← Table of contents
Dramatische werken

HENRIK IBSEN (continued 4)

J. Clant van der Mijll-Piepers translation

NORA (telt). Tien … twintig … dertig … veertig. O, dank je, dank je, Torwald; daar kom ik een heelen tijd mee toe!

HELMER. Maar dat moet dan nu ook in ernst, hoor!

NORA. Ja zeker, dat zal ik ook wel. Maar kom nu eens hier, dan zal ik je alles eens laten zien wat ik gekocht heb. En zoo goedkoop! Kijk, hier is een nieuw pakje voor Ivar … en dan nog een sabel. Hier is een paard en een trompet voor Bob. En hier is een pop en een poppenbedje voor Emmy; dat is nu niet zoo erg mooi, maar zij maakt toch dadelijk alles kapot. En hier heb ik goed voor japonnen en zakdoeken voor de meiden; de oude Anna-Marie mocht eigenlijk wel wat meer hebben.

HELMER. En wat zit er in dat pakje daar?

NORA (met een gilletje). Neen, Torwald, dat mag je niet zien voor van avond!

HELMER. Zoo, zoo. Maar vertel me nu eens, jij kleine verspilster, wat zou je nu zelf graag hebben?

NORA. O, ik? Ik geef eigenlijk nergens om.

HELMER. Jawel, dat doe je wel. Noem nu eens iets voor mijn beurs beschikbaars dat je erg graag zoudt willen hebben.

NORA. Neen, ik weet 't heusch niet. Ja toch … hoor eens, Torwald….

HELMER. Ja?

NORA (speelt met de knoopen van zijn jas zonder hem aan te zien). Als je me dan volstrekt iets geven wilt, dan zou je … zou je….

HELMER. Nou dan … voor den dag er mee!…

NORA (haastig). Dan zou je mij geld kunnen geven, Torwald. Alleen maar zoo veel als je denkt dat je missen kunt; dan zal ik er dezer dagen wel eens wat voor koopen.

HELMER. Neen maar, Nora….

NORA. Och toe, doe het maar, Torwald-lief; ik wou het zoo heel graag. Dan zal ik het geld in een mooi goud papiertje pakken en aan den kerstboom hangen. Zal dat niet leuk zijn?

HELMER. Hoe noemen we ook weer iemand die zoo graag te veel geld uitgeeft?

NORA. Jawel, een verspilstertje, dat weet ik nu wel. Maar laten wij het nu zoo maar doen, Torwald; dan heb ik den tijd om eens te bedenken wat ik het best kan gebruiken. Is dat nu niet heel verstandig? Zeg?

HELMER (glimlachend). Ja zeker … dat wil zeggen, als je heusch dat geld kon bewaren en er dan werkelijk iets voor je zelf van kocht. Maar zoo wordt het toch weer in het huishouden en voor allerlei onnoodige dingen gebruikt en dan moet ik later maar weer opdokken.

NORA. He toch, Torwald!

HELMER. 't Is niets anders, mijn lieve Noraatje. Mijn leeuwerikje is allerliefst, maar het is een duur houbeestje. Niemand zou kunnen gelooven dat het een man zooveel geld kost er zoo'n lief diertje op na te houden.

NORA. He, hoe kan je dat nu zeggen? Ik spaar toch heusch zooveel ik maar kan.

HELMER (lacht). Ja … dat is een waar woord. Zooveel je maar kunt. Maar je kunt het heelemaal niet!

NORA. Hm … ja… je moest maar eens weten hoeveel uitgaven wij leeuweriken en eekhorens hebben!

HELMER. Je bent een wonderlijk klein ding. Precies je vader. Je bent er altijd op uit om aan geld te komen, maar zoo als je het hebt, glijdt het je letterlijk door de vingers; je weet nooit wat je er mee uitvoert. Nou … wij moeten je maar nemen zooals je bent. Dat zit in 't bloed. Ja heusch, zoo iets is erfelijk.

NORA. Ik wou dat ik maar een heeleboel eigenschappen van Papa geerfd had.

HELMER. En ik wou je niet graag anders hebben dan je bent, net zooals je bent, mijn lief klein zangvogeltje. Maar hoor eens eventjes; ik bedenk me daar wat. Je ziet er zoo … zoo … hoe zal ik het noemen … zoo verdacht uit vandaag….

NORA. Ik?

HELMER. Ja. Kijk mij eens goed aan?

NORA (doet het). En dan?

HELMER (dreigt met den vinger). Heeft mijn lekkerbekje vandaag niet gesnoept toen ze in de stad was?

NORA. Welneen, hoe kom je er bij!

HELMER. Is mijn lekkerbekje heusch niet eens eventjes bij een banketbakker binnen gegaan?

NORA. Neen, heusch niet, Torwald.

HELMER. Niet een beetje confituren gesnoept?

NORA. Neen, heelemaal niet.

HELMER. Zelfs niet eens wat bonbons geknabbeld?

NORA. Och neen, Torwald, heusch niet….

HELMER. Nou … nou … nou … ik zeg 't natuurlijk maar voor de grap….

NORA (gaat naar de tafel). 't Zou toch immers niet in mij opkomen iets te doen dat jij niet graag hebt.

HELMER. Neen, dat weet ik ook wel; en je hebt mij immers je woord gegeven…. (Gaat naar haar toe). Bewaar jij je verrassingen en geheimpjes dan maar, mijn lieveling. Die komen van avond, als de kerstboom aangestoken is, wel aan het licht, denk ik.

NORA. Heb je er aan gedacht dokter Rank te inviteeren?

HELMER. Neen. Maar dat hoeft ook niet; het spreekt toch van zelf dat hij bij ons eet. Toch zal ik het hem straks nog vragen als hij komt. Fijnen wijn heb ik besteld. O, Nora, je weet niet hoe ik mij op van avond verheug!

NORA. Ik ook. En wat zullen de kinderen een pret hebben!

HELMER. He, het is toch een heerlijke gedachte dat ik nu een goede vaste positie heb, met een ruim salaris. Niet waar? Het is een waar genot daaraan te denken.

NORA. O, het is heerlijk.

HELMER. Weet je wel verleden jaar kerstmis? Drie weken te voren ging jij je elken avond opsluiten en zat tot diep in den nacht bloemen te maken voor den kerstboom en allerlei andere mooiigheden om ons te verrassen. Bah, dat was de vervelendste tijd dien ik ooit beleefd heb.

NORA. Maar ik verveelde mij heelemaal niet.

HELMER (glimlachend). Maar het viel toch wel een beetje povertjes uit, he?

NORA. Moet je mij daar nu nog mee plagen? Kon ik het helpen dat de kat binnen gekomen was en alles kapot had gemaakt?

HELMER. Neen, zeker niet, mijn arme Noraatje. Jij hadt de lieve bedoeling ons allemaal blij te maken, en dat is de hoofdzaak. Maar het is toch maar goed dat die benauwde tijden voorbij zijn.

NORA. Ja, dat is echt heerlijk.

HELMER. Nu hoef ik niet meer alleen te zitten en mij te vervelen, en jij hoeft je lieve oogen en je mooie fijne handjes niet meer te vermoeien….

NORA (klapt in de handen). Neen, he? dat hoeft nu niet meer. O, wat is dat toch innig heerlijk om te hooren! (Grijpt zijn arm). Nu zal ik je eens vertellen, Torwald, hoe ik had gedacht dat wij het hier moesten inrichten. Zoodra het Nieuwjaar is…. (Bellen voor). O, daar wordt gebeld. (Reddert de kamer wat op). Daar is zeker visite! Hoe vervelend!

HELMER. Ik ben niet thuis voor visite, dat weet je.

DIENSTMEISJE (in de deur). Mevrouw daar is een vreemde dame.

NORA. Laat mevrouw binnen.

DIENSTMEISJE (tegen Helmer). En de dokter is er ook.

HELMER. Is hij naar mijn kamer gegaan?

DIENSTMEISJE. Ja mijnheer.

(Helmer gaat naar zijn kamer. Het meisje laat mevrouw Linde binnen die in reistoilet is, en doet de deur acht zich dicht).

MEVR. LINDE (beschroomd en een beetje aarzelend). Dag Nora.

NORA (weifelend). Dag … e….

MEVR. LINDE. Je kent me zeker niet meer.

NORA. Neen … ik weet niet goed…. O ja, ik meen toch van wel. (Uitbarstend). Wat! Kristine! Ben jij het heusch?

MEVR. LINDE. Ja, ik ben het.

NORA. Kristine! En ik die je niet herkende! Maar hoe kon ik ook…. (Zachter). Wat ben je veranderd, Kristine!

MEVR. LINDE. Ja, dat ben ik zeker. In negen … tien lange jaren….

NORA. Is het al zoo lang geleden dat wij elkaar gezien hebben? Ja … dat moet wel. Och, de laatste acht jaren zijn zoo'n gelukkige tijd geweest! En ben je nu ook hier in de stad gekomen? Die heele lange reis in den winter … dat is een dapper stuk.

MEVR. LINDE. Ja, ik ben net van ochtend met de boot aangekomen.

NORA. Natuurlijk om het kerstfeest mee te vieren. Dat is heerlijk! Nu we zullen ons stellig best amuseeren. Maar doe je hoed toch af! Je hebt het toch niet te koud? (Helpt haar). Zie zoo; nu gaan we eens gezellig bij de kachel zitten. Neen, daar in dien gemakkelijken stoel … ik hier in den schommelstoel. (Vat haar handen). Ja, nu heb je je oude bekende gezicht toch weer … het was maar zoo in 't eerste oogenblik…. Een beetje bleeker ben je wel geworden … en misschien een beetje magerder ook.

MEVR. LINDE. En veel, veel ouder, Nora.

NORA. Ja, misschien een beetje ouder ook; een heel heel klein beetje; lang niet zoo erg veel. (Houdt plotseling op—ernstig). O maar waar heb ik toch mijn hersens … ik zit hier zoo maar te babbelen!… Lieve, beste Kristine kan je het mij vergeven?

MEVR. LINDE. Wat bedoel je Nora?

NORA (zachtjes). Arme Kristine, je bent immers weduwe geworden.

MEVR. LINDE. Ja, drie jaar geleden.

NORA. O, ik wist het eigenlijk wel; ik heb het in de courant gezien. Je kunt het gerust gelooven, Kristine-lief, 'k heb er dikwijls over gedacht je te schrijven toen ter tijd; maar ik stelde het altijd uit, en altijd kwam er iets tusschenbeiden.

MEVR. LINDE. Och Nora-lief, dat begrijp ik zoo goed.

NORA. Neen, het was toch heel onaardig van mij. Jij arme Kristine, wat heb je al een boel ondervonden…. En hij heeft je niets nagelaten om van te leven, he?

MEVR. LINDE. Neen … niets.

NORA. Ook geen kind?

MEVR. LINDE. Neen.

NORA. Dus heelemaal niets?

MEVR. LINDE. Zelfs geen droefheid of gemis om op te teren.

NORA (kijkt haar ongeloovig aan). Maar Kristine, hoe is dat mogelijk?

MEVR. LINDE (glimlacht droevig en streelt Nora over het haar). Ja dat gebeurt soms wel eens, Nora.

NORA. Zoo heelemaal alleen! Wat moet dat droevig zijn voor je. Ik heb drie schatten van kinderen! Ik kan ze je nu niet laten zien; ze zijn uit wandelen met de meid. Maar nu moet je mij eens alles vertellen….

MEVR. LINDE. Neen … neen … vertel jij liever.

NORA. Neen … jij moet beginnen. Vandaag wil ik eens niet egoist zijn. Vandaag wil ik alleen aan jouw omstandigheden denken. Maar een ding moet ik je toch vertellen. Weet je al van het groote geluk dat ons dezer dagen te beurt is gevallen?

MEVR. LINDE. Neen. Wat is dat dan?

NORA. Verbeeld je, mijn man is directeur van de Hypotheekbank geworden!

MEVR. LINDE. Je man? O, wat een geluk!

NORA. Ja, kolossaal! Advocaat is toch altijd zoo'n onzeker bestaan, vooral als je alleen goede zaken wilt aannemen. En andere zaken heeft Torwald natuurlijk nooit gewild en daarin ben ik het ook geheel met hem eens. Je kunt je begrijpen hoe blij wij zijn! Hij is met ingang van het nieuwe jaar aangesteld, en dan krijgt hij een groot salaris en veel percenten. Wij kunnen dan heel anders gaan leven dan tot nu toe … net zooals we willen. O, Kristine, ik voel me toch zoo luchtig en gelukkig! Want het is toch maar heerlijk om heel veel geld te hebben en heelemaal geen zorgen daarover. Vind je ook niet?

MEVR. LINDE. Zeker, en in elk geval moet het al heerlijk zijn om het noodige te hebben.

NORA. Neen, niet alleen het noodige, maar een boel, een heeleboel geld!

MEVR. LINDE (glimlacht). Nora, Nora, ben je nog altijd niet verstandig geworden? In onzen schooltijd was je altijd erg verkwistend.

NORA (lacht stil). Ja, dat zegt Torwald nu nog. Maar "Nora, Nora" is niet zoo dwaas als jullie denkt…. O, we hebben het heusch niet zoo gehad dat ik veel uitgeven kon. Wij hebben allebei moeten werken!

MEVR. LINDE. Jij ook?

NORA. Ja, kleinigheden … handwerkjes … haak- en borduurwerkjes en zoowat; (luchtig) en ook nog andere dingen. Je weet wel dat Torwald van het departement weg ging toen wij trouwden? Er was niets geen vooruitzicht op bevordering bij zijn afdeeling en hij moest toch toen meer geld verdienen dan te voren. Maar in het eerste jaar heeft hij zich dan ook heelemaal overwerkt. Hij moest allerlei bijverdienste zoeken, dat begrijp je, en werken van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Maar dat kon hij niet volhouden en hij is doodziek er van geworden. En toen zeiden de doktoren dat hij volstrekt naar het Zuiden moest.

MEVR. LINDE. Dat 's waar; je bent samen een heel jaar in Italie geweest, he?

NORA. Ja. Maar het was zoo gemakkelijk niet om weg te komen, hoor! Ivar was toen pas geboren. Maar weg moesten we natuurlijk. O, het was een verrukkelijk mooie reis. En het heeft Torwalds leven gered. Maar het heeft heel wat geld gekost.

MEVR. LINDE. Ja, dat kan ik wel begrijpen.

NORA. Vier-duizend-acht-honderd kronen. Dat is een schep geld, zeg.

MEVR. LINDE. Zeker … maar in zoo'n geval is het ten minste een groot geluk als je het hebt.

NORA. Ja maar, weet je, we kregen het van Papa.

MEVR. LINDE. Ah zoo! Het was ook juist in dien tijd dat je vader stierf, geloof ik.

NORA. Ja juist, Kristine, dat was net in die dagen. En verbeeld je, ik kon niet naar hem toe gaan om hem te verplegen. Ik wachtte hier iederen dag de geboorte van kleinen Ivar af. En dan had ik nog mijn armen doorzieken Torwald op te passen. Mijn lieve goede Papa! Ik heb hem niet meer gezien. O, dat is mijn grootste verdriet geweest zoo lang ik getrouwd ben.

MEVR. LINDE. Ik weet dat je heel veel van hem hieldt. Maar jullie gingt dus naar Italie?

NORA. Ja, we hadden er nu immers het geld voor; en de dokters zaten er erg achter heen. Een maand later zijn we toen vertrokken.

MEVR. LINDE. En is je man heelemaal hersteld teruggekomen?

NORA. O, zoo gezond als een visch!

MEVR. LINDE. Maar … de dokter?

NORA. Hoe zoo?

MEVR. LINDE. Ik dacht dat het meisje zei dat de dokter er was, die mijnheer die gelijk met mij aan de deur was.

NORA. O, dat was dokter Rank, maar die komt niet als dokter; dat is onze beste vriend, en hij komt hier op zijn minst eens per dag eens aanloopen. Neen, Torwald heeft geen ziek uur meer gekend na dien tijd. En de kinderen zijn frisch en gezond en ik ook. (Springt op en klapt in de handen). O, Kristine, wat is het toch verrukkelijk om te leven en gelukkig te zijn!… Neen maar … 't is toch afschuwelijk van me … ik praat aldoor maar over mezelf. (Gaat dicht bij haar zitten op een tabouretje en legt haar armen op Kristine's schoot). Och toe, wees niet boos op mij!… Zeg eens, is het heusch waar dat je niet van je man hieldt? Waarom nam je hem dan?

MEVR. LINDE. Mijn moeder leefde nog en zij was bedlegerig en hulpbehoevend. En dan had ik nog twee jongere broers om voor te zorgen. Ik vond mijzelf toen niet verantwoord als ik hem niet aannam.

NORA. Neen … neen … daar kan je wel gelijk in hebben. Dus toen was hij rijk?

MEVR. LINDE. Ik geloof dat hij er warmpjes in zat. Maar hij had geen vast bestaan, en zijn zaken schenen niet zoo heel goed te staan. Althans toen hij stierf ging alles over den kop en bleef er niets over.

NORA. En toen?

MEVR. LINDE. Ja, toen moest ik er mij maar doorheen slaan met het een-en-ander te verkoopen en een schooltje te houden en wat ik verder zoo hier en daar te doen kon krijgen. De laatste drie jaar zijn voor mij geweest, als een enkele lange werkdag zonder rust. Nu is die uit, Nora. Mijn arme moeder heeft mij niet meer noodig, want zij is heengegaan. En de jongens hebben mij ook niet meer noodig; zij zijn in betrekking en kunnen voor zichzelf zorgen.

NORA. Wat moet je je nu opgelucht voelen….

MEVR. LINDE. Och neen; alleen niet-te-zeggen leeg. Niemand meer om voor te leven. (Staat zenuwachtig op). Daarom hield ik het daarginder in dien uithoek niet meer uit. Hier moet het toch gemakkelijker zijn om iets te vinden dat je heelemaal in beslag neemt en je gedachten bezig houdt. Als ik maar zoo gelukkig was een vaste betrekking te krijgen, iets op een kantoor of zoo….

NORA. O maar Kristine, dat is zoo vreeselijk inspannend; en je ziet er nu al zoo vermoeid uit. Het zou heel wat beter voor je zijn als je eerst eens een poosje naar een badplaats ging.

MEVR. LINDE (gaat naar het raam). Ik heb geen Papa die mij reisgeld geven kan.

NORA (staat op). O, wees niet boos op mij.

MEVR. LINDE (naar haar toegaand). Lieve Nora, wees jij niet boos op mij. Dat is het ergste in een positie als de mijne, dat je gemoed zoo verbitterd wordt. Je hebt niemand om voor te werken, en toch moet je naar alle kanten heen werk zoeken. Je moet toch leven, en dan wordt je egoist. Toen je mij vertelde van die gelukkige verandering in je positie … wil je 't wel gelooven?… was ik er minder blij over voor jou dan voor mijzelf.

NORA. Hoe meen je dat? O, nu begrijp ik je. Je bedoelt dat Torwald misschien wat voor je zou kunnen doen?

MEVR. LINDE. Ja, daar dacht ik aan.

NORA. Dat zal hij ook wel Kristine. Laat dat maar aan mij over; ik zal hem dat zoo netjes bijbrengen, zoo netjes … eens iets heel liefs bedenken dat hij erg graag heeft. O, ik wil je zoo innig graag van dienst zijn.

MEVR. LINDE. Wat is dat lief van je, Nora, dat je je zoo hartelijk voor mij interesseert … dubbel lief van jou, die zelf zoo weinig weet van de moeilijkheden van het leven.

NORA. Ik?… weet ik daar zoo weinig van?…

MEVR. LINDE (glimlachend). Nou … dat beetje handwerken en zoo … Je bent nog een kind, Nora.

NORA (loopt door de kamer met het hoofd in den nek). Dat moest je niet op zoo'n hoogen toon zeggen.

MEVR. LINDE. Zoo? Niet?

NORA. Je bent net als de anderen. Je denkt allemaal dat ik niet deug voor iets ernstigs.

MEVR. LINDE. Och kom….

NORA. … dat ik nog niets gedaan heb in deze moeilijke wereld.

MEVR. LINDE. Maar lieve Nora, je hebt immers daar straks al je tegenspoeden verteld.

NORA. Och wat … die bagatellen! (Zachtjes). Ik heb je het groote niet verteld.

MEVR. LINDE. Het groote? Wat bedoel je daarmee?

NORA. Je kijkt op me neer Kristine, maar dat moest je toch niet doen. Jij bent er trotsch op dat je zoo hard en zoo lang voor je moeder hebt gewerkt.

MEVR. LINDE. Ik kijk heusch op niemand neer. Maar dat is waar: ik ben zoowel trotsch als blij, als ik er aan denk, dat het mij vergund was de laatste jaren van mijn arme moeder althans vrij van zorgen voor haar te maken.

NORA. En je bent ook trotsch als je er aan denkt wat je gedaan hebt voor je broers.

MEVR. LINDE. Mij dunkt dat ik daar ook wel het recht toe heb.

NORA. Dat dunkt mij ook. Maar nu zal ik je eens wat vertellen, Kristine. Ik heb ook iets om trotsch en blij over te zijn.

MEVR. LINDE. Daar twijfel ik geen oogenblik aan. Maar hoe bedoel je dat?

NORA. Spreek zachtjes. Verbeeld je dat Torwald het eens hoorde! Hij mag het om niets ter wereld hooren … niemand mag het weten. Kristine; niemand dan jij….

MEVR. LINDE. Maar wat is het dan toch?

NORA. Kom eens hier. (Trekt haar op de sofa naast zich). Weet je, ik heb ook iets om trotsch en blij over te zijn. Ik heb Torwald's leven gered.

MEVR. LINDE. Gered? Hoezoo gered?

NORA. Ik vertelde je immers van die reis naar Italie. Torwald zou er nooit boven op gekomen zijn als hij er niet heen gegaan was….

MEVR. LINDE. Nu ja; en je vader gaf je het noodige geld er voor….

NORA (glimlacht). Ja, dat gelooft Torwald en alle andere menschen gelooven het; maar….

MEVR. LINDE. Maar?…

NORA. Papa gaf ons geen rooie duit. Ik ben 't geweest die het geld bijeen heb gescharreld.

MEVR. LINDE. Jij? Heel die groote som?

NORA. Vier duizend acht honderd kronen. Wat zeg je daarvan?

MEVR. LINDE. Maar Nora, hoe heb je dat kunnen doen? Had je dan een prijs uit de loterij getrokken?

NORA (verachtelijk). Uit de loterij? (Geringschattend). Wat zou daar nu voor kunst aan geweest zijn?

MEVR. LINDE. Maar waar haalde je het dan van daan?

NORA (neuriet zacht en geheimzinnig). Hm! tra la la la!

MEVR. LINDE. Want leenen kon je toch ook niet.

NORA. Zoo? En waarom niet?

MEVR. LINDE. Welneen, een vrouw kan immers geen leening aangaan zonder medeweten van haar man.

NORA (werpt het hoofd in den nek). O, als het maar een vrouw is die een beetje verstand van zaken heeft … een vrouw die een beetje handig is … dan….

MEVR. LINDE. Maar Nora, ik begrijp er heelemaal niets van.

NORA. Dat hoeft ook niet. Ik heb immers niet gezegd dat ik het geld geleend heb? Ik kan het toch ook wel op een andere manier gekregen hebben. (Gooit zich achterover op de sofa). Ik kan het gekregen hebben van een of anderen bewonderaar. Als je er zoo lief uitziet als ik….

MEVR. LINDE. Wat ben je toch een dwaasje, Nora!

NORA. Nu ben je zeker woest nieuwsgierig, he?

MEVR. LINDE. Ja maar, hoor eens even, Nora-lief, heb je toch niet een beetje onbezonnen gehandeld?

NORA (zit weer rechtop). Onbezonnen om je man's leven te redden?

MEVR. LINDE. Mij dunkt dat het onbezonnen is om zonder zijn voorkennis….

NORA. Maar hij mocht er juist niets van weten! Lieve hemel, begrijp je dat dan niet? Hij mocht niet eens weten hoe slecht hij er aan toe was. 't Was bij mij dat de dokters kwamen en zeiden dat zijn leven in gevaar was … dat niets anders hem kon redden dan een verblijf in het Zuiden. Geloof je niet dat ik eerst probeerde op een andere manier mij uit den brand te redden? Ik zei tegen hem hoe heerlijk het voor mij zijn zou om eens naar het buitenland te gaan, net als andere jonge vrouwen; ik huilde en smeekte; ik zei dat hij toch alsjeblieft moest denken aan mijn positie en hij lief voor mij moest wezen en mij mijn zin geven. En toen werd hij bijna boos. Hij zei dat ik lichtzinnig was, en dat het zijn plicht als getrouwd man was, om mij niet toe te geven in grillen en kuren … zoo noemde hij het geloof ik. Jawel, dacht ik, gered worden moet je toch, en toen heb ik een uitweg gezocht.

MEVR. LINDE. En kwam je man het niet te weten van je vader, dat het geld niet van hem kwam?

NORA. Neen … nooit. Papa stierf juist in die dagen. Ik was van plan hem op de hoogte te brengen van de zaak en hem te vragen niets te verraden. Maar hij was al zoo ziek…. 't Was helaas toen ook niet meer noodig.

MEVR. LINDE. En heb je er later nooit iets van verteld aan je man?

NORA. Neen! lieve hemel, hoe verzin je het! Hij die zoo streng is op dat punt! En bovendien … Torwald met zijn sterk ontwikkeld gevoel van eigenwaarde … hoe pijnlijk en vernederend zou het voor hem zijn als hij wist dat hij iets aan mij te danken had. Dat zou de verhouding tusschen ons heelemaal verstoren; ons mooi lief thuis zou dan niet meer zijn wat het nu is.

MEVR. LINDE. Zal je het hem dan nooit zeggen?

NORA (nadenkend, half glimlachend). Jawel … later misschien;… over vele jaren als ik niet meer zoo mooi ben als nu…. Daar moet je niet om lachen! Ik bedoel natuurlijk: als Torwald niet meer zooveel met mij op heeft; als hij er geen plezier meer in heeft dat ik voor hem dans, of me verkleed, of wat voordraag. Dan kon het wel goed zijn om nog iets achter de hand te hebben…. (Uitbarstend). Och malligheid! Die tijd komt nooit…. Maar hoe vindt je nu eigenlijk mijn groot geheim, Kristine? Kan ik nu ook niet iets flinks doen?… Ik verzeker je dat die zaak mij al heel wat moeilijkheden bezorgd heeft. 't Is heusch zoo gemakkelijk niet voor mij geweest om op tijd aan mijn verplichtingen te voldoen. Weet je, in de zaken-wereld is er iets dat ze driemaandelijksche rente noemen en iets dat afbetaling heet, en dat is altijd zoo verschrikkelijk moeilijk bij te brengen. Daarom heb ik zoo'n beetje op alles moeten bezuinigen, waar ik maar kon, zie je. Van het huishoudgeld kon ik natuurlijk niets op zij leggen, want Torwald moest het toch goed hebben. De kinderen konden toch ook niet slecht gekleed gaan; wat ik voor hen kreeg moest ik allemaal gebruiken vond ik. Die lieve, schattige kleintjes.

MEVR. LINDE. Dus moest je het wel vinden op je eigen uitgaven, arme Nora?

NORA. Ja natuurlijk. Ik was er dan ook het naaste aan toe. Telkens als Torwald mij geld gaf voor nieuwe japonnen of zoo iets, gebruikte ik nooit meer dan de helft; kocht altijd de eenvoudigste en goedkoopste dingen. Een waar geluk is het dat alles mij zoo goed kleedt, zoodat Torwald er niets van merkte. Maar het viel mij dikwijls moeilijk Kristine; want het is toch erg prettig om mooi gekleed te gaan, niet waar?

MEVR. LINDE. Dat zal waar zijn!

NORA. Nu maar, ik heb ook andere bronnen van inkomsten gehad. Verleden winter was ik zoo gelukkig een heeleboel copieerwerk te krijgen. Dan sloot ik mij op en zat den heelen avond te schrijven tot diep in den nacht. O ik was dikwijls zoo moe, zoo moe! Maar het was toch verbazend vermakelijk om zoo te zitten werken en er geld mee te verdienen. Het was haast net of ik een man was.

MEVR. LINDE. Maar hoeveel heb je op die manier kunnen afbetalen?

NORA. Ja, dat kan ik zoo precies niet zeggen. Weet je, het is erg moeilijk om uit zaken wijs te worden. Ik weet alleen dat ik alles betaald heb wat ik maar bij elkaar kon schrapen. Dikwijls heb ik geen raad geweten. (Glimlacht). Dan zat ik mij hier maar te verbeelden dat een oude rijke heer verliefd op me geworden was….

MEVR. LINDE. Wat! Wat voor een heer?

NORA. Och malligheid!… en dat hij nu gestorven was en zijn testament geopend werd, en daar stond met groote letters: "Al mijn geld moet aan de beminnelijke mevrouw Nora Helmer worden uitbetaald terstond contant."

MEVR. LINDE. Maar Nora-lief … wat was dat voor een heer?

NORA. Lieve hemel, begrijp je het dan niet? Die oude heer bestond heelemaal niet; dat was maar zoo iets waar ik dan aldoor aan dacht, als ik niet wist waar ik het geld vandaan moest halen. Maar dat doet er nu niets meer toe; die oude vervelende sinjeur kan voor mijn part blijven waar hij is; noch hij noch zijn testament kan mij iets meer schelen, want nu heb ik geen zorgen meer. (Springt op). O god, Kristine, dat is toch een zalige gedachte! Geen zorgen meer! Vrij te zijn, heelemaal vrij! Te kunnen spelen en stoeien met de kinderen; alles mooi en netjes in huis te kunnen hebben, alles net zooals Torwald het graag heeft! En dan wordt het gauw weer lente en de lucht heelemaal blauw. Misschien gaan wij dan wel een reisje maken … mogelijk wel naar de zee, die ik zoo graag nog eens terugzien wou! O ja, ja, het is toch maar verrukkelijk om te leven en gelukkig te zijn!

(Er wordt gebeld aan de voordeur).

MEVR. LINDE (staat op). Daar wordt gebeld; nu zal ik maar heengaan.

NORA. Welneen, blijf maar; hier komt stellig niemand; het zal wel voor Torwald zijn….

DIENSTMEISJE (in de deur). Neemt u mij niet kwalijk, mevrouw … maar hier is een heer die wil meneer de advocaat spreken.

NORA. Meneer de directeur, meen je.

DIENSTMEISJE. Jawel, mevrouw, meneer de directeur; maar ik wist niet … omdat de dokter binnen is….

NORA. Wie is die meneer?

Zaakwaarnemer KROGSTAD (in de deur). Ik ben het mevrouw.

(Mevr. Linde schrikt en gaat bij het raam staan).

NORA (gaat hem een paar passen te gemoet; gespannen half-luid). U? Wat beteekent dat? Waarover wou u mijn man spreken?

KROGSTAD. Over bankzaken … tot op zekere hoogte. Ik heb een klein postje bij de Hypotheekbank, en uw man wordt nu onze chef, naar ik hoor….

NORA. Het is dus over….

KROGSTAD. Over zaken, droge kantoorzaken, mevrouw; anders niets.

NORA. Ja, wil u dan maar zoo goed zijn even in het kantoor te gaan. (Groet onverschillig, terwijl zij de deur naar het portaal opendoet; dan gaat zij naar de kachel kijken).

MEVR. LINDE. Nora … wie was die man?

NORA. Dat is een zekere zaakwaarnemer Krogstad.

MEVR. LINDE. Dus was hij het heusch!

NORA. Ken je dien man?

MEVR. LINDE. Ik heb hem gekend … vele jaren geleden. Hij was een tijdlang zaakwaarnemer daarginder bij ons.

NORA. Ja dat was hij ook.

MEVR. LINDE. Wat is hij veranderd!

NORA. Hij is heel ongelukkig getrouwd geweest.

MEVR. LINDE. Nu is hij immers weduwnaar?

NORA. Met een heeleboel kinderen. Zie zoo, nu vlamt het weer. (Zij sluit de deur van de kachel en schuift den schommelstoel een beetje op zij).

MEVR. LINDE. Hij heeft allerlei zaken aan de hand, zeggen ze.

NORA. Zoo? Ja dat kan wel zijn; ik weet er niet van … maar laat ons nu niet aan zaken denken; dat is zoo vervelend.

(Dokter Rank komt uit Helmer's kamer).

DOKTER RANK (nog in de deur). Neen, neen zeg ik; ik wil je niet hinderen. Ik ga liever even binnen bij je vrouw. (Sluit de deur en bemerkt mevr. Linde). O, pardon; ik zie dat ik hier ook ongelegen kom.

NORA. Welneen, heelemaal niet. (Stelt voor). Dokter Rank—Mevrouw Linde.

RANK. Och zoo. Een naam die hier in huis dikwijls genoemd wordt. Ik geloof dat ik mevrouw voorbij liep op de trap.

MEVR. LINDE. Ja, ik loop heel langzaam een trap op; ik kan niet goed stijgen.

RANK. Zoo? Is u niet goed in orde van binnen?

MEVR. LINDE. Eigenlijk meer wat overwerkt.

RANK. Anders niet? Dan is u zeker naar de stad gekomen om eens wat ontspanning te nemen met de kerstfeesten.

MEVR. LINDE. Ik ben hierheen gekomen om werk te zoeken.

RANK. Moet dat een geneesmiddel zijn voor iemand die al overwerkt is?

MEVR. LINDE. Men moet toch leven, dokter.

RANK. Ja, dat is zoo de algemeene opinie, dat dat noodzakelijk is.

NORA. Nou maar, dokter Rank … u wil toch ook wel graag leven.

RANK. Ja zeker wil ik dat. Zoo ellendig als ik ben, wil ik toch graag mijn kwaal zoo lang mogelijk rekken. Al mijn patienten zijn net eender. En zoo gaat het de moreel-aangetasten ook. Daar is nu juist op dit oogenblik zoo'n moreel-melaatsche bij Helmer….

MEVR. LINDE (gedempt). Ah!

NORA. Wie meent u?

RANK. O, dat is een zaakwaarnemer, Krogstad, iemand die heelemaal buiten uw sfeer leeft. Die man is moreel in den grond bedorven, maar zelfs hij begon er over, alsof 't iets hooggewichtigs was, dat hij toch leven moest.

NORA. Zoo? Waar kwam hij eigenlijk Torwald over spreken?

RANK. Ik weet het heusch niet: ik hoorde alleen dat het iets over de Hypotheekbank was.

NORA. Ik wist niet dat Krog … dat die zaakwaarnemer Krogstad iets met de Hypotheekbank te maken had.

RANK. Ja, hij heeft daar een soort betrekking. (Tegen mevr. Linde). Ik weet niet of u daarginder, waar u vandaan komt, ook zulk slag van menschen heeft, die blazend en hijgend overal rondloopen om moreele verwording en onpluize zaakjes op te snorren en dan de betrokken personen als 't ware ter observatie op te sluiten in een of andere (voor de speurders) voordeelige betrekking. De gezonden mogen dan netjes buiten blijven staan toekijken.

MEVR. LINDE. Het zijn toch ook de zieken die het 't meest noodig hebben opgesloten te worden.

RANK (haalt de schouders op). Ja, daar hebben wij de kwestie. Die opvatting maakt nu juist een ziekenhuis van de maatschappij.

(Nora, in haar eigen gedachten verdiept, barst uit in een halfluid lachen en klapt in haar handen).

RANK. Hoe lacht u daar zoo om? Weet u eigenlijk wel wat de maatschappij is?

NORA. Wat kan mij die vervelende maatschappij schelen? Ik lachte om heel iets anders … iets vreeselijk vermakelijks…. Zeg u nu eens, dokter … worden al die menschen die werkzaam zijn bij de Hypotheekbank nu afhankelijk van Torwald?

RANK. Vindt u dat zoo vreeselijk vermakelijk?

NORA (glimlacht en neuriet). Waarom niet? (Loopt rond door de kamer). Ja, dat is toch ontzettend grappig om te denken, dat wij … dat Torwald nu zooveel invloed op zooveel menschen krijgt. (Haalt de bonbons uit haar zak). Dokter heeft u ook trek in bonbons?

RANK. Kijk eens aan, bonbons…. Ik dacht dat dat verboden waar was hier.

NORA. Ja, maar deze heeft Kristine voor mij meegebracht.

MEVR. LINDE. Wat?… Ik?…

NORA. Nou … nou … schrik maar niet. Jij kon immers niet weten, dat Torwald ze mij verboden heeft. Weet je, hij is bang dat ik er leelijke tanden van krijgen zal. Maar och … voor een enkel keertje…. Niet waar dokter? Alsjeblieft. (Stopt hem een bonbon in den mond). En jij ook Kristine. En ik mag er ook eentje … een kleintje maar … een … of op zijn hoogst twee! (Loopt weer rond). Nu ben ik toch zoo in-gelukkig. Nu is er maar een ding in de wereld waar ik zoo'n dollen lust in zou hebben.

RANK. En dat is?

NORA. Het is iets dat ik zoo dolgraag zou willen zeggen, zoo, dat Torwald het hoorde.

RANK. En waarom zegt u het dan niet?

NORA. Neen … ik durf niet … het is zoo leelijk.

MEVR. LINDE. Leelijk?

RANK. Ja, dan is het niet geraden. Maar tegen ons kan u 't toch wel…. Wat is het dan dat u zoo graag wou zeggen, zoo, dat Helmer het hoorde?

NORA. Ik heb zoo'n dollen lust om te zeggen: bliksems!

RANK. Hoe heb ik het nu met u!

MEVR. LINDE. 't Is zonde Nora.

RANK. Zeg u 't dan nu maar. Daar is hij!

NORA (stopt de bonbons weg). Sst, sst, sst!

(Helmer komt uit zijn kamer met zijn overjas op den arm en zijn hoed in de hand).

NORA (naar hem toegaand). Wel Torwald-lief, ben je van hem af?

HELMER. Ja hij is weg.

NORA. Mag ik je even voorstellen: dat is Kristine die in de stad gekomen is.

HELMER. Kristine?… Pardon, ik weet niet goed….

NORA. Mevrouw Linde, Torwald-lief; mevrouw Kristine Linde.

HELMER. Ach zoo. Vermoedelijk een vriendin van mijn vrouw uit haar kindertijd?

MEVR. LINDE. Ja, wij hebben elkaar vroeger gekend.

NORA. En verbeeld je, nu heeft zij die lange reis hierheen gemaakt om eens met jou te kunnen spreken.

HELMER. Dat wil zeggen?

MEVR. LINDE. Dat nu juist niet….

NORA. Kristine is namelijk zoo vreeselijk handig met kantoorwerk, en nu wou ze zoo dolgraag onder de leiding komen van een knappen man, om er zich nog verder in te bekwamen….

HELMER. Heel verstandig mevrouw.

NORA. En toen ze hoorde dat je directeur van die Bank was geworden—dat was daar door een telegram bekend gemaakt—reisde zij, zoodra zij kon, hier heen en…. Niet waar Torwald, je wilt, om mij plezier te doen, wel wat voor Kristine doen? Zeg?

HELMER. Welzeker, dat is heel wel mogelijk. Mevrouw is vermoedelijk weduwe?

MEVR. LINDE. Ja.

HELMER. En heeft u al wat ondervinding in kantoorzaken?

MEVR. LINDE. Ja, tamelijk wel.

HELMER. Nu, dan is het heel waarschijnlijk dat ik u een betrekking zal kunnen bezorgen….

NORA (klapt in haar handen). Zie je wel! Zie je wel!

HELMER. U is op een gelukkig oogenblik gekomen, mevrouw….

MEVR. LINDE. O, hoe kan ik u genoeg danken?…

HELMER. Heelemaal niet noodig. (Trekt zijn overjas aan). Maar vandaag moet u mij excuseeren….

RANK. Wacht, ik ga met je mee. (Haalt zijn pels uit het portaal en warmt dien bij den kachel).

NORA. Blijf niet lang weg, Torwald-lief.

HELMER. Een uurtje maar, langer niet.

NORA. Ga jij ook weg, Kristine?

MEVR. LINDE (doet haar mantel om). Ja ik moet weg; ik moet nog een kamer zoeken.

HELMER. Dan kunnen wij misschien zoo ver samen gaan.

NORA (helpt haar). Hoe vervelend nu dat we zoo klein behuisd zijn, maar wij kunnen je onmogelijk….

MEVR. LINDE. Och welneen. Hoe kom je er bij! Dag Nora-lief, hartelijk dank voor alles!

NORA. Tot ziens. Ja, zeg, je komt toch van avond terug? En u ook dokter? Wat? Of u wel genoeg zal zijn? Wel ja, natuurlijk wel; pak u maar goed in. (Onder algemeen gepraat gaan zij het portaal op. Buiten op de trap klinken kinderstemmen).

NORA. Daar zijn ze! Daar zijn ze! (Zij gaat gauw de buitendeur opendoen. De kindermeid Anna-Marie komt met de kinderen boven. Pakt en kust ze). Hier zijn mijn schatjes, mijn lievelingen!… Daar heb je ze nu Kristine! Zijn ze niet heerlijk?

RANK. Niet hier in den tocht blijven staan praten!

HELMER. Kom mevrouw Linde, nu wordt het hier niet meer uit te houden voor iemand die geen kinderen heeft.

(Dokter Rank, Helmer en mevr. Linde gaan naar beneden. De kindermeid gaat met de kinderen naar binnen. Nora ook, en sluit dan de deur).

NORA. Wat zien jullie er frisch en lekker uit. Wat een roode wangen! Als appeltjes en rozen. (De kinderen praten den heelen tijd er tusschen door). Heb je zoo'n pret gehad? Dat is best. Och kom! heb jij Emmy en Bob tegelijk gesleed? Neen maar, verbeeld je toch eens. Je bent een flinke jongen, Ivar. Och, Anna-Marie, geef haar mij een beetje. Mijn lief klein poppekindje! (Neemt het kleinste op den arm en danst er mee door de kamer). Ja … ja, mama zal ook met Bob dansen. Wat? Hebben jullie sneeuwballen gegooid? O, daar had ik bij moeten zijn! Neen, laat maar, ik zal ze zelf wel uitkleeden Anna-Marie. Toe ja, laat mij dat nu eens doen … het is zoo prettig. Ga jij maar even naar de kinderkamer; je ziet er verkleumd uit. Er staat nog warme koffie op de kachel voor je.

(De meid gaat in de kamer links. Nora trekt de kinderen hun jasjes enz. uit en gooit het goed hier en daar neer, terwijl zij hen door elkander laat vertellen).

NORA. Och heusch? Was er een groote hond die je achterna liep? Maar hij beet je niet he? Neen, de honden bijten zulke lieve zoete poppekindjes niet. Niet in de pakjes kijken, Ivar! Wat dat is? Ja dat zou je wel eens willen weten. Neen … neen … daar zit iets leelijks in. Wat? Spelen? Maar wat dan? Verstoppertje? Ja, dat is goed, we zullen verstoppertje spelen. Bob moet zich het eerst verstoppen. Moet ik het doen? Goed dan—dan zal ik mij verstoppen.

(Zij en de kinderen spelen lachend en juichend in de kamer en in de aangrenzende kamer rechts. Ten slotte verstopt Nora zich onder de tafel; de kinderen stormen naar binnen, maar kunnen haar niet vinden; zij hooren haar gesmoord lachen, loopen naar de tafel toe, lichten het tafelkleed op en zien haar. Stormachtig gejuich. Zij kruipt te voorschijn alsof zij hen bang maken wil. Nieuw gejuich. Er is intusschen geklopt; niemand heeft er op gelet. Nu wordt de deur half geopend en Krogstad komt te voorschijn; hij wacht even; het spel wordt voortgezet).

KROGSTAD. Neem me niet kwalijk, mevrouw Helmer….

NORA (met een gesmoorden kreet, keert zich om en springt half op). Ah! wat wou u?

KROGSTAD. Excuseer mij, maar de buitendeur stond aan; de een of ander heeft zeker vergeten ze te sluiten….

NORA (staat op). Mijn man is niet thuis, meneer Krogstad.

KROGSTAD. Dat weet ik.

NORA. O … ja? wat wou u dan eigenlijk?

KROGSTAD. Een woordje met u spreken.

NORA. Met…? (Tegen de kinderen zachtjes). Gaat nu zoet naar Anna-Marie. Wat? Neen, die vreemde man zal mama heusch geen kwaad doen. Als hij weg is gaan we weer spelen. (Zij brengt de kinderen in de kamer links en doet de deur achter hen dicht. Gejaagd, zenuwachtig). Wou u met mij spreken?

KROGSTAD. Ja.

NORA. Van daag?… Maar het is toch nog niet de eerste van de maand.

KROGSTAD. Neen … het is kerstavond. Het zal van u zelf afhangen, of dat een gelukkige avond voor u zijn zal.

NORA. Wat wilt u toch? Ik kan vandaag heelemaal niet….

KROGSTAD. Daar zullen wij voorloopig niet meer over spreken. Het is iets anders. U heeft toch wel een oogenblikje tijd?

NORA. O ja, zeker, 'k heb wel een oogenblikje, hoewel….

KROGSTAD. Alsjeblieft dan. Ik zat in het restaurant van Olsen en zag uw man voorbijgaan….

NORA. Ja?…

KROGSTAD. … met een dame.

NORA. En wat zou dat?

KROGSTAD. Zou ik zoo vrij mogen zijn te vragen: was die dame niet een zekere mevrouw Linde?

NORA. Jawel.

KROGSTAD. Zoo pas in de stad gekomen.

NORA. Ja … van daag.

KROGSTAD. Zij is immers een goede vriendin van u?

NORA. Ja zeker. Maar ik zie niet in….

KROGSTAD. Ik heb haar vroeger ook gekend.

NORA. Dat weet ik.

KROGSTAD. Zoo? Is u op de hoogte van de zaak? Dat dacht ik wel. Mag ik u dan kort en goed vragen of mevrouw Linde een betrekking krijgt bij de Hypotheekbank?

NORA. Hoe durft u zoo vrijpostig zijn om mij uit te vragen, meneer Krogstad, u, een van mijn mans ondergeschikten? Maar omdat u er naar vraagt, zal u 't weten ook. Ja, mevrouw Linde zal een betrekking krijgen. En ik ben het die haar die bezorgd heeft. Nu weet u het meneer Krogstad.

KROGSTAD. Mijn vermoeden was dus juist.

NORA (loopt in de kamer op en neer). O, een klein beetje invloed heeft iemand toch altijd nog wel, zou ik denken. Al ben ik dan maar een vrouw, daarom is het nog volstrekt niet gezegd dat…. Als men in een ondergeschikte positie verkeert, meneer Krogstad, mag men zich waarlijk wel wachten om iemand voor het hoofd te stooten, die … hm….

KROGSTAD. … die invloed heeft?

NORA. Juist, ja.

KROGSTAD (met veranderde stem). Mevrouw Helmer, wil u zoo goed zijn om uw invloed te mijnen behoeve te gebruiken?

NORA. Wat bedoelt u?

KROGSTAD. Wil u zoo goed zijn er voor te zorgen dat ik mijn ondergeschikte betrekking bij de Bank behoud?

NORA. Wat beteekent dat? Wie denkt er aan u uw betrekking te ontnemen?

KROGSTAD. O, u hoeft tegenover mij niet te doen alsof u van niets weet. Ik begrijp heel goed dat het uw vriendin niet aangenaam kan zijn zich bloot te stellen aan een ontmoeting met mij; en ik begrijp nu ook aan wie ik het te danken zal hebben als ik weggejaagd word.

NORA. Maar ik geef u de verzekering….

KROGSTAD. Jawel, jawel … kort en goed: het is nu nog tijd, en ik geef u den raad uw invloed te gebruiken om het te verhinderen.

NORA. Maar meneer Krogstad, ik heb volstrekt geen invloed.

KROGSTAD. Zoo? Ik dacht dat u daar straks zelf zei….

NORA. Dat was natuurlijk zoo niet op te vatten. Ik! Hoe kan u gelooven dat ik zoo'n invloed op mijn man heb?

KROGSTAD. O, ik ken uw man al van onzen studententijd af. Ik denk niet dat meneer de Bankdirecteur vaster in zijn schoenen staat dan andere getrouwde mannen.

NORA. Als u geringschattend over mijn man spreekt, wijs ik u de deur.

KROGSTAD. Mevrouw is dapper.

NORA. Ik ben niet langer bang voor u. Na Nieuwjaar zal ik gauw van de heele geschiedenis af zijn.

KROGSTAD (zich beheerschend). Luister nu eens, mevrouw. Als de nood aan den man komt, ben ik van plan een strijd op leven en dood te voeren om mijn postje aan de Bank te behouden.

NORA. Ja, dat begint er heusch naar uit te zien.

KROGSTAD. Het is niet alleen om het salaris; daar is het mij het minst om te doen. Maar er is iets anders…. Nou ja, ik zal 't maar zeggen. Ziet u, het is dit: u weet natuurlijk evengoed als iedereen dat ik mij, vele jaren geleden, aan een onbezonnenheid heb schuldig gemaakt.

NORA. Ik geloof dat ik daar wel eens iets van gehoord heb.

KROGSTAD. De zaak is niet voor het gerecht gekomen; maar toch waren terstond alle wegen voor mij afgesloten, als 't ware. Zoo kwam ik er toe mij in te laten met het soort van zaken dat u weet. Iets moest ik wel aanpakken, en ik durf zeggen dat ik nog niet een van de slechtsten in mijn soort ben. Maar nu wil ik dien heelen boel aan kant doen. Mijn zoons beginnen groot te worden; om hunnentwil moet ik mijn best doen om zooveel mogelijk weer in de algemeene achting te rijzen. Dat postje bij de Bank was om zoo te zeggen de eerste sport op de ladder daartoe. En nu wil uw man mij van de ladder afschoppen, zoodat ik weer beneden in de modder kom te liggen.

NORA. Maar, goede hemel, meneer Krogstad, het staat heusch niet in mijn macht om u te helpen.

KROGSTAD. Dat komt eenvoudig omdat u niet wil. Maar ik bezit de middelen om u te dwingen.

NORA. U wil toch niet aan mijn man gaan vertellen dat ik u geld schuldig ben?

KROGSTAD. Hm; en als ik dat nu eens deed?

NORA. Dat zou een schandelijke manier van doen zijn. (Met tranen in haar stem). Dat geheim dat mijn vreugde en mijn trots is, dat zou hij op zoo'n leelijke en plompe manier te weten komen … te weten door u. U zal mij aan de vreeselijkste onaangenaamheden bloot stellen….

KROGSTAD. Enkel maar onaangenaamheden?

NORA (heftig). Maar doe het maar; het zal voor u zelf het ergst zijn; want dan zal mijn man pas eens goed zien wat voor een slecht mensch u is, en dan zal u heel zeker uw betrekking niet behouden.

KROGSTAD. Ik vroeg of het enkel huiselijke onaangenaamheden waren, waar u bang voor is?

NORA. Als mijn man het te weten komt, zal hij natuurlijk terstond betalen wat er nog staat; en dan hebben wij verder niets meer met u te maken.

KROGSTAD (een beetje dichterbij). Hoor eens, mevrouw Helmer; u heeft of geen heel sterk geheugen, of heelemaal geen begrip van zaken. Ik zal u de zaak eens wat duidelijker maken.

NORA. Hoe dan?

KROGSTAD. Toen uw man ziek was, kwam u bij mij om vijfduizend kronen te leen.

NORA. Ik wist niemand anders.

KROGSTAD. Ik beloofde u het geld te zullen bezorgen.

NORA. En dat deed u ook.

KROGSTAD. Ik beloofde u het geld te zullen bezorgen onder zekere voorwaarden. U was toen zoo bezet met de ziekte van uw man en zoo verlangend om het geld voor de reis in handen te krijgen, dat u, geloof ik, geen gedachte meer over had voor alle bijkomende omstandigheden. Het kan daarom niet misplaatst zijn u daaraan nog eens te herinneren. Dus: ik beloofde u het geld te bezorgen tegen een schuldbekentenis, die ik u opmaakte.

NORA. En die ik onderteekende.

KROGSTAD. Juist. Maar onderaan voegde ik er eenige regels bij, waarin stond dat uw vader borg bleef voor de som. Deze regels moest uw vader onderteekenen.

NORA. Moest?… Hij heeft ze immers onderteekend.

KROGSTAD. Ik had den datum in blanco gelaten; d.w.z. uw vader moest zelf invullen op welken dag hij het papier teekende. Herinnert mevrouw zich dat?

NORA. Ja … ik geloof 't wel….

KROGSTAD. Daarna gaf ik u de schuldbekentenis om die per post op te sturen aan uw vader. Was het zoo niet?

NORA. Jawel.

KROGSTAD. En dat deed u natuurlijk ook terstond; want al vijf of zes dagen later bracht u mij de schuldbekentenis met de onderteekening van uw vader terug. En toen betaalde ik u het geld uit.

NORA. Nu ja; heb ik dan niet behoorlijk afbetaald?

KROGSTAD. Zoo tamelijk, jawel. Maar … om nog eens terug te komen op dat waar wij over spraken … dat was toen wel een moeilijke tijd voor u, mevrouw.

NORA. Dat was het zeker.

KROGSTAD. Uw vader was toen ook heel ziek, meen ik.

NORA. Hij lag op sterven.

KROGSTAD. En stierf ook kort daarna?

NORA. Ja.

KROGSTAD. Herinnert u zich toevallig den sterfdag van uw vader? Welke dag van de maand het was, bedoel ik.

NORA. Papa stierf den 29sten September.

KROGSTAD. Dat komt precies uit; ik heb het nagevraagd. En daarom is er iets zonderlings in de zaak (haalt een papier voor den dag) dat ik mij volstrekt niet verklaren kan.

NORA. Wat voor zonderlings? Ik weet niet….

KROGSTAD. Het zonderlinge, mevrouw, is dat uw vader deze schuldbekentenis heeft onderteekend drie dagen na zijn dood.

NORA. Hoe dat? Ik begrijp niet….

KROGSTAD. Uw vader stierf den 29sten September. Maar kijk nu eens hier. Hier heeft uw vader zijn handteekening gedateerd op den 2den October. Is dat niet vreemd, mevrouw?

NORA (zwijgt).

KROGSTAD. Kan u mij dat verklaren?

NORA (blijft zwijgen).

KROGSTAD. Opvallend is het ook, dat de woorden 2 October en het jaartal niet geschreven zijn met de hand van uw vader, maar met een hand die ik meen te kennen. Nu, er is wel een verklaring voor te vinden; uw vader kan vergeten hebben den datum er bij te zetten, en de een of ander heeft dien op de gis ingevuld, eer zijn dood nog bekend was. Daar steekt geen kwaad in. Waar het op aan komt is de handteekening. En die is toch wel echt, niet waar mevrouw? Het is toch inderdaad uw vader, die daar zelf zijn naam heeft neergeschreven?

NORA (na eenig zwijgen—werpt het hoofd in den nek en ziet hem uitdagend aan). Neen … die is niet echt. Ik ben het die papa's naam geschreven heb.

KROGSTAD. Mevrouw … weet u wel dat dat een gevaarlijke bekentenis is?

NORA. Waarom? U zal uw geld gauw genoeg krijgen.

KROGSTAD. Mag ik u een vraag doen?… Waarom zond u dat papier niet aan uw vader?

NORA. Dat was onmogelijk. Papa was immers al zoo zwaar ziek. Als ik hem om zijn onderteekening had gevraagd, had ik hem ook moeten zeggen waarvoor ik het geld gebruiken moest. Maar ik kon hem toch niet zeggen, zoo ziek als hij was, dat het leven van mijn man in gevaar was. Dat was toch onmogelijk.

KROGSTAD. Dan was het beter geweest voor u als u die reis maar had opgegeven.

NORA. Neen … dat kon heelemaal niet. Die reis moest immers het leven van mijn man redden. Die kon ik niet opgeven.

KROGSTAD. Maar heeft u er dan niet aan gedacht dat het een bedrog was tegenover mij?

NORA. Daar kon ik mij heusch niet mee ophouden. Aan u dacht ik in 't geheel niet. Ik kon u niet uitstaan om al die gevoellooze bezwaren die u maakte, hoewel u wist hoe slecht mijn man er aan toe was.

KROGSTAD. Mevrouw Helmer, u heeft blijkbaar geen duidelijke voorstelling van dat waaraan u zich heeft schuldig gemaakt. Maar ik kan u zeggen dat wat ik eens misdeed, dat wat mijn heele maatschappelijke positie verwoestte, niets meer en niets erger was dan dit.

NORA. U? Zou u mij willen wijs maken dat u eens een moedige daad heeft gedaan om het leven van uw vrouw te redden?

KROGSTAD. De wet vraagt niet naar beweegredenen.

NORA. Dat moet dan al een heel slechte wet zijn.

KROGSTAD. Slecht of niet … breng ik dit stuk papier voor het gerecht, dan wordt u volgens de wet veroordeeld.

NORA. Daar geloof ik niets van. Een dochter zou het recht niet hebben haar armen doodzieken vader te bewaren voor angsten en zorgen? Zou een vrouw het recht niet hebben het leven van haar man te redden? Ik ken de wet zoo precies niet; maar ik ben er zeker van dat daarin ergens wel iets moet staan, dat zoo iets geoorloofd is. En dat zou u niet weten, u, die zaakwaarnemer is? U moet al een heel slecht jurist zijn, meneer Krogstad.

KROGSTAD. Dat kan zijn. Van mijn zaken … van zulke zaken als u en ik samen hebben, gelooft u toch zeker wel dat ik verstand heb? Goed. Doe u nu maar wat u wil. Maar dit zeg ik u: word ik voor den tweeden keer uitgestooten, dan zal u mij gezelschap houden. (Hij groet en gaat heen door het portaal).

NORA (een poosje nadenkend; schudt dan het hoofd). Och wat!… Hij wil mij bang maken; zoo dom ben ik nu niet. (Gaat de kleeren van de kinderen bij elkaar leggen—houdt dan in-eens op). Maar?… Neen, dat is toch onmogelijk! Ik deed het immers uit liefde.

DE KINDEREN (in de deur links). Mama, nu is die vreemde man weg!

NORA. Ja, ja, ik weet 't wel. Maar niet over dien vreemden man spreken, hoor, tegen niemand, ook niet tegen Papa!

DE KINDEREN. Neen Maatje; maar wil u nu weer met ons spelen?

NORA. Neen … nu niet.

DE KINDEREN. He Maatje, u heeft 't toch beloofd!

NORA. Ja, maar ik kan nu niet. Gaat nu naar binnen; ik heb nog zoo veel te doen. Toe, gaat nu zoet naar de kinderkamer, mijn lieve schatjes! (Zij dringt hen zachtjes de andere kamer in en sluit de deur achter hen. Gaat op de sofa zitten, neemt een borduurwerkje op, doet enkele steken, maar scheidt er dadelijk weer mee uit). Neen! (Gooit haar werk neer, staat op, loopt naar de deur en roept). Helene! breng den kerstboom eens binnen. (Gaat naar de tafel links en doet de la open; wacht dan weer). Neen … maar dat kan toch niet mogelijk zijn!

DIENSTMEISJE (met den boom). Waar moet ik hem neerzetten, mevrouw?

NORA. Daar, midden op den grond.

DIENSTMEISJE. Moet ik nog iets anders halen?

NORA. Neen, dankje; ik heb alles wat ik noodig heb.

(Het meisje zet den boom neer en gaat heen. Nora bezig den kerstboom op te sieren). Hier lichtjes, en daar bloemen. Die afschuwelijke kerel! Allemaal kletspraatjes! Er is niets van aan. De boom zal prachtig worden. Ik zal alles doen waar je plezier in hebt, Torwald … ik zal voor je zingen, voor je dansen….

(Helmer komt van buiten met een pak papieren onder den arm).

NORA. Zoo, ben je al terug?

HELMER. Ja. Is er iemand geweest?

NORA. Hier? Neen.

HELMER. Dat is vreemd. Ik zag Krogstad de straatdeur uitgaan.

NORA. Zoo? O ja, dat 's waar, Krogstad was even hier.

HELMER. Nora, ik kan het je aanzien dat hij hier is geweest om je te vragen een goed woord voor hem te doen.

NORA. Ja.

HELMER. En dat moest je doen alsof het uit jezelf kwam, he? Je moest voor mij verzwijgen dat hij hier was geweest. Heeft hij je dat ook niet gevraagd?

NORA. Jawel, Torwald, maar….

HELMER. Nora, Nora, hoe kon je je daar nu mee inlaten? Zoo'n kerel te woord te staan en hem iets te beloven! En dan nog op den koop toe mij een onwaarheid te zeggen!

NORA. Een onwaarheid?

HELMER. Zei je dan niet dat er niemand geweest was? (Dreigt met zijn vinger). Dat moet mijn zangvogeltje nooit meer doen. Een zangvogeltje moet nooit valsche tonen laten hooren! (Slaat zijn arm om haar heen). Is het zoo niet? Ja, dat wist ik immers wel. (Laat haar los). En nu praten wij er niet meer over. (Gaat bij de kachel zitten). He, wat is het hier gezellig en lekker. (Kijkt zijn papieren vluchtig door).

NORA (bezig met den kerstboom—na een kleine pauze). Torwald!

HELMER. Ja.

NORA. Ik verheug mij zoo dol op het gecostumeerde bal bij de Stenborgs overmorgen.

HELMER. En ik ben dol nieuwsgierig om te zien waarmee je mij verrassen zult.

NORA. Och, 't is eigenlijk mal … maar….

HELMER. Wat dan?

NORA. Ik kan niets goeds bedenken; ik vind 't allemaal zoo flauw, zoo onbeduidend.

HELMER. Is kleine Nora tot die slotsom gekomen?

NORA (achter zijn stoel met de armen op de leuning rustend). Heb je het erg druk, Torwald?

HELMER. Och….

NORA. Wat zijn dat voor papieren?

HELMER. Zaken van de Bank.

NORA. Nu al?

HELMER. Ik heb mij door het aftredende bestuur volmacht laten geven om de noodige veranderingen in het personeel en in de regeling van de werkzaamheden te kunnen maken. Daar moet ik de feestweek voor gebruiken. Met Nieuwjaar wil ik alles in orde hebben.

NORA. Dus was het daarom dat die arme Krogstad….

HELMER. Hm.

NORA (heelemaal leunend op den rug van zijn stoel, speelt met haar vingers met zijn nekharen). Als je het niet zoo druk hadt, zou ik je om een heel grooten dienst willen vragen, Torwald.

HELMER. Laat eens hooren. Wat zou dat zijn?

NORA. Je weet wel dat niemand zoo'n goeden smaak heeft als jij. En nu zou ik er zoo graag goed uitzien op het gecostumeerde bal. Zou jij me nu niet een beetje willen helpen en zeggen, als wat ik gaan zal en hoe mijn costuum gemaakt moet worden?

HELMER. Oho, is mijn eigenzinnig kindje aan 't zoeken naar een reddenden engel?

NORA. Ja, Torwald; ik kan niet klaar komen zonder jouw hulp.

HELMER. Goed dan; ik zal er over denken; wij zullen wel raad schaffen.

NORA. He, dat is lief van je. (Gaat weer naar den boom—een pauze). Wat doen die roode bloemen daar mooi he? Zeg eens, is het heusch zoo iets ergs wat die Krogstad gedaan heeft?

HELMER. Valsche handteekeningen gemaakt. Heb je er eenig begrip van wat dat beteekent?

NORA. Kan hij dat niet uit gebrek gedaan hebben?

HELMER. Jawel, of, zooals zooveel anderen, uit onbezonnenheid. Ik ben niet zoo harteloos, dat ik iemand onvoorwaardelijk zou veroordeelen, voor een dergelijke op zichzelf staande daad.

NORA. Neen, he, Torwald?

HELMER. Menigeen kan zich zedelijk weer opheffen, als hij openlijk zijn schuld bekent en zijn straf ondergaat.

NORA. Straf?…

HELMER. Maar dien weg volgde Krogstad niet; hij redde zich er uit door geknoei en gedraai; en dat is juist wat hem moreel te gronde deed gaan.

NORA. Geloof je dat?…

HELMER. Stel je maar eens voor hoe zoo iemand, met zoo iets op zijn geweten, moet liegen en huichelen en naar alle kanten comedie spelen, altijd een masker dragen, zelfs voor die hem het naast zijn, ja zelfs voor zijn vrouw en kinderen. En voor de kinderen is dat juist het vreeselijkst, Nora.

NORA. Waarom?

HELMER. Omdat zoo'n atmosfeer van leugen in het huiselijke leven ziekte en besmetting brengt. Met iederen ademtocht krijgen de kinderen in zoo'n huis kiemen van slechtheid binnen.

NORA (heel dicht achter hem). Ben je daar zeker van?

HELMER. Och, lieve, dat heb ik dikwijls genoeg ondervonden als advocaat. Bijna alle vroeg-verdorven menschen hebben leugenachtige moeders gehad.

NORA. Waarom juist moeders?

HELMER. Dat komt meestal van de moeders; maar ook van de vaders kunnen zij het natuurlijk overerven; dat weet ieder jurist. En toch heeft die Krogstad jarenlang thuis zijn eigen kinderen vergiftigd met leugens en comediespel; daarom noem ik hem moreel verworden. (Steekt haar beide handen toe). Daarom moet mijn kleine lieve Nora mij beloven niet meer voor hem te pleiten. Je hand er op. Nou, wat is dat nu? Geef mij je hand! Zie zoo. Afgedaan. Ik verzeker je dat het mij onmogelijk zou zijn met hem samen te werken; ik voel letterlijk en physiek onwelzijn in de nabijheid van zulke menschen.

NORA (trekt haar hand terug en gaat naar den anderen kant van den boom). Wat is het hier warm! En ik heb nog zooveel te doen.

HELMER (staat op en neemt zijn papieren op). Ja, ik moet ook zien dat ik dit nog een beetje doorkijk voor wij aan tafel gaan. Over je costuum zal ik ook denken. En iets om in een goud papiertje aan den boom te hangen heb ik misschien ook wel bij de hand. (Legt zijn hand op haar hoofd). O, jij, mijn eenig, lief zangvogeltje! (Hij gaat in zijn kamer en sluit de deur achter zich).

NORA (zachtjes, na eenig zwijgen). Och wat! Het is niet waar. Het is onmogelijk. Het moet onmogelijk zijn.

DE KINDERMEID (in de deur links). De kleintjes vragen toch zoo, of ze bij Mama mogen komen.

NORA. Neen … neen … neen … laat ze niet hier komen! Toe, ga jij bij hen, Anna-Marie.

DE KINDERMEID. Goed mevrouw. (Sluit de deur).

NORA (bleek van schrik). Mijn lieve kleintjes slecht maken! Mijn huis vergiftigen? (Korte pauze; dan heft zij het hoofd op). Dat is niet waar. Dat kan nooit in der eeuwigheid waar zijn!

EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF

* * * * *

TWEEDE BEDRIJF

Zelfde kamer. In den hoek bij de piano staat de kerstboom, leeg geplukt, verfonfaaid en met afgebrande kaarsjes. Nora's hoed en mantel liggen op de sofa.

Nora alleen in de kamer, loopt onrustig heen en weer; blijft ten slotte staan bij de sofa en neemt haar mantel op.

* * * * *

NORA (laat haar mantel weer los). Daar komt iemand! (Luistert aan de deur). Neen … toch niet…. Natuurlijk… van daag komt er geen mensch, eersten kerstdag … en morgen ook niet…. Maar misschien…. (Doet de deur open en kijkt buiten). Neen … niets in de brievenbus; heelemaal leeg. (Loopt door de kamer). Och malligheid! Hij doet 't immers niet. Zoo iets kan immers niet gebeuren. 't Is een onmogelijkheid. Ik heb immers drie kleine kinderen.

DE KINDERMEID (komt met een groote kartonnen doos uit de kamer links). Eindelijk heb ik toch de doos met uw costuum gevonden.

NORA. O dank je; zet ze maar op de tafel.

DE KINDERMEID. 't Is zonde, mevrouw; het kan nog heel goed in orde gemaakt worden; 't is alleen een geduldwerkje.

NORA. Ja, ik zal mevrouw Linde gaan vragen of die mij een beetje helpen wil.

DE KINDERMEID. Wou u nu weer uitgaan? In dit leelijke weer? Mevrouw Nora zal nog kou vatten … en ziek worden.

NORA. O, dat zou het ergste niet zijn. Wat doen de kinderen?

DE KINDERMEID. De arme stakkerdjes spelen met al het moois van den kerstboom, maar….

NORA. Vragen ze dikwijls naar mij?

DE KINDERMEID. Ze zijn het zoo gewend dat Mamaatje bij hen is.

NORA. Ja maar, Anna-Marie, ik kan voortaan niet zooveel meer bij hen zijn als vroeger.

DE KINDERMEID. Och, kleine kinderen wennen aan alles.

NORA. Geloof je dat? Geloof je dat ze hun Mama zouden vergeten als zij voor goed weg was?

DE KINDERMEID. 't Is zonde … voor goed weg.

NORA. Hoor eens, Anna-Marie, vertel me eens … daar heb ik al zoo dikwijls over gedacht … hoe kon je het toch over je hart verkrijgen om je kind bij vreemden te doen?

DE KINDERMEID. Maar dat moest ik wel, toen ik als min bij de kleine Nora zou komen.

NORA. Ja maar, dat je dat wou doen?

DE KINDERMEID. Als ik zoo'n goeden minnedienst kon krijgen? Een arme meid die ongelukkig gemaakt is, mag nog blij toe zijn. Want die slechte kerel deed heelemaal niets voor mij.

NORA. Maar je dochter heeft je zeker vergeten.

DE KINDERMEID. O neen, dat heeft ze toch waarlijk niet. Zij heeft mij geschreven, toen zij is aangenomen en ook toen ze getrouwd is.

NORA (omhelst haar). Mijn oude Anna-Marie, je bent een goede moeder voor mij geweest toen ik klein was.

DE KINDERMEID. Kleine Nora, dat stakkerdje, had immers geen andere moeder dan mij.

NORA. En als de kleintjes geen andere moeder hadden, dan weet ik wel dat jij ook voor hen…. Och mallepraat. (Doet de doos open). Ga nu maar weer bij de kinderen. Nu moet ik…. Morgen zal je eens zien hoe prachtig ik zijn zal.

DE KINDERMEID. Ja, daar zal zoo waar niemand op het heele bal zijn zoo prachtig als mevrouw Nora. (Zij gaat in de kamer links).

NORA (begint de doos uit te pakken, maar gooit al gauw den heelen boel neer). O, als ik maar durfde uitgaan. Als er maar niemand kwam. Als er thuis in dien tijd maar niets gebeurde. Och ik zeur; er komt geen mensch. Alleen maar niet denken. Mijn mof opborstelen. Mooie handschoenen, mooie handschoenen. Jaag het weg! Een, twee, drie, vier, vijf, zes…. (Gilt). O, daar komen ze…. (wil naar de deur, maar blijft besluiteloos staan).

MEVR. LINDE (komt van het portaal, waar zij haar hoed heeft afgedaan).

NORA. O, ben jij het Kristine. Er is toch niemand anders daar?… He, 't is goed dat je komt.

MEVR. LINDE. Ik hoor dat je bij mij geweest bent en naar mij hebt gevraagd?

NORA. Ja, ik kwam juist voorbij. Er is iets waar je mij alsjeblieft mee helpen moet. Laten we hier op de sofa gaan zitten. Kijk eens. Morgen is er een gecostumeerd bal bij de Stenborgs, die hier boven ons wonen, en nu wil Torwald dat ik gaan zal als Napolitaansch visschersmeisje en de Tarantella dansen, die ik op Capri geleerd heb.

MEVR. LINDE. Kijk eens aan; dus je zult een heele voorstelling geven?

NORA. Ja, Torwald wil graag dat ik het doe. Kijk hier is het costuum; dat liet Torwald daarginder voor mij maken. Maar nu is het allemaal zoo gehavend, dat ik eigenlijk niet weet….

MEVR. LINDE. O, dat is gauw weer in orde te brengen; het is alleen maar het garneersel dat hier en daar een beetje losgegaan is. Heb je naald en draad? Zoo, dan hebben we al alles wat we noodig hebben.

NORA. He wat lief van je, Kristine!

MEVR. LINDE (naait). Dus morgen zal je gecostumeerd zijn? Weet je wat … dan kom ik eens even kijken hoe je er uit ziet. Maar ik heb nog heelemaal vergeten je te bedanken voor den gezelligen avond van gisteren.

NORA (staat op en loopt door de kamer). Och, ik vond het hier gisteren niet zoo gezellig als anders. Je hadt een beetje vroeger in stad moeten komen, Kristine.—Ja Torwald heeft er goed slag van zijn huis mooi en prettig te maken.

MEVR. LINDE. Maar jij niet minder, dunkt mij; je bent niet voor niets de dochter van je vader. Maar zeg eens, is die dokter Rank altijd zoo bedrukt als gisteren?

NORA. Neen, gisteren was het erg opvallend. Maar hij is lijdend aan een heel gevaarlijke ziekte. Hij heeft ruggemergstering, de stakkerd. Weet je, zijn vader was een akelige man, die er liefjes op na hield en al zoo meer, en daardoor was zijn zoon van kind af ziekelijk, begrijp je?

MEVR. LINDE (laat haar werk zakken). Maar liefste, beste Nora, hoe kom jij zulke dingen te weten?

NORA (loopt rond). Och … als je drie kinderen hebt, dan krijg je soms wel eens bezoek van … van vrouwen, die zoo half-en-half dokter zijn, en die vertellen je dan het een-en-ander.

MEVR. LINDE (naait weer … kleine stilte). Komt dokter Rank hier alle dag aan huis?

NORA. Vast iederen dag. Hij is Torwald's beste vriend, al van voor zijn trouwen, en ook mijn vriend. Dokter Rank is zooveel als lid van het gezin.

MEVR. LINDE. Maar is de man wel heel oprecht? Ik bedoel, zegt hij niet graag maar wat om menschen aangenaam te zijn?

NORA. Neen … integendeel. Hoe kom je daarbij?

MEVR. LINDE. Toen je hem aan me voorstelde, zei hij dadelijk dat hij mijn naam hier in huis dikwijls gehoord had; maar later merkte ik, dat je man er heelemaal geen idee van had wie ik eigenlijk was. Hoe kon dan dokter Rank…?

NORA. Jawel, dat is toch heuschwaar, Kristine. Zie je, Torwald houdt zoo ontzettend veel van mij; en daarom wil hij mij heel alleen hebben, zooals hij zegt. In den eersten tijd was hij als 't ware jaloersch als ik alleen maar iemand noemde van de lieve menschen thuis. Nou, toen liet ik dat dan ook maar. Maar met dokter Rank spreek ik dikwijls over al die dingen, want hij luistert er graag naar, zie je.

MEVR. LINDE. Hoor eens, Nora, je bent in sommige dingen nog net een kind; ik ben een heel eind ouder dan jij en heb ook een beetje meer ondervinding. Ik zal je eens iets zeggen: je moet zien dat je van die zaak met dien dokter Rank afkomt.

NORA. Van welke zaak moet ik zien af te komen?

MEVR. LINDE. Zoowel van het een als van het ander, dunkt mij. Gisteren praatte je over een rijken bewonderaar, die je geld moest bezorgen….

NORA. Ja, een die er niet is … helaas. Maar wat zou dat?

MEVR. LINDE. Heeft dokter Rank geld?

NORA. Jawel.

MEVR. LINDE. En niemand om voor te zorgen?

NORA. Neen, niemand … maar…?

MEVR. LINDE. En hij komt hier iederen dag aan huis?

NORA. Ja, dat zei ik je immers?

MEVR. LINDE. Hoe kan zoo'n beschaafd man zoo onkiesch zijn?

NORA. Ik begrijp je heelemaal niet.

MEVR. LINDE. Houd je nu niet van den domme, Nora. Denk je dan dat ik niet begrijp van wien je die vijf duizend kronen geleend hebt?

NORA. Ben je niet wijs? Hoe kom je er bij? Een vriend van ons, die iederen dag bij ons komt! Wat zou dat voor een vreeselijke pijnlijke verhouding zijn!

MEVR. LINDE. Dus heusch niet van hem?

NORA. Neen, dat verzeker ik je. Dat is nooit een oogenblik in mij opgekomen…. Bovendien toen had hij ook nog geen geld … hij heeft pas later geerfd.

MEVR. LINDE. Nou, dat was maar heel gelukkig voor jou, geloof ik, Nora-lief.

NORA. Neen, dat is nog nooit in mij opgekomen om dokter Ranker om te vragen…. Anders … ik weet zeker dat als ik er om vroeg….

MEVR. LINDE. Maar dat doe je natuurlijk niet.

NORA. Neen natuurlijk niet. Ik geloof niet, ik kan mij niet voorstellen dat het noodzakelijk zou kunnen worden. Maar ik ben er zeker van, dat als ik met dokter Rank sprak….

MEVR. LINDE. Buiten je man om?

NORA. Ik moet dat andere uit de wereld hebben … dat is ook buiten hem om. Daar moet ik zien af te komen.

MEVR. LINDE. Ja … ja … dat zei ik gisteren ook, maar….

NORA (loopt op en neer). Een man kan zoo iets veel beter klaar spelen dan een vrouw….

MEVR. LINDE. Als het je eigen man is, ja.

NORA. Och leuterpraat. (blijft staan). Als iemand alles betaalt wat hij schuldig is dan krijgt hij immers zijn schuldbekentenis terug?

MEVR. LINDE. Ja, dat spreekt.

NORA. En dan kan je die in honderd-duizend-stukken scheuren en verbranden … zoo'n ellendig smerig papier!

MEVR. LINDE (kijkt haar strak aan, legt haar naaiwerk neer en staat langzaam op). Nora, je verbergt iets voor me.

NORA. Kan je mij dat aanzien?

MEVR. LINDE. Er is iets met je gebeurd sedert gisteren ochtend. Nora, wat is er?

NORA (naar haar toegaand). Kristine! (luistert). Sst! Daar komt Torwald thuis. Wacht, ga zoo lang bij de kinderen zitten. Torwald kan dien naairommel niet uitstaan. Laat Anna-Marie je helpen.

MEVR. LINDE (neemt een gedeelte van haar werk mee). Ja … ja … maar ik ga niet weg, voor wij eens openhartig gepraat hebben. (Af naar links; tegelijkertijd komt Helmer van het portaal).

NORA (loopt hem te gemoet). O, wat heb je je lang laten wachten, lieve Torwald.

HELMER. Was dat de naaister?

NORA. Neen, dat was Kristine; zij helpt mij mijn costuum in orde maken. Je zult eens zien hoe mooi ik zijn zal!

HELMER. Ja, was dat nu niet een gelukkige inval van mij?

NORA. Prachtig! Maar ben ik nu ook niet lief dat ik je zin doe?

HELMER (zijn hand onder haar kin leggend). Lief … omdat je je man zijn zin doet? Nou, jij dwaasje, ik weet wel dat je het zoo niet meent. Maar ik wil je niet hinderen; je moet zeker gaan passen.

NORA. En jij hebt zeker te werken?

HELMER. Ja (wijst op een pak papieren). Kijk eens hier. Ik ben in de Bank geweest…. (wil naar zijn kamer gaan).

NORA. Torwald.

HELMER (blijft staan). Ja.

NORA. Als je eekhorentje je nu eens heel erg dringend om iets vroeg…?

HELMER. Wat dan?

NORA. Zal je het dan doen?

HELMER. Eerst moet ik natuurlijk weten wat het is.

NORA. Je eekhorentje zou in de rondte springen en allerlei kunstjes maken, als jij nu een lief en toegevend was.

HELMER. Voor den dag er mee dan!

NORA. Je leeuwerikje zou luid en zachtjes door alle kamers zingen….

HELMER. Och wat, dat doet mijn leeuwerikje immers toch.

NORA. Ik zou als een elf voor je dansen in den maneschijn, Torwald.

HELMER. Nora … het is toch niet dat, waarop je van morgen doelde?

NORA (dichterbij). Juist, Torwald, ik smeek je er om!

HELMER. En durf je waarlijk nog eens op die zaak terug te komen?

NORA. Ja, Torwald, ja, je moet me mijn zin geven; je moet Krogstad zijn betrekking bij de Bank laten behouden.

HELMER. Mijn lieve Nora, zijn betrekking is bestemd voor mevrouw Linde.

NORA. Ja, dat is vreeselijk lief van je; maar dan kan je toch wel een anderen klerk wegsturen in plaats van Krogstad.

HELMER. Dat is nu toch een ongelooflijke doordrijverij! Omdat jij hem een onbekookte belofte geeft om een goed woord voor hem te doen, zou ik…!

NORA. Daarom is het niet, Torwald. Het is voor je zelf. Die man schrijft immers in de vuilste couranten, dat heb je zelf gezegd. Hij kan je zoo ontzettend veel kwaad doen. Ik heb zoo'n doodelijken angst voor hem….

HELMER. Aha! nu begrijp ik 't; het zijn oude herinneringen die je bang maken.

NORA. Wat bedoel je daarmee?

HELMER. Je denkt natuurlijk aan je vader.

NORA. Ja … juist. Herinner je maar eens hoe slechte menschen in de couranten schreven over papa en hoe afschuwelijk ze hem belasterden. Ik geloof zeker dat zij het zoover gebracht zouden hebben dat hij zijn ontslag kreeg, als de Regeering jou niet gezonden had om die zaak te onderzoeken, en als jij niet zoo welwillend en hulpvaardig voor hem was geweest.

HELMER. Mijn kleine Nora, er is een aanmerkelijk verschil tusschen je vader en mij. Je vader was als ambtenaar niet onaantastbaar. Maar dat ben ik wel; en dat hoopt ik te blijven zoo lang ik mijn betrekking vervul.

NORA. O, niemand weet wat slechte menschen kunnen bedenken. Nu zouden wij het zoo goed, zoo rustig en gelukkig kunnen hebben hier, in ons vredig huis, zonder zorgen … jij en ik en de kinderen, Torwald! Daarom smeek ik je….

HELMER. En juist door je voorspraak maak je het mij onmogelijk hem te houden. Als het nu ruchtbaar werd, dat de nieuwe directeur zich door zijn vrouw had laten ompraten….

NORA. Wat dan nog?

HELMER. Neen natuurlijk; als het kleine eigenzinnige vrouwtje haar zin maar kreeg…. Ik zou mij belachelijk maken voor mijn heele personeel … de menschen op het idee brengen dat ik toegankelijk was voor allerlei invloeden van buiten af? Geloof me, daarvan zou ik de gevolgen gauw genoeg ondervinden! En buitendien … er is nog iets dat Krogstad volkomen onmogelijk maakt bij de Bank, zoo lang ik daar directeur ben.

NORA. Wat is dat?

HELMER. Misschien had ik zijn moreele tekortkomingen desnoods nog door de vingers kunnen zien.

NORA. Ja, niet waar?

HELMER. En ik hoor dat hij ook heel bruikbaar moet zijn. Maar hij is een goede kennis uit vroeger dagen. Dat is zoo een van die overijlde kennismakingen, waar je zoo dikwijls in je later leven last van hebt. Ja, ik wil het jou wel ronduit bekennen, we gingen zelfs heel familiaar met elkaar om. En hij, zoo taktloos mogelijk, maakt daar volstrekt geen geheim van als er anderen bij zijn. Integendeel … hij verbeeldt zich dat hij daarom het recht heeft nog jij en jou tegen mij te spelen; en dan komt hij ieder oogenblik voor den dag met zijn: zeg eens, Helmer! Ik verzeker je dat mij dat hoogst pijnlijk aandoet. Hij zou mij mijn positie aan de Bank onhoudbaar maken.

NORA. Torwald, dat alles meen je toch niet in ernst?

HELMER. Zoo? Waarom niet?

NORA. Neen, dat zijn toch allemaal eigenlijk maar kleinzielige overwegingen.

HELMER. Wat zeg je daar? Kleinzielig? Dus jij vindt mij kleinzielig?

NORA. Neen integendeel, Torwald-lief, en juist daarom….

HELMER. Dat is hetzelfde; je noemt mijn motieven kleinzielig; dus dan moet ik het ook wel zijn. Kleinzielig! Waarachtig!… Nou, daar zullen wij eens gauw een eind aan maken (gaat naar het portaal en roept). Helene!

NORA. Wat ga je doen?

HELMER (zoekt in zijn papieren). Er een einde aan maken.

(Het meisje komt binnen).

HELMER. Hier; ga terstond naar beneden met dezen brief. Hou een besteller aan en laat die hem bezorgen. Maar gauw. Het adres staat er op. Wacht, hier is geld.

DIENSTMEISJE. Best mijnheer. (Zij gaat weg met den brief).

HELMER (legt zijn papieren weer bij elkaar). Zie zoo, mevrouwtje dwingeland.

NORA (ademloos). Torwald … wat was dat voor een brief?

HELMER. Krogstad's ontslag.

NORA. Herroep dat, Torwald! het is nog tijd. O Torwald, herroep dat! Doe het om mijnentwil … om je zelfs wil … ter wille van de kinderen! Och toe, Torwald; doe het! Je weet niet wat daaruit voortkomen kan voor ons allen.

HELMER. Te laat.

NORA. Ja, te laat.

HELMER. Lieve Nora, ik vergeef je je angst, hoewel die in den grond een beleediging is voor mij. Ja, dat is zoo! Of is het geen beleediging te gelooven, dat ik bang zou zijn voor de wraak van een verloopen zaakwaarnemer? Maar ik vergeef het je toch, omdat het zoo'n mooi bewijs is van je groote liefde voor mij. (Neemt haar in zijn armen). Het moet nu eenmaal zoo zijn, als het er op aankomt, heb ik zoowel moed als kracht. Je zult zien, ik ben de man die alles op zich durft te nemen.

NORA (doodverschrikt). Wat meen je daarmee?

HELMER. Alles, zeg ik je….

NORA (bedaard). Dat zal nooit in der eeuwigheid gebeuren.

HELMER. Goed … dan deelen wij, Nora … als man en vrouw. Zoo behoort het ook. (liefkoost haar). Ben je nu tevreden? Kom … kom … kom … niet zulke verschrikte oogen opzetten. Het is immers allemaal niets dan pure verbeelding…. Nu moest je de Tarantella nog eens doorspelen en je oefenen met de tamboerijn. Ik ga in het binnen-kantoor zitten en doe de tusschendeur dicht, dan hoor ik niets; dan kan je net zooveel leven maken als je wilt (gaat naar de deur). En als Rank komt, zeg hem dan waar hij mij vinden kan. (Hij knikt haar toe, gaat met zijn papieren zijn kamer binnen en doet de deur achter zich dicht).

NORA (in wilden angst, staat als vastgenageld, fluistert). Hij zou in staat zijn het te doen. Neen dat nooit in der eeuwigheid! Liever alles dan dat! Redding…. Een uitweg…. (er wordt gebeld). Dokter Rank…. Liever alles dan dat! Liever alles wat het dan ook zijn moge! (Zij strijkt met de handen over haar gezicht, doet haar best kalm te zijn en gaat de deur open doen. Dokter Rank staat buiten en hangt zijn pels aan den kapstok. Gedurende het nu volgende begint het donker te worden).

NORA. Dag dokter. Ik herkende uw belletje. Maar u moet nu niet bij Torwald gaan, want ik geloof dat hij iets te doen heeft.

RANK. En u?

NORA (terwijl hij de kamer binnen gaat en zij de deur achter hem sluit). O, dat weet u wel … voor u heb ik altijd wel tijd.

RANK. Dank u … dat is lief van u. Daar zal ik gebruik van maken zoo lang als ik kan.

NORA. Wat meent u daarmee? Zoo lang als u kan?

RANK. Schrikt u daarvan?

NORA. Och, het is zoo'n wonderlijk zeggen. Denkt u dan dat er iets gebeuren zal?

RANK. Er zal iets gebeuren waar ik mij al lang op voorbereid heb. Maar ik dacht toch nog niet dat het zoo gauw komen zou.

NORA (grijpt zijn arm). Wat is dat? Wat weet u dan? Dokter, u moet het mij zeggen!

RANK (gaat bij de kachel zitten). Ik ga hard achteruit. Er is niets meer aan te doen.

NORA (haalt verlicht adem). Is er iets met u?

RANK. Met wie anders? Het helpt niet of je jezelf wat voorliegt. Ik ben de miserabelste van al mijn patienten. Ik heb dezer dagen mijn inwendige balans eens opgemaakt. Bankroet. Binnen een maand lig ik waarschijnlijk al te vergaan daarginder op het kerkhof.

NORA. He foei, wat een leelijke dingen zegt u daar.

RANK. Het is ook een vervloekt leelijk ding. Maar het ergste is dat er zoo veel andere leelijke dingen vooraf moeten gaan. Ik heb nu nog maar een onderzoek te doen; als ik daarmee klaar ben, weet ik zoo ongeveer wanneer het op zijn eind loopt. En nu moet ik u iets zeggen. Helmer, met zijn verfijnde natuur, heeft zoo'n sterk uitgedrukten afkeer van al wat leelijk is, dat ik hem niet in mijn ziekekamer wil hebben.

NORA. Maar dokter….

RANK. Ik wil er hem niet hebben, zeg ik u. In geen geval. Ik sluit mijn deur voor hem…. Zoodra ik volle zekerheid heb van het ergste, zend ik u een visitekaartje met een zwart kruis er op; dan weet u dat de ellende van de laatste periode begonnen is.

NORA. Neen maar, vandaag is u heusch niet te hebben! En ik, die juist zoo hoopte, dat u in een heel goede bui zou zijn!

RANK. Met den dood vlak voor oogen?… En op die manier te moeten boeten voor de schuld van een ander. Is dat nu rechtvaardig?—En ieder gezin wordt op een of andere manier door een dergelijke vergelding bezocht….

NORA (houdt haar handen voor de ooren). Praatjes! Vroolijk zijn! Vroolijk!

RANK. Ja, bij mijn ziel, 't is ook eigenlijk om te lachen, de heele historie. Mijn arme onschuldige rug moet het ontgelden voor het vroolijke luitenantsleven van mijn vader.

NORA (bij de tafel links). Hij is immers zoo verzot op asperges en pate-de-foie-gras. Is 't niet?

RANK. Ja … en op truffels.

NORA. O ja, truffels. En op oesters ook, he?

RANK. Ja, oesters; oesters, dat spreekt.

NORA. En dan veel portwijn en champagne er bij…. 't Is toch treurig dat al die lekkere dingen zoo ongezond zijn.

RANK. Vooral als ze slecht nawerken op een ongelukkig lichaam dat er niets van genoten heeft.

NORA. Ja, dat is zeker wel het allertreurigste.

RANK (ziet haar uitvorsend aan). Hum….

NORA. Waarom lacht u?

RANK. Neen, u lachte.

NORA. Neen, 't was u die lachte, dokter!

RANK (staat op). U is toch nog grooter ondeugd dan ik dacht.

NORA. Ik heb van daag ook zoo'n lust om gekheid te maken.

RANK. Dat lijkt wel zoo.

NORA (met beide handen op zijn schouder). Lieve, beste dokter Rank, u mag niet heengaan van Torwald en mij.

RANK. Och, dat verdriet zou u wel gauw te boven zijn. Zij die heengaan worden gauw vergeten.

NORA (ziet hem angstig aan). Gelooft u dat?

RANK. Men maakt nieuwe kennissen en krijgt nieuwe relaties, en dan….

NORA. Wie krijgt nieuwe relaties?

RANK. Wel u en Helmer allebei, als ik weg ben. U is al goed op weg, dunkt me. Wat had die mevrouw Linde hier nu te maken gisteren avond?

NORA. Oho! U is toch bij geval niet jaloersch op die arme Kristine?

RANK. Jawel, dat ben ik wel. Zij zal mijn opvolgster worden hier in huis. Als ik afgedaan heb, zal dat mensch….

NORA. Sst; spreek zoo hard niet; zij is hiernaast.

RANK. Van daag alweer? Ziet u nu wel!

NORA. Alleen maar om wat aan mijn costuum te naaien. Lieve hemel, wat is u onmogelijk! (Gaat op de sofa zitten). Wees nu eens lief, dokter; morgen zal u eens zien hoe mooi ik zal dansen; en dan moet u maar denken dat ik het heel alleen voor u doe … nu ja, natuurlijk ook voor Torwald … dat spreekt. (Haalt enkele dingen uit de kartonnen doos). Dokter, gaat u nu eens hier zitten, dan zal ik u wat laten kijken.

RANK (gaat zitten). Wat zijn dat?

NORA. Kijk dan. Kijk!

RANK. Zijden kousen!

NORA. Vleeschkleurige. Zijn ze niet prachtig? Ja, 't is hier nu al zoo donker; maar morgen…. Neen, neen, neen; u mag alleen maar de voeten zien. Och ja, eigenlijk mag u de rest ook wel zien.

RANK. Hm…!

NORA. Waarom kijkt u zoo kritiesch? Denkt u soms dat ze mij niet passen?

RANK. Daar kan ik onmogelijk eenige gegronde reden voor hebben.

NORA (kijkt hem een oogenblik aan). Foei … u moest u schamen. (Slaat met de kousen luchtig om zijn ooren). Daar … dat verdient u! (Pakt de kousen weer in).

RANK. En wat zijn er nog meer voor heerlijkheden die ik te zien krijg?

NORA. U krijgt heelemaal niets meer te zien, want u is heel ondeugend. (Zij neuriet en rommelt zoo'n beetje in de doos).

RANK (na een kort zwijgen). Als ik hier nu zoo heel vertrouwelijk bij u zit, dan begrijp ik niet … neen, dan kan ik mij niet voorstellen … wat er van mij geworden zou zijn, als ik nooit bij u aan huis gekomen was.

NORA (glimlachend). Ja, ik geloof wel dat u het eigenlijk heel gezellig bij ons vindt.

RANK (zachter, voor zich uitziende). En dan dat alles te moeten verlaten….

NORA. Praatjes…. U gaat ons niet verlaten.

RANK (als voren). … en niet eens een armzalig bewijs van dank te kunnen achterlaten … ternauwernood een vluchtig gemis… niets anders dan een leege plaats, die door den eersten den besten ingenomen kan worden.

NORA. En als ik nu eens vroeg om…? Neen….

RANK. Om wat?

NORA. Om een groot bewijs van uw vriendschap…?

RANK. Ja … ja?

NORA. Neen … ik meen … om een ontzettend grooten dienst….

RANK. Zou u mij heusch voor een enkelen keer zoo gelukkig willen maken?

NORA. Neen … ik kan toch niet, dokter; het is zoo onmogelijk veel, zoowel raad als hulp en een dienst!…

RANK. Hoe meer hoe beter. 't Is mij onbegrijpelijk waarop u doelen kan. Toe, zeg 't dan toch. Vertrouwt u mij dan niet?

NORA. Ja, ik vertrouw u meer dan iemand anders. U is mijn beste vriend, dat weet ik wel. Daarom zal ik het u ook zeggen. Hoort u eens: U moet mij helpen om iets te verhinderen. U weet hoe innig, hoe dol veel Torwald van mij houdt; geen oogenblik zou hij zich bedenken om zijn leven voor mij op te offeren.

RANK (tot haar overbuigend). Nora … geloof je dan dat hij de eenige is…?

NORA (met een schok). Die…?

RANK. Die graag zijn leven voor je opofferen zou?

NORA (droevig). Och zoo.

RANK. Ik heb het mijzelf beloofd dat je het weten zoudt voor ik heenging. Een betere gelegenheid zal zich nooit weer voordoen. Ja, Nora … nu weet je het. En nu weet je ook dat je op mij vertrouwen kunt zooals op niemand anders.

NORA (staat op, kalm en onbewogen). Laat mij eens even door.

RANK (maakt plaats voor haar maar blijft zitten). Nora….

NORA (in de deur naar het portaal). Helene! breng de lamp eens binnen (gaat naar de kachel). Ach, beste dokter, dat staat u nu eigenlijk heel leelijk.

RANK (staat op). Dat ik je even lief heb als een ander? Staat dat mij leelijk?

NORA. Neen, maar dat u het mij zegt. Dat was immers heelemaal niet noodig….

RANK. Wat bedoel je? Wist je het dan?

(Het dienstmeisje komt binnen met de lamp, zet die op de tafel en gaat weer heen).

RANK. Nora … mevrouw Helmer … ik vraag u of u er iets van geweten heeft?

NORA. Och, weet ik of ik iets geweten heb of niet! Dat kan ik u heusch niet zeggen…. Dat u nu zoo onhandig zijn kon, dokter! Nu was alles zoo goed.

RANK. Nu, u heeft nu in elk geval de zekerheid dat ik met lichaam en ziel tot uw beschikking ben. En wil u me nu zeggen wat het is?

NORA (kijkt hem aan). Na wat u gezegd heeft?

RANK. Ik smeek u, zeg mij nu wat het is.

NORA. Neen, nu kan ik u niets meer zeggen.

RANK. O ja, jawel…. Zoo moet u mij niet straffen. Toe, laat mij voor u mogen doen wat een mensch bij machte is te doen.

NORA. Nu kan u niets meer voor mij doen…. Och, ik zal ook wel geen hulp noodig hebben. U zal zien dat het allemaal maar verbeelding van mij was. Ja, dat is het stellig … natuurlijk! (gaat in de schommelstoel zitten, kijkt hem aan, glimlacht). U is me zoowaar een mooie meneer, dokter! Is u nu eigenlijk niet een beetje beschaamd nu het licht op is?

RANK. Neen; eigenlijk niet! Maar nu moet ik misschien wel weggaan … voor goed?

NORA. Neen, dat mag u stellig niet doen. U moet natuurlijk hier blijven komen net als altijd. U weet immers te goed dat Torwald u niet missen kan.

RANK. Ja … maar u?

NORA. O, ik vind het altijd dol prettig als u komt.

RANK. Dat is het juist wat mij op een verkeerd spoor gelokt heeft. U is mij een raadsel. Menigmaal leek het mij dat u net zoo graag met mij samen was als met Helmer.

NORA. Ja, ziet u, er zijn zoo enkele menschen van wie je het meest houdt, en anderen met wie je bijna 't liefst wil samen zijn.

RANK. Jawel, daar is wel iets van aan.

NORA. Toen ik nog thuis was, hield ik natuurlijk het meeste van Papa. Maar ik vond het altijd dol prettig om stilletjes bij de meiden te gaan zitten; want die bedrilden mij nooit en die praatten altijd zoo amusant onder elkaar.

RANK. Aha; dus ik ben voor hen in de plaats gekomen.

NORA (springt op en gaat naar hem toe). O lieve beste dokter, zoo bedoelde ik 't nu heelemaal niet! Maar u kan wel begrijpen, dat het met Torwald net is als met papa…. (Het dienstmeisje komt binnen).

DIENSTMEISJE. Mevrouw! (fluistert en reikt haar een kaartje over).

NORA (kijkt even op het kaartje). Och! (steekt het in haar zak).

RANK. Is er iets onaangenaams?

NORA. O neen … neen … volstrekt niet; het is maar iets … het is mijn nieuwe costuum….

RANK. Uw costuum? Dat ligt immers daar?

NORA. O ja, dat; maar dit is een ander … ik heb het besteld … Torwald mag het niet weten.

RANK. Haha, daar hebben wij dus het groote geheim.

NORA. Juist; gaat u maar naar hem toe, hij zit in de binnenkamer: hou hem zoo lang aan de praat….

RANK. Wees gerust: ik zal hem wel vast houden. (Af naar Helmer's kamer).

NORA (tegen het meisje). Staat hij te wachten in de keuken?

DIENSTMEISJE. Ja, hij is de achtertrap opgekomen….

NORA. Maar heb je hem dan niet gezegd dat er iemand binnen was?

DIENSTMEISJE. Jawel, maar dat gaf niets.

NORA. Wou hij niet weggaan?

DIENSTMEISJE. Neen, hij gaat niet weg, voor hij mevrouw gesproken heeft.

NORA. Laat hem dan maar binnen; maar zachtjes. Helene, het moet het tegen niemand zeggen; het is een verrassing voor mijnheer.

DIENSTMEISJE. Jawel mevrouw, ik begrijp het wel…. (af).

NORA. Nu zal het vreeselijkste gebeuren. Het komt toch. Neen, neen, neen, het kan niet … het mag niet…. (zij schuift den grendel voor Helmer's deur. Het dienstmeisje doet de deur open voor Krogstad en sluit die weer achter hem. Hij is gekleed voor de reis, in pels, met-bont-gevoerde-laarzen en een bonten muts).

NORA (vlak bij hem). Spreek zachtjes; mijn man is thuis.

KROGSTAD. Nou, dat doet er niet toe….

NORA. Wat wil u van mij?

KROGSTAD. Dat u mij uitsluitsel geeft over iets.

NORA. Gauw dan. Waarover?

KROGSTAD. U weet natuurlijk dat ik ontslagen ben?

NORA. Ik kon het niet verhinderen, meneer Krogstad. Ik heb mijn uiterste best voor u gedaan; maar het hielp allemaal niets.

KROGSTAD. Houdt uw man zoo weinig van u? Hij weet waaraan ik u kan blootstellen, en toch waagt hij….

NORA. Hoe kan u denken dat hij er iets van weet!

KROGSTAD. O neen, ik dacht ook eigenlijk wel van niet. Het leek zoo weinig op mijn goeden Torwald Helmer om zoo manmoedig te zijn….

NORA. Mijnheer Krogstad, ik eisch respect voor mijn man.

KROGSTAD. O zeker, alle verschuldigde respect. Maar aangezien mevrouw het zoo angstvallig verborgen houdt, durf ik wel aannemen dat u ook beter ingelicht is dan gisteren over wat u eigenlijk gedaan heeft?

NORA. Beter althans dan u er mij van op de hoogte brengen kon.

KROGSTAD. Ja, zoo'n slecht jurist als ik….

NORA. Wat wil u van mij?

KROGSTAD. Alleen maar eens zien hoe u het maakte, mevrouw Helmer. Ik heb den heelen dag rondgeloopen al maar denkende aan u. Een geld-inner, een afgedankte klerk, een … nou ja, enfin, zoo'n mensch als ik, heeft ook nog zoo iets wat ze een hart noemen, ziet u.

NORA. Bewijs dat dan; denk aan mijn kinderen.

KROGSTAD. Heeft u of uw man aan de mijnen gedacht? Maar dat is tot daaraan toe. Ik wou u alleen maar dit zeggen, dat u die zaak niet al te ernstig behoeft op te nemen. Van mijn kant zal ik vooreerst geen aangifte doen.

NORA. O neen … niet waar … dat wist ik wel!

KROGSTAD. De heele zaak kan in der minne geschikt worden; het hoeft heelemaal niet onder de menschen te komen; het blijft tusschen ons drieen.

NORA. Mijn man mag er nooit iets van te weten komen.

KROGSTAD. Hoe zal u dat kunnen voorkomen? Kan u misschien betalen wat er nog staat?

NORA. Neen, niet zoo dadelijk.

KROGSTAD. Of weet u soms een middel om aan geld te komen een dezer dagen?

NORA. Geen middel waarvan ik gebruik maken wil.

KROGSTAD. Nu, het zou u toch niets gebaat hebben. Al stond u hier voor mij met nog zooveel contanten in uw hand, u kreeg uw schuldbekentenis toch niet van mij terug.

NORA. Maar zeg mij dan toch wat u er mee doen wil?

KROGSTAD. Ik wil dat papier alleen maar bewaren … het onder mij houden. Niemand buiten ons zal er iets van weten. Mocht u dus rondloopen met een of ander wanhopig voornemen….

NORA. Dat doe ik.

KROGSTAD … als u er soms over denken mocht van huis en haard weg te loopen….

NORA. Dat doe ik!

KROGSTAD. Of … over iets ergers nog….

NORA. Hoe weet u dat?

KROGSTAD. … laat u dat voornemen dan varen.

NORA. Hoe kan u weten dat ik over zoo iets denk?

KROGSTAD. De meesten denken in den eersten schrik daar over. Ik dacht er ook over, maar, och god, ik had er den moed niet toe….

NORA. Ik ook niet.

KROGSTAD (verlicht). Neen, niet waar; u heeft er ook den moed niet toe … u ook niet….

NORA. Neen … neen … ik heb er den moed niet toe!

KROGSTAD. Het zou ook een groote dwaasheid zijn. Als de eerste huiselijke storm maar over is…. Ik heb hier in mijn zak een brief aan uw man….

NORA. En staat het daar allemaal in?

KROGSTAD. In de zachts mogelijke termen uitgedrukt.

NORA (snel). Die brief mag niet in zijn handen komen! Verscheur hem! Ik zal toch het geld wel zien te krijgen.

KROGSTAD. Pardon mevrouw, maar ik meen u daar straks gezegd te hebben….

NORA. O ik spreek niet van het geld dat ik u nog schuldig ben. Zeg mij hoeveel geld u van mijn man verlangt, dan zal ik het u bezorgen.

KROGSTAD. Ik verlang geen geld van uw man.

NORA. Wat verlangt u dan?

KROGSTAD. Dat zal ik u zeggen. Ik wil er weer boven op, mevrouw, ik wil vooruit, en daarin moet uw man mij behulpzaam zijn. Sedert anderhalf jaar heb ik niets gedaan waarop iets te zeggen valt. Ik heb al dien tijd nagenoeg gebrek geleden, maar ik was tevreden met er mij stap voor stap boven op te werken. En nu ben ik weggejaagd. Maar nu neem ik er geen genoegen meer mee alleen uit genade weer te worden aangenomen. Ik wil vooruit zeg ik u. Ik wil weer bij de Bank terugkomen … maar in een hoogere positie; uw man moet maar een betrekking voor mij creeren.

NORA. Dat doet hij van zijn leven niet!

KROGSTAD. Dat doet hij wel; ik ken hem. Hij durft niet te kikken. En ben ik er maar eerst weer in, met hem, dan zal u eens wat zien! Binnen het jaar ben ik de rechterhand van den directeur. En dan zal Nils Krogstad de man zijn, die de zaken leidt aan de Bank en niet Torwald Helmer.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings