← Table of contents
De vogel

2E DEEL. (continued 2)

M. van Eeden-Van Vloten translation

Illustration from De vogel
VILLES DES OISEAUX
VILLES DES OISEAUX

VOGELSTEDEN EN REPUBLIEKEN.

Illustration from De vogel

VOGELSTEDEN EN REPUBLIEKEN.

Hoe meer ik er over denk, hoe duidelijker ik besef, dat de vogels niet, als de insekten, nijvere dieren zijn. Zij zijn de dichters in de Natuur, de onafhankelijkste van alle wezens; zij leiden een prachtig avontuurlijk leven; maar over 't geheel zijn zij weinig beschermd.

Denken wij ons de Amerikaansche wouden, en laat ons nagaan welke de beveiligingsmiddelen zijn van de alléénlevende wezens. Vergelijken wij de veiligheidsmaatregelen van de vogels, de vindingen van hun energie, met de uitvindingen van hun buren, de menschen, die in dezelfde streken leven. Het verschil doet de vogels eer aan; het menschelijk vernuft vond slechts aanvalswerktuigen. De Indiaan vond de knots en het scalpeermes; de vogel alléén het nest.

En wat zindelijkheid, warmte, sierlijkheid betreft, wint het nest het in alle opzichten van den wigwam, en van de negerhut, die dikwijls in Afrika niet anders is, dan een holle baobab (apenbroodboom).

De negers hebben de deur nog niet uitgevonden; hun woning blijft open, en om zich tegen nachtelijke aanvallen van wilde dieren te beschermen, vullen zij den ingang op met doornen.

De vogel weet ook zijn nest niet te sluiten. Hoe zal hij zich beveiligen? een ernstige, moeilijk te beantwoorden vraag.

Hij maakt een nauwen bochtigen ingang. Kiest hij een natuurlijk nest in een boomholte, dan vernauwt hij den ingang door een vernuftig metselwerk. Verscheidenen bouwen een dubbel nest met twee woonruimten; in de alkoof broedt de moeder, in de vestibule waakt de vader als een trouwe schildwacht, gereed den aanval af te slaan als hij mocht komen.

En wat een vijanden! slangen, menschen, apen, eekhoorns, en zelfs vogels! Want dat volk heeft ook zijn roovers. Soms helpen de buren den zwakke, zijn goed terug te krijgen, en de indringer wordt met geweld verjaagd. Er is daar een zaadetende kraai, die zeer ver gaat in het recht doen. Als er een jong paar, andere nesten gaat bestelen, om met het eigen nest vlugger gereed te zijn, dan wordt hun dit niet vergeven. Acht of tien vereenigen zich, en vernielen het dievennest, dat er geen stuk van heel blijft; en de schuldigen zijn genoopt naar elders te vertrekken en van meet af aan te beginnen.

Is dat geen gevoel voor eigendom, en het heilig recht van den arbeid?

Hoe nu veiligheid te vinden, en een soort van publieke orde? Het is aardig na te gaan, hoe de vogels dat vraagstuk hebben opgelost.

Illustration from De vogel

Twee oplossingen doen zich voor: de eerste is vereeniging; het vormen van een staat, die alle krachten in zich zou samenvatten, zoodat door samenwerking der zwakken, een defensieve macht tot stand zou komen.

De tweede—schijnt het niet wonderbaar, onmogelijk, fantasterij?—zou moeten zijn, eene verwezenlijking van de luchtstad van Aristofanes, bewaakt tegen de zware roovers der lucht en ontoegankelijk voor de roovers van de aarde, den jager en de slang.

Deze twee moeilijkheden, waarvan de eene onmogelijkheid schijnt, zijn door de vogels tot werkelijkheid geworden.

Eerst de samenwerking, de Staat. Het koningschap staat een trap lager. Zooals de apen een koning hebben, die iedere bende aanvoert, zoo schijnen verscheiden vogelsoorten, vóóral wanneer gevaar dreigt, een hoofd te volgen.

De paradijsvogels hebben een koning. De tiran, een dapper onversaagd klein vogeltje, geeft bescherming aan grootere soorten, die hem vertrouwen en volgen. Men verzekert ook, dat de edele sperwer zijn roofinstinct onderdrukt, en enkele vreesachtige soorten, die op zijn edelmoedigheid vertrouwen onder zich laat nestelen.

Illustration from De vogel

Maar samenwerking tusschen gelijken, is toch altijd het veiligste. De struisvogels, vetganzen, en nog meer anderen doen dat. Vele soorten, die zich voor den trek vereenigen, vormen bij de afreis tijdelijke republieken. Men weet van de voortreffelijke verstandhouding, den republikeinschen ernst, de prachtige taktiek der ooievaars en kraanvogels. Anderen, veel kleiner en minder gewapend, en dat in een klimaat waar de wreed vruchtbare natuur, hun zonder ophouden de vreeselijkste vijanden baart, durven zich niet van elkander te verwijderen, en bouwen hunne woningen dicht bij elkander zonder ze nog te laten samensmelten. En zoo leven zij onder een gemeenschappelijk dak in afzonderlijke cellen, als de bijen in hun korf. De beschrijving, die Paterson daarvan geeft doet denken aan een fabel. Maar het geval wordt door Levaillant bevestigd, die dikwijls in Amerika die zeldzame kolonies vond en bestudeerde. Het is de beschrijving van een immense parapluie, die aan een boom is vastgehecht, en onder zijn gemeenschappelijk dak meer dan driehonderd woningen bergt. „Ik liet hem bij mij brengen,” zegt Levaillant, „en verscheiden mannen waren noodig om hem op een wagen te zetten. Ik sloeg hem door met een bijl, en ik zag, dat de massa uit bosman gras bestond, maar zoo dicht gevlochten, dat de regen er onmogelijk door kon dringen. Deze massa is het eigenlijke geraamte van het gebouw, iedere vogel maakt zich een nest onder het gemeenschappelijk dak. De nesten zijn alle aan den rand; het bovengedeelte blijft vrij, zonder daarom nutteloos te zijn; want daar het hooger is dan de rest, krijgt hierdoor het geheel een voldoende helling, zoodat de kleine woninkjes alle goed beschermd zijn. Kort genomen, moet men zich dus een groot, onregelmatig, schuin afloopend dak voorstellen, waarvan de rand inwendig opgevuld is met dicht aanééngesloten nesten. Zoo krijgt men het juiste begrip van dit eigenaardig bouwsel.

Ieder nest heeft 3 tot 4 duim middellijn, wat voor het vogeltje voldoende is; en daar ze aan elkaar stooten het geheele dak rond, schijnen zij voor het oog een geheel te vormen; zij zijn gescheiden door een kleine opening, tegelijk de ingang; en dikwijls dient ééne opening voor drie nesten, waarvan het eene naar bínnen ligt en de twee andere ieder aan een kant. Er waren 320 cellen hetgeen 640 bewoners maakt, als tenminste in iedere cel een paartje was, waarvan ik niet heelemaal zeker ben. Toch heb ik iedere keer, dat ik op een zwerm schoot een gelijk aantal mannetjes en wijfjes gevonden.” Lofwaardig voorbeeld! hoe verdient het navolging!—Maar zou dat broederlijk zich vereenigen van die kleine wezentjes, wel een voldoende waarborg zijn? Zeker zullen ze soms met hun aantal en luidruchtigheid het monster verschrikken en van zijn weg doen afwijken; maar als de boa, sterk in zijn schubbig pantser, en doof voor hun kreten, hardnekkig blijft voortschuiflen en hun burcht aanvalt, op een tijd misschien dat de jongen nog niet vlug zijn, dan wil hun aantal niet anders zeggen dan, meer slachtoffers.

Blijft nog, de luchtstad van Aristofanes: afgezonderd van aarde en water, te bouwen in de lucht; een wonder dat alléén de twee sterkste machten op de wereld kunnen scheppen: de Liefde en de Vrees, de meest intense vrees, die het bloed doet stollen. Als uit een hollen boom de donkere platte kop van een kil reptiel zich opheft en u aansist, dan siddert ge, niet waar, gij een sterke man?

Moet dan niet dat weerloos schepseltje van angst vergaan, als het zoo overvallen wordt in zijn nestje en de schrik zijn vleugels verlamt?

De luchtstad ontstond in het land der slangen. In Afrika, het land der monsters, met zijn afschuwelijke droogten, bedekken zij letterlijk den grond. In Azië, op de verschroeide kusten van Bombay, in de bosschen, waar het rottig slijk gaat gisten, krioelen zij, en groeien, opgeblazen van venijn. De Molukken zijn er vol van.

Vandaar de vinding van de Loxia pensilis (grootsnavel der Filippijnen), zòo heet die groote kunstenaar. Hij kiest een boom uit, dicht aan het water. Aan de takken hecht hij behendig afhangende plantenvezels. Hij meet het gewicht van het nest vooruit, en vergist zich nooit. Aan de vezels bevestigt hij één voor één, vrij harde grassen en doet dit, zonder steunsel, los in de lucht werkend. Het is een lastig werk en van langen duur, niet anders te volbrengen dan met oneindig veel geduld en energie.

De vestibule alleen, is al een cylinder van niet minder dan twaalf of vijftien voet lengte, die boven het water hangt met de opening naar beneden, zoodat men stijgende moet binnengaan. Het bovenste gedeelte heeft den vorm van een pompoen of opgeblazen zak, iets als de retort van een scheikundige. Soms hangen er vijf of zes van die nesten aan één bamboe.

Dit is dus mijn luchtstad. Geen verbeeldingsdroom, zooals die van Aristofanes, maar echt en werkelijk, en die voldoet aan de drie voorwaarden: veiligheid van de waterzijde en ook van den landkant en bovendien ontoegankelijk te zijn voor de roovers der lucht, door de nauwe toegangen, die met veel moeite beklommen worden.

