HENRIK IBSEN (continued 5)
J. Clant van der Mijll-Piepers translation
NORA. Maar dat zal u nooit beleven!
KROGSTAD. Wil u soms…?
NORA. Nu heb ik er den moed toe.
KROGSTAD. O, u maakt mij niet bang! Een fijn verwend dametje als u….
NORA. U zal het zien; u zal het zien!
KROGSTAD. Onder het ijs misschien? In het diepe, ijskoude, pikzwarte water? En dan in het voorjaar boven komen drijven, leelijk, onherkenbaar, met uitgevallen haar…?
NORA. U maakt mij toch niet bang.
KROGSTAD. Maar u maakt mij ook niet bang. Zoo iets doet men niet, mevrouw Helmer. Bovendien, waartoe zou het dienen? Ik heb hem nu immers toch in mijn macht.
NORA. Daarna? Als ik er niet meer…?
KROGSTAD. Vergeet u dan, dat ik ook dan nog over uw goeden naam kan beschikken?
NORA (staat sprakeloos … ziet hem aan).
KROGSTAD. Zoo … nu weet u er alles van. Bega dus geen dwaasheden. Als Helmer mijn brief ontvangen heeft, wacht ik bericht van hem. En onthoud, dat het uw man zelf is die mij weer dwingt tot dergelijke praktijken. Dat vergeef ik hem nooit! Vaarwel mevrouw! (af door het portaal).
NORA (bij de deur … opent die op een kier en luistert). Hij gaat weg … geeft den brief niet af…. O, neen … neen, dat zou ook al te erg zijn! (opent de deur hoe langer hoe verder). Wat is dat nu?… Hij blijft buiten staan … gaat nog niet naar beneden. Zou hij zich bedenken? Zou hij…. (er valt een brief in de bus; daarop hoort men Krogstad de trappen afgaan).
NORA (met een gesmoorden kreet, loopt door de kamer naar de sofa … kleine pauze). In de brievenbus. (Sluipt schuw naar de buitendeur). Daar ligt hij … Torwald, Torwald … nu is er geen uitkomst meer!
MEVR. LINDE (komt met het costuum uit de kamer links). Nu weet ik er verder niets meer aan te doen. Wil je het misschien eens passen?
NORA (heesch en zachtjes). Kristine, kom eens hier.
MEVR. LINDE (legt de japon op de sofa neer). Wat is er? Je ziet er heelemaal ontdaan uit.
NORA. Kom eens hier. Zie je dien brief? Daar, kijk, achter het glas van de brievenbus.
MEVR. LINDE. Jawel; ik zie hem wel.
NORA. Dat is een brief van Krogstad….
MEVR. LINDE. Nora … het is Krogstad die je het geld geleend heeft!
NORA. Ja, en nu komt Torwald alles te weten.
MEVR. LINDE. O, geloof mij, Nora, dat is voor jullie allebei het beste.
NORA. Er is nog veel meer dan je weet. Ik heb een valsche handteekening gemaakt.
MEVR. LINDE. Groote hemel…!
NORA. Nu wil ik je een ding zeggen, Kristine, jij moet mijn getuige zijn.
MEVR. LINDE. Hoezoo je getuige? Wat moet ik…?
NORA. Als ik soms gek worden mocht … en dat zou wel eens kunnen gebeuren….
MEVR. LINDE. Nora!
NORA. Of als er iets anders met mij gebeurde … iets … waardoor ik niet hier kon zijn….
MEVR. LINDE. Nora, Nora, je bent buiten jezelf!
NORA. Als er dan iemand was die alles op zich wou nemen, de schuld van alles, begrijp je….
MEVR. LINDE. Ja … Ja … maar hoe kan je denken?
NORA. Dan moet jij getuigen, dat het niet waar is, Kristine. Ik ben volstrekt niet buiten mezelf; ik ben bij mijn volle verstand nu; ik alleen heb het allemaal gedaan. Onthoud dat goed.
MEVR. LINDE. Zeker zal ik dat. Maar ik begrijp er niets van.
NORA. Och, hoe zou jij dat ook kunnen begrijpen? Wat nu gebeuren zal, dat is juist het wonderbare.
MEVR. LINDE. Het wonderbare?
NORA. Ja, het wonderbare. Maar dat is zoo vreeselijk, Kristine; dat mag niet gebeuren, om alles in de wereld niet!
MEVR. LINDE. Ik zal terstond met Krogstad gaan spreken.
NORA. Ga niet naar hem toe; hij zou je kwaad doen!
MEVR. LINDE. Er is een tijd geweest dat hij graag alles, wat het ook was, voor mij zou gedaan hebben.
NORA. Hij?
MEVR. LINDE. Waar woont hij?
NORA. Och, ik weet 't niet … ja toch (tast in haar zak). hier is zijn kaartje. Maar de brief, de brief!…
HELMER (in zijn kamer, klopt op de deur). Nora!
NORA (gilt van angst). Wat is er? Wat wou je van me?
HELMER. Nou, nou, schrik maar zoo niet! We komen immers niet binnen; je hebt den grendel op de deur gedaan; ben je soms aan het passen?
NORA. Ja, ja; ik ben aan het passen. Het wordt zoo mooi, Torwald!
MEVR. LINDE (die het kaartje heeft gelezen). Hij woont hier vlak bij, even den hoek om.
NORA. Och ja; maar het helpt immers toch niets. Wij zijn verloren. De brief ligt in de bus.
MEVR. LINDE. En heeft je man den sleutel?
NORA. Ja, altijd.
MEVR. LINDE. Krogstad moet zijn brief ongelezen terug vragen, hij moet maar een voorwendsel zien te vinden….
NORA. Maar juist om dezen tijd gaat Torwald altijd….
MEVR. LINDE. Houdt hem dan op; ga zoolang bij hem binnen. Ik kom zoo gauw mogelijk terug (gaat snel heen door het portaal).
NORA (gaat naar Helmer's deur, opent die en kijkt naar binnen). Torwald!
HELMER (in de binnenkamer). Zoo mag een mensch eindelijk weer zijn eigen kamer binnen gaan? Kom Rank, nu krijgen we wat te zien…. (in de deur). Wat is dat nu?
NORA. Wat Torwald-lief?
HELMER. Rank had mij voorbereid op een prachtige verkleedpartij.
RANK (in de deur). Ik had dat zoo begrepen, maar dan heb ik mij zeker vergist.
NORA. Neen, niemand krijgt mij te bewonderen in al mijn pracht voor morgen.
HELMER. Maar lieve Nora, je ziet er zoo moe uit. Heb je te lang gerepeteerd?
NORA. Neen, ik heb nog heelemaal niet gerepeteerd.
HELMER. Dat zal toch noodig zijn.
NORA. Ja, dat is zeker noodig, Torwald. Maar ik kan er zonder jouw hulp niet komen; ik heb het allemaal glad vergeten.
HELMER. O, we zullen dat wel gauw weer eens opknappen.
NORA. Ja, help mij weer eens een beetje op gang, Torwald. Beloof je mij dat? Ik ben zoo bang. Al die menschen…. Je moet je van avond eens geheel aan mij wijden. Niets van zaken of zoo, geen pen in de hand nemen. He? Doe je 't Torwald-lief?
HELMER. Dat beloof ik je; van avond zal ik gansch en al tot je beschikking zijn, jij klein hulpeloos ding!… Hm, ja … een ding moet ik toch eerst…. (gaat naar de buitendeur).
NORA. Wat wil je daar nu doen?
HELMER. Alleen maar eens kijken of er geen brieven gekomen zijn.
NORA. Neen, neen, niet doen, Torwald!
HELMER. Wat moet dat?
NORA. Toe, Torwald, er zijn er geen.
HELMER. Laat mij toch even zien (wil gaan).
NORA (bij de piano, slaat de eerste maten van de Tarantella aan).
HELMER (bij de deur … blijft staan). Aha!
NORA. Ik kan morgen niet dansen als ik niet met jou gerepeteerd heb.
HELMER (gaat naar haar toe). Ben je heusch zoo bang, kindje-lief?
NORA. Ja, onwijs bang. Laat ons nu dadelijk even repeteeren; er is nog net tijd voor wij aan tafel gaan. Toe, ga nu aan de piano zitten en accompagneer mij; wijs mij terecht en dirigeer mij, zooals vroeger.
HELMER. Graag … als je het verlangt (gaat voor de piano zitten).
NORA ( haalt de tamboerijn uit de doos en ook een lange kleurige echarpe waarin zij zich haastig drapeert; dan doet zij een sprong vooruit en roept:) Speel nu! Dan zal ik dansen!
(Helmer speelt en Nora danst; dokter Rank staat bij de piano, achter Helmer, en ziet toe).
HELMER (spelend). Langzamer, langzamer!
NORA. 'k Kan niet anders!
HELMER. Niet zoo woest, Nora!
NORA. Zoo moet het juist!
HELMER (houdt op). Neen, neen, neen … dat gaat heelemaal niet.
NORA (lacht en zwaait met de tamboerijn). Heb ik het niet gezegd?
RANK. Laat mij eens voor haar spelen.
HELMER (staat op). Ja, dat 's goed; dan kan ik haar beter dirigeeren.
(Rank gaat voor de piano zitten en speelt; Nora danst hoe langer hoe wilder. Helmer is bij de kachel gaan staan en roept haar voortdurend terechtwijzingen en aanmerkingen toe; zij schijnt ze niet te hooren; haar haar gaat los en valt over haar schouders; zij merkt het niet op en danst maar door. Mevrouw Linde komt binnen).
MEVR. LINDE (blijft verstomd staan in de deur). Ah…!
NORA (onder het dansen door). 't Is hier een vroolijke partij, Kristine!
HELMER. Maar liefste Nora, je danst alsof je leven op het spel stond….
NORA. Dat doet het ook.
HELMER. Rank, houd op; dit is gewoon gekkenwerk. Toe, schei uit. (Rank houdt op met spelen, en Nora staat plotseling stil).
HELMER (naar haar toegaand). Dat had ik nu toch nooit gedacht. Je hebt alles vergeten wat ik je geleerd heb.
NORA (gooit de tamboerijn neer). Nu zie je het zelf.
HELMER. Ja, je mag nog wel eens een lesje hebben.
NORA. Je ziet hoe noodig het is. Je moet tot het laatst toe met me repeteeren. Beloof je mij dat Torwald?
HELMER. Daar kan je vast op rekenen.
NORA. Je moet je noch vandaag noch morgen, met iets anders bemoeien dan met mij; je moet geen brief open maken … zelfs de brievenbus niet….
HELMER. Ah … dat is nog de angst voor dien kerel….
NORA. O ja … dat ook.
HELMER. Nora, ik zie het aan je gezicht, er ligt al een brief van hem.
NORA. Ik weet 't niet; ik geloof 't; maar je mag nu zoo iets niet lezen. Er mag niets leelijks tusschen ons komen voor alles voorbij is.
RANK (zacht tegen Helmer). Doe haar zin nu maar.
HELMER (slaat zijn armen om haar heen). Nou, 't kindje zal haar zin hebben. Maar morgen avond, als je gedanst hebt….
NORA. Dan ben je vrij.
DIENSTMEISJE (in de deur rechts). Mevrouw, het eten is opgedaan.
NORA. Breng een flesch Champagne, Helene.
DIENSTMEISJE. Ja, mevrouw. (af)
HELMER. Zoo, zoo … groot feest dus?
NORA. Een champagne-fuif tot aan den lichten morgen! (Roept in het portaal). En ook wat bonbons, Helene, een heelen boel … voor dezen keer!
HELMER (grijpt haar handen). Kalm, kalm, kalm, kindje; niet zoo woest opgewonden. Wees nu weer mijn lieve kleine leeuwerik, zooals anders.
NORA. Ja, ja strakjes. Maar ga nu maar naar binnen, en u ook dokter. Kristine, jij moet me even helpen mijn haar weer op te steken.
RANK (zacht, terwijl zij weggaan). Is er soms iets … iets aan de hand?
HELMER. Och wel neen! beste kerel; het is alleen die kinderachtige angst, waarvan ik je vertelde. (Zij gaan rechts af).
NORA. Wel!?
MEVR. LINDE. Uit de stad.
NORA. Ik zag het aan je.
MEVR. LINDE. Morgen avond komt hij thuis. Ik liet een briefje achter.
NORA. Dat hadt je wel kunnen laten. Je moet niet meer trachten iets tegen te houden. Eigenlijk is het toch iets heerlijks dat wachten op de komst van het wonderbare.
MEVR. LINDE. Wat is dat toch waar je op wacht?
NORA. Och, dat kan jij toch niet begrijpen. Ga vast naar hen toe; ik kom dadelijk ook. (Mevr. Linde gaat naar de eetkamer).
NORA (staat even stil als om tot zichzelf te komen; dan kijkt zij op de klok). Vijf uur. Nog zeven uur eer het middernacht is. Dan nog vier-en-twintig uur tot morgen nacht. Dan is de Tarantella uit. Vier-en-twintig en zeven? Dus nog een-en-dertig uren te leven.
HELMER (in de deur rechts). Maar waar blijft mijn leeuwerikje dan toch?
NORA (met open armen naar hem toe). Hier is je leeuwerikje!
EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
[Illustratie: Mejuffr. Rika Hopper als Nora (einde van het 2de Bedrijf)]
* * * * *
DERDE BEDRIJF.
Zelfde kamer. De canape-tafel staat midden in de kamer met stoelen er om heen. Brandende lamp op tafel. De deur naar het portaal staat open. Van de bovenverdieping klinkt dansmuziek.
Mevr. Linde zit aan de tafel en bladert in een boek; probeert te lezen, maar schijnt haar gedachten er niet bij te kunnen houden. Een paar maal luistert zij gespannen naar den kant van de buitendeur.
* * * * *
MEVR. LINDE (kijkt op de klok). Nog al niet. En 't wordt toch hoog tijd. Als hij maar niet…. (luistert weer). Ah! daar is hij. (Zij gaat naar het portaal en opent voorzichtig de buitendeur; men hoort zachtjes loopen op de trap; zij fluistert): Kom binnen. Er is niemand.
KROGSTAD (in de deur). Ik vond thuis een briefje van u. Wat beteekent dat?
Mevr. LINDE. Ik moet U noodzakelijk spreken.
KROGSTAD. En moest dat volstrekt hier in huis gebeuren?
MEVR. LINDE. Bij mij thuis kon het niet; mijn kamer heeft geen afzonderlijken opgang. Kom binnen; we zijn heel alleen; de meiden slapen en de Helmers zijn op 't bal hier boven.
KROGSTAD (gaat de kamer binnen). Kijk eens aan! Dansen de Helmers van avond?
MEVR. LINDE. Ja, waarom niet?
KROGSTAD. Och ja; waarom ook niet?
MEVR. LINDE. Zeg, Krogstad, laat ons nu eens samen praten.
KROGSTAD. Hebben wij elkaar dan nog iets te zeggen?
MEVR. LINDE. Ja. Wij hebben elkaar heel veel te zeggen.
KROGSTAD. Ik dacht van niet.
MEVR. LINDE. Omdat je mij nooit goed begrepen hebt.
KROGSTAD. Was er dan nog iets anders te begrijpen dan dat wat zoo dood-gewoon is in de wereld? Een vrouw zonder hart, die een man laat loopen, als er zich iets anders voordoet dat voordeeliger is?
MEVR. LINDE. Geloof je dat ik zoo heelemaal zonder hart ben? En geloof je dat ik het zoo maar luchtig-weg afmaakte?
KROGSTAD. Deed je dat dan niet?
MEVR. LINDE. Krogstad heb je dat waarlijk gedacht?
KROGSTAD. Als het niet zoo was waarom schreef je mij dan zoo als je deedt?
MEVR. LINDE. Ik kon immers niet anders. Als ik 't met jou afmaakte, was het toch ook mijn plicht alles bij je uit te roeien wat je voor mij voelde.
KROGSTAD (wringt de handen). Zoo was het dus gemeend. En dat alles … alles alleen om het geld!
MEVR. LINDE. Je moet niet vergeten dat ik een zieke, hulpbehoevende moeder had en twee kleine broertjes. Wij konden niet op je wachten, Krogstad. Je hadt toen immers nog heelemaal geen vooruitzichten.
KROGSTAD. Al was het zoo, dan hadt je toch niet het recht mij te verstooten voor een ander.
MEVR. LINDE. Ik weet het niet. Menigmaal heb ik mij afgevraagd of ik het recht er toe had.
KROGSTAD (zachter). Toen je mij losliet, was het of de grond onder mijn voeten weggleed. En zie nu eens wat er van mij geworden is: een schipbreukeling op een wrak.
MEVR. LINDE. Er kon wel hulp nabij zijn.
KROGSTAD. Die was nabij; maar toen ben jij tusschenbeiden gekomen.
MEVR. LINDE. Buiten mijn weten, Krogstad. Pas van daag heb ik gehoord dat ik in jouw plaats kom bij de Bank.
KROGSTAD. Ik geloof 't als je het zegt. Maar nu je het weet, trek je je nu terug?
MEVR. LINDE. Neen, want dat zou je toch niets baten.
KROGSTAD. Baten, baten … ik zou het toch graag willen.
MEVR. LINDE. Ik heb geleerd met overleg te handelen. Het leven en de harde, bittere noodzakelijkheid hebben mij dat geleerd.
KROGSTAD. En het leven heeft mij geleerd niet aan mooie woorden te gelooven.
MEVR. LINDE. Dan heeft het leven je iets heel verstandigs geleerd. Maar aan daden mag je toch gelooven?
KROGSTAD. Wat meen je daarmee?
MEVR. LINDE. Je zei, dat je stond als een schipbreukeling op een wrak.
KROGSTAD. En ik had alle reden om dat te zeggen.
MEVR. LINDE. Ik zit ook als een schipbreukelinge op een wrak. Niemand om voor te zorgen en niemand die om mij geeft.
KROGSTAD. Je hebt zelf gekozen.
MEVR. LINDE. Ik had toen geen andere keus.
KROGSTAD. Nou … maar wat wou je zeggen?
MEVR. LINDE. Krogstad, als wij twee schipbreukelingen nu eens tot elkaar konden komen?
KROGSTAD. Wat zeg je?!
MEVR. LINDE. Twee menschen samen op een wrak zijn er toch beter aan toe, dan ieder afzonderlijk op het zijne.
KROGSTAD. Kristine!
MEVR. LINDE. Waarvoor denk je dat ik in de stad gekomen ben?
KROGSTAD. Zou je waarlijk een gedachte voor mij gehad hebben?
MEVR. LINDE. Ik moet werken om het leven te kunnen dragen. Al mijn levensdagen, zoo lang ik mij herinneren kan, heb ik gewerkt, en dat is mijn grootste en eenige genot geweest. Maar nu sta ik heel alleen in de wereld, zoo ontzettend leeg en verlaten. Alleen voor je zelf te werken geeft geen genot. Krogstad, geef mij iemand en iets om voor te werken.
KROGSTAD. Dat kan ik niet gelooven. Dat is alleen maar de zelfverheerlijkende overspanning van een vrouw, die zich opofferen wil.
MEVR. LINDE. Heb je ooit gemerkt dat ik overspannen was?
KROGSTAD. Zou je dat waarlijk willen doen? Zeg eens eerlijk … weet je alles van mijn verleden?
MEVR. LINDE. Ja.
KROGSTAD. En weet je ook voor wat ik hier doorga?
MEVR. LINDE. Je zei daar straks iets, alsof je meende dat je met mij een ander mensch hadt kunnen worden.
KROGSTAD. Dat weet ik zeker.
MEVR. LINDE. Zou dat niet nu nog kunnen gebeuren?
KROGSTAD. Kristine … zeg je dat na rijp overleg? Ja … dat doe je. Ik zie het je aan. Heb je er waarlijk moed toe?
MEVR. LINDE. Ik heb behoefte voor iemand een moeder te zijn en je kinderen hebben behoefte aan een moeder. Wij beiden hebben behoefte aan elkaar. Krogstad, ik geloof in het goede in je;… ik durf gerust verder met jouw door het leven te gaan.
KROGSTAD (grijpt haar handen). Dankje, dankje, Kristine! O, nu zal ik mij ook in de oogen van anderen weer kunnen oprichten … O maar ik vergat….
MEVR. LINDE (luistert). Sst! De Tarantella! Ga nu weg, gauw!
KROGSTAD. Waarom? Wat is dat?
MEVR. LINDE. Hoor je dat dansen hier boven? Als dat uit is, kunnen ze ieder oogenblik terugkomen.
KROGSTAD. O ja … ik zal heengaan. 't Is toch alles vergeefs. Je weet natuurlijk niet wat ik tegen de Helmers op touw gezet heb.
MEVR. LINDE. Ja wel, Krogstad, ik weet het.
KROGSTAD. En toch heb je moed?…
MEVR. LINDE. Ik begrijp best waartoe de wanhoop een man als jij bent, drijven kan.
KROGSTAD. O, 'k wou dat ik het ongedaan kon maken!
MEVR. LINDE. Dat zou je wel kunnen; want je brief ligt nog in de bus.
KROGSTAD. Weet je dat zeker?
MEVR. LINDE. Heel zeker; maar….
KROGSTAD (ziet haar uitvorschend aan). Moet ik het misschien zoo verstaan, dat je je vriendin redden wilt tot elken prijs? Zeg het dan liever ronduit. Is dat zoo?
MEVR. LINDE. Krogstad, wie zich eens ter wille van anderen verkocht heeft, doet het niet voor een tweeden keer.
KROGSTAD. Ik zal mijn brief terug vragen.
Mevr. LINDE. Neen, neen….
KROGSTAD. Jawel, natuurlijk; ik blijf hier tot Helmer beneden komt; dan zeg ik hem dat hij mij dien brief terug geven moet … dat ik het daarin alleen heb over mijn ontslag … dat hij hem niet moet lezen….
MEVR. LINDE. Neen, Krogstad, je moet dien brief niet terug vragen.
KROGSTAD. Maar was het eigenlijk niet daarom dat je mij hier besteld hadt?
MEVR. LINDE. Jawel, in den eersten schrik; maar er ligt nu een heel etmaal tusschen, en ik heb in dien tijd ongelooflijke dingen bijgewoond, hier in huis. Helmer moet alles weten; dat onzalige geheim moet aan het licht komen; het moet tot een volledige verklaring tusschen die twee komen; het kan onmogelijk zoo blijven voortgaan met al die verborgenheden en uitvluchten.
KROGSTAD. Nu goed dan; als jij het er op wagen wilt. Maar een ding kan ik in elk geval doen, en dat zal terstond gedaan worden….
MEVR. LINDE (luistert). Haast je! Ga gauw! de dans is uit; wij zijn geen oogenblik langer veilig.
KROGSTAD. Ik zal beneden op je wachten.
MEVR. LINDE. Ja, dat 's goed. Dan kan je mij thuis brengen.
KROGSTAD. Zoo onbegrijpelijk gelukkig ben ik nog nooit in mijn leven geweest. (hij gaat de buitendeur uit; de kamerdeur blijft half open staan).
MEVR. LINDE (reddert een beetje op en legt haar hoed en mantel klaar). Wat een omkeer! Ja, wat een omkeer! Menschen om voor te werken … om voor te leven; een thuis dat ik gezellig maken kan. Nu, ik zal ferm moeten aanpakken. Als ze nu maar gauw kwamen…. (luistert). Aha! daar zijn ze. Gauw mijn hoed aan (neemt hoed en mantel op).
(Men hoort de stemmen van Helmer en Nora buiten; een sleutel wordt omgedraaid en Helmer duwt Nora bijna met geweld het portaal in. Zij draagt het Italiaansche costuum met een grooten zwarten doek over alles heen; hij is in rok-en-witte-das met een open zwarte domino er over heen).
NORA (nog in de deur, tegenstribbelend). Neen, neen, neen; niet naar binnen! Ik wil weer naar boven. Ik wil nog niet zoo vroeg weggaan.
HELMER. Maar liefste Nora….
NORA. He toe, Torwald, ik bid je, ik smeek je, nog maar een enkel uurtje!
HELMER. Geen minuut langer, mijn lieve Nora. Je weet dat was de afspraak. Kom, ga naar binnen; als je hier blijft staan vat je kou (hij dringt haar trots haar tegenstribbelen zachtjes de kamer in).
MEVR. LINDE. Goeden avond.
NORA. Kristine!
HELMER. Wat, mevrouw, is u nog zoo laat hier?
MEVR. LINDE. Ja, neem mij niet kwalijk; ik wou Nora zoo graag in haar costuum zien.
NORA. Heb je hier op mij zitten wachten?
MEVR. LINDE. Ja, ik kwam helaas een beetje te laat; je was al naar boven; en toen vond ik dat ik toch niet weggaan kon zonder je gezien te hebben.
HELMER (neemt Nora den doek af). Ja, bekijk haar maar eens goed. Mij dunkt zij is het bekijken waard. Is zij niet prachtig, mevrouw?
MEVR. LINDE. Ja, dat moet ik toegeven….
HELMER. Is zij niet buitengewoon mooi? Dat was ook op de partij de algemeene opinie. Maar vreeselijk eigenzinnig is zij … dat lieve kleine dingske. Wat zullen wij er aan doen? Wil u wel gelooven dat ik haast geweld moest gebruiken om haar weg te krijgen?
NORA. O Torwald, het zal je nog berouwen dat je mij nog niet, zal was 't maar een half uurtje, hebt gegund.
HELMER. Daar hoort u 't nu. Zij danst haar Tarantella … wordt stormachtig toegejuicht … wat ook wel verdiend was … hoewel de uitvoering misschien wel wat al te realistisch was … ik bedoel, wel iets meer dan streng genomen strookte met de eischen van de kunst. Maar enfin. De hoofdzaak is dat zij succes heeft, groot succes. Mocht ik haar nu daarna nog laten blijven? Den indruk verzwakken? Neen … dank je wel; ik nam mijn Capri-meisje … mijn capricieus Capri-meisje zou ik kunnen zeggen … aan mijn arm; gauw even de zaal rond … buigen naar alle kanten … en, zooals het in de boeken heet … de mooie verschijning was verdwenen. Een slot moet altijd effectvol zijn; maar dat kan ik Nora maar niet aan het verstand brengen. Poeh! wat is het hier warm! (hij gooit zijn domino op een stoel neer en doet de deur naar zijn kamer open). Wat? Hier is het nog donker. O ja, natuurlijk. Pardon…. (hij gaat naar binnen en steekt een paar kaarsen aan).
NORA (fluistert snel en ademloos). Wel?
MEVR. LINDE (zacht). Ik heb hem gesproken.
NORA. En…?
MEVR. LINDE. Nora … je moet je man alles zeggen.
NORA (toonloos). Ik wist 't wel.
MEVR. LINDE. Je hebt niets te vreezen van Krogstad; maar zeggen moet je 't.
NORA. Ik zeg niets.
MEVR. LINDE. Dan zal de brief het doen.
NORA. Dankje, Kristine: ik weet nu wat mij te doen staat. Sst!…
HELMER (komt binnen). Wel, mevrouw, heeft u haar nu bewonderd?
MEVR. LINDE. Ja; en nu ga ik u goeden nacht wenschen.
HELMER. Wat? nu al! Is dat van u, dat breiwerk?
MEVR. LINDE (neemt het op). Ja, dank u; dat had ik bijna vergeten.
HELMER. Dus u breit?
MEVR. LINDE. O ja.
HELMER. Weet u wat, u moest liever borduren.
MEVR. LINDE. Zoo? Waarom?
HELMER. Omdat 't zooveel mooier is. Ziet u maar; men houdt een borduurwerk zoo, in de linkerhand, en dan haalt men met de rechterhand de naald er door … zoo … in een luchtige, lange bocht … niet waar?…
MEVR. LINDE. Jawel, dat kan wel zijn….
HELMER. Daarentegen kan breien nooit anders dan onschoon zijn; kijk maar: die vastgeklemde armen … de breinaalden die op en neer gaan … daar is iets Chineesch in die beweging…. Ja, dat was waarlijk uitstekende Champagne die ze daar schonken.
MEVR. LINDE. Goeden nacht Nora, en wees niet meer eigenzinnig.
HELMER. Goed gezegd, mevrouw Linde!
MEVR. LINDE. Goeden nacht, mijnheer Helmer.
HELMER (geleidt haar tot aan de deur). Goeden nacht, goeden nacht; ik hoop dat u goed thuiskomen zal? Ik zou u graag … maar u woont nog al niet ver hier van daan. Goeden nacht, goeden nacht. (Zij gaat weg; hij sluit de deur en komt weer binnen). Zie zoo; eindelijk hebben we haar dan toch de deur uit. Ze is schromelijk vervelend, dat mensch.
NORA. Ben je niet moe, Torwald?
HELMER. Neen, in 't minst niet.
NORA. Heb je geen slaap ook?
HELMER. Heelemaal niet: ik voel me integendeel bizonder opgewekt. Maar jij? Ja, jij ziet er echt moe en slaperig uit.
NORA. Ja, ik ben erg moe. Ik zal maar gauw gaan slapen.
HELMER. Zie je nu wel! Ik had dus toch wel gelijk om maar niet langer te blijven.
NORA. O, het is altijd goed wat je doet.
HELMER (kust haar op het voorhoofd). Nu spreekt mijn leeuwerikje als een groot mensch. Maar heb je opgelet hoe jolig Rank vanavond was?
NORA. Zoo? Was hij vroolijk? Ik heb hem niet gesproken.
HELMER. Ik ook bijna niet; maar ik heb hem in lang niet in zoo'n goede bui gezien, (kijkt haar een poosje aan; komt dan dichterbij haar). Hm … het is toch maar heerlijk om weer bij je eigen thuis te komen … om heel alleen met jou te zijn … o jij verrukkelijk, heerlijk jong vrouwtje.
NORA. Kijk mij niet zoo aan, Torwald!
HELMER. Mag ik niet kijken naar het liefste wat ik heb? Naar al die heerlijkheid die van mij is, van mij alleen, heelemaal en uitsluitend van mij.
NORA (gaat naar den anderen kant van de tafel). Je moet van avond niet zulke dingen tegen mij zeggen.
HELMER (loopt haar na). Je hebt de Tarantella nog in je bloed, merk ik. En dat maakt je nog verleidelijker. Hoor; nu beginnen de gasten weg te gaan. (Zachter) Nora, nu wordt gauw het heele huis stil.
NORA. Ja dat hoop ik.
HELMER. Ja, niet waar, mijn eigen schat? O, weet je,… als ik zoo met je uit ben, op een partij … weet je waarom ik dan zoo weinig met je spreek, me zoo ver van je houd, je alleen maar zo nu en dan eens stilletjes een oogje geef … weet je waarom ik dat doe? Dat doe ik omdat ik me dan verbeeld dat je in stilte mijn geliefde bent, mijn jonge heimelijk verloofde, en dat niemand vermoedt dat er iets tusschen ons bestaat.
NORA. Och ja, ja, ja, ik weet wel dat al je gedachten altijd bij mij zijn.
HELMER. En als wij dan weggaan, en ik je chale om je teere jeugdige schoudertjes heenleg … om dien prachtig gevormden nek … dan stel ik mij voor dat je mijn jonge bruid bent, dat wij zoo pas getrouwd zijn en van de plechtigheid terug komen, en ik je voor de eerste maal binnen leid in mijn huis … dat ik voor de eerste maal alleen met je ben, mijn jong sidderend prachtvrouwtje! Dezen heelen avond heb ik geen ander verlangen gehad dan naar jou. Toen ik je in de Tarantella zoo zag draaien en lokken … toen kookte mijn bloed; ik hield 't niet langer uit … daarom was het dat ik je zoo vroeg meenam naar huis….
NORA. Toe Torwald! Laat me nu met rust. Daar wil ik nu liever niet van weten.
HELMER. Wat beteekent dat nu? Houd je mij een beetje voor den gek, Noraatje? Wil … wil? Ben ik je man dan niet? (Er wordt geklopt aan de buitendeur).
NORA (schrikt). Hoor je dat?
HELMER (naar het portaal gaand). Wie is daar?
DOKTER RANK (buiten). Ik ben het. Mag ik een oogenblik binnen komen?
HELMER (zachtjes, ontstemd). Och, wat moet hij nu? (Hardop). Wacht even. (Gaat de deur opendoen). Zoo, dat is nog eens aardig van je dat je onze deur niet voorbij gaat.
RANK. Ik meende je stem te hooren, en toen wou ik toch nog even komen kijken. (Laat zijn blikken vluchtig in het rond gaan). Ach ja; die lieve welbekende kamers. Je hebt het hier goed en gezellig samen, jullie met je beidjes.
HELMER. 't Leek me zoo dat je je boven ook nog al amuseerde.
RANK. Buitengewoon. En waarom ook niet? Waarom zal een mensch niet van alles genieten op de wereld? In elk geval zooveel hij kan en zoo lang hij kan. De wijn was uitstekend….
HELMER. Vooral de Champagne.
RANK. Heb jij dat ook opgemerkt? Het is haast niet te gelooven zooveel als ik er van doorspoelen kon.
NORA. Torwald heeft ook veel Champagne gedronken van avond.
RANK. Zoo?
NORA. Ja, en dan is hij naderhand altijd zoo vroolijk gestemd.
RANK. Nou, waarom zou een mensch zich niet eens een vroolijken avond permiteeren na een goed gebruikten dag?
HELMER. Een goed gebruikten dag … daar durf ik mij helaas niet op beroemen.
RANK (klopt hem op den schouder). Maar dat durf ik, zie je.
NORA. Dokter, u heeft zeker een wetenschappelijk onderzoek gedaan vandaag.
RANK. Ja juist.
HELMER. Kijk eens aan, kleine Nora praat over wetenschappelijke onderzoekingen!
NORA. En mag ik u geluk wenschen met den uitslag?
RANK. Ja, waarachtig, dat mag u.
NORA. Het was dus goed.
RANK. Het allerbeste zoowel voor den dokter als voor den patient … zekerheid.
NORA (snel en verschrikt). Zekerheid?
RANK. Volkomen zekerheid. Mocht ik daarna niet eens een vroolijken avond hebben?
NORA. Ja, daar had u gelijk in, dokter.
HELMER. Dat zeg ik ook; als het je morgen dan maar niet opbreekt.
RANK. Och, een mensch heeft niets om niet in het leven.
NORA. Dokter, u houdt zeker veel van gemaskerde partijen?
RANK. Ja, als er een heeleboel dwaze maskers zijn.
NORA. Hoor eens; hoe zullen wij tweeen ons verkleeden op een volgende partij?
HELMER. Jij kleine pretmaakster … denk je nu alweer over de volgende?
RANK. Wij tweeen? Wacht, dat zal ik u eens vertellen. U moet een gelukskind zijn.
HELMER. Ja, maar bedenk dan een costuum dat dat uitdrukt.
RANK. Laat je vrouw maar komen zoo als ze is….
HELMER. Dat was nu eens mooi gezegd. Maar weet je nog niet wat je dan zelf zijn zult?
RANK. Jawel, beste kerel, dat heb ik met mezelf al uitgemaakt.
HELMER. Wat dan?
RANK. Op de volgende gemaskerden partij zal ik onzichtbaar zijn.
HELMER. Dat is een komieke inval!
RANK. Er bestaat ergens iets als een groote zwarte hoed … heb je nooit gehoord van een onzichtbaar-makende hoed? Dien doen ze dan over je heen, en dan is er niemand die je zien kan.
HELMER (met een onderdrukt lachje). Ja, dat zal wel waar zijn.
RANK. Maar ik zou glad vergeten waarvoor ik eigenlijk kom. Helmer, toe geef mij een sigaar, een van je donkere Havanna's.
HELMER. Met het grootste genoegen (biedt hem zijn koker aan).
RANK (neemt er een en snijdt er het puntje af). Dank je.
NORA (strijkt een lucifer af). Laat ik u eens een vlammetje geven.
RANK. Heel vriendelijk. Dank u wel. (Zij houdt de lucifer bij; hij steekt op). En nu adieu.
HELMER. Adieu, adieu beste vriend!
NORA. Slaap wel, dokter.
RANK. Dank voor dien wensch.
NORA. Wensch mij hetzelfde toe.
RANK. U? O ja, als u dat graag wil … slaap wel. En dank voor het vlammetje (hij knikt hun beiden toe en gaat heen).
HELMER (halfluid). Hij had wel wat veel gedronken.
NORA (verstrooid). Misschien wel.
(Helmer haalt zijn sleutelring uit zijn zak en gaat naar het portaal).
NORA. Torwald, wat ga je daar doen?
HELMER. Ik moet de brievenbus leeg maken; ze is heelemaal vol; er is geen plaats meer voor de courant morgen ochtend….
NORA. Ga je nu nog werken van nacht?
HELMER. Je weet wel dat ik daar geen plan op heb … wat is dat? Er is iemand aan het slot geweest.
NORA. Aan het slot?…
HELMER. Ja, bepaald. Wie kan dat zijn? Ik kan toch niet denken dat de meiden…? Hier ligt een afgebroken haarspeld. Die is van jou Nora….
NORA (snel). Dan moeten de kinderen 't gedaan hebben….
HELMER. Dat moet je hun dan toch heusch afleeren. Hm; hm;… ha, daar heb ik 't toch open (neemt den inhoud er uit en roept in de keuken). Helene!… Helene! doe het licht uit op het portaal (hij komt de kamer binnen en sluit de deur naar het portaal).
HELMER (met de brieven in zijn hand). Kijk eens hier, wil je eens zien hoe zich dat opgehoopt heeft? (kijkt ze na). Wat is dat?
NORA (bij het raam). De brief! O neen, neen, Torwald!
HELMER. Twee visitekaartjes … van Rank.
NORA. Van dokter Rank?
HELMER (bekijkt ze). Doctor medicinae Rank. Die lagen boven op; hij moet ze er in gestoken hebben toen hij wegging.
NORA. Staat er iets op?
HELMER. Er staat een zwart kruis boven zijn naam. Kijk. Dat is toch een sombere aardigheid. 't Is net of hij zijn eigen doodsbericht zendt.
NORA. Dat doet hij ook.
HELMER. Wat? Weet jij er van? Heeft hij je er iets van gezegd?
NORA. Ja, wanneer wij die kaartjes ontvingen, had hij afscheid van ons genomen. Hij wil zich opsluiten om te sterven.
HELMER. Mijn arme vriend! Ik wist wel dat ik hem niet lang meer houden zou. Maar zoo gauw…. En nu verstopt hij zich als een gewond dier!
NORA. Als het toch gebeuren moet, is het maar het best het zonder veel woorden te doen. Vind je ook niet Torwald?
HELMER (loopt op en neer). Hij was zoo samengegroeid met ons. Ik zal mij niet kunnen voorstellen dat hij weg is. Hij, met zijn lijden en zijn eenzaamheid maakte als 't ware den donkeren achtergrond uit, waartegen ons zonnig geluk zoo helder uitkwam. Ja, het is misschien toch zoo het beste. Voor hem althans. (Blijft staan). En misschien voor ons, Nora. Nu zijn wij beiden heel alleen voor elkander (slaat zijn armen om haar heen). O, jij, mijn lieve, lieve vrouw, 't is mij of ik je niet stevig genoeg vasthouden kan. Weet je, Nora … dikwijls wensch ik dat een onmiddellijk gevaar je mocht dreigen, om alles, mijn leven, mijn goed en bloed en alles voor je op het spel te kunnen zetten.
NORA (maakt zich los en zegt vast en besloten). Nu moet je je brieven gaan lezen, Torwald.
HELMER. Neen, neen … van nacht niet. Van nacht wil ik bij jou blijven, mijn lieve vrouwtje!
NORA. Met doodsgedachten aan je vriend?
HELMER. Je hebt gelijk; dat heeft ons beiden geschokt. Er is iets storends tusschen ons gekomen … gedachten aan dood en verwording. Daar moeten wij ons van zoeken te bevrijden. Tot zoo lang … zullen wij ieder naar onze eigen kamer gaan.
NORA (aan zijn hals hangend). Torwald,… goeden nacht! Goeden nacht!
HELMER (kust haar op het voorhoofd). Goeden nacht, mijn zangvogeltje. Slaap wel, Nora. Nu ga ik de brieven doorlezen. (Hij gaat met het pak in zijn kamer en sluit de deur achter zich).
NORA (loopt door de kamer met verwilderde oogen—grijpt Helmer's domino, slaat die om, en fluistert haastig, heesch en afgebroken): Hem nooit meer zien. Nooit. Nooit. Nooit. (Gooit haar chale over haar hoofd). De kinderen ook nooit meer zien. Hen ook niet. Nooit, nooit…. O, dat koude donkere water! O, die ijzige diepte!… Die…. O, was het maar voorbij!… Nu heeft hij den brief … nu leest hij hem…. O, neen … neen… nog niet. Torwald, vaarwel … vaarwel mijn kleintjes! (Zij wil de deur uitstormen … op hetzelfde oogenblik rukt Helmer de zijne open met een open brief in de handen).
HELMER. Nora!
NORA (gilt). Ah…!
HELMER. Wat is dat? Weet je wat er in dezen brief staat?
NORA. Ja, ik weet het. Laat mij gaan! Laat mij er uit!
HELMER (houdt haar tegen). Waar wil je heen?
NORA (tracht zich los te rukken). Je mag mij niet redden, Torwald!
HELMER (tuimelt terug). Waar dus! Is het waar, wat hij schrijft? Neen, neen; dat kan onmogelijk waar zijn…!
NORA. Het is waar. Ik heb je lief gehad boven alles in de wereld.
HELMER. O, kom mij niet aan boord met zulke armzalige uitvluchten.
NORA (doet een stap naar hem toe). Torwald…!
HELMER. Jij rampzalige … wat heb je gedaan?
NORA. Laat mij weggaan. Jij mag er niet voor boeten. Jij mag het niet op je nemen.
HELMER. Geen comedie-vertooningen alsjeblieft. (Sluit de deur af). Hier zal je blijven en mij rekenschap geven. Begrijp je wat je gedaan hebt? Antwoord me! Heb je er eenig begrip van?
NORA (kijkt hem onafgebroken aan en zegt met een uitdrukking van verstarring): Ja, nu begin ik het pas goed te begrijpen.
HELMER (loopt op en neer). O, wat een vreeselijk ontwaken! Al deze acht jaren lang … zij, die mijn vreugd en mijn trots was … een huichelaarster, een leugenaarster … erger, erger nog … een misdadigster! O, hoe niet-in-te-denken afschuwelijk is dat alles!… Foei! Foei!
NORA (zwijgt en kijkt hem maar steeds onafgewend aan).
HELMER (blijft vlak voor haar staan). Ik had moeten bedenken dat zoo iets gebeuren kon. Ik had het moeten voorzien. Al de lichtzinnige opvattingen van je vader…. Zwijg! Al de lichtzinnige opvattingen van je vader heb jij geerfd. Geen godsdienst, geen moraal, geen plichtgevoel…. O, wat word ik er voor gestraft dat ik zijn tekortkomingen door de vingers zag. Voor jou deed ik het, en zoo beloon je er mij voor.
NORA. Ja … zoo.
HELMER. Mijn heele geluk heb je nu verwoest. Mijn heele toekomst heb je bedorven. O, het is ontzettend daaraan te denken. Een gewetenlooze kerel heeft mij in zijn macht; hij kan met mij doen wat hij wil; alles van mij eischen, over mij bevelen en heerschen naar zijn goedvinden … en ik durf niet te kikken. En zoo jammerlijk diep moet ik zinken en te gronde gaan door de schuld van een lichtzinnige vrouw!
NORA. Als ik uit de wereld ben, dan ben je vrij.
HELMER. Och, verkoop geen kunsten. Zulke mooie praatjes had je vader ook altijd bij de hand. Wat zou het mij helpen of jij al uit de wereld was, zooals je zegt? Dat helpt mij hoegenaamd niets! Hij kan de zaak immers toch bekend maken; en doet hij dat dan word ik misschien nog wel verdacht van de hand in jouw misdadig spel gehad te hebben. Misschien zullen de menschen nog denken dat ik er achter zat … dat ik je er toe aangezet heb! En dat alles heb ik aan jou te danken, aan jou, die ik op de handen heb gedragen zoolang wij getrouwd zijn. Begrijp je nu wat je mij aangedaan hebt?
NORA (koel en kalm). Ja.
HELMER. Het is zoo ongelooflijk, dat ik 't nog niet in me opnemen kan. Maar wij moeten zien hoe wij er ons uitredden. Doe dien doek af. Dien doek af, zeg ik. Ik moet zien dat ik hem op de een andere manier tevreden stel. De zaak moet in de doos, hoe dan ook…. En wat jou en mij betreft, moet uiterlijk alles maar blijven zooals vroeger. Maar natuurlijk alleen voor het oog van de wereld. Je blijft dus hier in huis, dat spreekt van zelf. Maar de kinderen mag je niet opvoeden, die durf ik je niet toevertrouwen…. O, dat te moeten zeggen tegen haar, die ik zoo lief gehad heb en nog…! Nou … dat moet nu uit zijn. Van geluk is voortaan geen kwestie meer; alleen moeten we trachten de restjes, den schijn nog te redden. (Er wordt buiten gebeld).
HELMER (schrikt). Wat is dat? Zoo laat nog. Zou het vreeselijkste…? Zou hij…? Verberg je Nora! Zeg dat je ziek bent.
(Nora blijft onbewegelijk staan. Helmer gaat de voordeur open doen).
DIENSTMEISJE (half ontkleed in het portaal). Een brief voor mevrouw.
HELMER. Geef mij dien (grijpt den brief en sluit de deur). Ja, dat is van hem. Jij krijgt hem niet; ik zal hem zelf lezen.
NORA. Lees jij maar.
HELMER (bij de lamp). Ik heb er haast geen moed toe. Misschien zijn we wel verloren, jij en ik allebei. Neen, ik moet 't toch weten (breekt den brief open; kijkt enkele regels door bekijkt een inliggend papier; een vreugdekreet). Nora!
NORA (ziet hem vragend aan).
HELMER. Nora!… Neen, ik moet het nog eens overlezen…. Ja, ja … het is zoo. We zijn gered! Nora, ik ben gered!
NORA. En ik?
HELMER. Jij ook, natuurlijk; we zijn allebei gered. Kijk maar. Hij stuurt je je schuldbekentenis terug. Hij schrijft dat hij het betreurt en berouw heeft … dat een gelukkige omkeer in zijn leven … och, wat kan het ons schelen wat hij schrijft! wij zijn gered, Nora! Niemand kan je meer iets doen. O, Nora, Nora! Neen, eerst moet al die ellende de wereld uit. Laat mij eens zien…. (kijkt even naar de onderteekening). Och neen; ik wil 't liever niet zien; alles moet maar als een droom voor mij geweest zijn (scheurt de schuldbekentenis en beide brieven in stukken, gooit alles in de kachel en kijkt er naar terwijl het verbrandt). Ziezoo; nu is het weg…. Hij schreef dat jij sedert Kerstavond…. O, dat moeten drie vreeselijke dagen voor je geweest zijn, Nora.
NORA. Ik heb een hevigen strijd gestreden deze drie laatste dagen.
HELMER. En je hebt je ellendig gevoeld en geen anderen uitweg gezien dan…. Neen, wij willen niet meer denken aan al die afschuwelijke dingen. Wij willen alleen maar juichen en herhalen: het is voorbij! Luister toch eens naar me Nora, het is of je het nog niet recht begrijpt: het is voorbij! wat is er toch … dat je gezicht zoo strak staat? Och, mijn arme kleine Nora, ik begrijp het wel; je kunt nog niet gelooven dat ik 't je vergeven heb. Maar dat heb ik heusch, Nora; ik zweer 't je: ik heb je alles vergeven. Ik weet immers wel dat wat je deedt dat deedt je uit liefde voor mij.
NORA. Dat is waar.
HELMER. Je hebt van mij gehouden zooals een vrouw van haar man houden moest. Je hadt alleen geen voldoende inzicht in de keus van de middelen. Maar denk je dat je mij minder lief bent omdat je niet in staat bent zelfstandig te handelen? Neen, hoor. Steun maar op mij; ik zal je wel raden en leiden. Ik zou geen man moeten zijn als juist die vrouwelijke hulpeloosheid je niet nog dubbel aantrekkelijk maakte in mijn oogen. Je moet je de harde woorden die ik zei in mijn eersten schrik, toen ik dacht dat alles boven mijn hoofd instortte, maar niet aantrekken. Ik heb je vergeven Nora; ik zweer je dat ik je vergeven heb.
NORA. Ik dank je voor je vergiffenis (zij gaat weg door de deur rechts).
HELMER. Neen, blijf nu…. (kijkt naar binnen). Wat ga je in de slaapkamer doen?
NORA. Mijn maskeradepak uit doen.
HELMER (bij de open deur). Ja, dat is goed; tracht tot rust en weer in evenwicht te komen, mijn arm verschrikt zangvogeltje. Rust maar eens lekker uit; ik heb breede vleugels om je mee te dekken (loopt rond dichtbij de deur blijvend). O, wat is ons huis toch gezellig en mooi, Nora. Hier ben je veilig; hier zal ik je houden als een opgejaagde duif, die ik ongedeerd uit de klauwen van een havik heb gered; ik zal je arm kloppend hartje wel tot kalmte brengen. Zoo zachtjes aan, Nora, geloof me maar. Morgen zal je alles al in een heel ander licht zien; al gauw zal alles weer net zijn als vroeger; ik zal je niet dikwijls meer behoeven te herhalen dat ik je vergeven heb; je zult zelf wel heel goed voelen dat ik het gedaan heb. Hoe ben je toch op het idee gekomen dat ik je verstooten zou of je ook maar iets verwijten? Och Noraatje, je kent het hart van een echten man nog niet. Er is voor een man zoo iets onbeschrijfelijk zoets en bevredigends in het gevoel dat hij zijn vrouw vergiffenis geschonken heeft, zoo van ganscher harte, zie je. Zij is daarmee om zoo te zeggen dubbel zijn eigendom geworden; hij heeft haar als 't ware op nieuw haar plaats in de wereld gegeven; zij is in zekeren zin nu zoowel zijn kind als zijn vrouw geworden. Zoo zal jij voortaan voor mij zijn, jij mijn klein hulpeloos wezentje. Wees maar niet bang, Nora, wees alleen maar openhartig tegen mij; ik zal zoowel je wil als je geweten zijn…. Wat is dat nu? Ben je niet naar bed gegaan? Heb je je verkleed?
NORA (in haar daagsche japon). Ja, Torwald, ik heb mij verkleed.
HELMER. Maar waarom, nu nog zoo laat?…
NORA. Ik ga van nacht niet slapen.
HELMER. Maar, lieve Nora….
NORA (kijkt op de klok). Het is nog niet zoo heel laat. Ga hier eens zitten, Torwald; wij hebben een heelen boel te bespreken (zij gaat zitten aan den eenen kant van de tafel).
HELMER. Nora,… wat beteekent dat? Dat strakke gezicht….
NORA. Ga er bij zitten … het zal lang duren. Ik heb veel met je te bepraten.
HELMER (gaat tegenover haar aan de tafel zitten). Je maakt me angstig, Nora. En ik begrijp je niet.
NORA. Neen, dat is het juist. Je begrijpt mij niet. En ik heb jou ook nooit begrepen … voor van avond. Neen, je moet mij niet in de rede vallen. Je moet alleen maar luisteren. Dit is een afrekening, Torwald.
HELMER. Hoe bedoel je dat?
NORA (na een kort zwijgen). Is er niet iets dat je opvalt nu wij hier zoo zitten?
HELMER. En wat zou dat dan moeten zijn?
NORA. Wij zijn nu acht jaar getrouwd. Treft het je niet, dat het de eerste keer is dat wij beiden, jij en ik, man en vrouw, ernstig samen spreken?
HELMER. Ja … ernstig … wat bedoel je daarmee?
NORA. In volle acht jaren … ja langer nog … van onze eerste kennismaking af, hebben wij nooit een ernstig woord over ernstige dingen gewisseld.
HELMER. Moest ik je dan, zonder noodzaak, altijd in wijden in moeilijkheden die je mij toch niet kon helpen dragen?
NORA. Ik spreek niet van moeilijkheden. Ik zeg dat wij nooit eens ernstig bij elkaar gezeten hebben om iets grondig te bespreken.
HELMER. Maar, liefste Nora, zou dat dan iets voor jou geweest zijn?
NORA. Dat is nu juist de zaak. Je hebt me nooit begrepen…. Er is mij groot onrecht aangedaan, Torwald. Eerst door Papa en later door jou.
HELMER. Wat! Door ons beiden … ons beiden … die meer van jou gehouden hebben dan van iemand ter wereld?
NORA (schudt het hoofd). Je hebt mij geen van beiden ooit liefgehad. Jij hebt het alleen prettig gevonden om op mij verliefd te zijn.
HELMER. Maar Nora, wat zijn dat voor woorden.
NORA. Ja, het is toch zoo, Torwald. Toen ik thuis was bij Papa, vertelde hij mij hoe hij over de dingen dacht, en dan vond ik dat alles ook zoo; of, als ik er anders over dacht, verborg ik het maar, want dat zou hij niet prettig gevonden hebben. Hij noemde mij zijn poppekind, en hij speelde met mij zooals ik met mijn poppen speelde. Toen ik in jouw huis kwam….
HELMER. Wat is dat nu voor een manier om over ons huwelijk te spreken?
NORA (onverstoorbaar). Ik bedoel: toen ik uit Papa's handen overging in de jouwe. Je richtte alles in naar jouw smaak, en zoo kreeg ik denzelfden smaak als jij; of ik hield mij maar zoo … ik weet 't zelf niet goed … ik geloof dat het zoowel het een als het ander was; nu eens dit dan eens dat. Als ik er nu op terug zie, komt het me voor alsof ik hier geleefd heb als een arm mensch … levend van de hand in den tand…. Ik heb geleefd van kunsten-maken voor jou, Torwald. Maar jij wilde dat zoo. Jij en Papa hebben groote zonde aan mij begaan. Jij bent er schuld aan dat er niets van mij is terechtgekomen.
HELMER. Nora, wat ben je onbillijk en ondankbaar! Ben je hier dan niet gelukkig geweest?
NORA. Neen, dat ben ik nooit geweest. Ik dacht het te zijn; maar ik ben het nooit geweest.
HELMER. Niet … niet gelukkig?
NORA. Neen; ik had alleen maar pret. En jij bent altijd zoo lief voor mij geweest. Maar ons huis is niets anders geweest dan een speelkamer. Ik ben je poppe-vrouwtje geweest net als ik thuis Papa's poppekind was. En de kinderen zijn weer mijn poppen geweest. Ik vond 't prettig als jij met mij speelde, net als de kinderen het prettig vinden als ik met hen speel. Dat is ons huwelijk geweest, Torwald.
HELMER. Er is wel iets waars in wat je zegt … hoe overdreven en overspannen het dan ook zijn mag. Maar voortaan zal het anders worden. De tijd van spelen zal voorbij zijn; nu komt het opvoedingswerk.
NORA. De opvoeding van wie? Van mij of van de kinderen?
HELMER. Van allebei, mijn beste Nora, van jou en van de kinderen.
NORA. Och, Torwald, jij bent de man niet om mij op te voeden tot een echte vrouw voor je.
HELMER. En dat zegt jij?
NORA. En ik … ben ik in staat kinderen op te voeden?
HELMER. Nora!
NORA. Zei je dat zelf niet daar straks … dat werk durfde jij mij niet toevertrouwen.
HELMER. In een oogenblik van drift! Wil je daar nu aan hechten?
NORA. Ja zeker; want dat was heel juist gezegd. Die taak is te zwaar voor mij. Er is een andere taak, die eerst moet afgedaan worden. Ik moet mijzelf zien op te voeden. Jij bent niet de man die mij daarbij helpen kan. Daarvoor moet ik alleen zijn. En daarom ga ik nu van je weg.
HELMER (springt op). Wat zeg je daar?
NORA. Ik moet geheel alleen zijn, als ik mijzelf en alle dingen buiten mij zal leeren zien, zoo als ze zijn. Daarom kan ik niet langer bij je blijven.
HELMER. Nora! Nora!
NORA. Ik ga nu dadelijk weg. Kristine zal mij voor van nacht wel logeeren….
HELMER. Je bent niet wijs! Ik permiteer het niet! Ik verbied het je!
NORA. Het helpt nu niet meer of je mij iets verbiedt. Ik zal meenemen wat van mij zelf is. Van jou wil ik niet hebben, noch nu noch later.
HELMER. Maar dat is krankzinnigheid!
NORA. Morgen ga ik naar huis … ik bedoel mijn oude thuis. Daar zal het mij het gemakkelijkst vallen het een of ander te beginnen.
HELMER. O, jij verblind, onervaren schepsel!
NORA. Ik moet zien ervaring op te doen, Torwald.
HELMER. Je huis, je man en kinderen verlaten! En denk je er heelemaal niet aan wat de menschen daarvan zullen zeggen?
NORA. Daar kan ik mij niet aan storen. Ik weet alleen dat het voor mij noodzakelijk is.
HELMER. O, het is schandelijk. Dat je je zoo aan je heiligste plichten onttrekken kunt!
NORA. Wat noem jij mijn heiligste plichten?
HELMER. Moet ik je dat nog zeggen? Heb je geen plichten jegens je man en kinderen?
NORA. Ik heb nog andere even heilige plichten.
HELMER. Dat heb je niet. Wat zouden dat wel voor plichten zijn?
NORA. Plichten jegens mij zelf.
HELMER. In de eerste plaats ben je vrouw en moeder.
NORA. Daar geloof ik niet meer aan. Ik geloof dat ik in de eerste plaats mensch ben, ik, net zoo goed als jij … of in elk geval zal ik trachten het te worden. Ik weet wel dat in elk geval zal trachten het te worden. Ik weet wel dat de meeste menschen jou gelijk geven, Torwald, en dat er iets dergelijks in de boeken staat. Maar ik kan mij niet langer tevreden stellen met wat de menschen zeggen en wat er in de boeken staat. Ik moet zelf nadenken over de dingen en tot klaarheid zien te komen.
HELMER. Dus het zou je niet duidelijk zijn wat je positie in je eigen huis is? Heb je dan bij zoo'n gewetensvraag geen onfeilbaren gids? Heb je dan geen godsdienst?
NORA. Och, Torwald, ik weet immers niet eens goed wat godsdienst is.
HELMER. Wat zeg je daar?
NORA. Ik weet niets anders dan wat domine Hansen zei, toen ik voor mijn belijdenis leerde. Hij vertelde dat godsdienst was dit en dat. Wanneer ik hier vandaan ben, zal ik ook dat vraagstuk onderzoeken. Dan zal ik zien of het waar was wat domine Hansen zei, of in elk geval of het waar is voor mij.
HELMER. Maar, dat is toch iets ongehoords van zoo'n jonge vrouw! Maar als de godsdienst je dan geen wegwijzer zijn kan, laat mij dan een beroep doen op je geweten. Want gevoel voor goed en kwaad heb je toch? Of … heb je dat misschien ook niet?
NORA. Och, Torwald, daarop kan ik ik moeilijk antwoorden. Ik weet 't waarlijk niet! Ik ben heelemaal in de war met alles. Ik weet alleen dat ik een heel andere opvatting van die dingen heb dan jij. Ik heb nu ook gehoord dat de wet heel anders is dan ik dacht; maar dat die wet goed zou zijn, dat wil er bij mij maar niet in. Een vrouw heeft dus niet het recht haar ouden stervenden vader te ontzien, of het leven van haar man te redden! Zoo iets kan ik nog niet gelooven.
HELMER. Je praat als een kind. Je begrijpt niets van de maatschappij waarin je leeft!
NORA. Neen, dat doe ik ook niet. Maar nu wil ik die leeren kennen. Ik moet er achter zien te komen wie gelijk heeft, de maatschappij of ik.
HELMER. Je bent ziek, Nora; je hebt de koorts; ik geloof haast dat je hoofd een beetje in de war is.
NORA. Ik heb mij nog nooit zoo helder en zeker van mijzelf gevoeld als van nacht.
HELMER. En in klaarheid en zekerheid verlaat je je man en kinderen?
NORA. Ja, dat doe ik.
HELMER. Dan is er nog een verklaring mogelijk.
NORA. Welke dan?
HELMER. Dat je niet meer van me houdt.
NORA. Dat is het juist.
HELMER. Nora!… En dat zeg jij!
NORA. O, het doet mij zoo zeer, Torwald; want je bent altijd zoo lief voor mij geweest. Maar ik kan er niets aan doen. Ik houd niet meer van je.
HELMER (met moeite zich bedwingend). Ben je daar ook zoo vast en zeker van overtuigd?
NORA. Ja, volkomen vast en zeker. Daarom wil ik niet langer hier blijven.
HELMER. En zou je mij ook kunnen ophelderen waardoor ik je liefde verspeeld heb?
NORA. Ja, dat zal ik. Het was van avond, toen het wonderheerlijke niet kwam; want toen zag ik dat je niet de man was voor wien ik je gehouden had.
HELMER. Verklaar je nader, dat begrijp ik niet.
NORA. Ik heb acht jaar lang zoo geduldig gewacht; want och hemel, ik zag wel in dat het wonderheerlijke niet zoo iederen dag gebeurt. Toen kwam die ellende over mij, en toen was ik zoo vast overtuigd: nu zal het wonderheerlijke komen. Toen Krogstad's brief in de bus lag … geen oogenblik kwam het in mij op, dat je buigen zoudt onder de voorwaarden van dien man. Ik was zoo vast overtuigd dat je tegen hem zeggen zoudt: maak de zaak maar bekend aan de heele wereld. En als dat gebeurd was….
HELMER. Ja, wat dan? Als ik mijn eigen vrouw had overgegeven aan schande en achterklap…!
NORA. Als dat gebeurd was, dan dacht ik vast en zeker, zou jij optreden en alles op je nemen en zeggen: ik ben de schuldige!
HELMER. Nora…!
NORA. Je bedoelt dat ik nooit zoo'n offer van je zou aangenomen hebben? Neen, natuurlijk niet. Maar wat zou mijn beweren waard zijn tegen het jouwe?… Dat was het wonderheerlijke, waarop ik hoopte met vrees en beven. En om dat te verhinderen wou ik een einde aan mijn leven maken.
HELMER. Ik zou graag nacht en dag voor je werken, Nora,… zorgen en verdriet voor je op me nemen. Maar geen mensch offert zijn eer op voor iemand die hij liefheeft.
NORA. Dat hebben toch honderd-duizenden vrouwen gedaan.
HELMER. Och, je denkt en je praat als een onverstandig kind….
NORA. 't Kan zijn. Maar jij denkt noch spreekt als de man, aan wien ik mij moet kunnen verbinden. Toen je schrik over was… niet voor wat mij dreigde, maar voor wat er voor jou uit voort vloeien kon, en toen alle gevaar voorbij was … toen was het voor jou, alsof er niets gebeurd was. Ik was weer net als te voren je zangvogeltje, je pop, die je voortaan dubben voorzichtig op de handen dragen zoudt, omdat ze zoo teer en broos was. (Staat op). Torwald, op dat oogenblik werd het mij duidelijk, dat ik hier acht jaar lang geleefd had met een vreemden man, en dat ik drie kinderen bij hem gekregen had…. O, ik kan er niet aan denken! Ik zou mijzelf in stukken kunnen scheuren!
HELMER (bedroefd). Ik zie 't wel … ik zie 't wel. Er is zeer zeker een diepe kloof tusschen ons ontstaan…. Maar Nora, zou die niet te overbruggen zijn?
NORA. Zoo als ik nu ben, kan ik je vrouw niet zijn.
HELMER. Ik heb de kracht om een ander mensch te worden.
NORA. Misschien … als je pop je wordt afgenomen.
HELMER. O scheiden … scheiden van jou! Neen, neen, Nora, die gedachte kan ik nog niet in mij opnemen.
NORA (gaat de kamer rechts binnen). Des te zekerder moet het gebeuren. (Zij komt terug met hoed en mantel en een klein valies, dat zij op een stoel bij de tafel zet).
HELMER. Nora! Nora! nog niet! Wacht tot morgen.
NORA (doet haar mantel aan). Ik kan niet den nacht overblijven in de kamers van een vreemden man.
HELMER. Maar kunnen wij hier dan niet samen wonen als broer en zuster…?
NORA (zet haar hoed op). Je weet heel goed dat dat niet lang zou duren…. Vaarwel, Torwald. Ik wil de kinderen niet meer zien. Ik weet dat ze in betere handen zijn dan bij mij. Zoo als ik nu ben, kan ik niets voor hen zijn.
HELMER. Maar later, Nora … later…?
NORA. Hoe kan ik dat weten? Ik weet immers nog heelemaal niet wat er van mij worden zal.
HELMER. Maar je bent toch mijn vrouw, zoowel nu als later.
NORA. Hoor eens, Torwald;… wanneer een vrouw het huis van haar man verlaat zoo als ik nu doe, dan is hij, heb ik gehoord, volgens de wet ontslagen van alle verplichtingen jegens haar. Je mag je in niets meer gebonden voelen, evenmin als ik het zijn zal. Er moet volle vrijheid zijn aan beide kanten. Hier heb je je ring terug. Geef mij nu ook den mijnen.
HELMER. Ook dat nog?
NORA. Ook dat.
HELMER. Daar heb je hem.
NORA. Zoo. Dus nu is alles voorbij. De sleutels leg ik daar neer. De meiden weten alles wat het huishouden betreft … beter dan ik. Morgen als ik weg ben zal Kristine hier komen om in te pakken wat ik van thuis heb meegebracht. Dat moet mij opgezonden worden.
HELMER. Voorbij … voorbij! Nora, zal je nooit meer aan mij denken?
NORA. Ik zal wel heel dikwijls nog denken aan jou en de kinderen en dit huis.
HELMER. Mag ik je schrijven, Nora?
NORA. Neen … nooit. Dat sta ik je niet toe.
HELMER. Maar, ik mag je toch zenden….
NORA. Niets … niets.
HELMER. … je helpen als je het noodig mocht hebben.
NORA. Neen … zeg ik. Ik neem niets aan van vreemden.
HELMER. Nora … kan ik dan nooit iets meer dan een vreemde voor je worden?
NORA (neemt haar valies op). Och Torwald, dan zou het allerwonderheerlijkste moeten gebeuren….
HELMER. Noem mij dat wonderheerlijkste!
NORA. Dan zouden wij beiden, jij zoowel als ik, zooveel veranderd moeten zijn dat…. Och Torwald, ik geloof niet meer aan iets wonderheerlijks.
HELMER. Maar ik wil er aan gelooven. Noem het! Zooveel veranderd zijn dat…?
NORA. Dat ons samenleven een huwelijk kon worden. Vaarwel. (Zij gaat weg door het portaal).
HELMER (valt neer op een stoel bij de deur en bedekt zijn gezicht met de handen). Nora! Nora! (Kijkt om zich heen en staat op). Weg. Zij is weg. (Met een straal van hoop). Het wonderheerlijkste…?
(Beneden hoort men met een bons een deur in het slot vallen).
EINDE VAN HET DERDE OF LAATSTE BEDRIJF.
* * * * *
SPOKEN
EEN FAMILIE-DRAMA
IN DRIE BEDRIJVEN
* * * * *
PERSONEN:
Mevrouw HELENE ALVING, weduwe van den heer Alving, in leven kapitein en kamerheer. OSWALD ALVING, haar zoon, schilder. Dominee MANDERS. ENGSTRAND, schrijnwerker. REGINE ENGSTRAND, bij Mevr. Alving in huis wonend. Het stuk speelt op het landgoed van Mevr. Alving, aan een groote fjord in westelijk Noorwegen.
* * * * *
EERSTE BEDRIJF.
Een ruime kamer met een deur in den linker zijmuur en twee deuren in den muur rechts. Midden in de kamer een ronde tafel met stoelen er omheen; op de tafel liggen boeken, tijdschriften en couranten. Op den voorgrond links een raam en daarbij een klein canape met een werktafeltje er voor. Achter de kamer een glazen serre met bloemen en planten, iets smaller dan de kamer. Aan de rechterkant daarvan een deur die naar den tuin leidt. Door de glazen wanden heen ziet men een somber fjord-landschap, omsluierd door een dichten regen.
Engstrand staat bij den tuindeur. Zijn linkerbeen is een beetje verdraaid; onder den hak van zijn laars heeft hij een houten klos. Regine met een leeg gietertje in de hand, houdt hem tegen als hij de serre binnenkomen wil.
* * * * *
REGINE (met gedempte stem). Wat kom je hier doen? Blijf daar staan. Je druipt van den regen.
ENGSTRAND. 't Is de regen van Onze Lieve Heertje, kindlief.
REGINE. Zeg liever dat het de regen van den duivel is.
ENGSTRAND. Jesses Regine, wat een praat (komt een paar stappen vooruit). Maar wat ik je nou zeggen wou….
REGINE. Stamp toch zoo niet, mensch! De jonge mijnheer ligt boven te slapen.
ENGSTRAND. Ligt hij te slapen? Op klaarlichten dag?
REGINE. Dat gaat jou niet aan.
ENGSTRAND. Ik ben aan de zwier geweest gisterenavond….
REGINE. Dat geloof ik graag.
ENGSTRAND. Och ja, wij zijn maar zwakke schepsels, kindlief….
REGINE. Ja, dat zijn wij wel.
ENGSTRAND. … en de verleidingen zijn menigvuldig in deze wereld, zie je…; maar toch was ik, zoo waar als God, om half zes van morgen vroeg al weer aan het werk.
REGINE. Nou ja, 't is goed; maak nu maar dat je wegkomt. Ik wil hier geen rendez-vous-tjes met je hebben.
ENGSTRAND. Wat wil je niet hebben, zeg je?
REGINE. Ik wil niet dat iemand je hier zien zal. Kom, ga nu heen.
ENGSTRAND (een paar passen dichterbij). Neen, om de bliksem, ik ga niet weg voor ik met je gesproken heb. Van middag kom ik klaar met het werk daarginder in het schoolgebouw, en dan ga ik van nacht met de stoomboot naar de stad terug.
REGINE (mompelt). Goede reis!
ENGSTRAND. Dank je wel, kind. Morgen zal het gesticht immers ingewijd worden en dan zal het hier waarschijnlijk een groote herrie worden met veel drinken, zie je. En niemand moet van Jakob Engstrand kunnen zeggen dat hij zich niet onthouden kan als de verleiding komt.
REGINE. Ho!
ENGSTRAND. Want morgen komen er hier zooveel van de grootheid bij elkaar. En dominee Manders wordt ook verwacht.
REGINE. Die komt van daag al.
ENGSTRAND. Zoo waarlijk. En ik wil om de bliksem niet dat hij iets op me te zeggen zal kunnen hebben, begrijp je.
REGINE. O zoo, is dat de zaak!
ENGSTRAND. Is wat de zaak?
REGINE (kijkt hem strak aan). Waarvoor moet je dominee Manders nou weer in de luren leggen?
ENGSTRAND. Stil, stil; ben je gek? Zou ik dominee Manders in de luren willen leggen? O, neen, dominee Manders is veel te vriendelijk tegen mij voor zoo iets. Maar waar ik nu eigenlijk over spreken wou is dit, zie je, dat ik dus van nacht weer naar huis terug ga.
REGINE. Vertrek hoe eer hoe liever wat mij betreft.
ENGSTRAND. Ja, maar ik wil dat jij meegaat, Regine.
REGINE (met open mond). Dat ik meega…? Wat zeg je nou?
ENGSTRAND. Ja, ik wil dat je mee naar huis gaat, zeg ik.
REGINE (honend). Nooit in der eeuwigheid krijg je mij mee naar huis.
ENGSTRAND. Dat zullen we eens zien.
REGINE. Ja, dat zal je net eens zien. Ik, die opgegroeid ben bij mevrouw Alving, de vrouw van een kamerheer…? Ik, die hier bijna als kind in huis ben…. Zou ik met jou naar huis gaan? Naar zoo'n huis. Dank je lekker!
ENGSTRAND. Wat bliksem is dat? Wou jij opstaan tegen je vader, deern?
REGINE (zonder hem aan te zien, bromt). Je hebt dikwijls genoeg gezegd dat ik je niks aanging.
ENGSTRAND. Nou, wat kan je dat schelen….
REGINE. Heb je me niet dikwijls uitgescholden voor een…? Fi donc!
ENGSTRAND. Neen, zoo waarachtig als God, zoo'n leelijk woord heb ik nooit gebruikt.
REGINE. O, ik weet heel goed wat voor een woord je gebruikte.
ENGSTRAND. Nou ja, dat was alleen maar als ik wat aangeschoten was … hm. De verleidingen zijn menigvuldig in deze wereld, Regine.
REGINE. Bah!
ENGSTRAND. En dat was dan als je moeder onhandelbaar was. Iets moest ik dan toch zoeken om haar te pesten. Ze deed altijd zoo fijn en voornaam (nabootsend). "Laat me los, Engstrand! Laat me met rust! Ik heb drie jaar gediend bij mijnheer Alving, den kamerheer, op Rozenheuvel, hoor!" (lacht). Jesses, ja, ze kon maar nooit vergeten dat de kapitein kamerheer geworden was terwijl zij daar diende.
REGINE. Arme moeder;… die heb je gauw genoeg in het graf geholpen.
ENGSTRAND (zich oprichtend). O ja, dat spreekt, ik ben natuurlijk de schuld van alles.
REGINE (afgewend, halfluid). Ajakkes! en dan dat been.
ENGSTRAND. Wat zeg je, kindlief?
REGINE. Pied de mouton.
ENGSTRAND. Is dat Engelsch?
REGINE. Ja.
ENGSTRAND. Ja … ja; geleerdheid heb je hier opgedaan, en dat kan je nu goed te pas komen, Regine.
REGINE (na even zwijgen). En waarvoor wou je me dan eigenlijk mee naar de stad hebben?
ENGSTRAND. Kan je nog vragen waarom een vader zijn eenig kind thuis hebben wil? Ben ik geen eenzame verlaten weduwnaar?
REGINE. Och, kom mij toch niet met zulke praatjes aan boord. Waarvoor wil je mij thuis hebben?
ENGSTRAND. Dat zal ik je zeggen. Ik dacht er over wat nieuws te beginnen.
REGINE. Dat heb je al zoo dikwijls geprobeerd; maar 't ging toch altijd weer mis.
ENGSTRAND. Ja, maar dezen keer zal je eens wat zien, Regine!… De duivel haal me….
REGINE (stampvoetend). Schei toch uit met dat gevloek!
ENGSTRAND. Nou ja, nou ja; daar heb je groot gelijk in kindlief! Ik wou alleen maar zeggen … ik heb nog al een aardig duitje op zij gelegd van het werk in het nieuwe gesticht.
REGINE. Zoo, heb je? Nou, dat tref je dan.
ENGSTRAND. Waaraan zal een mensch ook zijn geld uitgeven hier buiten?
REGINE. Nou, en dan?
ENGSTRAND. Wel, zie je, zoo kwam ik er over te denken om het ergens in te steken dat wat opbrengen kon. Ik dacht zoo iets van een soort logement voor zeelui….
REGINE. Ajakkes!
ENGSTRAND. Een echt fijn logement, zie je;… niet zoo'n gewoon smerig ding voor matrozen. Neen, wat bliksem,… het zou iets moeten zijn voor scheepskapiteins en stuurlui en … en echt nette menschen, zie je.
REGINE. En dan zou ik…?
ENGSTRAND. Jij zou mij daarbij moeten helpen, ja. Alleen zoo maar voor den schijn, dat begrijp je wel. Je zult het waarachtig niet moeilijk hebben, kindlief. Je kunt het net zoo goed hebben als je maar wilt.
REGINE. Jawel … o ja!
ENGSTRAND. Maar vrouwen moeten er in huis zijn, dat is zoo klaar als de dag. Want 's avonds zullen wij het een beetje prettig maken met zingen en dansen en zoowat meer. Je moet denken, het zijn zeelui die rondzwalken op alle zeeen (dichterbij). Wees nou niet dom, en gooi je eigen glazen niet in, Regine. Wat zal er hier buiten van je worden? Zal je er hier iets aan hebben, dat mevrouw je van alles heeft laten leeren? Je hebt niet veel lust om op de kinderen te passen in het nieuwe gesticht, hoor ik. Is dat dan ook iets voor jou, om je af te beulen voor die smerige kinderen?
REGINE. Neen, als het ging zoo als ik 't graag wou, dan…. Nou, dat kan nog komen. Dat kan nog komen!
ENGSTRAND. Wat kan nog komen?
REGINE. Bemoei je daar maar niet mee…. Heb je hier veel geld verdiend?
ENGSTRAND. Alles bij elkaar kan het wel een zeven of achthonderd kronen zijn.
REGINE. Dat is nog zoo kwaad niet.
ENGSTRAND. Het is genoeg om mee op gang te komen, kindlief.
REGINE. Zou je er niet eens over denken mij wat van dat geld te geven?
ENGSTRAND. Neen, waarachtig niet, daar denk ik niet over.
REGINE. Zou je mij niet eens wat zenden voor een armzalig japonnetje?
ENGSTRAND. Kom maar bij mij in de stad wonen, zeg, dan kan je japonnetjes genoeg krijgen.
REGINE. Poeh! Dat kan ik op mijn eigen houtje ook wel, als ik er lust in heb.
ENGSTRAND. Neen, aan een leidende vaderhand gaat dat beter, Regine. Nu kan ik een mooi huis krijgen in de Kleine Havenstraat. Veel contanten zijn daar niet voor noodig; en daar konden wij dan een soort van tehuis voor zeelui van maken, zie je.
REGINE. Maar ik wil niet met je mee! Ik heb niets met je te maken. Ruk uit!
ENGSTRAND. Je zoudt waarachtig niet lang bij mij blijven, kindlief. Dat kan zoo lang niet duren. Als je 't maar handig aanlegt. Zoo'n knappe meid als jij in de paar laatste jaren geworden bent….
REGINE. Nou?…
ENGSTRAND. 't Zou zoo lang niet duren voor er een stuurman kwam,… of misschien een kapitein….
REGINE. Ik dank je om met zoo'n vent te trouwen. Zeelui hebben geen savoir-vivre.
ENGSTRAND. Wat hebben ze niet?
REGINE. Ik zeg dat ik weet wat zeelui zijn. Dat zijn geen menschen om mee te trouwen.
ENGSTRAND. Dan trouw je ze niet. 't Kan toch nog wel de moeite waard zijn (vertrouwelijker). Hij … die Engelschman … die met zijn pleizierjacht … hij gaf wel driehonderd thalers … en zij was niks mooier dan jij, zeg.
REGINE (op hem toeloopend). Er uit, zeg ik je!
ENGSTRAND (wijkt terug). Nou, nou; jij zal me toch niet gaan slaan, he?
REGINE. Jawel! Als je nog iets van moeder zegt, dan sla ik je. Er uit, zeg ik je! (dringt hem naar de tuindeur). En sla niet met de deuren; de jonge mijnheer Alving….
ENGSTRAND. … die slaapt, jawel. Je bent verbazend bezorgd voor den jongen mijnheer Alving…. (zachter). Oho; is hij 't misschien die…?
REGINE. Er uit, en maak dat je wegkomt! Je bent niet goed snik mensch! Neen, niet dien kant. Daar komt dominee Manders aan. Gauw de keukentrap af!
ENGSTRAND (naar rechts). Ja, ja, ik ga al. Maar praat eens met hem die daar aankomt. Hij is de man die je zeggen zal wat een kind zijn vader verschuldigd is. Want ik ben toch je vader, zie je, dat kan ik bewijzen uit je geboorteakte.
(Hij gaat weg door de tweede deur, die Regine heeft opengedaan en weer achter hem sluit).
(Regine kijkt gauw even in den spiegel, waait zich met haar zakdoek en trekt haar halsboordje wat recht; dan doet zij of ze bezig is met de bloemen).
(Dominee Manders, in overjas en met een parapluie en een klein reistaschje met een riem over zijn schouders, komt door de tuindeur in de serre).
DOM. MANDERS. Dag Regine.
REGINE (keert zich blij verrast om). Neen maar!… Dag dominee! Is de boot al aan?
DOM. MANDERS. Net aangekomen (gaat de tuinkamer binnen). Wat een vreeselijken regen hebben wij deze laatste dagen.
REGINE (volgt hem). 't Is zulk gezegend weer voor de boeren, dominee.
DOM. MANDERS. Ja, daar heb je wel gelijk in. Daar denken wij stadsmenschen zoo weinig aan. (Hij begint zijn overjas uit te doen).
REGINE. O, mag ik u even helpen?… Ziezoo. Neen maar wat is die nat! Ik zal uw jas maar wat uithangen in de voorkamer. En uw parapluie…; die zal ik uitzetten, dan droogt die beter.
(Zij gaat er mee de kamer uit door de tweede deur rechts. Dom. Manders doet het reistaschje af en legt het met zijn hoed op een stoel. In dien tijd komt Regine weer binnen).
DOM. MANDERS. He, het doet iemand goed om weer binnen te zijn. En is alles wel hier?
REGINE. Ja, dank u.
DOM. MANDERS. Maar erg druk, kan ik me zoo voorstellen, met het oog op morgen.
REGINE. O ja, er is hier heel wat te doen.
DOM. MANDERS. En mevrouw Alving is toch thuis hoop ik?
REGINE. Ja, natuurlijk! Zij is maar even boven om den jongen mijnheer zijn chocolade te geven.
DOM. MANDERS. Ja, dat is waar … ik hoorde beneden aan de aanlegplaats dat Oswald gekomen was.
REGINE. Ja, hij is eergisteren gekomen. Wij hadden hem niet voor vandaag verwacht.
DOM. MANDERS. En frisch en gezond hoop ik?
REGINE. Ja, dank u, dat wel. Maar vreeselijk vermoeid van de reis. Hij is in eene rek doorgereden van Parijs…; ik bedoel hij heeft de heele route met een en denzelfden trein gemaakt. Ik geloof dat hij nu een beetje slaapt, daarom mogen wij wel een beetje zachtjes praten.
DOM. MANDERS. Ja, sst, we zullen doodstil zijn!
REGINE (terwijl zij een gemakkelijken stoel bij de tafel schuift). En gaat u zitten, alsjeblieft, dominee, en maak het u makkelijk. (Hij gaat zitten; zij schuift een voetenbankje onder zijn voeten). Zie zoo! Zit dominee nu goed?
DOM. MANDERS. Dank je, dank je, ik zit best (bekijkt haar). Hoor eens Regine, ik geloof dat je heusch gegroeid bent sedert ik je het laatst zag.
REGINE. Gelooft dominee dat? Mevrouw zegt dat ik wat gevulder ben geworden ook.
DOM. MANDERS. Gevulder? Ja, misschien … een beetje … net genoeg (korte pauze).
REGINE. Zal ik misschien mevrouw gaan roepen?
DOM. MANDERS. Dank je, dank je, dat heeft geen haast, kindlief. En vertel mij nu eens, mijn goede Regine, hoe maakt het je vader hier buiten?
REGINE. Dank u, dominee, dat gaat nog al.
DOM. MANDERS. Hij was onlangs bij mij toen hij den laatsten keer in de stad was.
REGINE. Och ja? Was hij bij u? Hij is altijd zoo blij als hij dominee te spreken krijgen kan.
DOM. MANDERS. En je gaat zeker overdag nog al eens naar hem toe?
REGINE. Ik? Jawel; als ik eens een oogenblikje tijd heb….
DOM. MANDERS. Je vader is geen krachtige persoonlijkheid, Regine. Hij heeft erg behoefte aan een leidende hand.
REGINE. Och ja, dat kan misschien wel zijn.
DOM. MANDERS. Hij heeft behoefte om iemand om zich heen te hebben, van wie hij houden kan, en aan wier oordeel hij hechten kan. Hij erkende dat zelf zoo trouwhartig, toen hij laatst bij mij was.
REGINE. Ja, hij heeft mij ook over zoo iets gesproken. Maar ik weet niet of mevrouw Alving mij missen wil,… vooral nu, nu wij zooveel te doen krijgen met het nieuwe gesticht. En ik zou het ook vreeselijk naar vinden om van mevrouw Alving weg te gaan, want zij is toch altijd zoo lief voor mij geweest.
DOM. MANDERS. Maar je plicht als dochter, meisjelief…. Natuurlijk zouden wij eerst de toestemming van je mevrouw moeten vragen.
REGINE. Maar ik weet ook niet of het wel passend voor mij is, op mijn leeftijd, het huis van een ongetrouwd man te bestieren.
DOM. MANDERS. Wat! Maar mijn lieve Regine, het is toch je eigen vader van wien hier sprake is!
REGINE. Ja, dat kan wel zijn, maar toch…. Ja, als het nu een goed huis was, bij een echten heer….
DOM. MANDERS. Maar, mijn goede Regine!
REGINE. … zoo een, voor wien ik toewijding voelen en tegen wien ik opzien kon, en als 't ware de plaats van een dochter vervullen….
DOM. MANDERS. Ja maar, mijn lieve goede kind….
REGINE. … dan zou ik wel graag naar de stad willen. Hier buiten is het erg eenzaam,… en dominee weet zelf ook wel wat het is om zoo alleen te staan in de wereld. En dat durf ik wel zeggen, dat ik handig en gewillig ben. Weet dominee niet zoo'n betrekking voor mij?
DOM. MANDERS. Ik? Neen, dat weet ik heusch niet.
REGINE. Maar lieve beste dominee … denk in elk geval eens aan mij, als u soms….
DOM. MANDERS (staat op). Ja, dat zal ik, Regine.
REGINE. Ja, want als ik….
DOM. MANDERS. Zou je nu misschien zoo vriendelijk willen zijn mevrouw te gaan roepen?
REGINE. Die zal nu wel dadelijk komen, dominee (zij gaat weg naar links).
DOM. MANDERS (loopt een paar maal de kamer op en neer; blijft een poosje op den achtergrond staan met de handen op den rug en kijkt uit in den tuin. Dan komt hij weer bij de tafel terug, neemt een boek op en kijkt naar den titel, schrikt en kijkt nog meer boeken in). Hm,… zoo … ja!
(Mevrouw Alving komt binnen door de deur links, gevolgd door Regine, die dadelijk weer weg gaat door de voorste deur rechts).
MEVR. ALVING (reikt hem de hand). Welkom dominee.
DOM. MANDERS. Goeden dag, mevrouw. Daar ben ik zooals ik u beloofde.
MEVR. ALVING. Altijd op klokslag.
DOM. MANDERS. Maar 't was moeilijk genoeg om weg te komen. Al die commissies en besturen waarin ik zit….
MEVR. ALVING. Des te vriendelijker van u dat u zoo vroeg komt. Nu kunnen wij onze zaken afdoen voor wij aan tafel gaan. Maar waar is uw koffer?
DOM. MANDERS. (snel). Mijn goed staat in den winkel, beneden bij den steiger. Ik logeer daar van nacht.
MEVR. ALVING (onderdrukt een glimlach). Is u er waarlijk niet toe te bewegen bij mij te overnachten … ook dezen keer niet?
DOM. MANDERS. Neen, neen, mevrouw; overigens zeer veel dank. Ik blijf maar daar beneden, zooals gewoonlijk. Dat is zoo gemakkelijk, als ik weer aan boord moet.
MEVR. ALVING. Nu, u moet doen zooals u wil. Maar ik zou anders wel denken dat wij twee oude menschen….
DOM. MANDERS. Och heertje ja, u maakt maar gekheid. Nu ja, u is natuurlijk van daag uitermate blij. Eerst het inwijdingsfeest morgen, en dan heeft u ook Oswald weer thuis, hoor ik.
MEVR. ALVING. Ja, verbeeld u, wat een geluk voor mij! Het is nu al meer dan twee jaar geleden dat hij het laatst thuis was. En nu heeft hij beloofd den heelen winter bij mij te zullen blijven.
DOM. MANDERS. Och ja, waarlijk? Dat is aardig en hartelijk van hem. Want het moet wel heel wat aantrekkelijker zijn om in Rome of Parijs te wonen, denk ik zoo.
MEVR. ALVING. Ja, maar hier thuis heeft hij zijn moeder, ziet u. Och, mijn eigen lieve jongen,… hij heeft nog wel hart voor zijn moeder!
DOM. MANDERS. Dat zou toch ook al te treurig zijn als afwezigheid en zich bezig houden met kunst, zulke natuurlijke gevoelens zou doen uitslijten.
MEVR. ALVING. Ja, dat mag u wel zeggen. Maar bij hem is daar waarlijk geen nood voor. 't Zal mij heusch benieuwen of u hem zal herkennen. Hij komt straks beneden; hij ligt nu boven wat te rusten op de canape…. Maar ga toch zitten, waarde dominee.
DOM. MANDERS. Dank u. 't Schikt u dus nu wel…?
MEVR. ALVING. Welzeker. (Zij gaat aan de tafel zitten).
DOM. MANDERS. Best; dan zal ik het u laten zien…. (gaat naar den stoel waar zijn reistaschje ligt, neemt er een pakje papieren uit, gaat aan de tafel tegenover haar zitten en zoekt een open plek voor zijn papieren). Hier hebben we nu vooreerst…. (afbrekend). Zeg u mij toch eens, Mevrouw, hoe komen die boeken hier?
MEVR. ALVING. Die boeken? Dat zijn boeken die ik lees.
DOM. MANDERS. Leest u dergelijke geschriften?
MEVR. ALVING. Ja zeker.
DOM. MANDERS. Voelt u dat u beter of gelukkiger wordt door die lektuur?
MEVR. ALVING. Ik vind dat het mij rust geeft.
DOM. MANDERS. Dat is opmerkelijk. Hoe dat zoo?
MEVR. ALVING. Ja, ik krijg er als 't ware de verklaring en de bevestiging door, van veel dat ik voor mijzelf heb uitgedacht. Want dat is het wonderlijke, dat er eigenlijk niets nieuws staat in die boeken. Er staat niets anders in dan dat, wat de meeste menschen denken en gelooven. Het is maar de zaak dat de meeste menschen er zich geen rekenschap van geven, of het niet willen weten.
DOM. MANDERS. Maar lieve Hemel! Gelooft u in vollen ernst dat de meeste menschen…?
MEVR. ALVING. Ja, dat geloof ik stellig.
DOM. MANDERS. Maar toch niet hier in ons land? Niet hier bij ons?
MEVR. ALVING. O ja, wel zeker, hier bij ons ook.
DOM. MANDERS. Neen, dan moet ik toch zeggen…!
MEVR. ALVING. Maar wat heeft u eigenlijk tegen die boeken?
DOM. MANDERS. Er tegen? U gelooft toch niet dat ik mij bezig houd met het doorsnuffelen van dergelijke producten?
MEVR. ALVING. Dat wil zeggen dat u heelemaal niet kent wat u veroordeelt.
DOM. MANDERS. Ik heb genoeg over deze geschriften gelezen om ze af te keuren.
MEVR. ALVING. Ja, maar uw eigen oordeel….
DOM. MANDERS. Lieve mevrouw, er komt velerlei in het leven voor waarin men zich moet verlaten op anderen. Dat is nu eenmaal zoo in de wereld; en dat is ook goed. Wat zou er anders terechtkomen van de maatschappij?
MEVR. ALVING. Jawel, daarin kan u gelijk hebben.
DOM. MANDERS. Overigens ontken ik natuurlijk niet dat er veel aantrekkelijks in deze boeken zijn kan. En ik kan er u ook geen verwijt van maken dat u op de hoogte wenscht te blijven van de geestelijke stroomingen, die zooals men zegt, in de groote buitenwereld omgaan,… waar u uw zoon zoo langen tijd heeft laten rondtrekken. Maar….
MEVR. ALVING. Maar…?
DOM. MANDERS (zachter sprekend). Maar men spreekt er niet over, mevrouw. Men behoeft toch waarlijk niet Jan-en-alleman rekenschap te geven van wat men leest en wat men denkt binnen zijn eigen vier muren.
MEVR. ALVING. Neen, natuurlijk niet; dat zou ik ook denken.
DOM. MANDERS. Maar bedenk nu alleen maar eens wat u verplicht is tegenover dat gesticht, dat u besloot op te richten in een tijd, toen uwe zienswijze in geestelijke dingen nog zoo heel anders was dan nu;… zoover ik althans kan nagaan.
MEVR. ALVING. Ja, ja, dat geef ik volmaakt toe. Maar wij zouden over het gesticht….
DOM. MANDERS. Wij zouden over het gesticht spreken, ja. Dus … voorzichtig zijn, lieve mevrouw! En nu gaan wij over tot de zaken (opent de portefeuille en neemt er eenige papieren uit). Ziet u deze papieren?
MEVR. ALVING. De stukken?
DOM. MANDERS. Allemaal. En alles in orde. U kan gerust gelooven dat het moeite gekost heeft om ze op tijd in handen te krijgen. De ambtenaren zijn haast pijnlijk nauwgezet in het afdoen van zulke zaken. Maar hier hebben wij ze dan toch (bladert in de massa). Ziet u, hier is de in het grondboek ingeschreven akte van schenking, voor het deel van het goed Solvik, behoorend tot het landgoed Rozenheuvel, met de daarop zich bevindende nieuwopgetrokken gebouwen van woonhuizen, schoollokalen, onderwijzerswoning en kapel. En hier is het bewijs van het legaat en van de statuten der stichting. Hier, ziet u maar alsjeblieft…. (leest voor). De statuten van Het Tehuis voor Kinderen "Kapitein Alving's Stichting"….
MEVR. ALVING (kijkt op het papier). Dat is het dus.
DOM. MANDERS. Ik heb den titel kapitein gekozen en niet kamerheer. Kapitein staat eenvoudiger.
MEVR. ALVING. Ja, ja; net als u goed vindt.
DOM. MANDERS. En hier heeft u het spaarbankboekje van het te beleggen kapitaal, dat uitgezet is om de bedrijfskosten van het gesticht te bestrijden.
MEVR. ALVING. Dank u, maar wees zoo vriendelijk dat voor het gemak maar te bewaren.
DOM. MANDERS. Heel gaarne. Mij dunkt wij moesten het geld voorloopig op de spaarbank laten. De rentevoet is wel niet erg uitlokkend, vier procent met halfjarige opzegging. Als wij er later een solide hypotheek voor konden krijgen…. Het zou natuurlijk een eerste en in alle opzichten sekure moeten zijn … dan konden wij er nog eens verder over spreken.
MEVR. ALVING. Ja, ja, dominee; van al die dingen heeft u veel meer verstand dan ik.
DOM. MANDERS. Ik zal in elk geval wel eens goed uit mijn oogen kijken…. Maar dan is er nog iets wat ik al meermalen heb willen vragen.
MEVR. ALVING. En wat is dat dan?
DOM. MANDERS. Moeten de gebouwen geassureerd worden of niet?
MEVR. ALVING. Ja, natuurlijk moeten ze geassureerd worden.
DOM. MANDERS. Ja, wacht eens even, mevrouw. Laat ons die zaak nog eens nader beschouwen.
MEVR. ALVING. Bij mij is alles geassureerd, de gebouwen, de roerende goederen, de oogst en het vee.
DOM. MANDERS. Natuurlijk. Op uw eigen landgoed. Dat doe ik ook,… dat spreekt van zelf. Maar hier, ziet u, is het een heel andere zaak. Het gesticht zal toch als het ware gewijd worden tot een hoogere levensroeping.
MEVR. ALVING. Ja, maar omdat….
DOM. MANDERS. Wat mij persoonlijk betreft, zou ik er zeer zeker in de verte niets aanstootelijks in vinden om ons tegen alle mogelijkheden te verzekeren….
MEVR. ALVING. Neen, dat dunkt mij ook.
DOM. MANDERS. … Maar hoe staat het met den geest van de menschen hier in den omtrek. Dat weet u stellig beter dan ik.
MEVR. ALVING. Hm, de geest….
DOM. MANDERS. Zijn hier betrekkelijk nog al veel menschen, met wier opinie werkelijk rekening moet gehouden worden, die er aanstoot aan zouden kunnen nemen?
MEVR. ALVING. Wat verstaat u eigenlijk onder menschen met wier opinie rekening moet gehouden worden?
DOM. MANDERS. Wel, ik denk in de eerste plaats aan mannen die in zoover onafhankelijk en invloedrijk genoeg zijn, dat men moeilijk nalaten kan eenige rekening te houden met hunne opinie.
MEVR. ALVING. Van die zijn er hier verscheidene, aan wie het misschien wel aanstoot zou kunnen geven, indien….
DOM. MANDERS. Nu, ziet u nu wel! Bij ons in de stad zijn er heel wat van dat slag. Denk maar eens aan al de volgelingen van mijn ambtsbroeder! Men zou er waarlijk licht toe kunnen komen het op te vatten alsof noch u noch ik, het ware vertrouwen op een hoogere bestiering bezat.
MEVR. ALVING. Maar wat u betreft, waarde dominee, weet u althans voor u zelf dat….
DOM. MANDERS. Ja, ik weet; ik weet;… ik heb mijn overtuiging; dat is waar. Maar wij zouden toch niet kunnen verhinderen dat er een verkeerden en ongewenschten uitleg aan gegeven werd. En die zou dan weer allicht een belemmerenden invloed uitoefenen op de heele stichting.
MEVR. ALVING. Ja, als dat het gevolg zou zijn, dan….
DOM. MANDERS. Ik kan ook niet geheel uit het oog verliezen de moeilijke,… ja, ik mag wel zeggen pijnlijke verhouding, waarin ik misschien geraken zou. In de toonaangevende kringen van de stad, houdt men zich veel bezig met de gestichtskwestie. Het gesticht is immers voor een deel ook opgericht ten bate van de stad, en het is te hopen dat het in niet geringe mate onze gemeentelijke armenlasten zal verlichten. Maar daar ik nu uw raadsman ben geweest en het practische deel van de zaak beheerd heb, moet ik vreezen dat de benijders in de allereerste plaats zich op mij zullen werpen….
MEVR. ALVING. Neen, daaraan mag u zich niet blootstellen….
DOM. MANDERS. … Om nog niet eens te spreken van de aanvallen, die zeer stellig op mij gericht zullen worden in zekere bladen en tijdschriften, die….
MEVR. ALVING. Al genoeg dominee; deze laatste overweging is al ruim voldoende.
DOM. MANDERS. U wil dus dat het geassureerd worden zal?
MEVR. ALVING. Neen, wij zullen het dan maar laten.
DOM. MANDERS (leunt achterover in zijn stoel). Maar als er nu eens een ongeluk gebeurde? Men kan toch nooit weten…. Zou u dan de schade weer kunnen vergoeden?
MEVR. ALVING. Neen; dat zeg ik ronduit, dat zou ik zeer stellig niet doen.
DOM. MANDERS. Ja, maar … dan is het toch een bedenkelijke verantwoordelijkheid, die wij op ons nemen.
MEVR. ALVING. Maar vindt u dan dat wij anders kunnen?
DOM. MANDERS. Neen; dat is het juist; we kunnen eigenlijk niet anders. Wij mogen ons toch niet blootstellen aan een verkeerd oordeel; en het is ons volstrekt niet geoorloofd ergernis te verwekken in de gemeente.
MEVR. ALVING. U, als dominee, in elk geval niet.
DOM. MANDERS. En ik vind dan toch werkelijk ook, dat wij er op moeten vertrouwen dat op zulk een stichting zegen zal rusten,… ja zelfs, dat die onder bizondere bescherming staat.
MEVR. ALVING. Laat ons dat hopen, dominee.
DOM. MANDERS. Zullen wij het er dus maar bij laten?
MEVR. ALVING. Ja, zeker.
DOM. MANDERS. Best. Zooals u wil (noteert). Dus … niet assureeren.
MEVR. ALVING. 't Is anders wonderlijk dat u daar juist van daag over komt spreken….
DOM. MANDERS. Ik heb er al dikwijls over gedacht het u te vragen….
MEVR. ALVING. … want gisteren hadden wij daarginder bijna brand gehad.
DOM. MANDERS. Wat zegt u!
MEVR. ALVING. Nu, het had overigens niets te beteekenen. Een hoop houtkrullen had vuur gevat in de timmermanswerkplaats.
DOM. MANDERS. Waar Engstrand werkt?
MEVR. ALVING. Ja. Hij moet dikwijls heel onvoorzichtig zijn met lucifers, zeggen ze.
DOM. MANDERS. Hij heeft zooveel aan zijn hoofd, die man … zoo velerlei verzoekingen. Goddank legt hij er zich nu op toe een onberispelijk leven te leiden, naar ik hoor.
MEVR. ALVING. Zoo? Wie zegt dat?
DOM. MANDERS. Dat heeft hij mij zelf verzekerd. En een knap werkman is hij toch ook.
MEVR. ALVING. O ja, zoo lang hij nuchter is….
DOM. MANDERS. Ja, die treurige zwakheid; maar hij is er dikwijls toe genoodzaakt voor dat akelige been, zegt hij. Den laatsten keer dat hij in de stad was, deed hij mij waarlijk aan. Hij kwam bij mij en bedankte mij zoo hartelijk omdat ik hem hier werk verschaft had, zoodat hij nu met Regine samen kon zijn.
MEVR. ALVING. Hij merkt anders niet veel van haar.
DOM. MANDERS. Jawel, hij spreekt haar iederen dag, dat vertelde hij mij zelf.
MEVR. ALVING. Nu ja … dat kan ook wel zijn.
DOM. MANDERS. Hij voelt zoo goed dat hij behoefte heeft aan iemand die hem terughouden kan als de verleiding nabij is. Dat is het beminnelijke in Jakob Engstrand, dat hij zoo volslagen hulpeloos bij iemand komt en zich aanklaagt en zijn eigen zwakheid bekent. Laatst was hij bij mij en sprak met mij…. Hoor eens, mevrouw, als het hem een hartsbehoef te zijn zou om Regine bij zich thuis te hebben….
MEVR. ALVING (staat snel op). Regine!
DOM. MANDERS. … dan moet u zich daar niet tegen verzetten.
MEVR. ALVING. Jawel, daar zal ik mij zeer zeker tegen verzetten. En bovendien,… Regine krijgt immers een betrekking in het gesticht.
DOM. MANDERS. Maar denk toch eens aan, hij is toch haar vader….
MEVR. ALVING. O, ik weet best wat voor soort van een vader hij voor haar geweest is. Neen, naar hem zal zij nooit teruggaan met mijn goedvinden.
DOM. MANDERS (staat op). Maar lieve mevrouw, wind u daarover toch niet zoo op. Het is bedroevend zoo als u Engstrand miskent. Het is of ik u een schrik op het lijf jaag….
MEVR. ALVING. Dat doet er niet toe. Ik heb Regine tot mij genomen, en bij mij zal zij blijven (luistert). Sst, dominee, spreek daar nu niet meer over. (Haar gezicht verheldert). Hoor! Daar komt Oswald de trap af. Nu houden wij ons verder alleen met hem bezig.
(Oswald Alving in een overjas, met zijn hoed in de hand en rookend uit een groote meerschuimen pijp, komt binnen door de deur links).
OSWALD (blijft in de deur staan). O pardon … ik dacht dat u in het kantoor zat (komt naderbij). Goeden dag, dominee.
DOM. MANDERS. Ah…! Dat is merkwaardig….
MEVR. ALVING. Wel, wat zegt u nu van hem, dominee?
DOM. MANDERS. Ik zeg … ik zeg…. Neen maar, is dat nu waarlijk…?
OSWALD. Jawel, het is heusch de verloren zoon, dominee.
DOM. MANDERS. Maar, mijn waarde jonge vriend….
OSWALD. Nou, dan de teruggekomen zoon.
MEVR. ALVING. Oswald denkt er aan dat u er toen zooveel tegen had dat hij schilder werd.
DOM. MANDERS. Voor menschelijke oogen kan menige stap in het leven bedenkelijk schijnen, die toch later…. (schudt hem de hand). Nu, welkom, welkom! Neen, mijn waarde Oswald…. Ja, mag ik je nog wel bij je voornaam noemen?
OSWALD. Hoe zou u mij dan anders noemen?
DOM. MANDERS. Heel goed. 't Was dit dat ik zeggen wilde, mijn waarde Oswald,… je moet niet denken dat ik onvoorwaardelijk den kunstenaarsstand veroordeel. Ik neem aan dat er velen zijn, die hun innerlijk wezen onbedorven bewaren kunnen ook in dien stand.
OSWALD. Dat zullen wij moeten hopen.
MEVR. ALVING (stralend van vreugde). Ik ken er een die zoowel zijn innerlijke als zijn uiterlijke wezen onbedorven bewaard heeft. Kijk hem maar eens aan, dominee.
OSWALD (loopt heen en weer). Ja, ja, moederlief, laat dat nu maar rusten.
DOM. MANDERS. Nu, met verlof … dat kan niet ontkend worden. En je bent al begonnen naam te maken ook. In de dagbladen is er dikwijls over je gesproken, en wel buitengewoon gunstig ook. Hoewel … ik moet zeggen … in den laatsten tijd heb ik er zooveel niet meer van gezien.
OSWALD (in de serre). In den laatsten tijd heb ik niet zoo veel meer geschilderd.
MEVR. ALVING. Een schilder moet tusschenbeiden ook eens wat rust nemen.
DOM. MANDERS. Dat kan ik begrijpen. En dan bereidt men zich voor en verzamelt kracht voor iets groots.
OSWALD. Ja.—Moeder, gaan wij nog niet haast eten?
MEVR. ALVING. Over een klein half uurtje. Eetlust heeft hij gelukkig.
DOM. MANDERS. En de tabak smaakt hem ook.
OSWALD. Ik vond papa's pijp boven op de kamer, en zoo….
DOM. MANDERS. Aha, dat was het dus!
MEVR. ALVING. Wat?
DOM. MANDERS. Toen Oswald daar de deur in kwam met de pijp in den mond, was het of ik zijn vader in levenden lijve zag.
OSWALD. Och kom?
MEVR. ALVING. O, hoe kan u het zeggen! Oswald lijkt toch op mij.
DOM. MANDERS. Ja; maar er is een trek om de mondhoeken, iets om de lippen, dat zoo eigenaardig aan Alving herinnert … althans nu hij rookt.
MEVR. ALVING. Heelemaal niet. Oswald heeft eerder iets van een geestelijke om den mond, vind ik.
DOM. MANDERS. O ja, o ja, verscheidene van mijn ambtsbroeders hebben een dergelijken trek.
MEVR. ALVING. Maar leg je pijp liever weg, mijn jongen; ik heb hier niet graag tabaksrook.
OSWALD. Met genoegen. Ik wou die pijp alleen maar eens probeeren, omdat ik als kind er eens uit gerookt heb.
MEVR. ALVING. Jij?
OSWALD. Ja. Ik was toen nog heel klein. Maar ik herinner mij dat ik boven bij papa op de kamer kwam op een avond, en hij zoo vroolijk en jolig was.
MEVR. ALVING. Och kom, je herinnert je niets meer van die jaren.
OSWALD. Jawel, ik herinner mij duidelijk dat hij mij op zijn knieen zette en liet rooken uit zijn pijp. Rook, jongen, zei hij … flink rooken, jongen! En ik rookte wat ik kon, totdat ik voelde dat ik heelemaal bleek werd en het zweet in groote droppels op mijn voorhoofd stond. Toen lachte hij dat hij schaterde….
DOM. MANDERS. Dat was toch al heel vreemd.
MEVR. ALVING. Och dominee, dat heeft Oswald gedroomd!
OSWALD. Neen, moeder, ik heb het volstrekt niet gedroomd. Want … herinner je je dat dan niet meer … toen kwam jij binnen en droeg me naar de kinderkamer. Daar werd ik toen onpasselijk en zag ik dat je huilde…. Haalde papa dikwijls zulke grappen uit?
DOM. MANDERS. In zijn jeugd was hij een bizonder levenslustig mensch….
OSWALD. … en heeft toch nog zooveel gedaan in de wereld. Zooveel goeds en nuttigs tot stand gebracht; en was toch nog jong toen hij stierf.