← Table of contents
De strijd tusschen Noord en Zuid

XV. De beide broeders.

Reading edition

De toestand was voorwaar wanhopig. Hoe toch dat kanaal over te steken? Een koene zwemmer zou zich niet te water kunnen begeven zonder gevaar te loopen twintig malen het leven er bij in te schieten. Ja, het is waar, het kanaal was slechts een honderd voet breed, van den eenen oever tot den anderen gemeten. Maar toch was de overtocht zonder vaartuig onmogelijk. Hier en daar toch staken driekante koppen boven het water uit en men kon de waterplanten onder den druk der kruipende dieren zien bewegen.

De kleine Dy, schier waanzinnig van angst, sloot zich dicht tegen Zermah aan. O, wanneer het voldoende geweest ware om het kind te redden, dat de mestiesche vrouw zich te midden van die monsters te water begaf, die haar als eene reusachtige poliep met hare duizenden vangarmen zouden aangevat en omkronkeld hebben, inderdaad zij zou geen oogenblik geaarzeld hebben!

Maar om hier redding aan te brengen, zou waarlijk de tusschenkomst der Voorzienigheid noodig zijn. Ja, der Voorzienigheid; want hier kon God slechts helpen! Zermah zag geen heil meer dan in en door Hem. Zij knielde neer op den oever en smeekte de Almacht, die alles en dus ook het toeval in zijne hand heeft en waarvan Hij zich meestal bedient als uitvoerder van zijn Goddelijken wil.

Intusschen konden van het eene oogenblik tot het andere eenige der makkers van Texar uit den rand van het woud te voorschijn treden. Ook kon die Texar, welke op het eiland achtergebleven was, naar de wigwam terugkeeren. Hij zou Dy en Zermah missen en dadelijk zijne nasporingen beginnen....

»O God...” zuchtte de rampzalige vrouw. »Mijn God hebt toch medelijden.”

Hare blikken zwierven zoekend rond, terwijl zij zoo bad.... Plotseling vestigde haar oog zich naar den rechter-oever van het kanaal.

Het water stroomde zachtkens naar het noordelijk gedeelte van het meer, waar eenige spruiten vlieten van de Caloosahatchee, een der riviertjes, die in de Golf van Mexico uitmonden, maar waardoor het meer Okee-cho-bee, bij de groote maandelijksche springvloeden watertoevoer krijgt.

Een boomstam, die met den stroom afdreef, was met een tak aan den wal blijven haken. Zou die stronk niet dienen kunnen om het kanaal over te steken? Door den invloed van een bocht, zette de stroom toch naar de overzijde en zou hen tot bij het Cypressenwoud voeren. Dat was te beproeven. In ieder geval, al dreef die boomstam ook weer naar het eiland terug, dan zou de toestand niet erger kunnen worden dan hij reeds was.

Zonder verder nadenken en als bij instinct ijlde Zermah op den drijvenden boomstam toe. Wanneer zij tijd tot overwegen had genomen, dan ware zij waarschijnlijk teruggedeinsd bij de gedachte, dat waterplanten dat vervoermiddel konden weerhouden in het midden van het kanaal, waarin slangen en ander ongedierte als het ware krioelden. Jawel! Jawel! maar alles, hoe vreeselijk ook was te verkiezen boven het verblijven op het eiland! Zermah greep dan ook Dy, tilde haar op, en na zich goed met de eene hand aan de takken vastgegrepen te hebben, werkte zij den boomstam van den oever los.

Deze volgde onmiddellijk den stroomdraad en toonde neiging naar den anderen oever over te trekken.

Zermah poogde intusschen zich te midden der takken van den gevallen woudreus te verbergen. Dat was zoozeer niet noodig, daar de beide oevers van het kanaal eenzaam en verlaten waren. Geen geluid, noch van den kant van het eiland, noch van den kant van het Cypressenwoud, werd vernomen. De mestiesche vrouw zou, wanneer zij maar eenmaal het kanaal overgetrokken was, wel eene schuilplaats tot het vallen van den avond vinden, totdat zij zonder gevaar van ontdekt te worden, het bosch zou kunnen binnendringen. De hoop was in haar hart weergekeerd. Zij dacht ternauwernood meer aan de slangen, welker koppen ter weerszijden van den boomstronk gezien werden en die tot in de lage takken kropen en wiemelden. Het kleine kind had van angst de oogen gesloten. Zermah klemde haar met de eene hand tegen hare borst, met de andere hield zij zich gereed op die monsters toe te steken. Maar, hetzij dat die ondieren verschrikt op het gezicht van den dolk, die hen dreigde, hetzij dat zij slechts onder water te duchten waren, zij klommen niet tegen den boomstam op.

Eindelijk bereikte de drijvende stronk het midden van het kanaal, vanwaar de stroom schuins naar het Cypressenwoud overstak. Wanneer hij niet in de waterplanten verward raakte, dan zou hij, alvorens een kwartier verloopen zoude zijn, den anderen oever bereikt hebben. En dan... dan... hoe groot en menigvuldig de gevaren dan ook nog waren, dan waren zij, volgens berekening van Zermah, buiten het bereik van Texar.

Plotseling klemde de arme vrouw het kind steviger in hare armen.

Verwoed geblaf werd plotseling op het eiland vernomen. Bijna onmiddellijk daarop verscheen een hond op den oever van het kanaal, dien hij in vollen ren volgde.

Zermah herkende den speurhond, die door den Spanjaard ter bewaking van de wigwam achtergelaten was.

Ter gewilde hoogte gekomen, scheen de hond met overeindstaande haren, met van woede flikkerende oogen, gereed te zijn, in het water te springen, in weerwil van de slangen, die aan de oppervlakte wiemelden.

In dat oogenblik verscheen een man op den oever van het eiland.

Dat was die der twee Texars, die achter gebleven was. Door het geblaf van den hond gewaarschuwd, kwam hij aangeloopen.

Welke woede hem bezielde, toen hij Dy en Zermah op dien boomstam drijvende zag, is onmogelijk te beschrijven. Hij kon hen niet achtervolgen, omdat de pont aan de overzijde van het kanaal vastgemaakt lag. Om haar weer in handen te krijgen, bestond maar één middel, namelijk Zermah te dooden, op gevaar af ook het kind op te offeren. Texar had bij het vernemen van het hondengeblaf in der haast een geweer gegrepen. Dat wapen bracht hij thans aan den schouder en mikte op de mestiesche vrouw, die het kleine kind met haar lichaam poogde te dekken.

Plotseling sprong de hond, die aan eene doldriftige opwinding ten prooi was, in het kanaal. Texar was van meening, dat hij dien maar al vast moest laten begaan.

De hond zwom met spoed naar den boomstam. Zermah hield het gevest van den dolk in hare vastklemmende hand en was gereed toe te stooten... Dat was evenwel niet noodig.

In een ondeelbaar oogenblik hadden de slangen den hond, in weerwil dat hij hunne giftige beten met zijne machtige tanden poogde te beantwoorden, omkronkeld en verdween hij weldra onder de waterplanten.

Texar had den dood van zijn hond moeten aanzien zonder hem hulp te kunnen bieden... Zermah was op het punt te ontsnappen.

»Sterf dan, verwenscht wijf!” gromde hij.

Andermaal bracht hij het geweer aan den schouder, mikte gedurende een zeer korte poos en vuurde, maar de boomstam raakte juist in dat oogenblik den overoever en schokte hevig, waardoor de kogel der mestiesche vrouw slechts licht aan den schouder kwetste.

De Indiaan had het kind gegrepen en vluchtte reeds naar den kant van het meer. (Bladz. 230).
De Indiaan had het kind gegrepen en vluchtte reeds naar den kant van het meer. (Bladz. 230).

De Indiaan had het kind gegrepen en vluchtte reeds naar den kant van het meer. (Bladz. 230).

Weinige seconden later lag de boomstam zoo dicht langs den oever, dat Zermah met het kind in hare armen op den oever sprong en te midden van de dichte bergen verdwenen was. Natuurlijk was het geheel overbodig, haar een tweeden kogel na te zenden. Die zou haar toch niet geraakt hebben. In weinige oogenblikken had zij het uitgestrekte cypressenwoud bereikt.

Intusschen, al had de mestiesche vrouw niets meer te vreezen van diengeen der twee Texars, die op het eiland achtergebleven was, zoo sloot dat de mogelijkheid niet uit, dat zij diens broeder ontmoeten en in zijn handen vallen kon.

Hare eerste zorg was dan ook, om zich zoo spoedig en zoo ver mogelijk van het eiland Garneral te verwijderen. Wanneer de nacht ingevallen zoude zijn, zou zij hare schreden naar het Washington-meer richten. En te baat nemende alles wat zij aan lichamelijke kracht en zedelijke geestkracht bezat, liep, vloog zij eerder dan dat zij voortstapte, waarbij zij, terwijl zij het kind, dat haar niet zou kunnen volgen zonder haar te vertragen, op de armen droeg, op goed geluk de een of andere richting insloeg. De kleine en nog zwakke beentjes van Dy zouden haar lichaam niet hebben kunnen torsen, wanneer zij over dien ongelijken bodem had moeten voortstappen, te midden van de moeraskuilen, die allerwege aangetroffen werden en die, als waren het wolfskuilen voor het oog verborgen, zeer gevaarlijk waren, te midden van die boomstronken en wortelknoesten, die wild en woest door elkander gegroeid, even zoovele onuitwarbare hinderpalen vormden.

Zermah stapte dus voort met haren dierbaren last op hare armen, waarvan zij de zwaarte niet scheen te achten. Soms stond zij stil—niet zoozeer om weer bij adem te komen, dan wel om het oor te spitsen, ten einde al de geluiden van het woud waar te kunnen nemen.

Nu eens meende zij geblaf te hooren en zou dat van geen ander dier afkomstig zijn, dan van den anderen speurhond, die door Texar medegenomen was; dan weer vernam zij in de verte geweerschoten. Zij vroeg zich dan af, of de partijgangers der Zuidelijken niet handgemeen waren met het federalistisch detachement. Maar wanneer zij dan later inzag, dat al die geluiden slechts veroorzaakt werden òf door den een of anderen nabootsenden vogel, òf door het knappen van droge takken, die door het afbreken hunner vezels een knal als van een pistoolschot lieten vernemen, dan hervatte zij haren slechts voor een poos gestoorden marsch.

Thans nu zij met hoop bezield was, wilde zij, vóórdat zij de bronnen der Sint John-rivier bereikt had, geen der gevaren zien, die haar bedreigden.

Zoo stapte zij gedurende een vol uur moedig en vastberaden in oostelijke richting voort, waarbij zij zich van het meer Okee-cho-bee verwijderde, ten einde dichter bij den Atlantischen Oceaan te geraken. Zij redeneerde alzoo en met reden: dat de vaartuigen van het smaldeel van den Commodore Dupont op de kusten van Florida zouden kruisen, om het detachement af te wachten, hetwelk onder de bevelen van kapitein Howick naar den wal gezonden was. En zou het nu onder die omstandigheden onmogelijk geacht kunnen worden, dat eenige sloepen langs die kust op brandwacht lagen?...

Zermah bleef plotseling stil staan. Neen, ditmaal vergiste zij zich niet. Een woedend geblaf werd onder het geboomte van het woud vernomen en naderde, naar het geluid te oordeelen, zeer snel. Zermah herkende de stem van het dier, die zij zoo dikwijls gehoord had, wanneer de beide speurhonden rondom het blokhuis in de Zwarte Kreek doolden.

»O God,” dacht zij, »die hond is ons op het spoor, en Texar kan thans niet meer ver af zijn.”

Haar eerste zorg was dan ook, naar eenig dicht struikgewas uit te zien, om zich daarin met het kind te verschuilen. Maar zou zij aan het reukorgaan van een dier ontsnappen, dat zoo slim als wreedaardig en daarenboven op de jacht der gevluchte slaven gedresseerd was en hen dadelijk op het spoor kwam?

Het geblaf naderde al meer en meer, en weldra werd in de verte reeds geschreeuw vernomen.

Een oude cypresboom, welks stam door ouderdom uitgehold was en waaromheen de klimplanten en de banen een dik kleed van groen gevlochten hadden, verhief zich op een kleinen afstand van daar.

Zermah verborg zich in allerijl in die uitholling, welke ruim genoeg was, om haar en het meisje te bevatten. Toen zij er ingekropen waren, vielen de lianenstengels en klimopranken als een gordijn voor de opening neder.

Maar de speurhond was haar op het spoor. Slechts weinige minuten later ontwaarde Zermah hem voor de opening. Hij blafte met klimmende woede en ijlde met een sprong vooruit, om de opening binnen te dringen.

Een dolkstoot deed hem afdeinzen, terwijl hij verschrikkelijk jankte.

Bijna onmiddellijk daarna werd het geluid van voetstappen vernomen; herhaaldelijk geroep en het antwoord daarop weerklonk door het bosch, en onder de stemmen, die zich het meest deden gelden, kwamen die van Texar en van Squambo het duidelijkst uit.

Het waren inderdaad de Spanjaard en zijne makkers, die het meer trachtten te bereiken, om aan het federalistisch detachement te ontsnappen. Zij hadden dat plotseling in het cypressenbosch ontmoet; maar daar zij zich niet sterk genoeg gevoelden, hadden zij in allerijl den terugtocht aangenomen. Texar poogde het eiland Garneral langs den kortsten afstand te bereiken, om het breede kanaal tusschen hem en de federalisten te stellen. Daar deze dat breede vaarwater niet zonder vaartuig zouden kunnen oversteken, zouden zij door dien hinderpaal opgehouden worden. Dan zouden de partijgenooten van Texar van dat oogenblik van uitstel gebruik maken, om den anderen oever van het eiland te bereiken, om vandaar, wanneer de nacht ingevallen zoude zijn, de pont te gebruiken, om op den zuidelijken oever van het meer te ontschepen.

Toen Texar en Squambo bij den cypressenboom waren aangekomen, waarvoor de hond nog steeds stond te janken, zagen zij bloedvlekken op den grond, en bij nader inzien bespeurden zij, dat het dier belangrijk in de zijde verwond was.

»Die hond is gekwetst,” riep Texar.

»Ja, door een messteek, en dat nog slechts weinige oogenblikken geleden. Kijk, het bloed rookt nog.”

»Wie zou dat...?”

In dit oogenblik sprong de hond weer op het gordijn van groen terug, dat Squambo met zijn geweer optilde.

»Zermah!” riep hij uit.

»En het kind!” schreeuwde Texar. »Hoe hebben zij kunnen ontvluchten? Ter dood, dat wijf ter dood!”

De uitgeputte vrouw werd door Squambo ontwapend op het oogenblik, dat zij op Texar toesteken wilde. Daarna werd zij zoo woest en wild uit hare schuilplaats gesleurd, dat het kind haar ontviel en te midden van die reuzen-paddestoelen rolde, te midden van die perisen, welke zoo overvloedig in de Amerikaansche cypressenbosschen voorkomen.

Bij den ondervonden schok barstte een dier paddestoelen los alsof het een vuurwapen ware geweest. Een fijn lichtgevend stof vermengde zich in de lucht. Op hetzelfde oogenblik sprongen andere perisen op hun beurt open. Het was een spektakel alsof daar in dat bosch een groot vuurwerk afgestoken werd, waarvan de vuurpijlen en voetzoekers elkander kruisten.

Texar, door die myriaden van sporen verblind, die plotseling de lucht vervulden, was verplicht geweest Zermah, die hij gegrepen en ter aarde gedrukt had en boven wie hij zijn dolk reeds opgeheven had, los te laten, terwijl Squambo zich in dezelfde noodlottige positie bevond en zich ook de oogen stond te wrijven. Gelukkig dat de mestiesche vrouw en het kind, welke op den grond uitgestrekt lagen, door die sporen, welke boven hunne hoofden uit de paddestoelen losbarstten, niet bereikt werden.

Toch zou Zermah onmogelijk Texar hebben kunnen ontkomen. De lucht toch werd, nadat de laatste losbarsting een korte poos geleden geschied was, weder inadembaar.

Sprong een man te voorschijn, die zich naast den veroordeelde plaatste. (Bladz. 231).
Sprong een man te voorschijn, die zich naast den veroordeelde plaatste. (Bladz. 231).

Sprong een man te voorschijn, die zich naast den veroordeelde plaatste. (Bladz. 231).

Maar toen werden andermaal losbarstingen vernomen—ditmaal losbarstingen van vuurwapenen.

Het was het federalistisch detachement, hetwelk de partijgangers der Zuidelijken zoo ter juister tijd aantastte. Deze laatsten waren in een ondeelbaar oogenblik omsingeld door de zeelieden van kapitein Howick, en moesten de wapens afgeven. In dat oogenblik stootte Texar, die Zermah andermaal aangegrepen had, den dolk in de volle borst.

»Het kind!... ontvoer het kind!” riep hij Squambo toe.

De Indiaan had het kind gegrepen en vluchtte reeds naar den kant van het meer, toen plotseling een geweerschot weerklonk. Door een kogel in het hart getroffen, welke Gilbert Burbank op hem afgezonden had, stortte hij dood op den grond.

Allen waren thans vereenigd in dat cypressenbosch: master James Burbank, Gilbert Burbank, Edward Carrol, Mars, de negers van Camdless-Bay, de mariniers van kapitein Howick, die met aangelegd geweer de Zuidelijken bedreigden. Texar stond met opgeheven hoofd naast het lijk van Squambo.

Eenige der partijgangers hadden evenwel kunnen ontvluchten en waren naar den kant van het eiland Garneral geijld.

Wat kan dat schelen? Niemand sloeg er acht op. Allen voelden zich gelukkig. Lag toch het kleine kind, het verloren meisje niet in de armen haars vaders, die haar vol vreugde maar toch angstig omklemde, alsof hij vreesde dat zij hem andermaal ontrukt zoude worden. Gilbert Burbank en Mars waren op een knie naast Zermah neergezeten en poogden hare levensgeesten op te wekken. De arme vrouw ademde nog, maar kon niet spreken. Mars ondersteunde haar hoofd, riep haar, omhelsde haar....

Zermah opende de oogen. Zij zag het kind in de armen van haren vader, zij herkende Mars, die haar met kussen overdekte, zij glimlachte hen toe. Daarna sloot zij de oogen weer.

Mars stond op en zag toen eerst Texar. Hij sprong op hem toe, terwijl hij de woorden uitkreet, die hem zoo dikwijls ontvallen waren:

»Texar dooden!... Texar dooden!”

»Laat af, Mars,” zei kapitein Howick. »Laat het aan ons over dien ellendeling recht te plegen en hem zijn verdiend loon te geven!”

Daarop zich tot den Spanjaard wendende:

»Gij zijt Texar, van de Zwarte Kreek?” vroeg hij.

»Ik heb daarop niet te antwoorden,” hernam Texar.

»Master James Burbank, de luitenant Gilbert, Edward Carrol en Mars kennen en herkennen u.”

»En wat zou dat?”

»Gij zult doodgeschoten worden!”

»Ga uw gang!”

Toen riep de kleine Dy tot verwondering van allen uit, terwijl zij zich tot haren vader wendde:

»Vader,” zei zij, »het zijn twee broeders.... twee booze mannen... die op elkander gelijken.”

»Twee mannen?...”

»Ja!... Zermah heeft mij zeer op het hart gedrukt, u dat te zeggen.”

Het zou uiterst moeielijk geweest zijn te begrijpen, wat deze zonderlinge woorden van het kind moesten beteekenen. Maar de verklaring werd er als het ware dadelijk van gegeven en wel op de meest onverwachte wijze.

Texar was toch naar den voet van een boom geleid. Daar stond hij eene sigarette te rooken, die hij, zonder de minste vrees te laten blijken, aangestoken had en keek master James Burbank onbeschaamd in het gezicht. Plotseling, toen het executie-peloton, dat hem zou doodschieten, reeds aangetreden en gericht stond, sprong een man te voorschijn, die zich naast den veroordeelde plaatste.

Dat was de tweede Texar, wien de ontvluchte partijgangers op het eiland Garneral de gevangenneming van zijn broeder medegedeeld hadden.

Het gezicht van die twee mannen, wier gelijkenis zoo treffend juist was, verduidelijkte thans de woorden, door het meisje gesproken. Men had thans de onthulling voor zich van dat misdadige leven, dat als het ware door onverklaarbare alibi’s beschermd was geworden.

En thans verrees het geheele verleden der Texars, door hun beider tegenwoordigheid voldoende verklaard en getuigde tegen hen.

Intusschen veroorzaakte toch de tusschenkomst van den laatst aangekomen broeder eene zekere aarzeling bij de ten uitvoerlegging der bevelen van den Commodore.

Inderdaad, de last om Texar dadelijk dood te schieten, door Dupont verstrekt, gold slechts den schuldige aan de verraderlijke hinderlaag, waarbij de officieren en zeelieden van de federalistische sloepen te Kissimmee omgekomen waren. Wat den schuldige aan de plundering en brandstichting van Camdless Bay en aan de ontvoering der beide vrouwelijke wezens betrof, die moest naar Sint Augustijn overgevoerd worden, om daar voor een krijgsraad terecht te staan.

En toch, kon men de beide broeders niet als even schuldig beschouwen aan die lange reeks van misdaden, die zij ongestraft hadden kunnen bedrijven?

Voorzeker! Maar uit eerbied voor de wet, rekende kapitein Howick zich verplicht, hen de volgende vraag te stellen:

»Wie uwer bekent de schuldige te zijn aan de slachting te Kissimmee?”

Geen antwoord.

De beide Texars waren klaarblijkelijk vast besloten, om niet te antwoorden op de vragen, die hen gesteld zouden worden.

Zermah alleen zou aanwijzingen hebben kunnen geven omtrent ieders aandeel in de gepleegde misdaden. Inderdaad, diegene der twee broeders, die bij haar op den 22sten Maart in de Zwarte Kreek gebleven was, kon de dader niet zijn van den overval, dienzelfden dag op een afstand van honderd mijlen in het zuiden van Florida gepleegd, maar deze, de ware schuldige aan de ontvoering, deze zou door Zermah ongetwijfeld herkend worden.... Maar was de arme vrouw niet dood?...

Neen, dat was zij niet. Ondersteund door haren echtgenoot, verscheen zij in dien kring van mannen. Daar aangekomen, sprak zij met nauw verstaanbare stem:

»Hij, die schuldig aan de ontvoering van de kleine Dy en van mij is, is op den linkerarm getatoueerd....”

Bij die woorden zag men een glimlach van minachting op het gelaat der beide broeders ontluiken. Zij stroopten hun mouw op en vertoonden hun linkerarm, die van beiden getatoueerd was.

Tegenover deze nieuwe onmogelijkheid, om hen den een van den ander te onderscheiden, vergenoegde kapitein Howick zich deze vraag te stellen:

»Wie is de dader van den overval te Kissimmee? Die moet gefusilleerd worden.”

»Ik,” antwoordden beide broeders tegelijkertijd.

Op dat antwoord legde het executie-peloton op de veroordeelden aan, die elkander voor het laatst omhelsden.

De kommandeerende officier gaf een teeken. Slechts één knal werd vernomen. Met de hand in elkander geklemd, vielen beiden.

Zoo eindigde het leven van die twee mannen, met misdaden beladen, welke hunne buitengewone gelijkenis hen veroorloofd had gedurende een geheele reeks van jaren straffeloos te bedrijven.

Het eenige menschelijke gevoel, dat zij ooit ondervonden hadden, was die onbedwingbare vriendschap van den eenen broeder voor den anderen, die hen bezield had en tot in den dood gevolgd was.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings