XI. In de Everglades.
Reading edition
Eene landstreek, die Everglades, die tegelijkertijd afschuwelijk en verrukkelijk is! Gelegen in het zuidelijk gedeelte van Florida, strekt zij zich tot de Zandkaap, het laatste punt van het schiereiland, uit.
Die streek vormt, om der waarheid nauwkeurig getrouw te blijven, slechts een uitgestrekt moeras, dat bijna in het waterpas van den Atlantischen Oceaan gelegen is en zich slechts zeer weinig daarboven verheft. De golven der zee overstroomen haar met groote hoeveelheden water, wanneer zij door de stormen van de wereldzee of van de Golf van Mexico met ontembare woede opgezweept worden. Dat zilte water blijft dan vermengd met het regenwater, hetwelk in het winterseizoen bij stroomen, als waren het stortvloeden, uit het dikke wolkendak nederstort.
Daarin is de oorzaak gelegen, dat de bodem van die landstreek half vloeibaar, half vast is, welke toestand op zijne beurt de oorzaak van hare onbewoonbaarheid is.
Die moeraspoelen hebben eene omlijsting van wit zand, die hunne sombere kleur te scherper doet uitkomen en zoo talrijke spiegels vormen, waarin slechts de vlucht der ontelbare vogels weerkaatst wordt, die over hare oppervlakte vliegen. Die poelen zijn niet vischrijk, maar wemelen daarentegen van slangensoorten.
Men moet niet van de meening uitgaan, dat het algemeen karakter van die landstreek den stempel van dorheid of onvruchtbaarheid zoude dragen. Neen, integendeel. Aan de oppervlakte juist dier eilanden, welke door de onreine en ongezonde wateren dier meren en poelen omgeven waren, hernam de natuur hare rechten. De malaria-verpestingen werden getemperd, ja overwonnen, door de heerlijke geuren welke de bewonderenswaardige bloemen dezer plantenwereld verspreidden. De dampkring dier eilanden en eilandjes is als het ware doortrokken door de lucht van duizenden gewassen, die overheerlijk krachtig ontwikkelen en den naam van Floridaasch schiereiland met recht aan die streek verleenen. Het is ook in die frissche en gezonde eilandjes der Everglades, die als zoovele oasen verschijnen, dat de zwervende Indianenstammen bij voorkeur verwijlen bij hunne halten, welker duur nimmer zeer lang kan zijn.
Wanneer men dat grondgebied over eene uitgestrektheid van eenige mijlen binnengedrongen is, dan ontmoet men een uitgestrekt waterbekken, het meer Okee-cho-bee, hetwelk een weinig ten zuiden van den zeven-en-twintigsten breedtegraad gelegen is. In een hoek van dat meer werd het eiland Garneral aangetroffen, waar Texar zich eene schuilplaats ingericht had, die de scherpzinnigste vervolgers kon trotseeren.
Die landstreek was alsof zij voor Texar en zijne schandgenooten geschapen was en hunner in allen deele waardig. Toen Florida toch nog onder de heerschappij der Spanjaarden stond, was het daarheen voornamelijk dat de misdadigers van blank ras vluchtten, om aan de nasporingen der gerechtigheid van hun vaderland te ontsnappen. Daar sloten zij huwelijken met de vrouwen der inlandsche bevolking, in wier aderen onmiskenbaar Caraïbisch bloed aangetroffen wordt, en werden zoo de stamvaders van de Creeks, van de Seminolen, zwervende Indianenstammen, die nimmer het hoofd voor het juk der beschaving gebogen hebben, maar die men na een langdurigen en bloedigen oorlog heeft ten onder gebracht, maar welker onderwerping, dagteekenende van 1845, nimmer diepe wortels geschoten heeft, nooit oprecht geweest is en slechts door voortdurende ontwikkeling van militaire macht gehandhaafd kon worden.
Intusschen heeft het eiland Garneral geheel en al het uiterlijke alsof het voor iederen aanval gevrijwaard is. Het is waar, zijn oostelijke oever is slechts door een smallen rivierarm of beter door een smal kanaal van den oosterwal gescheiden, namelijk wanneer men die benaming mag geven aan het moerassige land, hetwelk het meer omringt. Dat kanaal is slechts honderd voet breed; toch is er eene pont noodig, om er over te komen. Die pont bestond in den vorm van een onhandig, ruw en log vaartuig. Overigens was er geen ander gemeenschapsmiddel aanwezig. De ontsnapping, door middel van zwemmen langs dien kant, was totaal onmogelijk. Wie zou zich durven wagen te midden van dat modderige water, dat gevuld was met lang gras, hetwelk iedere zwembeweging belemmerde, terwijl het tevens van kruipend gedierte krioelde.
Verderop strekte zich het cypressenbosch, met zijne half onder water staande terreinen uit, die slechts nauwe doorgangen vertoonen, die zeer moeielijk te verkennen en te vinden zijn. En hoeveel hinderpalen biedt die landstreek bovendien niet aan! Vooreerst de kleiachtige grond, die den voet vasthoudt alsof hij in een kleefmiddel neergezet was, dan de buitengewoon groote boomstronken, die daar kris kras in de modder neerliggen en een muffe lucht van vergaan hout verspreiden, welke de adembare lucht ontneemt en stikken doet! Daar groeien ook ontzettende gewassen, waaronder eene soort van bladerbloem, waarvan de aanraking venijniger is dan die van den netel of van den distel, waar vooral duizenden van die kiemoliezwammen, eene soort van reusachtige paddestoelen, die ontploffen kunnen alsof zij met schietkatoen of met dynamiet geladen zijn. En inderdaad, bij den geringsten schok van een dier zwammen volgt eene hevige losbarsting. In een ondeelbaar oogenblik is de omringende dampkring vervuld met uiterst kleine roodachtige zaden. Die fijne stof dringt in den neus en in de keel, veroorzaakt daar eene hevige ontsteking, gevolgd door branderige en etterende puisten. Het is dus zeer onvoorzichtig, die nadeel-verwekkende gewassen aan te raken; integendeel, men moet ze uit den weg gaan, zooals men gevaarlijke dieren zoowel uit de bestaande fauna als uit de fabelwereld zoude ontwijken.
Texar’s woning was niets meer of minder dan eene oude Indiaansche wigwam, vervaardigd van stroovlechtwerk onder de beschutting der loofkruinen van hooge boomen, en was gelegen in het oostelijke gedeelte van het eiland. Zij was geheel in het groen verscholen, en zelfs van den meest nabijzijnden oever kon men haar niet ontwaren. De beide speurhonden bewaakten haar met denzelfden ijver als zij bij de bewaking van het blokhuis in de Zwarte Kreek ontwikkelden. Zij waren vroeger op de menschen-jacht gedresseerd en zouden ieder vreemd menschelijk wezen verscheurd hebben, die de wigwam naderde.
Daar was het, dat Zermah en de kleine Dy sedert twee dagen gebracht waren. De reis, die vrij gemakkelijk gevallen was, zoolang men de Sint John tot het Washington-meer had kunnen opstevenen, was daarna, toen de weg door het cypressenwoud voerde, zeer moeielijk geworden, zelfs voor krachtvolle mannen, die aan dat ongezonde luchtgestel en aan die lange marschen door bosschen en moerassen gewoon waren! Men oordeele dus wat die vrouw en dat meisje hadden moeten lijden. Zermah was evenwel weer gezond, krachtig, moedig en vol toewijding. Gedurende den geheelen tocht over land droeg zij Dy, wier voetjes al heel gauw bij zoo’n reis verwond zouden zijn geraakt. Zermah zou zich op de knieën voortgesleept hebben, als dat moest, om het lieve kind de geringste vermoeienis te besparen. De krachten der brave vrouw begaven haar schier dan ook, toen zij op het eiland Garneral aankwam.

Eindelijk was de moedige kerel tot op zeer korten afstand van een der schildwachten genaderd. (Bladz. 164).
En nu, was het wonder, dat zij, na alles wat gebeurd was, sedert het oogenblik dat Texar en Squambo haar van de Zwarte Kreek ontvoerd hadden, bijna vertwijfelde?
Helaas, zij wist toch niet, dat het briefje, hetwelk zij aan den jongen slaaf toevertrouwd had, master James Burbank in handen gekomen was. Daarentegen wist zij wel, dat de daad van toewijding, welke die arme drommel om haar te redden had willen begaan, hem het leven gekost had. Hij was toch overvallen geworden op het oogenblik, dat hij het eilandje had willen verlaten om zich naar Camdless-Bay te begeven, en toen doodelijk gewond. En toen meende de mestiesche vrouw overtuigd te kunnen zijn, dat master James Burbank nimmer zou vernemen, wat zij van den ongelukkigen neger was te weten gekomen, namelijk dat de Spanjaard en zijn personeel zich gereed maakten, om naar het eiland Garneral te vertrekken. En hoe zou men haar thans in die gegeven omstandigheden op het spoor komen?
Die arme Zermah kon dus zelfs geen zweem van hoop overhouden. Bovendien zou ieder uitzicht op redding weldra in die landstreek verdwijnen, waarvan zij de ijzingwekkende woestheid van hooren zeggen kende.
Zij wist en begreep het maar al te goed; daar behoorde eene ontvluchting tot de onmogelijkheden.
Het kleine meisje verkeerde bij aankomst in een toestand van volslagen uitputting. In weerwil van Zermah’s voortdurende zorgen, had zij toch noodzakelijk vermoeienissen moeten doorstaan; dan ook had de invloed van dat verfoeielijke klimaat niet gemist en had hare gezondheid diep geschokt. Zij zag er bleek en vermagerd uit, alsof zij door de uitwasemingen der moerassen vergiftigd ware geweest. Zij had de kracht niet meer, om overeind te blijven en ternauwernood om eenige woorden uit te brengen, die dan nog maar gesproken werden om naar hare moeder te roepen. Helaas, Zermah kon haar niet meer antwoorden, zooals zij gedurende de eerste dagen na hare aankomst in de Zwarte Kreek deed, dat zij weldra mevrouw Burbank zoude weerzien, dat haar vader, hare moeder, dat miss Alice, dat Mars niet dralen zouden, om haar te komen opzoeken. Met haar zoo vroeg ontwikkeld verstand, nog gerijpt door het ongeluk, door de schrikkelijke tooneelen, welke zij bij de verwoesting der plantage had bijgewoond, begreep Dy dat zij aan het ouderlijke huis ontvoerd was geworden, dat zij zich in handen van een slecht mensch bevond, en dat zij, wanneer men haar niet te hulp kwam, Camdless-Bay niet meer weer zoude zien.
Thans wist Zermah niet meer wat op de vragen van Dy te antwoorden. Helaas, zij zag dat het arme kind, in weerwil van hare toewijding, in weerwil van hare zorgen, wegkwijnde.
De wigwam was, zooals gezegd is, niets anders dan eene ruwe, onbebouwde hut, die voor het winterseizoen zeer onvoldoende had moeten gerekend worden. Dan zouden regen en wind zich ruimen toegang tot hare binnenruimte verschaft hebben. Maar in het zomerseizoen, welks invloed zich reeds onder deze breedte deed gevoelen, kon zij hare bewoners toch beschutten tegen de brandende zonnestralen.
Die wigwam was in twee vertrekken van ongelijke grootte verdeeld. Het eene daarvan, vrij klein, was ternauwernood verlicht en had geene onmiddellijke gemeenschap met het buitenhuis, daar de deur toegang tot de andere kamer verleende. Deze laatste was vrij ruim, had een vriendelijk voorkomen, terwijl hare deur in den voorgevel ingesneden was en uitzicht op den kanaaloever verleende.
Aan Zermah en Dy was de kleine kamer aangewezen, waarin slechts weinige meubels tot hare beschikking gesteld waren, terwijl hun bed slechts uit een paar bossen gras bestond.
De andere kamer was door Texar betrokken en door den Indiaan Squambo, die zijn meester nimmer verliet. Daarin bevonden zich op het gebied van meubilair, slechts eene tafel, waarop eenige kruiken brandewijn, eenige glazen en borden, dan nog eene soort provisiekast en een boomstam, die ternauwernood vierkant bekapt was en tot bank diende. Ook hier bestond het geheele beddegoed uit slechts een paar bossen gras. Het vuur, dat noodig werd geoordeeld, om de spijzen gereed te maken, werd gestookt in een steenen vuurhaard, die in een hoek der wigwam opgetrokken was. Die haard was voldoende voor de behoeften eener voeding, die slechts bestond uit gedroogd vleesch, uit wild, dat een jager op het eiland gemakkelijk kon bemachtigen, uit groente en uit schier wilde vruchten, in één woord: juist voldoende om niet van honger te sterven.
Wat de slaven betreft, die Texar van de Zwarte Kreek medegenomen had, zij waren een twaalftal sterk en sliepen, evenals de twee honden, buiten de wigwam, en evenals deze moesten zij die woning bewaken. Hunne eenige beschutting waren de kruinen der groote boomen, welker benedentakken zich dicht boven hun hoofd kruisten en in elkander slingerden.
Intusschen hadden Dy en Zermah van den dag van aankomst af volle vrijheid om heen en weer te wandelen. Zij werden niet in hare kamer opgesloten; het eiland Garneral diende haar tot gevangenis. Men vergenoegde zich, haar niet uit het oog te verliezen, hetgeen vrij overbodig was, eenvoudig, omdat het onmogelijk was het kanaal over te steken zonder de pont, en deze steeds door een der negers bewaakt werd. Terwijl Zermah zoo met de kleine rondwandelde, kon zij zich rekenschap geven, welke moeielijkheden eene ontsnapping zoude opleveren.
Dien eersten dag van aankomst ontmoette Zermah Texar niet, maar werd daarom door Squambo niet uit het oog verloren. Toen de nacht evenwel aangebroken was, hoorde zij de stem van den Spanjaard, die eenige woorden met Squambo wisselde, om hem eene stipte waakzaamheid aan te bevelen. En weldra waren allen, met uitzondering van Zermah, in de wigwam in slaap gedompeld.
Tot nu toe was Zermah er niet in geslaagd, een enkel woord uit Texar te halen. Tevergeefs had zij getracht, terwijl men de Sint John naar het Washington-meer opstevende, hem uit te hooren omtrent hetgeen hij met het kind wilde uitvoeren. Herhaaldelijk had zij daarbij smeekingen en bedreigingen gebezigd.
De Spanjaard vergenoegde zich, terwijl zij sprak, zijnen kouden en dreigenden blik op haar te vestigen. Daarna de schouders met minachting ophalende, maakte hij een gebaar alsof dat gebazel hem verveelde en hij het geen antwoord waard achtte.
Intusschen liet Zermah niet los. Zij gaf het zoo gauw niet op en rekende zich niet voor overwonnen. Bij aankomst op het eiland Garneral nam zij het besluit Texar aan te spreken, ten einde zijn medelijden op te wekken, was het niet voor haar, dan toch voor het ongelukkige kind. En mocht medelijden niets uitwerken, dan zou zij zich tot zijn eigenbelang wenden.
De gelegenheid liet zich niet te lang wachten.
Den volgenden ochtend richtte Zermah, terwijl het meisje sliep, hare schreden naar het kanaal.
Texar wandelde in dat oogenblik op den oever. Hij was vergezeld van Squambo en gaf eenige bevelen aan zijne slaven, die bezig waren met de reiniging van het vaarwater, een arbeid die hoogst noodzakelijk was, daar de ophooping van waterplanten den gemeenschapsdienst der pont zeer bezwaarlijk maakte.
Twee negers sloegen gedurende dat werk de oppervlakte van het water met lange staken, om de kruipende dieren te verschrikken, welker koppen boven het water zichtbaar waren.
Squambo verliet een oogenblik later zijn meester en deze wilde zich toen ook verwijderen, maar Zermah trad regelrecht op hem toe.
Texar liet haar naderen en stond stil toen de mestiesche vrouw in zijne nabijheid gekomen was.
»Texar,” sprak Zermah op bedaarden toon, »ik moet u spreken. Het is ongetwijfeld voor de laatste maal, maar ik smeek u mij aan te hooren.”
Geen antwoord.
De Spanjaard stak eene sigarette op en blies stilzwijgend den rook voor zich uit.
Toen Zermah eenige oogenblikken gewacht had, vervolgde zij:
»Texar, wilt gij mij zeggen, wat gij met Dy Burbank wilt uitvoeren?”

De verklaringen en uitleg van zaken waren noch lang, noch moeielijk. (Bladz. 167).
Geen antwoord.
»Ik zal uw medelijden niet trachten op te wekken,” vervolgde de mestiesche vrouw, »ten opzichte van mijn eigen lot. Maar ik wijs u op dat kind, welks leven in gevaar is, en dat u weldra zal ontsnappen.”
Texar beantwoordde die betuiging met een gebaar, hetwelk zijn volkomen ongeloof moest uitdrukken.
»Ja, weldra,” hernam Zermah, »is het niet door de vlucht, dan zal het door den dood zijn.”
De Spanjaard deed langzaam nog eenige trekken aan zijne sigarette, wierp daarna bedaard het overgebleven eindje weg en vergenoegde zich met te antwoorden:
»Bah! het meisje zal na eenige dagen rust herstellen. En ik reken op uwe goede zorgen, Zermah, om dat kostbare bestaan als onderpand te behouden.”
»Neen, ik herhaal het, Texar. Dat kind zal binnenkort overleden zijn, overleden zonder eenig voordeel voor u.”
»Zonder eenig voordeel,” hernam Texar grinnikend, »wanneer ik haar verwijderd houd van hare stervende moeder, verwijderd van haren vader, van haren broeder, die wanhopig zijn.”
»Dat is zoo!” zei Zermah. »Mij dunkt dan ook, dat gij u genoeg gewroken hebt, Texar. Geloof mij, gij zult er meer voordeel van plukken, wanneer gij dat arme kind aan hare ouders teruggeeft, dan wanneer gij haar hier houdt.”
»Wat meent gij?”
»Ik meen, dat gij James Burbank genoeg hebt doen lijden. Ik meen dat gij nu uw eigenbelang moet laten spreken.”
»Mijn eigenbelang?...”
»Ja, zeker, uw eigenbelang, Texar,” antwoordde Zermah, die opgewonden geraakte. »De plantage Camdless-Bay is verwoest geworden, mevrouw Burbank is stervende, misschien is zij wel dood op het oogenblik dat ik tot u spreek, zijne dochter is verdwenen en haar vader zoekt tevergeefs haar op het spoor te komen. Al die misdaden zijn door u bedreven, Texar; dat weet ik. Ik heb het recht om u dat in het aangezicht te werpen. Maar pas op. Die misdaden zullen eens ontdekt worden. Welnu, denk aan de straf, die u dan treffen zal. Ja, uw belang gebiedt u, medelijden te hebben. Ik spreek voor mij niet. Om het even, wanneer mijn echtgenoot mij bij zijne terugkomst niet weder vindt. Neen, ik smeek u slechts voor dat arme kind, dat sterven gaat. Houd mij hier als gij dat verkiest, maar zend dat kind naar Camdless-Bay, geef het aan hare moeder terug. Men zal u nimmer rekenschap omtrent het verleden vragen. En zelfs wanneer gij geldzuchtig zijt, met goud zal men u de vrijheid van dat meisje betalen. Texar, ik neem op mij om hen dien ruil voor te slaan, ik sta er u borg voor; want ik ken het hart van master James Burbank en van al de zijnen. Zij zouden alles opofferen, ik weet het, alles, hun geheel vermogen, om dat kind te redden, en ik roep God tot getuige, zij zullen de belofte houden die door hunne slavin gedaan werd!”
»Hunne slavin?”... riep Texar hoonend uit. »Op Camdless-Bay zijn geen slaven meer.”
»Gij vergist u, Texar; want om bij mijn meester te blijven, heb ik mijn vrijbrief geweigerd.”
»Waarlijk, Zermah, waarlijk!” antwoordde de Spanjaard. »Welnu, als u de vrijheid zoo weinig waard is, wanneer het u niet tegenstaat slavin te zijn, dan kunnen wij elkander verstaan. Zes of zeven jaren geleden wilde ik u van mijn vriend Tichborne koopen. Ik heb toen voor u, voor u alleen eene zeer hooge som geboden. En gij zoudt mij sedert dat tijdstip toebehoord hebben, wanneer James Burbank niet hooger geboden had. Thans heb ik je en ik zal je houden.”
»Welnu, het zij zoo, Texar,” antwoordde Zermah, »ik zal uwe slavin zijn. Maar geef dat kind aan hare...”
»Het kind van James Burbank,” hernam de Spanjaard met eene stem, die van den bittersten haat getuigde, »die dochter aan haren vader weergeven?... Nooit!”
»Ellendeling!” riep Zermah uit, die hare verontwaardiging niet vermocht te bedwingen. »Welnu, als haar vader er niet in slaagt, dan zal God haar aan uwe handen ontvoeren!”
De Spanjaard sprak geen woord. Hij grinnikte slechts en trok de schouders op. Dat was zijn eenig antwoord. Hij had intusschen eene andere sigarette gerold, die hij rustig aanstak aan een lucifer, welke hij afstreek, en verwijderde zich langs den oever van het kanaal, zonder Zermah zelfs een blik te gunnen.
Ongetwijfeld zou de moedige en verontwaardigde mestiesche vrouw hem, had zij maar een wapen in haar bezit gehad, op gevaar af van door Squambo en zijne spitsboeven vermoord te worden, als een gevaarlijk wild dier afgemaakt hebben. Maar zij kon niets doen. Zij stond daar roerloos en keek met starend oog de negers aan, die op den oever arbeidden. Nergens ontwaarde zij het gelaat van een vriend. Zij zag niets dan woeste gezichten van verdierlijkte wezens, die tot de menschheid niet schenen te behooren. Zij keerde naar de wigwam terug, om hare moederlijke zorgen aan het kind te wijden, dat haar met zwakke stem riep.
Zermah trachtte het arme schepseltje, dat zij in hare armen nam, te troosten. Hare omhelzingen verlevendigden het lieve kind eenigermate. Zij bracht haar bij den haard en bereidde toen een warmen drank, dien zij haar toediende. Zij verstrekte haar alle zorgen, voor zoover de omstandigheden van hulpeloosheid en verlatenheid, waarin zij zich bevond, dat toelieten. Dy bedankte haar met een glimlach... Maar welk een glimlach?... Hij was nog treuriger dan wanneer haar de tranen langs de wangen biggelden!
Dien geheelen dag zag Zermah den Spanjaard niet weer. Zij poogde trouwens niet, hem andermaal te ontmoeten. Waartoe zou dat dienen? Hij zou wel niet tot andere gevoelens te brengen zijn, en verdere gesprekken en beschuldigingen zouden den toestand maar kunnen verergeren.
Want al waren haar en het kind tot nu toe, zoowel gedurende haar verblijf in de Zwarte Kreek, als sedert hare aankomst op het eiland Garneral, de mishandelingen gespaard gebleven, zoo mocht zij toch niet uit het oog verliezen, dat van een kerel als Texar alles te verwachten was. Een aanval van woede was voldoende, om hem tot de uiterste gewelddadigheid te doen overslaan. Want geen medelijden kon die bedorven ziel beroeren, en nu zijn eigenbelang den haat niet had kunnen overwinnen, moest Zermah iedere hoop in de toekomst laten varen.
En wat de makkers van den Spanjaard betreft, wat te verwachten van Squambo, wat van de slaven? Zouden die menschelijker dan hun meester wezen? Zij wisten welk lot hem wachtte, die slechts een weinig deernis met de arme verlaten vrouwen zoude betoond hebben. Dus ook van dien kant was niets te hopen. Zermah was dus aan zich zelve overgelaten. Haar besluit was weldra genomen. Zij zou pogen te ontvluchten en dat reeds den volgenden nacht inderdaad.
Maar hoe? Moest zij niet den overkant bereiken van het water, hetwelk het eiland Garneral omgaf? Al was de strook van het meer voor de wigwam slechts van geringe breedte, zoo kon zij dien toch niet met het kind zwemmende oversteken. Er bleef dus slechts een enkele kans over, namelijk om zich van de pont meester te maken, ten einde naar de overzijde van het kanaal over te steken.
De avond kwam, daarna viel de nacht in, die zeer donker, zelfs guur zoude wezen, want het begon te regenen en de wind dreigde zijne vlagen over het moeras te ontketenen.
Zermah bedacht dat het onmogelijk zoude zijn, de wigwam door de deur van de groote kamer te verlaten. Maar wellicht zou het zoo moeielijk niet zijn, een gat in de plantaardige omwanding der hut te maken. En gelukte dat, dan kon zij zich immers door dat gat werken; zij zou de kleine Dy ook er door trekken. En eenmaal buiten, welnu, dan zou zij verder weten te handelen.

Twee negers sloegen gedurende dat werk de oppervlakte van het water met lange staken. (Bladz. 180).
Toen het ongeveer tien uren was, vernam zij niets anders meer dan het gehuil der windvlagen. Texar en Squambo sliepen. De honden hadden eene schuilplaats onder den een of anderen dichten struik gezocht, zoodat zij niet rondom de woning zwierven.
Het oogenblik was dus uitermate gunstig.
Zermah begon nu, terwijl Dy sliep, zachtkens het stroo en de biezen uit te trekken, welke door elkander gevlochten de zijomwanding van de wigwam uitmaakten.
Toen zij gedurende een uur gewerkt had, was er onder hare handen een gat ontstaan, dat evenwel nog niet groot genoeg was, om haar en het meisje doortocht te verleenen. Zij was op het punt om haren arbeid te hervatten, toen een gerucht haar plotseling deed ophouden.
Dat gerucht werd buiten te midden der dikke duisternis veroorzaakt. Het waren de speurhonden die aansloegen en welker geblaf een gaan en komen op den oever verraadde. Texar en Squambo, zoo plotseling uit den slaap gewekt, verlieten in allerijl hunne kamer.
Toen werden stemmen vernomen. Klaarblijkelijk was een troep mannen op den tegenovergestelden oever van het kanaal aangekomen. Zermah was verplicht hare poging tot ontvluchting, die thans onuitvoerbaar was, op te geven.
Weldra weerklonken, in weerwil van het gehuil der windvlagen, talrijke stappen op den grond.
Zermah luisterde met gespitste ooren aandachtig toe. Wat viel er toch voor? Zou de Voorzienigheid zich harer erbarmen? Zond zij hulp, waarop de arme vrouwen niet meer durfden rekenen?
Neen, en dat begreep zij. Want, zou er in dat geval niet een gevecht ontstaan zijn tusschen de nieuw aangekomenen en Texar’s lieden? De overgang zou toch aanvallenderwijs en gewelddadig moeten geschieden. Geroep, geschreeuw, geweerschoten hadden moeten zijn gehoord. En van dat alles had niets plaats gegrepen. Doch het was eerder eene versterking, die aan de bezetting van het eiland Garneral toegevoegd werd.
Zermah bespeurde dat twee personen een oogenblik later de wigwam binnentraden. De Spanjaard was door een ander man vergezeld, die Squambo niet was, daar de stem van den Indiaan nog buiten naar den kant van het kanaal vernomen werd.
Toch waren twee mannen het vertrek binnengetreden. Zij hadden een gesprek met gedempte stem begonnen, toen beiden eensklaps zwegen.
Een hunner trad met een lantaarn in de hand naar Zermah’s kamer toe. Deze had ternauwernood den tijd zich op het gras neder te werpen, dat haar tot legerstede diende, hetgeen zij evenwel zoodanig deed, dat zij het gemaakte gat in den muur met haar lichaam verborg.
Texar—want hij was het—opende de deur op een kier en keek in de kamer rond. Toen hij de mestiesche vrouw bij het meisje uitgestrekt zag liggen en beiden schenen te slapen, trok hij de deur weer toe en ging weg. Zermah sprong ras op en vatte post bij die deur.
Het is waar, zij kon niet zien wat in die kamer gebeurde, zij kon ook den persoon, die bij Texar was, niet herkennen; maar zij kon alles hooren, wat gesproken werd.
En ziehier wat zij vernam.