HENRIK IBSEN (continued 7)
J. Clant van der Mijll-Piepers translation
OSWALD (zit in den stoel met zijn rug naar den achtergrond, zonder zich te bewegen. Plotseling zegt hij): Moeder, geef mij de zon.
MEVR. ALVING (bij de tafel ziet hem verschrikt aan). Wat zeg je?
OSWALD (herhaalt dof en toonloos). De zon. De zon.
MEVR. ALVING (vlakbij hem). Oswald, hoe is het met je?
OSWALD (schijnt in den stoel in elkaar te zakken; alle spieren worden slap; zijn gezicht verliest alle uitdrukking; de oogen staren wezenloos voor zich uit).
MEVR. ALVING (bevend van angst). Wat is dat (gilt) Oswald! Wat is er! (valt op de knieen bij hem neer en schudt hem) Oswald! Oswald! Kijk me aan! Ken je mij niet?
OSWALD (toonloos als voren). De zon. De zon.
MEVR. ALVING (springt wanhopig op, grijpt met beide handen in haar haren en roept): Dat kan ik niet dragen! (fluistert als verstijfd van schrik). Dat kan ik niet dragen! Nooit! (plotseling). Waar heeft hij ze gelaten? (voelt pijlsnel op zijn borst). Hier! (wijkt een paar stappen terug en gilt). Neen, neen! (zij staat een paar passen van hem af, de handen in het haar en staart hem in sprakelooze ontzetting aan).
OSWALD (zit onbeweeglijk als te voren en zegt) De zon. De zon.
EINDE VAN HET DERDE OF LAATSTE BEDRIJF.
* * * * *
EEN VIJAND DES VOLKS
TOONEELSPEL IN VIJF BEDRIJVEN
* * * * *
PERSONEN:
DOKTER THOMAS STOCKMANN, baddokter. MEVROUW STOCKMANN, zijn vrouw. PETRA, hunne dochter, onderwijzeres. EJLIF en MORTEN, hun zonen, dertien en tien jaar oud. PETER STOCKMANN, oudere broeder van den dokter, burgemeester, hoofd van de politie en president van het Bestuur der Badinrichting, enz. MORTEN KUL, leerlooier, pleegvader van Mevr. Stockmann. HOVSTAD, redacteur van de "Volksbode". BILLING, medewerker aan dat blad. HORSTER, scheepskapitein. ASLAKSEN, boekdrukker.
Het stuk speelt in een kustplaats in Zuidelijk Noorwegen.
* * * * *
EERSTE BEDRIJF.
De huiskamer van den dokter. Het is avond. De kamer is netjes maar heel eenvoudig ingericht en gemeubileerd. In den zijwand rechts zijn twee deuren, waarvan de achterste naar de voorkamer leidt en de voorste naar de werkkamer van den dokter. In den tegenovergestelden wand, vlak tegenover de deur naar de voorkamer, is een deur die naar de overige vertrekken van het gezin leidt. Midden in dien zelfden wand staat de kachel, en meer op den voorgrond een canape, met een spiegel er boven en een ovale tafel met kleed, er voor. Op de tafel een brandende lamp met kap. Op den achtergrond een open deur naar de eetkamer. Daarbinnen is gedekt voor het avondeten; lamp op tafel.
Billing zit in de eetkamer met een servet onder zijn kin. Mevr. Stockmann staat bij de tafel en reikt hem een schotel aan met een groot stuk gebraden vleesch. De overige plaatsen om de tafel zijn onbezet; op de tafel staat alles in wanorde als na het einde van een maaltijd.
* * * * *
MEVR. STOCKMANN. Ja, als u een uur te laat komt, mijnheer Billing, moet u tevreden zijn met koud eten.
BILLING (etend). Het smaakt uitstekend,… heerlijk zelfs.
MEVR. STOCKMANN. U weet wel dat Stockmann erg precies is op zijn etensuren….
BILLING. Dat kan mij heelemaal niet schelen. Ik geloof haast dat het nog beter smaakt als ik zoo heel alleen en ongestoord eten kan.
MEVR. STOCKMANN. Nu, goed; als 't u maar smaakt, dan…. (luistert naar de voorkamer) Daar komt Hovstad zeker ook.
BILLING. Misschien wel.
(Burgemeester Stockmann komt binnen, in overjas en met zijn uniformpet op; zijn stok in de hand).
BURGEM. STOCKMANN. Goeden avond, waarde schoonzuster.
MEVR. STOCKMANN (gaat naar de huiskamer). Kijk eens aan, is u daar? Goeden avond. Dat is aardig van u dat u eens bij ons komt.
BURGEM. STOCKMANN. Ik kwam juist voorbij en toen…. (met een blik naar de eetkamer) O, maar u heeft bezoek, naar 't schijnt.
MEVR. STOCKMANN (een beetje verlegen). O, neen, volstrekt niet, dat is maar toevallig (snel). Wil u niet ook een stukje mee eten?
BURGEM. STOCKMANN. Ik! Dank u wel; Godbewaarme warm eten 's avonds; dat gedoogt mijn spijsvertering niet.
MEVR. STOCKMANN. O, maar, voor een enkelen keer….
BURGEM. STOCKMANN. Neen, neen, dank je wel. Ik hou me aan een kopje thee en een boterhammetje. Dat is toch gezonder op den duur,… en ook wel wat goedkooper.
MEVR. STOCKMANN (glimlacht). U moet niet denken dat Thomas en ik het ook zoo over den balk gooien.
BURGEM. STOCKMANN. U niet, schoonzuster; dat zij verre van mij (wijst naar de werkkamer van den dokter). Is hij soms niet thuis?
MEVR. STOCKMANN. Neen, hij is nog een eindje omgegaan na het eten … hij en de jongens.
BURGEM. STOCKMANN. Of dat nu wel gezond is? (luistert). Daar komt hij geloof ik.
MEVR. STOCKMANN. Neen, dat zal hij nog niet zijn (er wordt geklopt). Binnen! (Hovstad komt uit de voorkamer).
MEVR. STOCKMANN. O, is u dat, mijnheer Hovstad…?
HOVSTAD. Ja, ik maak u mijn excuses; maar ik werd opgehouden in de drukkerij. Goeden avond, burgemeester.
BURGEM. STOCKMANN (groet een beetje stijf). Mijnheer Hovstad. U komt zeker voor zaken.
HOVSTAD. Gedeeltelijk. 't Is voor iets dat in ons blad komen moet.
BURGEM. STOCKMANN. Dat kan ik mij voorstellen. Mijn broer moet een bizonder vruchtbaar medewerker van de "Volksbode" zijn, naar ik hoor.
HOVSTAD. Ja, hij permitteert zich in de "Volksbode" te schrijven, wanneer hij over het een of ander de waarheid zeggen wil.
MEVR. STOCKMANN (tegen Hovstad). Maar wil u niet…? (wijst naar de eetkamer).
BURGEM. STOCKMANN. O, ik neem het hem volstrekt niet kwalijk, dat hij schrijft voor den kring van lezers bij wie hij de meeste instemming kan verwachten. Overigens heb ik persoonlijk geen reden om iets tegen uw blad te hebben, mijnheer Hovstad.
HOVSTAD. Neen, dat dunkt mij ook.
BURGEM. STOCKMANN. Over het geheel genomen heerscht er een mooie geest van verdraagzaamheid in onze stad;… een waarlijk goede gemeenschapsgeest. En dat komt daar vandaan dat wij ons om een groot algemeen belang vereenigen kunnen,… een belang dat in gelijke mate alle rechtschapen burgers aangaat….
HOVSTAD. De badinrichting, ja.
BURGEM. STOCKMANN. Juist. Wij hebben allen onze groote, nieuwe, prachtige badinrichting. Let op! De baden worden hier nog de voornaamste bron van inkomsten voor de stad, mijnheer Hovstad. Zonder eenigen twijfel!
MEVR. STOCKMANN. Dat zegt Thomas ook.
BURGEM. STOCKMANN. Wat is de plaats niet reusachtig vooruitgegaan deze laatste paar jaren! Er is geld onder de menschen gekomen; leven en beweging. Gebouwen en grondeigendommen stijgen iederen dag in waarde.
HOVSTAD. En de werkeloosheid vermindert.
BURGEM. STOCKMANN. Dat ook, ja. De armenlasten zijn voor de bezittende klasse in verblijdende mate verminderd, en dat zal nog beter worden, als wij dit jaar maar een mooien zomer krijgen;… een massa vreemdelingen en veel zieken waardoor de inrichting bekend wordt….
HOVSTAD. En daar is wel uitzicht op, hoor ik.
BURGEM. STOCKMANN. Het ziet er veelbelovend uit. Iederen dag komen er al aanvragen om woningen en zoo al meer.
HOVSTAD. Nu, dan komt het artikel van den dokter juist van pas.
BURGEM. STOCKMANN. Heeft hij nu weer wat geschreven?
HOVSTAD. Het is iets dat hij verleden winter al schreef; een aanbeveling van de badinrichting, een uiteenzetting van den gunstigen gezondheidstoestand hier bij ons. Maar toen liet ik het stuk liggen.
BURGEM. STOCKMANN. Aha, dan was er zeker het een of ander niet in den haak?
HOVSTAD. Neen, dat niet; maar ik hield het voor beter er mee te wachten tot 't voorjaar; want nu beginnen de menschen voorbereidselen te maken en te denken over een zomerverblijf….
BURGEM. STOCKMANN. Zeer juist; buitengewoon juist gezien, mijnheer.
MEVR. STOCKMANN. Ja, Thomas is waarlijk onvermoeid waar het de badinrichting betreft.
BURGEM. STOCKMANN. Nu ja, hij is er dan ook bij aangesteld.
HOVSTAD. Ja, en dan is hij het toch ook, die er den eersten stoot aan heeft gegeven.
BURGEM. STOCKMANN. Is hij dat? Zoo? Ja, ik hoor wel eens meer dat sommige menschen dat denken. Maar ik geloof toch wel dat ik ook voor een bescheiden deel in die zaak betrokken was.
MEVR. STOCKMANN. Ja zeker; dat zegt Thomas ook altijd.
HOVSTAD. Maar wie ontkent dat dan, burgemeester? U heeft de zaak op gang geholpen en praktisch uitgevoerd; dat weten wij immers allemaal. Ik bedoelde alleen maar dat het idee oorspronkelijk van den dokter kwam.
BURGEM. STOCKMANN. Ja, idees heeft mijn broer zeker genoeg gehad, zijn leven lang … helaas. Maar als er iets uitgevoerd moet worden is er een ander slag van mannen noodig, mijnheer Hovstad. En ik dacht eigenlijk dat men allerminst hier in huis….
MEVR. STOCKMANN. Maar waarde zwager….
HOVSTAD. Maar hoe kan burgemeester toch….
MEVR. STOCKMANN. Ga u toch binnen om wat te gebruiken, mijnheer Hovstad; mijn man zal in dien tusschentijd wel komen.
HOVSTAD. Dank u; een klein stukje wil ik wel…. (gaat in de eetkamer).
BURGEM. STOCKMANN (gedempt). 't Is toch vreemd met die lui die zoo regelrecht van boeren afstammen … nooit kunnen zij die takteloosheid afleeren….
MEVR. STOCKMANN. Maar dat is toch niet de moeite waard om er over te denken? Kan u met Thomas die eer niet broederlijk deelen?
BURGEM. STOCKMANN. Ja, dat zou je zoo zeggen; maar blijkbaar neemt niet iedereen genoegen met deelen.
MEVR. STOCKMANN. Och onzin! U en Thomas kunnen immers zoo uitstekend samen overweg (luistert). Daar komt hij, geloof ik (gaat de deur van de voorkamer opendoen).
DR. STOCKMANN (lacht en stommelt). Kijk eens Katrine, hier krijg je nog een gast. Jolig, he? Alsjeblieft, kapitein Horster; hang uw jas maar aan den kapstok. O zoo, draagt u geen overjas? Verbeeld je, ik heb hem op straat opgevangen; hij was haast niet mee te krijgen.
KAPITEIN HORSTER (komt binnen en begroet mevr. Stockmann).
DR. STOCKMANN (in de deur). Naar binnen, jongens! Zeg, die rammelen alweer van den honger! Kom hier, kapitein, nu zal u eens een lekker stukje vleesch proeven…. (hij drijft Horster de eetkamer in. Ejlif en Morten gaan die ook binnen).
MEVR. STOCKMANN. Maar Thomas, zie je dan niet…?
DR. STOCKMANN (wendt zich om in de deur). O, ben jij daar Peter! (gaat hem de hand reiken). Dat is alleraardigst.
BURGEM. STOCKMANN. Ja, maar ik moet helaas terstond weer weg.
DR. STOCKMANN. Praatjes! Aanstonds komt de grog op tafel. Je vergeet toch de grog niet, Katrine?
MEVR. STOCKMANN. Neen, zeker niet; het water kookt al (af in de eetkamer).
BURGEM. STOCKMANN. Grog ook al!…
DR. STOCKMANN. Ja. Ga nu toch zitten, dan maken wij het hier gezellig.
BURGEM. STOCKMANN. Dank je, neen; ik doe nooit mee aan grog-fuiven.
DR. STOCKMANN. Nu maar dit is toch geen fuif.
BURGEM. STOCKMANN. Mij lijkt het toch zoo…. (kijkt naar de eetkamer). Het is merkwaardig wat die allemaal verslinden kunnen.
DR. STOCKMANN (wrijft zich de handen). Ja, is dat geen genot om jonge menschen te zien eten? Altijd eetlust, wat? Zoo moet het ook zijn. Eten moeten ze. Krachten opdoen! Zij zijn de menschen die de gistende toekomststoffen zullen omwoelen, Peter.
BURGEM. STOCKMANN. Mag ik vragen wat hier "om te woelen" is, zooals je je uitdrukt?
DR. STOCKMANN. Ja, daar moet je de jeugd maar naar vragen … als de tijd daar is. Wij zien dat natuurlijk niet meer. Dat spreekt. Twee oude knullen, zooals jij en ik….
BURGEM. STOCKMANN. Nou, nou, zeg! Dat is toch een heel zonderlinge benaming….
DR. STOCKMANN. Ja, je moet 't maar zoo nauw niet met me nemen, Peter. Want ik ben zoo innig blij en in mijn schik, moet ik je zeggen. Ik voel me zoo onbeschrijflijk gelukkig midden in dit kiemende, uitbottende leven. Wat een heerlijke tijd is het toch waarin wij leven. Het is of er een heele nieuwe wereld rondom ons aan het opbloeien is.
BURGEM. STOCKMANN. Vindt je dat waarlijk?
DR. STOCKMANN. Jij kunt dat natuurlijk niet zoo zien als ik. Jij hebt je heele leven hier met dat alles meegeleefd; en dan stompt de indruk af. Maar ik die daar in mijn uithoek in het Noorden moest zitten al die jaren, haast nooit een vreemde zag die een opwekkend woord voor mij had,… op mij werkt dat alsof ik plotseling in het drukke leven van een wereldstad ben verplaatst.
BURGEM. STOCKMANN. Hm,… een wereldstad….
DR. STOCKMANN. Ja, ik weet wel dat de verhoudingen hier klein zijn in vergelijking met vele andere plaatsen. Maar hier is leven, belofte voor de toekomst, een aantal dingen om voor te werken en te strijden; en dat is de hoofdzaak (roept): Katrine, is de brievenbesteller er niet geweest?
MEVR. STOCKMANN. Neen, er is niemand geweest.
DR. STOCKMANN. En dan het goede leven hier, Peter! Dat is iets dat iemand leert waardeeren, als je, zooals wij, nagenoeg honger geleden hebt….
BURGEM. STOCKMANN. Lieve hemel!…
DR. STOCKMANN. Ja, ja, je kunt je wel begrijpen dat wij het menigmaal benauwd hadden, daar in het hooge Noorden. En nu als een heer te kunnen leven! Vandaag, bijvoorbeeld, hebben wij gebraden rundvleesch op tafel gehad; ja wij hebben er zelfs van avond ook nog van. Wil je niet eens een stukje proeven? Of zal ik het je ten minste even laten zien? Kom eens hier….
BURGEM. STOCKMANN. Neen, neen, dank je, stellig niet….
DR. STOCKMANN. Nou, kom dan toch maar eens hier. Kijk, wij hebben een tafelkleed gekregen.
BURGEM. STOCKMANN. Ja dat heb ik gezien.
DR. STOCKMANN. En een lampekap hebben we ook. Zie je? Dat heeft Katrine allemaal van gespaard geld aangeschaft. En dat maakt de kamer zoo gezellig. Vind je ook niet? Ga hier eens staan;… neen, neen, niet zoo. Zoo, ja? Zie je, als het licht er zoo geconcentreerd op valt…. Ik vind heusch dat het elegant staat. He?
BURGEM. STOCKMANN. Ja, als men zich die weelde veroorloven kan….
DR. STOCKMANN. O ja, nu kan ik mij die wel veroorloven; Katrine zegt dat ik bijna zoo veel verdien als wij noodig hebben.
BURGEM. STOCKMANN. Bijna, ja…!
DR. STOCKMANN. Maar een man van de wetenschap dient toch ook een beetje voornaam te leven. Ik ben er zeker van dat een gewoon lid van het gemeentebestuur veel meer verteert in een jaar dan ik.
BURGEM. STOCKMANN. Ja, dat geloof ik graag! Een lid van het gemeentebestuur, een overheidspersoon!…
DR. STOCKMANN. Nou, dan een gewoon groothandelaar! Zoo een verteert wel ik weet niet hoeveel maal zooveel als ik.
BURGEM. STOCKMANN. Ja, dat brengt hun positie nu zoo mee.
DR. STOCKMANN. Overigens doe ik heelemaal geen onnoodige uitgaven, Peter! Maar ik kan mij toch niet het groote genoegen ontzeggen om menschen bij mij te zien. Dat heb ik noodig, zie je. Ik, die zoolang in verbanning geleefd heb;… voor mij is het een levensbehoefte om met jonge, frissche, moedige jonge menschen, vrijzinnige, ondernemende jonge menschen;… en dat zijn ze, die allemaal, die daarbinnen zoo lekker zitten te eten. Ik wou dat je Hovstad wat nader leerde kennen….
BURGEM. STOCKMANN. Ja, Hovstad … dat is waar, hij vertelde mij, dat hij weer een artikel van je zou opnemen in zijn courant.
DR. STOCKMANN. Een artikel van mij?
BURGEM. STOCKMANN. Ja, over de badinrichting. Een artikel dat je van den winter al geschreven hadt.
DR. STOCKMANN. O dat, ja!… Neen, maar dat wil ik nu vooreerst niet geplaatst hebben.
BURGEM. STOCKMANN. Niet? Ik vind toch dat het juist nu de beste tijd er voor is.
DR. STOCKMANN. Ja, daar kan je wel gelijk in hebben, in gewone omstandigheden…. (loopt door de kamer)
BURGEM. STOCKMANN (volgt hem met de oogen). Wat zijn er dan nu voor ongewone omstandigheden?
DR. STOCKMANN (blijft staan). Ja, Peter, dat kan ik je op het oogenblik heusch nog niet zeggen, in elk geval van avond niet. Misschien is er heel veel ongewoons in de omstandigheden, of misschien ook heelemaal niets. Het kan heel goed zijn dat het maar verbeelding is.
BURGEM. STOCKMANN. Ik moet bekennen dat dit uiterst raadselachtig klinkt. Is er iets aan de hand? Iets waar ik buiten gehouden moet worden? Ik zou toch meenen, dat ik, als president van het bestuur der badinrichting….
DR. STOCKMANN. En ik zou toch meenen dat ik … neen, laten we elkaar niet in het haar vliegen, Peter.
BURGEM. STOCKMANN. De Hemel bewaar me; 't is mijn gewoonte niet om iemand in het haar te vliegen, zooals je zegt. Maar ik moet er heel beslist op aandringen dat alle maatregelen langs officieelen weg en door de wettig daarvoor aangestelde machten behandeld worden. Ik kan niet toestaan dat men langs kronkelpaden of achterwegen gaat.
DR. STOCKMANN. Ben ik gewoon langs kronkelpaden of achterwegen te gaan?
BURGEM. STOCKMANN. Je hebt in elk geval een ingeboren neiging om je eigen weg te gaan. En dat is in een goed geregelde maatschappij al haast evenmin toe te laten…. De eenling moet zich volstrekt aan de meerderheid onderwerpen of, juister gezegd, aan de gestelde machten die te waken hebben over het algemeen welzijn.
DR. STOCKMANN. Dat mag waar zijn. Maar wat drommel gaat mij dat aan?
BURGEM. STOCKMANN. Omdat je dat maar nooit schijnt te kunnen leeren, mijn goede Thomas. Maar pas op; je zult daar nog eens leergeld voor moeten betalen; vroeg of laat. Nu, ik heb je gewaarschuwd. Adieu.
DR. STOCKMANN. Maar ben je nu stapelgek? Je bent het spoor heelemaal bijster….
BURGEM. STOCKMANN. Dat overkomt mij toch anders niet dikwijls. Overigens moet ik je verzoeken…. (groet naar de eetkamer). Adieu, Katrine. Adieu, heeren (gaat weg).
MEVR. STOCKMANN (komt in de huiskamer). Is hij weg?
DR. STOCKMANN. Ja, zeg; en zoo nijdig als een spin.
MEVR. STOCKMANN. Maar, Thomas-lief, wat heb je hem dan nu weer gedaan?
DR. STOCKMANN. Niemendal. Hij kan toch niet verlangen dat ik hem rekenschap zal afleggen voor de tijd daar is.
MEVR. STOCKMANN. Waarvan moest je hem rekenschap geven?
DR. STOCKMANN. Hm; niet naar vragen, Katrine…. Vreemd dat de post nog niet komt.
(Hovstad, Billing en Horster zijn van tafel opgestaan en komen in de huiskamer. Ejlif en Morten komen even daarna).
BILLING (rekt zich uit). He, na zoo'n souper voel je je goddome een ander mensch.
HOVSTAD. De burgemeester was niet erg in zijn knollen-tuin vandaag.
DR. STOCKMANN. Dat komt van zijn maag. Hij lijdt aan slechte spijsvertering.
HOVSTAD. Ik denk dat voornamelijk wij, van de "Volksbode", hem wat zwaar in de maag liggen.
MEVR. STOCKMANN. U is er toch nog al goed afgekomen bij hem, dunkt me.
HOVSTAD. O jawel, maar dat is maar een soort van wapenstilstand.
BILLING. Dat is het! Dat woord teekent den toestand.
DR. STOCKMANN. Wij moeten bedenken dat Peter een eenzaam levend mensch is, de stakkerd! Hij heeft geen eigen thuis waar hij het gezellig hebben kan; hij heeft altijd maar zaken, zaken. En al die verdomde slappe thee, waar hij zich mee vol giet. Komt jongens, schuift toch stoelen bij de tafel! Katrine, krijgen we nu de grog?
MEVR. STOCKMANN (naar de eetkamer gaande). Ik zal ze je dadelijk geven.
DR. STOCKMANN. En gaat u nu op de canape zitten, kapitein. Een zeldzame gast als u…. Alsjeblieft, neemt plaats, vrienden.
(De heeren gaan om de tafel zitten. Mevr. Stockmann brengt een blad met een bouilloir, glazen, karaffen enz).
MEVR. STOCKMANN. Ziedaar; hier is arak, en dit is rhum; en hier staat cognac. Nu moet ieder zich zelf maar bedienen.
DR. STOCKMANN (neemt een glas). Ja, dat zullen we hebben (terwijl de grog gemengd wordt). En dan de sigaren. Ejlif, jij weet wel waar het kistje staat. En jij, Morten, moest mijn pijp eens halen (de jongens gaan in de kamer rechts). Ik verdenk Ejlif dat hij wel eens een sigaar kaapt nu en dan, maar ik doe alsof ik niets merk (roept). En ook mijn kalotje, Morten! Katrine, kan jij hem niet eens zeggen waar ik het heb neergelegd. O, hij heeft het al! (de jongens brengen het verlangde). Asjeblieft, vrienden. Ik hou mij bij mijn pijp zooals je weet. Die heeft al heel wat tochten in stormweer met mij meegemaakt, daarginder in 't Noorden (klinkt). Op je welzijn! Jongens, het is toch heel wat beter om hier warm en rustig te zitten, hoor!
MEVR. STOCKMANN (breiend). Zeilt u al gauw weer uit, kapitein?
HORSTER. In de volgende week denk ik hier klaar te komen.
MEVR. STOCKMANN. En dan gaat u immers naar Amerika?
HORSTER. Ja, dat is het plan.
BILLING. Maar dan kan u niet meedoen aan de nieuwe verkiezingen.
HORSTER. Zijn hier dan nieuwe verkiezingen aanstaande?
BILLING. Weet u dat niet?
HORSTER. Neen, ik bemoei mij niet met die dingen.
BILLING. Maar u stelt toch belang in de publieke zaak?
HORSTER. Neen, daar heb ik geen verstand van.
BILLING. Enfin; maar iemand moet toch in elk geval stemmen.
HORSTER. Die er niets van begrijpen ook?
BILLING. Er niets van begrijpen? Wat meent u daar eigenlijk mee? De maatschappij is als een schip; alle mannen moeten meehelpen aan het roer.
HORSTER. Dat kan misschien goed zijn aan land; maar aan boord zou dat niet best gaan.
HOVSTAD. 't Is vreemd dat de meeste zeelui zich zoo weinig interesseeren voor de zaken aan land.
BILLING. Heel merkwaardig.
DR. STOCKMANN. Zeelui zijn als trekvogels; die voelen zich zoowel in het zuiden als in het noorden thuis. Maar daarom moeten wij hier zooveel te meer doen, mijnheer Hovstad. Komt er morgen iets van algemeen belang in de "Volksbode"?
HOVSTAD. Niets over plaatselijke aangelegenheden. Maar overmorgen dacht ik uw artikel te plaatsen….
DR. STOCKMANN. Ja, bliksems, dat artikel! Neen, hoor, daar moet u nog mee wachten.
HOVSTAD. Zoo? Wij hebben er nu net zoo goed plaats voor, en mij dunkt het is nu juist de gunstigste tijd….
DR. STOCKMANN. Jawel, dat kan wel waar zijn; maar u moet er toch mee wachten. Ik zal u later wel ophelderen….
(Petra, met hoed en mantel en een pak schriften onder haar arm, komt uit de voorkamer).
PETRA. Goeden avond.
DR. STOCKMANN. Goeden avond, Petra, ben je daar? (wederzijdsche begroetingen; Petra legt hoed en mantel op een stoel bij de deur).
PETRA. En daar zitten ze zich hier maar te goed te doen, terwijl ik mij buiten afbeul!
DR. STOCKMANN. Nou, doe jij je dan ook maar eens te goed.
BILLING. Zal ik u een glaasje klaar maken?
PETRA (gaat naar de tafel), Dank u; dat doe ik liever zelf; u maakt het altijd veel te sterk. Maar 't is waar ook, vader, ik heb een brief voor je (gaat naar den stoel waar haar hoed ligt).
DR. STOCKMANN. Een brief? Van wie?
PETRA (zoekt in den zak van haar mantel). De brievenbesteller gaf hem mij juist toen ik uit ging….
DR. STOCKMANN (staat op en gaat naar haar toe). En breng je mij dien nu pas!
PETRA. Ik had heusch geen tijd om er weer mee terug te gaan. Alsjeblieft.
DR. STOCKMANN (grijpt den brief). Laat zien, laat zien, kind! (kijkt naar het adres). Ja juist, juist…!
MEVR. STOCKMANN. Is het dat waar je zoo lang op gewacht hebt, Thomas?
DR. STOCKMANN. Ja juist; nu moet ik dadelijk naar mijn kamer…. Waar vind ik een licht, Katrine? Er is al weer geen lamp in mijn kamer!
MEVR. STOCKMANN. Jawel, de lamp staat aangestoken op je schrijftafel.
DR. STOCKMANN. Goed; best. Excuseert mij een oogenblik…. (gaat in zijn kamer rechts).
PETRA. Wat zou dat kunnen zijn, moeder?
MEVR. STOCKMANN. Ik weet 't niet; in de laatste dagen heeft hij zoo dikwijls naar den brievenbesteller gevraagd.
BILLING. Vermoedelijk een patient buiten de stad.
PETRA. Arme vader; hij krijgt haast al te veel te doen (maakt een glas grog klaar). He, dat zal smaken!
HOVSTAD. Heeft u van daag ook les gegeven in de avondschool?
PETRA (proeft van haar grog). Twee uur.
BILLING. En in den voormiddag vier uur in het instituut….
PETRA (gaat bij de tafel zitten). Vijf uur.
MEVR. STOCKMANN. En van avond heb je nog schriften te corrigeeren, zie ik.
PETRA. Ja, een heele vracht.
HORSTER. U heeft ook heel wat te doen, naar 't schijnt.
PETRA. Ja, maar dat is heerlijk. Dan ben je naderhand zoo verrukkelijk moe.
BILLING. Vindt u dat heerlijk?
PETRA. Ja; dan slaap je zoo lekker.
MORTEN. Zeg, Petra, jij moet wel erg zondig zijn.
PETRA. Zondig?
MORTEN. Ja, als je zooveel werkt. Mijnheer Roerlund zegt dat werken een straf is voor onze zonden.
EJLIF (fluit). Poeh! Wat ben jij dom om zoo iets te gelooven.
MEVR. STOCKMANN. Nou, nou, Ejlif!
BILLING (lacht). Neen, die is prachtig!
HOVSTAD. Zou jij niet graag zooveel willen werken, Morten?
MORTEN. Neen, daar heb ik niks geen lust in.
HOVSTAD. Ja, maar, wat wil je dan worden mettertijd?
MORTEN. Ik zou 't liefst viking worden.
EJLIF. Maar dan zou je toch een heiden moeten zijn.
MORTEN. Nou, dan zou ik een heiden kunnen worden.
BILLING. Dat ben ik met je eens, Morten. Dat is net wat ik ook zeg.
MEVR. STOCKMANN (maakt teekens). Welneen, mijnheer Billing, dat meent u niet.
BILLING. Jawel, goddome…! Ik ben een heiden, en daar ben ik trotsch op. Let u maar eens op, binnen kort worden wij allemaal heidenen.
MORTEN. En mogen we dan alles doen wat we willen?
BILLING. Ja, kijk eens, Morten….
MEVR. STOCKMANN. Kom jongens, vooruit, naar binnen. Je hebt zeker nog wel schoolwerk te maken voor morgen.
EJLIF. Ik kon toch nog best een beetje hier blijven….
MEVR. STOCKMANN. Neen, jij ook niet. Gaat nu allebei weg.
(De jongens zeggen goeden nacht en gaan de kamer links binnen).
HOVSTAD. Gelooft u heusch dat het niet goed is voor de jongens dat ze zulke dingen hooren?
MEVR. STOCKMANN. Och, ik weet het niet; maar ik heb het niet graag.
PETRA. Ja maar, moeder, dat lijkt mij toch heel verkeerd.
MEVR. STOCKMANN. Ja, dat kan nu wel zijn; maar ik heb het niet graag; niet hier in huis.
PETRA. Er is zooveel onwaarheid in huis en op school. Thuis moet er gezwegen worden en op school moeten we de kinderen wat voorliegen.
HORSTER. Wat voorliegen?
PETRA. Ja, denkt u niet dat wij met heel wat voor den dag moeten komen, waar wij zelf niets van gelooven?
BILLING. Ja, dat is maar al te waar.
PETRA. Had ik er het geld maar voor, dan zou ik zelf een school beginnen en daar zou het anders toegaan.
BILLING. Och wat, geld….
HORSTER. Ja, als u daarover denkt, juffrouw Stockmann, dan kan ik u wel aan een lokaal helpen. Het groote oude huis van mijn overleden vader staat zoo goed als leeg; daar is beneden een heel groote eetzaal….
PETRA (lacht). O, dank u, het is heel vriendelijk van u; maar daar komt toch niets van.
HOVSTAD. Welneen, juffrouw Petra zal wel overgaan tot de journalistiek, denk ik. O ja, dat 's waar … heeft u al tijd gehad om dat Engelsche verhaal eens in te kijken dat u voor ons vertalen zou?
PETRA. Neen, nog niet; maar u zal het heusch op tijd hebben.
(Dr. Stockmann komt uit zijn kamer met den geopenden brief in de hand).
Dr. Stockmann (zwaait met den brief). Hoort eens hier … nu zal de stad wat nieuws te hooren krijgen.
BILLING. Nieuws?
MEVR. STOCKMANN. Wat is dat voor nieuws?
DR. STOCKMANN. Een groote ontdekking, Katrine!
HOVSTAD. Zoo?
MEVR. STOCKMANN. Die jij gedaan hebt?
DR. STOCKMANN. Ja, ik zelf (loopt heen en weer). Laat ze nu maar komen en zeggen, zooals gewoonlijk, dat het hersenschimmen en inbeeldingen zijn van een gek! Maar ze zullen het wel laten! Haha! ze zullen het wel uit hun hart laten, zeg ik.
PETRA. Maar vader, zeg dan eens wat het is?
DR. STOCKMANN. Jawel, laat me maar den tijd, dan zal jullie allemaal het weten. Had ik Peter nu maar eens hier! Nu kan je eens zien, hoe wij menschen hier rondloopen en oordeelen als blinde mollen….
HOVSTAD. Wat bedoelt u daarmee, dokter?
DR. STOCKMANN (blijft bij de tafel staan). Is het niet de algemeene opinie dat onze stad een gezond plekje is?
HOVSTAD. Ja, natuurlijk.
DR. STOCKMANN. Een heel buitengewoon gezond plekje zelfs,… een plekje dat verdient heel warm aanbevolen te worden zoowel voor zieke als gezonde menschen….
MEVR. STOCKMANN. Ja maar, Thomas-lief….
DR. STOCKMANN. En aanbevolen en aangeprezen hebben wij het dan ook. Ik heb er herhaaldelijk over geschreven zoowel in de "Volksbode" als in vlugschriften.
HOVSTAD. Jawel … en?
DR. STOCKMANN. Die badinrichting, die men de slagader der stad en de levenszenuw der stad en … de duivel weet wat al meer noemt….
BILLING. "Het kloppende hart van de stad" heb ik mij eens in een feestelijk moment veroorloofd te….
DR. STOCKMANN. O ja, dat ook al. Maar weet u nu wat die in werkelijkheid is, die groote, prachtige, veelgeprezen badgelegenheid, die zooveel geld gekost heeft … weet u wat die is?
HOVSTAD. Neen, wat is ze dan?
DR. STOCKMANN. De heele badplaats is een pesthol.
PETRA. De badplaats, vader!
MEVR. STOCKMANN (tegelijkertijd). Onze badplaats!
HOVSTAD (evenzoo). Maar, dokter….
BILLING. Ongelooflijk!
DR. STOCKMANN. De heele badinrichting is een gepleisterd vergiftig graf, zeg ik. Gevaarlijk voor de gezondheid in den allerhoogsten graad! Al het vuil boven in het Molendal,… alles wat daar zoo geweldig stinkt,… dat alles infecteert het water in de aanvoerbuizen van het brongebouw, en die zelfde vervloekte, vergiftige smeerboel siepelt ook door naar het strand….
HORSTER. Daar waar de zeebaden gebruikt worden?
DR. STOCKMANN. Precies daar.
HOVSTAD. Waardoor weet u dat alles zoo zeker, dokter?
DR. STOCKMANN. Ik heb dat alles zoo nauwgezet mogelijk onderzocht. O, ik had al lang een vermoeden van zoo iets. Verleden jaar hadden wij hier een aantal opvallende ziektegevallen onder de badgasten,… zoowel typheuse als gastrische koortsen….
MEVR. STOCKMANN. Ja, dat is waar.
DR. STOCKMANN. Wij dachten toen dat de vreemdelingen de besmetting overgebracht hadden; later evenwel,… van den winter … kwam ik tot andere gedachten; ik ging het water onderzoeken zoo goed als het ging.
MEVR. STOCKMANN. Dus daarmee heb je het zoo druk gehad!
DR. STOCKMANN. Ja, je mag wel zeggen dat ik het druk had, Katrine! Maar hier ontbraken mij toch de noodige wetenschappelijke hulpmiddelen, en dus zond ik proeven op van het drinkwater en van het zeewater aan de universiteit om er een juiste chemische analyse van te krijgen.
HOVSTAD. En die heeft u nu gekregen?
DR. STOCKMANN (wijst op den brief). Hier heb ik die! Het aanwezig zijn van verrotte organische stoffen in het water is uitgemaakt … bacterieen in massa's. Het is absoluut schadelijk voor de gezondheid, zoowel voor uit- als inwendig gebruik.
MEVR. STOCKMANN. Het is een waar geluk dat je daar nog bijtijds achter gekomen bent.
DR. STOCKMANN. Ja, dat mag je wel zeggen.
HOVSTAD. En wat denkt u nu te doen, dokter?
DR. STOCKMANN. Natuurlijk zien den boel te veranderen.
HOVSTAD. Zou dat te doen zijn?
DR. STOCKMANN. Dat moet te doen zijn. Anders is de heele badinrichting onbruikbaar,… geruineerd. Maar dat heeft geen nood. Ik weet voor mijzelf heel goed wat er gedaan moet worden.
MEVR. STOCKMANN. Maar, beste Thomas, dat je dat alles zoo geheim gehouden hebt.
DR. STOCKMANN. Wel ja, ik had zeker de heele stad moeten rondloopen en er over babbelen voor ik volle zekerheid had? Neen, dank je; zoo gek ben ik niet.
PETRA. Nou maar, tegen ons hier in huis….
DR. STOCKMANN. Tegen geen levende ziel. Maar morgen mag je naar den "das" loopen….
MEVR. STOCKMANN. Maar, Thomas…!
DR. STOCKMANN. Nou ja, naar grootvader dan. Dan zal hij wat hebben om zich over te verbazen, de oude; hij gelooft immers dat ik krankzinnig ben…. O ja, er zijn er wel meer die dat gelooven, heb ik gemerkt. Maar nu zullen de heeren dan zien…; nu zullen ze eens zien…; (loopt rond en wrijft zich de handen). Dat zal hier in de stad een opstootje geven, Katrine! Daar kan je je geen voorstelling van maken. De heele waterleiding moet verlegd worden.
HOVSTAD (staat op). De heele waterleiding…?
DR. STOCKMANN. Ja, dat spreekt. De prise d'eau ligt te laag; die moet verlegd worden naar een veel hooger gelegen punt.
PETRA. Dus had je toch gelijk?
DR. STOCKMANN. Ja, weet je dat nog, Petra? Ik heb er tegen geschreven toen zij met den aanleg zouden beginnen. Maar toen was er niemand die naar mij luisteren wou. Nou, je kunt begrijpen dat ik hun de volle laag geven zal; want ik heb natuurlijk een uitvoerige uiteenzetting aan het bestuur der badinrichting opgemaakt; die ligt al de heele week klaar; ik heb alleen hierop gewacht (wijst op den brief). Maar nu moet die ook onmiddellijk weg (gaat in zijn kamer en komt terug met een pak papieren). Kijk eens hier! Vier heele dichtbeschreven vellen vol! En den brief zal ik er bij voegen. Een courant, Katrine! Geef mij eens iets om dit in te pakken. Goed. Ziezoo. Geef dit aan … aan…. (stampvoetend). Hoe duivel heet ze nu ook weer? Nou, geef het aan de meid en zeg dat zij het terstond bij den burgemeester brengen moet.
(Mevr. Stockmann gaat met het pak naar de eetkamer).
PETRA. Wat denk je dat oom Peter er van zeggen zal, vader?
DR. STOCKMANN. Wat zou hij er wel van kunnen zeggen? Hij moet toch op zijn minst wel blij zijn dat zoo'n belangrijke waarheid aan het licht gekomen is, denk ik.
HOVSTAD. Zou ik met een enkel woord van uwe ontdekking in de "Volksbode" mogen gewagen?
DR. STOCKMANN. Ja, daarvoor zou ik u heel dankbaar zijn.
HOVSTAD. Het is toch ook wenschelijk dat het publiek hoe eer hoe beter ingelicht wordt.
DR. STOCKMANN. Ja zeker.
MEVR. STOCKMANN (komt terug). Zij is er al mee weg.
BILLING. U wordt … goddome … de eerste man van de stad, dokter.
DR. STOCKMANN. Och wat; ik heb immers eigenlijk niets meer dan mijn plicht gedaan. Ik ben een gelukkig schatgraver geweest; dat is alles, maar toch….
BILLING. Hovstad, wat dunkt je, moest de stad den dokter geen serenade brengen?
HOVSTAD. Ik zal er in elk geval werk van maken.
BILLING. En ik zal er met Aslaksen over spreken.
DR. STOCKMANN. Neen, beste vrienden, laat zulke grappen maar achterwege; ik wil niets van dergelijke dingen weten. En als het bestuur van de badinrichting er misschien over denken mocht mij een geldelijke toelage te geven, dan neem ik die niet aan. Katrine, dat zeg ik je,… ik neem die niet aan.
MEVR. STOCKMANN. Daar heb je gelijk in, Thomas.
PETRA (heft haar glas op). Vader!
HOVSTAD en BILLING. Prosit, prosit, dokter!
HORSTER (klinkt met den dokter). Moge u alleen genoegen beleven van die zaak!
DR. STOCKMANN. Dank, dank, beste vrienden! Ik ben zoo innig blij … o, het is toch heerlijk te weten dat je je verdienstelijk gemaakt hebt jegens je geboorteplaats en je medeburgers. Hoera, Katrine!
(Hij pakt haar met beide handen om den hals en draait met haar in de rondte. Mevr. Stockmann gilt en stribbelt tegen. Lachen, handgeklap en hoera-geroep voor den dokter. De jongens komen om de deur kijken).
EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.
* * * * *
TWEEDE BEDRIJF.
Huiskamer van den dokter. De deur naar de eetkamer is gesloten. Voormiddag.
* * * * *
MEVR. STOCKMANN (komt met een verzegelden brief uit de eetkamer, gaat naar de voorste deur rechts en kijkt naar binnen). Ben je thuis, Thomas?
DR. STOCKMANN (in de kamer). Ja, ik kom net thuis. (komt binnen). Is er iets?
MEVR. STOCKMANN. Een brief van je broer (reikt hem dien over).
DR. STOCKMANN. Aha, laat eens zien (maakt het couvert open en leest). "Het toegezonden manuscript zend ik u hierbij terug…." (leest prevelend verder). Hm….
MEVR. STOCKMANN. Wat zegt hij er van?
DR. STOCKMANN (steekt de papieren in zijn zak). Niets; hij schrijft alleen dat hij van middag zelf hier komen zal.
MEVR. STOCKMANN. Dan mag je er wel aan denken dat je thuis blijft.
DR. STOCKMANN. Ja, dat kan ook best; ik ben klaar met mijn ochtendvisites.
MEVR. STOCKMANN. Ik ben erg nieuwsgierig om te weten hoe hij het opneemt.
DR. STOCKMANN. Je zult zien dat hij het niet goed vindt dat ik het ben en hij het niet is die die ontdekking gedaan heeft.
MEVR. STOCKMANN. Ja, ben jij daar ook niet bang voor?
DR. STOCKMANN. Nou, in zijn hart moet hij er toch blij over zijn, dat begrijp je wel. Maar toch…. Peter is zoo vervloekt bang dat iemand anders dan hij iets ten bate van de stad doen zou.
MEVR. STOCKMANN. Maar Thomas,… weet je wat … dan moest je zoo lief zijn de eer met hem te deelen. Kon je het niet zoo inkleeden dat hij 't was die je op het spoor gebracht heeft?
DR. STOCKMANN. Ja, wat mij betreft, graag. Als ik de zaak maar in orde krijg, dan….
De oude Morten Kiil (steekt zijn hoofd door de voorkamerdeur, kijkt spiedend rond, lacht stil en vraagt sluw). Is het … is het waar?
MEVR. STOCKMANN (gaat naar hem toe). Vader,… is u het?
DR. STOCKMANN. Kijk eens aan, schoonpapa; morgen, morgen!
MEVR. STOCKMANN. Maar kom toch binnen.
M. KIIL. Ja, als het waar is, want anders ga ik weer heen.
DR. STOCKMANN. Als wat waar is?
M. KIIL. Die gekheid met de waterleiding. Is dat heusch waar?
DR. STOCKMANN. Ja zeker is het waar. Maar hoe is u daar achter gekomen?
M. KIIL (komt binnen). Petra liep even op toen zij naar school ging….
DR. STOCKMANN. Zoo?
M. KIIL. Jaha: en toen vertelde zij het…. Ik dacht dat zij mij maar voor den gek houden wou; maar dat lijkt niet op Petra.
DR. STOCKMANN. Hoe kon u dat nu denken!
M. KIIL. O, je moet nooit iemand vertrouwen; je kunt om den tuin geleid worden eer je het weet. Maar dus is het toch waar?
DR. STOCKMANN. Ja, zeer zeker. Ga toch even zitten, schoonpapa. (dwingt hem zachtjes op de canape). En is het niet een waar geluk voor de stad…?
M. KIIL (heeft moeite zijn lachen te bedwingen). Een geluk voor de stad?
DR. STOCKMANN. Dat ik dit nog bijtijds ontdekt heb.
M. KIIL (als voren). Jawel, jawel!… Maar ik had nooit gedacht dat je je eigen vleeschelijken broer er zoo zou laten inloopen.
DR. STOCKMANN. Er laten inloopen?
MEVR. STOCKMANN. Neen maar, vader-lief….
M. KIIL (rust met zijn kin op zijn handen die hij op den knop van zijn stok samengevouwen heeft en knipoogt sluw tegen den dokter). Hoe was het ook weer. Was het niet dat er dieren in de waterleidingbuizen gekomen waren?
DR. STOCKMANN. O ja, infusiediertjes.
M. KIIL. En er zouden een heeleboel van die dieren daarin gekomen zijn, zei Petra. Een reusachtige massa.
DR. STOCKMANN. Ja zeker; er kunnen er wel honderdduizenden in zijn.
M. KIIL. Maar niemand kan ze zien,… niet waar?
DR. STOCKMANN. Neen, zien kan je ze niet.
M. KIIL (met een stillen klokkenden lach). De duivel hale mij! Dit is nog het mooiste dat ik ooit van je gehoord heb.
DR. STOCKMANN. Hoe meent u dat?
M. KIIL. Maar nooit in der eeuwigheid maak je zoo iets den burgemeester wijs.
DR. STOCKMANN. Nu, dat zullen wij nog eens zien.
M. KIIL. Denk je dat hij zoo gek zou zijn?
DR. STOCKMANN. Ik hoop dat de heele stad zoo gek zal zijn.
M. KIIL. De heele stad! Ja, dat kan voor den donder wel zijn. Maar dat is net goed voor dat volk. Die willen immers zoo veel wijzer zijn dan wij oude lui. Zij hebben mij als een hond uit den gemeenteraad gejaagd met hun tegenstemmen. Ja, dat hebben ze … me er uitgejaagd als een hond. Maar nu krijgen ze hun trekken thuis. Houd die maar voor den gek, Stockmann.
DR. STOCKMANN. Maar schoonpapa….
M. KIIL. Houd ze voor den gek, zeg ik (staat op). Als je 't zoo ver brengen kunt dat de burgemeester en zijn vrienden er in vliegen, dan geef ik dadelijk, op slag, honderd kronen voor de armen.
DR. STOCKMANN. Kijk, dat zou nog eens aardig van u zijn.
M. KIIL. Nou, zoo dik zit het er bij mij ook niet aan, zooals je weet; maar krijg je ze zoover, dan geef ik met Kerstmis vijftig kronen aan de armen.
(Hovstad komt uit de voorkamer).
HOVSTAD. Goeden morgen! (blijft staan). O, pardon….
DR. STOCKMANN. Neen kom maar; kom maar….
M. KIIL (lacht weer als voren). Hij! Is hij er ook bij?
HOVSTAD. Wat bedoelt u?
DR. STOCKMANN. Ja zeker is hij er bij.
M. KIIL. Dat kon ik ook haast wel denken! Het moet in de couranten komen. Nou, jij bent me wel de ware, Stockmann. Overlegt nu maar eens goed samen; nu ga ik weg.
DR. STOCKMANN. O neen, blijf nog wat schoonpapa.
M. KIIL. Neen, nu ga ik weg. En bedenk maar eens goed hoe je hen het best er in laat vliegen. Je moet dat toch voor den duivel niet voor niets gedaan hebben. (Hij gaat weg; mevr. Stockmann gaat met hem mee).
DR. STOCKMANN (lacht). Stel u voor, die oude gelooft geen woord van die zaak met de waterleiding.
HOVSTAD. O was het daarover…?
DR. STOCKMANN. Ja, daarover hadden wij het. En u komt misschien ook wel voor die zaak?
HOVSTAD. Ja juist. Heeft u een oogenblik tijd, dokter?
DR. STOCKMANN. Zoo lang u maar wil, mijn waarde.
HOVSTAD. Heeft u al iets gehoord van den burgemeester?
DR. STOCKMANN. Nog niet. Hij komt straks hier.
HOVSTAD. Ik heb veel over die zaak nagedacht sedert gisteren avond.
DR. STOCKMANN. Zoo? Ja?
HOVSTAD. Voor u als dokter en als man van de wetenschap, staat dit geval met de waterleiding geheel op zich zelf. Ik bedoel, dat u er niet bij bedenkt hoe dit met veel andere dingen samenhangt.
DR. STOCKMANN. Ja, hoe zoo…? Laat ons gaan zitten…. Neen, daar op de canape.
(Hovstad gaat op de canape zitten, de dokter in een fauteuil aan den anderen kant van de tafel).
DR. STOCKMANN. U denkt dus…?
HOVSTAD. U zei gisteren dat het water bedorven werd door verontreiniging van den grond.
DR. STOCKMANN. Ja, het komt zonder twijfel uit dat giftige moeras daarboven in het Molendal.
HOVSTAD. Pardon, dokter, maar ik geloof dat het uit een heel ander moeras komt.
DR. STOCKMANN. Wat voor een moeras zou dat dan moeten zijn?
HOVSTAD. Het moeras waarin ons heele communale leven wortelt en verteert.
DR. STOCKMANN. Maar voor den drommel, mijnheer Hovstad, wat zijn dat nu voor praatjes?
HOVSTAD. Al de stadsaangelegenheden zijn zachtjes aan in handen gekomen van een bende ambtenaren….
DR. STOCKMANN. Nu, het zijn niet allemaal ambtenaren.
HOVSTAD. Neen, maar die geen ambtenaren zijn, zijn toch ten minste vrienden en aanhangers van die ambtenaren; dat zijn al de rijken, al die, met hun oude geachte namen in de stad; die zijn het die ons regeeren en besturen.
DR. STOCKMANN. Ja, maar die menschen bezitten ook inderdaad bekwaamheid en juist inzicht.
HOVSTAD. Gaven zij een bewijs van juist inzicht en bekwaamheid, toen zij de waterleiding aanlegden daar waar die nu ligt?
DR. STOCKMANN. Neen, dat was natuurlijk een groote domheid van hen. Maar die zal nu wel goedgemaakt worden.
HOVSTAD. Denkt u dat dat zoo glad gaan zal?
DR. STOCKMANN. Glad of niet … gaan zal het in elk geval.
HOVSTAD. Ja, indien de pers er zich mee bemoeit.
DR. STOCKMANN. Zal heelemaal niet noodig zijn, mijn waarde.
HOVSTAD. Pardon, dokter, maar ik wil zeggen dat ik van plan ben, zelf die zaak te behandelen.
DR. STOCKMANN. In de courant?
HOVSTAD. Ja. Toen ik de "Volksbode" overnam, was het mijn doel dezen ring van oude eigenzinnige wijsneuzen die hier overal inzaten, te verbreken.
DR. STOCKMANN. Maar u heeft mij toch zelf verteld hoe dat afliep; het blad was er bijna mee op de flesch gegaan.
HOVSTAD. Ja, toen moesten wij de vlag strijken; dat is volkomen waar. Want er dreigde gevaar dat de badinrichting niet tot stand zou komen, als die mannen vielen. Maar nu staat die er en nu kunnen wij de groote heeren missen.
DR. STOCKMANN. Missen, ja; maar we hebben toch veel aan hen te danken.
HOVSTAD. Dat zal ook naar behooren erkend worden; maar een journalist van mijn richting kan een gelegenheid als deze niet voorbij laten gaan. De fabel der onfeilbaarheid der vroede mannen moet eens een duw hebben. Dergelijke dingen moeten net zoo goed uitgeroeid worden als ander bijgeloof.
DR. STOCKMANN. Daarin ben ik het van ganscher harte met u eens, mijnheer Hovstad; is iets een bijgeloof, dan weg er mee!
HOVSTAD. Den burgemeester zou ik niet graag hard aanpakken, omdat hij uw broer is. Maar u vindt toch zeker, evenals ik, dat de waarheid boven alle andere overwegingen gaan moet.
DR. STOCKMANN. Dat spreekt vanzel…. (Opgewonden). Ja maar…! Maar…!
HOVSTAD. U moet mij niet verkeerd beoordeelen. Ik ben niet egoister of eergieriger dan de meeste menschen.
DR. STOCKMANN. Maar mijn waarde, wie zegt dat dan?
HOVSTAD. Ik ben maar van geringe afkomst, zooals u weet; en ik heb voldoende gelegenheid gehad om te zien, wat in de lagere klassen der maatschappij het meest noodig is. En dat is: deel te nemen aan de leiding der algemeene zaken, dokter. Dat is het wat bekwaamheid en kennis en gevoel van eigenwaarde ontwikkelt….
DR. STOCKMANN. Dat kan ik mij heel goed voorstellen….
HOVSTAD. Daarom vind ik dat een journalist een groote verantwoordelijkheid op zich neemt, wanneer hij een gunstige gelegenheid verzuimt tot vrijmaking van de menigte, de geringen, de onderdrukten. Ik weet wel, in het kamp der groote heeren zullen zij dat frazen en opgeschroefde taal noemen; maar dat moeten ze dan maar doen als ze er lust in hebben. Als ik mijn geweten maar zuiver voel, dan….
DR. STOCKMANN. Juist, ja juist! Mijnheer Hovstad. Maar toch … duivels…. (er wordt geklopt). Binnen!
(Aslaksen in de voorkamer deur. Hij is uiterst eenvoudig maar fatsoenlijk gekleed, in 't zwart, met een witte, een beetje verkreukte das, handschoenen en vilten hoed in de hand).
ASLAKSEN (buigt). Neem me niet kwalijk, dokter, dat ik zoo vrij ben….
DR. STOCKMANN (staat op). Kijk eens aan,… daar hebben wij mijnheer Aslaksen!
ASLAKSEN. Jawel, dokter.
HOVSTAD (staat op). Moet je mij hebben, Aslaksen?
ASLAKSEN. Neen mijnheer; ik wist niet dat ik u hier zou aantreffen. Neen, het was de dokter zelf….
DR. STOCKMANN. Zoo? Wat is er van uw dienst?
ASLAKSEN. Is het waar wat ik van mijnheer Billing hoorde, dat de dokter er over denkt ons een betere waterleiding te bezorgen?
DR. STOCKMANN. Ja, voor de badinrichting.
ASLAKSEN. Jawel, dat begrijp ik wel. Nu, dan kom ik om te zeggen dat ik die zaak steunen zal naar mijn beste krachten.
HOVSTAD (tegen Stockmann). Ziet u!
DR. STOCKMANN. Daarvoor zeg ik u van harte dank, maar….
ASLAKSEN. Want het zou misschien toch goed kunnen zijn als u ons, kleine luiden, had om u te steunen. Wij maken om zoo te zeggen een compacte meerderheid uit;… als wij ernstig willen. En het is altijd goed om de meerderheid op zijn hand te hebben.
DR. STOCKMANN. Dat is onloochenbaar waar; ik kan alleen maar niet begrijpen dat dergelijke maatregelen hier noodig zouden kunnen zijn. Mij dunkt zoo'n duidelijke en eenvoudige zaak….
ASLAKSEN. O ja, maar dat zou toch geen kwaad kunnen; ik ken de lokale autoriteiten maar al te goed; de hooge heeren zijn niet heel toegankelijk voor voorstellen die van anderen uitgaan. En daarom dacht ik, dat het misschien niet ongewenscht zijn zou als wij een kleine demonstratie op touw zetten.
HOVSTAD. Jawel, zeer juist.
DR. STOCKMANN. Een demonstratie zegt u? En op welke manier zou u dat dan eigenlijk willen doen?
ASLAKSEN. Natuurlijk in zeer gematigden vorm, dokter. Ik leg er mij altijd op toe maat te houden, want maathouden is de eerste deugd van een staatsburger,… naar mijn opvatting althans.
DR. STOCKMANN. Daarvoor staat u ook wel bekend.
ASLAKSEN. Ja, dat mag ik geloof ik wel zeggen. En die zaak van de waterleiding, die is van zoo groot gewicht voor ons kleine burgers. Het badhuis belooft als 't ware een goudmijntje voor de stad te worden. Van dat badhuis moeten wij allemaal bestaan, en 't allermeest wij huiseigenaren. Daarom willen wij dus graag de badinrichting zooveel wij kunnen steunen. En omdat ik nu president ben van den Bond van Huiseigenaren….
DR. STOCKMANN. Wel…?
ASLAKSEN. … en daar ik bovendien agent ben van het Matigheidsgenootschap … ja, dokter weet immers wel dat ik werk voor de matigheidszaak?
DR. STOCKMANN. Jawel; jawel.
ASLAKSEN. Nu, … dan begrijpt u wel dat ik met een heelen boel menschen in aanraking kom. En daar ik bekend sta als een ordelijk en goedgezind burger, zooals dokter zelf zegt, heb ik een zekeren invloed in de stad,… een kleine overmacht … al zeg ik het zelf.
DR. STOCKMANN. Dat is mij wel bekend, mijnheer Aslaksen.
ASLAKSEN. Ja, ziet u … daarom zou het voor mij een kleinigheid zijn om een adres op te stellen, als het noodig mocht zijn.
DR. STOCKMANN. Een adres, zegt u?
ASLAKSEN. Ja, een soort van dankadres van de stadsburgers, omdat u die voor allen zoo gewichtige zaak aan het licht heeft gebracht. Het spreekt van zelf dat dat met de noodige bezadigdheid zou moeten opgesteld worden, zoo, dat de autoriteiten en zij die de macht in handen hebben er geen aanstoot aan kunnen nemen. En als wij daar maar op passen, dan kan toch niemand het ons kwalijk nemen, dunkt mij.
HOVSTAD. Nu, zelfs al beviel het hun nu niet zoo heel erg….
ASLAKSEN. Neen, neen, neen, niet de overheid krenken, mijnheer Hovstad. Geen oppositie tegen menschen die ons zoo dicht op de hielen zitten. Daar heb ik genoeg van gezien in mijn leven; en daar komt ook nooit iets goeds van. Maar de verstandige en vrijmoedige uitingen van een staatsburger daar kan niemand iets tegen hebben.
DR. STOCKMANN (schudt hem de hand). Ik kan u niet zeggen, waarde heer Aslaksen, hoe hartelijk het mij verheugt zooveel instemming bij mijne medeburgers te vinden. Ik ben zoo blij … zoo blij!… Hoor eens … wil u niet een glaasje sherry … wat?
ASLAKSEN. Neen, dank u wel; ik gebruik nooit iets van dien aard.
DR. STOCKMANN. Nou, een glas bier dan … wat zegt u daarvan?
ASLAKSEN. Dank u, ook niet; ik gebruik nooit iets zoo vroeg op den dag. Maar nu zal ik de stad ingaan om eens te praten met eenige huiseigenaren en de stemming voor te bereiden.
DR. STOCKMANN. Het is allervriendelijkst van u, mijnheer Aslaksen; maar het wil er bij mij nog maar niet in, dat al die maatregelen noodig zouden zijn; mij dunkt die zaak moet geheel van zelf kunnen gaan.
ASLAKSEN. De autoriteiten werken een beetje zwaarwichtig, dokter. Nu, lieve Hemel, ik zeg dat niet om hun een lak op te leggen….
HOVSTAD. Morgen zullen wij ze een beetje opzweepen in ons blad, Aslaksen.
ASLAKSEN. Maar toch vooral niet te hardhandig, mijnheer Hovstad. Ga zachtjes te werk en met beleid, anders krijgt u ze niet van de plaats. U kan gerust aannemen wat ik u zeg; ik heb ondervinding opgedaan in de school des levens…. Nu, dan neem ik dus afscheid. U weet nu dat wij kleine burgers in elk geval achter u staan als een muur. U heeft de compacte meerderheid op uw hand, dokter.
DR. STOCKMANN. Mijn hartelijken dank (reikt hem de hand). Adieu, adieu!
ASLAKSEN. Gaat u mee naar de drukkerij, mijnheer Hovstad?
HOVSTAD. Ik kom aanstonds, ik heb nog iets af te doen.
ASLAKSEN. Best, best.
(Hij groet en gaat heen; Dr. Stockmann gaat met hem mee naar de voorkamer).
HOVSTAD (terwijl de dokter weer binnen komt). Wel, wat zegt u er van, dokter? Vindt u niet dat het tijd wordt hier eens wat versche lucht binnen te laten en al die slapheid en halfheid en lafheid eens door elkander te schudden?
DR. STOCKMANN. Doelt u daarmee op Aslaksen?
HOVSTAD. Ja. Hij is een van die lui die in het moeras wortelen … al is hij overigens nog zoo'n brave man. En zoo zijn de meesten hier bij ons; zij zwaaien en zwenken naar beide kanten; door al hun overwegingen en bedenkingen durven zij nooit een heelen stap te doen.
DR. STOCKMANN. Maar Aslaksen schijnt mij toch een heel welgezind man te zijn.
HOVSTAD. Er is iets dat ik nog hooger stel; en dat is een onafhankelijk en zelfbewust man te zijn.
DR. STOCKMANN. Dat moet ik u volkomen toegeven.
HOVSTAD. Daarom wil ik nu de gelegenheid aangrijpen en beproeven, of ik de wel gezinden er niet toe zou kunnen krijgen zich eens ferm aan te pakken. Die autoriteiten-vereering moet hier in de stad uitgeroeid worden. Over dezen onverantwoordelijken misgreep met de waterleiding moeten alle stemgerechtigde burgers ingelicht worden.
DR. STOCKMANN. Goed; wanneer u meent dat het voor het algemeen welzijn is, dan moet dat gebeuren; maar niet voor ik met mijn broer gesproken heb.
HOVSTAD. Ik schrijf in elk geval al vast een hoofdartikel. En als dan de burgemeester niet voor de zaak te vinden is….
DR. STOCKMANN. O, maar hoe kan u zoo iets denken?
HOVSTAD. Dat zou nog zoo onmogelijk niet zijn. En dan …?
DR. STOCKMANN. Ja, dan beloof ik u…; hoor eens,… dan kan u mijn rapport afdrukken … en in zijn geheel opnemen.
HOVSTAD. Mag ik dat? Is dat een gegeven woord?
DR. STOCKMANN (reikt hem het manuscript over). Hier is het; neem het mee; het kan in elk geval geen kwaad dat u het eens doorleest; en dan geeft u het mij later terug.
HOVSTAD. Best; heel goed; dat zal ik doen. En nu adieu, dokter.
DR. STOCKMANN. Adieu, adieu. Maar u zal zien, mijnheer Hovstad, die zaak gaat glad,… van een leien dakje!
HOVSTAD. Hm;… wij zullen zien.
(Hij groet en gaat weg door de voorkamer).
DR. STOCKMANN (gaat naar de eetkamer en kijkt naar binnen). Katrine! Zoo, ben jij thuis gekomen, Petra?
PETRA (komt binnen). Ja, ik kom net van school.
MEVR. STOCKMANN (komt ook). Is hij er nog niet geweest?
DR. STOCKMANN. Peter? Neen. Maar ik heb een heel gesprek gehad met Hovstad. Hij is heelemaal vervuld van de ontdekking die ik gedaan heb. Ja, zie je, die reikt eigenlijk heel wat verder dan ik zelf eerst dacht. En daarom heeft hij mij zijn blad ter beschikking gesteld als het noodig mocht zijn.
MEVR. STOCKMANN. Maar denk je dat het noodig zijn zal?
DR. STOCKMANN. Volstrekt niet. Maar het is in elk geval een trotsch gevoel de onafhankelijke vrijzinnige pers op zijn hand te hebben. Ja, en verbeeld je, ook van den president van den Bond van Huiseigenaren heb ik een bezoek gehad.
MEVR. STOCKMANN. Zoo? En wat wou die?
DR. STOCKMANN. Mij ook steunen. Ze willen mij allemaal steunen in geval het spaak loopen mocht. Katrine,… weet je wat ik achter mij heb staan?
MEVR. STOCKMANN. Achter je? Neen, wat dan?
DR. STOCKMANN. De compacte meerderheid.
MEVR. STOCKMANN. Zoo zoo. Is dat goed voor je, Thomas?
DR. STOCKMANN. Nou, dat zou ik denken, dat het goed was! (wrijft zich de handen en loopt op en neer). Lieve God, wat is het toch heerlijk om zoo broederlijk vereend met je medeburgers te staan!
PETRA. En zooveel goeds en nuttigs te doen, vader!
DR. STOCKMANN. Ja, en dan nog wel voor je eigen geboorteplaats!
MEVR. STOCKMANN. Daar werd gebeld.
DR. STOCKMANN. Daar zal hij zijn…. (Er wordt geklopt). Binnen!
BURGEM. STOCKMANN (komt uit de voorkamer). Goeden morgen.
DR. STOCKMANN. Welkom, Peter!
MEVR. STOCKMANN. Goeden morgen. Hoe gaat het?
BURGEM. STOCKMANN. Dank je … zoo zoo (tegen den dokter). Ik ontving gisteren, na kantoortijd, een rapport van je over het water in het badhuis.
DR. STOCKMANN. Ja. Heb je dat gelezen?
BURGEM. STOCKMANN. Ja.
DR. STOCKMANN. En wat zeg je wel van de zaak?
BURGEM. STOCKMANN (met een zijdelingschenblik). Hm….
MEVR. STOCKMANN. Kom, Petra (zij en Petra gaan in de kamer links).
BURGEM. STOCKMANN (na een pauze). Was het noodzakelijk dat je al die onderzoekingen achter mijn rug om deed?
DR. STOCKMANN. Ja; zoolang ik nog geen volstrekte zekerheid had….
BURGEM. STOCKMANN. En die meen je dus nu te hebben?
DR. STOCKMANN. Daar heb je je nu wel zelf van kunnen overtuigen.
BURGEM. STOCKMANN. Is het je plan dit stuk over te leggen aan het bestuur der badinrichting als een soort van officieel document?
DR. STOCKMANN. Ja. Iets moet er aan de zaak gedaan worden; en wel terstond.
BURGEM. STOCKMANN. Je gebruikt, zooals gewoonlijk, krasse termen in je verslag. Je zegt o.a. dat dat wat wij onzen badgasten aanbieden een permanente vergiftiging is.
DR. STOCKMANN. Kan men het dan anders noemen? Denk toch eens aan … vergiftigd water voor in- en uitwendig gebruik! En dat voor arme zieke menschen, die te goeder trouw hun toevlucht tot ons nemen, en hun goede geld uitgeven om hun gezondheid terug te krijgen!
BURGEM. STOCKMANN. En zoo kom je in je deductie tot het resultaat, dat wij een riool aanleggen moeten om de onreinheden uit het Molendal af te voeren, en dat de waterleiding verlegd moet worden.
DR. STOCKMANN. Ja, weet jij een andere oplossing? Ik niet.
BURGEM. STOCKMANN. Ik verzon van ochtend een boodschap bij den stadsingenieur. En toen bracht ik … zoo half en half in scherts … deze maatregelen ter sprake, als iets dat wij in de toekomst misschien eens in overweging zouden moeten nemen.
DR. STOCKMANN. In de toekomst eens misschien!
BURGEM. STOCKMANN. Hij glimlachte om mijn vermeende extravagance … natuurlijk. Heb je je de moeite gegeven eens te overdenken wat de voorgestelde veranderingen zouden kosten? Volgens de inlichtingen die ik ontving, zouden de uitgaven waarschijnlijk in de honderdduizenden loopen.
DR. STOCKMANN. Zou het zoo duur worden?
BURGEM. STOCKMANN. Ja. En dan komt nog het ergste. Dat werk zou minstens twee jaar tijd vorderen.
DR. STOCKMANN. Twee jaar, zeg je? Twee heele jaren?
BURGEM. STOCKMANN. Op zijn minst. En wat zullen we in dien tusschentijd met de badplaats doen? Moeten wij ze sluiten? Ja, daar zouden wij wel toe gedwongen worden, of denk je soms dat iemand nog hier bij ons komen zou, als het ruchtbaar werd dat het water schadelijk voor de gezondheid is?
DR. STOCKMANN. Ja maar, Peter, dat is toch zoo.
BURGEM. STOCKMANN. En dat alles nu … juist nu, nu de inrichting in opkomst is. De omliggende steden bezitten ook wel enkele voordeelen die ze als badplaatsen gezocht kunnen maken. Geloof je niet dat die onmiddellijk alles in het werk zullen stellen om den heelen stroom van vreemdelingen tot zich te trekken? Dat spreekt immers van zelf. En daar zaten wij dan; waarschijnlijk konden wij dan de heele kostbare inrichting wel opruimen; en dan had jij je geboorteplaats geruineerd.
DR. STOCKMANN. Geruineerd … ik…!
BURGEM. STOCKMANN. Het is enkel en alleen door het badhuis dat de stad een noemenswaardige toekomst voor zich heeft. Dat zie je toch zeker evengoed in als ik.
DR. STOCKMANN. Maar wat had je dan gedacht dat er gedaan moest worden?
BURGEM. STOCKMANN. Ik heb uit je rapport niet de overtuiging gekregen dat de toestand van het water zoo bedenkelijk is als jij dien voorstelt.
DR. STOCKMANN. Maar die is eerder nog slechter! Of dat wordt hij althans in den zomer, als de warmte komt.
BURGEM. STOCKMANN. Zooals ik zei, ik geloof dat je erg overdrijft. Een knap dokter moet zijn maatregelen weten te nemen naar de omstandigheden;… hij moet schadelijke invloeden weten te voorkomen en ze te bestrijden wanneer zij zich zichtbaar doen gelden.
DR. STOCKMANN. En dus…? Wat verder…?
BURGEM. STOCKMANN. De bestaande watertoevoer van het badhuis is nu eenmaal een feit en daarmee moet natuurlijk rekening gehouden worden. Maar waarschijnlijk zal de directie te zijner tijd niet ongenegen zijn om in overweging te nemen, in hoeverre het met niet onoverkomelijke geldelijke offers mogelijk zou zijn, eenige verbeteringen te laten aanbrengen.
DR. STOCKMANN. En met zoo'n streek denk je mij te kunnen vangen?
BURGEM. STOCKMANN. Streek?
DR. STOCKMANN. Ja, dat zou een streek zijn,… een bedriegerij, een leugen, gewoon-weg een misdaad tegen het publiek, jegens de heele maatschappij!
BURGEM. STOCKMANN. Ik heb, zooals ik al opmerkte, niet de overtuiging gekregen dat er eenig onmiddellijk gevaar bestaat.
DR. STOCKMANN. Dat heb je wel! Dat kan niet anders. Mijn uiteenzetting is afdoende en juist, dat weet ik! En je begrijpt dat heel goed, Peter, maar je wilt het eenvoudig niet toegeven. Jij was het die het doordreef dat de gebouwen gezet werden en de waterleiding werd aangelegd op de plaats waar jij het aanwees; en de zaak is eenvoudig dit: dat je die vervloekte stommigheid niet bekennen wilt. Poeh!… denk je dat ik je niet doorzie?
BURGEM. STOCKMANN. En zelfs al was dat zoo? Indien ik misschien ietwat angstvallig vast houd aan mijn prestige, dan geschiedt dat ten bate van de stad. Zonder moreel overwicht kan ik de zaken niet zoo besturen en leiden als ik het dienstig acht ten beste van allen. Daarom … en ook om verschillende andere redenen … is er mij zeer veel aan gelegen dat je rapport niet aan de directie der badinrichting wordt ingeleverd. In het belang van het algemeen welzijn moet dat achtergehouden worden. Ik zal dan later de zaak in discussie brengen en wij zullen in alle stilte doen wat mogelijk is. Maar er mag niets … geen enkel woord … van deze fatale zaak openbaar gemaakt worden.
DR. STOCKMANN. Ja, dat zal je toch niet kunnen verhinderen, mijn waarde Peter.
BURGEM. STOCKMANN. Het moet en zal verhinderd worden.
DR. STOCKMANN. Dat gaat niet, zeg ik je. Er zijn er al te veel die er van weten.
BURGEM. STOCKMANN. Er van weten? Wie? Toch niet die heeren van de "Volksbode"?
DR. STOCKMANN. O ja, die ook. De vrijzinnige onafhankelijke pers zal er wel voor zorgen dat jullie je plicht doet.
BURGEM. STOCKMANN (na een korte pauze). Je bent toch een ongelooflijk onbesuisd mensch, Thomas. Heb je dan niet bedacht wat voor gevolgen dat zou kunnen hebben voor jou zelf?
DR. STOCKMANN. Gevolgen? Gevolgen voor mij?
BURGEM. STOCKMANN. Voor jou en je gezin….
DR. STOCKMANN. Wat duivel beteekent dat?
BURGEM. STOCKMANN. Ik geloof dat ik altijd een bereidwillige en behulpzame broer voor je geweest ben.
DR. STOCKMANN. Ja, dat ben je; en daarvoor zeg ik je dank.
BURGEM. STOCKMANN. Niet noodig. Voor een deel ben ik er ook genoodzaakt toe geweest om mijn zelfs wil. Ik heb altijd gehoopt dat ik je eenigermate in toom zou kunnen houden, als ik je hielp je financieele positie wat te verbeteren.
DR. STOCKMANN. Wat? Deed je dat dus alleen voor je zelf…?
BURGEM. STOCKMANN. Gedeeltelijk, zeg ik. Het is pijnlijk voor een ambtenaar als zijn naaste betrekkingen zich telkens weer compromitteeren.
DR. STOCKMANN. En je vindt dus dat ik dat doe?
BURGEM. STOCKMANN. Ja, helaas, doe je dat, zonder dat je het weet. En dan je onzalige neiging om in 't openbaar over alle mogelijke en onmogelijke dingen te schrijven. Niet zoodra krijg je een inval,… of terstond moet je er een courantenartikel of een heele brochure over schrijven.
DR. STOCKMANN. Ja maar, is het dan niet de plicht van een staatsburger om het aan het publiek mee te deelen wanneer hij een nieuw idee heeft?
BURGEM. STOCKMANN. O, het publiek heeft heelemaal geen behoefte aan nieuwe idees. Het publiek vaart het beste bij de oude, goede, algemeen gangbare idees die het al bezit.
DR. STOCKMANN. En dat zeg je zoo maar ronduit!
BURGEM. STOCKMANN. Ja, een keer moet ik toch eens ronduit met je spreken. Tot nu toe heb ik getracht het te vermijden, omdat ik weet hoe prikkelbaar je bent; maar nu moet ik je de waarheid eens zeggen, Thomas. Je kunt je niet voorstellen hoeveel kwaad je jezelf doet met je overijling. Je beklaagt je over de autoriteiten, ja zelfs over de regeering,… valt die zelfs heftig aan … houdt vol dat je op zij gezet en vervolgd wordt. Maar kan je dan iets anders verwachten,… zoo'n lastig mensch als jij bent.
DR. STOCKMANN. Wat nou … ben ik lastig ook al?
BURGEM. STOCKMANN. Ja, Thomas, je bent een heel lastig mensch om mee samen te werken. Dat heb ik ondervonden. Je stapt over alle consideraties heen; je schijnt heelemaal te vergeten, dat ik het ben aan wien je je betrekking als baddokter te danken hebt….
DR. STOCKMANN. Dat kwam mij alleen toe! Mij en geen ander! Ik was de eerste die inzag dat de stad een bloeiende badplaats worden kon; en ik was de eenige die dat toen inzag. Ik stond alleen en streed voor dat denkbeeld vele jaren lang, en ik schreef … schreef….
BURGEM. STOCKMANN. Volkomen waar. Maar toen was het goede oogenblik nog niet gekomen. Nu, dat kon je daarginder in je uithoek niet beoordeelen. Maar toen dan eindelijk het geschikte moment gekomen was, toen nam ik … met de anderen … de zaak in handen….
DR. STOCKMANN. Ja, en toen verknoeiden jullie mijn heele prachtige plan. O ja, nu blijkt pas goed wat voor geslepen kerels jullie waart!
BURGEM. STOCKMANN. Naar mijn idee blijkt alleen dat jij weer behoefte hebt aan een veiligheidsklep voor je strijdlust. Je wilt je superieuren te lijf;… ouder gewoonte. Je kunt geen macht boven je dulden; je kijkt een ieder, die een hoogere betrekking heeft, met schele oogen aan; je beschouwt hem als je persoonlijken vijand,… en terstond is ieder wapen tegen hem je welkom. Maar nu heb ik je er op attent gemaakt, welke belangen er voor de stad op het spel staan, en dientengevolge ook voor mij. En daarom zeg ik, Thomas, dat ik onverbiddelijk ben in den eisch dien ik van plan ben je nu te stellen.
DR. STOCKMANN. En wat is dat dan voor een eisch?
BURGEM. STOCKMANN. Daar je je mond niet hebt kunnen houden over deze netelige zaak, tegen menschen die er niets mee te maken hebben, hoewel je het als een bestuursgeheim voor je hadt moeten houden, kunnen wij de zaak natuurlijk niet meer smoren. Allerhande geruchten zullen in omloop komen en de slechtgezinden onder ons zullen die met allerlei toevoegsels aandikken. Daarom zal het noodig zijn dat jij deze geruchten openlijk tegenspreekt.
DR. STOCKMANN. Ik? Wat meen je? Ik begrijp je niet.
BURGEM. STOCKMANN. Men zou kunnen verwachten dat jij, bij een hernieuwd onderzoek, tot het resultaat komt, dat de zaak op verre na niet zoo gevaarlijk en bedenkelijk is, als je je in het eerste oogenblik verbeeldde.
DR. STOCKMANN. Aha … dat verwacht je dus van me!
BURGEM. STOCKMANN. En verder verwacht men, dat je vertrouwt … en dat openlijk uitspreekt … dat het bestuur grondig en nauwgezet het noodige in het werk stellen zal om mogelijke misstanden te verhelpen.
DR. STOCKMANN. Maar dat zal je nooit in der eeuwigheid kunnen doen, zoo lang je je behelpt met knoei- en lapwerk. Dit zeg ik je, Peter, en dat is mijn eerlijke en vaste overtuiging…!
BURGEM. STOCKMANN. Als ondergeschikt ambtenaar is het je niet geoorloofd een aparte overtuiging te hebben.
DR. STOCKMANN (ontsteld). Niet geoorloofd om een…?
BURGEM. STOCKMANN. Als ondergeschikt ambtenaar, zeg ik. Als particulier,… ja, dat is heel wat anders. Maar als ondergeschikte, in dienst van de badinrichting is het je niet geoorloofd een overtuiging uit te spreken, die in strijd is met die van je superieuren.
DR. STOCKMANN. Dat gaat te ver! Ik als dokter, als wetenschappelijk man, zou niet het recht hebben om…!
BURGEM. STOCKMANN. De zaak waarvan hier sprake is, is niet enkel een wetenschappelijke; dat is een gecombineerde zaak; het is zoowel een technische als een oekonomische!
DR. STOCKMANN. Och wat duivel! Laat het voor mijn part zijn wat het wil! Ik wil vrijheid hebben om te spreken over alle mogelijke zaken in de wereld!
BURGEM. STOCKMANN. Alsjeblieft. Alleen maar niet over die betreffende de badinrichting…. Dat verbieden wij je.
DR. STOCKMANN (schreeuwt). Jullie verbiedt mij…. Jullie! Zulke…!
BURGEM. STOCKMANN. Ik verbied het je…; ik, je chef. En wanneer ik het je verbied dan heb jij te gehoorzamen.
DR. STOCKMANN (bedwingt zich). Peter,… waarachtig, als je mijn broer niet was….
PETRA (rukt de deur open). Vader, dat moet je niet verdragen!
MEVR. STOCKMANN (haar achterna). Petra! Petra!
BURGEM. STOCKMANN. Ah, men heeft staan luisteren.
MEVR. STOCKMANN. Je praatte zoo hard; wij konden niet helpen dat wij….
PETRA. Ja, ik heb staan luisteren.
BURGEM. STOCKMANN. Nu, eigenlijk ben ik er blij om….
DR. STOCKMANN (komt dichter bij hem). Je zei iets van verbieden en gehoorzamen…?
BURGEM. STOCKMANN. Je hebt mij gedwongen op dien toon te spreken.
DR. STOCKMANN. En nu moet ik met een openlijke verklaring mijzelf een slag in mijn gezicht geven?
BURGEM. STOCKMANN. Wij houden het voor absoluut noodzakelijk dat je een verklaring publiceert zooals ik die verlangd heb.
DR. STOCKMANN. En als ik nu niet … gehoorzaam?
BURGEM. STOCKMANN. Dan geven wij zelf een verklaring uit tot geruststelling van het publiek.
DR. STOCKMANN. Best; maar dan schrijf ik tegen jullie. Ik blijf bij mijn idee; ik zal bewijzen dat ik gelijk heb en jullie ongelijk hebt. En wat zal je dan doen?
BURGEM. STOCKMANN. Dan zal ik niet kunnen verhinderen dat je ontslagen wordt.
DR. STOCKMANN. Wat…!
PETRA. Vader … ontslagen!
MEVR. STOCKMANN. Ontslagen!
BURGEM. STOCKMANN. Ontslagen als baddokter. Ik zal mij genoodzaakt zien je voor te dragen voor onmiddellijk ontslag, en je te ontheffen van alle functies die met de badinrichting in verband staan.
DR. STOCKMANN. En dat zou jullie durven wagen!
BURGEM. STOCKMANN. Je bent het zelf die hier een gewaagd spel speelt.
PETRA. Oom, dat is een schandelijke manier van doen tegen een man als papa!
MEVR. STOCKMANN. Petra, wil je wel eens je mond houden!
BURGEM. STOCKMANN (kijkt Petra aan). Aha, men schijnt zich hier ook al te permitteeren zijn opinie ten beste te geven. Ja, natuurlijk (tegen mevr.) Schoonzuster, u is vermoedelijk de verstandigste hier in huis. Gebruik den invloed dien u op uw man heeft, doe hem inzien wat voor gevolgen dit hebben zal, zoowel voor zijn gezin….
DR. STOCKMANN. Mijn gezin gaat niemand anders aan dan mij.
BURGEM. STOCKMANN. … zoowel voor zijn gezin, zeg ik, als voor de stad waar hij woont.
DR. STOCKMANN. Ik ben het die het ware welzijn van de stad wil. Ik wil de misslagen onthullen die vroeg of laat aan het licht moeten komen. En het zal nog wel eens blijken of ik mijn geboorteplaats lief heb.
BURGEM. STOCKMANN. Jij, die in blinden trots de stad haar voornaamste levensbron wilt afsnijden!
DR. STOCKMANN. Die bron is vergiftigd, mensch! Ben je dan krankzinnig? Wij leven hier van geschacher met smerigheid en vuilnis! Het heele opbloeiende leven van onze maatschappij put zijn voedsel uit een leugen!
BURGEM. STOCKMANN. Hersenschimmen … of misschien nog wel wat ergers. De man die zulke beleedigende insinuaties tegen zijn eigen stad durft uiten, moet wel een vijand van de maatschappij zijn.
DR. STOCKMANN (op hem toeloopend). En dat waag jij…!
MEVR. STOCKMANN (komt tusschenbeiden). Thomas!
PETRA (pakt haar vader bij den arm). Hou je kalm, vader!
BURGEM. STOCKMANN. Ik wil mij niet aan gewelddadigheden blootstellen. Je bent nu gewaarschuwd. Bedenk dus wat je jezelf en je gezin verplicht bent. Adieu. (gaat weg).
DR. STOCKMANN (loopt op en neer). En zoo'n behandeling moet ik mij laten welgevallen! In mijn eigen huis. Katrine! Wat zeg jij daarvan?
MEVR. STOCKMANN. Ja, 't is zonde en schande, Thomas….
PETRA. Ik wou dat ik oom maar eens te lijf mocht gaan…!
DR. STOCKMANN. 't Is mijn eigen schuld; ik had al lang eens op mijn poot moeten spelen,… mijn tanden laten zien … van mij afbijten! En mij een vijand van de maatschappij te noemen! Mij! Dat laat ik bij mijn ziel en zaligheid niet op me zitten!
MEVR. STOCKMANN. Maar, mijn lieve Thomas, je broer heeft nu eenmaal de macht in handen….
DR. STOCKMANN. Ja maar, ik heb het recht, zie je!
MEVR. STOCKMANN. Och ja, het recht, het recht; wat helpt het of je al het recht hebt als je geen macht bezit?
PETRA. Maar moeder … hoe kan je toch zulke dingen zeggen?
DR. STOCKMANN. Dus in eene vrije maatschappij zou het je niets helpen het recht op je hand te hebben! Je bent komiek Katrine! En bovendien,… heb ik dan niet de vrijzinnige onafhankelijke pers voor mij … en de compacte meerderheid achter mij? Dat is toch wel macht genoeg zou ik denken!
MEVR. STOCKMANN. Maar lieve God, Thomas, je denkt er toch niet aan….
DR. STOCKMANN. Waar denk ik niet aan?
MEVR. STOCKMANN. … om je tegen je broer te verzetten, meen ik.
DR. STOCKMANN. Wat duivel wil je dan dat ik andere doen zal, als ik niet loslaten wil wat recht en waarheid is?
PETRA. Ja, dat zou ik ook wel eens willen weten!
MEVR. STOCKMANN. Maar het helpt je immers absoluut niemendal; als ze niet willen dan willen ze niet.
DR. STOCKMANN. Hoho, Katrine, laat mij maar tijd, dan zal je zien dat ik toch mijn wil doorzet.
MEVR. STOCKMANN. Ja, je zult misschien doordrijven dat je je ontslag krijgt,… dat zal je.
DR. STOCKMANN. Dan heb ik in elk geval mijn plicht tegenover het publiek, tegenover de maatschappij gedaan. Ik, dien hij een vijand van de maatschappij heeft genoemd!
MEVR. STOCKMANN. Maar jegens je gezin, Thomas? Jegens ons hier thuis? Vindt je dat je op die manier je plicht doet jegens hen voor wier onderhoud je zorgen moet?
PETRA. Och, denk toch niet altijd in de eerste plaats aan ons, moeder.
MEVR. STOCKMANN. Ja, jij hebt goed praten; jij kunt desnoods op eigen beenen staan…. Maar denk aan de jongens, Thomas; en denk ook een beetje aan jezelf en aan mij….
DR. STOCKMANN. Maar ik geloof dat je niet goed wijs bent, Katrine! Als ik zoo jammerlijk laf was om met dien Peter en zijn verdomden troep te capituleeren, zou ik dan wel ooit een gelukkig oogenblik in mijn leven meer kunnen hebben?
MEVR. STOCKMANN. Ja, dat weet ik niet; maar Onze Lieve Heer beware ons voor het geluk dat ons allen te wachten staat, als jij in je trots volhardt. Dan sta je weer zonder brood, zonder vast inkomen. Mij dunkt, daar hebben wij genoeg van gehad in vroeger dagen; denk er aan, Thomas; bedenk wat dat zeggen wil.
DR. STOCKMANN (in hevigen tweestrijd). En tot zoo iets kunnen die bureau-slaven een vrij en eerlijk man brengen! Is dat niet vreeselijk, Katrine?
MEVR. STOCKMANN. Ja, ze hebben schandelijk gehandeld tegenover je, dat staat vast. Maar lieve God, er is zoo veel dat onrechtvaardig is, waaronder een mensch zich maar buigen moet…. Daar zijn de jongens, Thomas! Kijk ze eens aan! Wat zal er van hen worden? O neen, neen, je kunt het nooit over je hart verkrijgen….
(Ejlif en Morten met hun schoolboeken zijn intusschen binnengekomen).
DR. STOCKMANN. De jongens!… (Staat op eens vast besloten stil). En al zou de heele wereld te gronde gaan, toch buig ik mijn nek niet onder het juk (gaat naar zijn kamer).
MEVR. STOCKMANN (hem achterna). Thomas,… wat ga je doen!
DR. STOCKMANN (bij de deur). Ik wil het recht behouden om mijn jongens in de oogen te zien, als zij eens tot vrije mannen zullen zijn opgegroeid (gaat binnen).
MEVR. STOCKMANN (barst in tranen uit). O, God helpe en trooste ons allen!
PETRA. Vader is ferm! Hij buigt niet!
(De jongens vragen verwonderd wat er is; Petra beduidt hen dat zij zwijgen moeten).
EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
* * * * *
DERDE BEDRIJF.
De redactie-kamer van de "Volksbode." Links achter de entree-deur; rechts in denzelfden wand een glazen deur, waardoor men in de drukkerij kijkt. In den wand rechts een deur. Midden in de kamer een groote tafel bedekt met papieren, couranten en boeken. Vooraan links een raam en daarbij een lessenaar met hooge kruk. Een paar fauteuils staan bij de tafel; eenige andere stoelen langs den muur. De kamer is somber en ongezellig, het meubilair oud, de fauteuils vuil en versleten. In de drukkerij ziet men een paar zetters aan het werk; verderop is een handpers in werking.
Redacteur Hovstad zit aan den lessenaar te schrijven. Even later komt Billing binnen van rechts met het manuscript van den dokter in zijn hand.
* * * * *
BILLING. Nou ik moet zeggen dat…!
HOVSTAD (schrijvend). Heb je het doorgelezen?
BILLING (legt het manuscript op den lessenaar). Ja, dat heb ik.
HOVSTAD. Flink scherp, he?
BILLING. Scherp? Hij is goddome vernietigend. Ieder woord komt als een bijlslag neer, zoo geweldig….
HOVSTAD. Ja, maar de menschen vallen niet met den eersten slag.
BILLING. Dat is waar; maar dan gaan wij voort met er op te slaan,… slag op slag, dat het heele groote-heeren regiment onderste boven ligt. Toen ik dat daar in mijn kamer zat te lezen, was het of ik in de verte de revolutie zag aankomen.
HOVSTAD (keert zich om). Sst; zeg dat maar niet dat Aslaksen het hoort.
BILLING (spreekt zachter). Aslaksen is een haas, een laffe vent; er zit niets geen mannenmoed in hem. Maar dezen keer zal je toch je wil doorzetten, he? Het artikel van den dokter plaats je toch wel?
HOVSTAD. Ja, als de burgemeester nu maar niet goedwillig met hem mee gaat, dan….
BILLING. Dat zou verduiveld vervelend zijn.
HOVSTAD. Nu, wij kunnen ons in elk geval de omstandigheden ten nutte maken, wat er ook gebeure. Gaat de burgemeester niet in op de voorstellen van den dokter, dan krijgt hij de heele kleine burgerij op zijn dak,… den heelen Bond van Huiseigenaren en al de anderen. En gaat hij er wel op in, dan krijgt hij het aan den stok met een heelen troep van de groote aandeelhouders, die tot nu toe zijn beste steun waren.
BILLING. Jawel, zeker; want die zullen stellig wat moeten opdokken….
HOVSTAD. Ja, daarop kan je je wel laten hangen. En dan is die ring verbroken, zie je, en dan zullen wij dag aan dag het publiek er over inlichten, dat de burgemeester ongeschikt is in alle opzichten, en dat alle posten van vertrouwen in de stad, evenals het heele gemeentebestuur, moesten gegeven worden in handen van vrijzinnige mannen.
BILLING. Dat is, goddome, raak! Ik zie het, ik zie het al voor me … wij staan als aan den vooravond van een revolutie!
(Er wordt geklopt).
HOVSTAD. Stil! (roept) Binnen!
(Dr. Stockmann komt door de deur links achter).
HOVSTAD (gaat naar hem toe). O, daar hebben wij den dokter. Wel?
DR. STOCKMANN. Druk maar raak, mijnheer Hovstad.
HOVSTAD. Dus het kwam er toe?
BILLING. Hoera!
DR. STOCKMANN. Druk maar raak, zeg ik. Ja, zeker kwam het er toe. Maar nu zullen ze dan ook hun zin hebben. Nu wordt het oorlog hier in de stad, mijnheer Billing!
BILLING. Oorlog op leven en dood, hoop ik! Het mes op de keel, dokter!
DR. STOCKMANN. Dat rapport is maar een begin. Ik loop al met mijn hoofd vol van vier, vijf ontwerpen voor nieuwe artikels. Waar zit Aslaksen?
BILLING (roept in de drukkerij). Aslaksen, kom eens even hier!
HOVSTAD. Vier, vijf nieuwe artikels, zei u? Over dezelfde zaak?
DR. STOCKMANN. Neen, geen idee, mijn waarde! Neen, over heel andere dingen. Maar het gaat allemaal van de waterleiding en het riool uit. Het een volgt uit het ander, begrijpt u. Het is net als wanneer je begint een oud gebouw af te breken … dat gaat precies eender.
BILLING. Dat is, goddome, waar; je schijnt er nooit mee klaar te komen voor je den heelen boel naar beneden hebt gehaald.
ASLAKSEN (uit de drukkerij). Naar beneden gehaald! Dokter denkt er toch niet over het badhuis af te breken?
HOVSTAD. In de verste verte niet; wees maar niet bang.
DR. STOCKMANN. Neen, er is sprake van heel andere dingen. Wel, en wat zegt u van mijn verslag, mijnheer Hovstad?
HOVSTAD. Ik vind het een waar meesterstuk….
DR. STOCKMANN. Ja, niet waar? Nu dat doet mij plezier; dat doet mij plezier.
HOVSTAD. Zoo helder en duidelijk; men behoeft heelemaal geen man van het vak te zijn om het verband te begrijpen. Ik durf gerust zeggen dat u alle ontwikkelden op uw hand krijgen zal.
ASLAKSEN. En ook alle bezadigden?
BILLING. Bezadigden en niet bezadigden, ik denk wel nagenoeg de heele stad.
ASLAKSEN. Nu, dan kunnen wij dat verslag wel drukken.
DR. STOCKMANN. Ja, dat zou ik ook denken!
HOVSTAD. Morgen vroeg komt het in de courant.
DR. STOCKMANN. Bliksems ja, er moet geen enkele dag verloren gaan. Hoor eens, mijnheer Aslaksen. Ik wou u vragen of u persoonlijk voor het manuscript zorgen wil.
ASLAKSEN. Dat zal ik.
DR. STOCKMANN. Waak er over alsof het goud was. Geen enkele drukfout; ieder woord is van belang. Ik kom later nog wel even aan; misschien zou ik dan al een gedeelte proef kunnen zien…. Ik kan niet zeggen hoe ik er naar verlang het gedrukt te zien … de wereld in geslingerd….
BILLING. Geslingerd … ja, als een bliksemschicht!
DR. STOCKMANN. … aan het oordeel van alle verstandige medeburgers onderworpen. O, u kan u geen begrip maken van wat mij van daag is aangedaan. Men heeft mij met allerlei dingen gedreigd, men heeft mij willen ontnemen wat toch zonneklaar een mensch zijn goed recht is …
BILLING. Wat! Dat wat uw goed recht als mensch is!
DR. STOCKMANN. … men heeft mij willen vernederen, mij tot een schurk willen maken … geeischt dat ik persoonlijk voordeel boven mijn innigste, heiligste overtuiging stellen zou….
BILLING. Dat is, goddome, toch wat al te bar.
HOVSTAD. Och ja, van dien kant kan men alles verwachten.
DR. STOCKMANN. Maar met mij zullen zij aan het kortste eind trekken; dat zullen zij zwart op wit van mij hebben. Nu wil ik, om zoo te zeggen, voortaan in de "Volksbode" voor anker gaan liggen, en hen bombardeeren met ontplofbare artikels….
ASLAKSEN. Ja maar, hoor eens….
BILLING. Hoera, er komt oorlog, er komt oorlog!
DR. STOCKMANN. … ik zal ze tegen den grond slaan, ik zal ze vermorzelen, hun vestingwerken voor de oogen van het heele rechtschapen publiek met den grond gelijk maken! Dat zal ik doen!
ASLAKSEN. Maar doe het toch gematigd, dokter; schiet met mate….
BILLING. Welneen, welneen! Het dynamiet niet sparen!
DR. STOCKMANN (gaat onverstoorbaar door). Want nu is het niet meer alleen de kwestie van de waterleiding en het riool, ziet u. Neen, nu is het onze heele samenleving hier die gereinigd, gedesinfecteerd worden moet.
BILLING. Daar klonk het bevrijdingswoord!
DR. STOCKMANN. Alle lapwerk-veteranen moeten er uit. En dat op alle mogelijk gebied! Er hebben zich oneindige verschieten voor mij geopend van daag. Heel duidelijk is mij dat alles nog niet; maar dat komt wel. Wij moeten jonge frissche banierdragers zoeken, beste vrienden; wij moeten nieuwe commandanten hebben op alle voorposten.
BILLING. Juist, juist!
DR. STOCKMANN. En als wij maar eensgezind zijn, dan gaat het zoo glad, zoo glad! De heele omwenteling zal van stapel loopen als een schip. Gelooft u ook niet?
HOVSTAD. Ik, voor mijn part, geloof dat wij nu uitzicht hebben het gemeentebestuur over te brengen in die handen, waar het van rechtswege behoort te zijn.
ASLAKSEN. En als wij maar gematigd te werk gaan, dan kan ik mij niet voorstellen dat het gevaarlijk zou kunnen zijn.
DR. STOCKMANN. Wat duivel kan het schelen of het gevaarlijk is of niet! Dat wat ik doe, doe ik in naam der waarheid en voor mijn eigen geweten.
HOVSTAD. U is een man die verdiend gesteund te worden, dokter.
ASLAKSEN. Ja, dat staat vast, de dokter is een oprecht vriend van de stad; een ware vriend van de samenleving, ja.
BILLING. Dokter Stockmann is, goddome, een vriend van het volk, Aslaksen!
ASLAKSEN. Ik denk dat de Bond van Huiseigenaren van die uitdrukking gauw gebruik zal maken.
DR. STOCKMANN (bewogen, drukt hem de hand). Dank, dank, mijn lieve trouwe vrienden;… het is zoo verkwikkend dat alles te hooren;… mijn broer noemde mij heel anders…. Nou, dat zal hij, bij mijn ziel, met woeker terug krijgen! Maar nu moet ik weg om naar een armen stakkerd te gaan kijken…. Straks kom ik terug, zooals gezegd. Zorg goed voor mijn manuscript, mijnheer Aslaksen;… en laat, bij al wat u lief is, alsjeblieft geen enkel uitroepingsteeken weg! Zet er liever nog een paar bij! Goed, best; tot straks dan; adieu!
(Wederzijdsche groeten terwijl zij hem tot aan de deur geleiden en hij weg gaat).
HOVSTAD. Hij kan onbetaalbaar nuttig voor ons worden.
ASLAKSEN. Ja, zoo lang hij zich alleen houdt aan die zaak van de badinrichting. Maar als hij verder gaat, is het niet raadzaam met hem gemeene zaak te maken.
HOVSTAD. Hm, dat komt er maar op aan….
BILLING. Je bent ook zoo vervloekt bang, Aslaksen.
ASLAKSEN. Bang? Ja, waar het de lokale autoriteiten betreft, ben ik bang, mijnheer Billing; dat is iets dat ik in de school der ervaring geleerd heb, moet ik u zeggen. Maar zet mij eens voor de hooge politiek, ja, zelfs voor de oppositie tegen de regeering, en zie dan eens of ik bang ben.
BILLING. Neen, dan zeker niet, neen; maar dat is juist het tegenstrijdige in je.
ASLAKSEN. Ik ben een man die er een geweten op na houdt, dat is de heele zaak. Valt iemand de Regeering aan, dan doet hij de maatschappij in elk geval geen kwaad; want die lui storen er zich niet aan, ziet u;… zij blijven toch waar ze zijn. Maar de lokale autoriteiten, die kunnen omvergeworpen worden, en dan komt misschien de onkunde aan het roer, tot onherstelbare schade van huiseigenaren en anderen.
HOVSTAD. Maar de opvoeding der burgers door zelfbestuur … gaat dat je niet ter harte?
ASLAKSEN. Als iemand iets bereikt heeft dat hij graag behouden wil, dan kan hij zich niet met alles bezig houden, mijnheer Hovstad.
HOVSTAD. Nou, dan hoop ik van mijn leven niets te bereiken.
BILLING. Mooi zoo!
ASLAKSEN (glimlacht). Hm. (wijst naar den lessenaar). Op die redacteurskruk daar, heeft voor u meneer Stensgaard gezeten, die regeeringscommissaris is geworden.
BILLING (spuwt). Bah! Zoo'n overlooper.
HOVSTAD. Ik ben geen weerhaan … en zal het nooit worden ook.
ASLAKSEN. Iemand die aan politiek doet, moet zich nooit tot iets verbinden, mijnheer Hovstad. En u, mijnheer Billing, moest ook maar liever een beetje bakzeil halen, dezer dagen, dunkt me; want u solliciteert immers naar de betrekking van secretaris bij het gemeentebestuur.
BILLING. Ik…!
HOVSTAD. Jij, Billing…!
BILLING. Nou ja … wat duivel, je begrijpt toch wel dat dat maar is om die hoogwijze heeren te ergeren.
ASLAKSEN. Ja, mij gaat het heelemaal niet aan. Maar als ik beschuldigd word van lafheid en tegenstrijdigheid in mijn houding, dan wil ik alleen daar maar op komen, dat Aslaksens politiek verleden voor alle menschen open ligt. Ik ben heelemaal niet veranderd, alleen heb ik meer leeren maat houden, ziet u. Mijn hart is geheel bij het volk; maar ik ontken niet dat mijn verstand een beetje overhelt naar de autoriteiten,… naar de lokale dan altijd (hij gaat de drukkerij binnen).
BILLING. We moesten toch zien dat we van hem afkwamen, Hovstad.
HOVSTAD. Weet je iemand anders, die ons crediet geeft voor papier, zetwerk en drukloon?
BILLING. 't Is toch een vervloekt ding dat wij het noodige bedrijfskapitaal niet hebben.
HOVSTAD (gaat aan zijn lessenaar zitten). Ja, als we dat maar hadden, dan….
BILLING. Als je er eens met den dokter over sprak?
HOVSTAD (bladert in zijn papieren). Wat zou dat helpen? Hij bezit immers niets.
BILLING. Neen; maar hij heeft een goede achter de hand, den ouden Morten Kiil,… de "das" zooals ze hem noemen.
HOVSTAD (schrijvend). Weet je dat zoo zeker dat die wat heeft?
BILLING. Goddome, ja, hij wel! En een deel daarvan moet toch wel aan Stockmanns familie komen. Hij zal toch wel wat meegeven … aan de kinderen althans.
HOVSTAD (keert zich half om). Reken je daarop?
BILLING. Of ik er op reken? Ik reken natuurlijk nergens op.
HOVSTAD. Daar doe je wel aan. En op die betrekking van secretaris zou ik ook maar heelemaal niet rekenen; want ik kan je verzekeren … die krijg je nooit.
BILLING. Denk je dat ik dat niet opperbest weet? Maar het is me al zoo lief dat ik die niet krijg. Zoo op zij gezet te worden vuurt je strijdlust aan;… je krijgt, om zoo te zeggen, weer toevoer van nieuwe gal en daar kan je soms behoefte aan hebben in zoo'n kraaiennest als hier, waar zoo zelden eens iets gebeurt dat je een beetje opwindt.
HOVSTAD (schrijvend). O ja; o ja.
BILLING. Nou … je zult gauw genoeg wat van mij hooren!… Nu ga ik de oproeping aan den Bond van Huiseigenaren schrijven, (hij gaat in de kamer rechts).
HOVSTAD (zit aan den lessenaar, bijt op zijn pennenhouder en zegt langzaam). Hm,… jawel…. (er wordt geklopt). Binnen!
(Petra komt door de deur links achter).
HOVSTAD (staat op). Och, is u daar? Komt u hier?
PETRA. Ja, u moet mij excuseeren….
HOVSTAD (trekt een fauteuil bij). Wil u niet gaan zitten?
PETRA. Neen, dank u; ik ga dadelijk weer weg.
HOVSTAD. Is het misschien iets van uw vader, waar u….
PETRA. Neen het is iets van mijzelf. (haalt een boek uit haar zak). Hier is dat Engelsche verhaal.
HOVSTAD. Waarom brengt u dat terug?
PETRA. Omdat ik het niet vertalen wil.
HOVSTAD. Maar u beloofde het mij toch zoo vast….
PETRA. Ja, maar toen had ik het nog niet gelezen. En u heeft het zeker ook niet gelezen.
HOVSTAD. Neen; u weet dat ik geen Engelsch ken; maar….
PETRA. Nu juist; daarom moet ik u zeggen dat u iets anders zoeken moet (legt het boek op de tafel). Dit kan u volstrekt niet gebruiken in de "Volksbode".
HOVSTAD. Waarom niet?
PETRA. Omdat het geheel in strijd is met uw eigen beginselen.
HOVSTAD. Nu, wat dat betreft….
PETRA. U begrijpt mij nog niet goed. Dit is een verhaal waarin verteld wordt, dat een hooge bestiering waakt over de zoogenaamd brave menschen hier op aarde en alles ten slotte ten beste voor hen beschikt,… en dat de zoogenaamd slechten hun straf krijgen.
HOVSTAD. Maar dat is juist heel mooi. Dat is net iets wat het volk hebben wil.
PETRA. Wil u dan de man zijn die het volk zulke dingen voorzet? Zelf gelooft u daar immers geen woord van. U weet opperbest dat het in de werkelijkheid zoo niet toegaat.
HOVSTAD. Daarin heeft u volkomen gelijk, maar een redacteur kan niet altijd doen zooals hij 't liefst zou willen. Men moet dikwijls buigen voor de opinie der menschen in dingen van minder belang. De politiek is de hoofdzaak in het leven … of althans voor een dagblad. En als ik wil dat de menschen mij volgen zullen op den weg naar vrijmaking en vooruitgang, dan moet ik hen niet afschrikken. Als zij onder aan ons blad zulk een braaf verhaaltje lezen, dan gaan ze gewilliger mee met dat wat bovenaan gedrukt staat;… dat geeft hun een rustig gevoel.
PETRA. Foei, zoo sluw gaat u dus te werk om u lezers te vangen; u is toch geen spin!
HOVSTAD (glimlacht). Dank voor uw goede opinie. Neen; dat is ook eigenlijk maar Billing's gedachtengang, niet de mijne.
PETRA. Billing's…!
HOVSTAD. Ja, zoo sprak hij er ten minste onlangs over. Het is ook Billing die er zoo op gesteld is dat verhaal te plaatsen; ik ken het boek niet.
PETRA. Maar hoe kan Billing met zijn radicale opvattingen…!
HOVSTAD. Och, Billing is veelzijdig. Nu solliciteert hij naar de betrekking van secretaris bij het gemeentebestuur ook al, hoor ik.
PETRA. Dat geloof ik niet, mijnheer Hovstad. Hoe zou hij zich in zoo iets kunnen voegen?
HOVSTAD. Ja, dat moet u hem zelf maar vragen!
PETRA. Nooit zou ik dat van Billing gedacht hebben.
HOVSTAD (kijkt haar strak aan). Niet? Komt u dat zoo heel onverwacht?
PETRA. Ja. Of misschien toch niet. Ik weet 't eigenlijk niet….
HOVSTAD. Wij dagbladschrijvers deugen niet veel, juffrouw Stockmann.
PETRA. Zegt u dat in ernst?
HOVSTAD. Soms denk ik het wel eens.
PETRA. Ja, onder den indruk van het gewone dagelijksche gekrakeel, dat kan ik wel begrijpen. Maar nu, nu u op komt voor een groote zaak….
HOVSTAD. Die van uw vader, meent u?
PETRA. Ja juist. Nu, dunkt me, moet u zich voelen als een man die meer waard is dan anderen.
HOVSTAD. Ja, van daag voel ik zoo iets.
PETRA. Niet waar? Is het zoo niet? O, u heeft een mooie levenstaak gekozen. Miskende waarheden en nieuwe vrije levensopvattingen een weg te banen … ja zelfs alleen het zonder vrees optreden voor iemand die verongelijkt wordt….
HOVSTAD. Vooral als die verongelijkte … hm … ik weet niet goed, hoe ik….
PETRA. Als hij zoo rechtschapen en zoo door-en-door eerlijk is, meent u?
HOVSTAD (zachter). Vooral wanneer die uw vader is; wou ik zeggen.
PETRA (plotseling veranderd). Daarom?
HOVSTAD. Ja, Petra,… juffrouw Petra.
PETRA. Komt dat dus voor u in de allereerste plaats? Niet de zaak zelf? Niet de waarheid; niet vaders hooge gloeiende ziel?
HOVSTAD. Jawel,… ja dat spreekt, dat ook.
PETRA. Neen; nu heeft u zich versproken, mijnheer Hovstad, en nu geloof ik u in geen enkel opzicht meer.
HOVSTAD. Kan u mij dat zoo kwalijk nemen, dat het voornamelijk om uwentwil is…?
PETRA. Wat ik u kwalijk neem, is dat u niet eerlijk tegenover vader is geweest. U heeft met hem gesproken alsof de waarheid en het heil der maatschappij u het allernaast aan het hart lagen. U heeft vader zoowel als mij voor den gek gehouden; u is niet de man voor wien u zich uitgaf. En dat vergeef ik u nooit!
HOVSTAD. Dat moest u liever niet zoo stellig zeggen, juffrouw Petra; en allerminst nu.
PETRA. Waarom niet nu?
HOVSTAD. Omdat uw vader mijn hulp niet missen kan.
PETRA (kijkt op hem neer). Dus van die kracht is u ook nog? Bah!
HOVSTAD. Neen, neen, dat meen ik niet! Het valt mij ook zoo onverwacht op het lijf. Dat moet u niet gelooven!
PETRA. Ik weet nu wat ik gelooven moet. Adieu.
ASLAKSEN (uit de drukkerij, haastig en geheimzinnig). Bliksems, meneer Hovstad…. (ziet Petra). Au, verdomme….
PETRA. Daar ligt het boek. Geeft u 't maar aan iemand anders (gaat naar de uitgangsdeur).
HOVSTAD (loopt mee). Maar, juffrouw….
PETRA. Vaarwel (gaat weg).
ASLAKSEN. Meneer Hovstad, hoor eens!
HOVSTAD. Nou, nou, wat is er dan?
ASLAKSEN. De burgemeester is in de drukkerij.
HOVSTAD. De burgemeester, zeg je?
ASLAKSEN. Ja, hij wil u spreken; hij kwam achterin,… wou niet gezien worden, dat begrijpt u.
HOVSTAD. Wat kan dat zijn? Neen wacht, ik zal zelf…. (hij gaat naar de deur van de drukkerij, groet en verzoekt den burgemeester binnen te komen).
HOVSTAD. Hou de wacht, Aslaksen, dat niemand….
ASLAKSEN. Begrepen…. (gaat de drukkerij binnen)
BURGEM. STOCKMANN. Mijnheer Hovstad had wel niet verwacht mij hier te zien.
HOVSTAD. Neen, dat had ik stellig niet.
BURGEM. STOCKMANN (kijkt rond). U is hier waarlijk heel gezellig ingericht, heel aardig.
HOVSTAD. O….
BURGEM. STOCKMANN. En nu kom ik zoo maar zonder complimenten en leg beslag op uw tijd.
HOVSTAD. Alsjeblieft, burgemeester, ik ben tot uw dienst. Maar mag ik u niet ontlasten van…? (legt uniformpet en stok op een stoel). En wil burgemeester niet gaan zitten?
BURGEM. STOCKMANN (gaat bij de tafel zitten). Dank u.
(Hovstad gaat ook aan de tafel zitten).
BURGEM. STOCKMANN. Ik heb van daag een waarlijk groot verdriet gehad, mijnheer Hovstad.
HOVSTAD. Zoo? Och ja, bij zooveel zaken als burgemeester aan zijn hoofd heeft….
BURGEM. STOCKMANN. Dat van van daag heeft de baddokter mij aangedaan.
HOVSTAD. De dokter? Zoo?
BURGEM. STOCKMANN. Hij heeft een soort van verslag geschreven voor het bestuur van de badinrichting, over een aantal vermeende gebreken….
HOVSTAD. Och kom?
BURGEM. STOCKMANN. Ja, heeft hij het u niet verteld? Ik dacht dat hij zei….
HOVSTAD. O ja, dat 's waar, hij liet er een paar woorden over los….
ASLAKSEN (uit de drukkerij). Ik wou even het manuscript….
HOVSTAD (kriebelig). Hm; dat ligt immers daar op den lessenaar.
ASLAKSEN (vindt het). Mooi zoo.
BURGEM. STOCKMANN. Maar kijk eens, daar heeft u het juist….
ASLAKSEN. Ja, dat is het stuk van den dokter, burgemeester.
HOVSTAD. O, is het dat waar u van spreekt?
BURGEM. STOCKMANN. Precies. Wat denkt u er van?
HOVSTAD. Ja, ik ben geen man van het vak, en ik heb het maar vluchtig gelezen.
BURGEM. STOCKMANN. Maar u laat het toch drukken?
HOVSTAD. Een man van naam kan ik dat niet goed weigeren….
ASLAKSEN. Ik heb niets te zeggen in dagbladzaken, burgemeester.
BURGEM. STOCKMANN. Dat spreekt.
ASLAKSEN. Ik druk maar wat ik in mijn handen krijg.
BURGEM. STOCKMANN. Zoo behoort het ook.
ASLAKSEN. En daarom mag ik zeker wel…. (gaat naar de deur van de drukkerij).
BURGEM. STOCKMANN. Neen, blijf nog een oogenblik, mijnheer Aslaksen. Met uw goedvinden, mijnheer Hovstad….
HOVSTAD. Alsjeblieft, burgemeester….
BURGEM. STOCKMANN. U is een kalm en verstandig man, mijnheer Aslaksen.
ASLAKSEN. 't Doet mij plezier dat burgemeester er zoo over denkt.
BURGEM. STOCKMANN. En een man van invloed in wijden kring.
ASLAKSEN. Voornamelijk onder de kleine luiden … ja.
BURGEM. STOCKMANN. De kleine belastingplichtigen zijn het talrijkst, hier, even als overal.
ASLAKSEN. Dat zijn ze zeker.
BURGEM. STOCKMANN. En ik twijfel er niet aan of u kent den geest van de meesten van die lui. Is het zoo niet?