← Table of contents
Dramatische werken

HENRIK IBSEN (continued 8)

J. Clant van der Mijll-Piepers translation

ASLAKSEN. Ja, burgemeester, ik geloof dat ik wel zeggen mag dat ik dien ken.

BURGEM. STOCKMANN. Nu als er dan zoo'n prijzenswaardige offervaardigheid heerscht onder de minder gegoede burgers, dan….

ASLAKSEN. Hoe dat?

HOVSTAD. Offervaardigheid?

BURGEM. STOCKMANN. Dat is een mooi blijk van gemeenschapszin; een heel mooi blijk. Ik had haast gezegd dat ik het niet verwacht had. Maar u kent den geest beter dan ik.

ASLAKSEN. Ja, maar, burgemeester….

BURGEM. STOCKMANN. En het zullen waarlijk geen geringe offers zijn die de stad zal moeten brengen.

HOVSTAD. De stad?

ASLAKSEN. Maar ik begrijp niet…. Het is toch de badinrichting…!

BURGEM. STOCKMANN. Volgens een voorloopige berekening zullen de veranderingen, die de baddokter wenschelijk acht, een paar honderdduizend kronen beloopen.

ASLAKSEN. Dat is een heeleboel geld, maar….

BURGEM. STOCKMANN. Natuurlijk zal het noodig zijn dat de gemeente een leening sluit.

HOVSTAD (staat op). Het is toch niet de bedoeling dat de stad…?

ASLAKSEN. Zou dat uit de gemeentekas moeten gaan! Uit de magere beurzen van de kleine burgers?

BURGEM. STOCKMANN. Ja, geeerde heer Aslaksen, waar zouden de middelen anders van daan moeten komen?

ASLAKSEN. Daar moeten de heeren voor zorgen wien de badinrichting aangaat.

BURGEM. STOCKMANN. De aandeelhouders zijn niet in staat nog verder te gaan dan ze al gegaan zijn.

ASLAKSEN. Is dat heel zeker, burgemeester?

BURGEM. STOCKMANN. Ik heb nauwkeurige inlichtingen ingewonnen. Wenscht men dus deze veelomvattende veranderingen, dan moet de stad ze zelf bekostigen.

ASLAKSEN. Maar bliksems nog toe … excuseer burgemeester … maar dan wordt het een heel ander geval, meneer Hovstad.

HOVSTAD. Ja, dat is zeker.

BURGEM. STOCKMANN. Het fataalste is, dat wij genoodzaakt zijn de badplaats te sluiten voor een paar jaar.

HOVSTAD. Sluiten? Heelemaal sluiten?

ASLAKSEN. Twee jaar lang!

BURGEM. STOCKMANN. Ja, zoo lang zal het werk duren op zijn minst.

ASLAKSEN. Neen maar, voor den donder, dat houden wij niet uit, burgemeester! Waar zullen wij huiseigenaren dan van leven in dien tijd?

BURGEM. STOCKMANN. Dat is, helaas, een moeilijk te beantwoorden vraag. Maar wat wil u dat wij dan doen zullen? Denkt u dat er een enkele badgast hier komen zou als men hem wijs maakt dat het water bedorven is, dat wij op een verpesten grond leven, dat de heele stad….

ASLAKSEN. En is dat dan allemaal maar verbeelding?

BURGEM. STOCKMANN. Ik heb mij met den besten wil, niet van het tegendeel kunnen overtuigen.

ASLAKSEN. Ja maar, dan is het toch onverantwoordelijk van dokter Stockmann…. Ik vraag excuus burgemeester, maar….

BURGEM. STOCKMANN. Het is een treurige waarheid, die u daar uitspreekt, mijnheer Aslaksen. Mijn broer is, helaas, altijd een onnadenkend mensch geweest.

ASLAKSEN. En dan zou u hem in zoo iets willen steunen, meneer Hovstad?

HOVSTAD. Maar wie kon dan ook denken, dat…?

BURGEM. STOCKMANN. Ik heb een korte rectificatie van den toestand opgesteld, zoo als die van een kalm zakelijk standpunt moet beschouwd worden, en daarbij heb ik aangegeven op welke wijze de mogelijke ongemakken zouden te verhelpen zijn, met middelen die voor de kas der badinrichting bereikbaar zijn.

HOVSTAD. Heeft u dat opstel bij u, burgemeester?

BURGEM. STOCKMANN (zoekt in zijn zak). Ja; ik nam het mee voor het geval dat u….

ASLAKSEN (snel). Bliksems, daar is hij!

BURGEM. STOCKMANN. Wie? Mijn broer?

HOVSTAD. Waar … waar?

ASLAKSEN. Hij loopt door de drukkerij.

BURGEM. STOCKMANN. Dat is fataal. Ik zou hem niet gaarne hier ontmoeten, en ik heb nog verscheidene dingen met u te bespreken.

HOVSTAD. (wijst naar de deur rechts). Gaat u daar zoo lang binnen.

BURGEM. STOCKMANN. Maar…?

HOVSTAD. Daar vindt u mijnheer Billing.

ASLAKSEN. Weg, weg, burgemeester, daar komt hij!

BURGEM. STOCKMANN. Ja, jawel; maar zie hem gauw weer weg te krijgen.

(Hij gaat weg door de deur rechts, die Aslaksen voor hem opent en weer sluit).

HOVSTAD. Doe alsof je met iets bezig bent, Aslaksen. (hij gaat zitten schrijven. Aslaksen rommelt in een pak couranten op een stoel rechts).

DR. STOCKMANN (komt uit de drukkerij). Daar ben ik weer. (legt hoed en stok weg).

HOVSTAD (schrijvend). Nu al, dokter? Maak voort met dat waar we over spraken, Aslaksen. We hebben bitter weinig tijd van daag.

DR. STOCKMANN (tegen Aslaksen). Nog geen proef, hoor ik?

ASLAKSEN (zonder zich om te keeren). Neen, hoe kon dokter dat verwachten?

DR. STOCKMANN. Och neen; maar ik ben ongeduldig, dat kan u wel begrijpen. Ik heb rust noch duur voor ik het gedrukt zie.

HOVSTAD. Hm; dat zal nog wel een poosje duren. Geloof je ook niet, Aslaksen?

ASLAKSEN. Ja, daar ben ik ook bang voor.

DR. STOCKMANN. Goed, goed, beste vrienden; dan kom ik nog maar eens terug; ik kom met plezier tweemaal als het noodig is. Zoo'n gewichtige zaak … de welvaart van de heele stad … daarbij mag waarachtig niet geluierd worden. (wil weggaan, doch blijft staan en komt terug). Hoor eens, er is nog een ding waar ik u graag over spreken wou.

HOVSTAD. Pardon; maar zouden wij niet een anderen keer….

DR. STOCKMANN. Het is met twee woorden gezegd. 't Is alleen dit maar … als men nu morgen mijn rapport leest in uw blad, en aldus te weten komt dat ik hier den heelen winter in stilte gewerkt heb voor het welzijn van de stad….

HOVSTAD. Ja maar, dokter….

DR. STOCKMANN. Ik weet wat u zeggen wil. U meent dat het niets meer was dan mijn plicht … eenvoudig mijn plicht als burger. Ja, natuurlijk; dat weet ik net zoo goed als u. Maar mijn medeburgers, ziet u … och lieve Heer, die goede menschen houden toch zooveel van mij….

ASLAKSEN. Ja, de burgerij heeft wel veel van u gehouden tot op dezen dag, dokter.

DR. STOCKMANN. Ja, en juist daarom ben ik bang, dat … ik wou dit maar zeggen: als het nu tot hen komt vooral tot de onbemiddelde klasse … als een aanmaning om voortaan de stadsaangelegenheden zelf in handen te nemen….

HOVSTAD (staat op). Hm, dokter ik wil u niet verbergen….

DR. STOCKMANN. Aha, … dacht ik het niet dat er iets broeide! Maar daar wil ik niets van weten. Als er zoo iets op touw gezet wordt….

HOVSTAD. Wat dan?

DR. STOCKMANN. Nou, 't een of 't ander … een serenade of een banket of een inschrijving voor een cadeau … of wat het dan ook zijn moge, dan moet u mij heilig en vast beloven om dat tegen te gaan. En u ook, mijnheer Aslaksen, hoort u!

HOVSTAD. Pardon dokter, wij kunnen u net zoo goed nu als later de waarheid zeggen….

(Mevr. Stockmann met hoed en mantel komt binnen door de deur links achter).

MEVR. STOCKMANN (ziet den dokter). Jawel, daar is hij zoo waar!

HOVSTAD (gaat haar tegemoet). Kijk eens aan, daar komt mevrouw ook!

DR. STOCKMANN. Wat duivel kom jij hier doen, Katrine?

MEVR. STOCKMANN. Dat kan je toch wel begrijpen, denk ik.

HOVSTAD. Wil u niet gaan zitten, mevrouw? Of misschien….

MEVR. STOCKMANN. Dank u; doe geen moeite. En u moet het mij niet kwalijk nemen, dat ik Stockmann kom halen; ik ben moeder van drie kinderen moet ik u zeggen.

DR. STOCKMANN. Malligheid, onzin; dat weten we immers wel.

MEVR. STOCKMANN. Nou, het heeft er anders niet veel van of je veel aan vrouw en kinderen denkt van daag; anders zou je ons niet allemaal ongelukkig gaan maken.

DR. STOCKMANN. Maar ben je nu heelemaal mal, Katrine? Zal het een man met vrouw en kinderen niet geoorloofd zijn de waarheid te verkondigen;… een nuttig en werkzaam staatsburger te zijn,… zal het hem verboden zijn de stad te dienen waarin hij leeft?

MEVR. STOCKMANN. Alles met mate, Thomas!

ASLAKSEN. Dat zeg ik ook. Maat houden in alle dingen.

MEVR. STOCKMANN. En daarom bezondigt u zich aan ons, mijnheer Hovstad, als u mijn man weg lokt van huis en haard en hem verleidt tot dit alles.

HOVSTAD. Ik verleid waarachtig geen mensch tot….

DR. STOCKMANN. Verleiden! Denk je dat ik mij laat verleiden!

MEVR. STOCKMANN. Jawel, dat doe je wel. Ik weet wel dat je de knapste man van de stad bent; maar je bent zoo vreeselijk gemakkelijk te verleiden, Thomas. En bedenk toch eens, dat hij zijn betrekking bij de badinrichting verliest als u laat drukken wat hij geschreven heeft.

ASLAKSEN. Wat?

HOVSTAD. Ja, dokter, weet u wat….

Dr. Stockmann (lacht). Haha, laten ze 't maar eens probeeren…! O, neen, zeg … ze zullen er wel voor oppassen. Want ik heb de compacte meerderheid achter me, zie je!

MEVR. STOCKMANN. Ja, dat is juist het ongeluk, dat je zoo iets ellendigs achter je hebt.

DR. STOCKMANN. Mallepraat, Katrine,… ga naar huis en zorg voor je huishouden en laat de zorg voor maatschappelijke dingen aan mij over. Hoe kan je toch zoo bang zijn als ik zoo rustig en blijmoedig ben? (wrijft zich de handen en loopt op en neer). De waarheid en het volk zullen den slag winnen, daar kan je op aan. O, ik zie den heelen vrijzinnigen burgerstand zich al scharen tot een zegevierend leger…! (stoot tegen een stoel). Wat … wat duivel is dat hier?

ASLAKSEN (kijkt dien kant uit). O wee!

HOVSTAD (evenzoo). Hm….

DR. STOCKMANN. Hier ligt zoowaar het toppunt der autoriteit. (hij neemt de pet van den burgemeester voorzichtig met de toppen van zijn vingers op en houdt die in de hoogte).

MEVR. STOCKMANN. De pet van den burgemeester!

DR. STOCKMANN. En hier is zijn commandostaf ook. Hoe komt voor den drommel…?

HOVSTAD. Ja….

DR. STOCKMANN. O, ik begrijp er alles van! Hij is hier geweest om u te bepraten. Haha, daar kwam hij aan het rechte kantoor! En toen hij mij in de drukkerij in het oog kreeg…. (barst in lachen uit). Is hij gaan loopen, mijnheer Aslaksen?

ASLAKSEN (snel). Ja, waarachtig, hij is gaan loopen, dokter.

DR. STOCKMANN. Is gaan loopen zonder stok en…. Larifari; Peter loopt zoo maar niet weg. Maar wat duivel, waar heb je hem gelaten? Ah … daarbinnen natuurlijk. Nou zal je eens wat zien, Katrine!

MEVR. STOCKMANN. Thomas, ik bid je!

ASLAKSEN. Neem u in acht, dokter.

DR. STOCKMANN (heeft burgemeesters pet opgezet en zijn stok in de hand genomen; dan gaat hij naar de deur, gooit die open en salueert met de hand aan de klep van de pet).

(Burgemeester komt binnen, rood van kwaadheid. Achter hem aan komt Billing).

BURGEM. STOCKMANN. Wat moet die vertooning beteekenen?

DR. STOCKMANN. Een beetje respect, mijn goede Peter. Nu vertegenwoordig ik de autoriteit van de stad. (hij wandelt op en neer).

MEVR. STOCKMANN (bijna schreiend). Maar Thomas dan toch!

BURGEM. STOCKMANN (loopt hem na). Geef mij mijn pet en mijn stok!

DR. STOCKMANN (als voren). Al ben jij het hoofd van de politie, ik ben het hoofd van de stad…. Ik ben baas van den heelen boel, ik, zie je!

BURGEM. STOCKMANN. Zet die pet af, zeg ik je. Bedenk dat het een reglementaire uniformpet is!

DR. STOCKMANN. Poeh! Denk je dat de ontwakende volksleeuw zich bang laat maken door uniformpetten? Want morgen komt er revolutie in de stad, dat je het maar weet. Jij dreigde mij af te zetten, maar nu zet ik jou af … onthef je van al je posten van vertrouwen…. Geloof je soms dat ik dat niet kan? Ja wel, hoor; ik heb de zegevierende machten van de maatschappij op mijn hand. Hovstad en Billing zullen donderen in de "Volksbode", en Aslaksen rukt uit aan het hoofd van den heelen Bond van Huiseigenaren….

ASLAKSEN. Dat doe ik niet, dokter.

DR. STOCKMANN. Ja, welzeker, doet u dat….

BURGEM. STOCKMANN. Ah, zoo, mijnheer Hovstad prefereert misschien toch ook om zich aan te sluiten bij de beweging?

HOVSTAD. Neen, burgemeester.

ASLAKSEN. Neen, mijnheer Hovstad is zoo gek niet dat hij zich zelf en zijn blad er aan zou wagen, en dat ter wille van een hersenschim.

DR. STOCKMANN (kijkt rond). Wat beteekent dat alles?

HOVSTAD. U heeft uw zaak in een valsch licht voorgesteld, dokter; en daarom kan ik die niet steunen.

BILLING. Neen, na wat burgemeester zoo vriendelijk was mij te vertellen daar straks….

DR. STOCKMANN. In een valsch licht! Laat dat toch aan mij over! Druk mijn opstel maar; ik ben mans genoeg om zelf de verantwoordelijkheid er voor op mij te nemen.

HOVSTAD. Ik druk het niet. Ik kan en wil en durf het niet drukken.

DR. STOCKMANN. Durft u niet? Wat zijn dat voor praatjes? U is toch redacteur en het zijn toch de heeren redacteurs die de pers regeeren, zou ik denken!

ASLAKSEN. Neen, dat zijn de abonne's, dokter.

BURGEM. STOCKMANN. Gelukkig, ja.

ASLAKSEN. Het is de publieke opinie, het verlichte publiek, de huiseigenaren en al de anderen; die zijn het die de pers regeeren.

DR. STOCKMANN (kalm). En al deze machten heb ik tegen mij?

ASLAKSEN. Ja; het zou de ondergang van de burgerij zijn als uw verslag gedrukt werd.

DR. STOCKMANN. Zoo….

BURGEM. STOCKMANN. Mijn pet en mijn stok!

DR. STOCKMANN (neemt de pet af en legt die met den stok op de tafel).

BURGEM. STOCKMANN (neemt ze allebei op). Je burgemeesterswaardigheid was van korten duur.

DR. STOCKMANN. Wij zijn er nog niet. (tegen Hovstad). Het is dus volstrekt onmogelijk om mijn verslag in de "Volksbode" geplaatst te krijgen?

HOVSTAD. Volstrekt onmogelijk; ook uit consideratie voor uw gezin.

DR. STOCKMANN. O, u hoeft waarachtig niet in de war te zitten over mijn gezin, mijnheer Hovstad.

BURGEM. STOCKMANN (haalt een papier uit zijn zak). Tot voorlichting van het publiek zal het wel voldoende zijn, als dit er in komt; dit is een officieele verklaring. Alsjeblieft.

HOVSTAD (neemt het aan). Goed; dat zullen wij plaatsen.

DR. STOCKMANN. Maar het mijne niet! Men verbeeldt zich dat men mij en de waarheid doodzwijgen kan! Maar dat gaat nog zoo gemakkelijk niet als je denkt. Mijnheer Aslaksen, wil u dadelijk mijn manuscript nemen en het als vlugschrift drukken … voor mijn rekening … als mijn eigen uitgaaf. Ik wil vierhonderd exemplaren hebben; neen, vijf-, zeshonderd wil ik er hebben.

ASLAKSEN. Al wou u het met goud betalen, ik durf mijn drukkerij er niet toe leenen, dokter. Ik durf het niet voor de publieke opinie. U krijgt dat in de heele stad nergens gedrukt.

DR. STOCKMANN. Geef het mij dan terug.

HOVSTAD (reikt hem het M.S. over). Alsjeblieft.

DR. STOCKMANN (haalt hoed en stok). De wereld in zal het toch. Ik zal het voorlezen in een groote volksvergadering; al mijn medeburgers moeten de stem der waarheid hooren.

BURGEM. STOCKMANN. Geen enkele vereeniging in de heele stad staat je een lokaal af voor zoo iets.

ASLAKSEN. Geen enkele; dat weet ik zeker.

BILLING. Neen, verdomd als ze het doen!

MEVR. STOCKMANN. Dat zou toch al te schandelijk zijn! Waarom zijn ze ineens zoo tegen je allemaal?

DR. STOCKMANN (toornig). Dat zal ik je zeggen. Omdat alle mannen hier in de stad oude wijven zijn … net als jij; ze denken allemaal alleen aan hun gezin en niet aan de maatschappij.

MEVR. STOCKMANN (grijpt zijn arm). Dan zal ik hun een … een oud wijf laten zien, dat een man kan zijn … voor een enkelen keer. Want nu ben ik op jouw hand, Thomas!

DR. STOCKMANN. Dat was flink gesproken, Katrine! En de wereld in zal het, bij mijn ziel en zaligheid! Kan ik geen lokaal in huur krijgen, dan huur ik een tamboer om met mij door de stad te gaan, en dan lees ik het voor op alle hoeken van de straten.

BURGEM. STOCKMANN. Zoo stapelgek ben je toch nog niet!

DR. STOCKMANN. Jawel, zoo gek ben ik wel!

ASLAKSEN. U krijgt geen enkelen man in de heele stad, die met u mee wil gaan.

BILLING. Neen, verdomd als u er een krijgt!

MEVR. STOCKMANN. Niet toegeven, Thomas! Ik zal de jongens vragen om met je mee te gaan.

DR. STOCKMANN. Dat is een prachtig idee!

MEVR. STOCKMANN. Morten doet het dolgraag; en Ejlif gaat ook wel mee.

DR. STOCKMANN. Ja, en Petra! En jij zelf, Katrine!

MEVR. STOCKMANN. Neen, ik zelf niet; maar ik zal aan het raam staan en naar je kijken; dat zal ik.

DR. STOCKMANN (slaat zijn armen om haar heen en kust haar). Dank je daarvoor! Nu wordt het een tweegevecht, dappere heeren! Ik wil toch zien of de laagheid de macht bezit om den patriot, die de maatschappij wil reinigen, den mond te snoeren.

(Hij en zijn vrouw af door de deur links achter).

BURGEM. STOCKMANN (schudt bedenkelijk het hoofd). Nu heeft hij haar ook gek gemaakt!

EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.

* * * * *

VIERDE BEDRIJF.

Een groote ouderwetsche zaal in het huis van kapitein Horster. Een openstaande dubbele deur op den achtergrond leidt naar een voorkamer. In den linkerwand zijn drie ramen: in 't midden van den tegenovergestelden wand is een verhooging geplaatst en daarop een klein tafeltje met twee kaarsen, een waterkaraf, een glas en een handbel. De zaal is verder verlicht door lustres tusschen de ramen geplaatst. Links op den voorgrond staat een tafel met kaarsen er op en een stoel er voor. Heel vooraan rechts is een deur waarbij een paar stoelen staan.

Een groote menigte stadsburgers uit alle standen. Enkele vrouwen en eenige schooljongens ziet men er tusschen. Steeds meer menschen stroomen naar binnen van den achtergrond komend, tot de zaal vol is.

* * * * *

EEN BURGER (tegen een anderen dien hij tegenkomt). Zoo, ben jij hier ook van avond, Lamstad?

DE TOEGESPROKENE. Ja, ik doe mee bij alle volksvergaderingen.

EEN DAARBIJ STAANDE. Je hebt toch wel een pijp meegenomen, zeg?

DE TWEEDE. Ja zeker; jij niet?

DE DERDE. Ja waarachtig. En schipper Evensen zou een heel groote hoorn meebrengen heeft hij gezegd.

DE TWEEDE. Evensen … die is goed!

(Gelach in de groep).

EEN VIERDE (komt er bij). Zeg eens, wat moet er toch gebeuren van avond?

DE TWEEDE. Wel dokter Stockmann zal spreken tegen den burgemeester.

DE NIEUW AANGEKOMENE. Maar de burgemeester is immers zijn broer?

DE EERSTE. Dat doet er niet toe; dokter Stockmann is niet bang.

DE DERDE. Maar hij heeft toch ongelijk; dat stond in de "Volksbode".

DE TWEEDE. Ja, dezen keer moet hij zeker ongelijk hebben; want niemand wou hem een zaal afstaan, noch de Bond van Huiseigenaren, noch de Burgerclub.

DE EERSTE. Niet eens de kuurzaal kon hij krijgen.

DE TWEEDE. Ja, dat zal wel waar zijn.

EEN MAN (in een andere groep). Met wien moet je het nou eigenlijk houden, in dit geval, zeg?

EEN TWEEDE (zelfde groep). Richt je maar naar Aslaksen, den boekdrukker, en doe zooals hij doet.

BILLING (met een portefeuille onder den arm, baant zich een weg door de menigte). Permitteert, heeren! Mag ik even door alsjeblieft? Ik ben de verslaggever van de "Volksbode". Dank u wel! (hij gaat aan de tafel links zitten).

EEN WERKMAN. Wie was dat?

EEN TWEEDE. Ken je dien niet? Dat is Billing, van Aslaksen zijn courant.

(Kapitein Horster brengt mevrouw Stockmann en Petra binnen door de voordeur rechts. Ejlif en Morten volgen).

HORSTER. Hier dacht ik dat de familie het best zou zitten; hier is u er dadelijk uit als er iets gebeuren mocht.

MEVR. STOCKMANN. Denkt u dan dat er herrie zal zijn?

HORSTER. Je kunt nooit weten, met zoo'n troep menschen…. Maar gaat u maar gerust zitten.

MEVR. STOCKMANN (gaat zitten). Hoe vriendelijk van u dat u Stockmann uw zaal aangeboden heeft.

HORSTER. Toen niemand anders wou….

PETRA (die ook is gaan zitten). En moedig was het ook, kapitein.

HORSTER. Nu, zooveel moed was daar niet voor noodig, dunkt me.

(Hovstad en Aslaksen komen te gelijkertijd, maar ieder afzonderlijk door de menigte heen).

ASLAKSEN (gaat naar Horster toe). Is de dokter er nog niet?

HORSTER. Hij wacht binnen.

(Beweging bij de deur).

HOVSTAD (tegen Billing). Daar komt de burgemeester. Kijk eens!

BILLING. Ja, goddome,… die komt waarachtig ook!

(Burgemeester Stockmann baant zich voorzichtig een weg door de menigte, groet beleefd en gaat zitten tegen den muur links. Even daarna komt dr. Stockmann door de voorste deur rechts. Hij is in rok-en-witte-das. Enkelen applaudisseeren weifelend, wat met een gedempt gesis begroet wordt. Het wordt stil).

DR. STOCKMANN (halfluid). Hoe gaat het, Katrine?

MEVR. STOCKMANN. Goed; best (zachter). Word nu niet dadelijk driftig, Thomas.

DR. STOCKMANN. Och kom; ik kan mij best inhouden (kijkt op zijn horloge, stapt op het podium en buigt). 't Is al een kwartier over den tijd,… dus zal ik maar beginnen (haalt zijn manuscript voor den dag).

ASLAKSEN. Eerst zal er toch wel een president gekozen moeten worden.

DR. STOCKMANN. Neen,… dat is volstrekt niet noodig.

EENIGE HEEREN (roepen). Jawel, jawel!

BURGEM. STOCKMANN. Ik zou ook denken dat er een president gekozen moest worden.

DR. STOCKMANN. Maar, Peter, ik heb toch deze vergadering opgeroepen om een voordracht te houden.

BURGEM. STOCKMANN. De voordracht van den baddokter zou misschien tot zeer uiteenloopende meeningsverschillen aanleiding kunnen geven.

VERSCHEIDENE STEMMEN (uit de menigte). Een president! Een voorzitter!

HOVSTAD. De algemeene volkswil schijnt een voorzitter te verlangen.

DR. STOCKMANN (kalm blijvend). Nu, goed dan; laat de volkswil zijn zin hebben.

ASLAKSEN. Zou burgemeester zich met die taak willen belasten?

BURGEM. STOCKMANN. Om verschillende, wel begrijpelijke redenen, moet ik daarvoor bedanken. Maar gelukkig hebben wij in ons midden een man, dien, meen ik, allen hun stem kunnen geven. Ik bedoel den president van den Bond van Huiseigenaren, den heer Aslaksen.

VELE STEMMEN. Ja, ja! Aslaksen! Hoera voor Aslaksen!

DR. STOCKMANN (neemt zijn manuscript op en stapt van het podium af).

ASLAKSEN. Als mijne medeburgers mij hun vertrouwen schenken, mag ik niet weigeren…. (handgeklap en bijvalsbetuigingen. Aslaksen bestijgt het podium).

BILLING (schrijft). Dus … "de heer boekdrukker Aslaksen bij acclamatie verkozen"….

ASLAKSEN. En nu ik hier op deze plaats sta, zij het mij vergund een kort woord te spreken. Ik ben een rustig en vreedzaam man, die gesteld is op kalme gematigdheid, en op … en op gematigde kalmte; dat weet een ieder die mij kent.

VELE STEMMEN. Ja! Jawel, Aslaksen!

ASLAKSEN. Ik heb in de school des levens en der ervaring geleerd, dat maathouden een deugd is, die den staatsburger het best kleedt….

BURGEM. STOCKMANN. Juist!

ASLAKSEN. … en dat bezonnenheid en maathouden eigenschappen zijn, waarmee ook de maatschappij het best gediend is. Daarom zou ik mijn geachten medeburger, die hier de vergadering opgeroepen heeft, op het hart willen drukken, zich binnen de grenzen der gematigdheid te houden.

EEN MAN (bij de deur). Leve het matigheidsgenootschap!

EEN STEM. Naar den duivel daarmee!

VELEN. Sst! Sst!

ASLAKSEN. Niet in de rede vallen, heeren!… Is er iemand die het woord verlangt?

BURGEM. STOCKMANN. Mijnheer de voorzitter!

ASLAKSEN. De burgemeester heeft het woord.

BURGEM. STOCKMANN. Met het oog op de nauwe bloedverwantschap waarin ik, zooals bekend is, tot den fungeerenden baddokter sta, ware het mij zeer gewenscht geweest heden avond hier niet te spreken. Maar mijn betrekking tot de badinrichting en de overweging dat de allergrootste belangen der stad er mee gemoeid zijn, noodzaken mij een voorstel te doen. Ik durf wel veronderstellen dat geen enkele der hier aanwezige burgers het wenschelijk acht, dat onbetrouwbare en overdreven voorstellingen van de sanitaire toestanden van de badplaats en de stad, in wijder kring verspreid worden.

VELE STEMMEN. Ja! Ja! Natuurlijk! Wij protesteeren!

BURGEM. STOCKMANN. Ik stel daarom voor dat de vergadering den baddokter niet zal toestaan zijn voorstelling van de zaak voor te lezen of voor te dragen.

DR. STOCKMANN (opbruisend). Niet zal toestaan…! Wat!

MEVR. STOCKMANN (hoest). Hm … hm!

DR. STOCKMANN (houdt zich in). Zoo,… dus niet zal toestaan!

BURGEM. STOCKMANN. Ik heb in mijn verklaring in de "Volksbode" het publiek met de ware feiten bekend gemaakt, zoodat alle welgezinde burgers zich gemakkelijk een oordeel kunnen vormen. Men zal daaruit zien dat het voorstel van den baddokter … behalve dat het een votum van wantrouwen tegen de leidsmannen der stedelijke regeering is … eigenlijk daarop neerkomt, alle belastingplichtigen met een onnoodige uitgaaf van minstens honderdduizend kronen te bezwaren. (Uitingen van onwil; hier en daar fluiten).

ASLAKSEN (luidt de bel). Stilte heeren! Ik ben zoo vrij het voorstel van den burgemeester te steunen. Het is ook mijn opinie dat de dokter met zijn drijven een bijoogmerk heeft. Hij spreekt van de badinrichting; maar hij beoogt een omwenteling; hij wil het bestuur in andere handen over brengen. Niemand twijfelt aan de goede bedoelingen van den dokter; de hemel beware ons, daarover is geen verschil van opvatting mogelijk. Ik ben ook een vriend van gemeentelijk zelfbestuur,… als de belastingplichtigen er maar niet te zwaar door gedrukt worden; maar dat zou hier juist het geval zijn. En daarom … de duivel mag mij halen … met verlof … kan ik dezen keer niet met dokter Stockmann meegaan. Men kan ook goud al te duur koopen; dat is mijn opinie.

(Levendige instemming van alle kanten).

HOVSTAD. Ook ik voel mij gedrongen mijn houding te verklaren. Dokter Stockmann's beweging scheen aanvankelijk instemming te vinden, en ik steunde die zoo onpartijdig als ik kon. Maar toen werd ons duidelijk dat wij door een valsche voorstelling op een dwaalspoor waren geleid….

DR. STOCKMANN. Valsche…!

HOVSTAD. Een minder betrouwbare dan. De verklaring van den Heer burgemeester heeft dat bewezen. Ik hoop dat niemand hier ter plaatse mijn liberale gezindheid verdenkt. De houding van de "Volksbode" in de groote politieke kwesties is voor een ieder bekend genoeg. Maar ik heb van ervaren en verstandige mannen geleerd, dat in zuivere lokale aangelegenheden een blad met zekere omzichtigheid te werk moet gaan.

ASLAKSEN. Geheel van dezelfde opinie als de geachte spreker.

HOVSTAD. En in het onderhavige geval, is het ten eenenmale buiten twijfel dat dokter Stockmann de gezindheid van het publiek tegen zich heeft. Maar wat is de eerste en voornaamste plicht van een redacteur, mijne heeren? Dat hij werkt in overeenstemming met zijn lezers, niet waar? Heeft hij niet als een zwijgende opdracht gekregen, om standvastig en onvervaard de welvaart van zijn geestverwanten te bevorderen? Of tast ik wellicht hierin mis?

VELE STEMMEN. Neen, neen, neen! Hovstad heeft gelijk!

HOVSTAD. Het heeft mij een hevigen strijd gekost te breken met een man, in wiens huis ik in den laatsten tijd een veelgeziene gast was,… een man die tot op dezen dag zich heeft mogen verheugen in de onverdeelde welwillendheid van zijn medeburgers … een man, wiens eenige … of althans voornaamste gebrek is, dat hij meer met zijn hart dan met zijn verstand te rade gaat.

STEMMEN HIER EN DAAR. Dat is waar! Hoera voor dokter Stockmann!

HOVSTAD. Maar mijn plicht jegens de maatschappij gebood mij met hem te breken. En dan is er nog een overweging, die mij dwingt hem te bestrijden, en zoo mogelijk, tegen te houden op den onheilvollen weg, dien hij heeft ingeslagen; dat is het lot van zijn gezin….

DR. STOCKMANN. Houd u bij de waterleiding en het riool!

HOVSTAD. … het lot van zijn echtgenoote en zijn onverzorgde kinderen.

MORTEN. Zijn wij dat, moeder?

MEVR. STOCKMANN. Sst!

ASLAKSEN. Ik zal dus het voorstel van den burgemeester in stemming brengen.

DR. STOCKMANN. Niet noodig! Van avond ben ik niet van plan over die zwijnerij daarginder in de badinrichting te spreken. Neen; je zult heel wat anders te hooren krijgen.

BURGEM. STOCKMANN (halfluid). Wat is dat nu weer?

EEN DRONKEN MAN (bij de deur). Ik betaal belasting en daarom heb ik ook het recht mijn opinie te zeggen! En ik heb de volle, vaste … onbegrijpelijke overtuiging, dat….

VERSCHEIDEN STEMMEN. Stilte daarginder!

ANDERE. Hij is dronken! Gooit hem er uit!

(De dronken man wordt buiten gezet).

DR. STOCKMANN. Heb ik het woord?

ASLAKSEN (luidt de bel). Dokter Stockmann heeft het woord.

DR. STOCKMANN. Dat had men enkele dagen geleden moeten durven probeeren, om mij zooals van avond hier den mond te snoeren! Als een leeuw zou ik gestreden hebben voor mijn heilige menschenrechten! Maar nu kan het mij niet meer schelen; want nu heb ik over gewichtiger dingen te spreken.

(De menigte dringt dichter om hem heen, Morten Kiil wordt zichtbaar tusschen de omstanders).

DR. STOCKMANN (gaat voort). Ik heb veel gepeinsd en nagedacht deze laatste dagen,… over zooveel loopen peinzen, dat mij het hoofd soms omliep….

BURGEM. STOCKMANN (bromt). Hm…!

DR. STOCKMANN. … maar zachtjes aan werd alles mij helder; toen zag ik het verband zoo duidelijk. En daarom sta ik van avond hier. Ik zal belangrijke onthullingen doen, mijn medeburgers! Ik zal u een ontdekking meedeelen van veel grooter gewicht dan de kleinigheid dat onze waterleiding vergiftigd is en ons herstellingsoord op een verpesten grond ligt.

VELE STEMMEN (roepen). Niet over de badplaats spreken! Dat willen wij niet hooren. Niets daarvan!

DR. STOCKMANN. Ik heb gezegd dat ik spreken wou over de groote ontdekking die ik in deze laatste dagen heb gedaan,… de ontdekking dat al onze geestelijke levensbronnen vergiftigd zijn, en dat onze heele samenleving rust op een door leugens verpesten grond.

VERBLUFTE STEMMEN (halfluid). Wat zegt hij?

BURGEM. STOCKMANN. Zulk een insinuatie…!

ASLAKSEN (met de hand aan de bel). De spreker wordt verzocht zich te matigen.

DR. STOCKMANN. Ik heb mijn geboorteplaats zoo lief gehad als een man de stad waar zijn ouderlijk huis staat maar liefhebben kan. Ik was nog niet oud toen ik van hier weg ging, en de afstand, verlangen en jeugdherinneringen legden als een verhoogden glans over de plaats zoowel als over de menschen.

(Enkelen applaudisseeren en betuigen bijval).

DR. STOCKMANN. Toen zat ik lange jaren in een verschrikkelijken uithoek ver weg in het Noorden. Wanneer ik soms den een of ander ontmoette van de menschen die daar tusschen de rotsklompen verspreid leven, dan dacht ik dikwijls dat het voor die arme uitgeputte wezens beter ware geweest als zij een veearts in plaats van mij gekregen hadden.

(Gemompel in de zaal).

BILLING (legt de pen neer). Zoo iets heb ik, goddome nog nooit gehoord…!

HOVSTAD. Dat is een bespotting van een eerwaardige volksklasse!

DR. STOCKMANN. Wacht nu maar even!… ik geloof dat niemand van mij zal kunnen zeggen, dat ik mijn geboorteplaats daarginder vergat. Ik zat als een eidergans op een ei, en wat ik uitbroedde,… dat was het plan voor de badinrichting hier.

(Handgeklap en protesten).

DR. STOCKMANN. En toen eindelijk en ten laatste het lot mij gunstig was en ik weer naar huis terugkeeren kon,… ja, mijn medeburgers, toen dacht ik dat er niet veel meer voor mij te wenschen over bleef. Alleen dien eenen wensch had ik nog: om ijverig, onvermoeid en met mijn heele ziel werkzaam te zijn voor mijn vaderstad en het algemeen welzijn.

BURGEM. STOCKMANN (kijkt in de lucht). De manier is een beetje zonderling … hm.

DR. STOCKMANN. En zoo leefde ik dan hier zwelgend in mijn verblind geluk. Maar gisteren morgen … neen, het was eigenlijk eergisteren avond … toen gingen ineens de oogen van mijn geest wijd open, en het eerste wat ik zag, dat was die kolossale domheid van de autoriteiten….

(Rumoer, roepen en lachen. Mevr. Stockmann kucht hevig).

BURGEM. STOCKMANN. Mijnheer de voorzitter!

ASLAKSEN (belt). Krachtens mijn bevoegdheid…!

DR. STOCKMANN. Het is kleinzielig om aan een woord te blijven hangen, mijnheer Aslaksen. Ik wil alleen zeggen dat ik achter die ongehoorde zwijnerij gekomen ben, waaraan zich de leidsmannen der badinrichting hebben schuldig gemaakt. Leidsmannen kan ik om den dood niet uitstaan;… van dat soort menschen heb ik in mijn leven genoeg gekregen. Zij zijn net als bokken in een jonge aanplanting; ze doen overal kwaad aan; een vrij man staan ze in den weg, hoe hij zich ook wendt of keert;… en het liefst zou ik zien dat men ze uitroeide evenals ander schadelijk gedierte….

(Onrust in de zaal).

BURGEM. STOCKMANN. Mijnheer de voorzitter, kan u zulke uitdrukkingen laten passeeren?

ASLAKSEN (met de hand aan de bel). Mijnheer de dokter…!

DR. STOCKMANN. Ik begrijp zelf niet dat ik nu pas een helderen kijk op die heeren gekregen heb; want ik heb hier toch bijna dagelijks zoo'n prachtexemplaar voor mijn oogen gehad … mijn broer Peter … zwaarwichtig en vasthoudend aan vooroordeelen….

(Lachen, rumoer en gefluit. Mevr. Stockmann zit maar te kuchen).

ASLAKSEN (luidt hevig met de bel).

DE DRONKEN MAN (die weer binnen gekomen is). Doelt dat op mij? Want ja, ik heet wel Pettersen, maar de duivel zal mij halen….

BOOZE STEMMEN. Er uit met dien dronken kerel! Gooit hem de deur uit!

(De man wordt er weer uitgegooid).

BURGEM. STOCKMANN. Wie was dat?

EEN NABIJSTAANDE. Ik ken hem niet, Burgemeester.

EEN ANDER. Hij is niet hier van daan.

EEN DERDE. Ze zeggen dat 't een houtkooper is uit…. (de rest onhoorbaar).

ASLAKSEN. De man had blijkbaar te veel Beijersch bier gedronken…. Ga voort, dokter, maar doe toch alsjeblieft uw best om u wat te matigen.

DR. STOCKMANN. Nu, goed dan, mijn medeburgers; ik zal mij niet verder uitlaten over onze leidsmannen. En mocht iemand afleiden uit wat ik zoo even gezegd heb, dat ik deze heeren hier van avond te lijf wil, dan heeft hij het mis … glad mis. Want ik troost mij met de weldadige gedachte, dat die oudelui uit een wegstervende gedachtenwereld, zich zelf op zoo'n uitstekende manier uit den tijd helpen; zij hebben er niet eens een dokter bij noodig om hen zoo gauw mogelijk naar het graf te doen verhuizen. En het is ook niet die soort van menschen die het grootste gevaar voor de samenleving opleveren; niet zij zijn het die het meeste bijdragen om onze geestelijke levensbronnen te vergiftigen en den grond onder onze voeten te verpesten; niet zij zijn de gevaarlijkste vijanden van waarheid en vrijheid in onze maatschappij.

GEROEP VAN ALLE KANTEN. Wie dan? Wie zijn het dan? Noem ze dan!

DR. STOCKMANN. Ja, je kunt er op aan, dat ik ze noemen zal! Want dit is juist de groote ontdekking die ik gisteren gedaan heb (met stemverheffing). De gevaarlijkste vijanden van waarheid en vrijheid onder ons, dat zijn zij, die de compacte meerderheid uitmaken.

(Geweldig rumoer in de zaal. De meesten schreeuwen, stampen en fluiten. Enkele oudere heeren wisselen ter sluiks blikken en schijnen zich te amuseeren. Mevr. Stockmann staat angstig op; Ejlif en Morten gaan dreigend op de schooljongens af die leven maken. Aslaksen luidt de bel en maant tot kalmte. Hovstad en Billing praten samen, zonder dat men hen verstaat. Eindelijk wordt het weer stil).

ASLAKSEN. De voorzitter verwacht dat de spreker zijn ondoordachte woorden zal terugnemen.

DR. STOCKMANN. Nooit van mijn leven, mijnheer Aslaksen. Het is de groote meerderheid in onze samenleving, die mij mijn vrijheid ontneemt en mij wil verbieden de waarheid uit te spreken.

HOVSTAD. De meerderheid heeft altijd het recht aan hare zijde.

BILLING. En ook de waarheid, goddome!

DR. STOCKMANN. De meerderheid heeft nooit het recht aan hare zijde. Nooit, zeg ik. Dat is een van die maatschappelijke leugens, waartegen een vrij denkend man zich moet verzetten. Wie zijn het die de meerderheid der bewoners van een land uitmaken? Zijn dat de knappe menschen of de domme? Ik vermoed dat wij het daarover wel eens zullen zijn dat de dommen in een gewoon overweldigende meerderheid over de heele wijde wereld voorhanden zijn. Maar dat de dommen heerschen over de verstandigen, dat kan voor den duivel, in der eeuwigheid niet zijn zooals 't moet.

(Rumoer en geschreeuw).

DR. STOCKMANN. Jawel; overschreeuwen kunnen jullie me wel; maar tegenspreken niet. De meerderheid bezit de macht … helaas … maar het recht bezit zij niet. Het recht heb ik en nog een paar anderen, de weinigen. De minderheid heeft altijd het recht.

(Weer geweldig rumoer).

HOVSTAD. Haha; dokter Stockmann is dus aristokraat geworden sedert eergisteren!

DR. STOCKMANN. Ik heb gezegd dat ik geen woord verspillen zou aan den kleinen benauwden, aamborstigen troep, die achtergebleven is. Daarmee heeft het kloppende leven niets meer te maken. Maar ik denk aan de weinigen, de enkelen onder ons, die zich al de jonge ontkiemende waarheden hebben eigen gemaakt. Deze mannen staan als 't ware buiten, tusschen de voorposten, zoover vooruitgeschoven dat de compacte meerderheid nog niet tot daar opgerukt is, en daar strijden zij voor waarheden, die nog te jonggeboren zijn in de wereld van het bewustzijn, om eenige meerderheid voor zich te kunnen hebben.

HOVSTAD. O, dus nu is de dokter revolutionair geworden?

DR. STOCKMANN. Ja, verdomd, dat ben ik, mijnheer Hovstad! Ik ben van plan revolutie te maken tegen de leugen, dat de meerderheid in het bezit van de waarheid zou zijn. Wat zijn dat voor waarheden waaromheen de meerderheid zich gewoonlijk groepeert? Dat zijn waarheden die zoo'n hoogen leeftijd bereikt hebben, dat ze op weg zijn van ouderdom in elkaar te zakken. Maar als een waarheid zoo oud geworden is, dan is zij ook goed op weg om een leugen te worden, mijne heeren!

(Lachen en spottende uitdrukkingen).

DR. STOCKMANN. Ja, ja, je kunt mij gelooven of niet, maar waarheden zijn volstrekt niet zulke taaie Methusalems als de menschen wel denken. Een normaal gebouwde waarheid leeft … laat ons zeggen … in den regel een zeventien a achttien, hoogstens twintig jaren; zelden langer. Maar zulke bejaarde waarheden zijn altijd verschrikkelijk mager. En toch is het pas dan dat de meerderheid zich met hen bemoeit en ze de maatschappij aanbeveelt als gezond geestelijk voedsel. Maar er zit niet veel voedingswaarde in dergelijken kost, dat kan ik u verzekeren; en dat moet ik als dokter toch weten. Al die meerderheids-waarheden zijn te vergelijken met oud overjarig gerookt vleesch; ze zijn zoo iets als ranzige, verschimmelde, pas gezouten hammen. En daar van daan komt al die geestelijke scorbuut die overal in de samenleving voortwoekert.

ASLAKSEN. Het komt mij voor dat de geachte spreker wel eenigszins van het onderwerp afwijkt.

BURGEM. STOCKMANN. Ik moet mij inderdaad aansluiten bij de opinie van den voorzitter.

DR. STOCKMANN. Ik geloof dat je heelemaal niet wel bij 't hoofd bent, Peter! Ik houd mij toch zoo streng aan mijn onderwerp als maar mogelijk is. Want waarover ik spreken wil is immers juist dit, dat de massa, de meerderheid, die duivelsche compacte majoriteit,… dat die het is, zeg ik, die onze geestelijke levensbronnen vergiftigt en den grond onder onze voeten verpest.

HOVSTAD. En dat zou de vrijzinnige meerderheid van ons volk doen, omdat het verstandig genoeg is alleen de vaste en erkende waarheden te huldigen?

DR. STOCKMANN. Och, mijn goede mijnheer Hovstad, praat toch niet van vaste waarheden! De waarheden die de massa en de menigte erkennen, dat zijn de waarheden die de strijders op de voorposten, in de dagen van onze grootvaders, voor vaste waarheden hielden. Wij strijders op de voorposten van heden, wij erkennen die niet meer; en ik geloof volstrekt niet dat er een andere vaste waarheid bestaat, dan deze, dat geen enkele maatschappij een gezond leven leiden kan berustend op dergelijke oude, krachteloos waarheden.

HOVSTAD. Maar in plaats van hier in 't wilde te staan praten, zou het wel aardig zijn als wij eens te hooren kregen, wat dat dan voor oude krachtelooze waarheden zijn, waarvan wij leven.

(Instemming van vele kanten).

DR. STOCKMANN. Och, ik zou een heelen hoop van dien smerigen rommel bij elkaar kunnen halen; maar voorloopig wil ik mij houden bij eene erkende waarheid, die eigenlijk een gemeene leugen is, maar waarvan toch zoowel mijnheer Hovstad als de "Volksbode" en al de aanhangers van de "Volksbode" leven.

HOVSTAD. En die is…?

DR. STOCKMANN. Dat is de leer die u van de voorvaders geerfd heeft en die u gedachteloos uitbazuint in de heele wereld,… de leer, dat de lagere klasse, de massa, de groote hoop, de kern des volks is,… dat die het volk zelf is … dat de gemeene man, deze onwetenden en onontwikkelden in de samenleving, hetzelfde recht bezitten om te veroordeelen of goed te keuren, te regeeren en te heerschen, als de enkele geestelijk voorname persoonlijkheden.

BILLING. Dat heb ik nu toch, goddome….

HOVSTAD (tegelijkertijd, roept). Burgers, let op!

VERBITTERDE STEMMEN. Zoo? Zijn wij het volk niet? Zijn het alleen de voorname lui die regeeren moeten!

EEN WERKMAN. Weg met dien man die daar staat te kletsen!

ANDEREN. Gooit hem er uit!

EEN BURGER (schreeuwt). Blaas op je hoorn, Evensen!

(Geweldige trompettonen klinken; fluiten en een razend rumoer in de zaal).

DR. STOCKMANN (als het leven een beetje bedaard is). Maar weest toch verstandig, menschen! Wil je dan niet een enkelen keer de stem der waarheid hooren? Ik verlang immers volstrekt niet dat je het allemaal terstond met mij eens zult zijn. Maar ik had toch zeker verwacht dat mijnheer Hovstad mij gelijk geven zou, als hij even had nagedacht. Want mijnheer Hovstad maakt er immers aanspraak op vrijdenker te zijn….

VERWONDERDE TWIJFELENDE VRAGEN: Vrijdenker, zegt hij? Wat? Is Hovstad vrijdenker?

HOVSTAD (roept). Bewijs dat, dokter Stockmann! Wanneer heb ik dat ooit laten drukken?

DR. STOCKMANN (bedenkt zich even). Daar heeft u waarachtig gelijk in! Dien moed heeft u nog nooit gehad. Nou, ik wil u niet het vuur aan de schenen leggen, mijnheer Hovstad. Laat ik die vrijdenker dan maar zijn. En nu zal ik je allemaal uit de natuurkunde bewijzen dat de "Volksbode" je schromelijk bij den neus heeft, als zij je vertelt, dat de volksklasse, de massa en de menigte de ware kern van het volk is. Dat is eenvoudig een courantenleugen, weet je! De volksklasse is niets anders dan de ruwe stof waaruit het volk menschen maken moet.

(Gebrom, gelach en onrust in de zaal).

DR. STOCKMANN. Gaat het dan niet zoo met alle andere levende dingen in de wereld? Wat een verschil is er niet tusschen gecultiveerde rasdieren en gewone dieren? Kijk maar eens naar een gewone boerenkip. Wat voor waarde heeft het vleesch van zoo'n verarmd gedierte? Niet veel, waarachtig! En wat voor eieren legt zoo'n dier? Een maar half fatsoenlijke kraai of raaf kan ongeveer even goede eieren leggen. Maar neem eens een echt Spaansch of Japansch rashoen, of een voorname fazant of kalkoen;… ja, dan zie je het verschil wel! En dan honden, met wie wij menschen zoo verbazend nauw verwant zijn. Stel je nu eens eerst een gewonen achterbuurthond voor,… zoo'n smerigen, ruigen gemeenen straathond, die enkel langs de straat loopt en de muren van de huizen bevuilt. En vergelijk dan zoo'n straathond eens met een poedel, die al sedert vele geslachten uit een voornaam huis stamt, waar hij best eten gekregen heeft en gelegenheid had om welluidende stemmen en muziek te hooren. Geloof je niet dat de hersens van dien poedel heel anders ontwikkeld zijn dan die van den straathond? Ja, daar kan je zeker van zijn! Zulke jonge raspoedeltjes zijn het die afgericht worden tot de ongeloofelijkste kunststukjes. Zulke dingen kan een gewone boerenhond nooit leeren, al zou hij op zijn kop gaan staan.

(Rumoer en grappen overal).

EEN BURGER (roept). Wil u nu ook al honden van ons maken?

EEN TWEEDE. Wij zijn geen dieren, dokter!

DR. STOCKMANN. Ja, bij mijn ziel en zaligheid, wij zijn wel dieren, vadertje! Wij zijn zulke goede dieren, allemaal, als iemand maar kan verlangen. Maar voorname dieren zijn er stellig niet veel onder ons. O, er is een geweldige afstand tusschen poedel-menschen en straathonden-menschen. En het grappige van de zaak is, dat mijnheer Hovstad het geheel met mij eens is, zoolang wij over viervoetige dieren spreken….

HOVSTAD. Ja, die laat ik voor wat ze zijn.

DR. STOCKMANN. Jawel; maar zoodra ik de wet op de tweevoetige toepas, dan staat mijnheer Hovstad stop. Dan durft hij zijn eigen opinies niet meer volhouden, zijn eigen gedachten niet meer uit-denken; dan gooit hij de heele leer onderste boven, en verkondigt in de "Volksbode", dat boerenkippen en straathonden … dat juist die de pracht-exemplaren der menagerie zijn. Maar zoo gaat het altijd, zoo lang iemand nog zijn plebejische afkomst in het bloed zit en zoolang hij zich nog niet tot geestelijke voornaamheid heeft opgewerkt.

HOVSTAD. Ik maak geen aanspraak op eenige voornaamheid. Ik stam af van eenvoudige boeren; en ik ben er trotsch op dat mijn wortels reiken tot diep onder in het volk, dat hier bespot wordt.

VELE WERKLIEDEN. Hoera Hovstad! Hoera! Hoera!

DR. STOCKMANN. Dat soort plebs waarvan ik spreek, dat vindt je niet alleen daar beneden in de diepten, dat kruipt en wriemelt rondom ons heen,… tot in de hoogste lagen der maatschappij. Kijkt maar eens naar je eigen deftigen, eerzamen burgemeester! Mijn broer Peter is waarachtig evengoed een plebejer, als anderen die er rondloopen….

(Lachen en sissen).

BURGEM. STOCKMANN. Ik protesteer tegen dergelijke persoonlijke aanvallen….

DR. STOCKMANN (onverstoorbaar) … en niet omdat hij evenals ik, van een ouden, smerigen zeeroover uit Pommeren of ergens dien kant uit afstamt,… want dat doen wij….

BURGEM. STOCKMANN. Absurde overlevering. Wordt ontkend!

DR. STOCKMANN. … maar omdat hij de gedachten van zijn superieuren denkt en altijd met hun opinie meegaat. De menschen die dat doen, dat zijn geestelijke plebejers; kijk, daarom is mijn trotsche broer Peter in den grond zoo weinig voornaam … en dientengevolge ook zoo weinig vrijzinnig.

BURGEM. STOCKMANN. Mijnheer de voorzitter…!

HOVSTAD. Dus zijn het de voornamen die vrijzinnig zijn hier in 't land? Dat is een heel nieuwe openbaring.

(Lachen in de vergadering).

DR. STOCKMANN. Jawel; dat hoort ook nog bij mijn nieuwe ontdekking. En ook dat hoort er nog bij, dat vrijzinnigheid ongeveer precies hetzelfde is als moraliteit. En daarom zeg ik dat het volslagen onverantwoordelijk is van de "Volksbode" dat zij, dag in dag uit, de dwaalleer verkondigt, dat de massa, het gepeupel, de compacte meerderheid, de vrijzinnigheid en de zedelijkheid in pacht zou hebben,… en dat slechtheid en verdorvenheid en alle mogelijke geestelijke zwijnerij, iets zou zijn dat voortvloeit uit beschaving, evenals al de smerigheid naar de badplaats afvloeit van de leerlooierijen in het Molendal!

(Rumoer en interrupties).

DR. STOCKMANN (onverstoorbaar; lacht in zijn ijver). En toch kan diezelfde "Volksbode" er over preeken dat de massa en het gepeupel moeten worden opgeheven tot hooger leven. Maar voor den duivel, als de leer der "Volksbode" steek hield, dan zou dat opheffen van het volk precies hetzelfde beteekenen als het rechtstreeks in zijn verderf te jagen! Maar gelukkig is het maar een oude overgeerfde volksleugen dat beschaving demoraliseert. Neen, dom blijven, armoede, ellendige levensomstandigheden, die doen dat duivelswerk! In een huis waar niet gelucht en de grond niet geveegd wordt alledag … mijn vrouw beweert dat er ook gedweild moet worden; maar daarover kan verschil van meening bestaan…; nu in zoo'n huis, beweer ik, verliezen de menschen in twee a drie jaar de geschiktheid tot moreel denken en handelen. Gebrek aan zuurstof verzwakt het geweten. En in zeer, zeer veel huizen in onze stad schijnt groot gebrek aan zuurstof te zijn, als de heele compacte meerderheid zoo gewetenloos kan zijn, dat zij de opkomst van de stad wil gronden op een slijkbodem van leugen en bedrog.

ASLAKSEN. Zulk een grove beschuldiging mag men een heele maatschappij niet in het gezicht werpen.

EEN HEER. Ik geef den voorzitter in overweging den spreker het woord te ontnemen.

LAWAAIIGE STEMMEN. Ja! ja! Juist! Ontneem hem het woord!

DR. STOCKMANN (opbruisend). Dan schreeuw ik de waarheid uit op alle hoeken van de straten. Ik zal in dagbladen van andere plaatsen schrijven! Het heele land zal weten hoe het hier gesteld is.

HOVSTAD. Het heeft er veel van of de dokter van plan is de heele stad te ruineeren.

DR. STOCKMANN. Ja, zooveel houd ik van mijn geboorteplaats, dat ik die liever zou ruineeren, dan ze te zien opbloeien op een leugen.

ASLAKSEN. Dat is sterk!

(Rumoer en gefluit. Mevr. Stockmann kucht tevergeefs; de dokter hoort het niet meer).

HOVSTAD (roept onder het rumoer door). De man die den ondergang van een heele maatschappij wenschen kan, moet een vijand der burgerij zijn!

DR. STOCKMANN (in stijgende drift). Daaraan is niets verbeurd dat een leugenachtige maatschappij te gronde gaat! Die behoort met den grond gelijk gemaakt te worden, zeg ik! Uitgeroeid als schadelijk gedierte moesten zij worden allen, die in leugens leven! Ten slotte verpest je het heele land; je brengt het zoo ver dat het heele land verdient onder te gaan. En komt het eens zoo ver, dan zeg ik uit het volle van mijn hart: laat het heele land ten onder gaan; laat het heele volk uitgeroeid worden!

EEN MAN (in de menigte). Dat is de taal van een echten vijand des volks!

BILLING. Daar klonk, goddome, de stem des volks!

De heele menigte (schreeuwt). Ja, ja, ja! Hij is een vijand des volks! Hij haat zijn land! Hij haat het heele volk!

ASLAKSEN. Ik ben als burger en als mensch diep geschokt door wat ik heb moeten aanhooren. Dokter Stockmann heeft zich ontpopt op een manier, als ik nooit had kunnen droomen. Ik moet, helaas, de overtuiging deelen, die achtenswaardige burgers zoo even uitspraken; en ik meen dat wij aan die overtuiging uiting moeten geven door een besluit. Ik stel het volgende voor: "De vergadering verklaart dat zij den badarts, dr. Thomas Stockmann, beschouwt als een vijand des volks."

(Stormachtig hoera-roepen en bijval. Een groote kring wordt om dr. Stockmann gevormd en men fluit hem in zijn gezicht uit. Mevr. Stockmann en Petra zijn opgestaan. Morten en Ejlif vechten met de andere schooljongens, die ook gefloten hebben. Eenige volwassenen halen hen van elkaar).

DR. STOCKMANN (tegen de fluiters). O, jullie dwazen!… ik zeg je dat….

ASLAKSEN (luidt de bel). De dokter heeft niet meer het woord. Een formeele stemming moet plaats hebben; maar om persoonlijke gevoelens te sparen moet het schriftelijk en zonder naam geschieden. Heeft u wit papier, mijnheer Billing?

BILLING. Hier heb je allebei, blauw en wit papier….

ASLAKSEN (komt van het podium af). Zoo is 't mooi; op die manier gaat het gauwer. Snij het in stukjes…; ziezoo, ja. (tot de vergadering) Blauw beteekent neen; wit beteekent ja. Ik zal zelf rond gaan om de stemmen op te nemen.

(De burgemeester verlaat de zaal. Aslaksen en een paar andere burgers gaan rond met de stukjes papier in hun hoed).

EEN HEER (tegen Hovstad). Hoe zit dat toch met den dokter? Wat moet men daar eigenlijk van denken?

HOVSTAD. U weet toch wel hoe hij altijd doorslaat.

EEN TWEEDE HEER (tegen Billing). Hoor eens; u komt daar immers wel aan huis? Heeft u ooit gemerkt of de man drinkt?

BILLING. Ik weet goddome niet wat ik zeggen moet; als men er komt staat er altijd grog op tafel.

EEN DERDE HEER. Neen, ik geloof eerder dat hij tusschenbeiden maalt.

DE EERSTE HEER. Er is misschien erfelijke krankzinnigheid in de familie?

BILLING. Dat kan wel zijn.

EEN VIERDE HEER. Neen, het is niets dan nijd; wraak over het een of ander.

BILLING. Hij sprak wel dezer dagen van traktementsverhooging; maar die heeft hij niet gekregen.

ALLE HEEREN (eenstemmig). Aha; dan is het gemakkelijk te begrijpen!

DE DRONKEN MAN (in de menigte). Ik wil een blauw hebben, dat wil ik! En dan wil ik een wit ook hebben!

GEROEP. Daar is die dronken vent weer! Gooit hem er uit!

MORTEN KIIL (komt naar den dokter toe). Wel, Stockmann, zie je nu wel wat er komt van zulke grappen?

DR. STOCKMANN. Ik heb mijn plicht gedaan.

MORTEN KIIL. Wat was dat wat je zei van de leerlooierijen in het Molendal?

DR. STOCKMANN. Dat heeft u immers gehoord; ik zei dat daar van daan al de smerigheid kwam.

MORTEN KIIL. Ben je van plan dat in de courant te zetten?

DR. STOCKMANN. Ik steek niets onder stoelen en banken.

MORTEN KIIL. Dat kan je duur te staan komen, Stockmann (gaat weg).

EEN DIKKE HEER (gaat naar Horster toe. Groet de dames niet). Zoo, kapitein, u staat dus uw huis af aan volksvijanden?

HORSTER. Ik denk dat ik met mijn eigendom kan doen wat ik wil, mijnheer Vik.

DE HEER. Dan zal u er zeker ook niets tegen hebben dat ik met mijn eigendom evenzoo doe?

HORSTER. Wat bedoelt u daarmee, mijnheer Vik?

DE HEER. Morgen zal u nader van mij hooren (hij keert zich om en gaat heen).

PETRA. Was dat uw reeder niet, kapitein?

HORSTER. Ja, dat was de groothandelaar Vik.

ASLAKSEN (met de stembiljetten in de hand, stapt op het podium en luidt de bel). Mijne heeren, mag ik u bekend maken met den uitslag van de stemming. Met alle stemmen tegen een….

EEN JONGERE HEER. Dat is de stem van dien dronken kerel!

ASLAKSEN. Met alle stemmen tegen een van een beschonken man, heeft deze volksvergadering den badarts Dr. Thomas Stockmann voor een vijand des volks verklaard! (Geroep en teekenen van bijval) Leve onze oude eerwaardige burgerstand! (weer bijvalsbetuigingen) Leve onze bekwame en werkzame burgemeester die zoo loyaal de stem des bloeds onderdrukt heeft! (hoera) De vergadering is opgeheven (komt van het podium af).

BILLING. Leve de voorzitter!

DE HEELE MENIGTE. Hoera voor Aslaksen!

DR. STOCKMANN. Mijn hoed en mijn jas, Petra. Kapitein, heeft u plaats aan boord voor passagiers naar de nieuwe wereld?

HORSTER. Voor u en de uwen zal er plaats gemaakt worden, dokter.

DR. STOCKMANN (terwijl Petra hem in zijn jas helpt). Goed. Kom Katrine! Komt jongens!

(Hij neemt den arm van zijn vrouw).

MEVR. STOCKMANN (zachtjes). Lieve Thomas, laat ons achter uit gaan.

DR. STOCKMANN. Geen achterwegen, Katrine (met verheffing van stem). Je zult nog hooren van den vijand des volks, voor hij het stof van zijne voeten schudt! Ik ben niet zoo zachtmoedig als een zeker iemand; ik zeg niet: ik vergeef het je, want je weet niet wat je doet.

ASLAKSEN (roept). Dat is een godslasterlijke vergelijking, dokter Stockmann!

BILLING. Dat is goddo…. Zoo iets is kras om aan te hooren voor een ernstig man.

EEN GROVE STEM. Nou dreigt hij ook nog!

OPHITSEND GEROEP. Laat ons de ruiten bij hem inslaan! Smijt hem in de fjord!

EEN MAN (in de menigte). Blaas op je hoorn, Evensen! Toet! Toet!

(Hoorngeschetter, gefluit en woest getier. De dokter gaat met de zijnen naar den uitgang. Horster baant hun een weg).

DE HEELE MENIGTE (joelt en krijscht achter hem aan). Volksvijand! Volksvijand! Volksvijand!

BILLING (terwijl hij zijn notities rangschikt). Neen, goddome, als ik van avond bij de Stockmanns grog zou willen drinken! (De vergaderden stroomen naar den uitgang; het rumoer wordt buiten voortgezet. Van de straat klinkt nog: Volksvijand! Volksvijand!).

EINDE VAN HET VIERDE BEDRIJF.

* * * * *

VIJFDE BEDRIJF.

Dr. Stockmann's werkkamer. Boekenrekken en kasten met preparaten langs de muren. Op den achtergrond een uitgang naar de voorkamer; op den voorgrond links de deur naar de huiskamer. In den wand rechts zijn twee ramen waarvan alle ruiten kapot zijn. Midden in de kamer staat Dr.'s schrijftafel, bedekt met boeken en papieren. De kamer is in wanorde. Voormiddag.

Dr. Stockmann in chambercloak en pantoffels en zijn kalotje op, staat gebogen en port met een parapluie onder een van de kasten; eindelijk haalt hij er een steen onderuit.

* * * * *

DR. STOCKMANN (spreekt door de open deur van de huiskamer). Hier heb ik er nog een gevonden, Katrine!

MEVR. STOCKMANN (in de huiskamer). O, je zult er stellig nog een heeleboel vinden.

DR. STOCKMANN (legt den steen bij een stapel andere op de tafel). Die steenen zal ik bewaren als relieken. Ejlif en Morten moeten ze dagelijks voor oogen hebben. En als zij groot zijn zullen zij ze van mij erven (port onder een boekenrek). Is zij … hoe bliksem heet zij nu ook weer … zij … die deern … is zij nog niet naar den glazenmaker geweest?

MEVR. STOCKMANN (komt binnen). Jawel, maar hij zei dat hij niet wist of hij van daag zou kunnen komen.

DR. STOCKMANN. Je zult zien dat hij niet durft.

MEVR. STOCKMANN. Neen, Randine dacht ook dat hij niet durfde voor de buren (spreekt in de huiskamer). Wat is er Randine? O zoo (gaat de kamer in en komt dadelijk terug). Hier is een brief voor je, Thomas.

DR. STOCKMANN. Laat zien (opent hem en leest). Jawel.

MEVR. STOCKMANN. Van wie is die?

DR. STOCKMANN. Van den huisbaas. Hij zegt ons de huur op.

MEVR. STOCKMANN. Is 't heusch waar? Hij zoo'n fatsoenlijke man….

DR. STOCKMANN (kijkt in den brief). Hij kan niet anders, zegt hij. Hij doet het zeer ongaarne, maar hij durft niet anders … om zijn medeburgers … om de publieke opinie … hij is afhankelijk … durft niet zekere invloedrijke mannen voor het hoofd te stooten….

MEVR. STOCKMANN. Nu zie je toch eens, Thomas.

DR. STOCKMANN. Jawel, ik zie het wel; ze zijn laf allemaal hier in de stad; niemand durft iets om al de andere menschen (slingert den brief over den grond). Maar wat kan ons dat schelen, Katrine. Wij trekken toch naar de nieuwe wereld, en dus….

MEVR. STOCKMANN. Ja maar, Thomas, heb je daar wel goed over nagedacht … over die reis?

DR. STOCKMANN. Moest ik misschien liever hier blijven, waar ze mij als een volksvijand aan den schandpaal hebben te pronk gesteld en gebrandmerkt, en mijn ruiten hebben ingeslagen! En kijk eens hier, Katrine, ze hebben een groote scheur in mijn zwarte broek ook gemaakt.

MEVR. STOCKMANN. Och Hemel! en dat is nog al je beste!

DR. STOCKMANN. Een mensch moet nooit zijn beste broek aantrekken als hij uitgaat om te strijden voor vrijheid en waarheid. Van die broek kan het mij nu zoo veel niet schelen, zie je; want die kan jij toch wel weer voor mij opknappen. Maar dat het grauw, het gepeupel het waagt mij te lijf te gaan alsof ze mijn gelijken waren … dat kan ik in der eeuwigheid niet verkroppen!

MEVR. STOCKMANN. Ja, Thomas, ze zijn hier afschuwelijk ruw en grof tegen je geweest; maar moeten wij daarom nu heelemaal naar een ander land trekken?

DR. STOCKMANN. Denk je soms dat het plebs in andere steden niet even brutaal is als hier? Och ja, dat is overal lood om oud ijzer. Nou, ze doen maar; laat de straathonden maar keffen; dat is het ergste niet; het ergste is dat alle menschen, het heele land door, partij-slaven zijn. Niet dat het in het vrije Westen misschien niet even erg is; daar voeren de compacte meerderheid en de liberale publieke opinie en de heele andere duivelsche rommel ook al den boventoon. Maar daar gaat alles meer in het groot, zie je; ze kunnen iemand doodslaan, maar hem langzaam martelen doen ze niet; ze binden een vrije ziel niet op de pijnbank vast zooals hier. En als de nood dringt kan je de dingen ten minste ontloopen (loopt door de kamer). Als ik maar wist waar ik een oerwoud of een Zuidzee-eilandje voor een prikje koopen kon!…

MEVR. STOCKMANN. Ja maar, de jongens, Thomas?

DR. STOCKMANN (staat stil). Wat ben je toch een rare, Katrine! Wou je liever dat de jongens hier zouden opgroeien in zoo'n maatschappij als de onze? Je zei toch zelf gisteren avond dat de helft van het volk stapelgek is; en als de andere helft het nog niet is, dan komt dat omdat het stom vee is dat geen verstand te verliezen heeft.

MEVR. STOCKMANN. Ja, maar, Thomas-lief, je bent ook zoo onvoorzichtig in je spreken.

DR. STOCKMANN. Wat! Is het misschien niet waar wat ik zeg? Keeren ze niet alle begrippen onderste boven? Roeren ze niet recht en onrecht in een pot door elkaar? Noemen ze niet alles leugen wat ik weet dat waarheid is? Maar het allerdolste is dat hier troepen volwassen menschen rondloopen die zichzelf en anderen wijsmaken dat ze vrijzinnig zijn. Heb je ooit zoo iets meer gehoord, Katrine?

MEVR. STOCKMANN. Ja, ja, zeker, dat is gewoon gek, maar….

(Petra komt de huiskamer binnen).

MEVR. STOCKMANN. Ben je nu al terug van school?

PETRA. Ja; ik heb mijn conge gekregen.

MEVR. STOCKMANN. Je conge!

DR. STOCKMANN. Jij ook al!

PETRA. Mevrouw Busch zei dat ze mij ontslaan moest; en toen vond ik het maar beter om dadelijk te gaan.

DR. STOCKMANN. Daaraan heb je goed gedaan, waarachtig.

MEVR. STOCKMANN. Wie zou gedacht hebben dat die mevrouw Busch zoo slecht was!

PETRA. Och moeder, mevrouw Busch is heusch niet slecht; ik zag duidelijk hoeveel verdriet het haar deed. Maar zij durfde niet anders, zei zij; en dus kreeg ik mijn ontslag.

DR. STOCKMANN (wrijft zich lachend de handen). Zij durfde niet anders, zij ook al niet! O dat is prachtig!

MEVR. STOCKMANN. Och ja, dat gemeene spektakel van gisteren….

PETRA. Dat was het niet alleen. Nu moet je eens hooren, vader!

DR. STOCKMANN. Wel?

PETRA. Mevrouw Busch liet mij niet minder dan drie brieven zien, die zij van morgen gekregen had….

DR. STOCKMANN. Zeker zonder onderteekening?

PETRA. Ja.

DR. STOCKMANN. Ja, want zij durven hun naam er niet onder zetten, Katrine!

PETRA. En in twee daarvan stond, dat een heer die hier aan huis komt, gisteren avond in de club verteld had, dat ik zulke verregaand vrije begrippen had over verschillende dingen….

DR. STOCKMANN. En dat ontkende je zeker niet?

PETRA. Neen, dat kan je begrijpen. Mevrouw Busch heeft zelf ook nog al vrije begrippen, als we onder vier oogen zijn; maar nu dit van mij bekend geworden is, durfde zij mij niet langer houden.

MEVR. STOCKMANN. En te denken dat het iemand is die hier aan huis komt! Nu zie je eens wat je terugkrijgt voor je gastvrijheid, Thomas!

DR. STOCKMANN. We blijven niet langer in dien smeerboel. Pak den boel maar in, zoo gauw je kunt, Katrine; laten wij er hoe eer hoe beter uit trekken!

MEVR. STOCKMANN. Stil eens; ik geloof dat er iemand in de gang is. Ga eens even kijken, Petra.

PETRA (doet de deur open). O, is u het, kapitein? Kom binnen alsjeblieft.

HORSTER (uit de voorkamer). Goeden dag. Ik dacht ik moest toch eens even gaan kijken hoe u het heeft.

DR. STOCKMANN (schudt hem de hand). Dank u; dat is heel vriendelijk.

MEVR. STOCKMANN. En dank u nog wel dat u ons er door hielp, kapitein.

PETRA. Maar hoe is u nog thuis gekomen?

HORSTER. O, dat ging wel. Ik ben nog al pootig uitgevallen en de meesten zijn toch maar helden met hun mond.

DR. STOCKMANN. Ja, zeg, is het niet merkwaardig dat ze zoo beroerd laf zijn? Kom eens hier, dan zal ik u wat laten zien! Kijk, hier liggen al de steenen die ze door de glazen gesmeten hebben. Bekijk ze maar eens! Er zijn waarachtig in den heelen hoop, niet meer dan twee ordentelijke flinke keisteenen,… de rest is niets anders dan gruis,… enkel klein grut; en toch stonden zij daarbuiten te krijschen en te zweren dat ze mij zouden vermoorden. Maar handelen … handelen … neen, daarvan zie je hier niet veel!

HORSTER. Dat was in dit geval ook maar het beste voor u, dokter.

DR. STOCKMANN. Dat was het zeker. Maar ergerlijk is het toch. Want komt het eens tot een ernstige, voor het land gewichtige botsing, dan zal u zien dat de publieke opinie haar beenen op neemt en de compacte meerderheid er van door gaat, als een troep wilde zwijnen. Dat is juist zoo'n droevige gedachte, dat doet mij zoo innig verdriet…. Maar wat duivel, dat zijn toch eigenlijk maar dwaasheden zulke dingen. Hebben zij gezegd dat ik een volksvijand ben, laat mij dan ook maar een volksvijand zijn.

MEVR. STOCKMANN. Maar dat wordt je toch nooit, Thomas.

DR. STOCKMANN. Daar moet je geen eed op doen, Katrine. Een hatelijk woord kan werken als een speldenprik in de longen. En dat vervloekte woord … dat kan ik maar niet kwijt raken. Dat heeft zich daar vast gezet, vlak onder mijn hart, dat ligt daar en graaft zich in en zuigt als 't ware zure sappen op. En daar helpt geen magnesia tegen!

PETRA. Poeh, je moet er maar om lachen, vader.

HORSTER. De menschen zullen nog wel eens tot andere gedachten komen, dokter.

MEVR. STOCKMANN. Ja, Thomas, daar kan je zoo zeker van zijn als dat je hier staat.

DR. STOCKMANN. Ja, misschien, als het te laat is. Maar dat zou hun verdiende loon zijn! Dan kunnen ze hier in hun smeerboel zitten en het berouwen dat ze een patriot het land hebben uitgejaagd. Wanneer zeilt u uit, kapitein?

HORSTER. Hm,… daar kwam ik eigenlijk juist eens over spreken….

DR. STOCKMANN. Is er iets niet in orde met het schip?

HORSTER. Neen; maar het is zoo gelegen, dat ik niet mee ga.

PETRA. Ze hebben u toch niet uw conge gegeven?

HORSTER (glimlacht). Ja, dat is het juist.

PETRA. U ook al!

MEVR. STOCKMANN. Daar heb je het nu, Thomas.

DR. STOCKMANN. En dat ook al om de waarheid? O; als ik zoo iets had kunnen denken….

HORSTER. Daar moet u verder maar niet over denken; ik vind wel weer een betrekking bij een of andere reederij in een andere plaats.

DR. STOCKMANN. En dat die Vik … een groothandelaar, een vermogend man … absoluut Foei, foei!

HORSTER. Hij is anders heel goed; en hij zei zelf dat hij mij graag had gehouden, als hij maar durfde….

DR. STOCKMANN. Maar hij durfde niet? Neen dat spreekt!

HORSTER. Het was zoo gemakkelijk niet, zei hij, als je tot een partij behoorde….

DR. STOCKMANN. Dat was een waar woord van den eerwaardigen man! Een partij, dat is iets als een hakmachine, daarin worden alle hoofden tot brei gemalen; en daarom zijn het ook allemaal zwakhoofden, en paphoofden, de heele troep.

MEVR. STOCKMANN. Maar Thomas toch!

PETRA (tegen Horster). Misschien zou het zoo ver niet gekomen zijn als u ons niet naar huis had gebracht.

HORSTER. Ik heb er geen berouw van.

PETRA (reikt hem de hand). Dank u.

HORSTER (tegen den dokter). En nu wou ik u zeggen, dat als u volstrekt weggaan wil, dan weet ik wel een andere oplossing….

DR. STOCKMANN. Mooi zoo; als we maar weg komen….

MEVR. STOCKMANN. Stil; werd daar niet geklopt?

PETRA. Dat is zeker oom.

DR. STOCKMANN. Aha! (roept). Binnen!

MEVR. STOCKMANN. Lieve Thomas, toe beloof mij nu….

(Burgem. Stockmann komt uit de voorkamer).

BURGEM. STOCKMANN (in de deur). O, je bent bezig. Ja, dan zal ik liever….

DR. STOCKMANN. Neen, neen; kom maar binnen.

BURGEM. STOCKMANN. Maar ik wenschte je onder vier oogen te spreken.

MEVR. STOCKMANN. Wij zullen zoo lang in de huiskamer gaan.

HORSTER. En ik kom straks nog wel terug.

DR. STOCKMANN. Neen, ga u mee naar binnen, kapitein; ik moet er nog meer van weten….

HORSTER. Best; dan zal ik daar wachten.

(Hij gaat met mevr. en Petra de huiskamer in).

DR. STOCKMANN (zegt niets en kijkt ter sluiks naar de ramen).

DR. STOCKMANN. Je vindt het misschien wel een beetje luchtig hier van daag? Zet je pet maar op.

BURGEM. STOCKMANN. Dank je, als je het permitteert. (doet het) Ik geloof dat ik gisteren kou gevat heb, ik had het zoo koud….

DR. STOCKMANN. Zoo? Nou, mij leek het nog al warm.

BURGEM. STOCKMANN. Ik betreur het dat het niet in mijn macht stond deze nachtelijke excessen tegen te houden….

DR. STOCKMANN. Heb je mij anders niets te vertellen?

BURGEM. STOCKMANN (haalt een grooten brief voor den dag). Dit stuk heb ik je namens de directie te overhandigen.

DR. STOCKMANN. Ben ik ontslagen?

BURGEM. STOCKMANN. Ja, met ingang van van daag (legt den brief op de tafel). Het doet ons leed; maar … eerlijk gezegd … wij durfden niet anders om de publieke opinie.

DR. STOCKMANN (glimlacht). Durfden niet? Dat woord heb ik nog eens gehoord van daag.

BURGEM. STOCKMANN. Ik moet je verzoeken je goed rekenschap van je positie te geven. Je moet voortaan op geenerlei praktijk hier in de stad meer rekenen.

DR. STOCKMANN. De duivel hale de heele praktijk! Maar hoe weet je dat zoo zeker?

BURGEM. STOCKMANN. De Bond van Huiseigenaren heeft een lijst rond laten gaan aan alle huizen. Alle welgezinde burgers worden opgevorderd jou niet als dokter te nemen. En ik durf er voor instaan dat geen enkel huisvader het waagt die lijst niet te onderteekenen; men durft dat eenvoudig niet laten….

DR. STOCKMANN. Zeker, zeker; daaraan twijfel ik geen oogenblik. Maar wat verder?

BURGEM. STOCKMANN. Als ik je een raad geven mocht, dan zou het deze zijn, dat je voor eenigen tijd de stad verliet….

DR. STOCKMANN. Jawel, ik heb er juist ook over gedacht de stad uit te gaan.

BURGEM. STOCKMANN. Goed zoo. En als je dan zoo een half jaartje tijd hebt gehad om je te bezinnen, en je na rijp overleg er toe overgaan kon om met een paar woorden van spijt je dwaling te erkennen….

DR. STOCKMANN. Dan zou ik misschien mijn betrekking terug kunnen krijgen, bedoel je?

BURGEM. STOCKMANN. Misschien. Volstrekt niet zoo geheel onmogelijk.

DR. STOCKMANN. Maar de publieke opinie dan? Dat durf jullie immers niet om de publieke opinie?

BURGEM. STOCKMANN. De publieke opinie is een erg variabel iets. En, eerlijk gezegd, het zou ons bizonder veel waard zijn een dergelijke bekentenis van jouw hand te ontvangen.

DR. STOCKMANN. Ja, dat zou je zoo lijken, he! Maar wat bliksem, je weet toch zeker nog wel, wat ik je onlangs gezegd heb over zulke streken.

BURGEM. STOCKMANN. Toen was je positie nog zooveel gunstiger, toen kon je veronderstellen dat je de heele stad achter je hadt om je te steunen….

DR. STOCKMANN. Ja, en nu hebben ze mij laten voelen dat ik de heele stad tegen mij heb…. (opbruisend). Maar toch niet, al had ik den duivel en de heele hel tegen mij…! Nooit,… nooit, zeg ik je!

BURGEM. STOCKMANN. Een huisvader mag niet zoo handelen als jij doet. Dat mag je niet, Thomas.

DR. STOCKMANN. Mag ik niet! Er is maar een ding in de wereld dat een vrij man niet doen mag; en weet je wat dat is?

BURGEM. STOCKMANN. Neen.

DR. STOCKMANN. Natuurlijk niet; maar dat zal ik je dan zeggen. Een vrij man mag zich niet bevuilen als een schooier; hij mag zich niet zoo gedragen dat hij zichzelf in zijn gezicht zou moeten spuwen!

BURGEM. STOCKMANN. Dat klinkt zoo buitengewoon plausibel; en als er geen andere verklaring voor je halsstarrigheid voor de hand lag … maar die is er juist wel….

DR. STOCKMANN. Wat meen je daarmee?

BURGEM. STOCKMANN. Dat begrijp je heel best. Maar als je broer en als verstandig man, raad ik je niet al te vast te bouwen op verwachtingen en vooruitzichten, die misschien licht verkeerd konden uitkomen.

DR. STOCKMANN. Maar op wat ter wereld zinspeel je toch?

BURGEM. STOCKMANN. Zou je mij waarlijk willen wijsmaken dat je niets weet van de testamentaire beschikkingen, die de leerlooier Kiil gemaakt heeft?

DR. STOCKMANN. Ik weet dat het beetje dat hij heeft, aan een gesticht voor behoeftige oude handwerkslui komen zal. Maar wat gaat mij dat aan?

BURGEM. STOCKMANN. Vooreerst is hier niet sprake van een beetje. Kiil is een tamelijk vermogend man.

DR. STOCKMANN. Daar heb ik nooit eenig idee van gehad.

BURGEM. STOCKMANN. Hm,… waarlijk niet? Je hebt er dus ook geen idee van, dat een niet gering gedeelte van zijn vermogen aan je kinderen komen zal, met het vruchtgebruik voor jou en je vrouw je leven lang. Heeft hij je dat niet gezegd?

DR. STOCKMANN. Neen; bij mijn ziel, geen woord! Integendeel, hij was altijd en eeuwig aan 't razen er over dat hij zoo onmogelijk hoog was aangeslagen in de belasting. Maar weet je dat dan zoo zeker, Peter?

BURGEM. STOCKMANN. Ik heb het uit een alleszins betrouwbare bron.

DR. STOCKMANN. Maar, lieve God, dan zou Katrine bezorgd zijn … en de kinderen ook! Dat moet ik haar eens gauw vertellen … (roept) Katrine, Katrine!

BURGEM. STOCKMANN (houdt hem tegen). Stil; je moet er nog niets van zeggen!

MEVR. STOCKMANN (doet de deur open). Wat is er te doen?

DR. STOCKMANN. Och niemendal; ga maar weer naar binnen.

(Mevr. Stockmann doet de deur dicht).

DR. STOCKMANN (loopt heen en weer). Bezorgd! Denk eens aan,… allemaal! En voor hun leven! Dat is toch een heerlijk gevoel te weten dat je bezorgd bent!

BURGEM. STOCKMANN. Ja, maar dat ben je juist niet. De oude Kiil kan iederen dag en ieder uur zijn testament vernietigen als hij wil.

DR. STOCKMANN. Maar dat doet hij niet, mijn goede Peter. De oude das is veel te blij dat ik jou en je hoogwijze vrienden heb te pakken genomen.

BURGEM. STOCKMANN (verwonderd; ziet hem uitvorschend aan). Ah zoo, dat verklaart veel.

DR. STOCKMANN. Wat dan?

BURGEM. STOCKMANN. Die heele zaak was dus een gecombineerde manoeuvre. Die geweldige, onbesuisde aanvallen die jij … in naam der waarheid … gedaan hebt op de autoriteiten….

DR. STOCKMANN. Wat daarvan? wat daarvan?

BURGEM. STOCKMANN. Die waren dus niets anders dan een afgesproken vergoeding, voor het testament van dien ouden wraakzuchtigen Morten Kiil.

DR. STOCKMANN (bijna sprakeloos). Peter,… je bent toch de gemeenste ploert dien ik ooit in mijn leven ontmoet heb.

BURGEM. STOCKMANN. Tusschen ons is alles uit. Je ontslag is onherroepelijk;… want nu hebben wij een wapen tegen je (hij gaat weg).

DR. STOCKMANN. Bah! bah! bah! (roept). Katrine! De vloer moet gedweild worden waar de kerel gestaan heeft! Laat haar komen met een emmer … zij … zij … hoe duivel … die smeerpoets met haar altijd vuilen neus….

MEVR. STOCKMANN (in de deur van de huiskamer). Stil, stil toch, Thomas!

PETRA (ook in de deur). Vader, grootvader is hier en vraagt of hij je even alleen kan spreken.

DR. STOCKMANN. Ja zeker (bij de deur) Kom binnen, schoonpapa.

(Morten Kiil komt binnen. De dokter doet de deur achter hem dicht).

DR. STOCKMANN. Wel? Wat is er? ga zitten.

M. KIIL. Niet zitten (kijkt rond). 't Ziet er hier mooi uit bij je, Stockmann.

DR. STOCKMANN. Ja, vindt u niet?

M. KIIL. Echt netjes ziet het er uit; en frissche lucht heb je ook; van daag zal je wel genoeg van die zure stof hebben, waar je gisteren over bazelde. Ik kan mij begrijpen dat je van daag een erg goed geweten hebt.

DR. STOCKMANN. Jawel; dat heb ik ook.

M. KIIL. Kan ik begrijpen (slaat zich op de borst). Maar weet je wat ik hier heb?

DR. STOCKMANN. Ook een goed geweten, hoop ik.

M. KIIL. Poeh! Neen, dit is heel wat beters! (Hij haalt een dikke portefeuille voor den dag en laat een heeleboel papieren zien).

DR. STOCKMANN (kijkt hem verwonderd aan). Aandeelen in de badinrichting?

M. KIIL. Die waren niet moeilijk te krijgen van daag.

DR. STOCKMANN. En die heeft u opgekocht?

M. KIIL. Net zooveel als ik maar betalen kon.

DR. STOCKMANN. Maar mijn waarde schoonpapa,… zoo wanhopend als de toestand van de badinrichting op het oogenblik is…!

M. KIIL. Als jij je gedraagt als een verstandig mensch dan zal die badinrichting er wel weer boven op komen.

DR. STOCKMANN. Ja, u ziet het immers zelf, ik doe alles wat ik kan; maar … och, de menschen zijn hier allemaal gek!

M. KIIL. Je zei gisteren dat de ergste smeerboel van mijn looierij kwam. Maar als dat zoo is, dan zouden dus mijn grootvader en mijn vader voor mij, en ik zelf vele jaren lang de stad verpest hebben als drie doodsengelen. Denk je dat ik die schande op mij laat zitten?

DR. STOCKMANN. Dat zal u, helaas, wel moeten.

M. KIIL. Neen dankje. Ik ben gesteld op mijn goeden naam. De menschen noemen mij "den das", heb ik hooren zeggen. En een das, dat is immers zoo'n soort van varken; maar daarin zullen zij nooit van hun leven gelijk krijgen. Ik wil leven en sterven als een zindelijk mensch.

DR. STOCKMANN. En hoe wil u dat dan aanleggen?

M. KIIL. Jij moet me schoon wasschen, Stockmann.

DR. STOCKMANN. Ik!

M. KIIL. Weet je van welk geld ik deze aandeelen gekocht heb? Neen, dat kan je niet weten; maar nu zal ik het je zeggen. Dat is het geld dat Katrine en Petra en de kleine jongens na mijn dood krijgen zullen. Want, zie je, ik heb toch wel een beetje opgelegd.

DR. STOCKMANN (opstuivend). En voor zoo iets gebruikt u het geld van Katrine!

M. KIIL. Ja, het geld is nu allemaal in de badinrichting gestoken. En nu wil ik eens zien of je wezenlijk zoo razend … zoo stapelgek bent, Stockmann. Laat je nu toch nog dieren en allerlei smerigheid uit mijn looierij komen, dan is dat net goed of je breede reepen uit het vel van Katrine en Petra en de jongens sneed; maar dat doet toch geen fatsoenlijk huisvader,… als hij ten minste niet krankzinnig is.

DR. STOCKMANN (op en neer loopend). Ja, maar ik ben krankzinnig! Ik ben krankzinnig!

M. KIIL. Maar waar het vrouw en kinderen geldt, zal je zoo ongelooflijk gek toch wel niet zijn.

DR. STOCKMANN (blijft voor hem staan). Waarom kon u mij dat niet zeggen voor u dien rommel opkocht?

M. KIIL. Wat nu eenmaal gebeurd is, daaraan is niets te veranderen.

DR. STOCKMANN (loopt onrustig rond). Als ik maar niet zoo zeker was van mijn zaak…! Maar ik ben er zoo vast van overtuigd dat ik gelijk heb.

M. KIIL (weegt de portefeuille in de hand). Als je je dwaasheid volhoudt dan is dit alles niet veel waard (hij steekt de portefeuille in zijn zak).

DR. STOCKMANN. Maar, wat bliksem, de wetenschap moet toch ook wel voorbehoedmiddelen weten te vinden, dunkt mij; een of ander preservatief….

M. KIIL. Meen je iets om de dieren te dooden?

DR. STOCKMANN. Ja, of om ze onschadelijk te maken.

M. KIIL. Als je het eens met rattekruid probeerde?

DR. STOCKMANN. Och nonsens! nonsens!… Maar iedereen zegt dat 't maar een hersenschim is. Zou het dan geen hersenschim kunnen zijn? Laten ze hun zin dan hebben! Hebben de domme kleinzielige honden mij niet voor een volksvijand uitgemaakt;… en om mij de kleeren van het lijf te scheuren daartoe waren ze ook bereid!

M. KIIL. En dan al die ruiten die ze je stuk geslagen hebben!

DR. STOCKMANN. Ja, en dan dat gezanik van plichten jegens mijn gezin! Daarover moet ik met Katrine spreken; zij is veel beter thuis in zulke zaken dan ik.

M. KIIL. Dat is best; luister maar naar den raad van een verstandige vrouw.

DR. STOCKMANN (loopt op hem toe). Dat u toch ook zoo iets stoms kon doen! Katrine's geld op het spel te zetten; mij in zoo'n afschuwelijk pijnlijke positie te brengen! Als ik u aanzie is het of ik den duivel in eigen persoon voor mij heb…!

M. KIIL. Dan is 't maar beter dat ik wegga. Maar voor twee uur wil ik je antwoord hebben. Ja of neen. Is het neen, dan komen de aandeelen aan het gesticht,… en dat van daag nog.

DR. STOCKMANN. En wat krijgt Katrine dan?

M. KIIL. Geen cent!

(De deur van de voorkamer wordt geopend. Hovstad en Aslaksen ziet men daarbuiten staan.)

M. KIIL. Neen, kijk die twee daar eens!

DR. STOCKMANN (staart hen aan). Wat is dat? Waagt u het nog hier bij mij te komen?

HOVSTAD. Ja, wij zijn zoo vrij.

ASLAKSEN. Wij zouden u graag over iets willen spreken, ziet u.

M. KIIL (fluistert). Voor twee uur … ja of neen!

ASLAKSEN (met een blik naar Hovstad). Aha!

(Morten Kiil gaat heen).

DR. STOCKMANN. Nu, wat had u mij te zeggen? Maakt het kort.

HOVSTAD. Ik begrijp heel goed dat u iets tegen ons heeft, van wege onze houding gisteren avond.

DR. STOCKMANN. Noemt u dat een houding? Ja, het was een prachtige houding! Ik noem dat geen houding … oude-wijfachtig…. Bah, 't is schande!

HOVSTAD. Noem het zooals u wil; maar wij konden niet anders.

DR. STOCKMANN. U durfde zeker niet anders? Is het dat niet?

HOVSTAD. Ja, als u wil.

ASLAKSEN. Maar waarom liet u er vooruit niet een woordje over los? Alleen zoo maar een wenk tegen mijnheer Hovstad of mij.

DR. STOCKMANN. Een wenk? Waarover?

ASLAKSEN. Over dat wat er achter stak.

DR. STOCKMANN. Ik begrijp u heelemaal niet.

ASLAKSEN (knikt vertrouwelijk). Och ja, dokter, u begrijpt ons best.

HOVSTAD. Nu is toch langer niets verborgen te houden.

DR. STOCKMANN (kijkt van den een naar den ander). Ja maar, wat bliksem nog toe…!

ASLAKSEN. Mag ik vragen … gaat uw schoonvader de stad niet rond om alle aandeelen in de badinrichting op te koopen?

DR. STOCKMANN. Ja, van daag heeft hij aandeelen opgekocht, maar…?

ASLAKSEN. Het was verstandiger geweest als u dat door een ander had laten doen, iemand die u niet zoo na stond.

HOVSTAD. En dan had u ook niet onder uw eigen naam moeten optreden. Niemand hoefde toch te weten dat de aanval op de badinrichting van u uitging. U had mij om raad moeten vragen, dokter.

DR. STOCKMANN (kijkt voor zich; er schijnt hem een licht op te gaan en hij zegt alsof hij uit de lucht komt vallen). Is zoo iets denkbaar! Is zoo iets mogelijk?

ASLAKSEN. Dat blijkt toch dat het mogelijk is. Maar ziet u, het had beter overlegd moeten worden.

HOVSTAD. En dan hadden er ook meer personen in betrokken moeten worden; want de verantwoordelijkheid wordt altijd geringer voor iemand wanneer er nog anderen bij zijn.

DR. STOCKMANN (kalm). Kort en goed, heeren … wat wil u eigenlijk?

ASLAKSEN. Dat kan mijnheer Hovstad beter….

HOVSTAD. Neen, zeg jij het maar, Aslaksen.

ASLAKSEN. Nu ja, het is dit: dat wij, nu wij weten hoe alles in elkaar zit, wel zouden meenen dat wij de "Volksbode" ter uwer beschikking durven stellen.

DR. STOCKMANN. Durft u dat nu? Maar de publieke opinie dan? Is u niet bang dat er een storm tegen ons zal opgaan?

HOVSTAD. Wij zouden voor den wind wegzeilen.

ASLAKSEN. En dan moet de dokter zich handig in het laveeren betoonen. Zoodra uw aanval gewerkt heeft….

DR. STOCKMANN. Zoodra mijn schoonvader en ik de aandeelen in handen hebben tegen lagen prijs, bedoelt u…?

HOVSTAD. Het zijn toch wel hoofdzakelijk wetenschappelijke redenen, die u drijven om de leiding van de badinrichting in handen te krijgen.

DR. STOCKMANN. Natuurlijk; het waren wetenschappelijke redenen waarom ik den ouden das zocht te bewegen met mij mee te doen in dit geval. En dan repareeren wij de badinrichting een beetje, en graven den boel een beetje weg aan het strand, zonder dat het de gemeentekas een cent kost. Zou u niet denken dat dat ging? He?

HOVSTAD. Ik denk het wel … als u de "Volksbode" op uw hand heeft.

ASLAKSEN. In een vrije maatschappij is de pers een macht, dokter.

DR. STOCKMANN. Jawel; en ook de algemeene opinie is dat wel; en u, mijnheer Aslaksen, u neemt dan zeker den Bond van Huiseigenaren wel op uw geweten?

ASLAKSEN. Allebei, den Bond van Huiseigenaren en het Matigheidsgenootschap. Daarop kan u gerust zijn.

DR. STOCKMANN. Maar heeren … ja ik schaam mij haast om er naar te vragen; maar, welke vergoeding…?

HOVSTAD. Het liefst zouden wij u geheel belangeloos helpen, dat begrijpt u wel. Maar de "Volksbode" staat zwak; het gaat niet best; en de uitgaaf van het blad te staken nu er zoo veel te doen is in de groote politiek, daartoe kan ik zoo heel moeilijk besluiten.

DR. STOCKMANN. Dat spreekt; een volksvriend als u zou dat al heel hard moeten vallen. (Opstuivend). Maar ik, ik ben een vijand van het volk! (loopt rond in de kamer). Waar is mijn stok? Wat bliksem, waar is dan toch mijn stok?

HOVSTAD. Wat beduidt dat?

ASLAKSEN. U wilt toch niet…?

DR. STOCKMANN (blijft staan). En als ik u nu eens geen cent gaf van al mijn aandeelen? Wij zijn zoo los niet met geld, wij rijke lui, dat moet u bedenken.

HOVSTAD. En u moet bedenken dat die zaak met de aandeelen op tweeerlei wijze voorgesteld kan worden.

DR. STOCKMANN. Ja, daar is u juist de man voor; als ik de "Volksbode" niet te hulp kom, dan krijgt u zeker een leelijken kijk op de zaak, dan maakt u jacht op mij … denk ik … zet mij na … tracht mij te wurgen, zooals de hond den haas de strot afbijt.

HOVSTAD. Dat is natuurwet; ieder dier zoekt het voedsel dat hem past.

ASLAKSEN. Een mensch moet zijn voedsel nemen waar hij het vindt, ziet u.

DR. STOCKMANN. Zie dan of je wat vinden kunt buiten in de goot! (loopt rond te zoeken in de kamer). Want nu zal het voor den donder dan blijken wie van ons drieen het sterkste dier is. (Grijpt zijn parapluie en zwaait er mee). Hei daar … past op je tellen!

HOVSTAD. U zal zich toch niet aan ons vergrijpen!

ASLAKSEN. Neem u in acht met die parapluie!

DR. STOCKMANN. Het raam uit, jij Hovstad!

HOVSTAD (naar de deur van de voorkamer). Maar is u nu heelemaal krankzinnig.

DR. STOCKMANN. Het raam uit, Aslaksen! Spring, zeg ik je! En een beetje gauw ook!

ASLAKSEN (loopt rond om de schrijftafel). Maat houden, dokter; ik ben geen sterk mensch; ik kan zoo weinig verdragen…. (schreeuwt) help! help!

(Mevr. Stockmann, Petra en kapitein Horster komen uit de huiskamer).

MEVR. STOCKMANN. Maar lieve Hemel, Thomas, wat is hier te doen?

DR. STOCKMANN (zwaait met de parapluie). Er uit, zeg ik! In de goot met jullie!

HOVSTAD. Aanval op een weerlooze! Ik neem u tot getuige, kapitein Horster (hij ontkomt door de voorkamer).

ASLAKSEN (radeloos). Als ik maar op de hoogte was van de lokaliteit hier … (sluipt weg door de huiskamer).

MEVR. STOCKMANN (houdt den dokter vast). Maar beheersch je dan toch, Thomas!

DR. STOCKMANN (gooit de parapluie weg). Nou zijn ze me waarachtig toch nog ontloopen!

MEVR. STOCKMANN. Maar wat wilden ze dan toch?

DR. STOCKMANN. Dat zal ik je straks zeggen; nu moet ik aan andere dingen denken (gaat naar de tafel en schrijft op een visitekaartje). Kijk eens hier, Katrine, wat staat daar?

MEVR. STOCKMANN. Drie groote "neens"; wat beteekent dat?

DR. STOCKMANN. Dat zal ik je ook straks zeggen (reikt Petra het kaartje toe). Daar, Petra, laat de smeerpoets zoo gauw ze kan hiermee naar den das loopen. Gauw wat! (Petra gaat met het kaartje door de voorkamer).

DR. STOCKMANN. Als ik van daag niet alle mogelijke afgezanten uit de hel bij mij heb gehad, dan weet ik het niet. Maar nu zal ik mijn pen ook zoo scherpen tegen hen, dat ze wordt als een vlijm; in gif en gal zal ik ze doopen; ik zal hun mijn heelen inktpot naar den kop smijten!

MEVR. STOCKMANN. Ja maar, Thomas, we gaan immers weg?

(Petra komt terug).

DR. STOCKMANN. Wel?

PETRA. Al bezorgd.

DR. STOCKMANN. Best…. Weggaan, zeg je? Neen, om de bliksem niet! Wij blijven waar wij zijn Katrine!

PETRA. Blijven we hier?

MEVR. STOCKMANN. Hier in de stad?

DR. STOCKMANN. Ja, hier; juist hier; hier is het slagveld; hier wordt de slag geleverd; hier wil ik overwinnen! Als mijn broek nu maar weer gelapt is, dan ga ik uit om een huis te zoeken; we moeten toch een dak boven ons hoofd hebben van den winter.

HORSTER. Dat kan u bij mij krijgen.

DR. STOCKMANN. Kan dat?

HORSTER. Ja, dat kan best; ik heb ruimte genoeg, en ik ben haast nooit thuis.

MEVR. STOCKMANN. O, wat is dat lief van u, kapitein!

PETRA. Dank u!

DR. STOCKMANN (schudt hem de hand). Dankje, dankje! Dus van die zorg zijn we bevrijd. En nu ga ik van daag al in vollen ernst aan het werk. Och, Katrine, er is hier zoo oneindig veel op te ruimen! Hoe heerlijk dat ik nu zoo heelemaal over mijn tijd beschikken kan. Ja, want dat 's waar ook, ik heb mijn ontslag van de baddirectie, moet je weten….

MEVR. STOCKMANN (zuchtend). Och ja, dat verwachtte ik wel.

DR. STOCKMANN. … en mijn praktijk willen ze mij ook afnemen. Maar laat ze maar begaan. De arme lui houd ik in elk geval, die niets kunnen betalen; en lieve God, die zijn het toch die mij het meest noodig hebben. Maar hooren wat ik te zeggen heb, zullen ze, voor den donder; ik zal voor hen preeken bij tijd en ontijd, zooals ergens geschreven staat.

MEVR. STOCKMANN. Maar, Thomas-lief, je hebt nu gezien welk nut dat preeken heeft, dunkt mij.

DR. STOCKMANN. Je bent heusch komiek, Katrine. Moest ik mij misschien uit het veld laten slaan door de publieke opinie en de compacte meerderheid en dergelijk duivelstuig? Neen, dank je wel! En dat wat ik wil is immers zoo eenvoudig en helder en zoo klaar als de dag. Ik wil die straathonden alleen maar inpompen dat de liberalen de gemeenste vijanden zijn van de vrijheidsmannen … dat partijleuzen alle jonge levensvatbare waarheden den nek omdraaien, dat utiliteits-overwegingen alle moraal en rechtschapenheid onderste boven keeren, zoodat het leven hier ten slotte een gruwel wordt. Gelooft u niet, kapitein, dat ik dat de menschen nog wel begrijpelijk zal kunnen maken?

HORSTER. Misschien wel; ik heb er niet veel verstand van.

DR. STOCKMANN. Ja, ziet u,… let nu eens op! Het zijn de hoofden der partijen die uitgeroeid moeten worden. Want een partijhoofd is net als een wolf, ziet u,… als een hongerige izegrim … hij heeft ieder jaar zoo-en-zooveel stuks klein vee noodig om te kunnen bestaan. Kijk nu maar eens naar Hovstad en Aslaksen! Hoeveel klein vee maken alleen die twee al niet dood; of ze verminken het en bederven het zoo, dat ze nooit meer iets anders kunnen worden dan abonne's op de "Volksbode"! (gaat op den rand van de tafel zitten). Zeg, Katrine, kom eens hier,… kijk eens hoe mooi de zon hier in schijnt van daag. En die heerlijke lentelucht die naar binnen stroomt!

MEVR. STOCKMANN. Ja, als we maar van zonneschijn en lentelucht konden leven, Thomas!

DR. STOCKMANN. Nou, je moet maar zuinig zijn en sparen, dan gaat het wel. Dat is mijn minste zorg. Neen, wat erger is, dat is dat ik geen enkel man ken, vrij en voornaam genoeg, om den moed te hebben na mijn dood mijn werk voort te zetten.

PETRA. O vader, daar mag je niet aan denken! Je hebt nog tijd genoeg voor je…. Kijk, daar zijn de jongens ook al.

(Ejlif en Morten komen uit de huiskamer).

MEVR. STOCKMANN. Heb je vrijaf gekregen van daag?

MORTEN. Neen; maar we hebben gevochten met de anderen in den vrijen tijd….

EJLIF. Dat is niet waar; het waren de anderen die met ons begonnen te vechten.

MORTEN. Ja, en toen zei mijnheer Roerlund dat wij beter deden eenige dagen thuis te blijven.

DR. STOCKMANN (knipt met de vingers en springt van de tafel af). Nu heb ik het! Nu heb ik het, bij mijn ziel! Jullie zult nooit weer een voet in de school zetten!

De jongens. Niet meer naar school?

MEVR. STOCKMANN. Neen maar, Thomas….

DR. STOCKMANN. Nooit meer, zeg ik je! Ik zelf zal jullie onderwijzen … dat is te zeggen jullie zult niet zoo maar gewone dingen leeren….

MORTEN. Hoera!

DR. STOCKMANN. … maar ik zal jullie tot vrije voorname mannen maken…. En jij, Petra, jij moet mij daarbij helpen.

PETRA. Ja vader, daarop kan je rekenen.

DR. STOCKMANN. En wij zullen school houden in de zaal, waar zij mij voor een volksvijand hebben uitgescholden. Maar er moeten er nog meer zijn. Ik moet ten minste twaalf jongens hebben om mee te beginnen.

MEVR. STOCKMANN. Die krijg je hier in de stad stellig niet bij elkaar.

DR. STOCKMANN. Dat zullen wij eens zien (tegen de jongens). Kennen jullie niet een paar straatjongens?… zoo'n paar echte schooiers?…

MORTEN. Jawel, vader, ik ken er een heeleboel.

DR. STOCKMANN. Mooi zoo; breng er mij dan maar een stuk of wat hier. Ik zal eens eenige proeven nemen op straathonden … soms zijn er merkwaardige koppen onder.

MORTEN. Maar wat moeten wij dan doen als wij eenmaal vrije en voorname mannen zijn geworden?

DR. STOCKMANN. Dan moeten jullie alle izegrims naar het verre Westen jagen, jongens!

(Ejlif kijkt een beetje bedenkelijk; Morten springt in de rondte en roept hoera).

MEVR. STOCKMANN. Och, als het de izegrims maar niet zijn die jou wegjagen, Thomas!

DR. STOCKMANN. Mij wegjagen! Nu, nu ik de sterkste man van de heele stad ben!

MEVR. STOCKMANN. De sterkste … nu?

DR. STOCKMANN. Ja, dat groote woord durf ik nu uit te spreken, dat ik nu een van de sterkste mannen van de wereld ben.

MORTEN. Neen toch?

DR. STOCKMANN (spreekt zachter). Stil; je moet er nog niet over spreken; maar ik heb een groote ontdekking gedaan.

MEVR. STOCKMANN. Alweer een?

DR. STOCKMANN. Zeker, zeker! (haalt hen dicht om zich heen en zegt vertrouwelijk). De zaak is, zie je, dat hij de sterkste man ter wereld is, die alleen staat.

MEVR. STOCKMANN (glimlacht en schudt 't hoofd). Och, Thomas-lief…!

PETRA (troostend, vat zijn hand). Vader!

EINDE VAN HET VIJFDE OF LAATSTE BEDRIJF.

* * * * *

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings