HENRIK IBSEN (continued 2)
J. Clant van der Mijll-Piepers translation
[48] Meewerking aan den tijd.—Vgl. brief aan E. Gosse, 14 Octob. 1872.
[49] Distantie.—Vgl. brief aan Magd. Thorensen, 3 December 1865.
[50] Het grote gebeuren tusschen 1864 en 1871.—Vgl. brief aan J. Hoffory. 26 Febr. 1888.
[51] Determinisme.—Hierbij mag ook de directe invloed van H. Taine niet onopgemerkt blijven, met wiens werk Ibsen door G. Brandes bekend werd.
[52] Midden onder zijn groote werk.—Het eerste plan van het Verbond der Jeugd dagteekent denkelijk van 1874, vgl. den brief van 16 Sept. 1864 aan Bjoernson en de aanteekening daarop Ibsen's Saemmtl. Werke. X p. 428.
[53] Het Verbond der Jeugd een inleiding.—Vgl. A. Kerr. Das neue Drama, p. 16-18.
[54] In 1885_zeide Ibsen_.—Vgl. L. Kieler. Silhouetter. p. 12.
[55] De Wilde Eend.—Voor de juiste opvatting van dit drama (de beschouwing heeft haar oorsprong in den naasten kring van Ibsen), vgl. H. Jaeger. H. Ibsen og hans vaerker. En fremstilling i grundrids. p. 176 vv. Zie ook van mijn hand Poezie en Leven in de 19e eeuw. p. 359 vv.
[56] Rosmersholm.—Vgl. A. v. Berger. Studien en Kritiken p. 214 vv. en het hierboven aangehaalde Poezie en Leven p. 370 vv.
[57] Bevrijding.—Vgl. Lou Andreas Salome. H. Ibsen's Frauengestalten.
[58] Sinding.—Vergelijking van Sinding met Rodin in M. Bigeon. Les revoltes Scandinaves, p. 83.
[59] Noorsche naieveteit.—Vgl. L. Kieler l.l.
[60] De symbolische werken hebben overal heen betrekkingen.—Vgl. b.v. H. Dikmar's studie over Ibsen's Bygmester Solness in To literaere Studier. Kristiania 1894 en E. Holm. H. Ibsen's politisches Vermaechtnisz. Wien, 1906.
[61] De Comedie der Liefde als een voorlooper van Brand.—Vgl. brief aan T. Hegel van 31 Augustus 1866.
[62] Julianus de Afvallige.—Vgl. brief aan L. Daae, 23 Februari 1873: (Duitsche uitg.) "Im Charakter Julians findet sich mehr geistig Durchlebtes, als ich dem Publikum gegenueber verantworten moechte."
* * * * *
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ
TOONEELSPEL IN VIER BEDRIJVEN
* * * * *
PERSONEN:
KARSTEN BERNICK, Consul. BETTY, zijn vrouw. OLAF, hun zoon dertien jaar oud. MARTHA BERNICK, zuster van den consul. JOHAN TOeNNESEN, jongere broer van mevrouw Bernick. LONA HESSEL, haar oudere halve-zuster. HILMAR TOeNNESEN, neef van mevrouw Bernick. ROeRLUND, hulpprediker. RUMMEL, groothandelaar. VIGELAND en SANDSTAD, kooplieden. DINA DORF, een jong meisje bij Bernick in huis. KRAP, procuratiehouder van Bernick. AUNE, scheepsbouwmeester. Mevrouw RUMMEL. Mevrouw HOLT, vrouw van den postdirecteur. Mevrouw LYNGE, vrouw van den dokter. HILDA RUMMEL. NETTA HOLT.
Burgers en andere inwoners, vreemde zeelui, stoomboot-passagiers enz.
Het stuk speelt in een klein Noorsch havenstadje, in het huis van den heer Bernick.
* * * * *
EERSTE BEDRIJF
Een ruime tuinkamer in het huis van consul Bernick. Links op den voorgrond een deur leidend naar de kamer van den consul; wat verder aan denzelfden wand een dergelijke deur. In 't midden van den tegenovergestelden wand een groote entree-deur. De achterwand is bijna geheel van spiegelglas met een openstaande deur die naar een breede tuintrap leidt, waarover een zonnescherm gespannen is. Onder aan de trap is een gedeelte van den tuin zichtbaar, omheind door een hekje dat een uitgang heeft. Buiten langs het hekje loopt een straat, die aan den overkant bebouwd is met kleine in lichte kleuren geverfde houten huizen. Het is zomer en de zon schijnt warm. Enkele menschen gaan nu en dan voorbij in de straat; zij blijven staan en praten samen; in een winkel op den hoek worden klanten bediend, enz. enz.
Binnen in de tuinkamer zit rondom de tafel een gezelschap dames. In het midden zit mevrouw Bernick. Aan haar linkerkant zit mevr. Holt met haar dochter; daarnaast mevr. Rummel en haar dochter. Rechts van mevr. Bernick zitten mevr. Lynge, Martha Bernick en Dina Dorf. Alle dames houden zich bezig met een handwerk. Op de tafel liggen groote stapels halfgereed of geknipt linnengoed en andere kleeren. Wat verder weg bij een klein tafeltje waarop twee bloempotten en een glas suikerwater staan, zit Roerlund en leest voor uit een verguld-op-snee-gebonden boek, doch zoo dat maar enkele woorden voor de toeschouwers verstaanbaar zijn. Buiten in den tuin loop Olaf rond en schiet af en toe met een boog.
Een beetje later komt Aune zachtjes binnen door de deur rechts. Dat brengt een beetje stoornis in het voorlezen; mevr. Bernick knikt hem toe en wijst naar de deur links. Aune gaat er zachtjes heen en klopt een paar keer met eenige tusschenruimte op de deur van Bernick's kamer. Krap komt met zijn hoed in de hand en stukken onder den arm er uit.
* * * * *
KRAP. O, ben jij het die klopt?
AUNE. Mijnheer Bernick heeft om me gezonden.
KRAP. Dat heeft hij ook; maar hij kan je niet ontvangen. Hij heeft mij opgedragen….
AUNE. U? Ik wou nog liever!
KRAP. … mij opgedragen het je te zeggen. Je moet ophouden met die Zaterdag-avonds-voordrachten voor de werklui.
AUNE. Zoo? Ik zou toch denken dat ik mijn eigen vrijen tijd mocht gebruiken….
KRAP. Je mag niet je vrijen tijd gebruiken om de menschen onbruikbaar te maken in hun werkuren. Verleden Zaterdag heb je gesproken over de schade die de werklui zullen lijden door onze nieuwe machines en door de nieuwe methode van werken op de werf. Waarom doe je dat?
AUNE. Dat doe ik om de maatschappij te steunen.
KRAP. Dat is zonderling! De consul zegt juist dat zoo iets de maatschappij onderste boven gooit!
AUNE. Mijn maatschappij is niet die van den heer Bernick, meneer Krap. Als president van den werkliedenbond moet ik….
KRAP. Je bent in de allereerste plaats meesterknecht op de werf van den heer Bernick. Je hebt in de allereerste plaats je plicht te doen jegens den bond genaamd "de firma Bernick", want daarvan leven wij allemaal…. Ziezoo, nu weet je wat de consul je te zeggen had.
AUNE. De consul zou het niet op die manier gezegd hebben, meneer Krap! Maar ik begrijp best aan wien ik dit te danken heb … aan dien vervloekten Amerikaan die hier in reparatie ligt. De menschen willen dat hier net zoo gewerkt zal worden als zij daarginder gewend zijn, en dat….
KRAP. Nou ja, hoor … met die praatjes kan ik me niet inlaten. Je weet nu hoe mijnheer Bernick er over denkt, en dus basta! Ga nu alsjeblieft naar de werf terug, ze kunnen je daar noodig hebben; ik kom zelf straks ook. Excuseert dames! (Hij groet en gaat door den tuin de straat op. Aune gaat stil naar rechts. Roerlund, die gedurende dit op gedempten toon gevoerde gesprek is blijven doorlezen, heeft even daarna het boek uit en slaat het dicht).
ROeRLUND. Ziezoo, lieve toehoorderessen, hiermee is het uit.
MEVR. RUMMEL. Och, wat een leerrijk verhaal!
MEVR. HOLT. En zoo stichtelijk!
MEVR. BERNICK. Zoo'n boek geeft waarlijk heel wat om over na te denken.
ROeRLUND. O ja; het is een weldadige tegenhanger van al de dingen, die wij helaas, iederen dag zoowel in couranten als tijdschriften te lezen krijgen. Die vergulde en geblankette buitenzijde die de groote maatschappij ten toon stelt, wat verbergt die eigenlijk? Leegheid en verrotting als ik het zoo zeggen mag. Daar is heelemaal geen moreele vaste ondergrond onder de voeten. In een woord, het is een gepleisterd graf, die groote hedendaagsche maatschappij.
MEVR. HOLT. Ja … dat is maar al te waar.
MEVR. RUMMEL. Wij hoeven alleen maar te zien naar de Amerikaansche zeelui, die tegenwoordig hier in de haven liggen.
ROeRLUND. Och, van zulk uitschot der menschheid wil ik niet eens spreken. Maar zelfs in de hoogere kringen … hoe is het daar gesteld? Twijfel en gisting overal; onrust in de gemoederen en onvastheid in alle verhoudingen. Wat is het familieleven niet ondermijnd daarginder. Wat een dringen en drijven om zelfs de hoogste waarheden onderste boven te halen.
DINA (zonder op te zien). Maar gebeuren daar ook niet wel groote dingen?
ROeRLUND. Groote dingen…? Ik begrijp niet….
MEVR. HOLT (verbaasd). Maar lieve hemel, Dina…!
MEVR. RUMMEL (tegelijkertijd). Maar Dina, hoe verzin je 't…?
ROeRLUND. Ik zou het niet als een geluk beschouwen als zulk soort van dingen hier ook gebeurden. Neen, dan mogen wij God nog wel danken dat het hier is zooals het is. Wel groeit ook hier helaas veel onkruid onder de tarwe, maar wij doen toch braaf ons best om dat zoo goed mogelijk uit te roeien. Het komt er op aan, dames, al het onreine en verderfelijke ver van ons te houden, dat een onrustige tijd ons wil opdringen.
MEVR. HOLT. En daarvan is hier ook al meer dan genoeg, helaas!
MEVR. RUMMEL. Ja, 't heeft verleden jaar toch maar een haartje gescheeld of wij hadden hier ook al een spoorweg gekregen.
MEVR. BERNICK. Dat heeft Bernick gelukkig nog kunnen tegenhouden.
ROeRLUND. De Voorzienigheid, mevrouw. U kan er van overtuigd zijn, dat uw man het werktuig was in de hand van een Hoogere Macht, toen hij weigerde zich met die zaak in te laten.
MEVR. BERNICK. En toch werd hij zoo aangevallen in de couranten. Maar wij vergeten heelemaal u te bedanken, mijnheer Roerlund. Het is waarlijk meer dan vriendelijk van u ons zooveel van uw kostbaren tijd te geven.
ROeRLUND. Geen kwestie van … nu in de vacantie….
MEVR. BERNICK. Nu ja … maar het is toch heusch wel een offer….
ROeRLUND (haalt zijn stoel dichterbij). Spreek daar toch nooit van, lieve mevrouw. Brengt u niet allemaal een offer ter wille van een goede zaak? Of brengt u het soms niet gewillig en blijmoedig? Deze moreel-verdorvenen, aan wier verbetering wij arbeiden, zijn te beschouwen als gewonde soldaten op een slagveld. U, dames, zijt allemaal de diaconessen, de liefdezusters die pluksel maken voor de arme ongelukkigen, met zachte hand verbanden aanlegt om de wonden, ze verpleegt en geneest.
MEVR. BERNICK. Het moet toch wel een hemelsche gaaf zijn om alles in zoo'n mooi licht te kunnen zien.
ROeRLUND. Veel is er in zoo iets aangeboren, maar veel kan men ook verwerven. 't Komt er maar op aan de dingen te zien in het licht van een ernstigen levenstaak. Wat zegt u er van, juffrouw Bernick? Vindt u niet dat u om zoo te zeggen op een steviger grondslag staat, sedert u zich wijdt aan de school?
MARTHA. Och, ik weet eigenlijk niet wat ik zeggen moet. Soms als ik daarginder de school binnenga, wou ik dat ik ver weg was op de wilde zee.
ROeRLUND. Ach ja, dat zijn de booze aanvechtingen, lieve juffrouw. Maar voor dergelijke onstuimige gasten moeten wij onze deur streng gesloten houden. De wilde zee … dat meent u natuurlijk niet letterlijk; u bedoelt de groote golvende menschenwereld daarbuiten, waar zoo velen te gronde gaan. En hecht u dan waarlijk zooveel waarde aan dat leven dat u daarginder hoort bruisen en ruischen? Kijk eens op straat. Daar loopen de menschen zweetend en zwoegend in de brandende zon en maken het zich druk met al hun zaken. Neen, dan hebben wij het toch heusch beter, wij, die hier in de koelte zitten en onzen rug kunnen keeren naar den kant van waar de moeilijkheden komen….
MARTHA. Och Heer, ja, u heeft stellig wel gelijk….
ROeRLUND. En in een huis als dit … in een goed en rein thuis, waar het familieleven zich in zijn mooiste gestalte vertoont … waar vrede en eendracht wonen…. (tegen mevrouw Bernick) Waar luistert u naar, mevrouw?
MEVR. BERNICK (naar de eerste deur links gewend). Wat praten ze hard daar in de kamer.
ROeRLUND. Is er dan iets bizonders gaande?
MEVR. BERNICK. Ik weet 't niet. Maar ik hoor dat er iemand bij mijn man is.
(Hilmar Toennesen, met een sigaar in den mond, komt uit de deur rechts … hij blijft staan als hij al die dames ziet).
HILMAR. O, pardon…. (wil zich terugtrekken)
MEVR. BERNICK. Neen Hilmar, kom maar hier, je hindert ons niet. Wou je iets?
HILMAR. Neen, ik kwam maar eens kijken. Goeden morgen, dames (tegen mevr. Bernick). Nou, wat komt er nu van?
MEVR. BERNICK. Waarvan?
HILMAR. Wel, Bernick heeft immers een vergadering bij elkaar getrommeld.
MEVR. BERNICK. Zoo? Maar wat is er dan eigenlijk aan de hand?
HILMAR. Och, 't is dat gezanik weer over dien spoorweg.
MEVR. RUMMEL. Neen … maar dat kan toch niet!
MEVR. BERNICK. Die arme Karsten, moet hij daar nu nog al meer onaangenaamheden over hebben….
ROeRLUND. Maar hoe is dat mogelijk, mijnheer Toennesen? Consul Bernick heeft toch verleden jaar zoo duidelijk te kennen gegeven dat hij geen spoorweg wilde hebben.
HILMAR. Ja, dat dacht ik ook. Maar ik heb daar straks Krap ontmoet en die vertelde dat die spoorweghistorie weer op het tapijt was gebracht, en dat Bernick zou vergaderen met drie geldmannen uit de stad.
MEVR. RUMMEL. 't Wou mij ook al voorkomen of ik Rummel's stem zoo even hoorde.
HILMAR. Ja, mijnheer Rummel is er natuurlijk ook bij, en dan Sandstad van den Steenweg en Michel Vigeland … de "Heilige Michael" zooals ze hem noemen.
ROeRLUND. Hm….
HILMAR. Pardon, mijnheer Roerlund.
MEVR. BERNICK. En 't was hier nu juist zoo rustig en vredig.
HILMAR. Nou, wat dat betreft, ik heb er niets tegen dat ze weer eens een beetje beginnen te bakkeleien. Dat is ten minste nog eens een afleiding.
ROeRLUND. Mij dunkt zulk soort van afleidingen kunnen wij wel missen.
HILMAR. Dat is een kwestie van temperament. Sommige naturen hebben nu en dan eens een beetje opwekkenden strijd noodig. Maar zoo iets levert het kleine stadsleven helaas maar weinig op, en niet iedereen is het gegeven…. (hij bladert in het boek van Roerlund) "De vrouw als dienstbare in de Maatschappij". Wat is dat voor onzin?
MEVR. BERNICK. He, Hilmar, zeg dat nu niet. Je hebt zeker dat boek niet gelezen?
HILMAR. Neen, en ik ben ook heelemaal niet van plan het te doen.
MEVR. BERNICK. Je voelt je zeker niet erg lekker vandaag.
HILMAR. Neen, dat doe ik ook niet.
MEVR. BERNICK. Heb je misschien van nacht niet goed geslapen?
HILMAR. Neen, ik heb heel slecht geslapen. Ik wandelde nog een eindje om gisteren avond, voor mijn zenuwen; liep toen nog even op in de societeit en las daar een reisverhaal van de Noordpool. Dat is nog eens iets om een mensch te stalen, als je ze zoo volgt in hun strijd met de elementen.
MEVR. RUMMEL. Maar dat schijnt u toch niet goed bekomen te zijn, mijnheer Toennesen.
HILMAR. Neen, het is mij heel slecht bekomen. Ik heb mij den heelen nacht om-en-om gerold tusschen waken en slapen en droomde dat ik achterna gezeten werd door een afschuwelijken walrus.
OLAF. Is u nagezeten door een walrus, oom?
HILMAR. Dat heb ik gedroomd, jij domoor! Maar loop jij nou nog altijd te spelen met dien mallen boog? Waarom zie je toch niet een behoorlijk geweer te krijgen?
OLAF. Nou, ik zou wat graag willen, maar….
HILMAR. Want een geweer dat beteekent ten minste wat; daar is altijd iets spannends in als je vuren gaat.
OLAF. En dan zou ik beren kunnen gaan schieten, he oom? Maar dat mag ik toch niet van Papa.
MEVR. BERNICK. Je moet hem heusch niet zulke dingen in het hoofd praten, Hilmar.
HILMAR. Hm … een mooi geslacht dat ze opkweeken tegenwoordig! Maken ze me daar een groote drukte over allerlei lichaamsoefeningen … lieve god ja!… en 't is niets dan een spelletje. Nooit een ernstig streven naar dat echte stalende, dat er steekt in het manmoedig een gevaar te gemoet gaan. Sta daar niet zoo met dien boog naar me te wijzen, jij lummel, die kon wel eens losschieten.
OLAF. Neen oom, er is geen pijl op.
HILMAR. Dat kan je niet weten; er kan toch wel een pijl op zitten. Leg ze weg, zeg ik…. Wat drommel, waarom ben jij niet meegevaren naar Amerika met een van je vaders schepen? Daar kon je nog eens een buffeljacht of een gevecht met Indianen bijwonen misschien.
MEVR. BERNICK. Och maar, Hilmar….
OLAF. Nou, dat zou ik wat graag willen, oom; en misschien zou ik dan ook Johan en tante Lona ook wel ontmoeten.
HILMAR. Hm … nonsens.
MEVR. BERNICK. Olaf, je kunt nu wel weer in den tuin gaan.
OLAF. He Ma, mag ik ook op straat gaan?
MEVR. BERNICK. Ja, maar niet te ver weg. (Olaf loopt het hekje uit).
ROeRLUND. U moet dat kind niet zulke dwaasheden in het hoofd praten, mijnheer Toennesen.
HILMAR. Neen, natuurlijk niet. Hij moet zoet hier blijven bij moeders pappot, zooals zooveel anderen.
ROeRLUND. Maar waarom maakt u dan zelf die reis niet eens?
HILMAR. Ik? Met mijn zenuwlijden? Nou ja, dat spreekt, daar wordt hier niet veel notitie van genomen. Maar buitendien … een mensch heeft ook plichten in acht te nemen jegens de wereld waarin hij verkeert. Er dient toch wel iemand te zijn om de vaan der idee hoog te houden. He! wat schreeuwt hij weer!
DE DAMES. Wie schreeuwt er?
HILMAR. O dat weet ik niet. Ze praten een beetje erg hard daar binnen, en dat maakt mij zenuwachtig.
MEVR. RUMMEL. Dat zal mijn man wel zijn, mijnheer Toennesen. Maar weet u, hij is zoo gewend in groote vergaderingen te spreken….
ROeRLUND. De anderen praten nu ook zoo zachtjes niet, vind ik.
HILMAR. Neen, godbewaarme, als het er op aan komt de handen op de zakken te houden, dan…. Alles gaat hier immers op in kleine materieele berekeningen. Bah!
MEVR. BERNICK. Dat is in alle geval beter dan vroeger toen alles in plezier-maken opging.
MEVR. LYNGE. Was het hier heusch zoo erg vroeger?
MEVR. RUMMEL. O mevrouw, als u dat eens wist! U mag blij zijn dat u toen niet hier woonde.
MEVR. HOLT. Ja, hier is heel wat verandering gekomen! Als ik denk hoe het was in mijn meisjestijd….
MEVR. RUMMEL. O ga maar eens in gedachten een veertien, vijftien jaar terug. Lieve, goede hemel, wat een leven was dat! Toen bestonden nog de dansclub en de muziekvereeniging….
MARTHA. En het tooneelgezelschap. Dat herinner ik mij nog heel goed.
MEVR. RUMMEL. Ja, daar werd toen uw stuk gespeeld, mijnheer Toennesen.
HILMAR (gaat naar den achtergrond). Och wat!…
ROeRLUND. Een stuk van den student Toennesen?
MEVR. RUMMEL. Ja, dat was lang voor dat u hier kwam, mijnheer Roerlund. Maar het is maar een enkelen keer gespeeld.
MEVR. LYNGE. Heeft u mij niet verteld dat u in dat stuk de rol van de minnares gespeeld heeft, mevrouw Rummel?
MEVR. RUMMEL (kijkt op zij uit naar Roerlund). Ik? Dat herinner ik mij heusch niet meer, mevrouw. Maar ik herinner mij nog wel heel goed hoe vreeselijk veel er toen werd uitgegaan.
MEVR. HOLT. Ja, ik weet nog best in welke families er tweemaal in de week een groot diner was.
MEVR. LYNGE. En een rondreizend tooneelgezelschap is er ook eens geweest, heb ik gehoord.
MEVR. RUMMEL. Ja, dat was wel het allerergste!…
MEVR. HOLT (onrustig). Hum … hum….
MEVR. RUMMEL. O? Een tooneelgezelschap? Neen, daar weet ik niets meer van.
MEVR. LYNGE. Ja, de menschen moeten hier heel wat rare stukjes uitgehaald hebben. Wat waren dat eigenlijk voor histories?
MEVR. RUMMEL. Och, mevrouw, dat had eigenlijk niets te beduiden.
MEVR. HOLT. Lieve Dina, geef mij dat linnen eens aan.
MEVR. BERNICK (gelijktijdig). Beste Dina, ga eens vragen of Katrine de koffie brengen wil.
MARTHA. Ik ga met je mee, Dina. (Dina en Martha gaan weg door de laatste deur links).
MEVR. BERNICK (staat op). En ik moet u ook verzoeken mij even te verontschuldigen, dames; misschien kunnen wij aanstonds wel buiten koffie drinken. (Zij gaat de tuintrap af en dekt de tafel. Roerlund staat in de deur en praat met haar. Hilmar zit buiten te rooken).
MEVR. RUMMEL (zachtjes). Lieve hemel, mevrouw Lynge, wat heeft u mij doen schrikken!
MEVR. LYNGE. Ik?
MEVR. HOLT. Ja, maar u begon er toch zelf over, mevrouw Rummel.
MEVR. RUMMEL. Ik? Maar mevrouw Holt hoe kan u zoo iets zeggen? Ik heb toch geen enkel woord losgelaten.
MEVR. LYNGE. Maar wat is er dan toch?
MEVR. RUMMEL. Hoe kon u daar nu over praten…! Zag u dan niet dat Dina in de kamer was?
MEVR. LYNGE. Dina? Maar lieve hemel, is er dan iets gebeurd met …?
MEVR. HOLT. En hier in huis nog al! Weet u dan niet dat de broer van mevrouw Bernick…?
MEVR. LYNGE. Wat dan toch? Ik weet heelemaal niets; ik ben hier pas gekomen….
MEVR. RUMMEL. Heeft u niet gehoord dat…? Hm,… (tegen haar dochter). Hilda, jij moest maar eens een beetje in de tuin gaan.
MEVR. HOLT. En jij ook, Netta. En wees maar heel vriendelijk tegen die arme Dina als ze komt. (Beiden gaan de tuin in).
MEVR. LYNGE. En wat was er nu met dien broer van Mevrouw Bernick?
MEVR. RUMMEL. Weet u dan niet dat hij die leelijke geschiedenis heeft gehad?
MEVR. LYNGE (wijzend naar Hilmar). Heeft mijnheer Toennesen een leelijke geschiedenis gehad?
MEVR. RUMMEL. Och, welneen; dit is immers haar neef. Ik spreek van haar broer….
MEVR. HOLT. … den verongelukten Toennesen….
MEVR. RUMMEL. Johan heette hij. Hij ging naar Amerika….
MEVR. HOLT. Hij moest naar Amerika … begrijpt u?
MEVR. LYNGE. En had hij nu die leelijke historie?
MEVR. RUMMEL. Ja, het was iets … hoe zal ik het noemen…? Het was iets met Dina's moeder. O, ik weet 't nog of het gisteren was. Johan Toennesen was toen op het kantoor bij de oude mevrouw Bernick. Karsten Bernick was pas van Parijs teruggekomen … was nog niet eens geengageerd….
MEVR. LYNGE. Nou ja … maar die geschiedenis?
MEVR. RUMMEL. Ja, ziet u … dien winter was het tooneelgezelschap van Moeller hier in de stad….
MEVR. HOLT. … en bij dat gezelschap was de acteur Dorf met zijn vrouw. Al de jongelui hier waren dol op haar….
MEVR. RUMMEL. Ja, hoe 't mogelijk was dat ze die mooi vonden…. Maar op een keer komt Dorf 's avonds laat thuis….
MEVR. HOLT. … heel onverwacht….
MEVR. RUMMEL. … en vindt daar … neen dat kan ik u heusch niet vertellen!
MEVR. HOLT. Maar mevrouw, hij vond niemendal, want de deur was van binnen gesloten.
MEVR. RUMMEL. Nou ja, dat is net wat ik zeg; hij vond de deur gesloten. En hij die binnen was, u begrijpt me wel, moest uit het raam springen.
MEVR. HOLT. Heelemaal boven uit een zolderraam!
MEVR. LYNGE. En was dat de broer van mevrouw Bernick?
MEVR. RUMMEL. Ja zeker, die was het.
MEVR. LYNGE. En is hij toen naar Amerika gegaan?
MEVR. HOLT. Ja, dat moest hij toen wel doen, dat begrijpt u.
MEVR. RUMMEL. Want achterna werd er iets ontdekt, dat al haast even erg was. Verbeeld u, hij had de kas bestolen….
MEVR. HOLT. Ja maar, daar weet men het rechte niet van, mevrouw Rummel; dat zijn misschien maar praatjes geweest.
MEVR. RUMMEL. Neen maar, dat is nu ook! Was het dan niet bekend in de heele stad? Is de oude mevrouw Bernick daardoor niet bijna failliet gegaan? Dat heeft Rummel me zelf verteld. Maar ik zal er wel zalig over zwijgen….
MEVR. HOLT. Nou, madam Dorf kreeg in elk geval het geld niet, want zij….
MEVR. LYNGE. Ja, hoe liep dat toen af tusschen Dina's ouders?
MEVR. RUMMEL. Wel, Dorf liet zijn vrouw en kind in den steek. Maar dat mensch was zoo brutaal om nog een heel jaar hier te blijven. Op het tooneel durfde zij zich niet meer te vertoonen. Eerst is ze gaan wasschen en naaien voor den kost….
MEVR. HOLT. En toen heeft ze geprobeerd om danslessen te geven.
MEVR. RUMMEL. Maar dat ging natuurlijk ook niet. Welke ouders zouden hun kinderen aan zoo'n schepsel willen toevertrouwen? Maar het duurde ook niet lang meer met haar; die fijne madam was niet gewend te werken. Zij kreeg het op de borst en stierf.
MEVR. LYNGE. He, dat zijn echt leelijke histories!
MEVR. RUMMEL. U kan begrijpen hoe naar dat allemaal was voor de Bernicks. Dat is de donkere vlek in hun gelukszon, zooals Rummel het eens uitdrukte. Daarom moet u maar nooit hier in huis er over spreken, mevrouw Lynge.
MEVR. HOLT. En ook alsjeblieft niet over haar halve zuster!
MEVR. LYNGE. Zoo? heeft mevrouw Bernick ook nog een halve zuster?
MEVR. RUMMEL. Gehad … gelukkig! Want nu is alle betrekking met haar afgebroken. Ja, dat was me ook een mooie! Stel u voor, die liep met kortgeknipte haren en hooge heerenlaarzen als 't vuil weer was!
MEVR. HOLT. En toen die halve broer van haar, dat ongeluk, er nu van doorgegaan was, en de heele stad natuurlijk diep verontwaardigd was over hem, weet u wat zij toen deed? Toen is ze hem nagereisd!
MEVR. RUMMEL. O, maar dat schandaal dat zij gemaakt heeft nog eer ze weg ging, mevrouw Holt!
MEVR. HOLT. Sst, praat daar toch niet van.
MEVR. LYNGE. Gut, maakte zij ook al schandaal?
MEVR. RUMMEL. Neen maar, dat moet u hooren, lieve mevrouw. Bernick was net geengageerd met Betty Toennesen; en zoo als hij met haar aan zijn arm bij haar tante komt om zijn meisje te presenteeren….
MEVR HOLT. … staat Lona Hessel op van haar stoel, en geeft den knappen, fijngemanierden Karsten Bernick een oorvijg, dat hij suizebolde.
MEVR. LYNGE. Neen maar heb je nu ooit!
MEVR. HOLT. Ja, het is heusch waar.
MEVR. RUMMEL. En toen pakte zij haar koffer en vertrok naar Amerika.
MEVR. LYNGE. Maar dan had ze misschien zelf een goed oogje op hem gehad?
MEVR. RUMMEL. Ja natuurlijk, dat begrijpt u wel. Zij had zich verbeeld dat hij met haar trouwen zou als hij terugkwam uit Parijs.
MEVR. HOLT. Ja verbeeld je, dat zij zoo iets denken kon! Bernick, de jonge elegante man van de wereld … volleerd gentleman … de lieveling van alle dames….
MEVR. RUMMEL. … en daarbij zoo fatsoenlijk, mevrouw Holt, en zoo braaf!
MEVR. LYNGE. Maar wat is die juffrouw Hessel daar in Amerika gaan uitvoeren?
MEVR. RUMMEL. Ja, ziet u, daarover ligt, zooals Rummel zich eens uitdrukte, een sluier, die maar liever niet moet worden opgelicht.
MEVR. LYNGE. Wat beteekent dat?
MEVR. RUMMEL. Alle betrekking met de familie is al lang afgebroken, dat begrijpt u wel. Maar zooveel weet de heele stad er toch wel van, dat zij daar ginder in cafe's voor geld gezongen heeft….
MEVR. HOLT. … en lezingen gehouden….
MEVR. RUMMEL. … en een allerdolst boek geschreven heeft….
MEVR. LYNGE. Neen, maar!
MEVR. RUMMEL. Ja, ja, Lona Hessel is ook wel een van de zonnevlekken in het geluk van de familie Bernick. Maar nu is u dus op de hoogte, mevrouw Lynge. De hemel weet dat ik er alleen over gesproken heb omdat u nu op uw woorden zou kunnen passen.
MEVR. LYNGE. Wees gerust daarop, lieve mevrouw. Maar die arme Dina Dorf! Ik heb heusch medelijden met haar.
MEVR. RUMMEL. Och, voor haar was het eigenlijk een groot geluk. Verbeeld u eens dat zij bij haar ouders gebleven was! Wij hebben ons natuurlijk allemaal veel met haar bemoeid en haar vermaand, zoo goed wij konden. Later zette juffrouw Bernick het door dat zij hier in huis kwam.
MEVR. HOLT. Maar een moeilijk kind is zij altijd geweest. Denk ook maar eens aan … al die slechte voorbeelden! Och, zoo'n kind is ook van zelf heel anders dan een van de onzen; wij moeten wat toegevend voor haar zijn, mevrouw.
MEVR. RUMMEL. Sst … daar komt ze. (hardop). Ja, die Dina, dat is een echt flinke meid. Zoo? ben jij daar Dina? Wij scheiden net uit met werken.
MEVR. HOLT. O wat geurt je koffie heerlijk, lieve Dina! Ja, zoo'n kopje koffie 's middags….
MEVR. BERNICK (buiten op het terras). Als u lust heeft om buiten te komen dames! (Martha en Dina hebben intusschen het dienstmeisje geholpen het koffie-servies klaar te zetten. Al de dames gaan buiten zitten; zij praten overdreven vriendelijk tegen Dina. Even later gaat zij naar binnen en zoekt haar handwerk weer op).
MEVR. BERNICK. Dina, wil jij ook niet…?
DINA. Neen, dank u … liever niet. (Zij gaat zitten met haar naaiwerk. Mevr. Bernick en Roerlund wisselen een paar woorden; een oogenblik daarna komt hij ook in de kamer).
ROeRLUND (verlegt iets op de tafel en zegt zachtjes). Dina!
DINA. Ja….
ROeRLUND. Waarom wil je niet buiten zitten?
DINA. Omdat, toen ik met de koffie binnenkwam, ik kon merken aan die vreemde mevrouw, dat er over mij gesproken was.
ROeRLUND. En heb je dan ook niet gemerkt hoe vriendelijk zij zoo even tegen je was?
DINA. Maar dat kan ik juist niet uitstaan!
ROeRLUND. Je bent erg weerspannig van aard, Dina.
DINA. Ja.
ROeRLUND. Maar waarom ben je zoo?
DINA. Ik ben nu eenmaal niet anders.
ROeRLUND. Zou je er niet naar kunnen streven anders te worden?
DINA. Neen.
ROeRLUND. Waarom niet?
DINA (ziet hem aan). Ik hoor immers tot de moreel-verdorvenen.
ROeRLUND. Foei, Dina!
DINA. Mijn moeder hoorde ook tot de moreel-verdorvenen.
ROeRLUND. Wie heeft met je over zulke dingen gesproken?
DINA. Niemand; ze zeggen nooit iets. Waarom? Ze pakken me allemaal zoo voorzichtig aan alsof ik breken zou als…. O, wat haat ik die goedhartigheid!
ROeRLUND. Lieve Dina, ik begrijp heel goed, dat je je hier gedrukt voelt, maar….
DINA. O, kon ik maar weggaan, ver weg! Ik zou mij wel redden en vooruit komen, als ik maar niet hoefde te leven onder menschen die zoo … zoo….
ROeRLUND. Wat zoo?
DINA. Zoo fatsoenlijk en zoo braaf zijn.
ROeRLUND. Maar Dina, dat meen je toch niet!
DINA. Och, u begrijpt heel goed hoe ik het bedoel. Iederen dag komen Netta en Hilda hier, opdat ik een voorbeeld aan hen nemen zal. Ik kan nooit zoo hoogst fatsoenlijk worden als zij. Ik wil zoo niet worden. O, was ik toch maar ver weg, dan zou ik wel flink worden.
ROeRLUND. Maar je bent immers flink, Dina-lief.
DINA. Wat helpt mij dat hier?
ROeRLUND. Dus weggaan … denk je daar in ernst over?
DINA. Ik zou hier geen dag langer blijven als u hier niet was.
ROeRLUND. Zeg me eens Dina … waarom vindt je het eigenlijk zoo prettig om met mij samen te zijn?
DINA. Omdat u mij zooveel mooie dingen leert.
ROeRLUND. Mooi? Noem je dat wat ik je leeren kan "mooie dingen"?
DINA. Ja. Of eigenlijk … u leert mij wel niets, maar als ik u hoor spreken, dan ga ik allerlei mooie dingen zien.
ROeRLUND. Wat versta je eigenlijk onder iets moois?
DINA. Daar heb ik nooit over nagedacht.
ROeRLUND. Denk daar dan nu eens over na. Wat versta je onder iets moois?
DINA. Mooi is iets dat groot is … en ver weg.
ROeRLUND. Hm!… Lieve Dina, ik maak mij erg bezorgd over je.
DINA. Anders niets dan dat?
ROeRLUND. Je weet toch wel, hoe onuitsprekelijk lief je mij bent.
DINA. Maar als ik Hilda of Netta was, zou u niet bang zijn het aan iemand te laten merken.
ROeRLUND. Ach Dina, je kunt zoo weinig al de consideraties beoordeelen die ik in acht nemen moet…. Als een man een positie bekleedt, waarin hij moet optreden als zedelijke steunpilaar van de wereld, waarin hij verkeert, dan … kan hij niet voorzichtig genoeg zijn. Als ik er maar zeker van was, dat men mijn motieven goed zou begrijpen en er geen verkeerden uitleg aan geven…. Maar dat is tot daaraan toe. Je moet en zult voort geholpen worden. Dina, zal dit onze afspraak zijn, dat, als ik kom … als de omstandigheden mij toestaan te komen … en ik zeg: hier is mijn hand … dat je die dan wilt aannemen en mijn vrouw worden? Beloof je me dat, Dina?
DINA. Ja.
ROeRLUND. Dank je, dank je! Want ook voor mij…. Och Dina, ik hou toch zoo veel van je…. Sst; daar komt iemand. Toe, Dina, doe 't voor mij … ga naar de anderen toe. (zij gaat naar de koffietafel. Op hetzelfde oogenblik komen de heeren Rummel, Sandstad en Vigeland uit de eerste kamer links, gevolgd door den heer Bernick, die een pak papieren in de hand houdt).
BERNICK. Nou, de zaak is dus afgedaan.
VIGELAND. Ja. In 's hemels naam dan maar.
RUMMEL. 't Is afgedaan, Bernick! Het woord van een Noor staat vast als een rots in de zee, dat weet je!
BERNICK. En niemand zwicht, niemand wordt afvallig, hoeveel tegenstand wij ook ontmoeten.
RUMMEL. Wij staan en vallen met elkaar, Bernick!
HILMAR (in de tuindeur). Vallen? Permitteert! Is het dan niet de spoorweg die valt?
BERNICK. Integendeel; die zullen wij wel aan het rollen krijgen….
RUMMEL. Met stoom, mijnheer Toennesen.
HILMAR (dichterbij). Zoo?
ROeRLUND. Hoe dat?
MEVR. BERNICK (in de tuindeur). Maar Karsten-lief, wat beteekent dat eigenlijk?
BERNICK. Och, Betty-lief, wat kan jou dat nu interesseeren? (tot de drie heeren). Maar nu moeten wij de lijsten opmaken, hoe eer hoe beter. 't Spreekt van zelf dat wij vieren het eerst teekenen. De positie die wij in de maatschappij bekleeden, maakt het ons tot plicht hierin voor te gaan.
SANDSTAD. Natuurlijk, mijnheer Bernick.
RUMMEL. Het moet gaan, Bernick; dat staat vast.
BERNICK. O ja, ik ben heelemaal niet bang voor den uitslag. Wij moeten er ons best voor doen, ieder in zijn eigen kring van kennissen; en als wij maar eerst eens kunnen wijzen op een levendige deelneming in alle maatschappelijke kringen, dan volgt daaruit van zelf, dat ook de gemeente het hare moet bijdragen.
MEVR. BERNICK. Maar Karsten, nu moet je ons toch eigenlijk eens vertellen….
BERNICK. Och, lieve Betty, dat is iets waar dames heelemaal niet in komen kunnen.
HILMAR. Je wilt je dus toch met die spoorweggeschiedenis inlaten?
BERNICK. Ja, natuurlijk.
ROeRLUND. Maar verleden jaar, mijnheer Bernick….
BERNICK. Verleden jaar was dat heel iets anders. Toen was er sprake van een lijn langs de kust….
VIGELAND. … die ten eenenmale overbodig zou zijn, meneer; want wij hebben immers de stoombooten….
SANDSTAD. … en die zoo onzinnig veel geld gekost zou hebben….
RUMMEL. … ja, en die inderdaad de wezenlijke belangen van de stad zou geschaad hebben….
BERNICK. De hoofdzaak was dat die in wijder kring geen nut gedaan zou hebben. Daarom verzette ik er mij tegen; en zoo werd toen de binnenlijn aangenomen.
HILMAR. Die zal de steden in den omtrek toch niet aandoen.
BERNICK. Maar die zal onze stad aandoen, mijn waarde Hilmar, want nu wordt er een zijlijn aangelegd.
HILMAR. O zoo; een nieuw plan dus.
RUMMEL. En wat een prachtig plan ook, he?
ROeRLUND. Hm….
VIGELAND. 't Kan niet ontkend worden dat de Voorzienigheid als 't ware het terrein heeft klaar gemaakt voor een zijlijntje.
ROeRLUND. Meent u dat in ernst, mijnheer Vigeland?
BERNICK. Ja, ik moet toegeven, dat ik het ook als een bestiering beschouw dat ik in 't voorjaar voor zaken op reis was op 't land, en toevallig langs een weg door 't dal kwam, waar ik vroeger nooit geweest was. Als een lichtstraal kwam het denkbeeld in mij op, dat hier een zijlijn naar onze stad te maken moest zijn. Ik heb een ingenieur er heen gezonden en den weg laten opnemen; hier heb ik de voorloopige berekeningen en kostenopgaven; niets staat den aanleg in den weg.
MEVR. BERNICK (met de andere dames vooruitgekomen in de tuindeur). Maar lieve man, dat je dat alles zoo voor ons verborgen hebt gehouden.
BERNICK. Och, mijn goede kind, jullie zoudt immers toch niet begrepen hebben hoe dat alles in elkaar zat. Ik heb er overigens met geen levende ziel over gesproken, voor van daag. Maar nu is het beslissende oogenblik gekomen, nu moet er openlijk en met alle kracht gewerkt worden. Ja, al moest ik mijn heele bestaan er aan geven, ik zal de zaak doorzetten.
RUMMEL. Wij ook, Bernick, daar kan je op vertrouwen.
ROeRLUND. Heeft u dan waarlijk zooveel verwachtingen van die onderneming, heeren?
BERNICK. Ja, dat zal waar zijn. Wat een hefboom zal die niet kunnen worden voor onze heele maatschappij? Denk maar eens aan de groote bosschen die toegankelijk gemaakt zullen worden; denk aan de rijken ertslagen die in exploitatie kunnen worden genomen; denk aan de rivier met haar talrijke watervallen! Wat een industrie kan zich daar ontwikkelen!
ROeRLUND. En vreest u niet dat een drukker verkeer met een verdorven buitenwereld…?
BERNICK. Neen, wees maar gerust, mijnheer Roerlund. Ons klein nijver stadje staat, Goddank, tegenwoordig op een standpunt van gezonde moraliteit. Wij hebben allen ons best gedaan om den bodem te draineeren, als ik 't zoo noemen mag; en dat zullen wij ook verder doen, ieder op zijn manier. U, mijnheer Roerlund, blijft voortgaan met uw zegenrijk werk in school en huisgezin. Wij, de mannen der praktijk, steunen de maatschappij door welvaart onder de menschen te brengen in de wijdst mogelijken kring;… en onze vrouwen, ja, komt maar dichterbij dames, u moogt het wel hooren,… onze vrouwen, zeg ik, onze echtgenooten en dochters,… ja, u moet ongestoord voortwerken in den dienst der weldadigheid, en zijt verder een hulp en een troost voor die u het naast staan, zooals mijn lieve Betty en Martha dat voor mij en Olaf zijn…. (Kijkt rond). Waar zit Olaf vandaag?
MEVR. BERNICK. O, nu in de vacantie is het niet mogelijk hem in huis te houden.
BERNICK. Dan is hij zeker weer beneden aan den waterkant! Je zult zien, hij laat het niet voor er een ongeluk gebeurd is.
HILMAR. Kom … laat hij zich maar eens meten met de natuurkrachten….
MEVR. RUMMEL. Wat vind ik het mooi van u, dat u zooveel gevoel voor het gezin heeft, mijnheer Bernick!
BERNICK. O, het gezin is immers de kern der maatschappij. Een goed tehuis, achtenswaardige en trouwe vrienden, een kleine, gesloten kring, waarin geen storende elementen hun schaduw werpen….
(Krap komt met brieven en couranten van rechts).
KRAP. De buitenlandsche post, mijnheer de consul;… en een telegram van New-York.
BERNICK (neemt het aan). Ah, van de reederij … over de "Indian Girl".
RUMMEL. Zoo? is de post gekomen? Ja, dan moet ik naar huis.
VIGELAND. Ja, ik ook.
SANDSTAD. Tot weerziens, mijnheer Bernick.
BERNICK. Tot weerziens, heeren. En denkt er aan dat wij van middag om vijf uur vergadering hebben.
DE DRIE HEEREN. Ja, ja … zeker … dat spreekt. (zij gaan naar rechts af).
BERNICK (die het telegram gelezen heeft). Neen maar, dat is waarachtig echt Amerikaansch! Eenvoudig stuitend….
MEVR. BERNICK. Hemel, Karsten, wat is er?
BERNICK. Kijk eens Krap, lees dit eens!
KRAP (leest). "Minst mogelijke reparatie; stuur "Indian Girl" terug zoodra zeilklaar; goed seizoen; drijft desnoods op lading." Nou, ik moet zeggen….
BERNICK. Drijft op lading! De heeren weten best dat met die lading het schip zinkt als een baksteen, als er iets gebeurt.
ROeRLUND. Ja, daar kan u nu eens zien, hoe het toegaat in die veelgeprezen groote maatschappij.
BERNICK. Daar heeft u gelijk in. Zelfs menschenlevens worden niet geteld zoodra er winst of verlies in het spel is. (tegen Krap). Kan de "Indian Girl" in zee gaan over vier of vijf dagen?
KRAP. Ja, als meneer Vigeland het zoo schikken kan dat het werk op "de Palmboom" zoolang stilstaat.
BERNICK. Hm; dat zal hij niet doen. Enfin. Wil u misschien de post even doorzien? Zeg eens, heeft u Olaf niet beneden op den steiger gezien?
KRAP. Neen, mijnheer. (af in de eerste kamer links).
BERNICK (kijkt weer in het telegram). Acht menschenlevens wagen die heeren zoo maar kalm-weg er aan….
HILMAR. Och, 't is nu eenmaal het beroep van een zeeman om de elementen te trotseeren. Daar moet toch iets spannends in zijn, zoo enkel met een dunne plank tusschen jezelf en den afgrond….
BERNICK. Ja, ik zou den reeder bij ons wel eens willen zien die zich tot zoo iets leenen zou. Niet een … geen enkele…. (krijgt Olaf in het oog). Zoo, Goddank dat hij heelhuids weer thuis is. (Olaf met een hengel in de hand is de straat opgekomen en komt door de tuindeur binnen).
OLAF (nog in de tuin). Oom Hilmar, ik ben beneden geweest en heb de stoomboot gezien.
BERNICK. Ben je nu alweer op den steiger geweest?
OLAF. Neen, ik ben enkel maar met een boot uit geweest. Maar oom, er is een heel gezelschap kunstrijders aangekomen, met paarden en andere dieren, en een heele boel passagiers!
MEVR. RUMMEL. Wat? Krijgen we hier heusch kunstrijders te zien?
ROeRLUND. Wij? Dat kan ik toch niet aannemen.
MEVR. RUMMEL. Neen, wij natuurlijk niet … maar….
DINA. Ik zou ze wel graag zien.
OLAF. Ja, ik ook.
HILMAR. Je bent een lummel. Is daar nu iets aan te zien? Louter dressuur. Neen, een Gaucho op zijn snuivenden mustang door de pampas te zien jagen, dat is wat anders! Maar godbewaarme hier in dit nest….
OLAF (trekt Martha aan haar japon). Tante Martha, kijk, kijk … daar komen ze!
MEVR. HOLT. Hemel ja, daar heb je ze.
MEVR. LYNGE. O foei, die afschuwelijke menschen!
(Veel reizigers en een heele troep stadsvolk komen de straat langs).
MEVR. RUMMEL. Ja, dat is je echte kermisvolk. Ziet u die daar, met die grijze japon, mevrouw Holt; zij draagt den knapzak op haar rug.
MEVR. HOLT. Ja, en ze draagt hem aan haar parasol-stok! Dat is natuurlijk de vrouw van den directeur.
MEVR. RUMMEL. En daar heb je den directeur zelf, die met dien baard. Hij ziet er net uit als een roover. Niet kijken, Hilda!
MEVR. HOLT. Jij ook niet, Netta.
OLAF. Mama, de directeur groet ons.
BERNICK. Wat is dat?
MEVR. BERNICK. Wat zeg je, kind?
MEVR. RUMMEL. Ja, lieve hemel, daar groet die vrouw ook al!
BERNICK. Neen, dat is toch te erg!
MARTHA (onwillekeurig). Ah….
MEVR. BERNICK. Wat is er, Martha?
MARTHA. Och niets, ik dacht maar….
OLAF (schreeuwt van plezier). Kijk, kijk, daar komen de anderen met de paarden en de andere dieren! En daar heb je de Amerikanen ook! Al die matrozen van de "Indian Girl"…. (men hoort Yankee-Doodle zingen begeleid door een klarinet en trommels).
HILMAR (houdt zijn ooren dicht). Oeh, oeh, oeh!
ROeRLUND. Mij dunkt, wij moesten ons een beetje afzonderen, dames; dat is toch niet iets voor ons. Laat ons weer aan ons werk gaan.
MEVR. BERNICK. Wij konden misschien de gordijnen dicht doen?
ROeRLUND. Ja, dat is juist wat ik bedoelde (de dames nemen hunne plaatsen aan de tafel weer in; Roerlund sluit de tuindeur en doet de gordijnen dicht; het is half-donker in de kamer).
OLAF (die uitkijkt). Ma, nu staat de vrouw van den directeur aan de fontein haar gezicht te wasschen.
MEVR. BERNICK. Wat? Midden op de markt!
MEVR. RUMMEL. En dat op klaarlichten dag!
HILMAR. Nou, als ik op reis was door de woestijn en een waterput aantrof, zou ik mij ook niet lang bedenken om…. Au, die vreeselijke klarinet!
ROeRLUND. 't Zou waarlijk wel noodig zijn dat de politie zich er eens mee bemoeide.
BERNICK. Och wat; met vreemden moet men dat zoo nauw niet nemen; die menschen hebben immers niet het aangeboren gevoel van fatsoen, dat ons binnen de juiste perken houdt. Laat hen maar wat buitensporig doen. Wat gaat ons dat aan? Al dat ongeregelde gedoe dat in strijd is met fatsoen en goede zeden, raakt gelukkig onze maatschappij heelemaal niet, als ik 't zoo zeggen mag…. Wat is dat? (de vreemde dame komt snel binnen door de deur rechts).
DE DAMES (verschrikt maar zachtjes). De paardrijdster! De vrouw van de directeur!
MEVR. BERNICK. Hemel! wat moet dat beteekenen?
MARTHA (opspringend). Ah…!
DE DAME. Dag lieve Betty! Dag Martha! Dag zwager!
MEVR. BERNICK (met een kreet). Lona…!
BERNICK (tuimelt achteruit). Zoo waar ik leef!…
MEVR. HOLT. God zij ons genadig…!
MEVR. RUMMEL. 't Is toch niet mogelijk…!
HILMAR. Nou! Oeh!
MEVR. BERNICK. Lona! Ben je het heusch…?
LONA. Of ik het ben? Ja, bij mijn ziel, ik ben het. Je kunt mij wat dat betreft gerust om den hals vallen.
HILMAR. Oeh! Oeh!
MEVR. BERNICK. En kom je nu hier als…?
BERNICK. … en je wilt hier optreden?
LONA. Optreden? Hoezoo optreden?
BERNICK. Ja … ik bedoel … met de kunstrijders….
LONA (hardop lachend). Hahaha! Ben je niet wijs, zwager? Denk je dat ik bij de kunstrijders hoor? Neen; ik heb wel allerlei kunsten uitgehaald en mij dikwijls gek aangesteld….
MEVR. RUMMEL. Hm….
LONA. … maar kunststukken op een paard heb ik nooit vertoond.
BERNICK. Dus toch niet….
MEVR. BERNICK. O, goddank!
LONA. Neen, wij reisden heusch net als andere fatsoenlijke menschen … wel tweede klasse, maar dat zijn wij gewend.
MEVR. BERNICK. Wij, zeg je?
BERNICK (een stap naderbij). Wie "wij"?
LONA. Ik en mijn kind, natuurlijk.
DE DAMES (verschrikt). Haar kind!
HILMAR. Wat!
ROeRLUND. Nu, ik moet zeggen…!
MEVR. BERNICK. Wat bedoel je toch, Lona?
LONA. Ik bedoel natuurlijk John; ik heb geen ander kind dan John, zoover ik weet,… of Johan, zooals jullie hem noemden….
MEVR. BERNICK. Johan…!
MEVR. RUMMEL (zachtjes tegen mevr. Lynge). De beruchte broer!
BERNICK (weifelend). Is Johan bij je?
LONA. Zeker, zeker; ik reis nooit zonder hem. Maar jullie ziet er zoo bedrukt uit. En je zit hier in 't halfdonker en naait aan iets wits…. Er is toch geen sterfgeval in de familie?
ROeRLUND. Mejuffrouw, u bevindt zich hier in de "Vereeniging voor moreel Verdorvenen"….
LONA (halfluid). Wat zegt u? Deze nette deftige dames zouden…?
MEVR. RUMMEL. Neen … daar is nu toch het eind van weg….
LONA. Och zoo, ja! Begrepen … begrepen! Maar wat drommel, dat is mevrouw Rummel! En daar ginds zit mevrouw Holt ook! Nou, we zijn er alle drie niet jonger op geworden sedert wij elkaar het laatst gezien hebben. Maar luistert nu eens, lieve menschen, laat nu de moreel-verdorvenen een dagje wachten; daar worden zij niet slechter van. Een oogenblik van vreugde als dit….
ROeRLUND. Een terugkeer is niet altijd een oogenblik van vreugde.
LONA. Zoo? Wat leest u dan in uw Bijbel, dominee?
ROeRLUND. Ik ben geen dominee.
LONA. Nou, dan wordt u 't toch zeker wel eens…. Maar foei, foei,… dat moreele linnengoed heeft zoo'n lucht van bederf … precies een lijkwa. Ik ben gewend aan de lucht van de prairieen zal ik je maar zeggen.
BERNICK (veegt zijn voorhoofd af). Ja, 't is hier waarlijk een beetje bedompt.
LONA. Wacht maar; we zullen wel uit dien grafkelder naar boven zien te komen. (Trekt de gordijnen open). Het volle daglicht moet hier invallen als de jongen komt. Dan zal je eens een jongen zien die zich gewasschen heeft.
HILMAR. Oeh!
LONA (zet deur en ramen open) … ja, dat is te zeggen, wanneer hij zich gewasschen zal hebben in het hotel. Want op de boot werd hij zoo smerig als een varken.
HILMAR. Oeh! Oeh!
LONA. Oeh? Ja, waarachtig, is dat niet…? (wijst op Hilmar en vraagt aan de anderen). Boemelt hij nog altijd hier rond zonder iets anders te doen dan oeh! te zeggen?
HILMAR. Ik boemel niet rond; ik moet beweging nemen omdat ik lijdend ben.
ROeRLUND. Nu dames, ik geloof niet….
LONA (die Olaf in het oog gekregen heeft). Is dat jouw jongen, Betty?… Geef mij een poot, vent! Of ben je misschien bang voor je oude leelijke tante?
ROeRLUND (zijn boek onder den arm nemend). Dames, ik geloof niet, dat er meer stemming is voor ons, om verder te arbeiden van daag. Maar morgen zullen wij immers weer samenkomen?
LONA (terwijl de vreemde dames opstaan om afscheid te nemen). Wel ja, laat ons dat doen. Ik zal present zijn.
ROeRLUND. U? Met verlof, juffrouw, wat wil u in onze vereeniging?
LONA. Ik wil een beetje versche lucht binnen laten, dominee.
EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.
[Illustratie: De Heer C. de Vos als consul Bernick in De steunpilaren der Maatschappij]
* * * * *
TWEEDE BEDRIJF
Tuinkamer in Consul Bernick's huis.
Mevrouw Bernick zit alleen aan de groote tafel met haar naaiwerk. Even later komt de heer Bernick van rechts met zijn hoed op het hoofd; handschoenen en stok in de hand.
* * * * *
MEVR. BERNICK. Zoo, ben je al terug, Karsten?
BERNICK. Ja, ik heb iemand ontboden.
MEVR. BERNICK (zuchtend). Och ja, Johan zal zeker wel weer hier komen.
BERNICK. 't Is een man, zeg ik. (zet zijn hoed af). Waar blijven al de dames van daag?
MEVR. BERNICK. Mevrouw Rummel en Hilda hadden geen tijd.
BERNICK. Zoo? Afgezegd?
MEVR. BERNICK. Ja, ze hadden thuis zooveel te doen.
BERNICK. Begrepen. En de anderen komen natuurlijk ook niet?
MEVR. BERNICK. Neen, die hebben ook verhindering van daag.
BERNICK. Dat had ik je wel vooruit kunnen vertellen. Waar is Olaf?
MEVR. BERNICK. Ik heb hem een beetje met Dina laten uitgaan.
BERNICK. Hm; Dina, dat lichtzinnige schepsel…. Om het gisteren dadelijk zoo druk aan te leggen met Johan…!
MEVR. BERNICK. Maar, man-lief, Dina weet immers heelemaal niet….
BERNICK. Nou, maar dan moest Johan in elk geval takt genoeg gehad hebben om geen bizondere notitie van haar te nemen. Ik zag heel goed wat voor oogen Vigeland opzette.
MEVR. BERNICK (met haar naaiwerk op haar schoot). Karsten, begrijp jij wat ze hier eigenlijk komen doen?
BERNICK. Hm; hij heeft immers daarginder een "farm", waar het nog niet zoo heel goed mee gaat; en zij vertelde gisteren dat zij tweede klasse reizen moeten….
MEVR. BERNICK. Ja, helaas, zoo iets moet het wel zijn. Maar dat zij meegekomen is! Zij! Na de doodelijke beleediging die zij je heeft aangedaan….
BERNICK. Och, denk toch niet meer aan die oude geschiedenissen.
MEVR. BERNICK. Hoe kan ik tegenwoordig aan iets anders denken? Hij is toch mijn broer;… och, het is niet om hem, maar al de onaangenaamheden die jij daardoor ondervinden kunt…. Karsten, ik ben zoo doodelijk bang dat….
BERNICK. Waarvoor ben je bang?
MEVR. BERNICK. Kunnen zij hem niet in de gevangenis zetten, voor het geld dat je moeder ontstolen werd?
BERNICK. Och wat, malligheid! Wie kan bewijzen dat er geld ontvreemd werd?
MEVR. BERNICK. Och God, dat weet immers de heele stad; en je hebt het zelf gezegd….
BERNICK. Ik heb niets gezegd. De stad weet niets van die zaken af; dat waren allemaal maar losse praatjes.
MEVR. BERNICK. O wat sta jij toch hoog, Karsten!
BERNICK. Laat die oude herinneringen toch rusten, zeg ik je! Je weet niet hoe je me pijnigt met dat alles weer op te halen (hij loopt op en neer in de kamer … dan gooit hij zijn stok weg). Dat ze juist nu moesten terugkomen … nu ik juist in de stad en in de couranten een onvermengd zuivere stemming jegens mij noodig heb. Er zullen in de bladen van de omliggende plaatsen berichten over geschreven worden. Of ik hen goed of slecht opgenomen heb … over het een zal net zooveel gekletst en geleuterd worden als over het ander. Ze zullen dien ouden boel weer oprakelen,… net als jij doet. In een wereldje als het onze … (gooit zijn handschoenen op de tafel). En geen enkel mensch heb ik met wien ik praten kan of bij wien ik steun vinden kan.
MEVR. BERNICK. Heelemaal niemand, Karsten?
BERNICK. Neen … ik zou niet weten wie. Dat ze mij nu juist op mijn dak gestuurd zijn! Het is buiten kwestie dat ze niet op de een of andere manier schandaal zullen maken … vooral zij! 't Is me toch een ongeluk zulke menschen in je familie te hebben!
MEVR. BERNICK. Ik kan het toch niet helpen dat….
BERNICK. Wat kan je niet helpen? Dat ze familie van je zijn? Neen, dat is een heel waar woord.
MEVR. BERNICK. En ik heb hen ook niet verzocht om terug te komen.
BERNICK. Jawel! Daar hebben wij het! ik heb hen niet verzocht om terug te komen; ik heb hun niet geschreven; ik heb hen niet bij de haren hierheen gehaald…! O, dat heele liedje ken ik al van buiten!
MEVR. BERNICK (barst in tranen uit). Wat ben je vreeselijk onaardig!…
BERNICK. Juist, zoo is 't goed; ga nou maar grienen, dat de heele stad ook daarover kletsen kan. Schei uit met die aanstellerij, Betty! Ga buiten zitten; hier kan licht iemand komen. Moeten ze soms mevrouw met rood-behuilde oogen zien zitten? Jawel, dat zou iets heerlijks zijn als het onder de menschen kwam dat…. Wacht, daar hoor ik iemand in de gang (er wordt geklopt). Binnen! (Mevrouw gaat de tuintrap af met haar naaiwerk. Aune komt van rechts binnen).
AUNE. Goeden dag, meneer Bernick.
BERNICK. Goeden dag. Wel, je kunt zeker wel nagaan wat ik je te zeggen heb, he?
AUNE. Meneer Krap zei mij gisteren dat meneer de consul niet tevreden was over….
BERNICK. Ik ben ontevreden over den heelen toestand op de werf, Aune. Je schiet niets op met de reparaties. "De Palmboom" had al lang onder zeil moeten zijn. Mijnheer Vigeland komt hier iederen dag er over zaniken; hij is een lastige man om mee samen te werken.
AUNE. "De Palmboom" kan overmorgen in zee gaan.
BERNICK. Zoo, eindelijk. Maar die Amerikaan, de "Indian Girl," die hier nu al vijf weken ligt en….
AUNE. De Amerikaan? Ik had begrepen dat wij in de eerste plaats al onze krachten zouden wijden aan uw eigen schip.
BERNICK. Ik heb je toch geen aanleiding gegeven om dat te denken. Met den Amerikaan moet ook zooveel mogelijk voortgemaakt worden, maar dat gebeurt niet.
AUNE. De bodem van die schuit is door en door verrot, meneer; hoe meer wij er aan lappen, hoe erger het wordt.
BERNICK. Dat is niet de ware reden. Mijnheer Krap heeft mij gezegd wat de eigenlijke reden is. Je kunt niet overweg met de nieuwe machines die ik heb aangeschaft,… of liever, je wilt er niet mee werken.
AUNE. Meneer Bernick, ik ben nu al diep in de vijftig; van jongsaf ben ik gewoon geweest op de oude manier te werken….
BERNICK. Daar kunnen wij het tegenwoordig niet meer mee doen. Je moet niet denken, Aune, dat het mij te doen is om het grootere voordeel; dat heb ik gelukkig niet noodig; maar ik moet rekening houden met de maatschappij waarin ik leef, en met de zaak waarvan ik aan het hoofd sta. 't Is van mij dat de vooruitgang moet uitgaan, anders komt er nooit iets tot stand.
AUNE. Ik ben ook zeer voor vooruitgang, meneer.
BERNICK. Ja, voor je eigen kleinen kring, voor den werkmansstand. O, ik ben wel op de hoogte van je drijven; je houdt toespraken; je stookt de menschen op; maar als het er op aan komt iets nieuws aan te pakken, zooals nu met onze machines, dan wil je er niet aan meedoen, dan wordt je bang.
AUNE. Ja, ik word net bang, meneer Bernick. Ik word bang voor velen wie de machines het brood uit den mond nemen. Meneer de consul spreekt zoo dikwijls van rekening houden met de maatschappij, maar ik geloof dat de maatschappij toch ook wel haar plichten heeft. Hoe durven de wetenschap en het kapitaal het wagen die nieuwe uitvindingen in te voeren, voor de maatschappij een geslacht heeft opgekweekt dat ze weet te gebruiken?
BERNICK. Je leest en denkt te veel, Aune; dat doet je geen goed; daardoor wordt je ontevreden met je stand.
AUNE. Neen meneer, dat is het niet; maar ik kan het niet aanzien dat de eene brave werkman na den andere wordt weggezonden en broodeloos gemaakt om die machines.
BERNICK. Hm; toen de boekdrukkunst werd uitgevonden, werden er ook heel wat schrijvers broodeloos gemaakt.
AUNE. Zou meneer zich over die kunst zoo verheugd hebben, als hij toen een schrijver was geweest?
BERNICK. Ik heb je niet laten komen om met je te redetwisten. Ik heb je laten roepen om je te zeggen dat de in reparatie liggende "Indian Girl" klaar moet zijn om overmorgen uit te zeilen.
AUNE. Maar, meneer….
BERNICK. Overmorgen, hoor je, gelijk met ons eigen schip; geen uur later. Ik heb goede redenen om daar achter heen te zitten. Heb je van ochtend de courant gelezen? Zoo; dan weet je ook dat de Amerikanen weer opstootjes gemaakt hebben. Die bandelooze troep zet de heele stad overeind; er gaat geen nacht om dat er niet gevochten wordt in de herbergen en op straat; van andere gemeene dingen spreek ik nu maar niet.
AUNE. Ja, het is gemeen volk, dat is zeker.
BERNICK. En wie krijgt de schuld van dat alles? Ik natuurlijk. Ja, op mij wordt er over gescholden. De krantenschrijvers schimpen er in bedekte termen op, dat wij al onze werkkracht aan "de Palmboom" besteden. Ik, op wie de taak rust, door mijn voorbeeld invloed uit te oefenen op mijn medeburgers, ik moet mij zulke dingen onder den neus laten wrijven. Dat duld ik niet. Ik ben er niet van gediend dat mijn naam op die manier beklad wordt.
AUNE. O, meneer's naam is zoo best … die kan daar wel tegen … en nog wel tegen veel meer!
BERNICK. Nu niet. Juist tegenwoordig heb ik alle achting en welwillendheid, die mijn medeburgers mij schenken willen, zeer noodig. Ik heb, zooals je misschien al gehoord hebt, plannen voor een groote onderneming; maar gelukt het slecht-gezinde menschen het onbepaalde vertrouwen in mij aan het wankelen te brengen, dan kunnen daaruit voor mij de grootste moeilijkheden voortkomen. Daarom wil ik, het koste wat het wil, de kwaadaardige en lasterende krantenschrijvers geen vat op mij geven, en daarom heb ik de termijn op overmorgen bepaald.
AUNE. Meneer de consul, u zou evengoed de termijn op van middag kunnen bepalen.
BERNICK. Je bedoelt dat ik iets onmogelijks verlang?
AUNE. Ja, met het aantal werklui, waarover wij nu kunnen beschikken….
BERNICK. Goed … best;… dan zullen wij ons van elders voorzien.
AUNE. Wil u waarlijk nog meer van onze oude werklui ontslaan?
BERNICK. Neen, daar denk ik niet over.
AUNE. Want ik geloof zeker dat het kwaad bloed zetten zou, zoowel in de stad als in de kranten, als u dat deed.
BERNICK. Dat 's niet onmogelijk. Daarom zullen wij het dan ook niet doen. Maar, als de "Indian Girl" overmorgen niet zeilklaar is, dan ontsla ik jou.
AUNE (met een schok). Mij! (hij lacht). Dat zeit meneer toch zeker maar voor de grap.
BERNICK. Daar zou ik maar niet te veel op vertrouwen, als ik jou was.
AUNE. Zou u er waarlijk over denken om mij weg te zenden? Mij, terwijl mijn vader en mijn grootvader hun leven lang op de werf gediend hebben, en ik zelf ook….
BERNICK. En wie is het, die er mij toe noodzaakt?
AUNE. U verlangt het onmogelijke, meneer.
BERNICK. O, met wat goeden wil is niets onmogelijk. Ja of neen; geef mij een bepaald antwoord, of ik ontsla je op slag.
AUNE (een stap nader). Meneer de consul, heeft u goed bedacht wat het beteekent, een oud werkman te ontslaan? U denkt, dan moet hij maar wat anders zoeken. O ja, dat kan hij ook wel; maar is het daarmee afgedaan? U moest er eens bij zijn, in het huis van zoo'n weggestuurden werkman, als hij 's avonds thuiskomt en zijn gereedschapskist binnen zijn deur zet.
BERNICK. Denk je dat ik zoo maar luchthartig-weg laat gaan? Ben ik niet altijd een goede patroon geweest?
AUNE. Des te erger, meneer. Juist daarom zullen ze thuis niet u de schuld geven; zij zullen er mij niet over aanspreken, want dat durven zij niet; maar ze zullen naar me kijken als ik het niet merk, en denken: dat zal zeker wel verdiend zijn. En ziet u, dat,—dat kan ik niet verdragen. Al ben ik maar een burgerman, toch ben ik altijd gewend geweest thuis nommer een te zijn. Mijn eenvoudig thuis is ook een maatschappij in het klein, meneer. Die kleine maatschappij heb ik kunnen steunen en er boven op houden, omdat mijn vrouw in mij geloofde en mijn kinderen in mij geloofd hebben. En nu moet dat alles in duigen vallen.
BERNICK. Ja, als het niet anders kan, dan moet het mindere voor het meerdere wijken; het bizondere moet in Gods naam voor het algemeene opgeofferd worden. Anders weet ik je niet te antwoorden, en het gaat ook niet anders toe in de wereld. Maar je bent een koppige kerel, Aune! Je verzet je tegen mij, niet omdat je niet anders kunt, maar omdat je niet wilt erkennen, dat machinewerk boven handenarbeid staat.
AUNE. En u houdt er juist zoo aan vast, omdat u weet, dat u de pers althans uw goeden wil toont, als u mij weg jaagt.
BERNICK. En al was dat zoo? Je hoort immers wat er voor mij aan vast is … of de pers mij aanvalt of welwillend voor mij gestemd wordt op een oogenblik dat ik voor een groote zaak van algemeen belang werkzaam ben. Zeg zelf: kan ik dan anders handelen dan ik doe? Ik kan je zeggen, het is een kwestie van of jouw thuis staande te houden, zooals je het noemt, of misschien honderden te beletten zich een eigen thuis te maken, een eigen haard te bezitten, indien het mij niet gelukt dat door te zetten, waar ik nu voor werk. Daarom is het dat ik je voor de keus stel.
AUNE. Ja … als de zaken zoo staan, dan heb ik niets meer te zeggen.
BERNICK. Hm;… mijn waarde Aune, het doet mij oprecht leed dat wij nu van elkaar moeten gaan.
AUNE. Wij zullen niet van elkaar gaan, meneer.
BERNICK. Hoezoo?
AUNE. Een eenvoudig man heeft ook iets hoog te houden in de wereld.
BERNICK. Zeker,… zeker…; en je denkt dus te kunnen beloven…?
AUNE. De "Indian Girl" kan overmorgen uitgaan.
(Hij groet en gaat af naar rechts).
BERNICK. Ziezoo! Dien stijfkop heb ik dan toch doen buigen. Dat neem ik als een goed voorteeken aan….
(Hilmar, met een sigaar in den mond, komt door de tuindeur op).
HILMAR (op de trap). Dag Betty! Dag Bernick!
MEVR. BERNICK. Goeden dag.
HILMAR. Zoo, jij hebt gehuild, zie ik. Je weet 't dus zeker al?
MEVR. BERNICK. Wat weet ik al?
HILMAR. Dat het schandaal in vollen gang is? Oeh!
BERNICK. Wat beteekent dat?
HILMAR (binnenkomend). Jawel, de twee Amerikanen loopen de stad rond en vertoonen zich in de straten in gezelschap van Dina Dorf.
MEVR. BERNICK (loopt hem na). Maar Hilmar, dat kan toch niet waar zijn…?
HILMAR. Jawel, het is helaas volkomen waar. Lona was daarbij nog zoo taktloos om mij aan te roepen; maar ik deed natuurlijk alsof ik het niet hoorde.
BERNICK. En dat is zeker niet onopgemerkt gebeurd?
HILMAR. Neen, dat kan je begrijpen. De menschen stonden stil om hen na te kijken. 't Leek wel als een loopend vuurtje door de stad te zijn gegaan … ongeveer zooals een brand in de prairieen in het verre Westen. In alle huizen stonden de menschen te wachten voor de ramen tot de optocht voorbij zou komen; hoofd aan hoofd achter de gordijnen … oeh! Ja, je moet me niet kwalijk nemen, Betty, dat ik oeh! zeg, want dat alles maakt me zenuwachtig;… als dat nog lang duren moet, dan zal ik genoodzaakt zijn plannen te maken om een tijdlang op reis te gaan.
MEVR. BERNICK. Maar je hadt hem toch liever eens moeten toespreken en hem onder het oog brengen….
HILMAR. In 't publiek? Op straat? Neen … dat moet je me niet kwalijk nemen. Maar dat die man zich hier nog in de stad durft vertoonen! Nou, we zullen eens zien of de pers er niet een stokje voor steken kan. Ja, neem me niet kwalijk, Betty, maar….
BERNICK. De pers, zeg je? Heb je dan al iets van dien aard gehoord?
HILMAR. Jawel, er hangt wel zoo iets in de lucht. Toen ik gisteren avond van je weg ging, liep ik nog even binnen in de societeit, om beter te kunnen slapen. Ik merkte best aan de stilte die ontstond, dat er over de twee Amerikanen gesproken was. Daar komt die onbeschaamde kerel, Hammer, de redacteur, binnen en feliciteert mij hardop met de terugkomst van mijn rijken neef.
BERNICK. Rijken…?
HILMAR. Ja, dat zei hij. Ik keek hem eens goed van onderen naar boven aan en gaf hem te verstaan dat ik niets wist van Johan Toennesen's rijkdom. "Zoo," zei hij, "dat is toch vreemd; in Amerika maken de menschen toch gewoonlijk fortuin als zij iets hebben om mee te beginnen, en uw neef ging immers niet met lege handen weg."
BERNICK. Hm; doe mij nu een plezier….
MEVR. BERNICK (bezorgd). Nu, zie je toch eens Karsten….
HILMAR. Ja, mij heeft hij alvast een slapeloozen nacht bezorgd. En dan loopt hij daar door de straten met een gezicht alsof er nooit iets met hem gebeurd was. Waarom bleef hij nu maar niet voor goed weg? Sommige menschen zijn toch ook zoo onuitstaanbaar taai!
MEVR. BERNICK. Maar Hilmar, wat zeg je daar nu!
HILMAR. O, niemendal. Maar zoo'n kerel ontkomt daar heelhuids aan treinongelukken, Californische beren en Zwart-Voet Indianen, ja is zelfs niet eens gescalpeerd…. Oeh! daar heb je ze!
BERNICK (kijkt de straat op). Olaf is er ook bij!
HILMAR. Ja natuurlijk; ze willen de menschen laten zien dat ze tot de eerste familie van de stad behooren. Kijk, kijk, daar komen al de dagdieven uit de apotheek om ze aan te gapen en het hunne er van te zeggen. Dat is heusch te veel voor mijn zenuwen; hoe een man onder zulke omstandigheden de vaan der idee hoog houden moet, dat….
BERNICK. Zij komen hier naar toe. Hoor eens Betty, het is mijn uitdrukkelijk verlangen dat je ze zoo vriendelijk mogelijk bejegent.
MEVR. BERNICK. Mag ik dat doen, Karsten?
BERNICK. Ja zeker; zeker; en jij ook, Hilmar. Zij zullen hier, hoop ik, niet zoo heel lang blijven; en als wij onder elkaar zijn geen toespelingen alsjeblieft; wij mogen hen op geen manier kwetsen.
MEVR. BERNICK. O Karsten, wat ben jij toch grootmoedig.
BERNICK. Nu ja … nu ja … 't is goed.
MEVR. BERNICK. Neen, laat mij je danken; en vergeef mij dat ik daar straks zoo driftig was. O, je hadt immers alle reden om….
BERNICK. 't Is goed; 't is goed … laat dat nu maar rusten!
HILMAR. Oeh!
(Johan Toennesen en Dina, daar achter Lona Hessel en Olaf, komen den tuin door).
LONA. Goeden dag, goeden dag, lieve menschen!
JOHAN. Wij zijn er op uit geweest en hebben al de oude plekjes eens opgezocht, Karsten.
BERNICK. Ja, dat hoor ik. Heel wat veranderingen, niet waar?
LONA. Consul Bernick's groote en goede daden overal. Wij zijn boven in het plantsoen geweest dat jij de stad cadeau gedaan hebt.
BERNICK. Zoo? Daar?
LONA. "Geschenk van Karsten Bernick," zooals er boven den ingang staat. Ja, jij bent hier wel de Groote Piet.
JOHAN. En prachtige schepen heb je ook. Ik ontmoette den kapitein van "de Palmboom", een ouden schoolkameraad van me….
LONA. En een nieuw schoolgebouw heb je ook laten zetten; en de gasleiding en ook de waterleiding hebben ze aan jou te danken, hoor ik.
BERNICK. Nu, men moet toch wat doen voor de maatschappij waarin men leeft.
LONA. Ja, dat is flink, Bernick. Maar het is ook verblijdend om te zien hoe trotsch de menschen op je zijn. Ik ben niet ijdel, geloof ik; maar ik kon toch niet nalaten om sommige menschen met wie wij praatten, te laten hooren dat wij familie waren.
HILMAR. Oeh!
LONA. Zeg jij daar oeh! voor?
HILMAR. Neen, ik zeg hm….
LONA. Nou, ga jij je gang maar, sukkel! Maar ben jullie van daag zoo heel alleen?
MEVR. BERNICK. Ja, van daag zijn wij alleen.
LONA. O, we ontmoetten zoowaar een paar van die "moreelen" op de markt; zij deden of zij het ijselijk druk hadden. Maar we hebben nog heelemaal niet eens samen kunnen praten. Gisteren waren eerst die drie spoorwegmannen hier, en toen kwam die dominee….
HILMAR. Hulpprediker….
LONA. Ik noem hem dominee. Maar wat zeg jullie nu wel van mijn werk in deze vijftien jaar? Is hij niet een flinke kerel geworden? Wie zou den wildzang nog herkennen die van hier wegliep?
HILMAR. Hm…!
JOHAN. Zeg, Lona, bluf nou maar niet te veel.
LONA. Ja, ik ben daar nu echt trotsch op. Lieve Hemel, dat is het eenige wat ik uitgevoerd heb in de wereld; maar dat geeft mij toch wel een beetje recht van bestaan. Ja, Johan, zeg, als wij daaraan terug denken hoe wij tweeen daarginder begonnen met onze vier leege klavieren….
HILMAR. Handen.
LONA. Ik zeg klavieren, want smerig waren ze.
HILMAR. Oeh!
LONA. En leeg waren ze ook.
HILMAR. Leeg? Nou ik moet zeggen…!
LONA. Wat moet je zeggen?
BERNICK. Hm!
HILMAR. Ik moet zeggen … oeh! (gaat de tuintrap af).
LONA. Wat mankeert die vent?
BERNICK. Och, stoor je maar niet aan hem; hij is een beetje zenuwachtig tegenwoordig. Maar wil je den tuin niet eens zien? Daar ben je nog niet geweest, en ik heb nu nog een uurtje vrij.
LONA. Ja, heel graag; je kunt denken dat ik genoeg met mijn gedachten hier in den tuin bij jullie ben geweest.
MEVR. BERNICK. Daar is ook veel veranderd, dat zal je zien.
(Bernick, Mevr. Bernick en Lona gaan den tuin in, waar men hen af en toe ziet gedurende het volgende).
OLAF (in den tuindeur). Oom Hilmar, weet u wat oom Johan mij vroeg? Hij vroeg of ik met hem mee wou gaan naar Amerika.
HILMAR. Jij, zoo'n lummel die hier aan je moeders rokken hangt….
OLAF. Maar dat wil ik nu ook niet langer. U zal eens zien als ik groot ben….
HILMAR. Nonsens; jij hebt geen aanleg in je voor dat stalende dat er gelegen is in…. (zij gaan den tuin in).
JOHAN (tegen Dina die haar hoed heeft afgezet en in de deur rechts staat, terwijl zij het stof van haar japon schudt). U heeft het knapjes warm gekregen van de wandeling.
DINA. Ja; het was een heerlijke wandeling. Zoo'n heerlijke wandeling heb ik nog nooit gemaakt.
JOHAN. U wandelt misschien niet dikwijls zoo in den voormiddag?
DINA. Jawel, maar enkel met Olaf.
JOHAN. Zoo…. U heeft misschien ook lust om in den tuin te gaan, of blijft u liever hier?
DINA. Neen, ik heb veel meer lust om hier te blijven.
JOHAN. Ik ook. En dat is dus afgesproken, dat ik u iederen ochtend kom afhalen om te wandelen.
DINA. Neen, mijnheer Toennesen, dat moet u niet doen.
JOHAN. Waarom niet? U heeft het toch beloofd.
DINA. Jawel; maar nu ik er over nadenk … neen, u moet niet met mij uitgaan.
JOHAN. Maar waarom dan toch niet?
DINA. U is hier vreemd; u begrijpt dat niet; maar ik zal u zeggen….
JOHAN. Wel?
DINA. Och neen … ik spreek er liever niet over.
JOHAN. O, tegen mij kan u gerust over alles spreken wat u wil.
DINA. Dan zal ik het u zeggen: ik ben niet zooals andere jonge meisjes; er is iets … er is iets bizonders met mij. Daarom moet u het niet doen.
JOHAN. Daar begrijp ik heelemaal niets van. U heeft toch niets misdaan?
DINA. Neen, ik niet, maar … ik kan er niets meer van zeggen. U komt het wel te weten door de anderen.
JOHAN. Hm.
DINA. Maar er was nog iets anders dat ik u graag vragen zou.
JOHAN. En wat is dat dan?
DINA. In Amerika is het immers zoo gemakkelijk om een betrekking te krijgen?
JOHAN. Nou, zoo heel gemakkelijk is het nu altijd niet; in het begin moet je dikwijls heel wat uitstaan en hard werken.
DINA. Daar zou ik ook niet tegen opzien….
JOHAN. U?
DINA. Ik kan wel werken; ik ben gezond en sterk, en tante Martha heeft mij van alles geleerd.
JOHAN. Maar, wat drommel, ga dan met ons mee!
DINA. Och, nu maakt u maar gekheid; dat heeft u tegen Olaf ook gezegd. Maar wat ik eigenlijk wilde weten is, of de menschen daarginder erg … erg braaf zijn?
JOHAN. Braaf?
DINA. Ja, ik bedoel of ze ook zoo fatsoenlijk en in den vorm zijn, als hier?
JOHAN. Nou, ze zijn in elk geval niet zoo slecht als ze hier denken. Daar hoeft u niet bang voor te zijn.
DINA. U begrijpt mij niet. Ik zou juist willen dat ze niet zoo fatsoenlijk en braaf waren.
JOHAN. Niet? En hoe moeten ze dan zijn?
DINA. Ik zou willen dat ze natuurlijk waren.
JOHAN. Jawel, jawel, dat zijn ze misschien juist wel.
DINA. Dan zou het goed voor mij zijn om er heen te gaan.
JOHAN. Welzeker, en daarom moet u met ons meegaan.
DINA. Neen, met u ga ik niet mee; ik moet alleen gaan. O, ik zou het nog wel tot iets kunnen brengen; ik zou wel flink worden….
BERNICK (beneden aan de tuintrap bij de beide dames). Blijf maar, blijf; ik zal het wel halen, Betty-lief. Je zoudt licht kou kunnen vatten. (Hij komt de kamer binnen en zoekt naar een chale).
MEVR. BERNICK (in den tuin). Jij moet ook meegaan, Johan. Wij gaan naar de grot.
BERNICK. Neen, Johan moet nu eens hier blijven! Hier, Dina, neem jij de chale mee van mijn vrouw en ga met haar meer. Johan blijft bij mij, Betty-lief. Ik moet nog eens het een-en-ander hooren over de toestanden daarginder.
MEVR. BERNICK. Goed! Maar kom gauw weer bij ons; je weet waar wij te vinden zijn. (Mevr. Bernick, Lona en Dina gaan door den tuin links af).
BERNICK (kijkt hen een oogenblik na, gaat dan de verste deur links sluiten; dan gaat hij naar Johan toe, grijpt zijn beide handen die hij schudt en drukt). Johan, nu zijn wij alleen: laat mij je nu eens danken.
JOHAN. Ach wat!
BERNICK. Mijn huis en haard, mijn huiselijk geluk, mijn heele positie in de maatschappij … heb ik aan jou te danken.
JOHAN. Wel, dat doet mij plezier, beste Karsten, dan is er toch nog iets goeds uit die gekke geschiedenis voortgekomen.
BERNICK (schudt hem opnieuw de hand). Toch dank, dank, en nogmaals dank! Niet een uit de tienduizend zou gedaan hebben wat jij toen voor mij deedt.
JOHAN. 't Is ook wat! Waren we niet allebei jong en loszinnig? Een van ons beiden moest de schuld toch op zich nemen….
BERNICK. Maar wie was daar nader aan toe dan de schuldige zelf?
JOHAN. Stop! Toen was de onschuldige er nader aan toe. Ik was immers heelemaal vrij en ouderloos. En 't was een waar geluk om van die kantoor-slavernij af te komen. Maar jij hadt je oude moeder nog, en daarbij was je net stil geengageerd met Betty, die zoo veel van je hield. Wat zou ze begonnen hebben als ze te weten was gekomen…?
BERNICK. Zeker … zeker … alles waar, maar….
JOHAN. En was het niet juist om Betty dat je een eind ging maken aan dat scharrelpartijtje met madam Dorf? 't Was immers daarom dat je bij haar boven was dien avond….
BERNICK. Ja, die onzalige avond, toen die dronken kerel thuiskwam…! Ja, Johan, dat was om Betty; maar toch … dat je zoo grootmoedig den schijn tegen je zelf keerde en weg ging….
JOHAN. Heb maar geen gewetensbezwaren, beste kerel. We waren het er immers over eens dat het zoo zijn zou; je moest gered worden, en je was immers mijn vriend. Ja, op die vriendschap was ik wat trotsch! Ik liep hier rond als een gewoon huisbakken inlander; en toen kwam jij terug, elegant en voornaam, van je groote buitenlandsche reis. Je was in Parijs en in Londen geweest. En toen koos je mij tot intiemen vriend, hoewel ik vier jaar jonger was dan jij;… nou ja, dat was omdat jij Betty het hof maakte, dat begrijp ik nu wel. Maar wat was ik daar trotsch op! En wie zou dat niet geweest zijn? Wie zou zich niet graag voor je opgeofferd hebben; vooral omdat er toch niet meer aan vast was dan een maand lang wat kletspraatjes in de stad, en ik meteen de wijde wereld kon intrekken.
BERNICK. Hm; mijn beste Johan, ik moet je eerlijk zeggen, dat die geschiedenis nog niet zoo heelemaal vergeten is.
JOHAN. Zoo? Niet? Nou wat raakt mij dat, als ik weer daarginder op mijn farm zit….
BERNICK. Dus je gaat weer terug?
JOHAN. Ja, stellig.
BERNICK. Maar toch niet zoo heel gauw, hoop ik?
JOHAN. Zoo gauw mogelijk. Ik ben alleen maar meegekomen om Lona plezier te doen.
BERNICK. Zoo? Om Lona?
JOHAN. Ja, zie je, Lona is niet jong meer, en in den laatsten tijd begon het verlangen naar haar eigen land haar te kwellen; maar zij wou het nooit bekennen. (Glimlachend). Hoe zou zij zoo'n lichtzinnig wezen durven achterlaten, dat zich, toen hij negentien jaar oud was al had afgegeven met….
BERNICK. En…?
JOHAN. Ja, Karsten, nu moet ik je iets biechten, waarover ik me schaam.
BERNICK. Je hebt haar toch niet verteld hoe de zaak in elkaar zit?
JOHAN. Ja, dat heb ik wel. Het was verkeerd van mij maar ik kon niet anders. Je kunt je niet voorstellen wat Lona voor mij geweest is. Jij hebt haar nooit goed kunnen uitstaan, maar voor mij is ze als een moeder geweest. In de eerste jaren, toen wij het zoo spaansch hadden daarginder, wat heeft ze toen niet gewerkt. En toen ik langen tijd ziek lag en niets kon verdienen, en het ook niet kon verhinderen, toen is zij liederen gaan zingen in cafe's, voordrachten gaan houden, waar de menschen om lachten; en toen heeft ze een boek geschreven waar zij naderhand om gelachen en geschreid heeft,… allemaal om mij in leven te houden. Daarom kon ik het niet langer aanzien hoe zij van den winter verteerde van heimwee, zij, die gezwoegd en geslaafd had voor mij! Neen, dat kon ik niet, Karsten. En daarom zei ik: ga terug Lona, je hoeft voor mij niet bang te zijn; ik ben niet zoo lichtzinnig als je denkt. En zoo … zoo kwam zij het te weten.
BERNICK. En hoe nam zij het op?
JOHAN. Nou, ze vond, wat ook waar was, dat als ik wist niets misdaan te hebben, ik er ook niets tegen hebben kon de reis mee te maken. Maar wees gerust, Lona verklapt niets, en ik zal ook nu wel weer mijn mond houden.
BERNICK. Ja … ja … daar vertrouw ik ook op.
JOHAN. Daar heb je mijn hand er op. En nu zullen wij niet meer spreken over die oude geschiedenis; gelukkig is dat de eenige dolle streek, zoover ik weet, die een van ons heeft uitgehaald. Nu wil ik van de enkele dagen dat ik hier ben ten volle genieten. Je weet niet wat een heerlijke wandeling wij van morgen gemaakt hebben. Wie zou gedacht hebben dat die kleine dreumes, die hier rondliep en voor engeltje speelde op het tooneel…! Maar zeg toch eens,… hoe is het toen verder met haar ouders afgeloopen?
BERNICK. Och, ik weet er niet meer van te vertellen dan ik je schreef kort nadat je weg was. Je hebt immers die twee brieven wel gekregen?
JOHAN. Jawel; jawel; ik heb ze nog allebei. Die dronkenlap liep immers van haar weg?
BERNICK. En is later in de jenever gestikt.
JOHAN. Zij stierf immers ook kort daarop? Maar jij hebt zeker alles voor haar gedaan wat je in stilte doen kon?
BERNICK. Zij was trotsch; zij heeft nooit iets verraden en ze wilde niets aannemen.
JOHAN. 't Is in elke geval goed dat je Dina in huis genomen hebt.
BERNICK. Ja, maar het is eigenlijk Martha geweest die dat heeft doorgedreven.
JOHAN. Zoo was dat Martha's werk? Ja, Martha … dat is waar ook … waar zit die toch van daag?
BERNICK. O, die,… als die niet aan 't les geven is op school, dan is ze bij haar zieken.
JOHAN. Dus Martha heeft zich met haar bezig gehouden.
BERNICK. Ja, Martha heeft altijd een zeker zwakje gehad voor alles wat opvoeding is. Daarom heeft zij ook een betrekking aan de volksschool aangenomen. Dat was een groote dwaasheid van haar.
JOHAN. Ja, zij zag er gisteren erg vermoeid uit; ik vrees ook dat zij daarvoor niet sterk genoeg is.
BERNICK. Och, wat haar gezondheid betreft zou het wel gaan. Maar het is onaangenaam voor mij; 't staat net of ik, haar broer, geen lust heb om haar te onderhouden.
JOHAN. Te onderhouden? Ik dacht dat zij zelf geld genoeg had om….
BERNICK. Geen cent. Je herinnert je nog wel wat voor een benauwde tijd het was voor moeder toen jij weg ging. Zij hield het toen met mijn hulp nog wel een tijdlang vol; maar dat kon op den duur toch zoo niet gaan. Daarom liet ik mij in de firma opnemen; maar zoo ging het toen ook alweer niet. Ik moest dus de heele zaak overnemen, en toen wij onze balans opmaakten, bleek het dat er van het aandeel van mijn moeder zoo goed als niets overbleef. Toen moeder kort daarna overleed, was er natuurlijk ook voor Martha niets.
JOHAN. Die arme Martha!
BERNICK. Arme? Waarom? Je denkt toch niet dat zij iets te kort komt? O neen, ik durf gerust zeggen dat ik een goede broer ben. Zij woont natuurlijk bij ons in en eet aan onze tafel; van hetgeen zij verdient kan zij ruim zich kleeden, en een vrouw alleen … wat zal die met meer uitvoeren?
JOHAN. Hm; in Amerika denken wij daar anders over.
BERNICK. Ja, dat geloof ik wel; in zoo'n vrijgevochten maatschappij als de Amerikaansche. Maar hier, in ons kleine kringetje, waar Goddank de verdorvenheid tot op heden althans, nog niet is binnengedrongen, hier stellen de vrouwen zich er mee tevreden een gepaste, al is het dan ook een bescheiden plaats in te nemen. Het is bovendien Martha's eigen schuld; zij had waarachtig al lang bezorgd kunnen zijn, als zij maar gewild had.
JOHAN. Je bedoelt dat zij had kunnen trouwen?
BERNICK. Ja, zij had zelfs meer dan eens een heel goede partij kunnen doen; zij heeft verscheidene goede aanzoeken gehad. Merkwaardig genoeg; een onbemiddeld meisje, niet jong meer, en daarbij hoogst onbeduidend.
JOHAN. Onbeduidend?
BERNICK. Nou, ik maak er haar geen verwijt van. Ik verlang haar niet anders dan ze is. Je begrijpt, in een groot huis als het onze, is het altijd gemakkelijk zoo'n eenvoudig persoontje te hebben die je voor alles gebruiken kunt.
JOHAN. Jawel, maar zij…?
BERNICK. Zij? Hoe dat?… Nu ja, zij heeft natuurlijk ook wel wat om zich voor te interesseren. Zij heeft mij toch, en Betty en Olaf en mij. Een mensch moet niet altijd in de eerste plaats aan zich zelf denken, en allerminst een vrouw. Wij hebben toch allemaal een kleinere of grootere maatschappij om te steunen en voor te werken. Zoo doe ik althans (wijst naar Krap, die van rechts komt). Daar heb je net het bewijs voor mijn stelling. Denk je dat het mijn eigen zaken zijn die mij in beslag nemen? Volstrekt niet. (Snel tegen Krap). Wel?
KRAP (zacht, laat een pak papieren zien). Alle koopcontracten in orde.
BERNICK. Prachtig! Uitmuntend!… Ja, beste jongen, nu moet je mij heusch voor een poosje excuseeren. (Gedempt en met een handdruk). Dank, dank, Johan; en wees er van overtuigd, dat ik alles, waarmee ik je van dienst kan zijn,… nu, je begrijpt mij wel…. Kom, mijnheer Krap. (Zij gaan Bernick's kamer binnen).
JOHAN (kijkt hen een poos na). Hm…. (hij wil den tuin ingaan. Op hetzelfde oogenblik komt Martha met een mandje aan haar arm van rechts).
JOHAN. Kijk eens aan, Martha!
MARTHA. O … Johan … ben jij het?
JOHAN. Ook al zoo vroeg op het pad?
MARTHA. Ja. Wacht maar even, als je wilt; de anderen zullen wel dadelijk komen. (Wil naar links weggaan).
JOHAN. Hoor eens, Martha, heb je altijd zoo'n haast?
MARTHA. Ik?
JOHAN. Gisteren liep je ook al weg, zoodat ik geen woord met je kon praten, en van daag….
MARTHA. Ja, maar….
JOHAN. Vroeger waren wij toch altijd bij elkaar, wij twee oude speelkameraden.
MARTHA. Och, Johan, dat is zoo heel, heel lang geleden.
JOHAN. Wel, het is op den kop af vijftien jaar geleden, niet meer en niet minder. Vindt je soms dat ik zoo erg veranderd ben?
MARTHA. Jij? O ja, jij ook, hoewel….
JOHAN. Nou wat?
MARTHA. Och … niets.
JOHAN. Je schijnt niet erg blij te zijn om me terug te zien.
MARTHA. Je heb zoo lang gewacht … te lang.
JOHAN. Gewacht? Dat ik terugkomen zou?
MARTHA. Ja.
JOHAN. En waarvoor dacht je dat ik terugkomen zou?
MARTHA. Om goed te maken wat je misdaan hebt.
JOHAN. Ik?
MARTHA. Heb je vergeten dat er een vrouw in ellende en schande gestorven is door jouw schuld? Heb je vergeten, dat door jouw schuld de beste jaren van een opgroeiend meisje vergald werden?
JOHAN. En dat moet ik van jou hooren? Martha, heeft je broer dan nooit…?
MARTHA. Wat?
JOHAN. Heeft hij nooit…; nu ja, ik bedoel, heeft hij nooit zooveel als een woord tot mijn verontschuldiging gezegd?
MARTHA. Och, Johan, je kent immers Karsten's strenge principes wel.
JOHAN. Hum…, ja zeker, zeker ken ik de strenge principes van mijn ouden vriend Karsten wel…. Maar dat is toch…! Wel!… Ik sprak zoo even met hem. Ik vind dat hij opvallend veranderd is.
MARTHA. Hoe kan je dat zeggen? Karsten is toch altijd zoo'n uitstekend mensch geweest.
JOHAN. Zoo was het eigenlijk niet bedoeld; maar dat doet er niet toe. Hm; nu begrijp ik pas in welk licht je mij gezien hebt; je hebt gewacht en uitgekeken naar de terugkomst van den verloren zoon.
MARTHA. Johan, ik zal je zeggen in welk licht ik je gezien heb (wijst naar den tuin). Zie je haar, die daarginder in het gras met Olaf speelt? Dat is Dina. Herinner je je nog dien verwarde brief dien je mij schreef toen je weg ging? Je schreef dat ik in je gelooven moest. Ik heb in je geloofd, Johan. Al die slechte dingen die later van je verteld werden, moeten in de verwarring, zonder nadenken, zonder overleg gebeurd zijn….
JOHAN. Wat voor dingen bedoel je?
MARTHA. Och, je begrijpt mij heel goed;… daarover praat ik niet meer. Maar je moest immers weg, van voren af aan beginnen, een nieuw leven. Zie je, Johan, ik ben je plaatsvervangster hier geweest, ik, je oude speelkameraad. De plichten die jij hier verzuimde te vervullen, of niet vervullen kon, die heb ik op mij genomen en voor je vervuld. Ik vertel je dit omdat je je ook niet dat nog te verwijten zoudt hebben. Voor het arme, verongelijkte kind, ben ik een moeder geweest; ik heb haar opgevoed zoo goed als ik kon….
JOHAN. En je heele leven daaraan verspild….
MARTHA. Dat is niet verspild. Maar je bent laat gekomen, Johan.
JOHAN. Martha … als ik je alles zeggen kon…. Wel, laat ik je in elk geval danken voor je trouwe vriendschap.
MARTHA (met een droevig lachje). Hm…. Zoo, nu heb ik ten minste gezegd wat ik op 't hart had. Sst; daar komt iemand. Adieu; ik kan nu niet…. (zij gaat weg door de verste deur links. Lona Hessel komt uit den tuin, gevolgd door Mevr. Bernick).
MEVR. BERNICK (nog in den tuin). Maar om 's hemels wil, Lona, wat verzin je toch!
LONA. Laat mij toch maar begaan; ik wil en moet met hem spreken.
MEVR. BERNICK. Maar dat zou toch het grootst mogelijke schandaal geven! O Johan, ben jij daar nog?
LONA. Maak dat je wegkomt, jongen; blijf niet hier in de kameratmosfeer omhangen; ga den tuin in en praat een beetje met Dina.
JOHAN. Dat was ik juist van plan.
MEVR. BERNICK. Maar….
LONA. Hoor eens, Johan, heb je Dina al eens goed aangekeken?
JOHAN. Ik geloof van ja.
LONA. Je moet haar maar eens heel nauwkeurig opnemen, jongen. Dat zou iets voor jou zijn!
MEVR. BERNICK. Maar Lona!
JOHAN. Iets voor mij?
LONA. Ja, om naar te kijken, meen ik. Ga nu maar!
JOHAN. Maar al te graag! (hij gaat den tuin in).
MEVR. BERNICK. Lona, ik sta verstomd over je. Dit kan je toch onmogelijk ernst zijn.
LONA. Ja waarachtig is het mij ernst. Is zij niet frisch en gezond en braaf? Zij is net een vrouw voor Johan. Zoo een heeft hij daarginder net noodig; dat zal wat anders zijn dan een oude stiefzuster!
MEVR. BERNICK. Dina! Dina Dorf! Denk toch eens aan!…
LONA. Ik denk in de eerste plaats aan het geluk van mijn jongen. Want hem een beetje helpen moet ik wel; zelf is hij niet heel handig in zulke dingen; voor meisjes en vrouwen heeft hij nooit veel oog gehad.
MEVR. BERNICK. Hij niet? Johan! Nou, mij dunkt dat wij van het tegendeel de treurige bewijzen wel gehad hebben….
LONA. Naar den drommel met die malle geschiedenis! waar is Bernick? Ik moet hem spreken.
MEVR. BERNICK. Lona, je doet het niet, zeg ik je!
LONA. Ik doe het wel. Heeft de jongen zin in haar … en zij in hem … dan zullen ze elkaar krijgen ook. Bernick is immers zoo'n knappe man; die moet dan maar een uitweg vinden….
MEVR. BERNICK. En geloof je dat zulke Amerikaansche onwelvoegelijkheden hier geduld zullen worden….
LONA. Leuterpraat, Betty.
MEVR. BERNICK. … dat een man als Karsten, met zijn streng moreele begrippen….
LONA. Och wat! Die zullen wel zoo overdreven streng niet zijn.
MEVR. BERNICK. Wat durf je daar te zeggen?
LONA. Ik durf zeggen dat Bernick wel niet zooveel braver zal zijn dan andere mannen.
MEVR. BERNICK. Zoo diep zit dus de haat nog in je! Maar wat wil je dan toch eigenlijk hier, als je nooit hebt kunnen vergeten dat…? Ik begrijp niet dat je hem onder de oogen durfde komen na de schandelijke beleediging die je hem hebt aangedaan.
LONA. Ja, Betty, toen heb ik mij leelijk vergaloppeerd.
MEVR. BERNICK. En hoe grootmoedig heeft hij het je niet vergeven, hij, die toch nooit iets misdaan had! Want hij kon toch niet helpen dat jij je hier illusies gemaakt hadt. Maar sinds dien tijd heb je ook een hekel aan mij. (Begint te schreien). Je hebt mij mijn geluk nooit gegund. En nu kom je hier om mij al die narigheid te bezorgen … om de heele stad te laten zien in wat voor een familie ik Karsten gebracht heb. Ik zal er op aangezien worden, en dat is het juist wat je wilt. O, het is afschuwelijk van je! (Ze gaat schreiend weg door de verste deur links).
LONA (haar nakijkend). Arme Betty! (Bernick komt uit zijn kamer).
BERNICK (nog in de deur). Ja, ja, dat is best mijnheer Krap; dat is uitstekend. Stuur vierhonderd kronen voor voedsel voor de armen. (keert zich om). Lona! (dichterbij). Ben je alleen? Komt Betty niet hier?
LONA. Neen. Zal ik haar soms gaan halen?
BERNICK. Neen, neen, neen, niet doen! O Lona, je weet niet hoe ik er naar verlangd heb eens openhartig met je te praten … om je vergeving af te smeeken.
LONA. Hoor eens, Karsten, laat ons niet sentimenteel worden; dat staat ons niet.
BERNICK. Je moet mij aanhooren, Lona. Ik weet wel hoezeer de schijn tegen mij is, nu je gehoord hebt van die zaak met Dina's moeder. Maar ik zweer je, dat het maar een korte opwinding geweest is; ik heb eens heusch eerlijk en oprecht van je gehouden.
LONA. Waarvoor denk je dat ik teruggekomen ben?
BERNICK. Wat je ook van plan bent, ik smeek je niets te ondernemen voor ik mij gerechtvaardigd heb. Ik kan het, Lona, ik kan mij in elk geval verontschuldigen.
LONA. Nu ben je bang…. Je hebt eens van mij gehouden, zeg je. Ja, dat heb je me dikwijls genoeg verzekerd in je brieven; en misschien was het ook wel waar … in zekeren zin … zoolang je nog daarginder in een ruimer en vrijer wereld leefde, die je den moed gaf zelf vrij en ruim te denken. Je vondt misschien bij mij meer karakter en eigen wil en zelfstandigheid, dan bij de meesten hier. En dan was het ook een geheim tusschen ons beiden; niemand kon je uitlachen over je slechten smaak.
BERNICK. Lona, hoe kan je toch denken…?
LONA. Maar toen je terugkwam, toen je allerlei spotternijen hoorde, die als hagel op me neervielen, toen je hoorde hoe er gelachen werd over alles wat ze hier mijn dwaasheden noemden….
BERNICK. Maar je was toen ook erg excentriek.
LONA. Toch voornamelijk om al die stijve harken te ergeren, die in pantalons en rokken door de stad slenterden. En toen je dan die jonge verleidelijke actrice ontmoette….
BERNICK. Het was een kwajongensstreek … anders niets; ik zweer dat er geen tiende deel waar was van al de praatjes en den laster die in omloop waren.
LONA. 't Kan zijn; maar toen nu Betty thuis kwam, mooi, bloeiend, door allen vergood … en het bekend werd dat zij het heele fortuin van tante erven zou, en ik niets zou krijgen….
BERNICK. Ja, dat is nu juist de zaak, Lona; en nu zal je ook alles zonder omwegen hooren. Ik had Betty toen niet lief. Ik maakte het niet af met jou om een nieuwe verliefdheid. Ronduit gezegd, het was om het geld. Ik was er toe gedwongen; ik moest dat geld hebben.
LONA. En dat zeg je mij zoo maar vlak in mijn gezicht?
BERNICK. Ja, dat doe ik. Luister eens, Lona….
LONA. En toch schreef je mij dat een onoverwinnelijke liefde voor Betty zich meester van je gemaakt had, deed je een beroep op mijn grootmoedigheid, bezwoer je mij ter wille van Betty te zwijgen over wat er tusschen ons geweest was….
BERNICK. Ik moest het wel doen, zeg ik je immers.
LONA. Nou, dan weet de hemel dat ik er geen berouw van heb dat ik mij toen zoo vergaloppeerde.
BERNICK. Laat ik je eens koel en kalm vertellen hoe de toestand was in die dagen. Mijn moeder stond, zooals je je herinnert, aan het hoofd van de zaak; maar zij had absoluut geen verstand van zaken. Ik werd haastig teruggeroepen uit Parijs; de tijden waren kritiek; ik moest de zaak weer op de been helpen. Wat vond ik? Ik vond, wat natuurlijk diep geheim gehouden moest worden, een zoo goed als geruineerd huis. Ja, het was zoo goed als geruineerd, dit oude aanzienlijke huis, dat al sedert drie geslachten had bestaan. Wat had ik, de zoon, de eenige zoon, anders te doen dan om te zien naar een reddingsmiddel?
LONA. En zoo redde je het huis Bernick ten koste van een vrouw.
BERNICK. Je weet wel dat Betty van mij hield.
LONA. Maar ik dan?
BERNICK. Geloof mij … Lona … je zoudt met mij nooit gelukkig geworden zijn.
LONA. Was het uit bezorgdheid voor mijn geluk dat je mij losliet?
BERNICK. Denk je soms dat ik uit egoisme handelde zoo als ik het deed? Als ik toen alleen gestaan had, dan zou ik flink en moedig van voren af aan begonnen zijn. Maar je hebt geen idee hoe een zakenman, onder den druk van een onmogelijke zware verantwoordelijkheid, samengroeit met de zaak die hij erft. Weet je wel dat het wel en wee van honderden, ja duizenden, van hem afhangt? En bedenk je wel dat de heele maatschappij, die wij allebei ons thuis noemen, op de gevoeligste manier de gevolgen van den val van het huis Bernick zou ondervonden hebben?
LONA. En is het ook ter wille van de maatschappij dat je al vijftien jaar lang die leugen volgehouden hebt?
BERNICK. Die leugen?
LONA. Wat weet Betty van alles, wat te grond ligt aan je vereeniging met haar, en daaraan vooraf ging?
BERNICK. Waarom zou ik haar zonder eenig nut pijn doen, met haar die dingen te vertellen?
LONA. Zonder eenig nut, zeg je? Ja, ja, je bent een man van zaken; jij moet weten wat nuttig is of niet…. Maar hoor nu eens, Karsten, nu zal ik ook eens koel en kalm spreken. Zeg mij eens … ben je nu ook heusch gelukkig?
BERNICK. In mijn gezin, bedoel je?
LONA. Ja.
BERNICK. Ja, Lona, dat ben ik. O, je bent niet voor niets zoo'n opofferende vriendin voor mij geweest. Ik durf zeggen dat ik ieder jaar gelukkiger ben geworden. Betty is lief en meegaande. En wat heeft zij in den loop der jaren geleerd zich naar mijn eigenaarigheden te voegen…!
LONA. Hm.
BERNICK. Vroeger had zij een heeleboel overspannen idees over de liefde; zij kon zich maar niet vereenigen met de gedachte dat die zachtjes aan moest overgaan in een kalme vriendschap.
LONA. Maar berust zij nu daarin?
BERNICK. Volkomen. Je kunt begrijpen dat de dagelijksche omgang met mij, haar ook veel heeft gerijpt en niet zonder invloed op haar gebleven is. De menschen moeten leeren van beide kanten wat water in hun wijn te doen, als zij in de maatschappij waarin zij leven waardig hun plaats zullen innemen. Dat heeft Betty later ook leeren inzien, en daarom is ons huis nu een voorbeeld voor onze medeburgers.
LONA. Maar die medeburgers weten niets van de leugen?