En nu zoudt gij misschien tegen den sluwen vogel over zijn nest zeggen, wat men tegen Columbus zeide, toen hij zich sterk had gemaakt een ei rechtop te zetten: „Maar dat is dood eenvoudig.” En dan zou de vogel, als Columbus, antwoorden: „Waarom vondt ge 't dan zelf niet uit?”

Illustration from De vogel
EDUCATION
EDUCATION

DE OPVOEDING.

Illustration from De vogel

DE OPVOEDING.

Het nest is nu gereed, beschermd door alle voorzorgsmaatregelen, die de moeder kon uitdenken. Zij zet zich neer op haar voleindigd werk en verbeeldt zich den nieuwen gast, dien het morgen zal herbergen.

En moeten wij ook niet nadenken, op dit voor haar zoo heilig oogenblik, en ons afvragen wat er in dat moederhartje omgaat?

Zouden wij durven spreken van een ziel? durven zeggen, dat deze vindingrijke architekte, deze teedere moeder een ziel heeft?

Vele, zelfs zeer gevoelige en sympathieke menschen, zouden daarop een uitroep van verontwaardiging doen, en die zoo natuurlijke gedachte, als een schandelijke hypothese verwerpen.

Hun gevoel zou hen er wel toe brengen; maar hun geest, hun opvoeding ten minste, opvattingen, die men hun al vroeg heeft ingegoten, verwijderen hen er van.

De dieren zijn maar machines, een soort van automaten, en denkt men in hen een vonk van gevoel of rede te zien, dan is dat niet anders dan de werking van het instinkt. Maar wat is het instinkt? Een soort van zesde zintuig, waarvan geen bepaling te geven is; dat in hen is, en niet door hen zelf verkregen; een blinde kracht, die handelt, konstrueert en duizend intelligente dingen doet, buiten hun bewustzijn om, en buiten hun persoonlijkheid?

Als dat zoo is, dan moet het instinkt iets onveranderlijks zijn, en de uitwerking er van regelmatig dezelfde, noch door tijd, noch door omstandigheden gewijzigd.

Onverschillige geesten, menschen, die slecht waarnemen of van iets anders zijn vervuld, zullen dit grif aannemen. Waarom ook niet? Op het eerste gezicht schijnen verschillende handelingen van vogels, verschillende feiten, bijna regelmatig terug te komen.

Om juister te oordeelen, ware er misschien langer en nauwkeuriger waarneming, meer tijd en studie noodig, dan de zaak waard is.

Een dispuut daarover zullen wij verdagen, en liever de voorwerpen zelve bestudeeren. Beginnen wij met een eenvoudig en op zichzelf staand voorbeeld; daarbij alléén vertrouwend op onze oogen, op onze eigen waarneming; dat kan ieder, ook de meest gewone geest.

Ik geef hier in allen eenvoud, het dagboek van mijn sijsje „Jonquille,” zooals het geregeld gehouden werd bij de geboorte van haar eerste kind; een zeer nauwkeurig dagboek, en zoo goed als een authentieke geboorteakte.

„Eerst dient men te weten, dat Jonquille in de kòoi geboren was, en nooit een nest had zien maken. Toen ik bemerkte, dat zij onrustig werd onder den invloed van haar komend moederschap, zette ik dikwijls haar deurtje open, en liet haar vrij uitgaan, om in de kamer het materiaal te zoeken voor het leger van haar kleintje. Zij ging ook aan 't zoeken, maar wist het blijkbaar niet te gebruiken. Ze deed alles bij elkaar, en duwde en stopte het in een hoekje van de kooi. Het bleek dus heel duidelijk, dat de kunst van nesten bouwen haar niet was aangeboren, en dat evenmin als de mensch, de vogel iets weet, dat hij niet geleerd heeft.

„Ik gaf haar toen het nestje heelemaal klaar, d. w. z. het kleine mandje, dat er den ondergrond en de wanden voor levert. Zij zorgde toen voor het matrasje en bekleedde zoo goed het ging de wanden. Toen heeft zij zestien dagen lang haar eitje bebroed, met een volharding, een vuur, een moederlijke toewijding, verwonderlijk te zien; een paar minuten maar per dag verpoosde zij zich van haar vermoeiende taak, en dan nog maar alléén als het mannetje haar wilde vervangen.

„Den zestienden dag op den middag, brak de schaal van het eitje door midden, en men zag in het nestje kleine vleugeltjes zonder veeren, kleine pootjes, en iets, dat bezig was zich heelemaal los te werken uit het omhulsel. Het lichaampje was een groote buik, rond als een bal. Met wijd open oogen, uitgestrekten hals en trillende vleugels, zat de moeder op den rand van het nestje naar het kind te zien; en ook naar mij keek zij, alsof zij zeide: „Kom niet dichtbij!”

Illustration from De vogel

„Behalve een beetje lange donsjes aan de vleugeltjes en het kopje, was het diertje heelemaal naakt.

„Dien eerste dag gaf zij het alléén maar te drinken: het gaapte al met een flinken bek.

„Van tijd tot tijd ging de moeder een beetje op zij om de ademhaling vrij te laten; dan nam zij het weer onder hare vleugels en wreef het heel voorzichtig.

„Den tweeden dag heeft het gegeten, maar niet meer dan een hapje groen door den vader meegebracht, door haar ontvangen en zorgzaam bereid, en met kleine geluidjes aan het jonkje gegeven. Waarschijnlijk was het minder voeding, dan purgatie. Zoolang het kind verzorgd is, laat zij den vader aan zijn bezigheden: uitvliegen, gaan en komen. Maar zoo gauw het begint te vragen, roept de moeder met haar liefste stemmetje den verzorger; hij vult zijn bekje en komt haastig haar het hapje brengen.

„Den vijfden dag puilen de oogen al minder uit, en den zesden 's morgens, komen de veeren door langs de vleugels, en het rugje verdonkert. Den achtsten doet het kind zijn oogjes open als het geroepen wordt, en begint te stamelen. De vader durft het nu aan, het zelf te voeren. Nu kan de moeder vacantie nemen en blijft vrij lang weg. Dikwijls zet zij zich op den rand van het nestje en beschouwt liefdevol haar kind. En dat begint zich te roeren, krijgt behoefte aan beweging.

„Arme moeder, binnen kort zal hij je willen verlaten!

„Bij deze eerste verzorging van het beginnende en nog lijdzame leven, evenals bij de latere opvoeding, de aktieve—het vliegen—waarover ik nog spreken zal, was het zeer in 't oogvallend en aan alles duidelijk, dat er steeds en met groote voorzichtigheid rekening werd gehouden, met het meest onvoorziene, het onberekenbare: de individueele krachten van het jonkje. De hoedanigheid, de hoeveelheid van het voedsel, verwarming, wrijving, zindelijkheid, dat alles werd met zorg en nauwgezetheid behandeld, al naar de omstandigheden het eischten; de verstandigste en teederste vrouw, had het nauwelijks zoo kunnen doen.

„Toen ik zag hoe hevig haar hartje klopte, haar oogje schitterde, als zij haar schat bekeek, heb ik gedacht: „Zou ik anders doen bij de wieg van mijn zoontje?””

O, als dit eene machine is, wat ben ik zelf dan? en wat bewijst dan, dat ik een persoonlijkheid ben? Waarnaar zich dan te richten? En is deze wereld niet een droom, een goochelspel, wanneer men uit de meest persoonlijke handelingen, die duidelijk het gevolg zijn van rede en berekening, besluiten moet, dat er niet anders is dan redeloosheid, mechanisme en automatisme; een soort van klok die het leven speelt, en het denken!

Bedenkt, dat onze waarnemingen betrekking hadden op een wezen in gevangenschap, genoodzaakt te handelen in ongunstige omstandigheden, en zéér beperkt wat keuze van verblijf en voeding betreft. Hoeveel meer zou er voor haar te handelen zijn, te kiezen en te overleggen, in de vrijheid der bosschen, waar voorzorgen en voorzichtigheid zouden vereischt worden in gevangenschap overbodig. Ik denk hier vooral aan de veiligheid, voor de vogels in natuurstaat het eerste belang, dat boven alles hen in staat stelt hun vrijwerkend vernuft te oefenen, en het tegelijk te bewijzen.

Deze eerste inwijding in het leven, waarvan ik hier een voorbeeld gaf, wordt gevolgd door wat ik vakopleiding zou willen noemen: iedere vogel heeft een beroep.

Illustration from De vogel

Een opleiding, die meer of minder werk vereischt, naar plaats en omstandigheden. De opleiding tot visscher is b.v. heel eenvoudig voor de vetgans, die slecht ter been, met moeite haar jong in de zee brengt; die opperste Moeder wacht hem, heeft zijn voedsel klaar; hij heeft den bek maar te openen. Bij de eend is die opleiding veel meer samengesteld. Ik zag dezen zomer op een vijver ergens in Normandië, een eend met haar broed, die bezig was met de eerste les. De eendjes dicht bijeen gedrongen, waren begeerig naar voedsel en vroegen maar om te leven. De moeder, gehoorzaam aan hun roepen, dook telkens naar den bodem, en bracht een wormpje of vischje mee boven, dat zij onpartijdig uitdeelde; zij gaf nooit tweemaal achtereen aan dezelfde.

Het aandoenlijkste van dit tooneel was de moeder, wier maag toch zeker ook haar eischen had; zij behield niets voor zich en scheen blij in haar offer. En het was blijkbaar haar bedoeling de kinderen te leeren doen wat zij deed: flink onder te duiken en in de diepte hun prooi te zoeken. Met een, haast lief, stemgeluid vroeg zij van hen dat bewijs van moed en vertrouwen. En ik had de voldoening te zien, hoe de één voor den ander, de kleintjes—misschien in angstig beven—onderdoken naar den duisteren afgrond. De les was afgeloopen, die opvoeding voltooid. Een hoogst eenvoudige opleiding en in een ondergeschikt vak. Nu blijft nog die hoogere school, die van het vliegen, het zingen, het bouwen. Niets zóó ingewikkeld als de opleiding van sommige zangvogels: de geduldige volharding van den vader, de leerzaamheid van de kinderen, hebben recht op ieders bewondering.

Ook strekt die opleiding zich verder uit dan het gezin. Nachtegalen en vinken, die nog jong zijn of minder geoefend, weten te luisteren en te profiteeren, als men hun een knappen meester geeft. In Rusland, in sommige paleizen, ziet men wel eens dergelijke zangscholen; men heeft daar nog den nobelen oosterschen smaak voor het gezang van den Bulbul. De kooi van den meester-nachtegaal, hangt midden in de zaal; hij is omringd door zijne leerlingen in hun respectieve kooien. Men betaalt zóóveel per uur, voor de les en het toehooren. Vóórdat de meester begint te zingen, tjilpen en kweelen zij onder elkaar: een herkennen en groeten. Maar zoodra de illustere dokter, met een krachtigen aanzet, als van een zuiver gestemde metalen klok, stilte heeft geboden, ziet ge hen eerst eerbiedig luisteren, daarna schuchter nazingen. De meester komt welwillend op de voornaamste passages terug, en verbetert zachtjes de fouten. Dan komen er enkelen, die zich vermannen, en met een paar gelukkige accoorden zich trachten aan te sluiten aan die heerlijke melodie.

Eene opvoeding, zóó subtiel, zóó samengesteld, kan die komen van eene machine, een redeloos wezen, dat alléén gedreven wordt door instinkt? Wie zou hier de ziel miskennen?

Laat ons zien, wat zichtbaar is! Laat ons, wat aangeleerd en overgenomen is, alle vooroordeelen, overboord gooien. Van welk vooropgesteld begrip, van welk dogma men uitgaat, nooit kan men God beleedigen, wanneer men een ziel toekent aan de dieren. Hoeveel grooter wordt Hij, wanneer Hij het individu, de ziel, den wil, geschapen heeft, dan wanneer Hij alléén machines construeerde!

Laat varen dien trots, en neem een maagschap aan waarvoor geen vrome ziel zich te schamen heeft. Wie zijn zij? Zij zijn uw broeders!

Wat zijn zij? Zielen in ontwikkeling, zielen nog beperkt tot enkele levensverrichtingen, maar aangelegd op een meer algemeen, en in zuiverder zin harmonisch leven, dan den mensch geworden is.

Zullen zij het bereiken? en hoe? Dit zijn God's mysteriën.—Dit ìs alleen zeker, dat Hij ook hen oproept naar hooger.

De dieren zijn—en ik spreek hier niet overdrachtelijk,—de kinderen van de Natuur, voedsterlingen van de Voorzienigheid; in Haar licht pogen zij te handelen en te denken, tastend nog, maar tastend gaan zij vooruit.

„Arm kind, nog is zij niet ontward, „De streng van uw gedachtendraad....”

Kinderzielen zeker, maar meer dan de zielen der menschenkinderen, zacht, berustend en geduldig. Zie maar, hoe in zwijgende lankmoedigheid de meesten—en ik denk vóóral aan de paarden,—een slechte behandeling verdragen, slagen en kwetsuren; ziekten dragen zij allen; allen dragen zij den dood. Zij zonderen zich af en leggen zich neer in 't verborgen. Die stille berusting werkt dikwijls meer uit dan de krachtigste geneesmiddelen. En gebeurt dat niet, dan berusten zij ook in 't sterven, en verscheiden als in slaap.

Illustration from De vogel

Hebben zij zoo lief als wij? Hoe zouden wij daaraan twijfelen, als wij zien hoe de vreesachtigsten plotseling tot helden worden, om hun kroost te verdedigen. De toewijding van den mensch, die voor zijn kinderen den dood trotseert, is dagelijks waar te nemen bij den tyran, en bij den ijsvogel, die niet alléén zich weert tegen den arend, maar hem zelfs onverschrokken vervolgt, als een held.

Wilt ge twee wonderbaar verwante feiten zien? Beschouw dan de vrouw, als haar kind den eersten stap zal doen, en de zwaluw, als haar jong gaat vliegen. Dezelfde angstige onrust, dezelfde aanmoedigingen, voorbeelden, raadgevingen; voorgewende zekerheid bij innerlijke angst: „Wees toch niet zoo bang... het is dood gemakkelijk”...

Maar in werkelijkheid trillen beide moeders van angst.

De lessen zijn vermakelijk. De moeder richt zich op, op haar vleugels; het jonkje let goed op, en probeert het ook te doen; dan ziet ge haar fladderen: het jonkje kijkt, en beweegt zijn vleugeltjes... Dat is alles nog niets, want het gebeurt in 't nest... De moeilijkheid begint, als het nest moet verlaten worden. Zij roept hem, toont hem een lekker hapje; ze belooft eene belooning, en lokt hem met een vliegje.

Illustration from De vogel

Hij aarzelt nog! Stel u in zijne plaats; er is hier geen sprake van een stap te doen in een kamer, tusschen de moeder en de kindermeid, en een val op kussens. De gierzwaluw, die haar eerste les geeft van af den hoogen toren, kost het veel moeite haar zoon aan te moedigen; zij verliest misschien zelf den moed op het laatste oogenblik. Ik ben er zeker van, dat beide meer dan eens met hun oog den afgrond meten, van hun toren naar het plaveisel. Voor mij was het altijd een grootsch en treffend schouwspel. Hij moet in zijne moeder gelooven; zij moet vertrouwen op de vleugeltjes van het kleine beginnelingetje. God verlangt van beide kanten een bewijs van geloof en moed. Dit is een grootsch uitgangspunt... En hij gelooft, hij gooit zich in de ruimte, en hij zal niet vallen. Bevend zweeft hij, gesteund door den adem der lucht, de bemoedigende kreten der moeder. Het is voorbij... Van nu af aan zal hij vliegen, onverschillig voor wind en orkaan, sterk door zijn eerste proeve: toen hij gevlogen heeft, steunende op zijn geloof.

L'ART ET L'INFINI
L'ART ET L'INFINI

DE NACHTEGAAL. DE KUNST EN HET ONEINDIGE.

Illustration from De vogel

DE NACHTEGAAL.

DE KUNST EN HET ONEINDIGE.

De beroemde „pré-aux-Clercs,” tegenwoordig „Marché Saint-Germain,” is 's zomers de vogelmarkt van Parijs. Een merkwaardige plek, om meer dan één reden. Het is als een groote menagerie, die steeds wordt vernieuwd, een eigenaardig beweegbaar museum van de fransche ornithologie.

Maar zulk een markt van levende wezens, eigenlijk gevangenen, die voor een groot deel heel erg hun gevangenschap voelen; slaven, die de koopman vertoont, en verkoopt, en meer of minder handig aanprijst: het doet indirect denken aan de Oostersche markten, waar menschelijke slaven verkocht worden. De gevleugelde slaven, al spreken zij onze talen niet, geven toch niet minder duidelijk den indruk van slavernij; sommigen, in gevangenschap geboren, hebben zich geschikt in hun lot; maar de anderen zijn stil en somber, zij droomen altijd van de vrijheid. Er zijn er die zich tot de voorbijgangers schijnen te wenden, alsof zij ze wilden aanhouden; zij verlangen niets anders dan een goeden meester. Hoe dikwijls zagen wij niet een klein slim puttertje, een aardig roodborstje, die ons droevig aanzagen; hun blik zeide heel duidelijk: „Koop mij toch!”

Op een Zondag van dezen zomer, hebben wij er een bezoek gebracht, dat wij niet licht zullen vergeten. De markt was niet rijk bezet, ook niet harmonieus; want de ruitijd, de stille tijd, was begonnen. Maar wij werden getroffen, en onze belangstelling werd in 't bijzonder opgewekt, door de naïeve houding van sommige vogels. Gewoonlijk trekken zang en vedertooi, de hoogste attributen van de vogels, alle aandacht, en men vergeet te letten op hun levendige en origineele pantomine. Er is er één, de Amerikaansche spotvogel, die een echt tooneelspelersgenie heeft, en al zijn zangen begeleidt met een zeer gemarkeerde mimiek, die hun karakter volgt, en dikwijls ironisch is getint. Onze vogels zijn in die eigenaardige kunst niet thuis; maar eenvoudig en onbewust, geven ze door hunne bewegingen duidelijk, en dikwijls op roerende wijze, te kennen wat er in hen omgaat.

Dien dag was een zwartkop grasmusch de koning; hij was een kunstenaar van hooge waarde, die van de anderen was afgezonderd in de uitstalling; hij stond boven de andere kooien, als een kleinood zonder weerga. Hij bewoog zich licht en sierlijk; een allerbekoorlijkst diertje één en al gratie. In gevangenschap groot gebracht betreurde hij geen vrijheid, en de indruk, dien hij gaf was enkel lieftalligheid en geluk. Het was blijkbaar een allerliefst en zacht wezen, en zóózeer scheen het mij, dat de zang in harmonie moest zijn met de beweging, dat ik vóór hem staande, meende hem te hooren zingen.

Lager, veel lager, een vreemde en geheel tegenovergestelde indruk: een klein kooitje, waar een iets grootere vogel, onmenschelijk nauw was ingesloten. Het was een vink; de eerste blindgemaakte, dien ik zag. Geen pijnlijker schouwspel denkbaar. Het kan alléén een natuur, aan alle harmonie vreemd, de ziel van een barbaar zijn, die zich den zang van dat slachtoffer koopt voor zulk een aanblik. Zijn verwrongen houding, het werken van zijn lichaampje, maakten zijn zang allersmartelijkst voor mij; en het ergst was, dat het menschelijke bewegingen waren: zij herinnerden aan bijzienden, of menschen op later leeftijd blindgeworden, zooals die met hun hoofd draaien of ongracelijk de schouders bewegen. Zoo doet nooit een blindgeborene. Met een wanhopig pogen, door gewoonte tot een vasten trek geworden, zocht hij, het kopje naar rechts gewend, met zijn doode oogen het licht.

De verdraaide hals, dien hij opzwol, als om meer kracht te kunnen zetten, dook weg in de hoog opgetrokken schouders. Deze rampzalige mismaakte virtuoos, die al maar bleef zingen, had een bewijs kunnen zijn van de leelijkheid van den kunstenaarslaaf, indien het beeld niet veredeld ware geworden, door dat wanhopig pogen het licht te vinden, al zoekend naar boven, en puttend zijn zang uit de onzichtbare zon, die hij in zich bewaard heeft.

Deze vogel, dien men niet veel leeren kan, herhaalt in 't oneindige met zijn verwonderlijken metaalklank, de bijzondere melodie van zijn geboorteplaats.

De verscheidenheid van vinken-dialekten is zoo groot als de verscheidenheid van hun woonplaatsen. Hij blijft altijd zichzelf, zingt zijn geboortegrond; altijd dezelfde phrase op denzelfden toon; maar met hartstocht en in een voortdurenden wedstrijd. Zet men een mededinger bij hem, dan zal hij het honderdemalen na elkaar herhalen, tot hij er misschien aan sterft. Het verwondert mij niet, dat de Belgen hartstochtelijke liefhebbers zijn van de wedstrijden tusschen die helden van den nationalen zang: hun zangers uit de Ardennerwouden; dat zij prijzen geven, zelfs kronen, zelfs eerepoorten, aan die toegewijden, die voor een overwinning het leven laten.

Illustration from De vogel

Nog lager dan de vink, in een allerakeligst-klein kooitje, in een gemengd gezelschap, tusschen een half dozijn vogels van verschillende grootte, toonde men mij een gevangene, dien ik niet opgemerkt zou hebben: een jongen nachtegaal, dienzelfden ochtend gevangen. De vogelaar, sluw machiavellist, had den droeven gevangene in een vroolijk gezelschap slaafjes gezet, die al lang aan opsluiting gewoon waren: jonge winterkoninkjes, nog niet lang geleden in de kooi geboren. Hij had listig berekend, dat het zien van kinderlijk spel en vreugde, dikwijls het groote leed doet vergeten. En het was een groot, een immens leed, aangrijpender dan alle smart, die wij door tranen uitdrukken. Een stomme opgesloten smart, die niet anders verlangde dan duisternis. Hij had zich in het verste hoekje van de kooi, waar het donkerder was, teruggetrokken, half verborgen in een etensbakje; daar zat hij dik, de veeren bol en los bijna overeind staande, de oogen gesloten; hij opende ze niet eens, als hij een duw kreeg van die kleine woelwaters, die in hun dolle, onbescheiden pret, soms tegen hem aandrongen. Hij wilde niets zien, niets hooren, niet eten en niet getroost worden, dat was duidelijk. Het willens de duisternis zoeken, was in die wreede smart, een trachten niet te zijn, een opzettelijke zelfmoord, dat voelde ik. In zijn geest zocht hij den dood, en hij deed zijn best te sterven, door de werking zijner zinnen te schorsen, en alle uitwendig leven stop te zetten.

En weet, dat in die houding, geen haat, geen bitterheid, geen toorn was; niets dat herinnerde aan zijn buurman, den heftigen vink, wien men een wanhopig, worstelend pogen kon aanzien. Zelfs de zorgelooze onbescheidenheid van die kindervogeltjes, die zich zoo ruw tegen hem aangooiden, dwong hem geen beweging van ongeduld af. Het was onmiskenbaar, dat hij zeide: „Wat deert hem, die niet meer is!” Al waren zijn oogen gesloten, ik las in hem. Ik voelde in hem een kunstenaarsziel, al zachtheid en licht, zonder gal noch hardheid tegen de barbaarschheid der wereld en de wreedheid van het lot. En dáárop leefde hij, dáárdoor kon hij niet sterven. Want tegelijk met die groote rouw, leefde in hem het alvermogend geneesmiddel hem ingeboren: het innerlijk licht, de zang. Die twee woorden hebben gelijke beteekenis in de taal van den nachtegaal.

Ik begreep dat hij niet sterven zou; want zelfs nu, ondanks hemzelf, ondanks dat verlangen, niet meer te zijn, hield hij niet op te zingen. Hij zong een stommen zang; maar ik hoorde dien duidelijk:

Lascia ch' io pianga!....

La Libertà....

(Laat mij klagen!.... De Vrijheid!....)

Ik had niet verwacht, daar dien zang terug te vinden, dien ik vroeger gehoord had uit een anderen mond, (een mond, die zich nooit meer zal openen) die toen in mijne ziel een wonde brandde, waarvan nooit de tijd het lidteeken zal heelen.

Ik vroeg aan zijn cipier of hij te koop was. De sluwe koopman antwoordde, dat hij nog niet alleen kon eten. Dat was een tastbare leugen, want hij was niet van hetzelfde jaar; maar hij wilde hem houden, om hem 's winters te verkoopen, als hij zijne stem weer terug zou hebben en een hoogen prijs waard zijn. Zulk een in vrijheid geboren nachtegaal, heeft een oneindig hooger waarde, dan een die in de kooi geboren werd; héél anders klinkt zijn zingen; want hij kende de vrijheid en de natuur, en betreurt wat hij verloor. Bij den waarachtigen kunstenaar is het beste deel van het genie: de smart.... Kunstenaar, ik heb het woord gezegd, en ik trek het niet terug. Het is niet bij vergelijking gesproken, zooals men twee dingen naast elkaar stelt, die veel van elkaar hebben, maar het is absoluut hetzelfde.

Naar mijne meening is de nachtegaal niet de éérste van het gevleugde volk, dien men dien naam van kunstenaar verschuldigd is, maar de éénige. Waarom? Omdat hij de éénige is, die schept; de éénige, die zijn zang verrijkt en aanvult en afwisselt; hij voegt er nieuwe zangen aan toe. Hij alléén, heeft dien rijkdom en afwisseling in zichzelf, bij de anderen is het aangeleerd en nagevolgd. Hij vat ze allen samen; zijn zang houdt ze bijna allen in. Ieder van hen, van de schitterendste zangers, levert een couplet voor den nachtegaal. Één enkele vogel bereikt als hij de hoogste effecten, maar in het naïeve, eenvoudige: dat is de leeuwerik, het kind van de zon. En ook de nachtegaal wordt bezield door het licht, en dat zóó sterk, dat in gevangenschap, als hij eenzaam is en zonder liefde, het licht alléén genoeg is om hem te doen zingen. Wordt hem, als hij eenigen tijd in het donker is gehouden, op eens het licht hergeven, dan wordt zijn opwinding een delirium: hij barst uit in hymnen.

Maar er is altijd dit verschil, dat de leeuwerik geen nachtzanger is. Zijn melodie wordt nooit een nocturne, die de avondstemming zingt, de groote effecten en de diepe poëzie van schemering en duister; het plechtig zwijgen van middernacht, de bezieling van den dageraad; een groot rijk gedicht, dat ons een hart vol teederheid ontsluiert, en het openbaart in al zijn diepten.

De leeuwerik heeft het lyrisch genie; maar de zang van den nachtegaal is het heldendicht, het drama, het woelen van innerlijken strijd. Vandaar een eigen licht: in zwarten nacht, ziet hij in zijn ziel en in zijn liefde; en soms schijnt het wel, nog boven individueele liefde uit, in den oceaan der Oneindige Liefde.

Waarom hem geen kunstenaar te noemen? Hij heeft het temperament in den hoogsten graad; zoo sterk als de mensch het zelden heeft. Alle eigenschappen, alle fouten van het temperament heeft hij te over. Hij is vreesachtig; wantrouwend maar zonder de minste sluwheid. Aan zijne eigen veiligheid denkt hij niet; en hij trekt altijd alléén. Hij is hevig in zijn jaloezie, en in wedstrijd met een mededinger staat hij gelijk met den vink. „Hij zou zich dood zingen,” zegt één van zijn beschrijvers. Hij luistert naar zichzelf en vestigt zich bij voorkeur waar een echo is, om te kunnen hooren en antwoorden. Tot in 't uiterste nerveus, ziet men hem in gevangenschap soms lang slapen op den dag, met onrustige droomen; of wakend, oproerig en als een razende. Hij is onderhevig aan zenuwtoevallen en epilepsie.

Illustration from De vogel

Hij is goed, en hij is roofzuchtig; ik kan dat verklaren. Zijn hart is teeder voor wat zwak is en klein: geef hem weesjes op te voeden; hij zal er voor zorgen en die opvoeding zeer ter harte nemen. Zelfs als hij een mannetje is, en al oud, zal hij ze voeden en opkweeken. Maar van den anderen kant is hij heftig op zijn prooi, gulzig en begeerig; het is die altijd brandende inwendige vlam, die steeds om voedsel vraagt, om hernieuwing. En dat is ook de reden, waarom hij zich zoo gemakkelijk laat vangen. In den vroegen morgen, bij voorkeur in de maanden April en Mei, als hij zich heeft uitgeput met zingen den heelen langen nacht door, vangt men hem zonder moeite. Hij is dan moe, zwak en uitgehongerd, en werpt zich in blinde begeerigheid op het lokaas. Bovendien is hij zéér nieuwsgierig, en als er voor hem iets nieuws te zien is, is hij ook een gemakkelijke buit.

Maar is hij gevangen, dan moet men zijne vleugels binden of hem in een van binnen gevoerde en van boven gewatteerde kooi zetten, of hij zou zich den dood aandoen door de uitzinnige woestheid van zijn gefladder.

Illustration from De vogel

Maar die hevigheid is alléén uiterlijk. In den grond is hij zacht en meegaande. En dáárdoor staat hij zoo hoog en is hij een werkelijk kunstenaar. Hij is niet alleen de meest bezielde, maar ook de leerzaamste, de ijverigste, de beschaafdste.

Het is een zeldzaam aardig tafreel, zooals de kleintjes aandachtig om den vader heen staan en oplettend luisteren en profiteeren; hun stemmetjes oefenen, gaandeweg hun fouten verbeteren en hun ruwheid van beginnelingen; hoe zij hun jonge organen lenig maken.

Maar nog veel merkwaardiger is het, hem bij zijn eigen vorming waar te nemen; te hooren hoe hij zijn zang kritiseert en volmaakt; hoe hij een nieuw thema beoordeelt en instudeert. Die volharding, die ernst, hebben hun oorsprong in den eerbied voor zijn kunst, en in eene innerlijke vroomheid; zij zijn het zedelijksgevoel van den kunstenaar, zijn heiligdom. En daarom staat hij op zichzelf en kan niet verward worden met den eenvoudigen improvisator, wiens onbewust zich geven, niet anders is dan de echo van de natuur. Liefde en Licht zijn zeker de onmiddellijke aanleiding tot zingen; maar de kunst zelf, en het schoonheidsgevoel, vaag begrepen, maar zéér levendig gevoeld, zijn hem een ander voedsel, dat zijn hart sterkt en hem op nieuw bezielt. En dit zonder grens: een licht dat voert naar het oneindige.

De kunstenaar is eerst waarlijk groot wanneer hij zijn doel voorbij streeft, meer doet dan hij verwachtte; en dan ook nog iets geheel anders: wanneer hij stijgt boven zijn doel uit, het mogelijk overtreft, en nóg verder ziet. Vandaar de eeuwige weemoed, een steeds opwellende bron van melancholie; vandaar de sublieme dwaasheid, rampen te beweenen die hij nooit kende. De andere vogels verbazen zich, en vragen dikwijls wat hij toch heeft, wat hij zoo betreurt. En hij, gelukkig in de vrijheid van zijn bosschen, antwoordt hen met hetzelfde, wat mijn gevangen nachtegaal (maar zwijgend) zong:

„Lascia ch' io pianga!” (Laat mij het klagen!)

Illustration from De vogel
SUITE DU ROSSIGNOL
SUITE DU ROSSIGNOL

VERVOLG VAN DEN NACHTEGAAL.

Illustration from De vogel

VERVOLG VAN DEN NACHTEGAAL.

De perioden zonder zang hebben toch hun vruchtbaarheid voor den nachtegaal; hij keert tot zichzelf in en overdenkt. Hij bestudeert de zangen, die hij gehoord heeft, of die hij zelf probeerde; hij wijzigt en verbetert ze met volkomen smaak en takt. De valsche noten van den onbekwamen meester, vervangt hij door harmonische varianten, vernuftig gevonden. Een onvolledige melodie, die men hem geleerd heeft, die hij nog niet nazong, herhaalt hij; maar nu is zij zijn eigene; aangepast aan zijn genie, werd zij tot een echte nachtegaalszang.

„Laat u niet ontmoedigen,” zegt een oud en naïef schrijver, „als de jonge vogel de les niet herhaalt, en maar blijft doorkweelen; ge zult spoedig merken, dat zijn geheugen de lessen, in herfst en winter ontvangen, heeft vastgehouden; de lange nachten zijn de rechte tijd tot overdenken; in de lente zal hij zijn lessen herhalen.”

Het is een boeiende bezigheid, in den winter de gedachten van den nachtegaal te volgen. In zijn donkere kooi, met een groen kleed omhangen, voelt hij zich misschien aan zijn bosschen herinnerd. Tegen December begint hij hardop te droomen, te praten; hij beschrijft in bewogen klanken, wat in zijn geest voorbijtrekt; de dingen van vroeger, die hij lief had. Misschien vergeet hij dan, dat hij niet heeft weten weg te trekken: hij meent in Afrika, in Siberië te zijn, in de landen met sterker zonlicht. Misschien ziet hij die zon; hij ziet ook weer de rozen bloeien. Voor hààr begint hij zijn hymne—de Perzische dichters zeggen: „De hymne van de liefde, die niet zijn kon.”

O Sonne, o Meer, o Rose!.... Rückert.

Ik geloof vast, dat die nobele, pathetische zang, met zijn verheven accent, niet anders is, dan hijzelf; zijn leven van liefde en tweestrijd, zijn nachtegalendroom. Hij ziet zijn bosschen, zooals de geliefde ze voor hem herschept; hij ziet haar levendig, teeder wezen, en al de sierlijkheid en gratie van het gevleugelde leven, die wij in het onze missen. Hij spreekt tot haar; zij antwoordt. Hij zingt een dubbele partij: op den vollen, sonoren, mannelijken toon, volgt het antwoord in teedere geluidjes. En wat dan verder nog? Ik betwijfel niet, dat ook de extase van zijn leven hem voorzweeft: de innigheid van het nest, de kleine woning, die zijn zaligheid geweest zou zijn.... Hij voelt zich dáár; hij sluit de oogen om het visioen te doorleven. Het ei breekt open, zijn Kerstwonder is geboren. Zijn zoon, de toekomstige nachtegaal is volwassen en vol melodie. Hij luistert in de somberheid van zijn donkere kooi in verrukking naar het toekomstige lied van zijn zoon.

Dat alles, wel te verstaan, in eene poëtische verwarring, waarbij allerlei hindernissen en gevechten, het liefdefestijn komen verstoren en onderbreken. Geen volmaakt geluk op deze aarde: er komt een derde. De gevangene in zijn alléén-zijn, begint zich op te winden, te ergeren; hij is duidelijk in een tweegevecht met den onzichtbaren tegenstander, met den anderen, den onwaardigen mededinger, dien hij ziet, dien zijn geest hem voorspiegelt.

Dit tooneel speelt zich af in zijn geest, zooals het gebeurd zou zijn in het voorjaar, als de mannetjes terugkomen, vóór de komst van de wijfjes. Zij zijn dan besloten, het groote liefdeduel onder elkaar vast uit te vechten. Als de wijfjes komen moet het rustig zijn en kalm, enkel vrede, liefde en teederheid.

Deze strijd duurt veertien dagen, en komen de wijfjes vroeger dan wordt de inspanning doodelijk. Dan is het eene herhaling van de geschiedenis van Roeland, die in zijn ivoren horen, kracht en leven uitblies. Zoo ook zij: zij zingen zich hun laatsten adem, hun leven uit; zij willen overwinnen of sterven.

Als het waar is, wat men zegt, dat de minnaars, twee, driemaal talrijker zijn dan de minnaressen, dan wordt de brandende hartstocht, waarmede die geweldige tweekamp gevoerd wordt begrijpelijk; en mogelijk ligt dáár de eerste vonk en het geheim, van hun genie.

Het lot van den overwonnene is vreeselijk, erger dan de dood. Hij is gedwongen te vluchten, die streek te verlaten; hij komt in verval, vergeet zichzelf bij dit volk van minder allooi, wordt één van hen, en kent nòch zijn eigen taal, nòch de hunne meer, geen enkele taal. Soms komt men zulk een banneling tegen; hij is alleen nog maar uiterlijk een nachtegaal.

Maar het verbannen van dezen verslagene is pas een voorspel. Men moet behagen, men moet hare neiging winnen. Een schoon moment, als de teederheid een nieuwen zang inspireert, die het fiere, schuwe hartje moet roeren, tot het om liefde, de vrijheid offert. De proeven, die bij andere soorten het wijfje vraagt, hebben betrekking op den nestbouw; men moet zijn kunstvaardigheid weten te bewijzen en toonen hart te hebben voor het gezin. En de uitkomst is dikwijls schitterend. Men denke aan den specht, die van ambachtsman, kunstenaar wordt; van timmerman, beeldhouwer. Van dat alles kan de nachtegaal niets! hij mist alle behendigheid. De minste van de vogels is handiger met snavel of vleugel of poot. Hij heeft alléén zijn stem. Dat hij die dus gebruike! Dáár ligt zijn kracht, daarmee zal hij onweerstaanbaar zijn. Anderen mogen hun werk toonen, zijn werk, dat is hijzelf. Hij geeft zich, hij openbaart zijn wezen, hij toont zich hoog en groot. Nooit hoorde ik hem in dit gewijde uur, of ik was er zeker van, dat hij haar hartje zou treffen, en dat niet alléén; maar dat die zang haar zou kunnen veranderen, veredelen, verheffen, haar een hoog ideaal geven en haar den wondren droom doen droomen, van den subliemen nachtegaal, die uit hun liefde zou geboren worden.

Laat ons even herhalen: wij telden tot nu toe drie zangen:

Het drama van den krijgszang, met zijn wisselingen van ergernis, trots, uitdaging, en woeste uitbarstingen van jaloezie.

Het werven: een teeder smeekend lied, maar gemengd met uitingen van ongeduld en trots; alsof het genie zich verwondert, dat het miskend blijft; een geèrgerd klagen ook, over den verloren tijd; maar dat weer gauw overgaat in een schuchter vragen.

Dan komt eindelijk het triomflied: Ik heb overwonnen, ik word bemind, ik ben de koning, de god, de éenige Schepper!.... In dit laatste woord ligt al de intensiteit van leven en liefde. Want haar schepping zal de weergave zijn van zijn genie, dat hij overbrengt op haar; zoodat iedere beweging, iedere aandoening, de geringste vleugeltrilling van haar, een melodie zal zijn voor hem, zichtbaar geworden in de gratie van haar zielsverrukking.

Vandaar het nest, het ei, het kind. Dat alles is het in leven herschapen lied. En dáárom ook, dat hij zich niet van het nest verwijdert als eenmaal het heilig werk van het broeden is aangevangen. Hij blijft niet in het nest, maar op een tak die iets hooger ligt. Hij is er zich volkomen van bewust, dat de stem op een afstand grooter werking doet. En van zijn hoogen post, gaat deze machtige toovenaar voort haar te boeien, en haar werk vruchtbaar te maken; met haar samen volbrengt hij het groote mysterie; leggende in zijn zang al zijn wezen, zijn hart, zijn teederheid, zijn wil: een tweede bevruchting. En op dat moment moet men hem hooren, hem beluisteren, in het loover van zijn bosch; meêvoelen al de zielsbewegingen van die bevruchtende macht, de naaste misschien om ons te openbaren, te doen vatten, den verborgen God, die ons ontvlucht. Bij iedere schrede van ons, wijkt hij terug, en de wetenschap kan niet anders dan alleen nog den afstand vergrooten tusschen ons, en den sluier, waarin Hij zich aan ons oog onttrekt.

„Ziet, Hij gaat voorbij,” zeide Mozes, „ik zag Hem van achteren.”—„Is Hij het niet die voorbijgaat?” sprak Linnaeus.... „Ik zag Hem van ter zijde.” En ik sluit de oogen: ik voel Hem, en mijn ziel is bewogen, ik voel Hem mij doordringen in het tooverschoon van den nacht, met den zang van den nachtegaal.

Treed hem nader: gij hoort een minnaar; verwijder u: het is een god. Wat men hiér hoort als de trillingen van een gloeiend werven, als een zinnenbedwelmende melodie, wordt, gedragen door de lucht, vergroot en verruimd, tot een heilige zang, die het geheele bosch vervult.

Dichtbij bezingt hij het nest, de geliefde, den zoon, die moet geboren worden. Uit de verte wordt het eene andere geliefde, een andere zoon; het is dan de Natuur, tegelijk moeder en dochter, geliefde in eeuwigheid, die bezongen wordt en gehuldigd. Het is de oneindige Liefde, die in allen liefheeft, in allen zingt. Het zijn de lofzangen, de vrome en dankbare aandoeningen, die van de aarde gaan naar den Hooge.

Illustration from De vogel

„Toen ik nog maar een kind was, voelde ik dat al in de Natuur van ons Zuiden, in de schitterende sterrennachten, in de omgeving van mijn vader's huis. Later voelde ik het beter, vóóral in dien eenzamen boomgaard bij Nantes, waarvan ik hierboven sprak. Niet zoo schitterend waren daar de nachten; maar door het wazige, luwe nevelfloers, blikten er zacht en bescheiden de sterren. Op den grond nestelde een nachtegaal, op een maar heel weinig verborgen plekje, onder mijn ceder, tusschen de maagdepalm. Hij begon om middernacht, en zong door tot aan den morgenstond, en hij scheen gelukkig en trotsch, dat hij alléén waakte, en met zijn stem die groote stilte vulde. Niets verstoorde zijn zang, dan alléén tegen den ochtend de haan: een wezen uit een andere wereld, die vreemd is aan den zang der ziel; maar een nauwgezet schildwacht is hij, die zich verplicht voelt met nauwgezetheid het uur te roepen, dat de werkman zijn tijd weet.

„De Nachtegaal bleef zingen; hij scheen te zeggen als Julia tot Romeo:

„Neen het is de dag nog niet...”

„De plaats, die hij zich gekozen had, zóó dicht in onze nabijheid, bewees, dat hij ons niet vreesde; dat hij zich volkomen veilig voelde. En dat kon hij ook bij ons, twee kluizenaars van den arbeid, die altijd bezig waren en altijd welgezind; en die evenals die andere gevleugelde kluizenaar, vervuld waren van hun zangen en hun droomen.... Wij konden hem op ons gemak waarnemen, als hij rondvloog met zijn gezin, of een zingend duel had met een hoogmoedigen buurman, die hem soms kwam trotseeren. Ik geloof, dat hij op den duur ons bijzijn op prijs stelde, als zijn trouwe toehoorders, liefhebbers en misschien wel kenners. De nachtegaal heeft behoefte aan waardeering en bijval; hij voelt blijkbaar achting voor het oplettend oor van den mensch, en begrijpt heel goed zijn bewondering.

„Ik zie hem nog: hij was niet meer dan tien of vijftien pas van mij af en wipte van tak tot tak voor mij uit; maar altijd hield hij zijn afstand, dat hij niet binnen mijn bereik kwam, en ik hem toch kon hooren en bewonderen.

„Het is hem volstrekt niet onverschillig hoe men gekleed is; ik heb opgemerkt, dat in 't algemeen de vogels niet van zwart houden: zij zijn er bang voor. Maar ik was naar zijn zin uitgedoscht: een wit met blauw kleedje en een strooien hoed met korenbloemen.

„Ieder oogenblik zag ik zijn zwart oog op mij gericht, met een verwonderlijke beweeglijkheid; schuw maar zacht, en ook met wat fierheid; en duidelijk zeide het: „Ik ben vrij en ik heb vleugels; ge hebt niet de minste macht over mij; maar ik wil wel voor je zingen.”

„Wij hadden geweldige onweersdagen gedurende den broedtijd; en ééns sloeg de bliksem vlak bij ons in. Aangrijpend is de aanblik van de natuur, op het oogenblik dat vóóraf gaat: er is geen lucht; de visschen komen aan de oppervlakte om adem te halen; de bloem hangt en kwijnt; alles lijdt en de tranen komen. Ik zag wel, dat de nachtegaal stemde met het geheel: zijn borstje was bedrukt zooals de mijne, en hij stiet een soort van rauwe zucht uit, als een wilden kreet.

„Maar opeens rees de wind, en stortte zich in onze bosschen; de groote boomen zwiepten, zelfs onze ceder. Waterstroomen plasten, alles dreef. Wat werd er toch van het arme nestje, dat open lag, zonder andere beschutting, dan het blad van den maagdepalm? Het bleef veilig; want met de terugkeer van den zonneschijn, zag ik in de gezuiverde atmosfeer mijn vogeltje rondvliegen, vroolijker dan ooit, en vol gezang.

„Heel het gevleugelde volk bezong het licht; maar hij meer dan allen. Zijn bazuintonen waren teruggekomen. Ik zag hem onder mijn vensters, de oogen schitterend, het borstje hoog; hij was dronken van hetzelfde geluk, dat ook juichte in mijn ziel.

„Waarom niet overal die teere zieleband tusschen ons en onze gewiekte broeders; tusschen den mensch en alle Leven in de Natuur!”

Illustration from De vogel
CONCLUSION
CONCLUSION

BESLUIT.

Illustration from De vogel

BESLUIT.

Op het oogenblik, dat ik aan het slot van dit boek zou beginnen, komt de illustre meester binnen, terug van de groote herfstjachten. Toussenel brengt mij een nachtegaal.

Ik had hem gevraagd, mij met zijn raad bij te staan, mij te helpen bij de keuze van een zingenden nachtegaal. Hij antwoordt niet, maar hij komt; hij raadt niet, maar zoekt en vindt; geeft, en vervult mijn illusie!... Dat is wèl vriendschap.

Welkom vogel! welkom, om de lieve hand die u geeft, en om onze heilige muze, het genie dat in u woont.

Wilt ge wel voor mij zingen, en met uwe groote en vredebrengende liefdemacht, de harmonie teruggeven aan een hart, verslagen door het wreed geschiedverhaal der menschheid?

Het was een familie-gebeurtenis. Wij zetten den armen gevangen kunstenaar in het raamkozijn, maar zoo, dat hij achter een gordijn verborgen was. Nu was hij alleen en tòch in gezelschap, en hij kon zich geleidelijk gewennen aan zijne nieuwe verplegers; het terrein verkennen, en zich bewust worden, dat het hier een veilig, goedgezind en vreedzaam tehuis voor hem was.

Er was geen andere vogel in de kamer. Maar ongelukkig wist het huis-roodborstje, dat vrij in mijn studeerkamer rondvliegt, er binnen te dringen. Ons gaf dat geen zorg, omdat hij den heelen dag, zonder het zich aan te trekken, velerlei vogels ziet: sijsjes, bloedvinken en puttertjes; maar het zien van den nachtegaal ontstak in hem eene uitzinnige woede.

In de onverschrokkenheid van zijn blinde drift, zonder te zien, dat het voorwerp van zijn haat tweemaal zoo groot is als hijzelf, gooit hij zich met snavel en klauwen op de kooi; hij had hem willen vermoorden. Maar de nachtegaal in doodsangst, stoot rauwe kreten uit en roept om hulp in jammertonen. De andere, teruggehouden door de tralies, maar vlakbij, met zijn nagels vast in de lijst van een schilderij, knarst en blaast met schel gepiep, en doorboort den vijand met zijn blik.

Woord voor woord, zei hij het volgende: „Koning van den zang, wat wilt ge hier!... Is het niet genoeg, dat in de bosschen uw zang alles overstemt en beheerscht; onze zangen doet zwijgen, onze geneuriede wijsjes onderdrukt, en alléén, de eenzaamheid vult?... Neemt ge mij nu ook nog het bestaan dat ik mij hier maakte, dit kunstboschje, waar ik mij in den winter ophoud? Dit boschje, waarvan de takken boekenplanken zijn, en boeken de bladeren!... Nu komt ge u indringen in wat het mijne is, deelen in de gepeinzen van mijn meester, den glimlach van mijne meesteres!... Wee mij—ik had liefde gevonden!”

Illustration from De vogel

In waarheid bereikt het roodborstje een intieme verstandhouding met den mensch. De ondervinding van een geheelen winter heeft mij bewezen, dat hij verre het bijzijn van den mensch verkiest boven het gezelschap van zijn soort. Als wij afwezig zijn, mengt hij zich in het gebabbel van de volière-vogels; maar komen wij terug, dan verlaat hij die onmiddellijk en zet zich nieuwsgierig vóór ons; hij blijft waar wij zijn en schijnt te zeggen: „Zoo, zijn jelui daar? Waar ben je toch geweest?... En waarom laat je het huis zoolang alleen?”

De woedende aanval van het roodborstje, die wij al gauw vergeten waren, bleef zijn schuw slachtoffer nog bij. De nachtegaal bleef nog altijd angstig fladderen; hij was niet tot rust te brengen. Men paste goed op, dat niemand in zijne nabijheid kwam. Zijne meesteres had de allernoodigste zorg op zich genomen. Het bijzondere mengsel, het uitsluitend voedsel, waarmede men deze vurige levensenergie kan onderhouden, een mengsel van bloed, hennep en maanzaad, werd zorgvuldig door haar bereid: vleesch en bloed zijn de grondstoffen, hennep is het kruid, dat de zinnenroes kweekt; het maanzaad neutraliseert die. De nachtegaal ís het éénige wezen, dat men onophoudelijk slaap en droomen moet bijbrengen.

Maar het was alles nutteloos. Drie dagen bracht hij door in hevige onrust, en in zijn wanhoop weigerde hij het voedsel. Het deed mij pijn, en ik gevoelde wroeging. Ik, die zóó de vrijheid liefheb, ik had een gevangene gemaakt en een gevangene die ontroostbaar was!.... Toch had ik mij lang bedacht, toen ik wenschte een nachtegaal te bezitten; voor mijn genoegen alleen zou ik er nooit toe besloten hebben. Ik wist heel goed, hoe drukkend het gezicht van zulk een gevangene op den geest moet werken: een gevangene, die zoo intens het verlies van de vrijheid voelt. Maar hoe hem vrijheid te geven? Het vraagstuk van de slavernij is een der moeilijkste vraagstukken; de verdrukker wordt gestraft, door de onmacht zijne fout weer goed te maken. Mijn gevangene, die, vóór hij bij mij kwam, al twee jaar in de kooi had geleefd, kon niet meer vliegen en was niet meer in staat zijn voedsel te zoeken, en al ware hem beide mogelijk, tusschen vrije vogels kon hij niet meer wezen. Hun fiere gemeenschap veroordeelt en doodt onmiddellijk wie gekerkerd is geweest en niet van smart daarover bezweek.

Wij zouden niet gemakkelijk een weg uit dit dilemma gevonden hebben, als de zang ons niet was te hulp gekomen. Een zacht, weinig gevariëerd lied op een afstand, en vóóral tegen den avond gezongen, scheen zijne zinnen te vangen. Als men naar hem keek, luisterde hij minder aandachtig en werd onrustig; maar sloeg men geen acht op hem, dan kwam hij heel vooraan in de kooi en strekte zijn slanken nek (van een bekoorlijk muisgrijs); ook richtte hij nu en dan het kopje op en zijn oog stond levendig en nieuwsgierig. Het was duidelijk, dat hij gretig deze onverwachte verkwikking genoot, en hij genoot met waardigheid en met fijne, gevoelige aandacht.

Een oogenblik later nam hij met diezelfde gretigheid zijn voedsel. Hij wilde weer leven en verslond het maanzaad—de vergetelheid....

Vrouwenzang—Toussenel heeft het gezegd—trekt hen in 't bijzonder aan. Niet het luchtige liedje van een fleurig jong meisje, maar een zachte, weemoedige melodie. Het „Ständchen” van Schubert had een groote aantrekkelijkheid voor den onze. Hij schijnt zijn eigen wezen te voelen en te herkennen in de teederheid en diepte van de Germaansche ziel. Toch is zijn stem niet teruggekomen. Toen hij bij ons gebracht werd, was juist zijn Decemberzang begonnen. Maar al die verschillende aandoeningen: het transport, de verandering van omgeving, plaats en personen, de onrust van dien geheel anderen toestand, en vóóral de woeste aanval van het roodborstje, hadden hem te zéér aangegrepen. Hij is rustiger geworden en heeft ons vergeven; maar de muze, die zoo dikwijls werd onderbroken, blijft zwijgen. Zij zal eerst met de lente weer ontwaken.

Hij is nu overtuigd, dat zij die zingt, hem zeker geen kwaad wil; hij begrijpt haar, denk ik, ongeveer als een ander type van nachtegaal. Zij mag hem vrij dichtbijkomen en zelfs haar hand in zijn kooi steken. Hij volgt heel aandachtig haar bewegingen, maar hij verroert zich niet.

Ik, die in geen muzikale verhouding tot hem sta, was er nieuwsgierig naar, of hij mij ook zou aannemen. Ik drong mij niet onbescheiden op, wetende dat op sommige oogenblikken, een blik alléén, hem zelfs verontrust. Ik bleef dus heele dagen verdiept in oude boeken en middeneeuwsche schrifturen, zonder naar hem om te zien. Maar hij keek wel naar mij, en heel nieuwsgierig ook, als ik ten minste alleen was; want was zijn meesteres tegenwoordig, dan vergat hij mij geheel, dan was ik een niets voor hem.

Zoo was hij gewoon mij te zien, zonder dat het hem onrust gaf, als een vreedzaam onschadelijk wezen, dat rustig en bedaard zijn gang ging. De haard met het vuur, en bij dat vuur die stille lezer, dat was zijn beschouwingskringetje, in de stille, haast eenzame uren, als zijn uitverkoren gezelschap niet aanwezig was.

Gisteren, toen ik alleen was, ben ik voor het eerst bij zijn kooi gegaan en ik heb tegen hem gesproken, zooals ik het tegen mijn roodborstje doe; hij maakte geen beweging en scheen niet angstig; hij bleef stil zitten kijken met een zachtzinnige expressie. Toen zag ik, dat de vrede was gesloten en dat hij mij had aangenomen.

Van morgen heb ik het maanzaad in de kooi gelegd, en hij verschrikte niet. Nu zal men hierop zeggen, dat de gever altijd welkom is. Maar ik leg er nadruk op, dat ons verbond pas een dag oud is, en gesloten werd vóórdat ik ooit iets gegeven had, en dus geheel belangeloos.

Zoo is dan in minder dan een maand, de meest sensitive van onze kunstenaars, het schuwste en vreesachtigste van alle wezens, verzoend geworden met het menschdom.

Wel een treffend bewijs, dat er een natuurlijke band bestaat, een oeroud verdrag, tusschen ons en de instinctive wezens, die wij onze minderen noemen.

Dit verdrag, dit eeuwig verband, dat zelfs onze ruwheid en de wreedheid van ons verstand niet konden verbreken; dit verbond, waartoe die arme onnoozelen zoo gemakkelijk terugkomen, en waartoe ook wij zullen komen, als wij éénmaal in waarheid menschen zullen zijn,—juist hiermede wilde ik mijn boek besluiten; het was het slot, dat ik zou gaan schrijven, toen de nachtegaal mij werd gebracht.

Illustration from De vogel

De vogel zelf is mijn levend slot geworden, in zijne verzoeningsgezindheid tot ons, zijne tyrannen.

De reizigers, die het eerst hun voet gezet hebben in de landen, nog nooit door menschen betreden, hebben éénstemmig verzekerd, dat geen dier: noch zoogdier, noch amphibie, noch vogel, ooit voor hen gevlucht was. Zij kwamen integendeel naderbij, om hen te bezien, met een soort van welwillende nieuwsgierigheid—waarop wij dan antwoordden met een geweerschot.

En zelfs nu, na al de wreedheden, die de mensch hun aandeed, aarzelen zij nooit, in gevaar zich tot hem te wenden.

Dè oude en natuurlijke vijand van de vogels, is de slang; van de viervoeters, de tijger. En hun beschermer is de mensch. Als de wilde hond maar in de verte de lucht krijgt van leeuw of tijger, drukt hij zich tegen ons aan.

En in zijn doodsangst voor de slang, vóóral wanneer zijn nog veêrloos broed wordt bedreigd, weet ook de vogel een roerende taal te vinden, waarmee hij onze hulp inroept, en ons dankt als wij den vijand hebben gedood.

Dat is de reden waarom de kolibri zoo gaarne nestelt in de nabijheid van den mensch. En waarschijnlijk is het dezelfde oorzaak, die in den tijd dat de aarde wemelde van reptielen, de zwaluwen en ooievaars er toe bracht, bij ons te komen wonen.

Nòg een belangrijk punt: de angst van de vogels voor de hand van den mensch wordt dikwijls aangezien voor wantrouwen. Dat wantrouwen zou zeker niet ongegrond zijn. Maar al ware het ongegrond, dan is toch in ieder geval de vogel een uiterst fijn georganiseerd wezen, dat geen aanraking verdragen kan.

Illustration from De vogel

Mijn roodborstje, dat tot een tamme vogelsoort behoort, dat altijd om mij heen is en zoo dichtbij mogelijk, en dat zeker in 't allerminst niet bevreesd is voor zijne meesteresse, siddert er voor door haar hand gegrepen te worden. Het gevoel, dat er langs zijne veêren gestreken wordt, het ontredderen van zijn dons, dat overeind gaat staan, als men hem pakt, het is alles even onaangenaam. En vóóral die hand, die naar voren komt en hem gaat grijpen, maakt hem zenuwachtig en hij wijkt instinctmatig terug, hij kan niet anders.

Als het 's avonds wat laat wordt en hij nog niet in zijn kooi is, weigert hij niet er in te worden gebracht. Maar liever dan zich te zien grijpen, draait hij zich om, en kruipt in een plooi van een gordijn of van een japon, waar hij weet, dat hij onfeilbaar gepakt moet worden.

Dat alles is geen wantrouwen!

De kunst van het tam maken zou niet ver gaan, als zij zich alléén maar bezig hield met het nut dat de mensch kan trekken van de tamme dieren.

Zij moet integendeel in hoofdzaak uitgaan van de beschouwing, welk nut de dieren kunnen trekken van den mensch.

Maar plicht is het, al de bewoners dezer aarde te gewennen aan een samenleven van hooger orde, dat zachtmoediger en vreedzaam is.

In de barbaarschheid, waarin wij nog altijd leven, kennen wij voor het dier eigenlijk maar twee toestanden: absolute vrijheid of absolute slavernij. Maar er zijn ook allerlei vormen van halve slavernij, die de dieren zelve heel gaarne aannemen.

De kleine Chileensche valk (cerviculo) b. v. woont heel graag bij zijn meester. Hij gaat alléén op jacht, en komt trouw iederen avond zijn vangst brengen en ze in den familiekring oppeuzelen. Hij vindt het prettig, als dan de vader hem prijst, de vrouw des huizes hem vriendelijk toespreekt en vóóral als de kinderen hem liefkoozen.

De mensch, die vroeger, toen hij nog slecht gewapend was, door de dieren werd beschermd, heeft zich langzamerhand in staat gesteld hun beschermer te worden, vóóral sedert hij kruit heeft en op een afstand de meest gevreesde schepsels neerbliksemt.

Illustration from De vogel

Hij heeft den vogels den onschatbaren dienst bewezen, het getal der luchtroovers aanmerkelijk te verminderen.

Hij kan hun nog een anderen dienst bewijzen, niet minder belangrijk: de onschadelijke soorten 's nachts te beschermen, te beveiligen. De nacht! Slapen! Ganschelijk overgeleverd te zijn aan de vreeselijkste mogelijkheden!....

O! wreede natuur!.... Maar gerechtvaardigd weer, omdat zij hier op aarde een plaats gaf aan het voorziend en nijvere schepsel, dat meer en meer voor de anderen een tweede Voorzienigheid zal worden.

„Ik weet een huis aan de Indre,” zegt Toussenel, „waar de open serres 's avonds alle welgezinde vogels opnemen, die er veiligheid komen zoeken voor de gevaren van den nacht; en wie zich verlaat heeft, meldt zich aan in goed vertrouwen, door tikken met den snavel. Zij vinden het goed in den nacht te worden opgesloten, want zij vertrouwen den mensch volkomen; en 's morgens vliegen zij vroolijk uit en vergelden de gastvrijheid met het schouwspel van hun vreugde, en met hun vrije zangen.”

Ik zal mij wel wachten het maken van huisdieren te bespreken, sedert mijn vriend Isidore Geoffroy Saint-Hilaire op zoo prijzenswaardige wijze die geheel vergeten weg weer opende. De oudheid heeft ons een prachtige nalatenschap vermaakt, en het menschelijk geslacht heeft er al dien tijd op geleefd: de hond, het paard, de ezel, de dromedaris, de olifant, de os, het schaap, de geit en de hoenderachtigen.

Illustration from De vogel

En welke vorderingen maakten wij in die twee duizend jaar? Welke nieuwe aanwinst van huisdieren? Maar twee, en niet eens heel belangrijk: de invoering van den kalkoen en van den goud-faisant!

Geen direkte arbeid van den mensch heeft zóóveel voor het welzijn op onze aarde gedaan, als het nederige werk van deze bescheiden helpers der menschen.

En om af te dalen tot datgene, waarvan men zoo dwaselijk gewoon is met minachting te spreken: tot den hoenderhof—als men de millioenen eieren ziet, die in Egypte worden uitgebroed, of waarmee Normandië geheele vloten bevracht, die jaarlijks het Kanaal oversteken, dan begint men eerst goed te begrijpen, hoe in de huishouding van den Staat met kleine middelen groote uitkomsten worden verkregen.

Als er in Frankrijk nog geen paarden waren, en iemand zou ze er invoeren, dan zou het daarmede méér veroveren dan met den Rijn, België en Savoye; het paard is zeker drie koninkrijken waard.

En nu is er een dier, dat alléén paard, ezel, koe en geit is, dat al hunne nuttige eigenschappen heeft en bovendien een zeldzaam mooie wol levert; een forsch sterk dier, dat uitstekend groote koude verdraagt; men begrijpt wel, dat ik den lama bedoel, die Geoffroy Saint-Hilaire met zulk een prijzenswaardige volharding zoekt in te voeren. Maar alles schijnt daar tegen samen te spannen; de prachtige kudde van Versailles is bezweken door slechte oppassing, die van den „Jardin des Plantes” zal omkomen door beperkte localiteit en vocht.

Het bezit van den Lama is tienmaal belangrijker dan de verovering van de Krim.

Maar het zij nóg eens gezegd: voor zulk eene overbrenging is een ruim gebruik van middelen noodig en zeer zeker ook eene groote toewijding en teederheid waar het de opvoeding betreft; en dat alles vindt men niet dikwijls vereenigd.

En nu nog een woordje over een nietig feit, maar van vèr-strekkende beteekenis.

Een groot schrijver—maar die geen geleerde was—Bernardin de St. Pierre—had gezegd, dat men er nooit in slagen zou eenig dier over te brengen, wanneer men niet te gelijk de plant importeert, die het bijzonder sympathiek is. Dit gezegde had het lot van vele andere: de geleerden haalden hunne schouders op en spraken van poëzy.

Illustration from De vogel

Maar het was niet vergeefs gesproken voor een intelligenten liefhebber, die te Parijs een verzameling van levende vogels had bijeengebracht. Hij had een zeer zeldzame papegaai, die ondanks alle zorg hardnekkig steriel bleef. Toen heeft hij onderzocht op welken boom die soort haar nest maakt en gaf in Hâvre orde, hem dien boom te bezorgen. Levend kon hij niet worden overgebracht; hij kwam zonder blad of twijg, niets dan een levenlooze tronk. Geen bezwaar: de vogel vond in den hollen stam zijn gewone plaatsje en maakte er toen haar nest. Zij vond een maat en grondde er een gezin; kreeg eieren, broedde ze uit, en nu zijn er jongen.

De omgeving voor den banneling na te bootsen: de uiterlijke omstandigheden, de voeding, de plantenwereld, al de bijzonderheden van zijn bestaan dáár, en dat zóó bedriegelijk mogelijk, dat hij er het vaderland door vergeet, daarvoor is het niet genoeg te weten, daartoe is vernuft noodig en de gave der vinding. Maar eene van de moeielijkste opgaven, een van de ernstigste punten van onderzoek en nadenken voor ons, is te bepalen de maat van vrijheid en van onderwerping, van verband en van samenwerking met ons, die ieder wezen kan verdragen.

Dit is een nieuwe kunst, en men zal er niet in kunnen doordringen, zonder diepgaand moreel onderzoek, en een fijnheid en kieschheid van begrip, die nog nauwelijks in den mensch aanwezig zijn, en die er misschien nooit geheel zijn zullen, als niet de vrouw tot de wetenschap wordt toegelaten.

Deze kunst vraagt eene oneindige teederheid bij het oordeelen en het begrijpen.

Illustration from De vogel
ÉCLAIRCISSEMENTS
ÉCLAIRCISSEMENTS

TOELICHTING.

Illustration from De vogel

TOELICHTING.

De voornaamste toelichting, die aan een boek moet worden toegevoegd, is ongetwijfeld de formule, waarin men den inhoud samenvat.

Dit boek heeft den vogel beschouwd, op zich zelf, en maar weinig in verband met den mensch.

De vogel, van lager geboorte dan de mensch—ovipare—uit het ei geboren—heeft toch op hem drie dingen vóór, die zijn bijzonder gebied zijn.

I. De vleugel, het vliegvermogen: een vermogen bij hen alléén aanwezig en dat steeds de illusie was van den mensch. Bij de vogels vergeleken, zijn alle wezens langzaam; bij den valk en de zwaluw is het arabisch paard niet meer dan een slak.

II. Het vliegen volgt niet alleen uit de aanwezigheid van vleugels, maar bovendien uit een weergaloos vermogen van ademhaling en gezicht. Men kan met recht van den vogel zeggen, dat hij is: „het kind van licht en lucht.”

III. Een electrisch zeer gevoelig wezen, voelt en vóórziet de vogel de dampkringsverschijnselen, den tijd, de seizoenen. Hetzij doordien hij in zéér nauw verband staat met de aarde, of een verwonderlijk-sterk geheugen heeft in betrekking tot plaats en richting, is hij altijd georiënteerd en vindt altijd zijn weg.

Hij bereikt door intuïtie wat nooit de mensch zou bereiken; dat is vóóral voelbaar in dien verwonderlijken krijg tegen reptiel en insekt. Daarbij gevoegd de immense arbeid van het eeuwig zuiveringsproces, door sommige soorten verricht: het opruimen van alle gevaarlijke onreinheden. Indien die krijg en dat werk één dag verzuimd werden, ware voor den mensch het bestaan op aarde onmogelijk.

Deze dagelijksche overwinning van den zoon des lichts op den dood, op wat in het duister op het leven aast, is het waardig onderwerp voor den zang, voor de hymne van immense vreugde, waarmede de vogel altijd weer den dageraad begroet.

Maar de vogel heeft nog andere talen behalve den zang. Zooals de mensch kan hij spreken en uitspreken en praten. Met ons zijn de vogels de eenige wezens die een taal hebben. De mensch en de vogel zijn de spraak van de wereld.

De vogel, die het vermogen van voorspellen heeft, nadert altijd tot den mensch en de mensch wil hem altijd kwaad. Het is niet onmogelijk, dat hij den mensch vóórziet, zooals hij zeker ééns wezen zal als hij uitgetreden is uit de barbaarschheid, waarin wij hem nu nog kennen.

De vogel herkent in den mensch het eenig, heilig en gezegend wezen, dat de scheidsrechter zal zijn van allen; dat de bestemming van deze wereld moet volmaken met een opperste weldaad: De aaneensluiting van alle wezens, en hunne verzoening.

Dit vreedzaam tot elkaar komen, kan eerst na lengte van tijd gebeuren, en er is toe noodig van onzen kant, een kunst van opvoeden en inwijden, waarvan wij nu eerst beginnen den omvang te beseffen.

Illustration from De vogel
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings