maar toen zij Alnaschar, die den sluijer had afgerukt, daar zag staan met de sabel in de vuist, wierp zij den bak neder en nam de vlugt. Mijn broeder haalde haar spoedig in, en sloeg ook haar het hoofd af. Op het gemaakte gerucht kwam de oude toeloopen; mijn broeder greep haar dadelijk bij de keel. „Verraderlijk wijf,” schreeuwde hij, „herkent gij mij?” „Ach! Heer,” antwoordde zij bevende, „wie zijt gij? Ik herinner mij niet, u ooit gezien te hebben.” „Ik ben,” sprak Alnaschar, „degene, bij wien gij u voor eenige weken vervoegdet, om uwe handen te wasschen en uw huichelachtig gebed te doen; herinnert gij het u thans?” De oude vrouw wierp zich nu op de knieën en had om genade, maar Alnaschar hieuw haar in vier stukken.

Er bleef thans niemand over dan de jonge dame, welke nog niets wist, van hetgeen er in huis voorviel. Mijn broeder zocht het geheele gebouw door, en vond haar op hare slaapkamer. Toen zij Alnaschar zag, verschrikte zij hevig. Zij bad hem haar leven te sparen, en hij had de edelmoedigheid zulks te doen. „Mejufvrouw,” zeide hij, „hoe kondet gij zamen wonen met zulke booze menschen, als die, waarop ik mij zoo even vreeselijk gewroken heb?” „Ik was,” antwoordde zij hem, „de gade van een' eerlijken koopman, en deze ondeugende oude vrouw, wier boosaardigheid mij onbekend was, kwam mij dikwijls bezoeken. „Mevrouw,” zeide zij op zekeren keer tot mij, „mijn zoon houdt morgen bruiloft, en indien gij ons dan met uw bijzijn wilt vereeren, zult gij u regt vermaken.” Ik liet mij overhalen, trok mijn beste kleed aan, stak eene beurs met honderd goudstukken bij mij, en ging met haar mede. Zij bragt mij in dit huis, waar ik dezen zwarte aantrof, die mij met geweld hier heeft gehouden; het is nu drie jaar, dat ik tot mijn groot verdriet gevangen ben.” „Te oordeelen naar de snoode handelingen, waarvan die verwenschte zwarte zich bediende,” hernam mijn broeder, „moet hij groote schatten hebben verzameld.” „Er is hier zoo veel,” antwoordde zij, „dat gij voor altoos rijk zult zijn, indien gij ze kunt medenemen. Kom, en zie zelf.” Zij bragt hem nu in eene kamer, waar zij verscheidene koffers aanwees, die allen met goud gevuld waren.

„Ga,” zeide zij vervolgens, „en haal eenige dragers, om dezen schat naar uwe woning over te brengen. Als gij mij slechts zoo veel laat, dat ik elders afgezonderd kan leven, zal ik u dankbaar zijn.” Mijn broeder liet zich dit geen tweemaal zeggen. Zijn droombeeld was verwezentlijkt, hij zou plotseling een schatrijk man zijn. Of hij daarbij ook weder dacht, om de dochter van den groot-vizier ten huwelijk te vragen, heeft hij mij nooit verteld; maar wel dat hij zich haastte met een tiental gespierde mannen, die hij weldra bijeen had, terug te komen. Hij was echter niet weinig verwonderd, de deur open te vinden, en nog hooger klom zijne verbazing, toen hij op de kamer kwam, waar hij de koffers met goud had gezien, en daarvan niets meer te vinden was. De jonge dame, beter voor deze zaak berekend en vlugger dan mijn broeder, had ze reeds laten weghalen, en was ook zelve verdwenen. Bij gebrek van beter, en om niet met ledige handen van daar te gaan, liet nu mijn broeder het kostbaarste huisraad, en alles wat waarde had, bijeenpakken en naar zijne woning brengen. De waarde van een en ander bedroeg veel meer, dan de vijf-honderd stukken goud, die hem ontroofd waren. Het huis verlatende, vergat hij echter de deur te sluiten. Dit, en de haastige manier van verhuizen, waarvan zij getuigen waren, kwam aan de buren verdacht voor. Zij gaven er den regter kennis van. Mijn broeder bragt dien nacht in onverstoorde rust door, maar des morgens willende uitgaan, vond hij zijne deur bezet met een twintigtal geregtsdienaars, die hem staande hielden, en tot hem zeiden: „Ga eens met ons; onze meester moet u spreken.” Mijn broeder bad hun een oogenblik geduld te hebben, en bood hun geld aan, om hem te laten ontkomen. Zij wilden hiernaar echter niet hooren, maar bonden hem de handen op den rug, en dwongen hem in hun midden mede te gaan In zekere straat ontmoette Alnaschar een' ouden vriend, die hem staande hield, en naar de reden vroeg, waarom hij dus behandeld werd. Hij bood den geregtsdienaars eene vrij aanzienlijke geldsom aan, indien zij mijn' broeder in vrijheid wilden stellen, en aan den regter zeggen, dat zij hem niet hadden kunnen vinden: maar ook hij kon niets van hen verkrijgen.

Toen de geregtsdienaars,”” vervolgde de barbier; „„Alnaschar voor den regter gebragt hadden, zeide deze tot hem: „Ik wil gaarne van u weten, van waar gij al die meubelen hebt, welke gij gisteren naar uwe woning hebt laten overdragen?” „Heer,” antwoordde Alnaschar, „ik ben bereid u de volle waarheid te zeggen; maar vooraf neem ik de vrijheid mij op uwe goedertierenheid te beroepen, en u te smeeken mij uw woord te geven, dat mij geen leed zal wedervaren.” „Dat geef ik u,” zeide de regter. Nu verhaalde mijn broeder, zonder iets achter te houden, alles wat hem was overkomen, en wat hij gedaan had, sedert de oude bij hem was binnengedrongen, tot zijne laatste ontmoeting met de jonge dame, die hij in het leven had gespaard, na den zwarte, de Grieksche slavin en het verraderlijke oude wijf aan zijne billijke wraak te hebben opgeofferd. Met betrekking tot het door hem weggedragen huisraad, smeekte hij den regter, hem daarvan althans een gedeelte te laten behouden, als vergoeding voor de vijf-honderd goudstukken, welke hem ontstolen waren.

De regter, zonder iets te beloven, zond nu eenige van zijne dienaren naar mijn broeders woning, om alles weg te halen. Nadat zij hem berigt hadden, dat het huis leeg was, en alles zich ten zijnent bevond, beval hij Alnaschar om onmiddelijk de stad te verlaten, en daarin zijn leven lang niet weder terug te keeren. De regter deed dit uit vrees, dat mijn broeder, indien hij te Bagdad bleef, hem wegens zijne onregtvaardigheid bij den kalif mogt aanklagen. Intusschen gehoorzaamde Alnaschar zonder morren aan dit onregtvaardige en harde bevel. Hij verliet de stad, om zich naar eene andere plaats te begeven; maar onder weg werd hij door roovers overvallen, die hem geheel uitschudden. Ik had naauwelijks van deze laatste ramp kennis gekregen, of ik nam een kleed mede, en ging hem opzoeken. Na den ongelukkigen Alnaschar zoo veel in mijn vermogen was, getroost te hebben, bragt ik hem langs zijwegen in stilte weder in de stad, waar ik zoowel voor hem als voor zijn andere broeders zorg droeg.

GESCHIEDENIS VAN DEN ZESDEN BROEDER VAN DEN BARBIER.

Er blijft mij thans niets meer u te verhalen over, sire,”” ging de barbier in een' adem voort, „„dan de lotgevallen van mijn' zesden broeder, genaamd Schacabac met de gespleten lippen. Hij wist in den aanvang met de honderd drachmen, welke hem even als zijne andere broeders als erfdeel waren te beurt gevallen, zeer wel zijn voordeel te doen, zoodat hij goede zaken maakte; maar de fortuin keerde hem den rug toe, en spoedig zag hij zich genoodzaakt, zijn brood te gaan bedelen. Hij kweet zich hiervan met behendigheid, en legde het er vooral op toe, zich in de gunst van dienstboden te dringen, ten einde den vrijen toegang tot hunne meesters te hebben, wier medelijden hij dan wist gaande te maken. Mijn broeder Schacabac was dus, zelfs als bedelaar, in zijn vak een knap man.

Eens nu, dat hij voorbij een prachtig huis kwam, waarvan de groote hooge poort open stond, en hem het gezigt vrij liet tot op de ruime binnenplaats, waar eene menigte rijk uitgedoste dienstboden en slaven op en neêr liepen, naderde hij een' van dezen en vroeg hem, aan wien dit prachtige gebouw behoorde. „Goede man,” antwoordde de bediende, „uit welken hoek der wereld komt gij, dat gij mij zulk eene vraag doet? Kunt gij uit alles, wat gij hier ziet, niet opmaken, dat dit het verblijf is van een' Barmeyer?” Mijn broeder, aan wien de edelmoedigheid en milddadigheid der Barmeyers niet onbekend was, wendde zich nu tot een' der portiers, want er waren er verscheidenen, en verzocht hem om eene aalmoes. „Ga naar binnen,” zeiden zij, „niemand weêrhoudt u, en vervoeg u in persoon bij den meester des huizes; hij zal u niet onvoldaan laten heengaan.”

Schacabac had zulk eene vriendelijke behandeling niet verwacht; hij bedankte er den portier voor, en trad het hôtel binnen, hetgeen zoo groot was, dat hij een geruimen tijd noodig had, om de vertrekken van den Barmeyer te bereiken. Eindelijk kwam hij aan een vierkant gebouw van de schoonste bouworde, en trad een met wit marmer bevloerd voorportaal binnen, dat in een' zeer fraaijen tuin uitzigt gaf. Links en regts waren de deuren, die tot de benedenvertrekken toegang gaven. Mijn broeder trad op goed geluk af eene van deze kamers binnen, en werd getroffen door de hier heerschende pracht; vooral trok het behangsel van hemelsblaauwe zijde, met gouden bladeren doorweven, zijne bewondering. Hij had echter den tijd niet, om zijn schoonheidsgevoel den vrijen loop te laten, want zich omkeerende, zag hij op eene prachtige sofa een' man met een' langen sneeuwwitten baard zitten, van een indrukwekkend voorkomen. Zijn vermoeden, dat dit de meester des huizes zou zijn, was gegrond. Op verpligtende wijze heette deze hem welkom, en vroeg hem, wat hij verlangde. „Heer,” antwoordde mijn broeder, op klagenden toon, „ik ben een arm mensch, die behoefte heeft aan de hulp van vermogende en edelmoedige menschenvrienden zooals gij.”

De grijsaard scheen verwonderd over het antwoord van mijn' broeder, en de beide handen op de hoogte van zijne maag brengende, als wilde hij tot een teeken van droefheid zijne kleederen verscheuren, riep hij uit: „Is het mogelijk dat, terwijl ik in Bagdad woon, een man als gij zich in zulke behoeftige omstandigheden bevindt, zooals gij mij daar gezegd hebt? Ziedaar iets, dat ik niet kan, noch wil dulden.” Deze uitval deed mijn' broeder verwachten, dat hij hem van zijne milddadigheid een uitstekend blijk wilde geven, en daarom wenschte hij hem reeds bij voorraad duizend zegeningen en alles goeds toe. „Het zal niet gezegd worden,” hernam de grijsaard, „dat ik u aan uw lot overlaat; en ik zal evenmin gedoogen, dat gij mij verlaten zult.” „Heer,” hervatte mijn broeder, „ik bezweer u, dat ik heden nog niets gegeten heb.” „Kan het waar wezen,” hernam hij, „dat gij op dit ver gevorderd uur van den dag nog nuchteren zoudt zijn? Ach, gij arme man, gij zult nog van honger omkomen. Hola! jongen,” ging hij met stemverheffing voort, „dat men spoedig een bekken en water brenge, opdat wij onze handen kunnen wasschen.”

Hoewel er geen jongen kwam opdagen, en mijn broeder noch bekken, noch water zag, liet echter de grijsaard niet na zijne handen te wrijven, even als iemand daarover water had gegoten, en dit doende zeide hij tot mijn' broeder: „Kom toch hier, en wasch u met mij.” Schacabac besloot hieruit, dat deze oude man veel van eene grap hield. Daar ook hij, als het op gekscheren aankwam geen kind was, en bovendien zeer wel wist, dat de arme lieden inschikkelijk moeten zijn en zich voegen naar de grillen der rijken, willen zij hun eigen voordeel behartigen, trad hij nader, en deed zooals hem gezegd werd.

„Men brenge het eten op,” riep vervolgens de grijsaard, „en late ons niet wachten.” Dit zeggende, zette hij zich aan tafel, en ofschoon er nog niets was opgedragen, deed hij alsof hij iets uit eenen schotel nam, bragt dit aan den mond, en begon te kaauwen, terwijl hij tot mijn' broeder sprak: „Ik bid u, eet dan, mijn gast, en ontzie u niet, doe alsof gij ten uwent waart; voor een uitgehongerd mensch eet gij als zeer weinig en langzaam, naar het mij voorkomt.” „Verschoon mij heer,” antwoordde Schacabac zijne bewegingen navolgende, „gij ziet, dat ik geen' tijd verlies en mijn uiterste best doe.” „Wat zegt gij van dit brood,” vroeg de oude man, „vindt gij het niet lekker?” „Wat dat betreft, heer,” hernam mijn broeder, die noch brood noch vleesch zag, „ik moet u betuigen nooit zulk wit en heerlijk brood gegeten te hebben.” „Doe er u dan te goed aan,” sprak hij weder, „ik verzeker u, dat ik de slavin, welke mij dit keurige brood bakt, met vijf honderd stukken goud betaal.”

De Barmeyer,”” vervolgde de barbier, „„liet het echter bij brood alleen niet blijven. „Jongen,” riep hij, „breng ons een' anderen schotel. Mijn beste gast,” vervolgde hij, zich tot mijn' broeder wendende, „neem dan toch iets van deze nieuwe spijze, en zeg mij openhartig of gij ooit van een schaap hebt gegeten, dat zoo keurig was toebereid als dit?”. „Het is overheerlijk,” zeide mijn broeder, „en daarom zal ik zoo vrij zijn, er goed van te eten.” „Dat zal mij een groot vermaak zijn,” hernam hij, „en daar dit geregt zoo zeer in uwen smaak schijnt te vallen, zoo bid ik u, er niets van over te laten.” Een oogenblik daarna riep hij om eene gans, toebereid met azijn, honig, erwten en gedroogde rozijnen en vijgen. „De gans is ter dege vet,” bemerkte de grijsaard, ofschoon deze hem evenmin gebragt was, als vroeger het schapenvleesch, „eet dus alleen een' vleugel of een stukje van de borst. Gij moet op éénmaal niet te veel van uwe maag vergen, want er zullen ons nog verscheidene andere spijzen worden voorgezet.”

Werkelijk vroeg hij nog om verschillende schotels, waarvan mijn broeder, hoewel bijna flaauw van honger, zich nogtans hield, iets te nemen en te eten. Maar wat de Barmeyer boven alles aanprees, was een lam opgevuld met pimpernoten, dat hij nu beval op te dragen, maar dat evenmin op tafel werd gebragt als de vorige spijzen. „Wat dit kostje aangaat,” zeide hij, „ik wil, dat gij er genoeg van eet.” Dit zeggende, deed hij weder alsof hij een stuk in de hand nam en voor den mond van mijn' broeder bragt. „Neem en proef,” vervolgde hij, „en gij zult kunnen oordeelen of ik ongelijk heb, u dezen schotel aan te prijzen.” Schacabac rekte den hals uit, opende den mond, veinsde het stuk aan te nemen, te kaauwen, en met een onbeschrijfelijk genoegen door te slikken. „Niets ter wereld kan overheerlijker zijn,” sprak mijn broeder, „ronduit gesproken, uwe tafel is onovertreffelijk in uitgezochte spijzen.” „Dat men thans de ragout opdrage,” schreeuwde de oude, „ik vlei mij, gij daarover niet minder zult te vreden zijn, dan over het lam. Welnu! wat zegt gij?” „Die ragout is onverbeterlijk,” antwoordde mijn broeder, „men proeft er den amber, de kruidnagelen, de gember, de peper en andere geurige kruiden uit. Welk eene lekkernij!” „Doe mijne ragout dan eer aan,” hernam de man met den grijzen baard, „eet er goed van, als ik u bidden mag. Hola! jongen,” vervolgde hij, „dat men eene andere ragout opdrage!” „Neen, liefst niet,” viel mijn broeder in, „waarlijk heer, het is mij onmogelijk meer te eten.”

„Dat men dan afneme,” beval de Barmeyer, „en fruit opzette!” Hij wachtte een oogenblik, als om aan de bedienden den tijd te geven het dessert op te dragen, waarna hij het woord weder opnam. „Bedien u van deze amandelen,” vervolgde hij, „zij zijn goed en versch geplukt.” Beiden deden nu, alsof zij amandelen pelden en aten. Hierop noodigde de grijsaard mijn' broeder uit, zich ook van de andere schotels te bedienen. „Zie hier,” zeide hij, „alle soorten van vruchten, versche en gedroogde oranje-appelen, perziken, rozijnen en bovendien confituren. Kies naar uwen smaak. Doch laat mij eerst u dit eens aanbieden,” vervolgde hij, eene beweging met de hand makende, alsof hij iets opnam en het hem aanbood. „Deze tabletten zijn uitnemend, om de spijsvertering te bevorderen.” Schacabac maakte de beweging er van te nemen en te eten. „Heer,” zeide hij, „de muskaat ontbreekt er niet in.” „Deze soort van kruidkoekjes worden hier gemaakt,” antwoordde de Barmeyer; „en daarbij, gelijk trouwens met alles wat in mijn huis is toebereid, wordt niets gespaard. Voor een man,” vervolgde hij, „die nog nuchteren was, toen hij aan tafel ging, dunkt mij, dat gij bijna niets gegeten hebt.” „Heer,” sprak mijn broeder, wiens kakebeenen reeds zeer deden van het kaauwen met een' ledigen mond, „ik verzeker u, mijne maag zoo goed voorzien is, dat het mij niet mogelijk zou zijn, nog een enkel stukje te gebruiken.”

„Mijn gast,” hernam de Barmeyer, „ik zal u dan het eten niet verder opdringen; maar na zoo goed gespijsd te hebben, zal het drinken niet te onpas komen. Gij drinkt immers wel een glas wijn?” „Heer,” antwoordde mijn broeder, „met uw goedvinden, zal ik geen' wijn gebruiken, daar onze wet mij dit verbiedt.” „Gij zijt al te gemoedelijk,” meende de grijsaard, „doe zoo als ik.” „Ik zal dan uit beleefdheid voor u een glas drinken,” hernam Schacabac, „want ik bemerk, dat gij niet wilt, er iets aan uw feestmaal zal ontbreken; maar daar ik niet gewoon ben wijn te drinken, zoo vrees ik, hij mij naar het hoofd zal stijgen, en ik dan welligt tegen de wellevendheid zondigen, of zelfs den eerbied vergeten zou, die ik u verschuldigd ben. Uit dien hoofde verzoek ik u nogmaals, mij van het wijndrinken te verschoonen; ik zal mij met water vergenoegen.” „Neen, neen,” riep de Barmeyer, „zoo laat ik u niet gaan; gij moet wijn drinken.” Te gelijker tijd beval hij wijn aan te brengen, maar deze was niet beter te zien dan het vleesch en de vruchten. Toch maakte hij de beweging van in te schenken, en het eerst te drinken; daarna deed, hij alsof hij ook voor mijn' broeder inschonk, en hem het glas aanbood. „Drink op mijne gezondheid,” zeide hij, „en proef tevens, of gij dezen wijn goed vindt.” Mijn broeder hield zich, het glas aan te nemen, en dat van nabij te bekijken, als om te zien of de wijn eene schoone kleur had; hij bragt het onder den neus om te ruiken, of ook de geur aangenaam was. Daarna eene diepe hoofdbuiging makende, ten teeken dat hij de vrijheid zou nemen, op de gezondheid van zijn' gastheer te drinken, bootste hij de bewegingen na van iemand, die met smaak zijn glas leêg drinkt. „Heer,” zeide hij toen, „ik vind dezen wijn uitmuntend; maar, naar het mij voorkomt, is hij niet zeer krachtig.” „Indien gij krachtiger wijn begeert,” antwoordde de Barmeyer, „gij hebt dit slechts voor het zeggen, mijn wijnkelder is goed voorzien. Proef eens, of gij met dezen tevreden zijt?” Bij deze woorden maakte hij de beweging, uit eene andere flesch in te schenken, eerst voor zich zelven en daarna voor mijn' broeder. Hij herhaalde dit zoo dikwijls, dat Schacabac, dit spel moede wordende, veinsde te veel gedronken te hebben, en terwijl hij de bewegingen van een dronken mensch nabootste, ligtte hij de hand op, en gaf zijn' gastheer zulk een duchtige oorveeg, dat deze over den grond tuimelde. Hij wilde hem nu verder zijne plagerijen betaald zetten, maar de Barmeyer, wien dit spel te grof ging, stak de hand uit, om de slagen af te weren, en riep: „Wordt gij gek?” Mijn broeder zich toen oprigtende, zeide: „Heer, gij hebt de goedheid gehad uwen slaaf bij u te ontvangen, en hem een groot feestmaal te geven; gij hadt u daarmede moeten vergenoegen, en mij niet moeten dwingen wijn te drinken, want ik heb u vooraf gewaarschuwd, dat ik dan wel eens den eerbied zou kunnen vergeten, dien ik u verschuldigd ben. Ik heb er veel spijt van, en vraag u duizendmaal om verschooning.”

Naauwelijks had mijn broeder deze woorden geëindigd of de Barmeyer, in plaats van zich boos te maken, begon hartelijk te lagchen. „Ik zoek reeds sedert lang,” riep hij uit, „een' man van uwe geaardheid.” Hij bewees aan Schacabac duizend vriendelijkheden. „Niet alleen,” sprak hij, „dat ik u den mij toegebragten slag vergeef, ik wil, dat wij van stonden aan vrienden zullen zijn, en dat gij geen ander thuis zult hebben dan het mijne. Gij hebt de inschikkelijkheid gehad; u naar mijne luimen te voegen, en het geduld ons gekscheren ten einde toe vol te houden; ofschoon ik erkennen moet, dat de doorgestane proef voor een hongerig mensch niet van de prettigsten was. Daarom zullen wij nu in werkelijkheid maaltijd houden.” Vervolgens klapte hij in de handen, en beval aan den toeschietenden bediende, de tafel te dekken en op te dragen. Hij werd in een' oogwenk gehoorzaamd, en mijn broeder kon zich thans verzadigen aan dezelfde spijzen, die hij eerst slechts denkbeeldig genoten had. Nadat er was afgenomen, bragt men wijn op, en te gelijker tijd traden eene menigte slavinnen, allen van groote schoonheid en rijk gekleed, met muzijkinstrumenten de eetzaal binnen, en verlustigden onze twee vrienden met muzijk, zang en dans. Schacabac had dus alle reden, over het onthaal van den Barmeyer voldaan te zijn, die hem op zeer gemeenzamen voet behandelde, en hem uit zijne eigene kleêrkamer een nieuw kleed liet geven.

De Barmeyer vond in mijnen broeder zoo veel verstand en zoo veel schranderheid in alle zaken, dat hij, reeds na weinige dagen, hem het beheer over zijn huis en al zijne bezittingen opdroeg. Schacabac kweet zich van zijne vereerende betrekking, gedurende twintig jaren, zeer wel, tot den dood van zijn' edelmoedigen meester. Daar de Barmeyer geene erfgenamen naliet, werden al zijne goederen ten voordeele van den vorst verbeurd verklaard. Men ontnam zelfs mijn' broeder alles, wat hij in zijne twintigjarige dienst had opgespaard; zoodat hij weder tot armoede verviel, en zich voegde bij eene karavaan van pelgrims, die naar Mekka ging, daarbij rekenende op de milddadigheid zijner meer gegoede togtgenooten.

Tot zijn ongeluk werd deze karavaan door eene bende zwervende Arabieren aangevallen en uitgeplunderd. Mijn broeder werd als slaaf weggevoerd, door zijn' meester zeer wreed behandeld, en kreeg dagelijks stokslagen, om hem dus te nopen zich los te koopen. Schacabac betuigde, dat hij hem te vergeefs mishandelde. „Ik ben,” zeide hij, „uw slaaf; gij kunt met mij naar willekeur handelen, maar ik verklaar u, dat ik doodarm en niet bij magte ben mij los te koopen.” Mijn broeder mogt zich echter op zijne armoede beroepen en trachten, zijn meester door smeeken en schreijen te vermurwen, de Arabier bleef onverbiddelijk. Spijtig, zich in zijne verwachting op een welligt aanzienlijk losgeld teleurgesteld te zien, nam hij zijn mes, en spleet den armen Schacabac de lippen vaneen, ten einde zich door deze onmenschelijke daad te wreken over het verlies, dat hij meende geleden te hebben.

Illustration from Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel

De Zesden Broeder van den Barbier. Dl. III, pag. 147.

Deze woeste man had eene schoone vrouw, en het was geene zeldzaamheid, dat hij, op zijne rooftogten uitgaande, mijn' broeder met haar alleen te huis liet. Alsdan trachtte deze vrouw Schacabac zoo veel in haar vermogen was, over zijne harde slavernij te troosten. Dit wekte al spoedig jaloerschheid bij den Arabier op. Op zekeren keer te huis komende, ontstak hij in hevige woede, wierp zich op mijn' broeder, mishandelde hem op eene verschrikkelijke wijze, zette hem toen op een' kameel, en bragt hem op den top van eenen hoogen en woesten berg, waar hij hem achterliet. Deze berg lag gelukkig aan den weg van Bagdad, zoodat eenige reizigers, die Schacabac daar ontmoet hadden, mij berigtten, waar mijn broeder zich ophield. Ik begaf mij zonder tijdverzuim derwaarts, en vond den ongelukkige in eenen beklagenswaardigen toestand. Ik bewees hem de hulp, waaraan hij behoefte had, en bragt hem weder in de stad.”

Ziedaar mijne heeren,” vervolgde de barbier, „de geschiedenissen, die ik de eer had aan den kalif Mostanser Billah te verhalen. Deze vorst gaf mij zijne tevredenheid door een schaterend lagchen te kennen. „Ik moet toegeven,” zeide hij tot mij, „dat men u met het grootste regt den bijnaam van „den zwijger” heeft gegeven; niemand zal daarvan het tegendeel kunnen beweren. Om zeker bijzondere redenen echter beveel ik u onmiddelijk de stad te verlaten. Ga, en zorg dat ik nimmer meer van u hoor spreken.” Ik bukte voor de noodzakelijkheid, en heb vele jaren in vreemde landen omgezworven. Eindelijk kwam mij ter ooren, dat de kalif Mostanser Billah overleden was. Ik keerde daarop naar Bagdad terug, waar ik niet een' van mijne broeders meer in leven vond. Het was bij mijne terugkomst in deze stad, dat ik in de gelegenheid kwam aan den jongen kreupele de gewigtige dienst te bewijzen, waarvan gij gehoord hebt. Gij zijt echter tevens getuige geweest van zijne ondankbaarheid en van de beleedigende wijze, waarop hij mij behandeld heeft. In plaats van mij zijne erkentelijkheid te betoonen, heeft hij integendeel besloten, mij te ontwijken en zijn vaderland te verlaten. Toen ik nu vernam, dat hij niet meer in Bagdad was, heb ik, hoewel geheel in het onzekere waarheen hij zich had begeven, niet geaarzeld op reis te gaan, om hem op te zoeken. Lang heb ik van de eene plaats naar de andere gereisd, zonder zijn spoor te kunnen vinden; totdat ik hem heden, terwijl ik daar het minst op verdacht was, hier mogt aantreffen. Ik was er niet op gewapend, hem zoo vertoornd op mij te zien.”

Toen de barbier,” zoo vervolgde de snijder tot den sultan van Cachgar, „aldus zijne geschiedenis geëindigd had, waren wij éénstemmig van oordeel, dat de jonge kreupele geen ongelijk had hem te beschuldigen een groote prater te zijn. Niettemin wilden wij hem wel toestaan, dat hij in ons gezelschap bleef, en deel nam aan het ons toebereide feestmaal. Wij gingen aan tafel, en bragten den tijd in vrolijkheid door tot één uur vóór zonsondergang. Daarna scheidden wij van elkander, en ik ging naar mijn' winkel om nog te werken, tot dat de tijd daar zou zijn, in mijne woning terug te keeren.

Het was toen, dat de kleine gebogchelde half beschonken zich voor mijne werkplaats liet zien, en zoo mooi zong en op de tambourijn speelde, dat het een lust was hem aan te hooren. Ik meende daarom mijne vrouw een genoegen te verschaffen, door hem mede te nemen naar mijn huis. Dit deed ik. Mijne vrouw zette ons een' schotel met visch voor, en ik diende daarvan een stuk aan den gebogchelde toe, die dit gretig binnenslokte, zonder te letten dat er eene graat in zat. Wij wenden alles aan, om hem te helpen, maar niets mogt baten; hij was aan de graat gestikt en dood. In de verlegenheid, waarin dit treurige voorval ons bragt, en bevreesd voor de gevolgen, werden wij er op bedacht ons van het lijk te ontdoen. Wij wisten dit op eene behendige wijze aan den Joodschen doctor in handen te spelen. De Joodsche geneesheer liet het door den schoorsteen in de kamer van den magazijnmeester zakken. Deze laatste bragt het op de straat, ter plaatse waar men meende, dat de Christenkoopman den armen gebogchelde versloeg. Dit is het, sire,” vervolgde de kleêrmaker, „wat ik te zeggen heb, om uwe majesteit tevreden te stellen. Het staat thans aan u, ons genade te verleenen of uwen toorn te doen ondervinden.”

Bij deze woorden vertoonde zich op het gelaat van den sultan van Cachgar een trek van tevredenheid, die aan den armen kleêrmaker en zijne lotgenooten goede hoop deed koesteren. „Ik kan niet ontkennen,” sprak de sultan, „meer getroffen te zijn door de mij verhaalde geschiedenissen, dan door het ongelukkig lot van mijn' hofnar. Maar alvorens u alle vier te laten heêngaan, en vóór dat men het lijk van den gebogchelde begraaft, begeer ik dien barbier te zien, aan wien gij hoofdzakelijk uwe vergiffenis te danken hebt. En daar hij zich in mijne hoofdstad bevindt, is het eene gemakkelijke zaak mijne nieuwsgierigheid te bevredigen.” Te gelijker tijd beval hij een' zijner dienaren met den snijder, die wist waar de barbier zich doorgaans ophield, hem herwaarts te brengen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings