1E DEEL.
M. van Eeden-Van Vloten translation

HET EI.

HET EI.
De ouden, in hun wijze onwetendheid, in hun helderziend instinkt, spraken dit orakel:
„Het EI is het begin; in het EI ontkiemt de Wereld.”
Eénzelfde oorsprong; maar het lotsverschil bepaalt de aard der Moeder.
Zij handelt en voorziet, zij is meer of minder Moeder. Is zij meer Moeder, des te hooger stijgt het Wezen; ieder graadsverschil in het Bestaan hangt af van den liefdegraad. Op de trap van het Bestaan bepaalt de Liefde de trede.
Wat vermag de Moeder in het bewegend leven der visschen? Niets dan haar ei toevertrouwen aan den Oceaan. Wàt kan zij in de Wereld der Insecten? waar zij gewoonlijk sterft als het ei gelegd is? Een veilige plaats vinden vóór zij sterft, waar het ei kan uitkomen en het leven zich voortzetten.
Zelfs bij het hoogere, bij het viervoetige dier, waar de warmte van het bloed een oorzaak voor geringer Liefde schijnt te moeten zijn, waar de Moeder zelf, zóólang, voor het jong, nest en warme woning is, zijn de zorgen van het moederschap ook zooveel minder. Het wordt geboren in volkomen gedaante, is gekleed, gelijkt geheel op de Moeder; de melk, reeds bereid, voedt het. En bij vele soorten neemt de opvoeding haar loop, zonder dat de Moeder zich meer moeite geeft dan toen het jong groeide in haar lichaam.
Anders de Vogel; vond die geen liefde, het ware zijn Dood.
Liefde?—Iedere moeder heeft lief, van den Oceaan tot de sterren. Maar ik denk aan zorg, aan het omgeven-zijn door meerdere liefde, omwikkeld door de warmte van het moederlijk magnetisme.
Zelfs in het ei, behoed door de kalkschaal, is het jong zóó gevoelig voor de inwerking van koude lucht, dat ieder plekje, in het ei verkoeld, een lid kost aan het wordend vogeltje. Vandaar dat lang en rusteloos werk—het broeden; de gewilde gevangenschap, de onbewegelijkheid van het bewegelijkste aller wezens. En dat alles zoo smartelijk! Als een steen, gedrukt tegen het naakte vleesch.
Het vogeltje wordt geboren; maar het is naakt. De kleine viervoet, geheel gekleed, kruipt, loopt onmiddellijk; maar het vogeltje—ten minste bij de hoogere soorten—ligt op den rug, veerloos, onbewegelijk. En nìet alléen door bedekkend koesteren met haar lichaam, behoudt de moeder de warmte; maar ze wekt ze zelfs op door zorgzaam wrijven. Het veulen kan zuigen en voedt gemakkelijk zichzelf; het vogeltje moet wachten tot de moeder het voeder zoekt, kiest, bereidt. Zij kan niet weg, de vader zal voorzien! Ziehier het rechte Gezin: Trouw en Liefde, en het eerste schijnsel van het zedelijk Licht.
Ik zal nu niet spreken van een zéér moeilijke, langdurige en gevaarvolle opvoeding: het leeren vliegen, en het, bij de echte zangers zoozeer subtiele, leeren zingen. De viervoet weet spoedig wat hij weten moet: er zijn er die galoppeeren van af hun geboorte!—En is een neerkomen op het zachte gras hetzelfde als een zich werpen in de ruimte?

Nemen wij het ei in de hand. Deze ellips, zoo eenvoudig, zoo begrijpelijk, zoo sierlijk, de vorm, die het minst vat geeft op een vijandigen aanval, het is ons als een harmonische wereld in het klein, een absolute harmonie, waar niets af te nemen, niets aan te vullen is. Bij anorganische stoffen zal men moeilijk dien vorm aantreffen. Men voelt onder dien levenloozen schijn, een hoog levensmysterie, het werk van God in Zijn volmaaktheid.
Wat is het? en wat moet er uit ontstaan? Gij kunt het niet zeggen? Maar Zìj weet het, zìj, die daar, de vleugels uitgebreid, in sidderend wachten het omgeeft en rijpen doet door haar warmte; zìj, die tot nu toe vrij en koningin der lucht, haar leven schiep naar haar lust; nu plotseling een gevangene, zich doemend tot onbewegelijkheid op dat stomme voorwerp, dien steen, waar niets nog de toekomst openbaart.
Spreek niet van blind instinkt! Feiten zullen doen zien, hoe dat helderziend instinkt zich wijzigt naar de omstandigheden, met andere woorden: hoe dit begin van Rede in aard weinig verschilt van de hooge Rede bij den mensch.
Ja, deze moeder is door de intuïtie der Liefde wetend en voorziend geworden. Door die harde kalkschaal heen, waar onze ruwe hand niets vermag te voelen, daar voelt zij met een subtiele takt, het mysterieuse wezen, dat er zich vormt en voedt, en gesterkt door dàt voelen verdraagt zij de moeilijke taak van het broeden, de lange gevangenschap. Zij ziet het jonkje, zoo aanvallig teer in het eerste dons, zij vóórziet het, door haar hopen, zooals het worden zal, een forsche en krachtige vogel, aanblikkend de zon en de vleugels spreidend tegen den orkaan. Laten wij ons dien langen tijd ten nutte maken! Haasten we ons niet, en laat ons rustig beschouwen, dat bekoorlijke beeld van dien moederdroom, dat tweede baren, waardoor zij het onbekend voorwerp van hare liefde, dat onzichtbaar kind van haar verlangen tot volkomenheid brengt.
Treffend beeld, meer nog dan treffend,—subliem! Ons past hier bescheidenheid. Bij ons bemint de moeder, wat zich al in haar beweegt, wat zij voelt, houdt, omgeeft in een zeker bezitten. Een onomstootelijke realiteit heeft zij lief, een bewegelijk en bewegend wezen, dat haar eigen bewegen volgt. Maar deze geeft haar liefde aan de toekomst en het onbekende; haar hart klopt eenzaam en vindt geen antwoord. Maar toch is haar liefde niet minder, en offert zich en lijdt; tot den dood zou zij lijden voor haar droomen en haar gelooven.

Machtig alvermogend geloof, dat een wereld voortbrengt, de wonderbaarste wereld misschien. Spreek mij niet van zonnen, van den chemischen bouw der wereldbollen! Het wonder van een kolibri-ei is minstens het worden van den Melkweg waard. Gelooft maar, dat dit kleine puntje, dat gij onzichtbaar noemt, een zee is, een melkzee; daarin drijft als kiempje de uitverkorene der luchten. Het drijft, vreest geen vergaan; oneindig fijne hechtseltjes houden het zwevend, geen nood voor een stoot of schok. Zachtkens drijft het in het lauwe vocht, zooals het drijven zou op de lucht. Algeheele zekerheid, volkomen veiligheid, omgeven door een voedende woning; en hoeveel volkomener is die voeding dan het zoogen!
Maar zie! in zijn Godsslaap heeft hij de moeder gevoeld, hare magnetische warmte. En ook hij begint te droomen. Zijn droom is beweging; hij maakt zich gelijk aan haar; zijn eerste doen, een doen van onbewuste liefde, is haar gaan gelijken.
„Verandert niet de liefde altoos in Zich, 't beminde?”
En als hij gelijk is aan haar, wil hij tot haar gaan. Hij neigt zich, hij buigt dichter tot de schaal, het eenige wat hem nog van de moeder scheidt. Dan luistert zij; soms heeft zij 't geluk zijn eerste piepen te hooren. Hij kan niet meer blijven, hij wil, hij heeft een snavel en gebruikt dien. Hij stoot, vijlt, doorbreekt den muur van zijn kerker. Hij heeft pootjes en staat... Zijn arbeid is begonnen... Zijn loon is de verlossing. Hij is vrij.

De verrukking, de aandoening, de verwonderlijke onrust, al de zorgen van de moeder, wij zullen ze hier niet bespreken; wij noemden reeds de groote moeielijkheden van de opvoeding. Zijn inwijding in het leven, moet door tijd en teederheid geschieden.
Bevoorrecht door het vliegvermogen is hij het nog meer door het tehuis, waarin hij zijn leven begint, door de moeder die hem kweekte; door háár gevoed, door zijn vader geleerd, is dit wezen, vrij boven allen, ook nog de gunsteling der Liefde.
Wie de vruchtbaarheid van de Natuur bewonderen wil, haar rijkdom van vinding, zoo bekorend, maar ook zoo schrikwekkend; een vindingskracht, die uit ééne creatie millioenen van tegengestelde wonderen doet ontstaan—hij beschouwe dit ei, zoo gelijk aan een ander, waaruit toch de oneindigheid van stammen zal voortkomen, die gevleugeld de wereld zullen bevolken.
Uit die geheimnisvolle éénheid gooit zij uit, verbreidt zij, als stralen, in aantal onberekenbaar, wonderbaar afwijkend, de gewiekte vlammen, die wij vogels noemen, vlammen van vurigheid en leven, van kleur en zang.
Gloeiende scheppingsdrang schudt dien immensen wonderwaaier van verpletterende verscheidenheid, waar alles schittert, alles zingt, een overstelpende stroom van harmonie—en wij sluiten de oogen—verblind! Gij melodieuse vonken van het hemelvuur, hoevèr reikt gij niet! Voor u geen hoogten, geen afstand; lucht en afgrond is voor u één. De hoogste wolk, het diepste water, gij bereikt hen. De aarde in haar geheelen omtrek, in haar ontzaglijken omvang, haar zeeën, haar bergen, haar dalen, het is alles uw rijk! Ik zie u fonkelen in de tropen, gloeiend als zonnestralen. Ik hoor u in het eeuwig zwijgen der polen, waar het leven ophoudt, waar het laatste mos is uitgestorven; te ver zelfs voor den beer, die zich grommend terugtrekt. Maar gij blijft, gij leeft, gij hebt lief, gij getuigt van God, gij brengt warmte in verstijving. En in die aardsche woestenijen, waar de natuur nog barbaarsch is, komt gij en tempert die woestheid met de kinderlijke onschuld van uw roerend liefdeleven.

DE POOL. DE VOGEL-VISCH.

DE POOL.
De Vogel-visch.
De machtige fee Verbeelding, bewerkster van zooveel van der menschen welzijn en wee, toovert ook voor hen de natuur in duizenderlei valschen schijn. Bij alles wat hun kracht niet te meten vermag, wat hun voelen beleedigt; in alles wat is, omdat de wereld-harmonie het beveelt, ziet de mensch gaarne een boozen wil, dien hij vloekt. Er is een schrijver, die een boek schreef tegen de Alpen. Een dichter plaatste dwaselijk den troon des kwaads op die gezegende gletschers, die de groote waterbehouders zijn van Europa, die het zijn stroomen uitgieten en het zijne vruchtbaarheid geven.
Een nóg redeloozere, vervloekte het pool-ijs, miskennend de prachtige économie van den aardbol, het majestueus balanceeren van die wisselende stroomingen, die het Leven zijn voor den Oceaan. Zij hebben krijg en haat gezien, en boosaardigheid van de Natuur, in de volkomen vreedzame regelmaat van beweging der Al-Moeder.
Zoo droomen de menschen. Bij de dieren niet die afkeer, die vrees; maar een dubbele drift drijft hen jaarlijks naar de polen in onafzienbare massa.
Vogels, visschen, reusachtige cetaceeën trekken jaarlijks op, om de zeeën en de eilanden te bevolken, die de Polen omgeven. Verwonderlijk vruchtbare zeeën, overvol van beginnend- (als zooöphyten) en gistend leven, wateren, troebel van vischkuit en vischgebroed, en kiemen van ontelbare soorten. De beide polen zijn gelijkelijk voor die onnoozele scharen van rusteloos vervolgden, plaatsen van bijeenkomst, waar zij liefde vinden en rust.
De walvisch, arm vischdier, die toch zoete melk en warm bloed heeft, als wij; die rampzalige verbannene, die weldra zal zijn uitgestorven; dáár alléén is zijn eenige wijkplaats, zijn halt voor het heilig oogenblik van moederschap en zoogen. Geen ras is goediger en zachtzinniger, verdraagzamer voor de hunnen, teederder voor hun kroost. Wreed in zijn onkunde is de MENSCH. Hoe is het mogelijk dat hij de robben, hem zóó verwant kan dooden zonder afgrijzen!
De mensch-reus, bewoner van den ouden Oceaan, de Walvisch, dat wezen even zachtmoedig als de Mensch-dwerg barbaar is, heeft ook nog dàt op hem voor, dat hij het verdelgingswerk op diersoorten van een beangstigende vruchtbaarheid, hem door de Natuur opgelegd, kan volbrengen zonder zijn slachtoffers te pijnigen. Hij heeft geen tanden, geen enkel van de marteltuigen, waarvan de wereldverwoesters zoo ruim zijn voorzien. Het walvisch-aas, ingeslorpt en verloren in de duistere diepten van dien bewegenden afgrond, ondergaat onmiddellijk een scheikundig ontbindingsproces. Het meerendeel van de levende wezens, die in hoofdzaak het voedsel uitmaken van de bewoners der poolzeeën, walvischachtigen, vogels, visschen, heeft nog geen eigenlijk organisme en niet het vermogen pijn te voelen. Daardoor verschijnen die dieren voor ons in een sympathiek karakter van onschuld, roerend, en zelfs benijdbaar. Gelukkig en gezegend die wereld, waar leven geen dood vraagt, die wereld in veel opzichten vrij van smart, waar de voedende wateren zijn als de melkzee, wreedheid onnoodig is, en het wezen als geborgen in den schoot der Moeder!
In diepen rust lag de eenzaamheid dier poolzeeën, lagen hunne tweeslachtige bewoners, voordat de mensch, de wreede, er kwam.
De twee tyrannen dier streken, ijsbeer en blauwe vos, waren gemakkelijk te ontwijken in den schoot van die goede voedster, de zee, steeds gereed om hen te ontvangen.
En toen het zeevolk er landde, was er maar één moeielijkheid: hoe door die dichte drommen dier goedige robben te dringen, die hen nieuwsgierig aankeken. De pingouïns van de Zuidpool, de vetganzen van het Noorden, van een vreedzame bedaardheid en bovendien zeer slecht ter been, verroerden zich niet. De ganzen, wier zeldzaam fijne en zachte donsveeren het eiderdons leveren, lieten zich rustig naderen en met de hand aanraken.
De houding van die onbekende wezens, was voor de zeelieden een bron van grappige vergissingen. Toen zij in de verte die eilanden zagen, bedekt met rechtopstaande alken in hun zwart en wit kleed, meenden zij groote troepen kinderen te zien in witte boezelaars. Hun kleine armpjes—men kan haast niet zeggen vleugels, bij dat begin van een vogel—hun onbeholpenheid op den vasten grond, hun moeielijke gang: het verwijst hen alles naar de zee, die voor hen, volmaakte zwemmers, het natuurlijk en rechtmatig element is. Zij zijn als de geëmancipeerde kinderen van den Oceaan, eerzuchtige visschen, die zich kandidaat stellen voor het vogelschap en het er reeds toe brachten hun vinnen te doen veranderen in een soort schubachtige vleugeltjes, echter zonder groot succes; want als vogel machteloos en hulpeloos, blijven zij vlugge visschen.

Of ook, lettende op hun groote voeten, zoo dicht aan het lichaam, op hun korten hals geplaatst op een grooten cylindervormigen romp, en hun afgeplatten kop, zoo zou men hen haast beschouwen als maagschap van de robben, van wie zij echter niet de intelligentie hebben, maar wèl den goeden aard.
Deze eerstelingen van de Natuur, getuigen van de oude tijden der transformatie, stonden daar als zonderlinge hieroglyphen voor hen, die ze het eerst zagen; en hun oog zachtzinnig, maar strak en kleurloos als het vlak van de Poolzee zelf, staarde op den mensch, den laatstgeborenen der Planeet als van uit de verre diepten van hun oudheid.

Levaillant vond hen in massa op een onbewoond eiland niet ver van de Kaap de Goede Hoop. Er was daar een grafteeken voor een arm Deensch Zeeman. Deze bewoner van het hooge Noorden, dien het toeval aan de Zuidpool zijn dood deed vinden, was door de geheele dikte van den aardbol van zijn vaderland gescheiden. Robben en pingouïns hielden hem in grooten getale gezelschap; de eerste liggend neergehurkt; maar de pingouïns rechtop, hadden met waardigheid de wacht betrokken bij zijn graf, en zij klaagden in eenstemmigheid met de klacht van den oceaan men zou zoo zeggen, een doodenklacht.
Het winterstation is de Kaap. In het lauwe klimaat van hun Afrikaansch ballingsoord, voorzien zij zich van een stevige vetlaag, die hen te pas zal komen tegen kou en honger. En als de lente er is, voelen zij een mysterieus iets, dat hun zegt hoe de dooi met zijn stormen de scherpe ijskristallen heeft gebroken en gesmolten, en dat de poolzeeën, hun eigenlijk vaderland, waar zij geboren werden en waar hun heerlijk liefdeparadijs zal zijn, weer voor hen openstaan.
Nu werpen zij zich in zee, en met krachtigen roeislag leggen zij vijf- of zeshonderd mijlen af, bijna zonder rust, behalve op een enkele drijvende ijsschots, waar zij zich soms een oogenblik neerzetten. Zij komen, en vinden alles bereid; en een zomer van dertig dagen brengt hun het geluk; maar een streng geluk! want om volkomen vrede te vinden, moeten zij de zee verlaten, die alléén hun voedsel verstrekt.

Die tijd van liefde en broeden is een tijd van onrust en vasten. Hun vijand, de blauwe vos, vervolgt hen in de eenzaamheid; maar eendracht maakt macht: een heirleger van wakende vaders, gereed om zich te offeren omringt de gezamenlijk broedende moeders. En als éénmaal het jong uitkomt, en door de gesloten gelederen wordt meegevoerd, dan gooit het zich in zee en is gered!
Sombere streken! Maar men krijgt ze lief, ziende hoe daar de Natuur teederlijk het leven siert van mensch en vogel met liefde en toewijding. Het Noordsch tehuis verkreeg van haar een zedelijk schoon, dat men in het Zuiden zelden vindt. Een zon verwarmt het, die niet de zon der tropen is, maar een mildere, de zon der ziel. En de zedelijke waarde van het schepsel stijgt, door het gevaar en de ruwheid zelve van het klimaat.
Een uiterst pogen heeft in die wereld, die niet de wereld van het Schoone is, het Schoone voortgebracht. Dat wonder wrochtte het moederhart. In Lapland is maar één Kunst, één éénig Kunstwerk—de Wieg. „Het is iets zeer bekoorlijks,” verhaalt een dame, die die streken bezocht heeft, „zoo sierlijk en bevallig als een aardig klein schoentje, gevoerd met het zachte dons van den witten vos, dat teederder is dan zwanedons. Van het kapje, waarin het hoofdje veilig besloten ligt, warm en zacht, hangen kleurige koralen kettingjes af en hangertjes van zilver of koper, die aanhoudend rinkelen en door hun aardig geklingel het Lapje doen lachen.”
Wonder Moederschap! Zoo wordt de minst beschaafde vrouw, nadenkend,... kunstenares... En het moederdier is heldhaftig. Niets zoo treffend te zien als de eidergans, hoe zij haar dons uitrukt, om er haar jong in te nestelen. En als de mensch—de wreedaard—komt en het nest besteelt, begint de moeder de zelfmarteling op nieuw; en als zij geheel afgeplukt is, als zij niets meer te geven heeft dan vleesch en bloed, dan geeft de vader zijn dons, en zoo wordt het jong als van hen gekleed, van hun lichaam, van hun toewijding en smart.
Zoo placht Montaigne treffend te zeggen—en dit aandoenlijk feit van het eidernest herinnert mij er aan—sprekende van een mantel, dien zijn vader gedragen had, en dien hij daarom ook gaarne droeg: „Ik bekleedde mij met mijn vader.”


DE VLEUGELS.

DE VLEUGELS.
Vleugels! Vleugels! om te vliegen! Over berg en dal Vleugels om mijn hart te wiegen. In den eersten straal! Vleugels! over zee te zweven! Met het morgenrood! Vleugels! vleugels! over 't Leven, Over graf en Dood! Rückert.
Zoo roept al wat op aarde is en in de wereld en in het leven. Het is de kreet van alle diersoorten, van vele plantvormen, in alle talen. Ja, de steen zelfs en geheel de anorganische wereld schijnt door dien drang bezeten. Want beweginglooze stof neemt gretig de chemische transformatie aan en laat zich meevoeren in den levensstroom, als op vleugels van gisting en beweging.
En de plant, onbewegelijk op haar vasten wortel, richt haar inwendig liefdeleven op een gevleugeld bestaan, en draagt het op aan den wind en de golven en aan de insecten-wereld, die haar vruchten zullen wegvoeren als in de gevleugelde vlucht, háár door de Natuur ontzegd.
Met mededoogen zien wij naar den „Luiaard” den „Traaglooper” dat dier in wording, het pijnlijke beeld van den Mensch; dat geen voet verzet, zonder klagend zuchten. Den naam, dien wij voor hem uitdachten, mochten wij wel voor ons zelf houden.
Wanneer die Traagheid doelt op het steeds falende pogen tot voortgaan, vooruitkomen, handelen, dan is de ware Traaglooper, de Mensch. Want het vermogen zich van den eenen kant van de aarde, naar den anderen te sleepen, de vernuftige uitvindingen, die hem daarin helpen, dat alles kon hem niet ontnemen dat hij aan de aarde is vastgeklonken, gebonden door de Tyrannie van de zwaartekracht. Slechts ééne klasse van wezens, zie ik op de aarde, die zich vrij en snel bewegen, ontkomen aan den algemeenen jammer van onmachtig verlangen. Dat zijn zij, die alleen „de aarde raken met een vleugelspits”. Zij, die de lucht zelve, draagt en balanceert; en veelal kost het hun geen andere inspanning dan het besturen van hun vlucht, naar nooddruft of gril het aangeeft.
Licht en schoon bestaan! Wat moet zelfs de minste van de vogels met verachting neêrzien op de sterksten en vlugsten der viervoeters, leeuw en tijger. Hij spot met hun onmacht, gekleefd, geklonken als zij zijn aan den grond, die trilt onder hun nutteloos gebrul, hun machteloos nachtelijk zuchten; wel getuigt dat van de Knechtschap van den zoogenaamden Koning der dieren; gekluisterd is hij zooals wij allen het zijn, aan een minwaardig bestaan, door honger en zwaartekracht ons opgelegd.

O, de fataliteit van de materie! de fataliteit van eene beweging, die ons doet slepen over de aardvlakte. Die zwaarte, waaraan geen ontkomen is, die onze voeten vóór en na herinnert aan het logge, grove element, waar de dood ons zal doen ingaan, zeggende: „Zoon der Aarde, gij behoort de Aarde! een oogenblik uit haar opgerezen zult gij weer in haar moeten verzinken, voor wèl langen tijd!”
Rekenen wij het der Natuur niet aan: het is zeker, dat wij een wereld bewonen, die nog zéér jong, zéér barbaarsch is; een proef- en leerschool in de sterrenreeksen, een aanvangshalte op den langen weg der groote inwijding. Deze aardsfeer is een kindersfeer. En gij mensch, gij zijt een kind! Maar uit deze school voor beginnelingen moet gij bevrijd worden. Schoone en machtige vleugels zullen u geworden. Gij moet hier in het zweet uws aanschijns een graad halen tot het verkrijgen der Vrijheid.
Laat ons een proef nemen. Vragen wij het vogeltje, nog in het ei, wat het worden zal; de keuze is aan hem: „Wilt ge mensch zijn, en deelen in het Koningschap over de aarde, dat verkregen wordt door Arbeid en Kunst?”
En hij zal „Neen!” antwoorden, twijfel daaraan niet! Zonder nog in rekening te brengen het zwoegend pogen, de zorg en druk, het slavenleven waarmee wij ons koningschap koopen, heeft hij maar één antwoord te geven:
„Ik, Koning geboren, koning van ruimte en licht, wat zou ik afstand doen, daar de Mensch, wenschende het allerhoogste, het uiterste van geluk en vrijheid, droomt een vogel te willen zijn en te vliegen met vleugels!”
Alleen in zijn eersten, besten tijd, in het rijke jonge bestaan, in den droom der jeugd, is de mensch wel eens zoo gelukkig zijn menschzijn te vergeten, te vergeten, dat hij slaaf is van de zwaartekracht en vastzit aan de aarde.
Ziet hem zijn vlucht nemen en zweven in de ruimte! Hij beheerscht de wereld, hij zwemt in zonnelicht. Hij voelt het immense genot, met één blik een oneindigheid van dingen te omvatten, te voren slechts in détail gezien; en wat duister scheen en zonder samenhang, wordt nu verlicht en één, door 't overzien. Ha! zoo de wereld te omvatten en lief te hebben! welk goddelijk-schoon visioen! Neen, wek mij niet... wek mij nooit!... Ach, de dag komt, met gedruisch en arbeid! Zware ijzeren hamers bonzen met dreunenden metaalklank; in mijn ooren dringt het klokgelui, ik word onttroond, neergesmakt, mijn vleugels versmelten. Logge aardstof, val ik op de aarde neer, en gekneusd, gebogen, neem ik den ploeg weer op.

Toen tegen het einde der vorige eeuw, de mensch de vermetelheid had, zich over te leveren aan den wind, in de lucht te stijgen, zonder roer, zonder riemen, zonder mogelijkheid van besturen, toen liet hij het verkondigen dat hij eindelijk vleugels had, dat hij de Natuur had omgaan en de zwaartekracht overwonnen.
Maar door tragische gebeurtenissen werd dat stout vermeten gelogenstraft. Men had de vleugels bestudeerd, om ze na te bootsen; een grove namaak van het onnavolgbaar mekaniek, was het resultaat. En wij zagen sidderend hoe een arme menschenvogel, gewapend met énorme vleugels, zich van een honderd voet hooge kolom in de lucht slingerde, even bleef fladderen, en zich toen te pletteren viel.
Het mislukt en noodlottig fabrikaat stond ondanks zijn doorwrocht samenstel te ver af van dien verwonderlijken arm, die met zijne krachtige en snelle beweging, verkregen door zijn onderling samenwerkend spierstelsel, den menschelijken arm zoover overtreft. Den menschvleugel, los en onsamenhangend, ontbrak het in hoofdzaak aan den krachtigen spier, die den schouder verbindt aan de borst, en den geweldigen vleugelslag voortbrengt bij de luchtverslindende vlucht van den valk. Het werktuig is zoo één met de beweegkracht, de riem met den roeier, dat de gierzwaluw, de fregatvogel, 80 mijlen maken in het uur; zij overtreffen den orkaan, en alléén de bliksem is hun mededinger.
Maar al hadden die arme navolgers den vleugel zonder fout nageconstrueerd, er ware nog niets gewonnen. Men imiteerde den vorm, maar niet de inwendige structuur. Men geloofde, dat de vogel zijn vermogen tot opstijgen enkel aan zijn vleugels te danken had, onbekend met het geheim van het hulpmiddel, dat de Natuur in beenderen en veeren heeft verborgen.
Het mysterie, het wonder is, dat zij den vogel het vermogen gaf, lichter of zwaarder te zijn, naar zijn wil; meer of minder lucht op te nemen, in de tot dat doel ingerichte réservoirs. Om zich lichter te maken, vermeerdert hij zijn volume, door zich op te zwellen en vermindert zoodoende zijne betrekkelijke zwaarte, stijgt dus op in een middenstof, die zwaarder is dan hijzelf. Om zich neer te laten, maakt hij zich kleiner, enger, door de lucht, die hem opblies uit te drijven, dus zwaarder, zoo zwaar als noodig is. In dàt punt had men gefaald, daar school de noodlottige onwetenheid. Men kende den vogel als een schip, maar niet als een ballon. Men volgde alleen den vleugel; maar de vleugel, hoe volmaakt nagebootst, als hij dat inwendig vermogen mist, is een zeker middel tot verderf.

Maar dat vermogen, dat vlugge spel van lucht innemen en uitdrijven, dat zweven op willekeurig verwisselbaren ballast, waarop berust dat?
Op een ongehoorde, ongelooflijke kracht van adem. De mensch, kreeg hij zooveel lucht opeens naar binnen, zou onvermijdelijk moeten stikken. Maar de machtige elastieke longen van den vogel vullen, drenken zich met kracht en met wellust, zenden de lucht in golven naar de beenderen en de luchtcellen.
Iedere ademtocht vernieuwt de bliksemende snelheid, van seconde tot seconde. Het bloed zonder òphouden versterkt door nieuwe lucht, verleent de spieren hun onuitputtelijke kracht, een kracht bij geen ander schepsel aanwezig, en alléén den elementen eigen.
Het logge beeld van Antaeus, die zijn krachten vernieuwt, als hij de aarde, zijn moeder, beroert, geeft, hoewel zwak en grof een begrip van deze werkelijkheid. De vogel behoeft de lucht niet te zoeken om ze aan te raken en kracht te herkrijgen: de lucht vindt hem en doorstroomt hem, en onophoudelijk vernieuwt zij den gloed van zijn hel brandend levensvuur.
Dit is het wonder, en nièt de vleugel. Hadt gij den vleugel van den Condor, en volgdet gij hem, als hij van de toppen van den Andes met hun Siberische gletschers neerschiet, neervalt, op de gloeiende kusten van Peru, doorsnijdend in één minuut de temperatuur van alle klimaten, in één adem, die vervaarlijke massa lucht innemend—gloeiend of ijzig wat deert het hem?—vernietigd zoudt gij zijn!
De sterkste viervoet wordt hier door het kleinste vogeltje te schande gemaakt. „Keten een leeuw in een luchtballon,”—zegt Toussenel—„zijn dof gebrul zal zich verliezen in de ruimte.”
Hoeveel machtiger stem en adem van den kleinen leeuwerik, als hij stijgend zingt; men hoort hem en ziet hem niet meer. Het blij en lustig kweelen gaat zonder moeite, het kost hem niets; het schijnt wel de vreugd van een luchtgeest, die de aarde troosten wil.
Kracht geeft vreugd, en het vreugdevolste van alle wezens is de vogel, omdat hij zich sterk gevoelt boven zijn actie uit; omdat hij gewiegd, gedragen wordt door den adem des hemels; hij zweeft en stijgt zonder moeite, als in een droom.
Als een roes van goddelijk geluk is die onbegrensde kracht, het subliem vermogen, bij de geringe schepsels als verborgen, bij de vogels helder en levend, naar willekeur zijn kracht te kunnen putten uit de Moeder zelve, en het leven in te zwelgen bij stroomen.
Niet hoogmoedig noch onvroom is de natuurlijke drang van alle wezens te willen gelijken op de Al-Moeder, zich naar haar beeld te vormen, en met de onvermoeide vleugels der eeuwige Liefde de aarde koesterend te omgeven.
Hierop grondt zich de traditie der menschen. De mensch wil geen mensch zijn maar een vogel, een gevleugeld God. De gevleugelde geesten der Perzen zijn de cherubim van Judea.
Griekenland gaf vleugelen aan zijn Psyché, aan de ziel. De ziel heeft hare vleugelen behouden. Zij doorvloog het duister der Middeneeuwen, en stijgt met de tijden. Duidelijker en vuriger uit zich het verlangen, dat opwelt uit het diepst van de menschelijke Natuur, dat wordt tot een profetischen drang. „O ware ik een vogel!” spreekt de mensch. De vrouw is er zeker van dat haar kind een engel zal worden. Zoo heeft zij het gezien in haar droomen. Droom of waarheid!.... Gevleugelde droomen! Verrukkingen van den nacht, die wij des morgens beweenen! indien het toch zoo ware! indien gij leefdet! Als wij eens niet verloren hadden, wat wij steeds betreuren, en het misschien ons ware gegeven de eeuwigheid te doorvliegen van ster tot ster, allen te zamen vereenigd door de oneindige Goedheid als in een pelgrimstocht! Er zijn oogenblikken waarin men denkt, wanneer iets ons zegt, dat die droomen geen droomen zijn, maar aan de ware wereld onttogen, tot ons gekomen; een Licht even schemerend achter den nevel van het op aarde zijn—zekere beloften! En wat reëel scheen is de booze Droom.


EERSTE POGEN DER VLEUGELS.

EERSTE POGEN DER VLEUGELS.
Wie ons Parijsch Museum van natuurlijke historie bezoekt, ongeletterd of onwetend, oververzadigd van geest of ongevoelig, hij zal een oogenblik worden bevangen door eene gewaarwording van eerbied, en zelfs schroom. Dezen indruk geeft, voor zoover ik weet, geen vreemde verzameling. Andere, zooals het schitterend Museum te Leiden, zijn misschien rijker in soorten, maar niet vollediger, niet harmonischer. Die grandiose eenheid wordt instinctief gevoeld, grijpt aan, imponeert. De achtelooze reiziger, de toevallige bezoeker, voelt zich onverwacht getroffen. Hij blijft staan en peínst.
Plotseling geplaatst tegenover dit groote raadsel, die immense hieroglyph, zouden wij zoo gaarne een karakter ontcijferen, een teeken uitvinden. Hoe dikwijls is het gebeurd, dat een werkman, een man uit het volk, verbaasd en onthutst stond door eenigen bijzonderen vorm en ons naar de beteekenis vroeg. Een enkel woord hielp hem op weg, een eenvoudige aanduiding stelde hem tevreden; hij vertrok voldaan, en beloofde terug te komen; terwijl anderen, die in die zee van onbekende voorwerpen niet begrijpend ronddoolden, ontmoedigd en vermoeid weer heengingen.
Hopen wij, dat de verlichte, en wetenschappelijk zoo hoog geplaatste administratie, weer terug zal komen tot de oorspronkelijke statuten van het Museum, die verklarende bewakers aanwezen, en alléén door hen, die de schatten, die zij hoedden begrepen, ze lieten vertolken.
En een tweede wensch is, dat men naast afbeeldingen van natuuronderzoekers, moge plaatsen, de beeltenissen van kloeke zeevaarders, onversaagde reizigers, die hun leven waagden, duizendmaal, onder moeitevollen arbeid, om ons die schatten te kunnen bezorgen. Waardevol in zichzelf, wordt de waarde daarvan onschatbaar, door den heldenmoed en zielegrootheid van hen, die voor ons die schatten hebben gewonnen. Dat allerliefste kolibrietje, gevleugeld safier, Mevrouw, voor u niet dan een simpel sieraad; weet gij, dat een Azara, een Lesson het meê brachten uit doodademende wouden? Die tijger, wiens schilderachtige huid gij bewondert, weet, dat de onversaagde Levaillant hem in de jungle heeft moeten opsporen, zich met hem heeft moeten meten in behendigheid en kracht, om hem met zijn kogel den schedel te doorboren. Die kloeke reizigers, in hun gloeiende natuurvereering, zonder middelen, zonder bijstand dikwijls, zijn hem gevolgd in zijn woestenijen, hebben hem verrast en gadegeslagen in zijn geheime schuilplaatsen; honger en dorst, ongelooflijke ontberingen hebben zij zich opgelegd zonder klagen, hun belooning vonden zij in hun werk. Liefde en dankbaarheid vervulden hen bij iedere nieuwe ontdekking. En betreurd hebben zij niets; niet eens den dood van la Perouse, van Mungo Park den dood door schipbreuk, den dood onder barbaren!
Dat zij herleven, hier te midden van ons! Heeft zich hun eenzaam leven afgespeeld ver van dat Europa, dat zij dienden, dat dan hun beeld zich bevinde te midden van eene erkentelijke menigte. Hun beeltenis, met een korte aanduiding van hunne gelukkige ontdekkingen, van wat zij waagden, wat zij verdroegen. Misschien dat menig jongeling door die heldentypen getroffen, den geest van hen vervuld, den drang zal voelen hen na te volgen.
Want dit maakt deze plaats dubbel groot: Helden vonden en verzonden deze schatten, groote mannen ontvingen, schiften, plaatsten ze tot een harmonisch geheel. Tot hen kwam dit alles, als tot een wettig centrum; hun plaats in de Maatschappij, hun genie maakten het hun mogelijk hier, als het ware, de Natuur te centraliseeren. In de vorige eeuw was het middelpunt der groote wetenschappelijke beweging een man van genie, van gewicht, drievoudig: door rang, betrekkingen en fortuin, den graaf de Buffon. Alle giften van geleerden, reizigers, koningen, kwamen tot hem, deelde hij in, in het Museum. In onzen tijd boeide een nog grootscher schouwspel de aandacht der natiën aan deze plaats; twee immense geesten, neen, meer nog, twee stelsels,—Cuvier en Geoffroy, hebben er gekampt. Ieder koos partij, ieder zond proeven, vóór of tegen, naar het Museum; boeken, dieren of nieuw gevonden feiten. Zoo bleek er nog leven te zijn in die doode verzamelingen; zij trilden nog na van den strijd, bezield door de groote geesten, die al die wezens tot getuigen aanriepen bij hun vruchtbaar tweegevecht.
Ook is de schikking van die verzamelingen geen toevallige. Het zijn zeer volledige seriën, samengesteld door groote denkers. De merkwaardigste overgangen zijn er rijkelijk vertegenwoordigd. Hier kan men beter dan elders de uitspraak bevestigd zien van Linnaeus en Lamark: naar mate zich de Musea verrijken, aanvullen, minder gapingen vertoonen, zal men moeten inzien, dat de Natuur niet in sprongen werkt, maar met geleidelijke onmerkbare overgangen. Waar wij in haar gewrochten, een sprong, een leemte, een plotselingen onharmonischen overgang meenen te ontdekken, daar mogen wij ons zelf beschuldigen: die gaping is onze onwetenheid.
Verblijven wij een oogenblik bij een van die plechtige momenten, als in het nog onzekere leven eene weifeling is, als de Natuur zichzelve schijnt te ondervragen en haar wil te zoeken. „Zal ik visch of zoogdier zijn?” spreekt het wezen; hij aarzelt en blijft visch, maar met warm bloed. Het is het goedige, zachtaardige geslacht der zeekoeien en robben. „Zal ik vogel of viervoet wezen,” veelomvattende vraag, verwarrende weifeling, lange en wisselende strijd. Al de ontknoopingen worden ons verhaald, de verschillende oplossingen van naïef gestelde problemen, gerealiseerd, door bijzondere wezens. Het vogelbekdier, dat van den vogel alléén den bek heeft; de arme vleermuis, onschuldig en teeder wezen in zijn familieleven; zijn onzekere vorm maakt hem leelijk en verafschuwd. Bij hem ziet men, hoe de natuur den vleugel zoekt, en niet anders vermag voort te brengen dan een afschuwelijke harige huid, maar die toch als vleugel dienst doet.

„Vogel ben ik, zie mijn vleugels!”
Maar de vleugel maakt nog den vogel niet.
Plaatsen wij ons nu in het midden van het Museum, dicht bij de klok. Daar zien wij, links, de eerste aanduiding van den vleugel bij de pingouïn van de Zuidpool, en bij zijn broeder de vetgans van het Noorden, maar bij dien een graad verder ontwikkeld. Schubbige, vinachtige vlerkjes die door den glans van hun veeren meer aan visschen doen denken, dan aan vogels. Op vasten grond is hij een zwakkeling; de aarde is hem moeilijk, de lucht onmogelijk. Beklaag hem niet te zeer. De voorziende Moeder heeft hem voor de Poolzeeën bestemd, waar hij nauwelijks te loopen zal hebben. Zij bekleedt hem zorgvuldig met een warmend overtrek van vet, en een ondoordringbaar kleed. Zij wil, dat hij het warm heeft tusschen het ijs. Hoe dat 't beste te bereiken? Zij schijnt te hebben geweifeld, gezocht. Naast de pingouïn ziet men met verrassing de proefneming van een geheel andere soort maar niet minder treffend, als moederlijke voorzorg: het is een zeer zeldzame giervogel, die ik in geen enkel ander Museum gezien heb; gekleed in een ruige pels, als een viervoet, een soort van geitenvel, maar die bij het levende dier, waarschijnlijk meer glans had, en zeker voor het water ondoordringbaar is.

Om de vogels, die niet vliegen kunnen bijeen te houden, moet ik met de vorige noemen: den schipper der woestijn, den kameelvogel, de struis, in inwendige struktuur den kameel gelijk. Kon ook, zijn maar even aangeduide vleugel hem niet van den grond opheffen, hij is hem toch een machtige hulp bij het loopen, waarin hij de uiterste snelheid bereikt. 't Is het zeil, dat hij opzet, als hij zijn dorren Afrikaanschen Oceaan doorkruist.
Keeren wij terug tot de pingouïn, het eigenlijk uitgangspunt van de series; de pingouïn wiens rudimentaire vleugel, noch als zeil, noch als hulp bij het loopen kan dienen en niet anders is, dan een aanduiding en ook een herinnering van de natuur.
Maar zij maakt zich daarvan los en heft er zich—doch met moeite—boven uit, in een eerste poging tot vliegen, met twee wonderlijke typen, grotesk en verwaand. De pingouïn is dat niet; het eenvoudig, simpel wezen kan men aanzien, dat hij de eerzucht, te willen vliegen, niet kent. Maar hier zijn er, die er boven uit willen, die zoeken de gratie en sier der beweging. De Alk schijnt een vetgans, die besloten heeft met zijn toestand te breken, en hij zet een koket pluimpje op zijn hoofd, dat hem nog leelijker maakt. De onmogelijke papegaaiduiker, karikatuur van een karikatuur, de papegaai gelijkt daarop door zijn grooten bek, maar die onhandig toeloopt en de energieke kracht van den ander mist; zonder staart en met zijn lompen zwaren kop is zijn evenwicht steeds in gevaar. Toch waagt hij zich aan vliegen, met de aanhoudende mogelijkheid door zijn topzwaarte om te duikelen. Met nobelen zwier zweeft hij onmiddellijk boven den grond, bron van bewondering en afgunst voor de vetganzen en robben misschien. Ook waagt hij zich wel eens in zee: rampzalig vaartuig! het kleinste windstootje doet het schipbreuk lijden.

Maar er is geen ontkomen meer, de eerste stap is gedaan en vogels van verschillende soort zetten het pogen voort en slagen beter. Het rijke geslacht der duikers in zijn verscheidenheid van soorten, vereenigt vliegers met zwemmers. Er zijn er met volmaakte vleugels en vaste sterke vlucht, die het vermogen hebben verre reizen te doen; andere, met nog de glanzende veeren van de vetgans, duiken en spelen op den bodem der zeeën. Hadden zij de vinnen en de ademhaling zij waren volmaakte visschen. Tweeslachtig, beheerschen zij twee elementen.


TRIOMF VAN DEN VLEUGEL De Fregatvogel.

TRIOMF VAN DEN VLEUGEL.
De Fregatvogel.
Sparen wij ons de opsomming der tusschenliggende soorten. Ik ga onmiddellijk over tot den witten vogel, daar boven in de wolken; een vogel, dien men overal ziet, in het water, op het land, en op de kale of door de zee bedekte klippen, tusschen de golven; een vogel dien men gaarne ziet, gezellig en gulzig. De kleine gier der zeeën zou ik hem willen noemen. Ik spreek van de myriaden van meeuwen—gewiekte golfjes—die boven alle kusten, de lucht scheuren met hun kreten. Noem mij vrijer wezens! Nacht of dag, noord of zuid, zee of kust, prooi levend of dood, het is hun alles goed. Alles hun gading, overal thuis, zweven zij zonder rust, het witte zeil op, tusschen lucht en water. De wind, die steeds wisselt en draait, is altijd hun wind, die hen brengt, waar zij wenschen te zijn. Zijn zij niet de elementen zelf, lucht en zee, die vleugels namen en opvlogen! Ik weet het niet: hun grijs oog, koel en star (dat men nooit met die uitdrukking in onze musea terug vindt) is als de grauwe, wezenlooze zee van het Noorden in zijn ijzige onpersoonlijkheid. Wat zeg ik? nog bewogener is die zee. Lichtend, phosphorizeerend, wekt zij dikwijls leven in zich. Vader Oceaan, norsch en in zichzelf als hij is, broedt achter zijn bleek aanschijn dikwijls nog veel gedachten uit. Zijn zonen, de meeuwen, schijnen minder dier dan hij. Zij vliegen rond, speurend met hun doode oogen, een doode prooi. Zij verzamelen zich en verhaasten in massa de vernietiging van de reusachtige kadavers, die voor hen op de zee drijven. Niet wreed van uiterlijk, vervroolijken zij den reiziger met hun spel en de vlugge verschijning van hun slanke vleugels. En zij spreken hem van verre landen, van kusten, die hij verliet, van vrienden, verloren of te vinden. En zij voorzeggen hem ook de stormen. Menigmaal raden hem hunne ontplooide zeilen, de zijne in te halen.
Want geloof niet, dat zij hun vleugels vouwen, als de storm komt. Integendeel, juist dan nemen zij hun vlucht. De storm is hun oogsttijd: hoe verschrikkelijker de zee, hoe minder de visschen zich onttrekken aan dien stouten visscher. In de golf van Biscaye waar de zeeën, opgestuwd uit het Noordwesten over den Atlantischen Oceaan komen opgehoopt, opgeheven tot een ontzaglijke hoogte en met geweldige schokken, werken rustig en onverstoorbaar de meeuwen.

„Ik heb hen een oneindig aantal kringen zien beschrijven,” zegt de heer Quatrefages, „hen zien neervallen tusschen twee golven en met een visch weer opstijgen. Sneller met den wind, trager tegen den wind, maar altijd cirkelend met hetzelfde gemak, zonder schijnbaar één vleugelslag meer dan in de mooie kalme dagen. En toch stortten zich de golven over de kusten als omgekeerde watervallen, hoog als het plate-forme van de Notre-Dame, en het opvliegend schuim hooger dan Montmartre—zij bleven onverschillig en bedaard.”
Die bedaardheid ontbreekt den mensch. De matrozen ontstellen, wanneer in het avonddonker, bij 't plotseling invallen van den nacht, over de zeeën, een naargeestig klein figuurtje rond het schip komt zwerven, een somber zwarte vogel. Zwart is eigenlijk niet het rechte woord, zwart zou nog vroolijk zijn; de ware tint is een soort van rookerig bruin, dat men haast niet onderscheidt. Een schim uit de hel, een booze droom; die op de wateren loopt, speelt tusschen de golven, den storm met voeten treedt. Die Stormvogel (ook „Sint Pieter”) is de schrik van den zeeman, die in hem een levende vervloeking ziet. Van waar komt hij? Hoe verschijnt hij op eens op zulk een afstand van allen vasten grond? Wat wil hij? wat zoekt hij, zoo geen schipbreuk? Ongeduldig is zijn vlucht; hij kiest reeds de lijken, die hem zijn maat, de wreede, kwaadaardige zee, zal overleveren.

Die voorstelling veroorzaakt de vrees. Minder vreesachtige geesten zouden in den armen vogel een ander schip-in-nood zien; een onvoorzichtig zeevaarder, die even als zij door den storm verrast wordt, ver van de kust, zonder schuilplaats. Dit schip is voor hem een eiland, waarop hij wel zou willen rusten. De vaart alléén van het schip, dat voor hem wind en golven breekt, is hem al rust en beveiliging. Steeds weet hij met behendige vlucht er achter te blijven; het is zijn bolwerk tegen den orkaan. Schroomvallig en bijziend, ziet men hem haast alléén in het duister, dat met den storm komt. Hij gelijkt ons: hij vreest den orkaan; hij is bang, hij wil niet sterven; hij denkt als gij, matrozen: „Wat moet er van mijn kinderen worden?”
Maar de nacht van den storm wijkt, het wordt weer licht; ik zie een stukje hemelblauw. Gelukzalige en sereene streken, die den vrede bewaart boven de onrust van de stormen. In dat stukje blauw, drijft koninklijk, op duizend voet hoogte, een kleine vogel, maar met geweldigen vleugel. Een meeuw? Neen, de vleugels zijn zwart. Een arend? Neen, de vogel is klein. Het is de kleine arend van de zee, de hoogststaande van het gevleugelde ras, de onversaagde zeevaarder, die nooit de vleugels vouwt. Vorst van den storm, verachter van alle gevaar, de Krijgsman, of Fregat-vogel. Wij hebben hier de uiterste grens van de serie, die begint met den vogel zonder vleugels. Deze is haast niet anders meer dan een paar vleugels! Bijna geen lichaam! Nauwelijks de grootte van een haan, met geweldige vleugels tot veertien voet in lengte. Het groote vraagstuk van de vlucht is opgelost! Meer zelfs, de oplossing is overschreden; want het vliegen schijnt onnoodig. Zulk een vogel, met zulk een natuurlijk steunsel, heeft zich maar te laten dragen. Als de storm komt, stijgt hij tot de immense hoogten waar weder kalmte heerscht. Het dichterlijk beeld, onzuiver voor iederen anderen vogel, is geen beeld voor hem: hij „slaapt op den storm.” Wil hij wèrkelijk vliegen, dan verdwijnen de afstanden. Ontbijt aan den Senegal, middagmaal in Amerika.
En wil hij het er van nemen, zich onderweg ophouden, hij kan het; den heelen nacht kan hij doorgaan, zeker rust te zullen vinden... Waarop? Op zijne onmetelijke, onbeweeglijke vleugels, die hij ontplooid legt op de lucht, die zich met de geheele vermoeienis van de reis belasten; en op den wind, zijn dienaar, die hem wiegt.
Merkt op, dat dit wonderbare wezen nog de koninklijke eigenschap heeft, niets ter wereld te vreezen. Klein, doch sterk en onversaagd, trotseert hij alle tyrannen van de lucht. Zeker zou hij noch zee-arend, noch Condor vreezen; deze kolossale en logge beesten, zouden zich nauwelijks in beweging hebben gezet, of hij was tien mijlen verder. O, dan komt het verlangen over ons! als wij in het stralend ruim van de tropen, eenzaam dien zwarten vogel zien vliegen, op onberekenbare hoogte, bijna onzichtbaar door den afstand, eenzaam in de hemelwoestenij!
Misschien wat lager, kruist hem in lichte gratie, een witte zeiler, de tropenvogel.
Neem mij op uwe vleugels, gij luchtkoning, die geen vrees kent, geen vermoeienis; gij meester van de ruimte, snelvlieger, die den tijd vooruit vliegt. Wie is meer dan gij, los van de fatale kluisters, die het schepsel binden.
Toch heeft mij iets verwonderd: van dichtbij gezien heeft deze vorst van het rijk der gevleugelden, niets van de hooge rust, die een leven in vrijheid moet meebrengen. Zijn blik is koud, hard, wreed, onrustig; zijn gedwongen houding is van een, die op straffe des doods moet uitkijken en wacht houden over de oneindigheid der wateren.
Deze vogel dwingt zich om zeer ver te zien. En dient zijn oog hem slecht, dan staat zijn vonnis op zijn zwart gezicht geschreven, dan veroordeelt hem de Natuur: hij moet sterven.
Van dichtbij gezien, blijkt het, dat hij bijna geen pooten heeft. Kort als zij zijn, en van zwemvliezen voorzien, kan hij er niet op gaan, zich niet er mee vastklemmen. Wel heeft hij den geweldigen bek, maar niet de klauwen van den echten zeearend; een valsche arend, die het echter wint van den echten in vliegvermogen en stoutmoedigheid, heeft hij toch niet zijn kracht, niet zijn onverwinbaren greep. Hij hakt, en doodt; maar kan hij grijpen?

Vandaar zijn onzeker bestaan, een leven op het toeval; eerder het bestaan van een zeeroover dan van een zeevaarder; en vandaar ook de eeuwige vraag, die men zoo duidelijk leest op zijn wezen: „Zal er eten voor mij zijn?.... zal ik van avond iets aan mijn kinderen kunnen brengen?”
De grootsche en prachtige inrichting van zijn vleugels, is op den vasten grond een gevaar en een last. Om te kunnen opvliegen moet hij veel wind hebben en een hooge standplaats, een uitsteeksel, een rotspunt. Wordt hij verrast op het vlakke zand, op banken, op lage klippen, waar hij zich dikwijls neerlaat, dan is de fregatvogel weerloos, geen dreigen en snavelstooten helpen: met stokken wordt hij doodgeslagen.
Op zee zijn die geweldige vleugels, zoo prachtig als de vogel zich verheft, geheel ongeschikt om over het water te scheeren. Want worden zij nat, dan trekt hun zwaarte hem naar beneden. Dan is zijn lot beslist! Hij behoort aan de visschen; hij voedt dat logge volk, waarmee hij zichzelf dacht te voeden; het wild eet den jager; den vanger is gevangen.
Maar hoe dan? Zijn voedsel is in het water? Tot het water moet hij altijd naderen en terugkeeren; rakelings moet hij zich steeds bewegen langs die vreeselijke, vruchtbare zee, die hem steeds dreigt te verslinden.
Zoo leeft dus in onzekerheid en vrees, dit wèlgewapend wezen, zoo schitterend gevleugeld, en uitblinkend in sterkte van gezicht, vliegvermogen en moed. Hij zou dikwijls van honger moeten sterven, als hij zich niet een leverancier verschaft had, dien hij zijn voedsel ontfutselt. Zijn uitkomst is, de helaas minder nobele handeling, een plompen en vreesachtigen vogel aan te vallen, den Jan-van-Gent, die een voortreffelijk visscher is. De fregatvogel, niet veel grooter dan hij, vervolgt hem, en stoot tegen zijn keel met den snavel, zoodat hij terug moet geven, wat hij inslokte. Dit gebeurt alles in de lucht; de visch wordt vallende gegrepen.
Ontbreekt ook dit redmiddel, dan waagt hij het zelfs, den mensch aan te vallen. „Toen wij op Ascension landden,” vermeldt een reiziger, „werden wij belegerd door fregatvogels. Een wilde mij zelfs den visch ontnemen, dien ik in mijn hand had. Andere vlogen om den ketel, waarin vleesch kookte, om het er uit te halen, hoewel de matrozen er om heen stonden.”
Dampier heeft gezien, hoe oude en zwakke of verminkte fregatvogels op de klippen stonden, blijkbaar hun invalidenhuis, en schatting hieven van de jonge Jan-van-Gent's, hun vazallen, zich voedend met wat die vingen.
Maar in den tijd van kracht, komen zij zelden op den vasten grond. Levend als wolken, zwevend op hun geweldige vleugels tusschen twee werelddeelen, in afwachting wat het lot hun brengt, bespiedt hun doordringende blik de oneindigheid der luchten en de oneindigheid der zeeën.
De voorste van het gevleugelde volk, is hij, die niet rust; de eerste van de zeilers, is hij, die niet aankomt. Aarde en zee zijn hem bijna gelijkelijk ontzegd. Hij is de eeuwige balling.
Dat wij niet benijden. Hier op aarde is geen enkel bestaan geheel vrij, geen levenskring ruim genoeg, geen vlucht ver genoeg, geen vleugel kan voldoen. Want juist van den machtigsten vleugel is men de slaaf. Andere vleugels zijn noodig, de ziel verwacht ze, vraagt ze en hoopt:
„Vleugels boven 't leven uit, en den dood voorbij!”

VOGELS DER WATERKANTEN.

VOGELS DER WATERKANTEN.
VERVAL VAN EENIGE SOORTEN.
Ik heb dikwijls, op sombere dagen, naar een nog somberder wezen gekeken; een die is als het symbool van de melancholie. Dat is die droomer van de moerassen, die peinzende vogel, die eenzaam staat bij de grijze wateren in alle jaargetijden, als spiegelend met zijn beeld ook zijn eentonige gedachten.
Zijn nobele zwarte egrette, zijn paarlgrijze mantel, koninklijk rouwkleed, wordt zonderling weersproken door zijn schraal lichaam en doorzichtige magerheid. Bij het vliegen vertoont de arme reiger niets dan twee vleugels. Stijgt hij, men ziet geen lichaam meer; hij wordt onzichtbaar. Dit luchtdier, dit lichaam zonder gewicht, voelt zijn ééne poot als te veel, hij vouwt dien dubbel; bijna altijd ziet men zijn silhouet éénbeenig als een zonderlinge hieroglyph tegen de lucht afgeteekend.
Wie geleefd heeft in de studie, in de geschiedenis van verloren rassen en verdwenen koninkrijken; hij is geneigd in dien vogel een beeld van verval te zien. Een edelman tot den bedelstaf gebracht, een onttroond vorst; ik zou mij erg vergissen als hij dat niet was. Geen enkel wezen, dat als zulk een droevige figuur door de Natuur wordt afgeleverd. Eens waagde ik het den droomer te ondervragen, en van uit de verte sprak ik tot hem deze woorden, die zijn zéér fijn gehoor duidelijk opnam: „Vriendlief, Visscher! zoudt ge mij even willen zeggen—zonder uw stelling te verlaten—waarom altijd treurig, ge heden nog treuriger zijt? Is u uw prooi ontsnapt? Heeft de visch met behendige wendingen uw oog bedrogen? of daagt de kikvorsch u spotachtig uit van af den bodem der wateren?”
Neen, geen visch of kikvorsch lachte om den reiger... Maar de reiger lacht om zichzelf en veracht zich, als zijn denken uitgaat naar den tijd, toen zijn edel ras nog groot was, naar den reiger van vroeger dagen.

„Gij vraagt naar mijn droom? Vraag het Indianenhoofd, waarom hij dagen lang het hoofd op de hand gesteund, staart... staart op den boom, dien hij voor zich heeft, naar iets wat er niet is. De geheele aarde was ons rijk, het gebied van de watervogels, in die periode van overgang, toen de aarde in jonkheid het water ontsteeg. Een tijd van strijd en worsteling, maar ook van overvloed. Geen reiger toen, die niet gemakkelijk zijn kost kon ophalen. Geen wachten toen of vervolgen; de prooi vervolgde den jager; sissen, kwaken van alle kanten. Millioenen wezens van onbestemden aard, dieren tusschen vogel en pad, visschen met vleugels, bewogen zich tusschen de onzekere grenzen, der beide elementen. Wat hadt gíj toen kunnen doen, gij zwakken en laat-geborenen op den aardbol! Het was de vogel, die voor u de aarde bewoonbaar maakte. Geweldig woedde de krijg van monsterachtige schepselen, onttogen aan het moeras, met den vogel, zoon der lucht, van reusachtigen omvang. Vindt men al geen spoor van dat alles in uwe ondankbare geschiedverhalen, Gods groot geschiedboek verkondigt het van uit het binnenste der aarde; want daar bleven overwonnenen en overwinnaars; de monsters door ons gedood, en zij, die ze vernietigden.
Uwe leugenachtige verbeeldingen willen ons bevredigen met een menschelijken Hercules. Wat had hem zijn knots gebaat tegen den Plesiosouros? Wie had dien Leviathan afgewacht van aangezicht tot aangezicht? Dat eischte de vliegkracht, een sterken vleugel, die den Hercules-vogel kon neerwerpen, en weer opheffen, en teruggooien uit de lucht; den Epiornis, een arend, twintig voet hoog, met een vleugelwijdte van vijftig voet; hardnekkig jager, meester van drie elementen, de lucht, het water en het diepe moeras, die den draak rusteloos vervolgde.
Duizendmaal ware de mensch vernietigd geweest. Door ons werd den mensch het bestaan mogelijk gemaakt op eene tot rust gebrachte aarde. Maar wien zal het verwonderen, dat deze geweldige worstelingen door duizende jaren heen, den overwinnaar hebben versleten, den gevleugelden Hercules hebben afgemat tot een zwakken Perseus: verbleekte, verwaasde herinnering aan onzen heldentijd.
Toen, minderend in gedaante, in kracht, misschien in moed; uitgehongerd door de overwinning zelve, door het verdwijnen der kwaadaardige rassen en door de afscheiding der elementen, waardoor voortaan onze prooi verborgen was in de diepte der wateren, werden wij op den vasten grond, in onze bosschen en moerassen, op onze beurt weer verjaagd door de nieuw gekomenen, wier bestaan toch mogelijk was geworden door ons. De boosaardigheid van den mensch der bosschen en zijn behendigheid, was voor het bestaan van onze nesten noodlottig. Lafhartig legde hij zijn hand op ons, in de dichtheid der takken, die de vlucht belemmeren, het gezicht bemoeilijken. Een nieuwe oorlog en deze minder gelukkig. Homerus noemt het den krijg tusschen de kraanvogels en de dwergen. De zeldzame intelligentie der kraanvogels, hun wezenlijk militaire taktiek, hebben den vijand, den mensch, niet kunnen verhinderen, door duizend vervloekte kunstgrepen in het voordeel te blijven. Met hem mede werkten tijd en bodem en natuur; de aarde droogde op, het water werd onttrokken aan de moerassen en ons tweeslachtig element werd opgeheven. Het zal op den duur met ons gaan als met den bever. Vele soorten zullen uitsterven, nog een eeuw misschien en de reiger zal hebben geleefd.”

Zéér ware geschiedenis: behalve eenige soorten, die hun partij gekozen hebben en den vasten grond verlieten, zich voortaan geheel wijdende aan het vloeibaar element, behalve de duikers, de schollevaar, de wijze pelikaan en eenige anderen, schijnen de watervogels in verval. Het zorgen en de soberheid houden hen nog in stand. Die onafgebroken bezorgdheid heeft den pelikaan een bijzonder orgaan gegeven, hem onder zijn bek een beweegbaar réservoir uitgehold, duidelijk teeken van zorgende voorziendheid.

Verscheidene vlugge en behendige reizigers, waarbij ook de zwaan, houden het leven door wisseling van woonplaats. Maar zelfs de zwaan, die oneetbaar is en door den mensch ontzien wordt om zijne gratie en schoonheid, de zwaan, vroeger zoo algemeen in Italië, aanhoudend genoemd door Virgilius, is er nu zeldzaam geworden. Vergeefs zou men nu nog die kloeke vloten zoeken die met hun zeilen de wateren van den Mincio, de moerassen van Mantua bedekten; de vogels, die Phaëton beweenden in de schaduw van zijne zusters, de tot elzen geworden Heliaden; die in hun grootsche vlucht de sterren naderden, hun den naam Varus toezingend met harmonieus geluid! Die zang, in de oudheid zoo veel geroemd, is hij een fabel? Waren de organen voor den zang bij den zwaan zoo sterk ontwikkeld, hem altijd onnut? Hebben zij niet gewerkt in een tijdperk van gelukkige vrijheid, toen hij nog leefde in milder atmosfeeren en het grootste gedeelte van het jaar doorbracht in het zachte klimaat van Griekenland en Italië? Men zou het gaarne gelooven. De zwaan, teruggedrongen naar het Noorden waar hij verborgenheid en rust voor zijn liefdeleven vond, heeft zijn zang geofferd voor den kreet der barbaren en werd stom. De Muze ging, de zwaan bleef. En de kraanvogel, die als intellectueel type van deze soort het hoogste staat, die gezellig is, en orde en beleid kent en veel hulpbronnen heeft, en die zou moeten tieren en overal stand houden in zijn oud gebied, heeft twee koninkrijken verloren, Frankrijk dat hem nog maar alleén op den trek ziet, en Engeland waar hij het nu nauwelijks meer waagt te nestelen. De reiger was in den tijd van Aristoteles vol energie en wijsheid; de oudheid raadpleegde hem over de kansen van het weder als ware hij de eerste der waarzeggers. In de middeleeuwen, hoewel vervallen, behield hij zijne schoonheid, zijn vlucht, die den hemel zoekt. Hij was nog een vorst, een koninklijke vogel, en koningen zagen in hem een koningsbuit en een doel voor den nobelen valk. En zóó hardnekkig werd hij gejaagd dat hij onder Frans I reeds begon zeldzaam te worden. Deze koning hield hem om zich heen te Fontainebleau en had er reiger-kolonies. Twee of drie eeuwen gaan voorbij, en Buffon gelooft nog, dat er nauwelijks een provincie is zonder reiger-kolonie. In onzen tijd kent Toussenel er nog maar één in Frankrijk, ten minste in het Noorden; in Champagne, tusschen Reims en Epernay, verbergt het bosch een laatste schuilplaats voor het liefdeleven van den armen eenzame. Eenzaamheid! Dat is zijn vonnis. Minder gezellig dan de kraanvogel, minder familiaar dan de ooievaar, schijnt hij zich zelfs terug te trekken van de zijnen. Kort en zeldzaam slechts ontrukt hem de liefdedroom aan zijn somberheid. Het leven is hem niet veel waard. In gevangenschap weigert hij dikwijls het voedsel en sterft zonder klacht, zonder spijt.
De watervogels met hun ervaring en overleg, hun beheerschen van twee elementen hadden het in hun goeden tijd verder gebracht dan de meeste andere vogels, en verdienden door den mensch te worden ontzien. Iedere soort had een verschillende eigenaardige verdienste. De kraanvogels waren door hun mimische eigenschappen gezellig en vermakelijk. De jovialiteit van den pelikaan en zijn vroolijk humeur, de aanhankelijkheid van de ganzen, de goedigheid van den ooievaar en zijn zorg voor zijne ouders, door zooveel getuigen bevestigd, vormden tusschen die wereld en ons, banden van sympathie, die de mensch met zijn barbaarschheid niet had mogen verbreken.


DE REIGERKOLONIES IN AMERIKA.

DE REIGERKOLONIES IN AMERIKA.
(Alexander Wilson).
Het verval van den reiger is minder merkbaar in Amerika. Hij wordt er niet zoo vervolgd. Er is daar afzondering en eenzaamheid voor hem. Hij vindt er nog zijn dierbare moerassen, zijne duistere en bijna ondoordringbare wouden. In gedempter licht is hij gezelliger. Tien tot vijftien gezinnen nestelen er te zamen of op geringen afstand. De groote ceders werpen het duister over de vale wateren; daar vinden zij hun rust en hun welbehagen. In de hoogte van die boomen maken zij met stokken een ruim terras, dat zij met kleine takjes bedekken; dat is de plaats voor het liefdeleven van het gezin. Hier het rustig broeden, het uitkomen, het leeren vliegen, en de ouderlijke lessen, die den jongen visscher zullen vormen. Zij behoeven niet angstig te zijn, dat de mensch hen in die schuilhoeken zal komen bestoken; zij wonen—vooral in de Carolina's—niet ver van de zee, in lage modderige terreinen, zeer gezocht door de gele koorts.
Een moeras, een oude zee- of rivier-arm, een door de terugtrekkende wateren vergeten poel, een mijl breed, vijf of zes mijlen diep. De toegang is niet bemoedigend: vooraan oude boomstammen, zuiver rechtopgaand en zonder takken, vijftig of zestig voet hoog, kaal tot aan den top, waar zij hun somber groen vereenigen en ineenstrengelen, het water dekkend met angstig duister. En welk een water! Een dikke, gistende massa, van bladeren en verwezen organismen laag op laag dooreengemengd, vuilgeel gekleurd, waar bovenop een groen en schuimig mos drijft. Ga verder: wat vaste grond schijnt, is een moeras, waarin ge wegzakt. Bij iederen stap verspert een laurier u den weg; om voorbij te komen, moet ge worstelen met zijn takken, met boomstronken en altijd zich verjongende laurieren. Zeldzaam dringt wat licht door die duisternis; in deze gevloekte oorden heerscht het zwijgen van den dood. Behalve nu en dan een paar korte, weemoedige tonen van kleinere vogels, of de schorre kreet van den reiger, is alles stom, verlaten. Maar laat de wind zich verheffen, dan steunt en zucht de droeve reiger in de boomtoppen. Komt de storm, dan zwiepen en stooten die groote, naakte ceders, die kolossale masten; het geheele bosch loeit en brult en gromt als waren het wolven en beren en roofdieren van alle soort.
Dus zagen omstreeks 1805 met verbazing, die reigers, zoo veilig gevestigd, rondom hun ceders te midden van de moerassen een vreemde verschijning zwerven, een mensch. Een enkele maar had de kracht hen daar te bezoeken, een die geduld had en moed, een rustig maar gehard reiziger, vriend en bewonderaar der vogels, Alexander Wilson.
Indien dat reigervolk het karakter van den bezoeker had gekend, zouden zij hem zeker te gemoet zijn gevlogen met kreten en wiekgeklepper, als vriendengroet en broederlijke hulde.
In die vreeselijke jaren, toen de mensch den mensch vernietigde op ontzettender wijze dan ooit te voren was geschied, leefde er in Schotland een man des vredes.

Het was een arme wever te Glasgow, die in zijn vochtig somber verblijf droomde van de natuur, van de oneindigheid der vrije wouden, en van het gevleugelde leven vóóral. Zijn gedwongen zittend bestaan, werkte dat verlangen naar vliegen en zweven in licht, op tot extase; en ware niet de goddelijke gave van het vliegen in dit leven slechts een hoop en een droom voor het volgend leven, Wilson had zichzelven vleugels gegeven. Eerst trachtte hij bevrediging te vinden in boeken met gravuren, die vogels heetten voor te stellen. Lompe, linksche karikaturen, die een verkeerd begrip geven van den vorm en in 't geheel geen begrip van de beweging; en wat is een vogel zonder de gratie van de beweging! Dat hield hij niet uit. Hij nam een kort besluit; alles verlaten, zijn land en zijn werk. Als een nieuwe Robison Crusoë, wilde hij door vrijwillige schipbreuk zich tot banneling maken in de eenzame wildernissen van Amerika, en dáár zelve zien, opmerken, beschrijven, teekenen. Maar er viel hem in, dat hij noch teekenen, noch schilderen, noch zelfs schrijven kon. En deze sterke geduldige man, die voor niets terugschrikte, leert schrijven, heel vlug en heel goed. Een gemakkelijk schrijver, een zeer nauwgezet kunstenaar, een zekere en subtiele hand, scheen hij bij zijn moeder en leermeesteres, de Natuur, minder te leeren, dan zich te herinneren. Zóó gewapend, werpt hij zich in de wildernis, in de bosschen, in de ongezonde Savanna's; vriend van buffels en dischgenoot van beren, levende van rauwe vruchten en slapend onder de schitterende hemeltent. Waar hij een zeldzamen vogel ziet, blijft hij, kampeert hij, maakt hij zich thuis. Waarom niet? Er is niets dat hem terugroept, geen te huis, geen vrouw, of kind. Toch heeft hij een gezin: de groote familie, die hij observeert en beschrijft. Ook heeft hij vrienden: zij, die nog niet leerden den mensch te wantrouwen en die zich op zijn boom neerlaten en met hem spreken. En daar doet gij wel aan, gij vogels, gij hebt daar een trouwen en zekeren vriend; hij zal u nog meer vrienden verwerven, die u zullen begrijpen. Was hij niet zelf vogel, in zijn voelen en denken!

Er zal wel eens een jager komen en door uw wildernissen dringen; en als hij een der uwen zal zien, schitterend van kleuren in zijn vlucht, zal die vederenpracht hem verlokken; maar hij zal aan Wilson denken—den vriend van Wilson dooden! Als die naam hem in de gedachte komt, zal hij zijn geweer laten zakken.
Ik zie ook niet in, waarom men het vermoorden van vogels tot in het oneindige zou voortzetten; ten minste wat de soorten betreft, die in onze musea zijn en in de musea door Wilson beschreven en door d'Audubon, zijn bewonderenswaardige leerling; diens prinselijk boek, dat èn het geslacht, èn het ei, èn het nest èn het bosch, en zelfs het landschap geeft, is een worsteling met de Natuur. Deze groote onderzoekers hebben allen dezelfde eigenaardigheid. Hunne indrukken zijn zóó subtiel, zóó nauwkeurig, dat algemeenheden hun niet voldoen: zij observeeren het individu. De natuur bemoeit zich niet met onze klassificatie's, zij schept een wezen en vermoeit zich niet over de grenzen, waarbinnen wij onze soorten opsluiten. Zoo kent Wilson ook niet de vogels in 't algemeen, maar een individu: van díen leeftijd met zúlke veeren in déze omstandigheden. Hij kent hem, heeft hem gezien en weêr gezien; hij zal u zeggen, wat hij doet, wat hij eet, hoe hij zich gedraagt; een ondervinding, een anecdote uit zijn leven: „ik heb een specht gekend,—ik heb dikwijls een wielewaal gezien—”
Als hij zoo spreekt, kunt gij op hem vertrouwen; het wil zeggen, dat hij een geregeld verkeer met hen heeft onderhouden, een soort van vriendschappelijken en familiaren omgang. Het ware te wenschen, dat wij hen kenden met wie wij omgaan, zooals Wilson den vogel Qua kende en de reigers van Carolina.
Het is duidelijk dat deze vogel-mensch, toen hij weer onder de menschen terug was gekeerd, niemand vond, die hem wilde aanhooren. Die geheel nieuwe oorspronkelijkheid van uiterst-nauwgezette waarneming; dat zeldzaam vermogen tot individualiseeren, (het eenige middel om een levend wezen naar waarheid weer te geven) juist die eigenschappen hebben zijn welslagen in den weg gestaan. Nòch de uitgever, nòch het publiek wilden iets anders dan fraaie, hooge en vage algemeenheden, getrouw aan het recept van Buffon: „generaliseeren is veredelen; neem dus het algemeene woord.”
Tijd is er noodig geweest, en het is ook noodig gebleken dat dit genie vóór zijn dood een ander gelijk genie had gevormd: den nauwgezetten, energieken d'Audubon, wiens kolossaal werk het publiek verbaasd en veroverd heeft; dat werk waarin hij bewijst, dat een juiste en levendige wedergave van de individualiteit edeler en grootscher is, dan de gedwongen voortbrengselen van de generaliseerende kunst. De beminnelijkheid van den goeden Wilson op zoo onwaardige wijze miskend, blijkt schitterend uit zijn mooie voorrede. Men kan haar kinderlijk vinden, maar geen enkel onbedorven hart dat er niet door zal worden getroffen.

„Toen ik eens een vriend bezocht, vond ik bij hem zijn zoontje van acht of negen jaar, dat in de stad wordt opgevoed; tijdelijk buiten, had hij een handvol mooie bloemen verzameld, van alle kleuren.
Hij bracht ze aan zijn moeder, opgetogen en verrukt: „Lieve Mama, kijk eens wat een mooie bloemen ik geplukt heb! O, ik zou er nog veel meer in de bosschen kunnen vinden, en nog veel mooier! Mag ik er u nog meer brengen?”
Zij nam de bloemen, met een teederen glimlach, en bewonderde zwijgend die eenvoudige schoonheid, en zij zeide: „Ja, mijn jongen!” Het kind ging overgelukkig heen. Ik voelde mijzelf in dat kind, de gelijkenis trof mij diep. Als mijn geboorteland, met vriendelijke toegevendheid het weinige aanneemt, dat ik nederig aanbied; als men den wensch uit, dat ik nog meer breng, dan zal mijn hoogste eerzucht bevredigd zijn. Want, zooals mijn vriendje zeide: Onze bosschen zijn er vol van, ik kan er nog méér plukken en nog veel mooiere.”
Philadelphia 1808.

DE STRIJD. De Tropen.

DE STRIJD.
DE TROPEN.
Een dame, eene verwante van ons in Louisiana, had een kindje, dat zij zoogde. Iederen nacht werd haar slaap verontrust door een wonderlijke gewaarwording, alsof een koud glibberig voorwerp de melk onttrok aan haar borst. Eens, wéér diezelfde gewaarwording, maar zij was wakker toen: zij springt op, roept; men brengt licht, men zoekt, keert het beddegoed om, en vindt eindelijk de griezelige zuigeling; een groote slang van een zeer gevaarlijke soort. En zóó groot waren haar afschuw en schrik, dat op dátzelfde oogenblik haar zog was opgedroogd. Levaillant verhaalt, dat aan de Kaap in een gezelschap, gedurende een kalm gesprek de gastvrouw op eens verbleekte en een vreeselijken angstkreet uitte. Een slang klom tegen haar beenen op, een soort waarvan de beet binnen twee minuten den dood geeft. Men heeft ze met moeite gedood.
In Indië gebeurde het, dat een van onze soldaten zijn ransel opnam, dien hij had afgelegd, en hij vindt daarachter de gevaarlijke zwarte slang, de meest vergiftige van allen. Hij wil haar in tweeën houwen; maar een goedhartige Indiër vraagt genade voor haar, verkrijgt die en neemt de slang; hij wordt gebeten en sterft. Dat zijn de verschrikkingen van de overweldigende Natuur der Tropen. Maar de reptielen, die al zeldzaam zijn geworden, zijn niet haar grootste kwaad. De plaag van ieder oogenblik zijn de insekten. Zij zijn overal en in alles. Op alle denkbare wijzen kunnen zij ons bereiken; zij loopen, zwermen, glijden, vliegen; zij zijn in de lucht, ge ademt hen in; onzichtbaar openbaren zij zich, door brandende steken.
Onlangs was een beambte der archieven, in een van onze havens, bezig een portefeuille open te maken, die al een poos geleden was gebracht. Op het oogenblik, dat hij ze opent, vliegt er een verwoede vlieg uit, zij vervolgt hem, steekt hem, in twee dagen is hij dood.
En de jagers in die streken, die wel van alle menschen het meest gehard zijn, zeggen, dat er geen gevaar is en geen pijn, zóó door hen gevreesd als de steken der insekten.
In veel gevallen onaantastbaar, soms onzichtbaar, niet te weerstaan, zijn zij als de vernietiging zelve, onafwendbaar. Hoe hen te keeren, als zij komen in legioenen, dreigend ten krijg! Het is in Barbados gebeurd, dat door onbekende oorzaken gedreven, een geweldig leger mieren kwam optrekken, zich in ééne richting bewegend, in gesloten kolonnes, hun overval gericht tegen de woningen. Verloren moeite hen te dooden; geen middel ze te stuiten. Toen kwam iemand op den gelukkigen inval, loopvuurtjes aan te leggen op hun weg. Die vulkanen verschrikten hen, en keerden eindelijk den stroom.
Geen arsenaal uit de middeleeuwen met al de wonderlijke wapenen, waarvan men zich in dien tijd bediende; geen magazijn van chirurgische instrumenten, met de duizenderlei vreeselijke werktuigen, die moderne kunst uitvond, kunnen worden vergeleken met de monsterachtige wapenen der tropische insekten, hun knijpers, hun tangen, zagen, tanden, slurven, boren, al die doodende en verscheurende wapenen, waarmee zij ten krijg trekken, waarmee ze bewerken, doorboren, snijden, vaneen rijten en ragfijn verdeelen met eene vlugge behendigheid en verwoede felheid.
De machtigste werken gaan niet boven de krachten van die verschrikkelijke legioenen. Geef hun een linieschip, neen, een stad, om te verwoesten, zij doen het gemakkelijk.
Zij hebben na verloop van tijd onder Valencia bij Caracas afgronden en katakomben uitgegraven, zoodat het van steun beroofd, als in de lucht hangt.
Eenige individuen van die verslindende stammen zijn ongelukkig in la Rochelle overgebracht en hebben de stad overvallen; menig gebouw wankelt er op schijnbare grondvesten, die van binnen zijn uitgevreten. Wat zou een mensch beginnen overgeleverd aan die insekten!—Een dronkaard viel neer bij een kreng. De insekten, die het doode lichaam bewerkten, onderscheidden het niet van het levende; zij namen dat ook in bezit, kropen door alle openingen, vulden alle natuurlijke holten. Geen middel om den man te redden; hij stierf onder vreeselijke stuiptrekkingen.
In die schroeiende, blakende landen, waar door de snelle ontbinding ieder dood lichaam verderf zou brengen, waar alle dood het leven bedreigt, daar vermeerderen zich in het oneindige die vreeselijke werktuigen van de natuur, die al wat dood is, met ongehoorde snelheid doen verdwijnen. Een lichaam bezwijkt en valt neer; plotseling wordt het gegrepen, bestormd, ontleed, verscheurd. Nauwelijks blijven de beenderen over. De natuur, door haar eigen vruchtbaarheid in gevaar, roept ze, vuurt ze aan, prikkelt ze met de hitte, met de irritatie van een oneindigheid van aromatische en scherpe stoffen. Zij maakt hen tot verwoede jagers, onverzadelijke vraten.

De leeuw en de tijger zijn zachtzinnig, gematigd en sober, vergeleken bij den gier; maar wat is de gier, tegen een schepsel, dat in vier-en-twintig uur driemaal zijn eigen gewicht verslindt! De Helleensche oudheid zag het symbool van de Natuur in het edele, koele beeld van Cybele met hare leeuwen.
Indië zag zijn god Siva, God van Dood en Leven in een eeuwig oogknippen, omdat zijn open blik de aarde vergruizeld zou hebben tot poeder.
Hoe zwak staan die verbeeldingen der menschen tegenover de werkelijkheid! Hoe verbleeken zij bij dat laaiende vuurcentrum, waar het Leven in atomen en bij seconden sterft en ontstaat, vlamt en vonken spat. Wie zou haar bliksemvonk kunnen uithouden zonder huiverend duizelen! Het is een natuurlijk en wettig aarzelen, dat den reiziger bevangt, als hij die geweldige wouden zal ingaan, waar de tropische natuur onder dikwijls bekoorlijke vormen haar felsten strijd strijdt. En er is reden te aarzelen als men weet, dat een enkele kaktushaag voldoende wordt geacht om de Spaansche forten te beschermen: in weinig tijd is zulk een haag vol slangen. Ook bespeurt men daar een soort van weeë, sinistere muskuslucht, het bewijs dat ge u bevindt op een bodem, die niet anders is dan lijkenstof, overblijfselen van dieren met die lucht behept: tijgerkatten, krokodillen, gieren, adders en brilslangen.
En daar binnen in die oerwouden is wel het gevaar het grootst, daar waar het een krioelen is van leven, van eeuwig gisten en borrelen in den kokenden smeltkroes van de Tropische Natuur.
Daar wordt de sombere schemer drievoudig verdicht: door het zware gewelf der reuzenboomen, het warnet van ineengestrengelde lianen, en door immense grassen, dertig voet hoog, met breede prachtbladen. Er zijn plaatsen, waar die grassen te niet gaan in het oude oerslijk. En een honderd voet hooger, boven die nachtwereld uit, lichten fiere reuzenbloemen in het laaiende zonlicht.
In de lichtingen, in de nauwe doorgangen, waar het zonlicht toegang heeft, is het een onafgebroken fonkelen en gonzen: torren, vlinders en kolibri's, levend geworden edelgesteenten, dwarrelen zonder ophouden in het licht.
Verblindender nog het tafereel in den nacht: de tooverachtige illuminatie der vuurvliegen! Met duizenden van milliarden trekken zij er hun fantastische lichtlijnen, hun slingerende vuur-arabesken. Maar bij al dat schitteren en fonkelen, beweegt zich in de laagte een naargeestig volk, een vale wereld van kaaimannen en waterslangen. En aan de stammen van de reuzenboomen hangen wonderbare orchideeën, teelsels van die dompige, koortsbrengende atmosfeer, bizarre plant-vlinders, die hangende schijnen te vliegen. In die moordende eenzaamheid, zwelgen zij in die giftatmosfeer, en baden zich in de rottende miasmen, drinkende den dood, die weer haar leven is; en de weeldedronkene natuur beeldt zich uit in hun grillige kleurenpracht. Geef u niet over! Verweer u! Laat die bekoring niet komen over de loomheid van uw hersenen. Op! voort! het gevaar dringt op u aan, onder duizend vormen. De gele koorts loert van onder die bloemen, de vomito nero! Over uw voeten kruipen de reptielen! Als gij toegeeft aan die loomheid staat een zwijgend leger van meedogenlooze anatomen klaar om u in bezit te nemen: en een millioen lancetten zullen uwe weefsels bewerken, tot een sierlijk en fijn kantwerk, een gaas, een ademtocht, een niets!—
Maar God, die onze gerustheid is, wat stelt Hij tegenover dien gewapenden afgrond van alverslindenden dood, van hongerend Leven? Een anderen afgrond, niet minder hongerend en dorstend naar Leven, maar niet wreed voor den Mensch. Ziet de Vogels, gij Mensch, en herleef! Zijn dit onze bevrijders? deze bezielde bloemen, deze gevleugelde safieren, topazen en smaragden? Ja, want zuiverend is hun begeeren, hun hongerig, driftig azen op deze overstelpende teugellooze vruchtbaarheid; en hun honger alléén maakt het ingaan mogelijk in deze verderfbrengende toovergaarde. Zonder hen zou de natuur, naijverig op iederen indringer, in eeuwigheid ongestoord haar eenzaam gistingsproces vervolgen, en de stoutmoedigste onderzoeker zou niet kunnen doordringen om haar te bestudeeren. Wat is hier de Mensch! Hoe zou hij zich verdedigen? Geen macht, die hier dient! De olifant, de geweldige mammouth zelfs, zouden bezwijken zonder tegenweer, onder millioenen doodelijke steken. Wie trotseert hen? De arend? De Condor? Neen, een machtiger volk, het onversaagde leger der vliegenvangers, in aantal onnoembaar. Kolibri's van alle soorten en kleuren kunnen straffeloos leven in de schittering van die eenzaamheid, waar in iedere uitwaseming verderf dreigt, tusschen giftige insekten, en moordende planten, wier schaduw reeds den dood geeft.

Er is één, een gekuifde, groen en blauw, in de Antillen, die zijn nest bouwt in den boom door alle wezens ontvlucht en gevreesd, het spooksel, welks blik verstijving schijnt te brengen, de vreeselijke manzanille. En wonder, er is een papegaai, die driest de vruchten oogst van dien boom der verschrikking: hij voedt er zich mee en neemt hun livrei aan: hun giftig groen schijnt te schitteren in den metaalglans van zijn triomfeerende vleugels.


Het intens en gloeiend Leven in deze gevleugelde vonken, trotseert alle gift. Hun wiekslag is zóó vlug, dat ons oog niets waarneemt. De kolibri schijnt onbewegelijk zonder eenige actie; alléén hoort men een aanhoudend gonzen: hoerr! hoerr! dan plotseling, het kopje omlaag, duikt hij neêr en boort zijn snavel als een dolk in het hart van een bloem, dan weêr naar een andere! en hij onttrekt ze met de sappen, tegelijk al de kleine insekten; dat alles gebeurt met een vlugheid van beweging, waarmee ik geen andere snelheid vergelijken kan; met een driftig, toornig ongeduld, dat soms stijgt tot razernij. Waartegen? Tegen een grooten vogel dien hij vervolgt, tot dat hij hem heeft doodgejaagd; tegen een bloem al vernield, die hij niet vergeeft, dat zij niet op hem wachtte. Hij valt op haar aan, rukt haar uit elkaar, de bloembladen vliegen.
Het is bekend, dat de planten hevige vergiften kunnen bereiden uit bestanddeelen van lucht en bodem, en dat die vaak worden opgehoopt in de bloemen. Deze vogels leven van bloemen; van die bedwelmende bloemen, wier brandend scherpe sappen in werkelijkheid vergiften zijn. En het schijnt wel, dat de inwerking van die zuren, zich openbaart in hunne schrille kreten, in hun eeuwig rusteloos bewegen, en hun driftige wendingen. Misschien dragen zij nog direkter dan het licht, bij tot de wonderbare weerschijn van hun schitterende kleuren, die soms doen denken aan staal, aan goud, aan edelsteenen, meer dan aan veeren of bloemen.
Welke uitersten, zij en de Mensch! Overal in diezelfde streken moet hij sterven, of langzaam kwijnen.
De Europeanen door de tropische kulturen, kokao en anderen, genoodzaakt zich aan den zoom dier bosschen op te houden, moeten bezwijken; de inboorlingen steeds verzwakkend, verliezen hun weerstandsvermogen en kwijnen. Daar, waar op deze aarde de mensch het meest het dier nadert, triomfeert de vogel, en zijn schitterende, weelderige tooi verdiende hem er den naam van paradijsvogel. Maar wat zouden kleuren, veêren, vormen! Dit insekten-verslindend vleugel-volk, verwinnend door zijn overweldigend aantal; in zijn sterkste soorten ook van reptielen de hardnekkige vervolger, vliegt zuiverend over de geheele aarde—voorlooper van den mensch, die hem zijn woonplaats voorbereidt. Onversaagd zwemt het in dezen doodbrengenden oceaan, krioelend, fluitend, krijschend, krassend, en het ademt zijne vreeselijke miasmen in, en trotseert ze.
Zoo zet zich het groote zuiveringswerk over de geheele aarde voort, de aloude strijd van den vogel tegen de lagere rassen, die zoolang de aarde onbewoonbaar moesten maken voor den mensch. De viervoeters, de mensch zelf, hebben maar een gering aandeel in den strijd. Het is steeds het kampen van den gevleugelden Hercules!
De veiligheid van de bewoonde streken danken zij hem. In het uiterste Afrika, aan de Kaap, is het de goedaardige sekretarisvogel, die den mensch tegen de reptielen beveiligt. Vreedzaam en zacht van uiterlijk, schijnt hij in kalme gemoedsrust die wreede en gevaarlijke gevechten te volbrengen. De reusachtige Jabiru weert zich niet minder in de wildernissen van Guyana, waar de mensch het leven nog niet heeft aangedurft.
In hunne gevaarlijke Savanna's, óf moeras, óf geheel uitgedroogd en dor, waar in het schroeiend licht een geweldig leger van onbekende ongure monsters wriemelt, staat één bewoner hoog boven hen uit; een nobele strijdbare vogel, een onverschrokken zuiveraar, aan wien de Natuur nog eenige sporen liet van het harnas, waarmee zij waarschijnlijk de vogels uit de vóórwereld zal hebben uitgerust, voor hun kamp met de draakachtige monsters: een scherpe punt op den kop en een op iederen vleugel. Met den eersten woelt en wroet hij in het slijk, en maakt er zijn vijand wakker. De beide anderen beschermen en beveiligen hem; het reptiel, dat hem omwikkelt en vastklemt, verwonden zij, en door de kracht zelve van zijn aanval wordt het doorstoken.

Deze schoone en moedige vogel, laatst geborene van die oude werelden, die nog bleef om te getuigen van die vergeten worstelingen; die geboren wordt, leeft, sterft op de modder van dien voorwereldlijken slijkpoel, heeft niets gemeens met zijn onguren geboortegrond. Een soort van zedelijk instinkt—ik weet niet welk—heft hem er boven uit. Het sterk en geweldig geluid van zijn stem, die de wildernis beheerscht, verkondigt reeds uit de verte, den waardigen ernst van dezen nobelen vogel, dezen fieren zuiveraar. De Kamichi—dit is zijn naam—is zeldzaam; geheel alléén is hij een geslacht, een klasse, die geen onderdeelen heeft.
Verachtend het ignobele dooréénleven der geslachten in die lage wereld, heeft hij slechts ééne Liefde. En zeker is in dit leven van kamp, de gade ook de medestrijdster; zij hebben samen lief, kampen samen, leven één lot. Het is het krijgsmanshuwelijk waarvan Tacitus spreekt: Sic vivendum, sic Pereundum; „één leven, één dood.” Als die teedere kameraad, die troost, die steun der Kamichi ontvalt, weigert hij het voortbestaan; hij volgt haar, overleeft haar nooit.

HET ZUIVERINGSWERK.

HET ZUIVERINGSWERK.
Des morgens vroeg, maar als de zon al boven den horizont staat; op hetzelfde oogenblik, dat de kokospalm zijn bladeren opent, openen zich ook van de veertig of vijftig Urubu's (kleine gier) die op zijn takken nachtrust hielden, de mooie robijnen oogen. Het dagwerk roept hen. In het loome Afrika wachten op hen een honderd negerdorpen; in het slaperig Zuid-Amerika, ten zuiden van Panama of Caracas moeten zij, rappe zuiveraars, de straten reinigen, schoonvegen, vóórdat de Spanjaard er zich vertoont; vóórdat de machtige zon de krengen en rotstoffen tot ontbinding bracht. Zouden zij één dag missen, het land werd ontvolkt. Als het in Amerika avond wordt, en de Urubu na volbrachte dagtaak, weer op zijn kokos terug keert, dan blinken wit, in het vroeg ochtendlicht, de minarets van Azië en Egypte; en van de omgangen, stipt als hun Amerikaansche broeders, komen gieren, kraaien, ooievaars, ibissen zwermen en beginnen hun verschillende werkzaamheden; sommige nemen hun vlucht naar de velden om slangen en insekten te verdelgen; andere strijken neer in de straten van Alexandrië of Caïro en volbrengen haastig hun gemeente-reinigingswerk. Namen zij ook maar eene korte vacantie, onmiddellijk zou de pest in het land zijn, als éénig bewoner. Zoo geschiedt op beide halfronden het groote zuiveringswerk, met een wonderbare en plechtige regelmaat. Even stipt als de zon het leven vruchtbaarheid komt geven, even stipt zijn deze zuiveraars, die de natuur in haar dienst nam, om den stuitenden aanblik van den dood aan onze oogen te onttrekken.
En zij schijnen het gewicht van hun optreden te gevoelen. Nader hen, zij vluchten niet. Wanneer hun confraters, de raven, die hen dikwijls vooraan gaan en hun een prooi aanwijzen, hen gewaarschuwd hebben, dan plotseling schiet de wolk van gieren neer. Van aard eenzelvig en gemeenschap-schuwend, gaan zij toch bij honderd gelijk aan den maaltijd, en zij laten zich door niets verstoren. Onderlinge strijd komt niet voor, en geen voorbijganger veroorzaakt onrust. Onverstoorbaar doen zij hun werk, met een plechtige gulzigheid, en zij doen het netjes en zindelijk; het kreng verdwijnt, de huid blijft liggen. In een oogenblik is een afschuwelijke rottende massa, voor den mensch niet te genaken, opgeruimd, en opgenomen in de eeuwig nieuwe en heilzame levensstrooming. Maar vreemd! hoe beter zij ons dienen, hoe meer wij hen schuwen! Wij willen in hen niet zien, wat zij zijn; hen niet kennen in hun ééne rol, die van weldoenden smeltkroes van de natuur; een smeltkroes van levend vuur, die alles opneemt, wat het hooger leven zou kunnen schaden. En daarvoor zijn zij verwonderlijk goed toegerust; zij nemen op, verteren, vervormen, zonder dat het hun verveelt, zonder oververzadigd te worden, ja zelfs zonder ooit voldaan te zijn. Zij zouden een nijlpaard verslinden, en hongerig blijven. Voor de meeuwen, die de gieren zijn van de zee, is een walvisch niet meer dan een fatsoenlijk brokje. Zij bewerken hem beter dan de knapste walvischvaarder, en in korten tijd is hij verdwenen. Zoolang er wat overblijft, blijven zij ook; probeer op hen te schieten, zij komen onvervaard terug, terwijl het geweer blijft dreigen. Een gier laat nooit zijn prooi los. Levaillant schoot er een, die op een nijlpaard aasde; doodelijk getroffen, scheurde hij er nog stukken af. Had hij gevast? In 't geheel niet: men vond in zijn maag zes pond van het vleesch.

Het is een werktuigelijke gulzigheid, eerder dan roofzucht. Hun uiterlijk is triest en somber, maar de natuur sierde de meesten van hen met een teeder en vrouwelijk tooisel: het fijne witte dons om hun hals.
Heerschers over den dood zijn zij, maar over den kalmen dood, den natuurlijken dood, niet den moord. Zij zijn als de elementen, ernstig, rustig, niet te beschuldigen; in den grond onschuldig, zelfs verdienstelijk. En met dat geweldig levenselement, dat alles opneemt en verwerkt, zijn zij toch, meer haast dan eenig ander wezen, onderworpen aan algemeene invloeden, beheerscht door atmosfeer en temperatuur. In 't bizonder zijn zij vochtmeters, levende weerglazen. Het vocht van den morgen verzwaart hun wichtige vleugels; dan kan de zwakste prooi ongehinderd hen voorbijgaan; en zóózeer zijn zij aan de dagelijksche verschijnselen in de natuur onderworpen, dat die van Amerika, zooals gezegd is, zittend in reeksen op de takken van den kokospalm, letterlijk het uur afwachten, waarop de bladeren zich sluiten, en lang vóór den nacht inslapen; en dan, éérst als de zon reeds hoog boven den horizont staat, openen zich gelijk met de bladeren van den boom hun witte zware oogleden.
Deze voortreffelijke handlangers van de weldoende chemie, die het leven hier op aarde bewaart en in evenwicht houdt, werken voor ons op plaatsen waar wij nooit konden doordringen. Wel wordt men in de steden hun tegenwoordigheid gewaar en de diensten, die zij daar bewijzen; maar niemand kan hun weldaden weten in de woestenijen waarvan een pestbrengende wind zou uitgaan, waren zij er niet. In het ondoordringbaar woud, in de diepe moerassen onder de giftige schaduw van de wortelboomen, waar, heen en weer gegooid door de zee, de lijken liggen te rotten van twee werelden; daar deelt dat reusachtig zuiveringsleger den arbeid met watervloed en insekten. Verderf voor de wereld der menschen, indien dat geheimzinnige, ongeziene werk een oogenblik werd gestaakt!
Amerika heeft wetten, welke die weldoeners van den mensch beschermen.
Egypte doet nog meer voor hen: het vereert hen, en is hun welgezind. Al bestaat niet meer hun oude kultus van aanbidding, zij vinden er toch de vriendschappelijke gastvrijheid uit den tijd der Pharao's. Vraag aan den Egyptischen fellah, waarom hij hun aanvallen, hun oorverdoovende kreten verdraagt, waarom hij de onbeschaamde kraaien niet weert van de hoornen der buffels, van de bulten der dromedarissen of van de dadelpalmen, waarop zij bij scharen neerstrijken, dat de vruchten vallen. Hij zal niet antwoorden. De vogel mag daar alles. Ouder dan de pyramiden, is hij de oudste bewoner dezer landen. De mensch is er door hem. De mensch zou er niet kunnen bestaan, zonder het onafgebroken werken van ibis en ooievaar, kraai en gier. Vandaar een algemeene sympathie voor de dieren, een ingeboren teederheid voor al wat leeft, die de bekoring is, meer dan iets anders van het Oosten. Het Westen heeft andere aantrekkelijkheden: Amerika schittert met zijn zonlicht en de pracht van zijn klimaat; maar het Oosten heeft een geestelijke bekoring: de éénheid die men voelt in een wereld waar de mensch zich niet heeft afgescheiden van de natuur; waar de oude band nog hecht is, waar de dieren niet weten, waarom men den mensch vreezen moet. Men zal er om glimlachen misschien, maar het is een liefelijke gewaarwording dat vertrouwen op te merken; te zien hoe op een roep van den brahmaan de vogels in zwermen komen en eten uit zijn hand; te zien hoe op de daken der pagoden de apen hun familieleven leiden, spelen, jongen zoogen, veilig en gerust, zooals zij leven zouden in de diepste diepten der bosschen.

„Te Caïro,” zegt een reiziger, „voelen de tortelduiven zich zoo wel onder de publieke bescherming, dat zij leven midden tusschen het gewoel. Den geheelen dag zag ik hen zitten koeren op de luiken van mijn vensters, in een heel nauwe straat, bij den ingang van een rumoerige bazaar, en dat in den druksten tijd van het jaar, kort voor den Ramadan, als de huwelijksceremonieën dag en nacht de straten vullen met gedruisch en misbaar. De platte daken, hoewel de dagelijksche wandeling van de gevangenen van den harem en hare slaven, worden toch door vogels omzwermd. De arenden slapen in goed vertrouwen op de omgangen der minarets.”
De overwinnaars hebben altijd die zachtheid, die teederheid voor de levende natuur belachelijk gemaakt. De Perzen en de Romeinen in Egypte, onze Europeanen in Indië, de Franschen in Algerië, hebben dikwijls die onschuldige broeders van den mensch, de voorwerpen van aloude vereering mishandeld en gedood! Een Cambyses doodde de heilige koe, een Romein de ibis of de kat, die zooveel ongedierte opruimen. En wat is deze koe? Het symbool der vruchtbaarheid van die streek! En de ibis? De gezondheid! Roei die dieren uit en het land wordt onbewoonbaar. Datgene, wat ondanks alle rampen Egypte en Hindostan in hunne vruchtbaarheid heeft behouden, is noch de Nijl, noch de Ganges; het is, dat de dieren er ontzien worden, het is de zachtmoedigheid van den mensch.
Het woord, dat de priester van Saïs tot Herodotus sprak heeft een diepen zin: „Gij zult altijd kinderen blijven!”
En dat zullen wij ook, wij Westerlingen, met ons kunstig en subtiel redeneeren; dat zullen wij, zoolang wij niet eenvoudiger, zuiverder en dieper gaan zien in het wezen der dingen. Een kind zijn, dat is het Leven zien bij gedeelten. Mensch zijn, het voelen als een harmonische eenheid. Het kind speelt, breekt en verwerpt; zijn pleizier is vernielen. Dat is ook de kinderlijke wetenschap; zij moet dooden om te kunnen leeren; het eenige gebruik, dat zij weet te maken van een levend wonder, is het eerst te ontleden.
Geen van ons, wetenschapsmannen, is doordrongen van dien heiligen eerbied voor het Leven, die de natuur weet te beloonen door ons hare mysteriën te openbaren.
Gaat in, in die katakomben, waar, zooals het klinkt in onze hoogmoedige taal, „de gedenkteekenen slapen van een tijd van barbaarsch bijgeloof.” Bezoek de Indische en Egyptische verzamelingen: bij iederen stap vindt ge de naïeve en toch diepe intuïtie van de mysteriën van Leven en Dood. Laat u niet misleiden door den vorm, beschouw die dingen niet als een gebouw, met kunst opgetrokken door de hand der priesters. Onder dat grillig complex, onder het drukkend heerschen van het priesterdom, zie ik in die dingen het werken van twee faktoren, die het alles doordringen met een roerende teederheid:
Het pogen, de zielen der geliefden te redden van de schipbreuk des doods.
Het innig samenleven van den mensch met de natuur. Het vrome voelen voor het sprakelooze dier, der goden dienaar, en de beschermer van het leven der menschen.
Het intuïtief gevoelen der Ouden, zeide hun wat in onzen tijd de slotsom is van waarneming en wetenschap; dat de vogels de agenten zijn der eeuwige hernieuwing op aarde, die het proces der stofwisseling bespoedigen.
Vooral in de zengende zônen, waar alle stilstand verderf zou brengen, is de vogel, zooals Egypte het noemt: het heilbrengende vaartuig dat de doode hulsels opneemt, en ze heenvoert, daar waar het Leven is, in de wereld der reine dingen.
En de dankbare en vrome ziel der Egyptenaren heeft die weldaden gevoeld, en zij wenscht geen gelukssfeer, waar haar weldoeners zouden worden uitgesloten. Zij wil geen redding voor zich alléén. Zij verbindt de dieren aan haar eigen onsterfelijkheid. Zij wil, dat de heilige vogel haar vergezelt in het duistere rijk, als droeg hij haar op zijn wieken.


DE DOOD. De Roofvogels.

DE DOOD.
DE ROOFVOGELS.
Mijn somberste oogenblik, in de tijden, toen ik voor mijne gedachten het alibi van de Natuur zocht, was, toen ik voor het eerst den kop van den adder ontmoette. Het gebeurde in een zeer belangrijk Museum van anatomische nabootsingen. Deze kop, verwonderlijk juist gereproduceerd en zéér vergroot, zoodat hij aan den kop van een tijger of jaguar herinnerde, deed in zijn afschuwelijk voorkomen aan iets nog afschuwelijkers denken; want nu zag men in afgrijselijke naaktheid, met hoe oneindig veel voorzorgen, met welk een wreed doorzicht, deze geweldige moordmachine gewapend werd. Niet alléén, dat de tanden, groot in aantal, en vlijmend gescherpt zijn; dat zij in hun werk worden bijgestaan door een vernuftige reserve van vergif, dat op de plaats doodt; maar bovendien hebben zij voor hunne bijzondere fijnheid, waardoor zij zeer licht breken, eene vergoeding, die misschien geen ander dier heeft; die vergoeding is een magazijn van wisseltanden, wanneer er één met het bijten mocht afbreken. O, wat een zorgen om te dooden! Wat een maatregelen, dat het slachtoffer niet zal ontsnappen. Welk een liefde voor dit afgrijselijk schepsel!... Het ergerde mij en ik leed. Mijne eeuwige Moeder, de Natuur, bij wie ik troost kwam zoeken, had mij afgeschrikt met de wreede onpartijdigheid van haar Moederschap.
Ik ging somber heen, en de nevelen om mijn ziel waren dichter, dan die van dien duisterste der winterdagen. Ik was gekomen als zoon, ik ging heen als wees, en mijn vertrouwen in een Voorzienigheid voelde ik wegzinken.
Niet minder pijnlijk zijn onze gewaarwordingen, wanneer wij in de dierentuinen, die oneindige reeksen van roofvogels zien, roovers bij dag en bij nacht; vogels, maar gruwelijk van voorkomen; spookachtige verschijningen, eene verschrikking voor den dag zelf. Smartelijk treft ons de aanblik van hun wreede wapenen; nog niet eens die geweldige snavel, want die kan den dood geven met één enkelen slag; maar die pooten, die scherpe klauwen, die martelwerktuigen, die de sidderende prooi vastklemmen, en het lijden van den vreeselijken doodsstrijd rekken.
O, onze aardbol is nog een barbaarsche wereld; jong nog, en in een toestand van ontwerp en proefneming; nog onderworpen aan een wreede slavernij: duisternis, honger, dood, angst. Den dood zou men kunnen aannemen als een doortocht, eene inleiding, een toegang tot betere werelden. Maar het lijden! helaas! was het dan nuttig voor ons, dat dàt ons werd bestemd? Ik voel het lijden, ik zie het, ik hoor het, in alles en óveral. Om het niet te hooren, dat de draad van mijne gedachten niet breken zou, moet ik mijne ooren dicht houden, want het zou mijne energie dooden, mijn zenuwleven ondermijnen; inspanning zou mij onmogelijk worden, ik zou niet meer voort kunnen, en mijn leven en arbeid zouden onvruchtbaar blijven onder den druk van het medelijden.

En toch—is niet het lijden een waarschuwing, een prikkel om zich gereed te houden en te voorzien, om met alle middelen den ondergang te voorkomen? In de school van het lijden worden wij wakker geschud; het is de opwekking tot voorzichtigheid voor al wat leeft, tot een machtig zich verzamelen en beheerschen van de ziel, dat zij zich gespannen houdt; want zij zou zich laten gaan op hare natuur, zich laten verweekelijken door geluk en de zachte aandoeningen, die verzwakken.
„Zou men niet kunnen zeggen, dat het geluk een centrifugale werking heeft, een aantrekking die ons zieleleven los maakt en doet uitvloeien naar buiten; het verstrooit en ontbindt, en ons eindelijk, lieten wij er ons op gaan, tot de elementen zou doen wederkeeren. Maar het lijden trekt ons samen, scherpt onze aandacht op één punt, concentreert alle aandoeningen, onderhoudt het wezen, sterkt en verzekert het.
„Het lijden is als de aartskunstenaar, die ons maakt, ons vormt en ons uitbeeldt zonder mededoogen, met de fijne punt van zijn scherpen beitel, die het te wild uitgroeiende leven afsnijdt. En wat overblijft, fijner en tóch sterker, wint door het verlies zelf de gave van een rijker leven.”
Deze berustende gedachten werden mij bijgebracht door eene schrandere vrouw, eene die ook het lijden kende, en die—vóór ik zelf het deed—mijne verwarring en twijfel voelde. „Zoo de mensch, zoo de wereld,” zeide zij nog. De aarde zelf werd door lijden volmaakt. De natuur heeft haar bewerkt door de geweldige daden van hare dienaren des doods. Hunne verdwenen en uitstervende soorten, zijn de herinneringen en de getuigen van den vorigen toestand van den aardbol, toen het lagere leven krioelde, en de Natuur moest ingrijpen om die overstelpende vruchtbaarheid te besnoeien. Wij zien in gedachten de reeks van de opeenvolgende noodzakelijke vernietigingen, die de aarde toen had te ondergaan.
De dampkring, voor de ademhaling onbruikbaar, moest gezuiverd worden door de plantenwereld. Maar die planten groeiden aan in verstikkende dichtheid, zij dekten de aarde als met een vacht; toen kwamen de wegvretende insekten als redders, later weer tot een plaag geworden. Van die insekten en kruipende dieren zuiverde haar het giftig reptiel; en eindelijk toen het hoogere leven, het gevleugelde leven zijn vlucht nam, werd het in den overdadigen groei van zijn jonge vruchtbaarheid een schot gezet door de vernietigende legioenen van de machtige roovers, arend, valk of gier.