XIV. Zermah aan het werk.
Reading edition
Hoezeer de beide Texars zich ook in gewone omstandigheden wisten te beheerschen, zoo was het hun thans onmogelijk om zich te bedwingen. Sedert hunne kindsheid als het ware, was het de eerste maal dat zij door een derde persoon te zamen gezien werden. En die persoon was hun ergste vijandin. Zij stoven dan ook in het eerste oogenblik van hunnen toorn op, zij wilden zich op haar werpen om haar te dooden, ten einde het geheim van hunnen dubbelgang te redden...
Het kind had zich in de armen van Zermah opgericht en riep, terwijl het de kleine handjes uitstak:
»Ik ben bang!... Ik ben bang!”
Op een gebaar der beide broeders stapte Squambo vol ijver op de mestiesche vrouw toe, pakte haar bij de schouders en drong haar in hare kamer terug, waarvan de deur achter haar dichtklapte.
Squambo keerde toen bij de beide Texars terug. Zijne houding duidde genoeg aan, dat hij slechts bevelen wachtte, dat hij uitvoeren zou wat men hem zou gelasten. Maar het onverwachte van dat tooneel had de beide broeders meer geschokt, dan men wel veronderstellen zou, wanneer men hun stoutmoedig en gewelddadig karakter in aanmerking nam. Zij raadpleegden elkander met den blik.
Zermah was intusschen in een hoek van hare kamer gekropen, nadat zij het kind op de bladeren legerstede had neergelegd. Hare koelbloedigheid kreeg weer de overhand. Zij sprong op, naderde de deur om te kunnen hooren, wat thans gesproken zoude worden. Haar lot zou ongetwijfeld binnen weinige oogenblikken beslist zijn. Maar de beide Texars en Squambo waren buiten de wigwam getreden, zoodat hunne woorden haar oor niet meer konden bereiken.
Ziehier evenwel welke gesprekken die drie aterlingen voerden:
»Zermah moet sterven!”
»Ja, dat moet!”
»Wanneer zij er in slaagde te ontsnappen, of wanneer de Federalisten haar bevrijdden, dan waren wij reddeloos verloren. Zij sterve dus!”
»Dadelijk!” antwoordde Squambo.
En hij wilde reeds met een dolk in de hand op de wigwam toetreden, toen een der beide Texars hem tegenhield.
»Laten wij nog wachten,” zei deze.
»Wachten?”
»Ja, wij zullen altijd Zermah kunnen doen verdwijnen, niet waar? Thans zijn hare zorgen noodig voor het kind; ten minste tot zoolang wij haar niet door eene andere vervangen zullen hebben... Laten wij beginnen met ons rekenschap van den toestand te geven. Volgens een bevelschrift van den Commodore Dupont doorkruist thans een detachement der Noordelijke marinetroepen het cypressenbosch. Welnu, laten wij eerst de omstreken van het eiland en van het meer doorzoeken. Niets bewijst dat die troepenafdeeling, welke naar het zuiden marcheert, herwaarts zal komen. Wanneer het hierheen komt, dan is het tijd om te vluchten. Richt het zijn marsch niet naar dezen kant, dan blijven wij stil hier en laten hen de moeraslanden van Florida verder binnentrekken. Daar zal het aan onze genade of ongenade overgeleverd zijn; want wij zullen dan den tijd hebben om het grootste gedeelte der militie-troepen, die op het grondgebied ronddolen, bijeen te verzamelen. Wij zullen hen, in plaats van te vluchten, dan vervolgen; wij zullen dat met goed gevolg kunnen, want wij zullen dan verreweg de overmacht hebben. Wij zullen hen den terugtocht afsnijden en... zijn er ettelijke zeelieden aan het bloedbad van Kissimmee ontsnapt, hier in de Everglades zal geen enkele Noordelijke den noodlottigen dans ontkomen.”
In de gegeven omstandigheden was dat wel de beste partij die te kiezen was. Een groot aantal aanhangers der Zuidelijken waren thans in de streek vereenigd en wachtten slechts op eene gelegenheid om tegen de Federalisten op te treden. Wanneer een der Texars met zijne makkers de omstreken zoude verkend hebben, dan zou besloten kunnen worden, of zij het eiland Garneral zouden kunnen blijven bezetten, of dat zij naar de omstreken van de Zandkaap zouden terugtrekken. Dat zou men den volgenden dag reeds weten.
Wat Zermah betreft, daaromtrent was men het eens. Onverschillig welken uitslag de verkenningstocht zoude hebben, Squambo zou de opdracht ontvangen, zich door middel van een dolkstoot van hare stilzwijgendheid te verzekeren.
»Wat het kind betreft,” ging een der tweelingen voort, »het is van het grootste belang voor ons, dat het in het leven blijft. Het meisje heeft onmogelijk gevat, wat Zermah begrepen heeft. Zij kan den prijs van ons losgeld worden, voor het geval wij in handen van kapitein Howick vallen. Om zijn dochtertje terug te hebben, zou master James Burbank ieder voorstel aannemen, dat ons in het hoofd zoude komen om hem op te leggen; niet alleen zijne borgstelling; voor onze straffeloosheid, maar ook de prijs waarop wij de invrijheidstelling van zijn kind zouden bepalen.”
»Maar is het niet te vreezen,” vroeg de Indiaan, »dat wanneer Zermah dood zal zijn, het kleintje bezwijken zal?”
»Neen,” antwoordde een der Texars.
»Waarom niet?”
»Omdat het kind geene zorgen zullen ontbreken.”
»Hoe zoo? Verklaar u nader.”
»Wel, ik zal gemakkelijk eene Indiaansche vinden, die de mestiesche wel zal vervangen.”
»Het zij zoo. Waar het vooral op aan komt, is, dat wij niets meer van Zermah te duchten hebben.”
»Juist.”
»Welnu, wat er ook gebeure, zij zal weldra den laatsten snik gegeven hebben.”
Met die woorden werd het gesprek der tweelingen besloten.
Zermah hoorde hen binnen de wigwam wederkeeren.
Maar welken nacht bracht de rampzalige vrouw door!
Zij wist dat zij veroordeeld was; maar zij dacht aan zich zelve niet. Omtrent haar lot bekommerde zij zich al heel weinig; zij was met de gedachte vertrouwd, steeds gereed te zijn haar leven voor hare meesters veil te hebben.
Maar dacht zij niet aan zich zelve, dan dacht zij des te meer aan de kleine Dy. Wat zou van het teere schepseltje worden, wanneer zij verlaten achterbleef te midden van die meedoogenlooze kerels. En al nam zij ook al aan, dat die ellendelingen er belang bij hadden, dat het kind bleef leven, zou het tengere meisje niet bezwijken, wanneer Zermah er niet meer zou zijn, om haar hare zorgen te wijden?
Die gedachte, of wel die vraag werd eene ware marteling voor haar. Zij kon haar niet verdrijven. Zij keerde steeds hardnekkig weder. Onbewust werd zij ten gevolge van die hardnekkigheid door eene andere gedachte ingenomen, als het ware bezeten, namelijk deze: dat zij vluchten wilde, vóórdat Texar haar van het kind zoude gescheiden hebben.
De rampzalige mestiesche vrouw dacht gedurende dien eindeloozen nacht aan niets anders dan aan de uitvoering van dat plan.

Gaf bevelen met betrekking tot de formatie van den troep. (Bladz. 215).
Intusschen, van het afgeluisterde gesprek was haar bijgebleven, dat een der beide Texars den volgenden ochtend de omstreken van het meer met zijne metgezellen zou gaan verkennen. Klaarblijkelijk was men van meening, het federalistisch detachement weerstand te bieden, wanneer men het ontmoette. Maar de mogelijkheid moest daartoe bestaan. En om die mogelijkheid bestaanbaar te maken, zou Texar zich doen vergezellen zoowel door zijn geheele personeel als door de partijgangers zijns broeders. Deze laatste zou alleen op het eiland achterblijven ongetwijfeld, zoowel om niet herkend te worden en het geheim van den dubbelgang niet te verraden, als om de wigwam te bewaken.
Dan zou Zermah pogen te ontvluchten. Misschien zou zij er in slagen, een of ander wapen te vinden of te bemachtigen, en was dat het geval... dan zou zij bij voorkomende gelegenheid, wanneer de nood daartoe dwong, niet aarzelen er gebruik van te maken.
De nacht spoedde onder deze overdenkingen en bij het beramen van deze plannen ten einde.
Tevergeefs had Zermah beproefd eenige gevolgtrekking te bouwen op de verschillende geluiden, welke op het eiland vernomen werden. En onbestemd werkte de hoop daarbij mede, welke zij koesterde, dat de troep van kapitein Howick kon aankomen om zich van Texar meester te maken.
Weinige oogenblikken vóór het aanbreken van den dag, ontwaakte het kind, hetwelk een weinig rust genoten had. Zermah reikte haar wat drinkwater toe, hetgeen haar scheen te verkwikken. Daarna keek zij het kind met eene aandacht aan, alsof zij het niet meer zou weerzien en sloot het onstuimig aan hare borst. Wanneer iemand in dit oogenblik binnengetreden was, met het doel haar van het kind te scheiden, dan zou zij het met de verwoedheid van een wild dier, waaraan men zijne welpen ontnemen wil, verdedigd hebben.
»Wat is er toch, goede Zermah?” vroeg het kind.
»Niets... niets!” prevelde de arme vrouw.
»Jawel, er scheelt u iets. Kom zeg het mij, wat is het?”
»Neen, niets Dy, niets!”
»En mama...”
»Mama, vraagt ge?”
»Ja, Zermah, wanneer zullen wij die weerzien?”
»Weldra,” antwoordde de mestiesche aarzelend.
»Weldra?” vroeg het kind met nadruk.
»Ja, weldra... misschien heden nog... Ja lieve... Ik hoop dat wij heden verre zullen zijn...”
»En die mannen, die ik hedennacht gezien heb?...”
»Hebt ge die mannen goed bekeken, Dy?” vroeg Zermah.
»Ja... maar o! wat was ik bang voor hen!”
»Maar gij hebt ze toch goed bekeken?”
»Ja zeker.”
»Hebt gij opgemerkt, hoezeer ze op elkander geleken?”
»Ja, Zermah!”
»Welnu, onthoud dat goed. Vergeet niet aan uwen vader, aan uwen broeder te zeggen: dat het twee broeders zijn... hoort ge: twee broeders Texar, die zoodanig op elkander gelijken, dat men hen niet onderscheiden kan.”
»Maar gij zult dat ook zeggen, niet waar?” vroeg het kind.
»Ja... ik zal dat ook zeggen... Maar, intusschen... mocht ik er niet zijn, dan moogt gij dat niet vergeten, hoort ge?...”
»En waarom zoudt gij er niet zijn?” vroeg het arme kind, terwijl zij hare armpjes om den hals der mestiesche vrouw sloeg. »Waarom zoudt gij er niet zijn?”
»Ik zal er ook zijn, ja, zeker zal ik er zijn, mijn lief kind,” hernam Zermah met stokkende stem.
»Dan is het goed.”
»Maar, daar wij, wanneer wij vertrekken, een langen weg af te leggen hebben... zult gij krachten moeten opdoen. Kom, ik zal uw ontbijt gereed maken. En dan moet gij u eens flink te goed doen.”
»En gij?”
»O, ik heb ontbeten terwijl gij sliept, lieve. Waarlijk, ik heb geen eetlust meer.”
De waarheid was, dat Zermah onmogelijk eten kon, al was het nog zoo weinig, in den toestand van opwinding, waarin zij zich bevond.
Na ontbeten te hebben, ging het kind weer op hare legerstede van bladeren liggen en sliep een poos in.
Zermah nam toen plaats bij eene opening of eene reet, welke in den hoek van het vertrek tusschen het riet van de gevlochten omwanding bestond. Van uit dien hoek sloeg zij gedurende een vol uur alles gade, wat daarbuiten voorviel. En dat zij dat met de grootste stiptheid volvoerde, is te begrijpen, daar dat voor haar van het grootste belang kon zijn.
Alras bemerkte zij, dat men daar voorbereidende maatregelen tot vertrek trof.
Een der broeders Texar—een enkele slechts—liet zich zien en gaf bevelen met betrekking tot de formatie van den troep, die het cypressenbosch onder zijne leiding zoude onderzoeken. De andere, wien niemand gezien had, hield zich waarschijnlijk in de wigwam of op eene plek elders op het eiland verborgen.
Zoo dacht Zermah er ten minste over, nu zij met hun geheim bekend was en nu zij kon gissen, welke zorg zij aan den dag legden, om hun dubbelgang verborgen te houden. Zij begreep ten volle daarenboven, dat hem der beide broeders, die op het eiland achterbleef, de taak ten deel viel, om het kind en haar te bewaken.
Zermah vergiste zich niet, zooals de lezer weldra bemerken zal.
De partijgangers en slaven waren intusschen bijeen geroepen en stonden—een vijftigtal sterk—voor de wigwam, de bevelen van hun opperhoofd af te wachten.
Het was ongeveer negen uur in den ochtend, toen de troep aftrok en zich naar den rand van het bosch begaf. Het vereischte evenwel eenigen tijd alvorens dien te bereiken, daar de pont, welke hen overvoeren moest, slechts vijf of zes man te gelijk kon overzetten. Zermah zag hen met kleine groepen in het vaartuig afdalen en tegen den anderen oever opklimmen. Van haar standpunt achter de gevlochten omwanding, kon zij niet bemerken hetgeen op de oppervlakte van het kanaal, dat veel lager dan het maaiveld van het eiland gelegen was, voorviel.
Texar, die tot het laatst achtergebleven was, verdween op zijne beurt, gevolgd door een zijner honden, welks instinct hij bij de expeditie wenschte te benutten. De andere waakhond keerde op een wenk van zijn baas naar de wigwam terug, alsof hij alleen met de bewaking daarvan belast ware.
Een oogenblik later zag Zermah Texar den tegenovergestelden oever beklimmen, alwaar hij zich voor een oogenblik ophield om zijn troep behoorlijk op te stellen.
Daarna verdwenen allen met Squambo, de Indiaan, die door den speurhond vergezeld was, aan het hoofd, achter de reusachtige rietstengels van den oever en tusschen de struiken en onder de kruinen van het bosch.
Een der negers had voorzeker de pont naar de overzijde teruggevoerd, om te beletten dat iemand naar het eiland zou kunnen oversteken. De mestiesche vrouw kon het vaartuig evenwel niet ontwaren en moest in de meening verkeeren, dat het den oever van het kanaal gevolgd had.
Toen aarzelde zij niet meer.
De kleine Dy was zooeven wakker geworden. Haar vermagerd lichaampje was pijnlijk om aan te zien onder hare kleertjes, die ten gevolge der doorgestane vermoeienissen zeer veel geleden hadden en op vele plaatsen deerlijk versleten waren.
»Kom, lieve,” zei Zermah.
»Waarheen?”
»Kom maar.”

Het hart klopte haar in de borstkas, alsof het die uit elkander wou doen springen. (Bladz. 219).
»Ik wou toch weten waarheen, goede Zermah,” herhaalde het meisje met zachte stem, maar toch met een soort van eigenzinnigheid, aan kinderen zoo eigen.
»Daarheen... daar in het bosch... Daar zullen wij waarschijnlijk uw vader en uw broeder aantreffen.”
»O, dat is heerlijk!” kreet Dy.
»Shut!... Zachter!... Maar Dy, zult ge niet bang in dat bosch zijn?”
»Zeker niet! Als ik bij u ben, goede Zermah, ben ik nooit bang.”
»Kom dan.”
De zelfopofferende vrouw opende toen met de meest mogelijke voorzorgen de deur. Daar zij geen gerucht in het belendende vertrek vernomen had, kon zij veronderstellen, dat Texar niet in de wigwam was.
En inderdaad, er was niemand.
Al dadelijk keek Zermah naar eenig wapen uit, dat zij gebruiken kon, en waarvan zij ook vast besloten was gebruik te maken, wanneer iemand haar het vluchten zou willen beletten. Op de tafel bespeurde zij een van die dolken met breed lemmet, waarvan de Indianen zich bij hunne jachtpartijen bedienen. Zij greep dien dolk en verborg hem onder hare kleeding. Zij nam ook eenige reepen gedroogd vleesch mede, die hare voeding gedurende eenige dagen moesten uitmaken.
Thans kwam het er op aan om de wigwam te verlaten. Zermah tuurde door de reten van de gevlochten omwanding in de richting van het kanaal. Geen enkel levend wezen bewoog zich op dat gedeelte van het eiland; zij zag zelfs den speurhond niet, die tot bewaking van de woning achtergelaten was.
Eenigermate gerustgesteld poogde toen de mestiesche vrouw de buitendeur te openen. Deze evenwel bood aan die poging weerstand; zij was aan den buitenkant gegrendeld.
Zermah keerde toen dadelijk met het kind naar hare kamer terug. Er bleef haar toen niets anders te doen over dan het gat te benutten, dat reeds in de omwanding bestond en onder hare vingeren reeds eenigszins verwijd was.
Die arbeid was niet moeielijk. De koene vrouw kon den dolk gebruiken om de bindrotting door te snijden, welke het vlechtwerk te zamen bond. Zij vorderde dan ook spoedig, zonder merkbaar gerucht te maken.
Maar al bespeurde Zermah den waakhond thans niet, zou dat ook zoo blijven, wanneer zij naar buiten zou treden? Zou het dier dan niet toeijlen, om zich op haar en op het kind te werpen? Als zij daaraan dacht, dan scheen het haar verkieselijker toe, een tijger te ontmoeten.
Toch mocht zij niet aarzelen. Toen het gat in de omwanding groot genoeg was, trok zij het kind tot zich en drukte het met eene hartstochtelijke beweging aan de borst. Wederkeerig kuste en liefkoosde het meisje haar met innigheid. Zij had begrepen dat zij vluchten moesten, vluchten door dat gat.
Zermah kroop door de gemaakte opening. Eerst keek zij scherp links en rechts uit, en luisterde aandachtig. Geen enkel geluid werd vernomen. Toen kroop de kleine Dy door het gat.
In dit oogenblik liet het hondengeblaf zich hooren. Het scheen zeer verwijderd van den westkant van het eiland te komen. Zermah had het kind gegrepen. Het hart klopte haar in de borstkas, alsof het die uit elkander wou doen springen. Zij begreep dat aan geene betrekkelijke veiligheid te gelooven viel, alvorens zij achter de rietbosschen op den anderen oever zoude verdwenen zijn.
Maar het moeielijkste en gevaarlijkste van de geheele onderneming was, de ruimte van ongeveer honderd pas zee over te steken, welke de wigwam van het kanaal scheidde. Men liep er groote kans om door Texar of door een der slaven, die op het eiland achtergebleven waren, bespeurd te worden.
Gelukkig verhief zich rechts van de wigwam een dicht boschje van boomachtige struiken, met biezen vermengd, hetwelk zich tot op den oever van het kanaal, tot op weinige meters slechts van de plek waar de pont moest liggen, uitstrekte.
Zermah besloot, zich te midden van den dichten plantengroei van dat boschje te begeven, en weldra had zij dat voornemen uitgevoerd. De meer dan twee meter hooge gewassen verleenden doortocht aan de beide vluchtelingen, en hun gebladerte sloot zich achter haar aan elkander. Van hondengeblaf werd niets meer vernomen.
Dat sluipen door die struiken geschiedde evenwel niet zonder moeite en inspanning. De arme schepsels moesten zich soms tusschen de dunne stammen en takken der boompjes, die slechts eene betrekkelijke ruimte aanboden, als het ware wringen. Weldra waren de kleeren van Zermah aan flarden gescheurd en waren hare handen vol bloed. Maar wat kon haar dat schelen! Als zij er maar in slaagde het kleine kind te vrijwaren voor de scherpe lange doornen, welke die gewassen in groote menigte overdekten. Die prikken, die verwondingen konden der moedige vrouw geen kreet, zelfs geen gebaar van pijn afdwingen. Toch gebeurde het dat, in weerwil van hare opoffering, in weerwil van hare zorgen, de kleine Dy aan handjes en armpjes verwond werd. Maar het lieve kind liet geen klacht hooren.
Hoewel de af te leggen afstand slechts kort was, een zestig meter ongeveer, was er toch een vol half uur noodig om den oever van het kanaal te bereiken.
Zermah hield toen halt en tuurde tusschen de biezenstengels door, eerst in de richting van de wigwam, daarna in de richting van het woud.
Niemand werd onder het hoog geboomte van het eiland ontwaard. Ook op den anderen oever werd niets bespeurd van Texar en zijne makkers, die zich toen op een afstand van een of twee mijlen in het innerlijke van het bosch moesten bevinden. Wanneer zij geene ontmoeting met de Noordelijken hadden, dan zouden zij niet dan over ettelijke uren naar het eiland wederkeeren.
Intusschen kon Zermah nog maar niet gelooven, dat zij in de wigwam alleen achtergelaten was. Het was toch ook niet te veronderstellen, dat die der beide broeders Texar, welke daags te voren met een troep partijgenooten aangekomen was, het eiland dienzelfden nacht verlaten had, noch dat de hond hem gevolgd was. Daarenboven, de arme vluchtelinge had het geblaf duidelijk gehoord en was dat voor haar een bewijs, dat de speurhond nog tusschen de struiken ronddoolde. Ieder oogenblik kon zij den een of den ander zien te voorschijn komen; misschien was het mogelijk, wanneer zij zich haastte, het Cypressenbosch te bereiken.
De lezer zal voorzeker niet vergeten hebben, dat Zermah, terwijl zij den overtocht van het kanaal door de makkers van den Spanjaard bespiedde, zij door de hoogte van de biezen, die op de oevers groeiden, en ook door de verhevenheid der oevers zelven, de pont niet had kunnen zien, wanneer die overvoer.
Nu twijfelde Zermah er niet aan, dat die pont door een der slaven naar het eiland teruggebracht was. Dat kwam haar voor de veiligheid van de wigwam noodzakelijk voor, voor het geval dat de soldaten van kapitein Howick er in slaagden de Zuidelijken om te trekken.
En toch was het ook mogelijk, dat de pont bij den tegenovergestelden oever gebleven was. Dat kon voorzichtig heeten, om den terugtocht van Texar en de zijnen te verzekeren, wanneer zij door de Federalisten op den voet achtervolgd werden. De arme vrouw bedacht dat thans ook.... Maar wat zou zij in dat geval moeten doen, om den anderen oever te bereiken? Zou zij dan eene schuilplaats te midden van de wildernis zoeken? En zou zij daar moeten wachten totdat de Spanjaard verjaagd werd en naar de Everglades zoude vertrekken, om zich daar te bergen?
Maar al besloot hij daartoe ook, dan zou hij niet daartoe overgaan zonder al het mogelijke in het werk gesteld te hebben, om Zermah en het kind weer te vinden. Alles zou dus daarin alleen eene oplossing vinden, indien de vluchtelinge de pont vond, om daarmede het kanaal over te steken.
Zermah sloop over eene uitgestrektheid van vijf of zes meters tusschen de biezen door. Bij den oever gekomen, bleef zij staan....
De pont bevond zich aan de overzijde.

“Sterf dan, verwenscht wijf!” gromde hij. (Bladz. 224).