← Table of contents
De vogel

2E DEEL.

M. van Eeden-Van Vloten translation

LA LUMIÈRE - LA NUIT
LA LUMIÈRE - LA NUIT

HET LICHT. De Nacht.

Illustration from De vogel

HET LICHT.

DE NACHT.

„„Licht! meer Licht!” dit waren de laatste woorden, die Goethe sprak1). Het woord van het stervend genie, is de kreet van de geheele natuur, die doorklinkt van wereld tot wereld. Wat deze machtige geest zeide, hij een van Gods ouderen, dat roepen ook de laagststaanden in het dierlijk leven. De weekdieren in de diepten der zee, kunnen niet bestaan waar het licht niet doordringt. De bloem zoekt het licht, wendt zich naar de zon en kwijnt in de schaduw. Onze kameraads, de dieren, verheugen zich in het licht als wij, en missen het als het gaat. Mijn kleinzoon, pas twee maanden oud, begint te schreien als de schemer valt!

„Dezen zomer, wandelend in mijn tuin, zag en hoorde ik op een tak, een vogel, die naar den ondergang der zon gewend, zijn lied zong. Hij richtte zich naar het licht, en scheen in verrukking... En ik was verrukt dat te zien; onze arme vogels, die zooveel missen, konden mij nooit doen voelen, wat dit intelligent en machtig schepsel mij gaf, dat zóó klein was en toch zoo hartstochtelijk bewogen... Ik trilde bij zijn zang. Hij wierp het kopje naar achteren, de borst hoog en wijd; geen dichter noch zanger was ooìt in een zoo naïeve extase.—Toch was het de liefde niet, die tijd was voorbij; het was duidelijk de bekoring van het licht, van den dag, van de heerlijke zon!

„Hoe barbaarsch toch de wetenschap, hoe steil onze trots, die de levende Natuur zóó onze mindere rekent, en zóó den mensch afscheidt van zijne nederiger broeders!

„En ik zeide met vochtige oogen: „Arm kind van het licht, die het laat schitteren in uw zang; hebt ge zooveel reden tot zingen? De nacht, voor u vol hinderlagen en gevaar, gelijkt haast den dood. Zult ge morgen misschien het licht wel terugzien?” En zijn lot overdenkend, zag mijn geest het leven van al die wezens, die van uit de diepten der schepping zoo langzaam tot het licht komen. En ik zeide als Goethe en die kleine vogel: „Licht, Heer! meer licht!”” (Michelet, „le Peuple” 1846).

De wereld der visschen, is de wereld van het zwijgen. Men is gewoon te zeggen: „stom als een visch.” De wereld der insekten is die van den nacht, zij zijn alle lichtschuw. Zelfs zij die als de bij, bij daglicht werken, verkiezen toch de duisternis.

De wereld der vogels is de wereld van het Licht, van den zang. Allen leven van de zon, doordringen zich met zonnelicht, het licht inspireert hen. De vogels van het Zuiden weerspiegelen het licht in hun veeren; die van ons klimaat geven het in hun zang, en velen volgen het licht van land tot land. „Ziet,” zegt Saint John, „hoe zij des morgens de opgaande zon begroeten, en hoe getrouw zij des avonds zich vereenigen om haar te zien ondergaan van onze Schotsche kusten. En de auerhaan verheft zich om haar langer te kunnen zien en balanceert zich op den hoogsten tak van den hoogsten den.”

Illustration from De vogel

Licht, liefde en zang zijn voor hen één. Wil men den gevangen nachtegaal hooren zingen, buiten den tijd van zijn liefdezang, dan bedekt men zijn kooi, en daarna, plotseling, geeft men hem het licht terug; hij herkrijgt dan zijn stem. De rampzalige vink, door barbaren blind gemaakt, zingt met een ziekelijke en wanhopige opwinding, als schiep hij zich met zijn stem een licht van harmonie; zijn zon is het inwendig vuur. Ik mag gaarne gelooven, dat dit de hoofdreden is, waarom de vogels zingen in de sombere klimaten, waar het licht verschijnt in plotseling doorbreken, met tintelend leven. Vergeleken met de lichte landen, waar de zon nooit verduistert, zijn onze streken, met hun door nevels en wolken omsluierd licht, dat plotseling schitterend doorbreekt, als de gedekte en afgedekte kooi van den nachtegaal. Het roept den zang te voorschijn en de harmonie, die hun licht is.

Illustration from De vogel

En ook de vlucht van den vogel hangt af van het licht; zoowel van het oog als van den vleugel. Bij de soorten met een fijn en doordringend gezicht begaafd, als de valk, die van hemelhoog het roodborstje in de struiken ziet; als de zwaluw, die een vliegje ziet op duizend voet afstand, is de vlucht vast, stout, bekoorlijk om te zien, door haar onfeilbare zekerheid. Anderen, men ziet het aan hun bewegingen, zijn bijzienden, die voorzichtig zijn, tasten, vreezen zich te stooten.

Het oog en de vleugel, de vlucht en het gezicht, tot zulk een graad volkomen, dat zij vermogen met één blik eindelooze verten te omvatten, immense landen, ja, koninkrijken; en niet ze te omtrekken als een landkaart, maar te zien in hun geheele verscheidenheid van détails; ze waar te nemen, te bezitten, bijna God gelijk! O welk een bron van genot! vreemd en mysterieus geluk, den mensch bijna onbegrijpelijk!.. En weet ook, dat dit zien zóó scherp en levendig is, dat het zich vastprent in het geheugen, zóózeer, dat zelfs een duif—die toch tot de lager staande dieren behoort—herkent en terugvindt alle bizonderheden van een éénmaal afgelegden weg. Wie spreekt nu nog van den wijzen ooievaar, de slimme raaf, de verstandige zwaluw!

Erkennen wij die meerderheid! Laat ons de vreugde der visie zonder afgunst aanzien; misschien gewordt zij ook ons, in een beter bestaan. Het geluk van zoo veel, zoo ver, zoo goed te zien, de oneindigheid te doordringen met blik en wiek, bijna even snel, wanneer krijgt men die?—In het leven, dat ons verwijderd ideaal is. Het leven in het volle licht en zonder schaduw.

Het bestaan der vogels is er reeds een voorproef van. En voor hen zou het een goddelijke bron van kennis kunnen zijn, als zij in hun sublieme vrijheid niet de twee fataliteiten te dragen hadden, die het leven op onze aarde in een staat van barbaarschheid houden, en de vlucht naar hooger belemmeren.

De fataliteit van het lijf, die ons allen gekluisterd houdt, maar die vooral de vijand is van die levende vlam, van dat verterend vuur, den vogel; die van hem vordert, onafgebroken te zoeken, te zwerven, te vergeten, hem onherroepelijk veroordeelt, tot de onvruchtbare beweeglijkheid van te wisselende indrukken. De tweede fataliteit is de nacht, de slaap, de uren van duisternis en gevaar, als zijn vleugels verlamd zijn, en weerloos overgeleverd, hij het vermogen te vliegen verloren heeft, en zijn kracht en zijn licht. Licht wil zeggen, veiligheid voor alle leven.

Licht waarborgt leven voor mensch en dier; het is de geruststellende, vredige, sereene glimlach van de Natuur, hare openheid. Zij maakt een einde aan de sombere angsten, die met de duisternis mee komen, aan vrees, maar al te gegrond, en ook aan de niet minder wreede kwellingen van de droomen, aan de troebele gedachten, die de ziel verwarren en verbijsteren.

In de zekerheid, die hij op den duur verkreeg door het maatschappelijk leven, is de mensch nauwelijks meer in staat de angsten en gevaren door te voelen van een leven in de wildernis, op de uren, waarin de Natuur zoo weinig verweer meer overlaat; waar haar wreede onpartijdigheid den weg baant voor den dood, die zoo wettig is als het leven. Zij zegt den vogel, dat ook de uil moet leven. Zij antwoordt den mensch: „Ik moet mijn leeuwen voeden...”

Illustration from De vogel

Leest in de reisbeschrijvingen, de angsten van de rampzalig verdwaalden in de Afrikaansche wildernissen; van den ongelukkigen slaaf, die de menschelijke barbaarschheid ontvlucht, om een barbaarsche Natuur te ontmoeten. Welk een doodsangst, als na zonsondergang de sinistere voorloopers van den leeuw gaan rondsluipen, de wolven en jakhalzen, die hem op een afstand vergezellen, hem voorafgaan al speurend, hem volgen als zijn lijkbidders. Zij mauwen u toe met hun gejank: „Morgen zal men uw beenderen zoeken.” O ontzetting! Dáár is hij vlak bij u... hij ziet u... kijkt, brult dof en diep, uit den afgrond van zijn metalen keel; hij keurt zijn levende prooi, wil haar, eischt haar voor zich! Het paard verdraagt dat niet! Het siddert en rilt onder het koude zweet—het steigert... De man, gebukt tusschen twee vuren, als hij nog kans ziet die te ontsteken, behoudt nauwelijks genoeg kracht om dat licht-bolwerk, zijn éénige kans op redding te onderhouden.

Maar even schrikkelijk is de nacht voor de vogels van ons klimaat, al schijnt dat minder gevaarlijk. Welke monsters verbergt hij, wat een afschuwelijke kansen voor hen in zijn duisternis! En al de vijanden hebben dìt gemeen, dat zij komen zonder geluid; de uil vliegt zoo stil, of hij met watten gevoerd is. De lange wezel dringt in het nest, zonder één blad te beroeren; de felle steenmarter, door het warme bloed geprikkeld, is zóó vlug dat hij in één oogenblik een heele familie vermoordt en uitzuigt. Het schijnt, dat de vogel, wanneer hij jongen heeft, begaafd is met het tweede gezicht waar het deze gevaren betreft. Hij heeft een kroost te beschermen, dat nog zwakker, nog weerloozer is dan dat van de viervoeters, wier jongen bij hun geboorte al loopen kunnen. Maar welk eene bescherming! Hij kan niet veel anders doen dan blijven en sterven; hij vliegt niet weg, de liefde verlamde zijn vleugels. Den geheelen nacht wordt de ingang van het nest bewaakt door den vader, die niet slaapt en niet waakt, uitgeput is van vermoeienis, en het gevaar alléén zijn zwak bekje kan bieden en zijn wankelend kopje. Wat moet het, als hij den gruwelijken muil zal zien van de slang, het vreeselijk oog van den nachtvogel, onnatuurlijk vergroot?

Illustration from De vogel

Hij vreest voor de zijnen, niet voor zich alléén. In den ongepaarden tijd spaart de natuur hem de kwellingen van het vooruitzien. Hij is niet bang, maar treurig en somber; hij zwijgt, hij maakt zich klein, en steekt het kopje in de vleugels; zijn hals verdwijnt zelfs tusschen de veeren. Deze houding van berusting en vertrouwen neemt hij iederen avond aan, te midden van gevaren en onbeschermd; het was zijn houding in het ei; die rustige moederlijke gevangenis, waar hij volkomen veilig was.

Somber is voor alle wezens de avond, zelfs voor hen, die beschermd zijn.

De Hollandsche schilders hebben het naïef gevoeld en uitgedrukt voor het vee in de weide. Het paard sluit zich dicht aan zijn makker, rust zijn hoofd tegen hem aan. De koe komt voor het hek met haar kalfje, wil terug naar stal. Want die hebben een stal, een verblijf, een plaats waar zij veilig zijn voor de nachtelijke lagen. De vogel heeft voor dak een blad, meer niet.

Maar welk een jubel dan in den morgen, als de verschrikkingen verdwijnen met het donker; als alle boschjes, alle struiken verlicht worden! Welk een gekweel en druk gebabbel bij de nesten! Het is als een wederzijdsch gelukwenschen, dat men elkaar terug ziet, dat men nog leeft. En dan komt het zingen! De leeuwerik stijgt kweelend op uit de vore en draagt den jubel der aarde mee ten hemel.

Zoo de vogel, zoo de mensch. Het is zoo over de geheele wereld. De oude Indische Veda's zijn in iederen regel een hymne aan het licht, den levensbehouder van het leven; aan de zon, die iederen nieuwen dag de aarde openbaart en doet herboren worden en behoudt. Wij herleven, wij ademen, wij doen de rondte in onze woning, wij hervinden het gezin, wij tellen onze kudden. Er is niets dood, het leven is gebleven. De tijger is ons niet overvallen; de horden der roofdieren zijn niet over ons losgebroken. De zwarte slang heeft geen misbruik gemaakt van onzen slaap. Gezegend zijt gij, o zon, dat gij ons weder een dag geeft!

Alle dieren, zoo zeggen de Indiërs en vooral het wijste dier: de olifant, begroeten de zon en danken haar in den morgenstond; in zichzelf zingen zij haar een hymne van erkentelijkheid. Maar één enkele spreekt het uit, zegt het voor allen, zingt het. Wie? Een der zwakken; hij die het meest den nacht vreest, en de grootste vreugde voelt in den ochtend; hij die leeft van het licht, wiens fijne gezichtswerktuigen, oneindig gevoelig, vèrziend en doordringend, alle détails waarnemen; hij die het nauwst verbonden is aan de lichtwisselingen, het gaan en komen van den dag.

De vogels zingen de morgenhymne, en spreken den zegen over den dag, voor de geheele natuur. Zij zijn priesters en auguren van het licht, en ook zijn schuldeloos goddelijke stem.

Illustration from De vogel
L'ORAGE ET L'HIVER - MIGRATIONS
L'ORAGE ET L'HIVER - MIGRATIONS

STORM EN WINTER. De Trek.

Illustration from De vogel

STORM EN WINTER.

DE TREK.

Een van natuur's vertrouwden, een heilige ziel, eenvoudig en diep, Virgilius, zag de vogels, zooals de oude Italiaansche wijsheid hen zag, als waarzeggers en profeten van de atmosferische wisselingen:

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „Noit leedt een landman, die bytyts paste om te kycken, By regen lantschade, of de wackre kraenevlught Streeck, eer de regen quam gevallen uit de lucht In een gezoncken dal uit 's hemels hooge streecken; . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De zwaluw snaterbeckte en vloogh rondom het meer. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De raven, keerende uit de weiden langs de dorpen, Aen 't klappen slagh op slagh de pennen tegens een. Al 't zeegevogelte, en wat, om de weiden heen Van Asiën en in Kaïstus koele plassen, Zyn aes zoeckt, valt alreede aen 't plassen en aen 't wassen, Besprengt zyn pluim, waerop geen water vat, om stryt, Of loopt naer d'oevers toe zich dompelen; dan kryt En schreeuwt d'ontruste kraey luidtkeels om regenvlaegen En springt op 't drooge zant in eenzaamheit. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Gy kunt, eer u de lucht het schoone weder geef En heldren zonneschyn niet min dit zien en stercken By regenachtigh weêr, uit zek're en wisse mercken: . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . D'Ysvogel, die op zee, zyn element moet leven, Zal zich op 't zandigh strant met uitgespreide schacht Dan baekren in de zon, die heet is in haer kracht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . de nachtuil zonder bedt Die op het ondergaen des zonnewagens let, Zal dan vergeefs, bij nacht, op 't dack nog spade klaegen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De raven schreeuwen boven Tot drywerf uit haer nest met een benaude keel. Zy ruisschen reis op reis, beholpen al geheel Met onderling vermaeck, en boven haer gewente Om hoogh op 't hooge nest, in loof van tack of ente: En 't lust haer, alzoo dra de lucht den regen staeck, Te vinden 't kleen gebroet en broeinest haer vermaeck.” (Vondel: Virgilius „Lantgedichten”).

In hooge mate elektrisch-gevoelig, staan de vogels meer dan eenig ander wezen in verbinding met tal van meteorologische verschijnselen van warmte en magnetisme, die voor onze zintuigen niet zijn waar te nemen. Zij voelen die bij hun ontstaan, bij hun eerst beginnen, voor zij zich ons nog openbaren. Het is een soort van physiek tweede gezicht. Is het dan niet natuurlijk, dat de mensch, minder fijn waarnemer, die pas na het gebeurde voelt, deze aankondigers raadpleegt? Zoo handelden in de oudheid de auguren; die zoogenaamde dwaasheid van de ouden, was diepe wijsheid.

In 't bijzonder zou de meteorologie er veel nut van kunnen hebben; zij had dan zekerder middelen. Maar ook zij heeft reeds een gids gevonden in het voorspellen der vogels. En had Napoleon in 1811 maar rekening gehouden met den onnatuurlijken vroegen trek uit het Noorden! Ooievaars en kraanvogels hadden hem wel ingelicht! Aan hun buitengewoon vroeg trekken, had hij dan geweten, hoe een lange en vreeselijke winter stond te komen. Zij repten zich naar het Zuiden—en hij bleef te Moscou.

De vermoeide vogel, die midden op den Oceaan, tegen den nacht neerstrijkt, op den mast van een schip, wordt door dat bewegelijk rustpunt ver uit zijn koers gebracht; toch vindt hij die gemakkelijk terug. Hij staat in zulk een volkomen betrekking tot de aarde, en is zoo juist georiënteerd, dat hij den volgenden morgen zonder aarzelen zijn weg neemt. Een kort oogenblik van beraad met zichzelf, is voldoende. Hij kiest boven dezen immensen afgrond, die grenzenlooze eenzaamheid, waarop de vore van het schip één enkel spoor trekt, de juiste lijn, die hij moet volgen voor zijn doel. Het is daar niet als op het land; geen enkel herkenningsteeken, geen merk, geen leiddraad. Alleen de luchtstroomingen, in verband misschien met die van het water, mogelijk ook onzichtbare magnetische stroomingen, zijn de loodsen van dien kloeken reiziger.

Illustration from De vogel

Wonderbaar weten! Niet alleen wéét de zwaluw, dat de insecten, die hem hier ontbreken hem elders wachten, en hij zoekt ze, trekkende volgens de lengtegraden; maar op dezelfde breedte in hetzelfde klimaat weet de wielewaal van de Vereenigde Staten, dat de kersen rijp zijn in Frankrijk, en hij vertrekt zonder aarzelen, om onze vruchten te oogsten. Zij vergissen zich, die meenen, dat deze trek in zijn seizoen, op onbepaalde tijden, plaats heeft, zonder keus van den dag. Wij hebben het tegendeel kunnen waarnemen, en het zeer scherpzinnige, nauwkeurige vooruit bepalen, dat vooraf gaat: geen uur vroeger of later. Dat gebeurde, toen wij te Nantes waren, in October 1851; het seizoen was nog heel mooi, en insecten waren er voor de zwaluwen nog in overvloed; toen hadden wij de gelukkige kans, die wijze republiek in een buitengewoon talrijke en zeer levendige vergadering, te zien bijeenkomen. De conferentie werd gehouden op het dak van een kerk, de Sint Félix, die de Erdre beheerscht, en van ter zijde de Loire. Waarom juist deze dag en dit uur? Wij wisten het niet, maar wij zouden het al spoedig begrijpen. 's Morgens was de lucht helder, maar er woei een wind uit de Vendée. Mijn dennen steunden, en uit den ceder kwam een lage diepe toon. De vruchten bezaaiden den grond; wij gingen ze rapen. Gaandeweg betrok de lucht tot een zwart grijs, de wind ging liggen; alles was somber. Toen, het was tegen vier uur—kwamen op dat zelfde moment en van alle kanten, uit het bosch, over de Erdre, van de Loire, van de stad, van de Sèvre, onafzienbare legioenen bewoners aanvliegen, genoeg om den dag te verduisteren. Zij streken neer op de kerk, in dichte massa, duizend stemmen, duizend kreten, en twist en woordenstrijd. Zonder die taal te kennen, begrepen wij heel goed, dat er oneenigheid was. Misschien hadden de jongen, terug gehouden door den lauwen adem van dezen herfst, nog willen blijven. Maar de wijzen, zij, die ondervinding hadden, de beproefde reizigers, stonden op trekken. Zij wonnen het pleit; de zwarte massa, zich plotseling uitspreidend als een machtige wolk, nam de vlucht naar het Zuid-Oosten, waarschijnlijk naar Italië. Zij waren nog geen driehonderd mijlen ver (ongeveer vijf uur vliegens), of alle sluizen des hemels openden zich, om de aarde te overstroomen. Een oogenblik dachten wij aan een zondvloed. En terug in ons huis, dat schudde onder de woeste windstooten, bewonderden wij de wijsheid van die gewiekte zieners, die zoo voorzichtig het tijdstip van hun jaarlijkschen trek hadden teruggezet.

Het kon toch niet de honger zijn, die hen verdreven had.

Te midden van een nog mooie en rijke natuur, hadden zij het juiste oogenblik gevoeld, gegrepen, zonder het toch te vroeg te nemen. Den volgenden dag ware te laat geweest. Alle insekten, neergeslagen door die geweldige regens zouden zijn verdwenen, niet meer te vinden; wat den storm overleefd had, zou in den grond zijn gevlucht.

Ook is het niet alléén de honger, het verschiet van hongerlijden, dat de trekvogels tot trekken beweegt. Zouden ook al de insekteneters gedwongen zijn te vertrekken, de vogels, die van bessen leven, hadden kunnen blijven. Wat drijft hen? Is het de koude? De meesten konden die verdragen. Bij deze bijzondere redenen moet nog een andere gevoegd worden, een meer algemeene, hoogere; het is de behoefte aan licht.

Illustration from De vogel

Zooals de plant onvermijdelijk licht zoekt en zon, zooals het weekdier (wij zeiden het reeds) naar hooger zoekt en bij voorkeur in de lichtere waterlagen leeft, zoo lijdt ook de vogel met zijn zeer gevoelig oog onder de korte dagen, onder de herfstnevels. Deze vermindering van licht, die ons uit moreele redenen soms aangenaam is, is voor hem somberheid en dood.... Licht, licht, meer licht!... liever sterven, dan geen licht meer zien! Dat is de ware zin van den laatsten herfstzang, van den laatsten kreet als zij gaan trekken in October. Ik hoorde het in hun afscheid.

En wel een kloek en stoutmoedig besluit, als men denkt aan den eindeloozen weg, dien zij moeten afleggen, tweemaal in een jaar, over bergen, zeeën en woestijnen, door geheel verschillende klimaten, met veranderlijke winden, onder dreigende gevaren en tragische avonturen. Voor geharde vlotte zeilers, voor de gierzwaluw, voor de lichte en levendige zwaluw, die het uithoudt tegen den valk, is het misschien eene gemakkelijke onderneming. Maar de andere soorten hebben niet die kracht, niet die vleugels; zij zijn verzwaard door overvloedig voedsel, zij leefden het verterend bestaan van liefde en moederschap; het wijfje heeft het groote natuurwerk verricht: gebouwd, gebaard, opgevoed; en hij, de man, hoe heeft hij niet al zijne kracht verzongen! Dit paar heeft een leven verbruikt: „een kracht ging van hen uit;” jaren scheiden hen reeds van de levenskracht hunner jeugd. Velen zouden kunnen blijven, maar het drijft hen voort. De zwaarsten zijn de vurigsten. De Fransche kwartel zal de Middellandsche Zee oversteken, over den Atlas trekken, over de Sahara heen, verdwijnt zij in de negerlanden; ook die verlaat zij weer, en wanneer zij eindelijk blijft aan de Kaap, dan is het omdat daar de oneindige Oceaan begint, die haar niets aan te bieden heeft dan het poolijs en denzelfden winter, die haar uit Europa verdreef.

Wat is hun zekerheid bij zulk eene onderneming? Sommigen vertrouwen op hunne wapenen, de zwaksten op hun aantal, en zij geven zich over aan hun lot! De tortelduif zegt: „op de tienduizend of honderdduizend, neemt de roover er misschien tien, en ik zal daar niet bij zijn.” Zij wacht haar tijd af; de vliegende wolk zweeft voorbij in den nacht; als de maan op is, zullen de witte vleugels niet sterk uitkomen tegen het witte licht, en zoo ontkomen zij, samensmeltend met den bleeken schijn. Ook de dappere leeuwerik, de nationale vogel van het oude Gallië, de vogel van de onverwinbare hoop, vertrouwt op het aantal; hij trekt bij dag, of liever zwerft van provincie tot provincie; vervolgd en steeds in aantal gedund, zingt hij niettemin zijn lied.

Maar waar geen aantal is en geen kracht,—wat doet de eenzame? Wat moet gij doen, arme geïsoleerde nachtegaal, die als de anderen, maar niet in gemeenschap, en zonder steun, de groote reis moet afleggen? Ach, wat zijt gij, mijn vriendje? Een stem, meer niet. Uw eenige sterkte zou u verraden. In uw donker pakje moet ge stom trekken, één met de verkleurde tinten van den herfst. Maar tóch—het blad is nog purper, het is nog niet het doffe doode bruin van het late seizoen. Waarom blijft gij toch niet? Waarom volgt gij niet liever die anderen die in hun beschroomdheid, niet verder gaan dan Provence? Daar, tusschen de rotsen, ik verzeker het u, daar zoudt gij den winter van Afrika of Azië kunnen vinden. De kloof van Ollioules is zoo goed als de Syrische valleien.

„Neen, ik moet trekken. Anderen kunnen blijven; hun zegt het Oosten niets. Mij roept mijn vroeger land; ik moet dien schitterenden hemel terug zien, de lichte ruïnes zoo weelderig begroeid, waar mijn geslacht heeft gezongen; ik moet mijn eerste liefde terug vinden, de roos van Azië, ik moet mij baden in zonnelicht.... Dáár is het levensmysterie, dáár de levenwekkende vlam, die ook mijn zang weer zal wekken; mijn stem, mijne muze, is het licht!”

Illustration from De vogel

En hij gaat; maar ik vrees dat hem het hartje kloppen zal als hij de Alpen nabij komt, als die witte toppen hem het gevreesde land aankondigen, waar zij hem wachten op hun rotsen, de wreede roovers van dag en nacht, gieren en arenden, al die krombekkige, geklauwde moordenaars dorstend naar warm bloed; de vermaledijde rassen, dwaselijk door den mensch bezongen; de eene helft, nobele roovers, die snel dooden en uitzuigen, de andere de ignobele, die verstikken en vernielen; alle vormen van moord en dood.

Ik stel mij dan den armen kleinen zanger voor, die zijn stem verloren heeft maar niet zijn fijne intuïtie, hoe hij zonder raad of steun, verloren in die eenzaamheid, zich neerzet en wacht, om nog eens te overleggen voor hij zich begeeft in dien valstrik, de lange engpas van Savoye. Hij wacht aan den ingang, zet zich neer op een bevriend huis, dat ik wel ken, of op een boom in het geheiligde bosch van de Charmettes en hij peinst en zegt: „Ga ik over dag, dan zijn ze er allen; zij weten van onzen trek; de arend grijpt mij, 't is met mij gedaan. Ga ik 's nachts dan komt de Uhu, de uilen, het heele leger van die vreeselijke nachtspoken met oogen, die wijd opengaan in den nacht; zij pakken mij, brengen mij aan hun jongen.... Ik stakker, wat zal ik doen! Ik zal den nacht vermijden èn den dag. In de grauwe vochtige morgenuren, als de groote roofvogel, die geen nest kan bouwen, doortrokken is van den kouden, natten nevel, dan vlieg ik voorbij, onopgemerkt.... En al zou hij mij zien, ik ben al lang voorbij, vóórdat hij het zware toestel van zijn natte vleugels in beweging kan brengen”.

Goed berekend; maar toch—er kan nog zooveel gebeuren; hij kan in dat lange Savoye den Oostenwind ontmoeten, die op hem neer komt vallen en zijn kracht breekt, en zijn vleugels.... God! het is al dag geworden.... Die duistere reuzen, in October al gehuld in hun witten mantel, vertoonen op hun eindeloos sneeuwkleed een zwart punt, dat voortschiet als een pijl. Hoe dreigend en somber zien die bergen onder dat immense lijkkleed in zijn lange plooien. Die toppen zoo onbewegelijk, scheppen om en onder zich een eeuwige beweging, geweldige tegengestelde stroomen, die tegen elkander inwerkend zich woest bevechten; daar moet hij wachten. „Als ik lager ga, dan zullen die woest neerschietende bergstroomen daar in het donker, mij door hun wervelwinden meesleepen. En stijg ik naar de koude en lichte streken, dan ben ik verloren: de rijp zal mijn vleugels verlammen.”

Een uiterste inspanning heeft hem gered; het kopje naar omlaag, duikt, valt hij in Italië. Te Susa of bij Turijn blijft hij, om zijn vleugels rust te geven en te versterken. Hij is midden in de reusachtige Lombardische bloemkorf, een nest van bloemen en vruchten, waar eens Virgilius hem hoorde. Die grond is niet verouderd; nu, als toen, is de Italiaan de durus arator—de moeizame ploeger,—die het land van anderen bebouwt; en nòg vervolgt hij er den nachtegaal. De nuttige insektenverdelger wordt vervolgd als een zaadeter. Laat hem dus de Adria oversteken, van eiland tot eiland, ondanks de gevleugde zeeroovers, die op diezelfde klippen uitkijken; misschien komt hij dan nog op den, voor vogels, heiligen grond, in het goede, gastvrije en weelderige Egypte, waar allen worden gespaard, gevoed, gezegend zelfs, en goed ontvangen.

Illustration from De vogel

Maar nog zooveel beter zou het zijn, indien niet daar in blinde gastvrijheid ook de moordenaars werden gekoesterd. Nachtegalen en tortelduiven worden er ontvangen, zeker, maar ook de arend. Op de terrassen van de Sultana's, op de balkons van de minarets—arme reiziger! Ik zie wreede schitterende oogen, die zich hierheen wenden.... en ik zie dat ge zijt opgemerkt. Blijf er niet. Het goede seizoen zal niet lang duren. De vernielende woestijnwind zal gaan blazen, en dat beteekent dood, en dorheid en het ophouden van uw schraal voedsel. Straks geen vliegje meer om kracht te geven aan wiek en stem. Denk aan het oude nest, dat ge in onze bosschen hebt achtergelaten, aan uw liefde in Europa. De hemel was er somberder, dat is zoo, maar gij schept er u een hemel. Liefde was er om u heen; zij trilden bij uw zang; en de liefste had u verkoren.... Dat is de ware zon, het schoonste Oosten. Het ééne Licht is, waar men liefheeft.

SUITE DES MIGRATIONS - L'HIRONDELLE
SUITE DES MIGRATIONS - L'HIRONDELLE

VERVOLG VAN DEN TREK. De Zwaluw.

Illustration from De vogel

VERVOLG VAN DEN TREK.

DE ZWALUW.

De zwaluwen hebben zich zonder vragen van onze woningen meester gemaakt. Zij huizen onder onze vensters, onder onze daken, in onze schoorsteenen; en zij zijn in het minst niet bang voor ons. Men zou kunnen zeggen, dat zij vertrouwden op hunne onvergelijkelijke vleugels. Doch dat is het niet; want zij vertrouwen ons ook hun nest, hunne kinderen toe. En dàt is juist de reden, dat zij baas werden in onze woningen. Zij namen niet alleen ons huis maar tegelijk ons hart.

Onze grootvader had in het buitenverblijf, waar hij zijn kinderen opvoedde, een serre, die hij voor leerkamer gebruikte. Dáár nestelden de zwaluwen, zonder zich om de gangen der familie te bekommeren, vrij in hun in- en uitgaan, opgaand in de zorg voor hun broedsel; zij vlogen door het venster en kwamen door het dak, en babbelden luide met hun kameraads, luider dan de onderwijzer zelf, zoodat hij, als de heilige Franciscus, soms moest zeggen: „Zuster zwaluw, zou je niet een beetje kunnen zwijgen?”

Het nest bleef in hun bezit; waar de moeder nestelde, nestelde de dochter en de kleindochter. Ieder jaar komen zij weer; hunne generaties volgen elkaar geregelder op dan de onze. Het gezin sterft uit, verspreidt zich, het huis komt aan anderen, maar de zwaluw keert geregeld weer, zij houdt vast aan haar recht van eigendom.

En zoo is die trekster het symbool geworden van de trouw aan eigen haard. Zóó heeft zij zich daaraan gehecht dat, wordt het huis zelf gedeeltelijk gesloopt, gerepareerd door metselaars, het toch weer wordt teruggenomen en bewoond door die trouwe vogeltjes, met hun vasthoudende herinnering.

Het is de vogel, die keert. En niet alleen noem ik hem zoo om zijn geregelden jaarlijkschen terugkeer, maar ook om zijne bewegingen, en de richting van zijn vlucht, die zoo sterk wisselt, maar toch cirkelvormig blijft, en altijd tot het uitgangspunt terugkeert.

De zwaluw draait en zwenkt voortdurend; zij zweeft onvermoeid in kringen over dezelfde ruimte, met de sierlijkste wendingen, die in het oneindige wisselen, maar zich nooit verwijderen. Is het om haar prooi te vangen, het mugje dat op en neer danst, zwevend op de lucht? Is het om zich te uiten in de kracht van die onvermoeibare vleugels, zonder zich van het nest te verwijderen? Om 't even, die cirkelvlucht, die eeuwig terugkeerende beweging heeft ons steeds oogen en hart geboeid, bracht ons in een droom en een wereld van gedachten.

Illustration from De vogel

Haar vliegen zien wij, maar bijna nooit haar zwart gezichtje. Wie zijt ge tóch, die u altijd aan onzen blik onttrekt, die slechts de lucht klievende vleugels laat zien, rappe zeisen, als die van den tijd? Maar hij gaat, gaat; gij keert, keert altijd. Ge nadert mij: gaf ik u ergernis? raakt mij bijna, wilt ge mij treffen? Ge streelt mij zóó dicht, dat ik de luchtbeweging voel en bijkans den vleugelslag.... Een vogel? een geest?.... O, als ge een geest zijt, zeg het vrij en vertel mij dan: wat is het toch dat leven scheidt van dood? Morgen zijn wij dood; zal het ons gegeven zijn op vleugels terug te keeren naar het lieve thuis, waar wij werkten en beminden? Zullen wij nog een enkel woord kunnen zeggen in zwaluwentaal, aan hen, die ook dàn nog ons hart zullen vervullen? Maar wáárom willen we vooruitloopen, waarom onzen dorst lesschen aan die bittere bron? Laat ons aan dezen vogel denken, zooals het volk zich hem dacht in de goede oude volkswijsheid, die zeker dichter de natuur nadert.

Het volk zag in de zwaluw een natuurlijke klok, die de seizoenen verdeelde, de twee groote perioden van het jaar. Met Paschen en met Sint Michiel, als de kermissen zijn en de jaarmarkten, de huur ingaat en afloopt, dan komen de zwaluwen zwart en wit, en zeggen ons den tijd. Zij sluiten een tijdperk af en openen een nieuw. Men komt dan bij elkaar, maar vindt elkaar niet altijd terug; na die zes maanden wordt deze en gene gemist. De zwaluwen keeren, maar niet voor allen, want verscheidenen zijn er vertrokken op een reis, veel langer nog dan de „tour de France.” Nog verder dan „Duitschland in.”

Onze handwerksgezellen volgden het leven van de zwaluwen, maar bij hun terugkeer vonden zij niet als deze, het nest terug. De voorzichtige vogel waarschuwt hen daarom in een oude, Duitsche spreuk; de volkswijsheid wil hem terughouden bij den huiselijken haard. De dichter Rückert maakte van die spreuk een liedje: „Aus der Jugendzeit” en als dacht hij zichzelf een zwaluw, volgde hij daarin haar rhytmische cirkelvlucht, haar steeds terugkomen. Een weemoedig liedje, dat, mogen enkelen er om lachen, velen tot tranen zal roeren.

De zwaluw, als men haar in de hand neemt en van dichtbij bekijkt is eigenlijk een vreemde en leelijke vogel, maar dat komt juist dáárvan, dat zij de vogel „par excellence” is, uitverkoren uit alle wezens voor de vlucht. Aan deze bestemming, heeft de natuur bij haar alles opgeofferd, den vorm heeft zij verwaarloosd voor de beweging; en zij is daarin zóózeer geslaagd, dat deze vogel, zoo leelijk in rust, de mooiste van allen is, wanneer hij vliegt. De vleugels zeisvormig, uitpuilende oogen, geen hals (om de kracht te verdubbelen), weinig of geen poot: alles is vleugel. Dit zijn de hoofdtrekken. Voeg daarbij nog een zéér wijden bek, altijd happend, die zich opent, sluit, en weêr opent in de vlucht. Zij eet vliegend, drinkt, baadt zich vliegend, en voedt vliegend haar jongen.

Haalt zij, in de rechte lijn, niet bij den valk, die door de lucht schiet als het bliksemlicht, zij is daarvoor veel vrijer van vlucht: zij draait en zwenkt, cirkelt, zigzagt, trekt een wirwar van vage figuren, een doolhof van wendingen, die zij kruist en overkruist in 't oneindige. De vijand, verward en verdwaasd, weet geen weg meer; zij vermoeit hem, put hem uit: hij geeft het op en verlaat haar, de steeds onvermoeide. Zij is met recht de Koningin van de vlucht; de ruimte behoort haar, door haar onvergelijkelijke lichte bewegelijkheid. Wie kan als zij op het hoogtepunt van snelheid, inhouden en wenden? Niemand! De oneindig gevariëerde jacht op een onophoudelijk bewegelijke prooi, vlieg, mug, kever, duizend insecten, die snorrend en zwevend nooit een rechte lijn beschrijven, is zeker de beste vlieg-cursus, en daardoor is de zwaluw de meerdere van alle vogels. Om dàt te bereiken, dat onovertroffen vliegvermogen voort te brengen, heeft de Natuur tot een ander uiterste moeten komen: het onderdrukken van de pootjes. Bij de groote kerkzwaluw, die gierzwaluw genoemd wordt, is het pootje tot niets geworden. De vleugel wint er bij; men gelooft dat de gierzwaluw tot tachtig mijlen in het uur aflegt. Door deze ongelooflijke snelheid wordt zij de gelijke van den fregatvogel. De poot, die daar heel kort is, wordt bij de gierzwaluw tot een stompje; als zij rust, doet zij het op haar buik, maar zij rust ook niet veel.

Contrast met al zijne natuurgenooten, is voor dezen vogel, alléén beweging, rust. Gooit zij zich van de torens, laat zij zich gaan door de ruimte, dan is het een aangenaam wiegen en zweven; de lucht draagt, ontspant haar. Wil zij zich vasthouden, dan zijn daarvoor haar zwakke klauwtjes voldoende. Maar in rust is zij machteloos, verlamd, en alles kost moeite; zij is weer het slachtoffer van de fataliteit der zwaartekracht; de eerste der vogels, is teruggevallen tot de kruipende dieren.

Illustration from De vogel

Het opvliegen van den grond is voor haar de grootste moeielijkheid; zij moet hoog nestelen om zich weer te laten vallen in haar natuurlijk element. In de lucht neergekomen is zij vrij, meesteres; elders slavin, van alles afhankelijk, prooi van wien haar zou willen grijpen. Haar wetenschappelijke soortnaam zegt alles: Apus = voetloos. Het groote volk van de zwaluwen, met zijn zestig soorten, dat de aarde vervult, vervroolijkt en met zijn sierlijkheid van beweging en lief gesjirp bekoort, dankt al die aangename hoedanigheden aan de misvorming van weinig, heel weinig poot. Zij zijn de roem van al wat vleugels heeft, door hun volmaakt vliegvermogen; maar te gelijk de meest gebondenen aan nest en rustplaats. Bij deze geheel op zichzelf staande familie, waar de voet den vleugel niet steunt, bepaalt zich de opvoeding tot het gebruik van de vleugels alleen, een langdurige leertijd. De jongen moeten lang in het nest blijven en daardoor ontwikkelt zich in bijzondere mate de teederheid en voorziende zorg van de moeder. De bewegelijkste der vogels is door liefde gebonden. Het nest dient niet enkel voor een kort huwelijksleven, maar het is een woning, een „tehuis”, en het belangwekkend tooneel van een moeielijke opvoeding en wederzijdsche opoffering. Er woont een teedere moeder, een trouwe echtgenoote; en veel meer: jonge zusjes, die hun best doen om de moeder te helpen, als kleine moedertjes en voedsters van kinderen, nog veel jonger dan zij. Er is moederlijke teederheid, en wederzijdsche zorg en onderricht, van kleintjes aan kleineren. Het schoonste is, dat die band blijft; in gevaar zijn alle zwaluwen zusters; schreeuwt er een, alle komen; wordt er één gevangen, dan jammeren alle en spannen zich in om haar te bevrijden.

Het is bekend, dat deze bekoorlijke vogeltjes hunne belangstelling zelfs uitstrekken tot vogels, die aan hun soort vreemd zijn. Zij hebben met hun lichte vlucht minder dan eenig andere soort, van roofvogels te vreezen, en zij waarschuwen dan ook den hoenderhof als er een in aantocht is. Hoenders en duiven kruipen weg en verschuilen zich, als zij den kreet van de zwaluw hooren, die hen waarschuwt.

Neen, het volksgeloof dat de zwaluw zoo hoog stelt, is geen dwaling.

Waarom? Zij is de gelukkigste, want zij heeft de meeste vrijheid:

vrij, door haar weergalooze vlucht,

vrij, door gemakkelijke voeding,

vrij, door keuze van klimaat.

Ook heb ik, hoe ijverig ik haar taal beluisterde (het is meer babbelen tegen haar zusters dan zingen) nooit anders er uit kunnen hooren dan een zegenen van het Leven, en lof van God.

Liberta! molto e desiato bene.—„Vrijheid! onschatbaar goed, zoo zéér verlangd!” Deze woorden gingen aanhoudend in mij om, op het groote plein te Turijn, waar wij onze oogen niet konden afhouden van de ontelbare zwaluwen, die daar rondvlogen, met kleine vreugdegeluidjes. Zij vonden daar, afdalende van de Alpen, de gemakkelijkste woningen kant en klaar, in de gaten, achtergelaten door de steigers, in de muren der paleizen. Dikwijls, en vooral 's avonds tjilpten zij luid en schreeuwden, dat men elkaar niet verstaan kon; en zij vlogen, hals over kop, dat zij haast tuimelden, den grond scherend; maar zóó vlug waren zij weer op, dat het leek een springveer hen opgooide, of een boog hen afschoot. In tegenstelling van ons menschen, die aanhoudend naar de aarde teruggetrokken worden, schijnen zij hun zwaartekracht naar boven te hebben. Nooit zag ik juister beeld van wat vrijheid is. Het was een spelen, een zich vermeien, in het oneindige.

Zelf reizigers, verheugden wij ons in deze reizigers, die zoo zorgeloos en vroolijk het zweven opnamen. Toch was de omgeving ernstig: de Alpen, die daar den horizont begrenzen, schenen naderbij, op dat uur; de dennenbosschen, donkerden zwart in de avondschemering; de lichtschijn van de gletschers verbleekte. In dubbelen rouw scheidden ons deze groote bergen van Frankrijk, waarheen ons langzamerhand onze weg zou terugleiden.

Illustration from De vogel
HARMONIES DE LA ZONE TEMPÉRÉE
HARMONIES DE LA ZONE TEMPÉRÉE

HARMONIEËN VAN DE GEMATIGDE LUCHTSTREEK.

Illustration from De vogel

HARMONIEËN VAN DE GEMATIGDE LUCHTSTREEK.

Waarom plaatsen de zwaluwen en zooveel andere vogels hunne woningen zoo dicht bij die van den mensch? Hoe komen zij zoo bevriend met ons, dat zij ons volgen in onze werkzaamheden, ons daarbij vervroolijkend met hun zingen? Waarom bestaat alléén in onze gematigde luchtstreek, die harmonische band, die toch de Natuur zelve bedoelt?

Dat komt, omdat beide partijen, de vogel zoowel als de mensch, hier vrij zijn van de drukkende fataliteit, die in de warme streken hen scheidt en aan elkaar tegenoverstelt.

De warmte, die den mensch verslapt, prikkelt integendeel den vogel, kweekt bij hem de drukke bewegelijkheid, de onrust en de woestheid, die zich uit in rauwe kreten. In de tropen is er een absolute scheiding; slaven zijn zij beide van een tyrannieke natuur, die verschillend op hen drukt. Uit die klimaten in de onze te komen, is een overgang naar de vrijheid.

De natuur, die wij dáár ondergingen, beheerschen wij hier. Ik verwijder mij gaarne van daar, zonder ééns het hoofd te wenden naar dat overweldigend paradijs, waar ik, een zwak kind, machteloos lag in den arm van die sterke voedster, die mij dronken maakte met haar al te krachtig voedsel, meenende mij te drenken.

Deze hier is voor mij gemaakt, zij is mijn wettige vrouw. En van te voren gelijkt zij mij al: zij is ernstig, werkzaam als ik, zij heeft arbeidsinstinkt, en geduld.

De wisselende jaargetijden verdeelen den grooten dag van het jaar voor den arbeider; het werk wisselt af met den rusttijd. Geen harer vruchten geeft onze natuur voor niets; maar zij geeft wat meer is dan vele vruchten: nijverheid en werklust.

Met welk genot vind ik in haar mijn beeld, de sporen van mijn wil, de scheppingen van mijn kunnen en van mijne intelligentie. Grondig door mij bewerkt, omgewerkt, vertelt zij mij wat ik deed, herschept mij voor mijzelven. En ik zie haar ook, zooals zij was, vóór haar menschelijk herboren zijn, voor dat zij mensch geworden was.

Eentonig en triest voor den eersten aanblik, lagen daar bosschen en grasvlakten, maar toch zoo verschillend van wat men in de heete luchtstreken ziet.

Het grasland, het frisch-groene kleed van Engeland en Ierland, het teeder fijne tapijt van een gras, dat zich altijd vernieuwt,—niet het ruige dek van de Aziatische steppen, de vijandige, gedoornde vegetatie van Afrika, de stekelige, wilde Amerikaansche savanna's, waar de kleinste plant houterig is, een harde struik; de Europeesche weiden, met hunne vluchtige jaarlijksche plantengroei, hunne bescheiden bloempjes met een zwakken, zoeten geur, hebben een karakter van jonkheid, of laat ik liever zeggen onschuld, dat harmonie brengt in ons denken, en de ziel verkwikt. Op deze eerste laag van een bescheiden en smeeïg gras, dat geen pretenties heeft naar hoogen groei, teekent zich, door de tegenstelling, te scherper de krachtige individualiteit der forsche boomen af; een groot verschil met den warrigen groei der tropische wouden.

Illustration from De vogel

Wie kan uit die dichte massa van lianen, orchideeën, tallooze parasieten, de boomen ontwarren—zelf van kruidachtigen aard—die er onder zijn bedolven. In onze oude Gallische of Germaansche bosschen, verheffen zich stoer en statig, langzaam en stevig opgebouwd, de iep of de eik, de held van het plantenrijk, met zijn knoestige armen, zijn hart van staal, die acht of twaalf eeuwen overwon, en die, neergeveld door den mensch en verbonden aan zijn arbeid, de eeuwigheid der natuurgewrochten openbaart.

Zoo de boomen, zoo de mensch. Zij het ons gegeven hem te gelijken, dien krachtigen, rustigen eik, die met zijn machtig absorbeerings-vermogen alle voedingselementen in zich concentreerde, en zoo zich opbouwde tot het ernstig, nuttig, volhoudend individu, de sterke persoonlijkheid aan wie allen in vertrouwen bescherming komen vragen; die over zooveel dierlijk leven, zijn armen beschuttend uitstrekt, en ze veilig bergt in de dichte massa van zijn loof!... En in hun dankbaarheid, vervroolijken zij dag en nacht met een blij koor van geluiden, de zwijgende majesteit van dien ouden, die van eeuwen getuigen kan. De vogels danken hem, en in het patriarchale lommer brengen zij de bekoring van hun zangen, van hun jeugd en hun liefde.

O! de levenswekkende kracht van het westelijk klimaat! Waarom leeft de eik duizend jaren? Omdat hij ieder jaar weer jong is.

Hij is de lente-verkondiger. De emotie van het zich vernieuwende leven, begint voor ons niet, wanneer de natuur zich dekt met het éénvormig kleed van de gewone planten; maar zij begint, wanneer wij zien hoe de eik, tusschen het harde, dorre blad van 't vorige jaar uit, zijn nieuwe loof loswringt; wanneer de iep, die rustig het ongeduld der mindere boomen om zich, liet voorbijgaan, met een luchtig groen zijn teedere twijgen gaat tinten, zijn rijzige takken, die zich in hun streng omhoog-gaan zoo fijn afteekenen tegen de lucht. Dan spreekt de natuur tot allen; haar machtige stem beroert zelfs de ziel van den wijze. Waarom ook niet? Is de natuur niet heilig? En dit verrassend ontwaken, dat alle leven oproept, zoo in het starre hart van den eik, als in zijn heerlijken hoog-opstrevenden top, waar de vogel zijn vreugde uitjubelt; is het niet, als het wederkomen van God op aarde?

Ik heb geleefd in de klimaten, waar olijf en oranje staan in hun eeuwig groen. Maar hoewel, van die keurboomen de schoonheid en bijzondere distinctie beseffende, kon ik mij toch niet gewennen aan het ééntonig, onveranderlijke kleed, dat met zijn altijd zelfde groen antwoordt op het altijd zelfde blauw van de luchten. Ik wachtte op iets, op eene hernieuwing, die niet kwam. De dagen gingen, maar altijd gelijk. Geen blaadje minder, geen wolkje, nog zoo klein! „Genade!” vroeg ik, „o eeuwige natuur! Verandering voor dit veranderlijk hart, dat gij mij gaaft! Regen, slijk, storm, ik neem alles aan; maar dat van den hemel of van de aarde de gedachte aan beweging mij weer geworde! aan herleving! dat ieder jaar, het zien eener hernieuwde schepping mijn ziel verfrissche, en mij de hoop hergeve, dat er ook voor mijne ziel eene wedergeboorte komt, en dat zij met de wisselingen van slaap, van dood of winter zich nieuwe lente kan scheppen.” Mensch, vogel, de geheele natuur, zij zeggen allen hetzelfde. Door wisseling zijn wij.

Die sterke wisselingen van kou en warmte, van nevel en zon, van droefheid en blijheid, geven het karakter, het machtige eigen, aan ons Westen. De regen verveelt ons, morgen zal het weer helder zijn. Het schitterende oosten, de wonderen der tropen, bij elkaar geteld, komen niet in vergelijking met het eerste Maartsche viooltje, het eerste vogellied in April, den bloeienden meidoorn, de vreugde van het jonge meisje, dat voor het eerst weer haar licht kleedje aantrekt.

Illustration from De vogel

In den morgen klinkt een heldere zang, zeldzaam frisch en zuiver; het is de schallende metaalklank van den merel; en geen hart zoo droef, geen ouderdom zoo mokkend of zij hebben dáárvoor nog een glimlach. Toen ik eens op een lentedag op weg naar Lyon door Maconsche wijngaarden kwam, waarin men juist met het opbinden bezig was, zag ik een doodarm, oud blind vrouwtje, dat met een buitengewoon vroolijk accent het oude volksliedje zong:

„Nous quittons nos grands habits pour en prendre de plus petits.”

Illustration from De vogel
L'OISEAU - OUVRIER DE L'HOMME
L'OISEAU - OUVRIER DE L'HOMME

DE VOGEL. Arbeider van den Mensch.

Illustration from De vogel

DE VOGEL.

ARBEIDER VAN DEN MENSCH.

De gierige landbouwer,—Virgilius heeft dat juist gevoeld—gierig, en daarbij nog blind, vervolgt de vogels, die toch insektenverdelgers zijn, en verdedigers van zijn oogst.

Geen enkel zaadje voor hen, die in de regenachtige winters de wordende insecten en de larven zoeken, die ieder blaadje omkeerden en afzochten, die dagelijks duizende rupseneieren vernietigden. Maar voor de volwassen insekten zakken vol haver; en akkers vol koren voor de sprinkhanen die anders door de vogels verdelgd waren geworden.

Den blik steeds op de vore, op het oogenblik gericht, blind voor de groote harmonie, die men niet straffeloos verbreekt, heeft hij altijd de wetten verlangd of toegejuicht, die hen bestreden, die toch zijne noodzakelijke helpers zijn bij den arbeid: de vogels, de insektenjagers.

En de insekten hebben weer de vogels gewroken. Toen moest de gebannene haastig terug geroepen worden. Op het eiland Bourbon b.v. was er een prijs gesteld op het hoofd van den ijsvogel; hij verdween; maar het gevolg was, dat de sprinkhanen bezit namen van het eiland; wat zij niet verslonden, werd een dorre verbrande woestenij. Zoo gebeurde het in Noord-Amerika met de spreeuwen, de verdedigers van de maïs. En de musschen zelfs, die over het graan heenvallen, maar nog meer het verdedigen, de musschen, roovers en plunderaars zoo veel verwenscht en vervloekt,—in Hongarije heeft men gezien, dat men zonder hen niet kon bestaan, dat zij alléén den geweldigen krijg kunnen volhouden met de meikevers, met de tallooze insekten, die heerschen op de lage gronden. Men heeft de ban herroepen en die dappere „landwehr” in zijn eer hersteld; want zijn zij al tuchteloos, zij zijn toch het heil van het land.

Het is niet lang geleden, dat bij Rouaan in het dal van Monville, de kraaien in den ban waren gedaan. Maar toen hebben de meikevers zóó geprofiteerd, en hunne in 't oneindige verveelvoudigde larven hebben zóó gewerkt onder den grond, dat een grasland, dat men mij toonde, aan de oppervlakte geheel verdroogd was. Alle worteltjes waren afgeknaagd, en men kon het geheele weiland oprollen als een tapijt.

Het inroepen van de Natuur door den mensch veronderstelt het begrip van de Natuurorde. Zóó is de orde, en dit is haar Wet: Het leven heeft om zich heen, in zich, zijn vijand, dikwijls zijn gast, de parasiet, die het ondermijnt en uitvreet. Het bewegingloos en weerloos leven, vooral zou vernietigd worden, zonder den onvermoeiden vijand van zijn parasieten, den ijverigen jager, den gevleugelden overwinnaar der monsters.

Illustration from De vogel

Oorlog dus overal; oorlog naar buiten, in de tropen, waar alles aan de oppervlakte komt, en oorlog naar binnen, in ons klimaat, waar het meer in 't verborgen geschiedt, geheimzinnig en in de diepte.

In de overweldigende vruchtbaarheid van de heete zône verslinden de insekten, die moordenaars van den plantengroei, alléén het teveel. Bij ons stelen zij van het noodige. Dáár voorzien zij zich in de kwistige weelde van wild opschietende planten, van verloren zaden, van vruchten, waarmee de Natuur de wildernissen bestrooid heeft. Hier, op den afgeperkten akker, besproeid met het zweet van den landman, oogsten zij van zijn oogst, verslinden zij zijn werk en de vrucht daarvan; zij vallen zijn leven aan. Men zegge niet: „maar de winter is voor ons, hij zal den vijand dooden.” De winter doodt den vijand, die toch zou sterven; hij doodt voornamelijk de kortlevenden, wier duur samenging met den duur der bloemen, der bladen, waarvan zij leefden. Maar vóór zijn bezwijken waarborgt dat voorziend atoom het leven voor zijn nakomelingschap, en hij produceert en beveiligt, diep verborgen, vast zijn toekomst, de kiem van zijne hernieuwing. Als eieren of larven, of zelfs als volkomen insekt, levend, gewapend, slapen deze onzichtbaren in den schoot der aarde en wachten er hun tijd.

De aarde zou bewegingloos zijn! Ik zie haar golven; want in haar velden werkt die zwarte mijnwerker, de mol. En hooger in de droge gedeelten heeft de rat zijn graankelders en zit in bespiegeling op zijn hoop koren, wachtend zijn tijd. Dat alles gaat leven in de lente. Van hoog, van laag, van rechts, van links komt die opeenvolging van knagers en knabbelaars, legioenen, die elkaar afwisselen; ieder in zijn maand, op zijn dag. En de natuur richt den marsch van deze overstelpende onafzienbare mobilisatie op den arbeid van den mensch.

Eene volmaakte verdeeling van arbeid. Ieder vooruit op zijn post, en geen die zich vergist. Allen gaan recht op hun doel af, op hun boom, op hun plant. En in zulk een schrikbarend aantal, dat er legioenen gaan op één blad. Wat zult gij nu doen, arme Mensch? Hoe zult gij u verveelvoudigen? Hebt gij vleugels om hen te volgen? oogen om hen te zien? Gij kunt er zooveel dooden als gij wilt; zij zijn volkomen veilig. Maak ze af bij millioenen, zij blijven leven bij milliarden. Waar gij denkt te zegevieren met ijzer, met vuur, vernielend ook de planten zelve, daar hoort gij van terzij het lichte ruischen van het groote atomenleger, dat van een zegepraal niet merkt en onzichtbaar voortknaagt.

Luister nu: ik geef u tweeledigen raad. Onderzoek en kies de beste. Het eerste middel, en het wordt al toegepast, is, alles te vergiftigen. Drenk de zaden in kopersulfaat, bescherm uw koren met groenspaan. Daar was de vijand niet op bedacht en het brengt hem in de war. Als hij er aanraakt is hij dood, of hij zal wegkwijnen. Maar daarbij gaat het uzelf ook niet goed; die gewaagde krijgslist kan een van de geesels worden, die onzen tijd teisteren. Gezegende tijd! De brave landman begint met vergiftigen; het gekoperde graan, bij den handigen bakker gebracht, gaat gisten door het kopersulfaat; een eenvoudig handig middel; het lichte deeg rijst, zwelt, men zal er nog om vechten!

Neen, ge kunt beter doen. Kies uw partij. Bij zóóveel vijanden is wijken geen schande. Kruis uw armen, en laat hen begaan. Ga er bij liggen kijken. Doe wat die dappere deed, den avond van Waterloo; gewond lag hij neer, maar hij richtte zich nog op en keek naar den horizont. Daar zag hij Blücher en de stofwolken van het Zwarte Regiment. Toen viel hij weer terug. Het zijn er te veel!

En hoeveel recht hebt gij niet dat te zeggen! Alléén staat gij tegenover die groote samenzwering, die alle leven bedreigt. Gij kunt ook zeggen „er zijn er te veel!” Maar gij houdt vol: „dit land ziet er toch goed uit; in dit lekkere malsche gras zou ik graag mijn beesten zien loopen.” Kom, we zullen ze er heen brengen.

Er wordt al op hen gewacht. Wat zouden zonder hen die levende wolken van insekten beginnen, die op enkel bloed azen. Het bloed van het rund is goed, maar het bloed van den mensch is beter. Ga er maar heen, er midden tusschen door, ge zult goed ontvangen worden; want gij zijt een feestmaal voor hen. Die angels, die slurven, die tangen zullen grasduinen in uw vleesch; het zal een bloedige orgie worden op uw lichaam, voor den uitzinnigen dans van die uitgehongerde massa; en ze zullen niet loslaten, tot ze niet meer kunnen. Meer dan één zult ge er zien ronddraaien en sterven op de bedwelmende bron, die zijn angel heeft doen wellen. En gewond, bloedend, met zwellingen en builen overal, zult ge geen rust gelaten worden. Er komen anderen en weer anderen, altijd en zonder einde. Want is ons klimaat ook niet zoo krachtig als de heete zônen, daar staat tegenover de eeuwige regen, die zee van lauw en zoet water, die eindeloos onze landen overgiet en er de vruchtbaarheid kweekt, waarin die begonnen en wachtende levens tot rijpheid komen, die klaar staan om op te stijgen, te groeien en zich te volmaken met de vernietiging van het hoogere leven.

Illustration from De vogel

Ik heb gezien, en het was niet eens in de moerassen, maar op de hoogere gronden van het westen op bekoorlijk groene heuvels, bedekt met bosch of grasland, hoe daar immense poelen van regenwater bleven staan en later toen de zonnestralen ze hadden opgezogen, bleek er de aarde bedekt met eene overvloedige productie van dierlijk leven, slakken en insekten van alle soorten, een hongerend volk, gewapend, geboren met verschrikkelijke vernielingswerktuigen. Machteloos stonden wij tegenover dezen onverwachten overval, voor die krioelende, kruipende en vliegende wereld, die gereed was ons te overweldigen! Maar wij aanvaardden den strijd met behulp van een paar onverschrokken en hongerige kippen, die den vijand ongeteld en zonder praatjes verslonden. Deze Bretonsche en Vendeesche hoenders, bezield met den dapperen geest van hun land, voeren den krijg des te zekerder, daar zij het ieder op hare wijze deden. De „zwarte”, de „grijze” en de „broedster” (dat waren hun strijdnamen) rukten en corps tegen het vijandelijke leger op, en weken niet. De „Droomer” of „filosoof” werkte liever op haar eigen houtje, en het resultaat was er niet minder om. Een prachtige zwarte kat, hun metgezel in de eenzaamheid, bestudeerde ijverig de sporen van veldmuizen, joeg op hagedissen, vervolgde de wespen, en at de vliegen, altijd op eerbiedigen afstand van de kippen.

Over die kippen nog een weemoedig woord. Aan alles komt een eind en wij moesten vertrekken. Wat zou er van haar worden? Gaven wij ze weg, dan zouden ze zeker worden opgegeten. Lang hebben wij beraadslaagd. Eindelijk namen wij een kloek besluit, en in navolging van het oud geloof der wilde stammen, dat men niet gelukkiger kan sterven, dan door hen, die men liefheeft, en dat het eten van helden, helden kweekt, hebben wij een maaltijd van haar aangericht, en ze niet zonder weeklagen verorberd.

In de lente, wanneer met schrikbarend bewegen, het groote monster ontwaakt, piepend en snorrend, en kwakend en gonzend in zijn geweldigen honger, dan is het voor ons een grootsch schouwspel te zien, hoe van den hemel de universeele redder komt afdalen—in velerlei vormen, in talrijke legioenen, ongelijk van karakter en wapenen, maar alle gevleugeld, deelende in het goddelijk privilege van den Heiligen Geest, overal tegelijk tegenwoordig te zijn.

Illustration from De vogel

Aan de alomtegenwoordigheid van de insekten, wat hun aantal betreft, beantwoordt die van de vogels door vlugheid, door het vliegen. Het groote moment is dan, wanneer het insekt, ontwikkeld door de warmte, den vogel tegenover zich vindt, den vogel verveelvoudigd, den vogel, die van zog verstoken juist dàn een talrijk kroost heeft te voeden, met jacht en levende prooi. Ieder jaar zou op nieuw de wereld in gevaar zijn wanneer de vogel zoogen kon, of wanneer het één individu, één maag was, die gevoed moest worden. Maar het broedsel, steeds schreeuwend, of liever, niet te verzadigen, roept zijn prooi met tien, vijftien, twintig, open snavels; en zóó veeleischend zijn zij, zoo vurig is de ijver der zorgende moeder om aan die kreten gehoor te geven, dat de mees, die twintig kinderen heeft, radeloos als zij hen niet kan stillen met drie honderd rupsen per dag, er toe komt hen de hersenen van jonge vogeltjes te brengen, die zij vermoordt in de nesten.

Van onze vensters, die op het Luxembourg uitzien, kunnen wij waarnemen hoe gelijk met den winter, de nuttige krijg van den vogel met het insekt begint. Met December beginnen de jaarlijksche werkzaamheden. Het fatsoenlijk en eerzaam echtpaar merel—men zou hen ook de „bladkeerders” kunnen noemen, werkt in paren. Als na regendagen de zon weer doorkomt, ziet men hen bij de plassen, zij lichten handig en nauwgezet de bladen op, één voor één, en geen dat niet zorgvuldig wordt onderzocht.

In die sombere maanden als de slaap van de Natuur wel haar dood gelijkt, vertoont dus de vogel alléén, ons nog een stukje leven. Op de sneeuw zelfs begroette ons de merel bij ons ontwaken. Op de ernstige winterwandelingen hadden wij altijd het goudhaantje om ons heen, met zijn rap zangetje en zijn zoet en fluitend roepen. De musschen altijd meer familiaar, zaten op ons balkon. Heel precies op de uren als zij zijn, wisten zij, dat tweemaal per dag de tafel voor hen gedekt was, zonder dat hun vrijheid er bij in zou schieten.

Als fatsoenlijke werklui houden zij op met vragen zoo gauw de lente komt! En toen hun kinderen zoover waren, dat zij vliegen konden, hebben zij ze vroolijk naar ons venster gebracht, als in dankbaarheid.

Illustration from De vogel
LE TRAVAIL
LE TRAVAIL

DE ARBEID.

Illustration from De vogel

DE ARBEID.

DE SPECHT.

Er zijn vele onnoozele lasterpraatjes omtrent de vogels in omloop, en daarvan is wel een van de onnoozelste, dat de Specht, die gaten pikt in de boomen, daarvoor de harde en gezonde uitkiest, die hem het meeste werk geven. Voor het gezond verstand is het duidelijk genoeg, dat het arme dier, dat zich met wormen en insecten voedt, daarvoor de zieke en meest aangetaste boomen noodig heeft, waar hij minder weerstand zal vinden, en die hem bovendien rijken buit beloven. En de verwoede krijg, dien hij voert, tegen dat volk van vernielers, die anders ook de gezonde boomen zouden bederven, is een zéér gewichtige dienst, die hij ons bewijst. De staat moest hem beloonen, zoo niet met eene toelage dan toch met den eeretitel van „Behouder der bosschen”. Maar wat doet men? Inplaats van hem te beloonen, hebben onwetende administrateurs dikwijls een prijs op zijn hoofd gesteld.

Maar de specht zou niet de ideale arbeider zijn, als hij niet werd belasterd en vervolgd. Zijn bescheiden gilde, over oude en nieuwe wereld verspreid, dient den mensch, en is hem tot leering en verheffing. Het kleed verschilt, maar het algemeene herkenningsteeken is de scharlakenroode kap, waarmee deze brave werkman veelal zijn hoofd tooit, zijn dikken, stevigen schedel. Het gereedschap, dat bij zijn vak behoort, en dat hem dient tot houweel en bijl, beitel en boor, is zijn forsche, vierkant ingeplante bek. Zijn krachtige pooten met de sterke zwarte nagels, die stevig grijpen, maken het hem mogelijk geheele dagen in hoogst ongemakkelijke houding tegen een boom of tak te zitten, altijd maar kloppend van beneden naar boven. 's Morgens alleen is hij in beweging, dan gebruikt hij zijn ledematen op allerhande wijze, zooals alle goede werkers doen, om op gang te komen, en daarna aan 't werk te blijven. Met zeldzame toewijding klopt hij een heelen dag. Dikwijls hoort men hem nog laat in den avond, hij werkt dan na, dat is dan zooveel uur winst. Zijn geheele bouw is aangelegd op dit leven van strengen arbeid. De spieren, altijd gespannen, geven een lederachtige hardheid aan zijn vleesch. De bijzonder groote galblaas duidt op hevigheid en hardnekkigen ijver bij het werken; van drift overigens geen spoor.

De meeningen over dit merkwaardig wezen, moesten wel zeer uiteen loopen. Men heeft den grooten werker geschat, naarmate men zijn werk schatte, naarmate men zelf meer of minder werkzaam was, en naarmate men al of niet, in een rustig werkzaam leven, een vloek, of een zegen des hemels, zag.

Illustration from De vogel

Men heeft ook willen weten, of de specht vroolijk of ernstig is; daarop kwamen verschillende antwoorden, misschien alle juist, in verband met soort en klimaat. Ik wil gaarne aannemen, dat Wilson en d'Audubon hem vroolijk en beweeglijk zagen. Zij bedoelen namelijk den mooien specht met gouden vleugel, van Carolina, op de grens der tropen. Die specht komt gemakkelijk en ruim aan den kost, in die warme landen, zoo rijk aan insekten. Zijn sierlijk gebogen snavel, minder hard dan die van onze spechten, schijnt er ook op te wijzen, dat hij met minder weerspannige boomen te doen heeft. Maar de fransche en duitsche spechten, die door het omhulsel van onze oude Europeesche eiken moeten dringen, hebben een heel ander werktuig; hun snavel is vierkant, zwaar en sterk. Het is zeer waarschijnlijk, dat hun dag meer werkuren heeft. Zij zijn arbeiders, die onder slechte condities werken: meer werk en minder loon. Vóóral in tijden van droogte zijn zij er jammerlijk slecht aan toe; de prooi vlucht, trekt zich verder terug, zoekt de koelte. Daarom roept onze Fransche specht den regen: „Plieu-plieu!” zegt het volk. In Bourgondië noemen zij den specht „procureur van den molenaar”2). Want als er geen water valt, moeten specht en molenaar stop zetten en hongerlijden. Maar is het geen vergissing van Toussenel, onzen grooten vogelkenner, den voortreffelijken en vernuftigen waarnemer, als hij den specht vroolijk noemt? Wáárop grondt hij die meening? Op de koddige buigingen, waarmee hij het wijfje denkt welgevallig te zijn?

Maar wie van ons, ook de meest ernstige, doet in hetzelfde geval niet hetzelfde. Hij noemt hem ook guit en potsemaker, omdat eens een specht, toen hij hem zag, vlug rond ging draaien. Voor een vogel, die maar zeer middelmatig vliegt, was dat misschien het wijste, wat hij doen kon, vooral tegenover zulk een uitstekend schutter. En dit bewijst voor zijn gezond verstand. De specht met zijn ongewild vleesch, had een gewoon jager rustig laten naderen. Maar van zulk een kenner, zulk een vurig vogelminnaar, had hij grootelijks te vreezen; zeker zou hij zijn opgezet, ter opluistering van een of ander museum.

Ik verzoek den beroemden schrijver, er nog eens goed over na te denken, hoe zulk een leven van onafgebroken arbeid moet werken op humeur en gedrag. De lengte van zulke werkdagen gaat verre de aangename maat te buiten van wat Fournier noemt: „aantrekkelijk werk.” De specht werkt op zichzelf, voor eigen rekening, en zeker beklaagt hij zich daarover niet; hij voelt het als zijn eigen belang, veel en zoolang mogelijk te werken. Stevig op zijn sterke pooten, in een lastige houding, blijft hij een dag waar hij is, en er nog over. Is hij gelukkig? Ik denk het wel. Vroolijk? Dat betwijfel ik. Treurig? In 't geheel niet. Het ingespannen arbeiden, maakt ons ernstig; maar het verbant ook de somberheid.

Hij echter, die onintelligent werk verricht, of de ongelukkigen, die moeten overwerken, zij zien slechts geluk in een leven zonder arbeid; het ingespannen bestaan van den specht, moet hun wel een vloek van het lot schijnen. De Duitsche handswerkman verzekert, dat het een bakker is, die zelf luierende op zijn kantoor, het arme werkvolk bedroog met slecht gewicht, en hen liet honger lijden. Nu moet hij voor zijn straf al maar werken, doorwerken tot het laatste oordeel, levend van insekten.

Een onnoozele en zonderlinge verklaring. Ik houd meer van de oude Italiaansche fabel: Picus, zoon van den tijd—Saturnus—was een held van strenge zeden, hij versmaadde de liefde en de begoochelingen van Circé. Om haar te ontvluchten, nam hij vleugels en ging zich verbergen in de bosschen. En nu heeft hij ook het menschelijke wezen verloren. Maar hij kreeg er meer voor terug: een goddelijk inzicht, voorspellend en voorziend; hij weet, wat nog komen moet, hij ziet wat nog niet is.

Een zeer belangrijk oordeel over de spechten hebben de Indianen van Noord-Amerika. Deze helden hebben wel ingezien, dat ook de specht een held is. Zij dragen graag den kop bij zich van de soort, die zij „de specht met den ivoren snavel” noemen, en gelooven dan, dat zijn moed en ijver in henzelf zal varen. Een zéér gegrond geloof, zooals de ondervinding bewijst. Zelfs het krachtigste gemoed voelt zich nog versterkt, met dat sprekend symbool steeds onder de oogen; „zoo wil ik zijn, in moed en volharding.”

Maar dit moet men in het oog houden, dat de specht, al is hij een held, altijd de vreedzame held van den arbeid is. Hij heeft geen andere eischen. Zijn vervaarlijke bek, zijn sterke klauwen, zijn voor heel andere dingen bestemd, dan voor den krijg. Hij is zoo geheel en al ingenomen door zijn werk, dat geen naijver hem ooit tot een gevecht zou verleiden. De arbeid absorbeert hem en vraagt de inspanning van al zijn vermogens.

Zijn werk is zéér samengesteld en vol afwisseling. Eerst onderzoekt de ervaren houtvester met zijn hamer, d. i. zijn snavel, taktvol zijn boom. Hij luistert, hoe het geluid klinkt; wat de boom zegt, wat hij in zich heeft. Het ausculteeren, in de medicijnen nog betrekkelijk nieuw, was al sedert duizend jaren het voornaamste procédé van den specht. Hij vroeg, peilde, zag met het gehoor, de leemten en holten in het weefsel van den boom. Een boom, soms uiterlijk gezond en krachtig, om zijn reusachtigen bouw al aangewezen door den hamer van de marine, wordt door den specht, oneindig bekwamer beoordeelaar, rottig en aangestoken bevonden; in het gebruik zal hij op noodlottige wijze te kort schieten: het hout zal onder de constructie bezwijken, of het schip zal een lek krijgen. Als de boom grondig onderzocht is, eigent de specht hem zich gerechtelijk toe, en vestigt er zich. Het hout is voos, dus slecht, dus bevolkt, er woont een insektenstam. Er moet aangeklopt aan de poorten der stad. De bevolking vlucht in wanorde, òf over de muren òf door de zijwegen. Er hadden schildwachten moeten zijn. Bij ontstentenis daarvan, betrekt de éenige belegeraar de wacht, van tijd tot tijd het hoofd wendend om voorbijtrekkende vluchtelingen in te rekenen; daartoe dient hem voortreffelijk, een buitengewoon lange tong, die hij uitschiet zooals een slang dat doet. Die jacht geeft hem een grage maag en de inspanning windt hem op. Hij begint te zien door schors en hout heen; hij ziet de ontsteltenis van den vijandigen stam, en woont hun volksvergaderingen bij. En soms daalt hij heel gauw van den boom naar beneden, als vreesde hij een geheimen uitgang, die de belegerden in veiligheid brengt.

Illustration from De vogel

Een boom, uiterlijk gezond, van binnen rottig en aangevreten, welk een beeld van verschrikking voor den patriot, die nadenkt over het lot der volkeren! Toen in Rome de republiek begon te verzwakken, voelde het Romeinsche volk zich zulk een boom gelijk en er kwam een dag, dat het sidderend den specht zag neerkomen op het Forum zelf, op het tribunaal, letterlijk den praetor in de hand. Toen was er ontroering en sombere gedachten. Men zendt om de waarzeggers, zij komen: als de vogel ongestraft vertrekt, zal de Republiek sterven, blijft hij dan bedreigt hij alléén hèm, die hem in de hand heeft, den praetor. Deze magistraat, het was Aelius Tubero, doodde den vogel onmiddellijk, hij stierf zelf spoedig daarop, en de Republiek duurde nog twee eeuwen.

Dat is niet belachelijk, maar groot, want zij duurde door dit nobel beroep op de toewijding van een harer burgers. Zij duurde door het zwijgend antwoord van een groote ziel. Deze handelingen zijn vruchtbaar, zij kweeken mannen en helden; zij bestendigen den duur der volken.

Om op onzen specht terug te komen: deze werker, deze eenzame, deze groote profeet moet ook aan de universeele natuurwet gehoorzamen. Tweemaal op een jaar verloochent hij zijn aard, werpt hij zijn strengheid af en helaas! dat ik het zeggen moet: hij wordt belachelijk. Gelukkig, wie van het menschenras het niet meer dan tweemaal in het jaar is!

Belachelijk, niet omdat hij verliefd is; maar omdat hij zijne liefde op zoo kluchtige wijze uit. Op zijn Zondags uitgedost en prachtig in de veêren, de sombere tinten opgehaald met het mooie scharlaken, draait hij om het wijfje heen, en zijn medeminnaars doen hetzelfde.

Maar deze eenvoudige werklui, aangelegd op ernstige bezigheid, zijn vreemd aan wereldsch kunstvertoon en aan de gracelijke bewegingen der kolibri's, en zij zien geen kans hun hulde anders te betoonen dan door vrij linksche buigingen. Echter linksch voor ons, menschen, niet voor het voorwerp, dat zij er mee huldigen. Zij behagen er mee, en dat is het eenig noodige. Heeft de uitverkorene haar keus bepaald, dan volgt er geen gevecht. Bewonderingswaardige zeden van deze eerzame en waardige arbeiders! De andere druipen teleurgesteld af, maar met fijne en vrome kieschheid blijven zij de vrijheid eerbiedigen. Maar gij denkt misschien, dat de gelukkige en zijn schoone nu hun herdersuurtje gaan genieten, zwervend in de bosschen? In 't geheel niet! Zij gaan onmiddellijk aan het werk. „Toon je talenten,” zegt zij, „en bewijs, dat ik mij niet bedrogen heb.” Welk een gelegenheid voor een kunstenaar! Zij vuurt zijn genie aan. Van timmerman wordt hij schrijnwerker en draaier, van schrijnwerker wiskunstenaar. De regelmaat der vormen, het goddelijk rhytme wordt hem geopenbaard door de liefde. En dit is nu juist de mooie geschiedenis van den beroemden Antwerpschen smid, Quintijn Matsys, die de dochter van een schilder liefhad; om hare liefde te winnen werd hij zelf de grootsche schilder van het XVIde-eeuwsch Vlaanderen.

„Zoo werd een zwart Vulkaan door Liefde een Appel.”

Dus gebeurt het op een goeden dag, dat de specht beeldhouwer wordt. Met de strenge nauwkeurigheid, de volkomen ronding die men alleen met den passer verkrijgt, holt hij een sierlijk gewelf uit, zuiver half bolvormig. Het wordt glad gepolijst als marmer of ivoor. Ook ontbreken hygiënische en strategische voorzorgen niet. Een bochtige nauwe ingang, die naar buiten af helt, dat de regen er niet kan binnendringen, begunstigt de verdediging; kop en snavel van den moedigen inwoner volstaan om de opening te sluiten.

En welk hart zou nu zoo iets kunnen weerstaan? Wie zou zulk een kunstenaar, zulk een kloek verdediger niet aannemen; een die met zoo grooten ijver voorziet in de behoeften van het gezin? Wie zou niet met volkomen gerustheid achter dat nobel bolwerk van dezen toegewijden kampioen, het teeder mysterie van het moederschap volbrengen! Er is dus geen weerstand, en zij nestelen zich: slechts een hymne ontbreekt.—„Hymen! O Hymenaee”!—Het is niet zijn schuld, dat de Natuur aan het genie van den specht de muze der melodie ontzegd heeft; maar in zijn schelle stem herkent men ten minste de noot van den hartstocht.

Illustration from De vogel

Mogen zij gelukkig zijn! Moge een lief jeugdig geslacht onder hunne oogen ontluiken en groeien. De roofvogels kunnen hier niet gemakkelijk binnendringen. Maar de slang! de vreeselijke zwarte slang! als die het nest maar niet vindt! En laat er geen kinderhand komen om den ouders hun kroost te ontrukken! En dan blijve de ornitholoog, de groote vogelvriend, vooral ver van hier.

Als de wreede mensch, dat hard en gestadig werken, die teedere liefde voor het gezin en dat heldhaftig verdedigen van de vrijheid wist te eerbiedigen, dan zou zeker geen jager dezen waardigen vogel te na komen. Een jong natuurkundige, die er een had geworgd om hem te kunnen opzetten, heeft mij gezegd, dat hij den heelen dag ziek en vol wroeging geweest was, van die hardnekkige worsteling, hij voelde zich een moordenaar.

Wilson schijnt hetzelfde ondervonden te hebben: „Den eersten dag, dat ik dezen vogel in Noord-Carolina observeerde,” vertelt hij, „heb ik hem licht aan den vleugel gekwetst; en toen ik hem in mijn hand nam, gaf hij een schreeuw als een kind, maar zoo schel en akelig, dat mijn paard schichtig werd en mij bijna had afgeworpen. Ik nam hem mee naar Wilmington, en in de straten brachten zijn aanhoudend schelle kreten de menschen aan deuren en vensters, vooral doodelijk verschrikte vrouwen. Ik reed door; in de cour van het hôtel zag ik den eigenaar naar mij toe komen met allerlei verschrikte menschen, die niet begrepen wat er gaande was. En denk nu eens aan wat een alarm, toen ik opgaf wat ik voor mijn kind en mijzelf noodig had. De hôtelhouder stond daar bleek en suf, en de anderen waren stom van verbazing. Nadat ik mij een oogenblik met hunne ontsteltenis had vermaakt, vertoonde ik mijn specht, en er volgde een algemeen geschater. Ik nam hem mee naar mijn kamer, en ging even mijn paard verzorgen. Na een uurtje kwam ik terug, en toen ik de deur opende, hoorde ik dienzelfden akeligen schreeuw, nu denkelijk veroorzaakt door de teleurstelling, gesnapt te worden, in zijn poging tot vluchten.

Hij was langs het venster naar boven geklommen, bijna tot aan de zoldering. Vlak daaronder was hij aan het sloopen gegaan. Het bed was bezaaid met groote brokken pleister; de latten van het plafond lagen bloot, wel vijftien vierkante decimeters, en er was al een gat zoo groot als een vuist in het zonnescherm, zoodat misschien na nog een uurtje, hij zich een weg gebaand zou hebben. Ik maakte een touw vast aan zijn bek en bond hem aan de tafel, toen ging ik weg om voedsel voor hem te halen; want ik wilde hem in het leven houden. De trap opgaande, hoorde ik hem weer aan 't werk, en toen ik binnen kwam, was hij bezig om de tafel te vernielen, waar hij aan vast was gelegd. Hij scheen daarop zijn woede te koelen. Hij pikte mij verscheidene malen met zijn snavel, toen ik er een teekening van wilde maken, en zijn moed en ontembare vrijheidszin maakten zulk een indruk op mij, dat ik een aanvechting kreeg hem aan zijn bosschen terug te geven. Hij bleef nog drie dagen in leven, maar weigerde alle voedsel. Met leedwezen zag ik hem sterven.”

Illustration from De vogel
LE CHANT
LE CHANT

DE ZANG.

Illustration from De vogel

DE ZANG.

Het zal weinigen ontgaan zijn, dat kamervogels, wanneer er gasten zijn en het gesprek levendig wordt, daaraan op hun manier gaan deelnemen en beginnen te kweelen en te zingen.

Dat is hun universeel instinkt, zelfs in vrijheid. Zij zijn de echo van God en van den mensch. Zij vereenigen zich met geluiden en stemmen, en paren daaraan hun poëzie en hun wilde naïeve rhytmen. In onbewuste verwantschap, ook als contrast, verhoogen zij de groote effekten in de natuur en vullen die aan: De zeevogel stelt zijn hooge schrille kreten tegenover het zware doffe slaan der golven. Met het eentonig ruischen der bladeren, die de wind beweegt, stemt zacht, het klagend koeren der tortelduiven en het kweelen van tallooze vogels; en aan de glorie der ontwakende velden beantwoordt het luid jubelen van den leeuwerik, die de vreugde der aarde meevoert ten hooge. Zoo klinkt overal vocaal-muziek uit, boven het immens instrumentaal concert der Natuur, boven die zware zuchten, die sonore geluidsgolven van dat goddelijk orgel; het is de vogelzang, die zich losmaakt van die zware basaccoorden; en de veelal vlugge, schelle tonen snijden op dien ernstigen grond, als streek een vurig violist de snaren.

Gewiekte stemmen van vuur, engelstemmen! uitingen van een intens leven, van een hooger leven dan het onze, een leven van zwerven en beweeglijkheid! In den arbeider, den eeuwig gebondene aan zijn akker, wekken zij sereenere gedachten en een droom van vrijheid.

Zooals het plantaardig leven in de lente herboren wordt met het komen der bladeren, vernieuwt zich het dierlijk leven door de terugkomst der vogels, hun liefde en hun zangen. Van dit alles weet men niet op het Zuidelijk halfrond; díe wereld is nog jong en in een staat van wording; zij moet haar stem nog vinden. De hoogste bloei van de ziel en van het leven, de zang, is haar nog niet gegeven.

Het mooie en grootsche verschijnsel op dit hooger levend deel der aarde is, dat, wanneer de Natuur haar zwijgende harmonie van bloemen en bladeren schept, haar lied van Maart en April, haar symphonie van Mei, dat wij allen dan, menschen en vogels, meetrillen in die akkoorden en het rhytme opnemen. Dan worden de kleinsten zelfs dichters, sublieme zangers soms. Zij zingen voor hun genooten, wier liefde zij verlangen... Zij zingen voor wie naar hen luisteren wil, en die eerste wedstrijd eischt van velen een ongehoorde inspanning. De mensch geeft den vogel antwoord. De zang van den een, roept den zang van den ander. Dat samengaan is ongekend in de heete zône. De schitterende kleurenweelde, die er de harmonie vervangt, schept niet zulk een band. De vogels dáár in hun juweelentooi, zijn er niet te minder eenzaam om.

Wel zéér verschillend van die uitgelezen schepsels in hun fonkelende pracht, is de vogel van onze landen, zoo simpel van kleed, zoo rijk van hart: hij leeft met de armen. Zeer weinigen maar, zoeken de mooie tuinen, de aristokratische lanen, de schaduw der trotsche parken. Allen leven met den landman. God gaf hen overal een plaats. Wouden en boschjes, lichtingen, akkers en wijngaarden, vochtige weiden en het riet der plassen, de bosschen van het gebergte en zelfs de besneeuwde toppen, iedere plaats gaf Hij zijn gevleugelde bevolking; geen plek is misdeeld van deze harmonie; en zoo is het, dat de mensch nergens gaan kan; niet zóó hoog stijgen, niet zóó laag dalen, of hij vindt er den vreugdezang, den zang der vertroosting.

Illustration from De vogel

Als de dag tenauwernood is begonnen, en in de stallen het klokje luidt voor de kudden, dan is ook de gele3) kwikstaart klaar om hen te geleiden, en trippelt vroolijk om hen heen. Zij mengt zich onder het vee, en zoekt het bijzijn van den herder. Zij weet dat dier en mensch haar gaarne zien, en dat zij hen beveiligt voor de insekten. Zij zet zich rustig op den kop der runderen en op den rug der schapen. Zelden verlaat zij hen over dag en zij brengt ze getrouw weer thuis. Niet minder vast op haar post is de bergkwikstaart4); waar gewasschen wordt, vliegt zij om de vrouwen heen, loopt op haar hooge pootjes in het water en vraagt om kruimeltjes brood; en als met een zonderling mimisch instinct, wipt zij haar staartje op en neer met de beweging van de waschborden, alsof zij met meewerken haar loon wilde verdienen.

De akkervogel, de vogel van den landbouwer bij uitnemendheid, is de leeuwerik; hij is zijn trouwe gezel; waar hij moeitevol de vore trekt, vindt hij de leeuwerik om hem aan te moedigen en te steunen, en een lied van hope voor hem te zingen.

Hoop, dat is het aloude devies van onze Galliërs, daarom hebben zij voor hun nationalen vogel den leeuwerik verkoren, den leeuwerik met zijn armelijk kleedje, maar zoo rijk van hart en zang!

Het schijnt of de natuur de leeuweriken misdeeld heeft. De stelling van hun nagels maakt hen ongeschikt om zich op een tak te zetten. Zij nestelen op den grond, vlak bij het arme haasje, en hun eenige beschutting is de vore. Welk een gevaarlijk, zorgvol leven, als zij gaan broeden! Wat een angst en bekommernis! Niet veel meer dan een graspolletje onttrekt den schat der moeder aan het oog van hond, van wouw en valk. Haastig moet zij broeden, haastig moet zij haar angstig kroost opkweeken. Wie zou niet gelooven, dat het arme schepsel de melancholie moet deelen van haar droeven nabuur de haas?

Illustration from De vogel

„Dit dier is somber, hem verteert de angst.” (La Fontaine).

Maar het tegendeel is waar: door eene wondere vroolijkheid en luchthartigheid, misschien wuftheid, en fransche zorgeloosheid, herwint onze nationale vogel, als tenauwernood het gevaar geweken is, onmiddellijk zijn zielsrust, zijn zang, zijn ontembare levensvreugd. En nog een wonder: al de gevaren, die hun leven steeds bedreigen, al die wreede beproevingen verharden hun hartje niet; zij blijven trouwhartig en vroolijk, gezellig en vertrouwelijk, en zij geven een, bij de vogels zeldzaam, voorbeeld van broederlijke liefde; de leeuwerik zal evenals de zwaluw, wanneer het noodig is, zijn gelijken verzorgen.

Maar zij hebben tweederlei steun en prikkel: het licht en de liefde. In liefde leven zij het halve jaar; tot driemaal toe soms, doen zij zichzelf het zorgelijk geluk aan van het ouderschap, en den moeitevollen arbeid van een opvoeding vol onzekerheden. En wanneer er geen liefde voor hen is, dan blijft hun het licht tot opwekking. Een enkele zonnestraal is voldoende om hun den zang te hergeven. Zij zijn de kinderen van den dag. Als de morgen komt, als de horizont zich met purper kleurt en de zon verschijnt, dan gaat de leeuwerik op uit de vore, als een pijl, en draagt zijn vreugdehymne ten hemel.

Heilige poëzie, frisch als de dageraad, rein en blij als een kinderziel! Deze machtige vèrklinkende zang geeft het teeken aan de maaiers. „Het is tijd!” zegt de vader, „hoor je de leeuwerik niet?” De vogel volgt hen, wekt hen op tot den arbeid; op de heete middaguren noodigt hij hen te gaan slapen en houdt de insekten weg. Over het rustend hoofdje van het halfsluimerend meisje giet hij stroomen van harmonie.

„Geen orgaan,” zegt Toussenel, „kan het tegen den leeuwerik opnemen,” wat rijkdom en verscheidenheid in den zang betreft; geen vogel heeft die soepele toon, dat fluweelig timbre; geen zang draagt zóó ver en houdt zóó aan, en verwonderlijk is de buigzaamheid en kracht der stembanden. De leeuwerik zingt een uur lang aan één stuk door, zonder ook maar den duur van één seconde af te breken; en hij zingt terwijl hij verticaal naar boven stijgt tot een hoogte van duizend meter, stijgt door de wolken heen; en er gaat geen enkele noot verloren gedurende dit immens trajekt. Zou één nachtegaal dat kunnen?

Illustration from De vogel

Deze zang van het licht is een weldaad voor de wereld, en men vindt den leeuwerik bijna in ieder land, dat de zon verlicht. Zooveel verschillende streken, zooveel verscheidenheid in de soorten: huisleeuwerik, akkerleeuwerik, boomleeuwerik, bergleeuwerik, woestijnleeuwerik zelfs; leeuweriken in de zoutsteppen van Midden-Azië en leeuweriken op de door den Noordenwind gezengde vlakten van het afschuwelijk Tartarije. Het is als eene vergoeding, door de vriendelijke natuur gegeven; een teedere vertroosting van God's vaderzorg.

Maar de herfst is gekomen. Terwijl de leeuwerik achter de ploeg zijn oogst van insekten binnenhaalt, komen de gasten uit de Noordelijke landen. De lijsters zijn juist op tijd voor den wijnoogst; en trots op zijn kroon, komt ook het onzichtbaar-kleine goudhaantje. Het komt uit Noorwegen, uit de nevels, en onder een reusachtigen denneboom zingt de kleine toovenaar zijn mysterieus liedje, totdat de geweldige koude hem noopt af te zakken en zich te mengen onder het lagere volk, de „Klein-Jantjes,” die bij ons thuis hooren, en ons bekoren met hun licht vlietend zangetje.

Illustration from De vogel

Het wordt guurder, de vogels zoeken de menschen. De brave bloedvinken, zachtmoedig en steeds trouw gepaard, vragen met zacht en droevig gekweel om onderstand. De heggemusch verlaat haar boschjes en waagt het tot aan de huisdeur te komen, met een klagelijk trillend, eentonig stemmetje.

„Als in de eerste Octobernevels, even voordat de winter begint, de arme zijn schamele provisie van dood hout komt sprokkelen, vliegt een klein vogeltje op hem af, aangetrokken door het geluid van den bijl. Hij vliegt om hem heen, als om hem te verwelkomen, al maar zachtjes kweelend een zoet liedeke. Dat is het roodborstje, afgezonden door een goede fee tot den eenzamen arbeider om hem te zeggen, dat er nog zijn in de Natuur, die belang in hem stellen.

„Als de houthakker de sintels, die hij den vorigen dag met asch bedekte, heeft bijeengezocht, als dan de spaanders en doode takken knappen en sprankelen in de vlam, dan komt ook het roodborstje gevlogen, en viert, al zingend, het vuurtje en de vreugd van den houthakker.

„Als de Natuur den slaap ingaat, en zich dekt met den mantel van sneeuw, als men geen stemmen meer hoort, dan soms den schreeuw van de vogels uit het Noorden, die hoog in de lucht hun snelle driehoeken trekken; of misschien den Noordenwind, hoe hij loeit en in de schoorsteenen buldert van de hutten op het veld, dan komt er weer een fluitend wijsje, een zacht moduleerend gekweel, dat in naam van den scheppenden arbeid protesteert tegen die geluidloosheid, den rouw en stilstand.”

Open uw venster! och, geef hem wat kruimpjes, een paar korreltjes zaad! Als hij vriendelijke gezichten ziet zal hij binnenkomen; hij is gevoelig voor een vuurtje; dan gaat het arme schepseltje door dien korten zomer heen, weer versterkt, den winter in.

Toussenel ergert zich met reden, dat geen dichter nog het roodborstje bezong. Maar het vogeltje is zijn eigen dichter; als men zijn liedje kon opschrijven, zou het heel juist de poëzie van zijn nederig bestaan weergeven. Het roodborstje, dat ik nu bij mij heb en dat in mijn studeerkamer vrij rondvliegt, gaat bij ontstentenis van toehoorders voor den spiegel en kweelt daar zacht, zonder mij te storen, al zijn gedachtetjes voor het illusoir roodborstje, dat tegenover hem verschenen is.

LE NID
LE NID

HET NEST.

Illustration from De vogel

HET NEST.

ARCHITEKTUUR DER VOGELS.

IK heb, terwijl ik dit schrijf, eene belangrijke verzameling nesten van fransche vogels voor mij, door een vriend bijeengezocht. Dit stelt mij in staat te beoordeelen wat anderen over dit onderwerp schreven; het te waardeeren of misschien te verbeteren; konde maar onze begrensde taal een denkbeeld geven van die zeer bizondere kunst, veel minder verwant aan de onze, dan men op het eerste gezicht geneigd is te gelooven. Daarom is het alles waard, de voorwerpen zelf in handen te hebben, te zien en te betasten; dán pas begrijpt men hoe verkeerd het is, te willen vergelijken; men wordt daarbij onjuist en onwaar. Het zijn dingen uit een wereld, die op zichzelf staat; moet ik zeggen boven of beneden de werken der menschen? Het één noch het ander; maar absoluut verschillend; de verwantschap is een uiterlijke.

Bedenken wij eerst, dat dit allerbekoorlijkst voorwerp, het fijnste en subtielste wat men zich denken kan, alléén bestaat door kunst, behendigheid en berekening. Het materiaal is gewoonlijk zeer rustiek en niet altijd datgene, wat de kunstenaars het liefst gebruikten. De gereedschappen zijn gebrekkig. De vogel heeft niet het behendig pootje van den eekhoorn, of de tanden van den bever. Hij heeft niets anders dan snavel en poot, en een poot is heel iets anders dan een hand.—Het moet ons dus wel schijnen, of het nest een onoplosbaar vraagstuk voor hem is. Degenen, die ik vóór mij heb, zijn meest alle gemaakt van dooreengewerkte stukjes mos, kleine buigzame takjes, of lange plantenvezels; maar het is nog minder dooreengewerkt dan saamgedrukt; een soort van vilt; een samenstel van allerlei materiaal, met volharding en inspanning dicht saamgeperst; een groot werk, dat veel vlijt en energie vereischt en waarbij snavel en poot onvoldoende zijn. Het eigenlijke werktuig, is het lichaam zelf van het vogeltje, zijn borstje waarmeê het perst en drukt, tot het materiaal dicht en soepel is en zich voegt in het geheel. En het lijfje van het vogeltje is weer het werktuig, dat van binnen aan het nest de ronding geeft; door zich aanhoudend te draaien en te wenden, en van alle kanten den wand terug te drukken, slaagt het er in het nest zijn cirkelvorm te geven. Het nest is dus het individu zelf, zijn vorm, en zijn onmiddellijk overgebrachte inspanning; ik zou hier wel lijden willen zeggen, want het resultaat kon alléén verkregen worden, door een onafgebroken herhaalde drukking van de borst. Ieder enkel grassprietje is, om zijn buiging aan te nemen en te houden, duizendmaal en duizendmaal gedrukt moeten worden door het borstje; zeker met een pijnlijke beklemming van de ademhaling en mogelijk hartkloppingen.

Illustration from De vogel

Hoe anders de woonplaats van den viervoet. De meesten worden behaard geboren, waartoe zouden zij een nest behoeven?5) Degenen, die bouwen of holen graven, doen het dan ook meer voor zichzelf dan voor hun jongen. De marmot is een handig mijnwerker in haar schuins hellende, onderaardsche gang, die haar beveiligt voor den wind. De eekhoorn richt zich behendig zijn aardig torentje op, dat hem voor den regen zal vrijwaren. De groote waterbouwkundige, de bever, die het wassen van het water voorziet, bouwt zich meerdere verdiepingen, die hij naar willekeur kan bewonen: alles voor het individu.

Illustration from De vogel

Maar de vogels bouwen voor het gezin; zorgeloos hebben zij geleefd, tusschen de bladeren gewoond, gemakkelijke buit voor hun belagers; maar zijn zij niet meer alléén, dan maakt het vooruitzicht en de hoop op het ouderschap hen tot kunstenaars. Het nest is eene schepping der Liefde.

Ook is het werk duidelijk de uiting van een buitengewone en hartstochtelijke wilskracht met zeldzaam doorzettingsvermogen. En dat blijkt vooral dááruit, dat het niet als onze bouwsels, is voorbereid door een getimmerte, dat het plan vaststelt en het werk ondersteunt en regelt. Hier is de ziel van den kunstenaar zóó van het plan doortrokken; het beeld staat hem zóó zuiver en levendig voor oogen, dat zonder geraamte of getimmerte, zonder voorafbereid steunsel het luchtscheepje stuk voor stuk wordt opgetrokken; en geen stuk verstoort den gang van het geheel. Alles komt op zijn plaats, symmetrisch en in volkomen harmonie, een zéér moeielijke arbeid, bij zóó gebrekkig gereedschap, en bij de primitieve wijze van samenpersing door drukking met de borst. Dit werk vertrouwt de moeder het mannetje niet toe; maar zij gebruikt hem als leverancier. Hij zoekt het materiaal, grasjes, mos, stukjes wortel, of kleine takjes. Maar als het bouwsel klaar is, als het op het binnenste aankomt, het bed, het meubilair, dan wordt het een moeilijk geval. Men moet bedenken, dat dit leger een eitje moet bergen, dat oneindig gevoelig is voor koude; ieder plekje, dat te koud wordt, kost een lid aan het jonge vogeltje. Het wordt naakt geboren. Het buikje tegen de moeder gedrukt is voor kou beveiligd; maar het vederloos ruggetje moet warm gehouden worden door het nest. Daarom is de moeder zoo angstvallig in haar voorzorgen en zoo veeleischend, dat zij nauwelijks te bevredigen is. Het mannetje brengt b.v. paardenhaar mee; het is te hard en kan alléén dienen voor onderlaag, als een soort springveeren bed. Hij brengt hennep; dat is te koud; alleen zijde, of het zijdeachtige pluis van sommige planten, wol en katoen, worden aangenomen; en nog beter: zij trekt haar eigen donsveeren uit en legt die onder haar jonkjes. Het is treffend, het mannetje naar materiaal te zien zoeken, heimelijk en slim; hij is bang, dat wie hem opmerkt, den weg naar het nest zal uitvinden. Daarom neemt hij, als hij bespied wordt, dikwijls een anderen weg. Met allerlei kleine diefstallen kan hij de moeder helpen. Soms volgt hij de schapen om een paar pluisjes wol te krijgen.

Illustration from De vogel

In den hoenderhof neemt hij de donsveertjes van de leghennen. En in zijn overmoed houdt hij er zelfs een oogje op, of misschien de vrouw haar kluw of haar spinrokken onder de veranda vergeet; dat is dan al weer een paar draadjes winst.

De nestenverzamelingen bestaan nog niet lang; zij zijn ook zeldzaam, en nog niet rijk. Toch kan men bij sommigen, in die van Rouaan b.v., die uitmunt door rangschikking, en in die van Parijs, die een paar bijzondere exemplaren bezit, al de industrieën nagaan, waardoor dat uitnemende kunststuk, het nest, wordt gewrocht. Wat is er de ontwikkeling, de voortgang van? Niet van de eene kunst op de andere (niet van metselen naar vlechten b.v.); maar in ieder vak gaan de vogels, die het beoefenen, met meer of minder kunst te werk, naarmate de soort intelligent is, het materiaal meer of minder voegzaam, en naar het klimaat het eischt.

Van de grovere vogels hebben de vetganzen, de pingouïns, bij wien het jong onmiddellijk na de geboorte te water gaat, genoeg aan een gat in den grond. Maar de bijeneter, de oeverzwaluw, die hun jongen moeten grootbrengen, hollen zich een woning uit, van zéér goede en min of meer wiskunstige verhoudingen, die behoorlijk wordt uitgerust en van zachte stoffen voorzien, zoodat de jongen geen last hebben van den harden en vochtigen grond.

Illustration from De vogel

Van de metselende vogels, vergenoegt de flamingo zich met een pyramide van opgehoogde klei, waarop hij zijn eieren beveiligt tegenover strooming, om ze daar, rustig, staande op zijn lange beenen, uit te broeden. Dit is grof Werk, en hij is nog maar een opperman. De ware metselaar is de zwaluw, die haar huis hecht aan het onze.

Maar het wonder van de soort is wellicht het vernuftig kartonwerk van den lijster der wijngaarden. Zijn nest, dat in die vochtige atmosfeer veel te lijden zou hebben, is van buiten van mos, en ontsnapt aan het oog, door éénheid van kleur met het loof; maar als men er in kijkt, is het een prachtig glanzend gepolijste kom, haast zoo zuiver als glas; men kon er zich in spiegelen. De rustieke kunst, eigen aan de bosschen: het timmeren, schrijnwerken, beeldhouwen, heeft zijn eenvoudigste specimen in het nest van den toekan; zijn snavel is enorm, maar zwak en dun; hij gebruikt alleen vermolmde boomen. De specht, beter gewapend, kan veel meer, dat weet men: hij is de ware timmerman, en, komt de liefde, dan wordt hij beeldhouwer.

Oneindig rijk aan geslachten en soorten, is het gilde der wevers en mandenmakers. Het zou een werk van langen adem zijn, bij hun punt van uitgang beginnende, die industrie vol verscheidenheid, in zijn loop en tot het einde na te gaan.

Illustration from De vogel

De vogels der waterkanten vlechten al, maar ruw en onhandig. Waarom zouden zij er ook veel werk van maken? Zoo doeltreffend door de natuur gekleed, met een vetachtig gevederte, nagenoeg ondoordringbaar, hebben zij minder rekening te houden met de elementen. Hun kunst is de jacht; altijd krap gevoed, worden zij beheerscht door een veeleischende maag.

Het zeer elementaire vlechten, van reigers en ooievaars, wordt al, hoewel in geringer mate, voorbijgestreefd door de vlechtwerkers der bosschen: de gaai, de bloedvink. Hun talrijker familie, noopt hen tot solied werken. De onderlaag is ruw, maar daarop vlechten zij een meer of minder sierlijk korfje, een samenstel van stevig verbonden takjes en worteltjes. De karkiet verbindt kunstig eenige rietstengels, waaraan de bladen door het weefsel heen gewerkt, een stevige beweeglijke basis vormen, die de bewegingen volgt van het riet. De buidelmees bevestigt haar beursvormig nest maar aan één kant, en laat dus haar jongen wiegen door den wind. Het sijsje, het puttertje, de vink, zijn knappe viltwerkers. De laatste, schuw en wantrouwig, plakt aan zijn nest als het klaar is, heel behendig stukjes grijs korstmos, waardoor men bij het zoeken geheel van de wijs wordt gebracht, en dit allersierlijkste, zoo goed verstopte nest in den regel aanziet voor een soort van uitwas, iets toevalligs en natuurlijks.

Het lijmen en het viltwerken speelt trouwens ook een groote rol bij het werk der wevers. Men doet verkeerd, die vakken te sterk af te scheiden. Het vliegenvogeltje neemt gom van de boomen om zijn nestje goed dicht te maken; de meeste anderen gebruiken hun speeksel. En wonderlijk, enkelen, bij wie de liefde het vernuft verscherpt, nemen hun toevlucht tot de kunst, waartoe hun organen het minst zijn aangelegd. Een Amerikaansche spreeuw komt er toe de bladeren met zijn snavel aan elkaar te naaien, en heel handig ook. Eenige knappe wevers gebruiken behalve hun snavel ook nog hun pootje; als de ketting klaar is, houden zij die met hun pootje vast en weven dan met hun bek. Zoo kan men hen dus met recht wevervogels noemen. Behendigheid komt er dus niet te kort; maar de gereedschappen zijn gebrekkig; zij zijn zeldzaam ongeschikt voor het werk. Daarbij vergeleken, zijn de insekten verwonderlijk doelmatig toegerust. Zij zijn de geboren arbeiders. De vogels zijn het maar tijdelijk, door den prikkel en geestdrift der liefde.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings