← Table of contents
Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel

GESCHIEDENIS VAN DEN KLEINEN GEBOGCHELDE. (continued 4)

Reading edition

De bode en de snijder kwamen reeds spoedig terug, en bragten den barbier mede, dien zij aan den sultan voorstelden. De barbier was reeds een grijsaard van negentig jaar, zijn baard en zijne wenkbraauwen waren zoo wit als sneeuw, zijn neus was buitengewoon lang, en de oorlellen hingen hem tot op de schouders. De sultan sprak hem aldus aan: „Zwijgend mensch,” zeide hij, „ik heb vernomen, dat gij zulke verwonderlijke geschiedenissen kunt vertellen; zoudt gij er mij wel eene willen verhalen?” „Sire,” antwoordde de barbier, „dat wij met uw goedvinden de geschiedenissen voor het tegenwoordige laten rusten. Ik smeek uwe majesteit zeer nederig, mij te veroorloven haar te vragen, wat deze Christen, deze Jood, deze Muzelman en deze doode gebogchelde, dien ik daar op den grond zie liggen, hier te maken hebben.” De sultan glimlachte om de vrijheid, die de barbier zich veroorloofde, en zeide tot hem: „Wat belang hebt gij daarbij?” „Sire,” hernam de barbier; „ik wil uwe majesteit toonen, dat ik niet, gelijk sommigen mij ten onregte nageven, een groote prater ben, maar een man, die met het volste regt den naam draagt van „den zwijger.””

De sultan van Cachgar moest op nieuw lagchen; hij beval echter aan de nieuwsgierigheid van den barbier te voldoen, door hem de geschiedenis van den kleinen bogchel mede te deelen. Toen de barbier ze had aangehoord, schudde hij zijne lange ooren, alsof hij te kennen wilde geven, dat er in die geschiedenis iets lag opgesloten, daar hij geene hoogte van kon krijgen. „Waarlijk,” schreeuwde hij, „deze gebeurtenis is zeer verwonderlijk; maar ik ben blijde den doode van nabij te kunnen onderzoeken.” Hij naderde het lijk; ging op den grond zitten, nam het hoofd op zijne knieën, en beschouwde dit met opmerkzaamheid. Eensklaps borst hij nu in lagchen uit, en dit met zoo weinig terughouding, dat hij zich achterover op den grond liet vallen, zonder in aanmerking te nemen, zich voor den sultan van Cachgar te bevinden. Daarna zich weder oprigtende, zonder evenwel zijn lagchen te staken, riep hij uit: „Men zegt, en niet zonder reden, dat de dood eene oorzaak moet hebben. Indien ooit eene geschiedenis waardig is geweest, in gouden letteren beschreven te worden, zoo is het deze van den gebogchelde.”

Op zulk eenen zoo weinig betamenden uitroep zag ieder den barbier voor een' spotvogel aan, of voor een' grijsaard, die kindsch was. „Zwijgend mensch,” zeide de sultan tot hem, „zeg mij, wat hebt gij, dat u zoo onzinnig doet lagchen?” „Sire,” antwoordde de barbier, „ik zweer u, dat deze bogchel niet dood is. Hij leeft nog, en ik wil voor krankzinnig doorgaan, als ik u dit niet op het oogenblik doe zien.” Dit zeggende, kreeg hij uit zijn medicijn-kistje, dat hij altijd bij zich droeg, een klein fleschje met olie, waarmede hij eenen geruimen tijd den hals van den gebogchelde inwreef. Vervolgens nam hij uit zijnen koker een zeker instrument, dat hij hem tusschen de tanden zette, om den mond open te houden, en trok met een tangetje, dat hij hem diep in de keel bragt, het stuk visch met graat en al er uit. Terstond daarop begon de bogchel te niezen, rekte de armen en beenen uit, opende de oogen, en gaf andere teekenen, dat hij in het land der levenden was teruggekeerd.

De sultan van Cachgar en allen, die van deze goed gelukte operatie getuige waren, wisten niet waarover zij zich het meest moesten verwonderen, over het herleven van den bogchel, die nu bijna vier-en-twintig uren voor dood had gelegen, of over den barbier, die hem weder tot bewustzijn had teruggebragt, en dien men thans, niettegenstaande zijne gebreken, voor een groot man begon aan te zien. De sultan, opgetogen van vreugde en bewondering, gaf bevel, dat de geschiedenis van den barbier, te gelijk met die van den kleinen bogchel, zou worden beschreven, opdat de herinnering daaraan mogt bewaard blijven. Hij liet het daarbij echter niet: de snijder, de Joodsche geneesheer, de Muzelmansche magazijnmeester en de Christenkoopman moesten eene blijde herinnering hebben aan de gebeurtenis, die hen door de gulzigheid van den bogchel was bejegend. De sultan liet hen niet van zich gaan, zonder aan elk hunner een zeer rijk kleed te geven, dat zij in zijne tegenwoordigheid moesten aantrekken. Wat de barbier betreft, aan dezen gaf hij een groot pensioen, en hield hem aan zijn hof.

Illustration from Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings