← Table of contents
De vogel

1E DEEL. (continued 2)

M. van Eeden-Van Vloten translation

Illustration from De vogel

Maar deze nuttige vernielers verminderen gaandeweg, nu zij niet meer zoo noodig zijn. De groote massa van kleine kruipende dieren, in hoofdzaak de slachtoffers van de tanden der adders, heeft al veel van zijn dichtheid verloren, en ook de adder wordt zeldzaam. En daar ook de wereld van gevleugeld wild sterk gedund is, òf door den vernielenden mensch, òf door het verdwijnen van sommige insekten, waarvan de kleine vogels leefden, verminderen weêr de vreeselijke lucht-tyrannen. De arend wordt zeldzaam, zelfs in de Alpen, en de onzinnig hooge prijzen, waarmee tegenwoordig de valk betaald wordt, schijnen er op te wijzen, dat die eerste, edelste van de roofvogels bijna is uitgestorven.

Zoo neigt dus de Natuur naar minder geweld. Zegt men daarmede dat de dood ooit verminderen kan? Niet de dood, maar het lijden.

En de wereld komt langzamerhand onder de éénige Macht, die de noodwendige verhouding weet van Leven en Dood; die den dood kon regelen zóó, dat het evenwicht tusschen de levende soorten behouden wordt; ze begunstigen kan al naar hun nut of onschadelijkheid, en die den dood kon vereenvoudigen, verzachten, en—het woord zij mij toegestaan—kan moraliseeren, door haar snel en pijnloos te maken. Ook verzetten wij ons niet in ernst tegen den dood. Hij is toch maar het masker van de groote levenstransformaties. Maar ernstig verwerpen wij de gruwelijke wreedheid van het lijden; en dit nu zal in den loop der tijden van de aarde verdwijnen. De handlangers van het lijden, de gruwelijke beulen van het Leven, die het onder martelingen vernielen, worden al zeldzamer hier op aarde. In waarheid, als ik in het Museum die naargeestige verzameling van nacht- en dag-roofvogels zie, dan betreur ik niet sterk den ondergang van díe soorten. Want, al geeft het beschouwen van al die gevleugelde roovers een zekere voldoening aan den geweldenaar in ons, om onze bewondering voor kracht, tòch spreekt duidelijk uit dat somber masker hun lage aard. Geweldig bevoorrecht in hun vleugels, en den krachtigen gekromden snavel, levert hun jammerlijk gedrukten schedel het bewijs, dat er voor hen niet de minste noodzaak is, eenig intellekt te gebruiken. Hun samenstel, dat hen de vlugsten van de vluggen maakt, de sterksten der sterken, heeft hen ontheven van veel behendigheid, list en taktiek. Men is geneigd hun moed toe te kennen; maar wáár hebben ze gelegenheid dien te toonen, tegenover altijd mindere vijanden. Vijanden? Neen, slachtoffers. Als het ruwe jaargetijde, de honger, de kleine vogels tot trekken noopt, dan vliegen zij in massa dien dommen tyrannen in den bek, die onnoozelen; toch verre de meerderen, in vele opzichten, van hun moordenaars. Die kunstenaars onder de vogels, de zangers, de behendige nestbouwers, door kou en honger worden zij overgeleverd aan de gemeene roovers; aan den arend, aan den buizerd, wordt een maaltijd voorgezet van nachtegalen.

Illustration from De vogel

De afplatting van den schedel is het minderwaardigheidsteeken van die moordenaars. Ik vind het in de hoogst geroemden, de meest bewonderden, zelfs in den edelen valk. Edel! zijn adel betwist ik hem te minder, omdat hij in onderscheiding van den arend en de andere beulen, den dood weet te geven met één slag, afkeerig zijn prooi te martelen. Deze vraten, met hun gering hersenvolume, vormen een sterk contrast met zooveel aardige in 't oog vallende, pittige vogels onder de mindere soorten. De kop van de eersten is enkel snavel, maar de anderen hebben een gezicht. Welk een vergelijking is er te maken tusschen deze grove reuzen en het menschelijk intelligente vogeltje, het roodborstje, dat op dit oogenblik om mij heen fladdert; dan op mijn schouder zit, dan op het papier kijkt naar wat ik schrijf, zich warmt bij het vuur en nieuwsgierig uit het venster ziet of de lente nog niet haast komt.

Illustration from De vogel

Moest ik kiezen uit de roofvogels, dan koos ik nog minstens even graag den gier als den arend. Onder de vogels heb ik nog niets zoo grootsch, zoo imposant en indrukwekkend gezien, als onze vijf Algerijnsche gieren (in den Jardin des plantes), naast elkaar gezeten als Turksche pacha's, in hun sierlijken halskraag van het teerste witte dons, en met den nobelen grijzen mantel. Een divan met ernstige ballingen, die schijnen te peinzen over 's levens wisselingen, en over de politieke feiten, die hen uit hun land hebben verjaagd.

Wat is het wezenlijk verschil tusschen den arend en den gier? De arend is tuk op bloed en levend vleesch, maar eet ook wat dood is. De gier doodt zelden, en dient het leven; want hij hergeeft het, en brengt in den grooten kringloop terug, wat in ontbinding is, en zijn bederf op andere stoffen zou overbrengen. De arend leeft bijna uitsluitend van moord, en men kon hem den handlanger van den Dood noemen; de Gier echter is de dienaar van het Leven.

Illustration from De vogel

De arend werd om zijn kracht en schoonheid een symbool voor meer dan één krijgshaftig volk, dat als hij, leefde van doodslag. De Perzen, de Romeinen namen dat symbool aan, en de grootsche gedachtenbeelden door de macht en grootheid van die rijken opgewekt, vereenzelvigde men met den arend. Ernstige mannen, een Aristoteles, namen het dwaze sprookje over, dat hij in de zon zou kunnen zien, en dat hij om zijn jongen op de proef te stellen hen in het zonlicht liet kijken. Eens op dien weg der verdichting, was er geen houden meer aan bij de geleerden. Buffon ging het verste: hij prijst den arend om zijn matigheid. Hij verslindt niet iets geheel. Wat daar van waar is, is dit, dat wanneer de prooi wat groot is, hij zich op de plaats verzadigt en niet veel meê thuis brengt. Ook zegt hij, dat deze vorst van het luchtruim kleine dieren versmaadt. Maar waarneming bewees juist het tegendeel. De gewone arend valt gaarne het vreesachtigste van alle wezens aan, de haas; de steenarend maakt het liefst jacht op eenden. De kleine arend verkiest veldmuizen, en met zulk een graagte, dat hij ze ineens opslokt zonder één snavelstoot. De witstaart-arend schijnt zelfs zijn eigen jongen te dooden, en dikwijls verdrijft hij ze, vóórdat zij zichzelf kunnen voeden. In de buurt van Hâvre was ik eens in de gelegenheid achter de waarheid te komen omtrent de nobele eigenschappen van den arend, en wat er is van zijn matigheid. Een arend, die op zee was gevangen, maar in al te goede handen was gekomen, nl. ten huize van een slager, had zich zoo gemakkelijk geschikt in het geval dat het vleesch hem gewerd zonder strijd, dat hij niets schijnt te betreuren. Arend-Falstaff, doet hij zich te goed, en denkt niet meer aan vechten en jagen, en aan het oneindig luchtruim. Ziet hij niet meer in de zon, hij ziet des te meer naar de keuken, en voor een lekker hapje laat hij zich door de kinderen aan zijn staart trekken.

Gaat rang naar kracht, dan is niet de arend de eerste, maar de vogel „Rock” uit de Duizend en Eén Nacht: de Condor, de reus van de bergreuzen, van de Cordilleras. Hij is de grootste gier, de zeldzaamste, de schadelijkste, die bijna niets anders eet dan levende prooi. Treft hij een groot dier, dan stopt hij zich zoo vol, dat hij zich niet meer bewegen kan; men doodt hem dan met stokslagen.

Om juist over die soorten te kunnen oordeelen, moet men het nest van den arend gezien hebben; een soort slordige, slecht geconstrueerde vloer; vergelijk dat grof, onhandig werk, ik zeg nog niet eens, met dat sierlijk kunststukje, het nest van de vink, maar met wat de insekten doen, met de ondergrondsche gangen van de mier b.v., waarin dit nijver insekt met een verwonderlijk inzicht een oneindige verscheidenheid weet te brengen.

De traditioneele achting voor den moed der groote roofvogels, krijgt ook een flinken stoot als men bij Wilson ziet, hoe een klein vogeltje den grooten zwarten arend vervolgt en plaagt, en hem niet met rust laat, tot hij uit zijn gebied is verjaagd. Een zeldzaam tafreel—die kleine held, die om meer indruk te maken, zijn gewicht bij zijn kracht voegt, hooger en hooger stijgt en zich uit de wolken laat vallen op den rug van den grooten roover; daar zit hij te paard en laat niet los, en gebruikt zijn snaveltje als sporen. En zonder nog naar Amerika te gaan kunt ge al in den „Jardin des plantes” de overmacht waarnemen, van het kleine op het groote, van den geest op de stof, in het eigenaardig samenleven van den raaf met den lammergier. De slimme raaf, de verstandigste van alle roovers, een schoolmeester gelijk in zijn zwart pakje, werkt aan de beschaving van den ruwen gast, zijn medegevangene, den lammergier.

Het is vermakelijk te zien, hoe hij hem leert spelen; hoe hij hem, om zoo te zeggen, menschelijk wil maken, en op honderderlei manieren met allerlei spelletjes zijn ruwe natuur probeert te ontbolsteren. Vooral wordt dit schouwspel vertoond, als de raaf een groot aantal toeschouwers heeft. Ik heb meenen op te merken, dat hij er voor bedankt met zijn wijsheid te pronken voor één enkel getuige. Hij houdt rekening met zijn publiek, en zoo noodig weet hij zich er door te doen respecteeren. Ik heb hem met zijn bek steentjes zien teruggooien naar een kind, dat er mee naar hem gegooid had. Het merkwaardigste spel, dat hij zijn grooten vriend opdringt, is, dat hij hem een stok laat vasthouden, waaraan hij zelf trekt aan den anderen kant. Deze schijnvertooning van een worsteling tusschen kracht en zwakheid, deze gefingeerde gelijkheid, is heel geschikt om den barbaar tot zachtheid te stemmen; hij blijft onverschillig, maar geeft aan het aandringen toe, en schikt zich met een soort van half getemde goedmoedigheid.

Illustration from De vogel

De raaf is niet in het minst bevreesd voor dit groote dier, met zijn onverwinbare klauwen en haaksnavel, hard als ijzer, die met één slag zou dooden. Met de zekerheid van een hoogstaanden geest, tegenover deze logge massa, beweegt hij zich om hem heen, neemt hem zijn prooi uit den bek. De ander bromt, maar te laat. Zijn goeverneur, veel vlugger van beweging, heeft met zijn schitterend zwart, staalglanzend oog, de beweging al gemerkt; hij springt op zij, desnoods één of twee takken hooger, en hij bromt ook, een vermaning schijnt het.

Dit lustig personage heeft bij zijn fratsen een bijzonder voorrecht: het kontrast van zijn ernstig rouwkleed. Ik placht er dagelijks een te zien in de straten van Nantes, op het poortje van een gangetje; in halve gevangenschap troostte hij zich in zijn gekortwiekten toestand door een loopje te nemen met honden. De straathonden liet hij gaan. Maar als zijn ondeugende blik viel op een eleganten rashond, die zijn moedwil waardig was, dan sprong hij hem handig van achteren op zijn rug en gaf hem twee korte pikken met zijn zwarten snavel; jankend vluchtte dan de hond weg, en rustig, gewichtig en voldaan, betrok de raaf weer zijn post. Nooit zou men gedacht hebben, dat zoo'n biddersfiguur op die manier zijn tijd kortte.

Men zegt, dat in de vrijheid, sterk door hun gemeenschapsgevoel en hun groot aantal, zij in hun stoute stukken zoo ver gaan, dat zij, als de arend afwezig is, de vermetelheid hebben zijn eieren te rooven uit het nest. En wat moeielijker te gelooven valt, men beweert, zwermen raven gezien te hebben, die terwijl de arend tegenwoordig was en zijn gezin verdedigde, hem met hun gekrijsch verdoofden, hem aanvielen, er uit trokken en een jong meenamen!

Zooveel moeite en gevaar voor zulk een povere buit! Indien het waar was, zou men moeten veronderstellen, dat de wijze en voorzichtige republiek te dikwijls geplaagd en vervolgd door den tyran van de streek, de uitroeiing van zijn stam had besloten, en meende met een alles trotseerende toewijding het besluit te moeten uitvoeren.

Hun wijsheid blijkt uit tallooze voorbeelden, vooral uit de weloverlegde keus van een verblijf. De raven, die ik heb waargenomen te Nantes van een van de heuvels van de Erdre, trokken 's morgens over mijn hoofd weg, en kwamen 's avonds terug. Zij hadden blijkbaar een huis in de stad en een huis buiten. Overdag betrokken zij observatieposten op den toren van de kathedraal, speurende naar de smakelijke beten, die de stad hun had aan te bieden. Verzadigd, trokken zij dan naar de bosschen terug, of naar de goed beveiligde rotsen, waar zij graag den nacht doorbrengen. Het zijn gezeten burgers, geen zwervers. Zeer gehecht aan hun gezin, vóóral aan hun gade, waarvan zij de zeer getrouwe echtgenoot zijn, moest hun eenige verblijfplaats hun nest wezen. Maar de vrees voor de groote nachtvogels, noopt hun, twintig of dertig te gelijk zich 's nachts bij elkaar te houden, een aantal voldoende voor een gevecht, als dit noodig mocht blijken. Hun haat en afschuw is de uil; als zij dien overdag vinden, nemen zij wraak voor zijn nachtelijke misdrijven: zij jouwen hem uit en zitten hem na, tot zij hem, gebruik makende van de verwarring, waarin zijn benarden toestand hem brengt, gemakkelijk kunnen dooden.

Illustration from De vogel

Uit iederen vorm van associatie weten zij voordeel te trekken. De zoetste gemeenschap, het gezin, doet hen toch nooit het verbond van verdediging vergeten, noch dat van aanval. Zij gaan nog verder, zij vereenigen zich zelfs met hun meerderen, de gieren; zij roepen ze, gaan ze voor, of volgen hen, om op hunne kosten te leven. En wat het allersterkste is: zij houden zich zelfs aan hun vijand den arend, blijven in zijn omgeving, om van zijn gevechten te profiteeren, en van zijne overwinningen op eenig groot dier. Deze slimme speculanten, wachten op een afstand, tot de arend tot zich heeft genomen, wat hij nemen kon, heeft gezwolgen in bloed; dan vliegt hij weg en het overschot is voor de raven.

Hun duidelijke meerderheid boven zeer veel vogels, moet het gevolg zijn van den hoogen leeftijd, dien zij bereiken, en van hun ondervinding, in verband met hun uitstekend geheugen. In tegenstelling met de meeste dieren, bij welke de levensduur evenredig is aan den duur van hun jeugd, zijn zij na een jaar volwassen, en leven, zegt men, een eeuw.

De groote verscheidenheid van voedsel, alles nl. wat eetbaar is in het planten- en dierenrijk, alle prooi dood of levend, geeft hun een groote kennis van dingen en tijden, van oogst en jacht. Zij stellen in alles belang en merken alles op. De ouden, die veel meer dan wij het doen, met de Natuur leefden, hebben veel voordeel er van gehad, dat zij de aanwijzingen van zulk een wijzen en voorzichtigen vogel gevolgd hebben, in velerlei duistere gevallen, waar de menschelijke ondervinding nog geen licht zag.

Ten spijt van de aristocraten onder de roofvogels, is de raaf menigmaal hun gids, ondanks zijn biddersrok en zijn mal gezicht; en ondanks zijn gebrek aan kieschkeurigheid wat zijn voeding betreft, is hij tòch de meerdere in geest van de groote soorten, waarvan hij in volume ook al weer de mindere is. Maar de raaf is toch nog alléén maar, de voorzichtige om het voordeel, de wijze uit eigenbelang. Om bij de hooger staanden te komen, de helden van het gevleugelde ras, die aartskunstenaars met hun warm hart; daarvoor moeten wij geringer volume zoeken; de stof verminderen, om den geest te verheffen en de zedelijke ontwikkeling te verkrijgen. De Natuur, als veel moeders, heeft een zwak voor de kleintjes.

Illustration from De vogel
2e. PARTIE
2e. PARTIE
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings