XII. Wat Zermah vernam.
Reading edition
»Gij hier op het eiland Garneral?”
»Ja, sedert eenige uren.”
»Ik meende dat gij nog te Adamsville waart, of u in de nabijheid van het meer Apopka bevondt.”
»Daar was ik nog acht dagen geleden.”
»En waarom zijt ge herwaarts gekomen?”
»Ik werd er toe genoopt.”
»Gij weet, wij moeten elkander nimmer ontmoeten dan in de Zwarte Kreek en dan nog slechts wanneer gij mij door middel van een briefje gewaarschuwd hadt.”
»Ik herhaal, dat ik genoopt werd te handelen zooals ik deed. Ik ben overhaast moeten vertrekken, om in de Everglades een veilige schuilplaats te zoeken.”
»Waarom?”
»Dat zult gij vernemen.”
»Maar stelt gij ons niet in gevaar ontdekt te worden?”
»Neen! Ik ben bij nacht aangekomen en geen uwer slaven heeft mij kunnen zien.”
Zermah begreep geen woord van dat gesprek. Zij kon ook niet gissen, wie die onverwachte gast in de wigwam kon zijn. Daar waren twee mannen bij elkander, die praatten; maar het was of slechts een enkel man sprak, die vragen deed en zelf antwoord gaf. Het was dezelfde stembuiging, hetzelfde toongeluid. Men zou gezegd hebben, dat al de gesproken woorden uit een en denzelfden mond kwamen. Zermah trachtte tevergeefs door eenige reten der deur te gluren. De kamer, die slechts flauw verlicht werd, was in een halfduister gedompeld, dat niet veroorloofde iets te ontwaren. De mestiesche vrouw moest zich dus bepalen tot de poging, om zooveel maar mogelijk was te vernemen van dat gesprek, dat voor haar zeer belangrijk kon zijn.
De beide mannen vervolgden, na een poos gezwegen te hebben, aldus. Het was Texar die zijn metgezel ondervroeg:
»Gij zijt niet alleen gekomen?”
»Neen, eenige onzer partijgangers hebben mij naar de Everglades vergezeld.”
»Hoeveel kwamen met u mede?”
»Een veertigtal.”
»En vreest gij niet dat zij te weten zijn gekomen, wat wij zoo lang zorgvuldig geheim hielden?”
»Volstrekt niet; zij zullen ons nimmer bij elkander zien. Wanneer zij het eiland Garneral verlaten zullen, zullen zij niets vernomen hebben en niets zal aan ons levensprogramma veranderd zijn.”
Zermah meende in dit oogenblik een gerucht te hooren als van twee handen die elkander drukten.
Daarop werd het gesprek volgenderwijs voortgezet:
»Wat is er sedert de inneming van Jacksonville gebeurd?”
»Eene vrij ernstige zaak. Gij weet dat Dupont Sint Augustijn bemachtigd heeft?”
»Ja, dat weet ik en gij zult ongetwijfeld niet onbekend zijn gebleven waarom ik dat weten moet?”
»Inderdaad! Het gebeurde met den trein van Fernandina is juist ter geschikter tijd voorgevallen om u in staat te stellen, u op een alibi te beroepen, waardoor de krijgsraad verplicht is geweest u vrij te spreken.”
»En toch had die raad daar weinig lust in! Maar bah!... Het is de eerste maal niet dat wij ons op die wijs redden...”
»En het zal de laatste keer ook wel niet zijn. Maar wellicht weet gij niet welk doel de Federalisten met de bezetting van Sint Augustijn beoogden? Dat was niet zoozeer om de hoofdplaats van het graafschap Sint John te bedwingen, dan wel om de blokkade langs de kusten van den Atlantischen Oceaan effectief te maken.”
»Dat heb ik hooren zeggen.”
»Welnu, het kwam Dupont zeer onvoldoende voor, de kust van de Sint John-monding af tot de Bahama-eilanden in het oog te houden. Hij wilde de oorlogs-contrabande tot in de binnenlanden van Florida vervolgen. Daartoe zond hij twee sloepen af met een detachement zeelieden aan boord, die aangevoerd werden door twee officieren van het eskader. Waart gij in kennis gesteld van die expeditie?”
»Neen.”
»Maar op welken datum hebt gij dan toch de Zwarte Kreek verlaten?... Eenige dagen na uwe invrijheidstelling?...”
»Ja, op den 22sten van deze maand.”
»Inderdaad, het gebeurde viel op den 22sten voor.”
Wij moeten doen opmerken, dat Zermah ook niets kon afweten van de hinderlaag te Kissimmee, waarover kapitein Howick met Gilbert Burbank, tijdens hunne ontmoeting in het woud, gesproken had.
Zij vernam dus toen evenals de Spanjaard voor het eerst, hoe die overval geschied was en dat slechts een twaalftal dier zeelieden aan den dood ontkomen waren en de tijding van die ramp aan den Commodore hadden kunnen overbrengen.
»Mooi!... Mooi zoo!...” riep Texar uit. »Dat is eene gelukkige weerwraak, genomen op de inname van Jacksonville. O, dat het ons nog meermalen gelukken moge die vervloekte Noordelijken in de binnenlanden van ons Florida te lokken. Zij zullen er dan van lusten! Tot den laatsten man zullen zij afgemaakt worden!”
»Ja, tot den laatsten!” herhaalde de ander, »vooral wanneer zij zich te midden van de moerassen van de Everglades zullen wagen. En juist, nu ik er aan denk... wij zullen ze weldra zien verschijnen.”
»Wat wilt ge zeggen?”
»Luister: Dupont heeft gezworen, dat hij den dood zijner officieren en manschappen zou wreken. Eene nieuwe expeditie is dan ook naar het zuidelijk gedeelte van het graafschap Sint John gezonden.”
»Dus de Federalisten komen herwaarts?”
»Ja; maar talrijker en goed gewapend. Zij marcheeren zeer omzichtig en omgeven hunne troepen met de meest mogelijke voorzorgsmaatregelen, ten einde de hinderlagen op te sporen en tijdig te kunnen ontgaan.”
»Hebt gij eene ontmoeting met hen gehad?”
»Neen; want al had ik ook een zeker aantal onzer partijgangers bij mij, zoo waren wij niet sterk genoeg om het gevecht aan te gaan. Daarom moesten wij terugtrekken. Maar door dat wijken, lokten wij hen langzamerhand. Wanneer wij al de militie-troepen vereenigd zullen hebben, die in den omtrek rondzwerven, dan zullen wij hen overvallen en dan zal geen hunner ons ontkomen.”
»Van welke uitgangspunten zijn zij vertrokken?”
»Van Mosquito Inlet.”
»En langs welken weg komen zij?”
»Door het cypressen-bosch.”
»Waar kunnen zij zich thans bevinden?”
»Op een afstand ongeveer van veertig mijlen van het eiland Garneral.”
»Zoo?” zei Texar. »Men moet hen ongehinderd zuidwaarts laten trekken. Maar er valt geen tijd te verliezen, om de militie-troepen bijeen te brengen. Wanneer wij er toe gedwongen mochten worden, dan zullen wij reeds morgen vertrekken, om eene schuilplaats in de nabijheid van de zeeëngte van Bahama op te sporen...”
»En mochten zij ons daar te nabij op de hielen zitten, alvorens wij onze mannen bijeengebracht hebben, dan vinden wij een veilig toevluchtsoord op die Engelsche eilanden.”
De verschillende onderwerpen, welke bij dat gesprek behandeld werden, waren uiterst belangrijk voor Zermah. Zou Texar, wanneer hij er toe overging om het eiland te verlaten, zijne gevangenen medevoeren, of zou hij haar onder bewaking van Squambo in de wigwam achterlaten? In het laatste geval ware het verkieselijk, de poging tot ontvluchting tot na het vertrek van den Spanjaard uit te stellen. De kansen van slagen zouden dan voorzeker gunstiger staan. En alles wel beschouwd, ware het niet mogelijk dat het federalistisch detachement, hetwelk beneden-Florida doorkruiste bij het meer Okee-cho-bee, in het gezicht van het eiland Garneral aanlandde?
Maar die hoop, welke Zermah voor een oogenblik bezielde, werd al dadelijk de bodem ingeslagen.
En inderdaad, op de vraag welke hem gesteld werd: wat hij met de mestiesche vrouw en het kind dacht uit te voeren, antwoordde Texar zonder aarzelen:
»Als het moet, zal ik ze meevoeren tot op de Bahama-eilanden.”
»Zal het kleine kind de vermoeienissen van dien nieuwen tocht kunnen verdragen?”
»Ja, daar sta ik voor in. Daarenboven zal Zermah haar die vermoeienissen onderweg wel weten te besparen!...”
»Maar wanneer dat kind kwam te overlijden...”
»Beter dat, dan dat zij aan hare ouders weergegeven werd!”
»Gij haat die familie Burbank dan wel zeer!...”
»Ik haat haar, zooals gij doet! Niets meer, niets minder.”
Zermah was haren toorn niet meer meester. Zij was op het punt om de deur open te stooten, ten einde die twee mannen van aangezicht tot aangezicht te zien, die elkander, niet alleen door de stem, maar ook door de slechtheid van inborst en door het totale gemis van geweten en hart, zoo gelijk waren. Gelukkig wist zij zich te bedwingen. Het was beter dat zij ten einde toe dat gesprek afluisterde, hetwelk tusschen Texar en zijnen medeplichtige gewisseld werd. Ja, zeker, dat was beter. Misschien zouden die twee aterlingen, wanneer hun gesprek afgeloopen zoude zijn, zich ter ruste leggen en inslapen... Dan was de tijd daar om, vóórdat het voorgenomen vertrek aanvaard was, de ontvluchting te ondernemen.
De Spanjaard verkeerde blijkbaar in den toestand van iemand, die alles te vernemen heeft van hem met wien hij sprak. Hij was dan ook onuitputtelijk in zijne ondervragingen.
»Welke nieuwstijdingen zijn er van het noorden?” vroeg hij.
»Geen belangrijke. Toch schijnt het ongelukkiglijk, dat de Federalisten de overhand hebben en houden. Het is dan ook te vreezen, dat de slavernij als eene verloren zaak kan beschouwd worden.”
»Nu ja, wat kan dat schelen?” hernam Texar met een gebaar van onverschilligheid.
»Zeker, het kan ons niet schelen,” hernam de ander. »Of de Noordelijken of de Zuidelijken de overhand hebben...”
»Wat ons wel schelen kan en waarop wij nauwkeurig letten moeten, dat is dat wij ons, terwijl de beide partijen elkander bestrijden en verscheuren, steeds aan dien kant bevinden, waarbij het meest te verdienen valt!”
Door zoo te spreken, openbaarde Texar de snoodheid van zijne inborst geheel en al. In het troebele water van den burgeroorlog visschen, daaruit munt te slaan, voordeelen te behalen, ziet, dat was het eenige, wat die aterlingen beoogden.
»Maar,” zoo vervolgde hij, »wat is er gedurende de laatste week bepaaldelijk in Florida voorgevallen?”
»Niets wat gij niet reeds weet. Stevens beheerscht met zijne kanonneerbooten de Sint John tot Piccolata toe.”
»En schijnt hij den stroom niet verder te willen opstevenen?”
»Naar mijne gissing, neen; want de oorlogsvaartuigen volvoeren geene verkenning in zuidelijke richting van het graafschap. Daarenboven, ik voor mij geloof dat die inbezitname van de rivier haar einde nadert en in dat geval zou het geheele stroomgebied weer in handen van de geconfedereerden vallen.”
»Hoe bedoelt gij?”
»Het gerucht verbreidt zich, dat Dupont voornemens is Florida te verlaten en dat hij slechts twee of drie vaartuigen zal achterlaten, om de kusten te blokkeeren.”
»Zou dat mogelijk zijn?”
»Ik herhaal, dat er sprake van is. En in dat geval zal Sint Augustijn door de Noordelijken spoedig ontruimd worden.”
»En Jacksonville?...”
»Jacksonville ook.”
»Drommels! Ik zou daar dan kunnen terugkeeren om onze regeering te herstellen, om de plaats weer in te nemen, waarvan de Federalisten mij verjaagd hebben! O, vervloekte Noordelijken, dat het mij vergund zij de macht weer in handen te krijgen, dan zult gij eens zien, welk gebruik ik er van zal maken!”
»Mooi gezegd!”
»En als James Burbank Camdless-Bay met zijn huisgezin niet verlaten heeft, wanneer hij zich niet door de vlucht aan mijne wraakneming zal onttrokken hebben, dan zal geen hunner mij ontsnappen!”

En blies stilzwijgend den rook voor zich uit. (Bladz. 180).
»Ik hecht aan dat alles mijne goedkeuring; want alles wat gij door toedoen van die familie geleden hebt, heb ik ook ondergaan! Wat gij wilt, wil ik ook! Wien gij haat, haat ik ook! Wij beiden vormen slechts één!...”
»Ja!... slechts één!” antwoordde Texar.
Het gesprek werd gedurende een poos afgebroken. Het aanstooten met glazen bracht Zermah op de hoogte, dat de beide aterlingen te zamen dronken.
De brave mestiesche vrouw was diep ter neergeslagen. Uit hetgeen zij daar vernomen had, scheen het, dat die beide mannen een gelijk aandeel gehad hadden in al die misdaden, welke in den laatsten tijd in Florida, maar voornamelijk ten opzichte van de familie Burbank gepleegd waren. Dat werd haar nog duidelijker, toen zij nog gedurende een half uur luisterde. Zij vernam toen eenige bijzonderheden omtrent het vreemdsoortige bestaan van den Spanjaard. En steeds deed zich diezelfde stem hooren, welke de vragen stelde en de antwoorden gaf, even alsof Texar slechts alleen in het vertrek was en zich met praten onledig hield. Er bestond daar een geheim, hetwelk de mestiesche vrouw groot belang had om te ontdekken. Maar wanneer die ellendelingen slechts gissen konden, dat Zermah een gedeelte van hun geheim ontdekt had, dan voorwaar zouden zij niet aarzelen haar leven aan hunne veiligheid ten offer te brengen. En wat zou dan van het kind, van het meisje terecht komen, wanneer Zermah vermoord zoude zijn?
Het kon toen ongeveer elf uur in den avond zijn. Het weer was er niet op verbeterd. Het was eerder afschuwelijk geworden. De wind huilde en de regen kletterde onophoudelijk. Texar en zijn metgezel zouden zich onder die omstandigheden voorzeker niet buiten wagen en zouden den nacht in de wigwam doorbrengen. Bijgevolg zouden zij hunne plannen eerst den volgenden ochtend ten uitvoer brengen.
Zermah twijfelde daaromtrent niet meer toen zij Texar’s medeplichtige hoorde vragen:
»Welnu, welk besluit nemen wij?”
»Ziehier,” antwoordde de Spanjaard. »Morgen zullen wij gedurende de ochtenduren met onze lieden eene verkenning ondernemen in de omstreken van het meer. Wij zullen het cypressenbosch over eene uitgestrektheid van vier of vijf mijlen doorzoeken, na eerst diegenen onzer makkers vooruitgezonden te hebben, die het woud het best kennen. En onder dezen behoort voornamelijk Squambo. Wanneer niets de nadering van het federalistisch detachement aanduidt, dan komen wij hier terug en dan zullen wij verblijven totdat het oogenblik gekomen zal zijn om terug te trekken. Doet zich evenwel de toestand als dreigend in de naaste toekomst voor, dan zal ik mijne partijgenooten en mijne slaven bijeentrekken, en dan zal ik Zermah naar de Bahama-zeeëngte vervoeren. Neemt gij tot taak op u, om de in beneden-Florida verspreide militie-troepen bijeen te brengen?”
»Dat is afgesproken,” antwoordde de ander. »Morgen, terwijl gij die verkenning zult uitvoeren, zal ik mij in het meest boschrijke gedeelte van het eiland verschuilen. Want niemand mag ons ooit te zamen zien.”
»Voorzeker niet,” riep Texar uit. »De duivel verhoede, dat wij ooit zoo’n onvoorzichtigheid zouden begaan, die ons geheim aan het licht zoude brengen. Dus wij zullen u eerst den volgenden nacht hier in de wigwam weerzien. En wanneer ik zelf genoodzaakt werd in den loop van den dag te vertrekken, dan moogt gij het eiland eerst na mij verlaten. Onze nieuwe plaats van samenkomst zal alsdan bij de Zandkaap zijn.”
Zermah gevoelde alsnu, dat er van hare bevrijding door de federalistische troepen geen spraak meer kon zijn.
En inderdaad, het stond nu vast, dat de Spanjaard, wanneer hij kennis zoude krijgen van de nadering van het detachement, het eiland zou verlaten en haar en het kind met zich zou voeren...
De mestiesche vrouw kon dus, wat hare redding betreft, slechts alleen op haar zelve rekenen, hoe gevaarlijk, hoe onmogelijk eene ontsnapping in de gegeven omstandigheden ook mocht geoordeeld worden.
En toch, met welken moed zou zij die onderneming niet op zich genomen hebben, wanneer zij slechts geweten had, dat master James Burbank, dat zijn zoon Gilbert en Mars zich met eenige gewezen slaven van de plantage op weg begeven hadden, na haar briefje ontvangen te hebben, hetwelk hen de streek aangaf werwaarts hunne nasporingen uit te strekken, dat het troepje van James Burbank reeds de Sint John opgestevend was, dat het reeds een groot gedeelte van het cypressenbosch doorgetrokken was, dat het kleine troepje van Camdless-Bay zijne vereeniging met het detachement van kapitein Howick bewerkstelligd had, dat het Texar, Texar in persoon was, die beschouwd werd als de bewerker van de hinderlaag te Kissimmee, dat die ellendeling nadrukkelijk en zonder verpoozing zou achtervolgd en dat hij zonder vorm van proces zoude opgehangen worden, wanneer hij gevangen genomen werd!...
Maar Zermah wist niets en kon niets weten. Zij kon en mocht geen hulp vanwaar ook verwachten. Zij was dan ook stellig en onwrikbaar besloten, alles te wagen, alles op het spel te zetten, om het eiland Garneral te ontvluchten.
Evenwel was zij genoodzaakt, hoewel de nacht zeer donker en derhalve voor eene ontsnapping gunstig was, de uitvoering van haar plan vier-en-twintig uren uit te stellen. De partijgangers toch, die geene schuilplaats onder het geboomte van het woud gezocht hadden, bezetten het omliggend terrein van de wigwam. Men hoorde heen en weer drentelen op den oever van het eiland, terwijl zij zich verder met praten en rooken onledig hielden. Er was niet aan te denken onder die omstandigheden de hut te kunnen verlaten, want werd zij ontdekt, werd haar plan doorzien, dan zou de arme vrouw in veel erger doen verkeeren; want dan zou zij zeer zeker aan de gewelddadigheden van Texar blootstaan.
Daarenboven, zoude de volgende dag niet beter gelegenheid tot ontvluchting aanbieden? Had de Spanjaard niet gezegd, dat zijne makkers, dat zijne slaven, dat de Indiaan Squambo zelf hem zouden vergezellen, om het federalistisch detachement te gaan verkennen? Zou zich dan geene geschikte gelegenheid voordoen, waarvan Zermah behendig partij zou kunnen trekken, om hare kansen van slagen te vermeerderen? Wanneer het haar gelukte het kanaal te overschrijden zonder gezien te worden, wanneer zij eenmaal het woud bereikt zoude hebben, dan twijfelde zij er niet aan, dat zij met Gods hulp gered zoude worden. Door zich zorgvuldig te verbergen, zou zij wel weten te vermijden andermaal in handen van Texar te vallen. De kapitein Howick kon toch niet meer ver af zijn. Hij rukte toch naar het meer Okee-cho-bee op, en er bestond dus wel kans, dat zij door hem bevrijd zoude worden.
Het was dus geraden tot den volgenden dag te wachten. Maar een toeval kwam het geheele geraamte vernietigen, waarop Zermah de hoop harer redding gebouwd had. Dat toeval zou daarenboven, hare verhouding tegenover Texar geheel wijzigen.
Er werd in dit oogenblik aan de deur van de wigwam geklopt. Het was niemand anders dan Squambo, die het herkenningsteeken met zijn meester wisselde.
»Kom binnen,” zei de Spanjaard.
Squambo trad het vertrek binnen.
»Hebt gij bevelen voor dezen nacht te geven?” vroeg hij.
»De waakzaamheid moet stipt betracht worden,” antwoordde Texar, »en bij het bespeuren van iets verdachts, moet ik dadelijk gewaarschuwd worden.”
»Dat neem ik op mij,” hernam de Indiaan.
»Morgenochtend zullen wij het cypressenbosch over eene uitgestrektheid van verscheidene mijlen verkennen.”
»En hoe zal het dan met de mestiesche vrouw en met Dy gaan?”’
»Die zullen als gewoonlijk bewaakt worden. Zorg nu Squambo, dat niemand de rust in den omtrek van de wigwam stoort.”
»Daar zal ik voor zorgen.”

Zermah luisterde met gespitste ooren aandachtig toe. (Bladz. 186).
»Wat voeren onze lieden uit?”
»Zij drentelen heen en weer, en schijnen weinig geneigd om rust te genieten.”
»Dat geen hunner zich verwijdere.”
»Geen enkele, wees gerust.”
»Hoe staat het met het weer?...”
»Iets beter. Het houdt op met regenen, en de windvlagen beginnen ook al te bedaren.”
»Goed.”
Zermah had dit geheele gesprek afgeluisterd en het scheen blijkbaar een einde te zullen nemen, toen eensklaps een onderdrukte zucht, een soort van gesmoord gerochel vernomen werd.
De mestiesche vrouw ontstelde zeer; het was als voelde zij al het bloed in haar lichaam naar het hart stroomen.
Zij sprong op en ijlde naar het nachtleger van gras, en boog zich over het meisje...
De kleine Dy was zooeven ontwaakt; maar helaas, in welken staat! Schor en fluitend ontsnapte de ademhaling aan haar lippen. Zij maakte bewegingen met hare kleine handen, alsof zij de lucht naar haren mond wilde toevoeren. Zermah kon slechts de woorden opvangen:
»Te drinken!... te drinken!”
Het rampzalige kind was het stikken nabij. Zij moest dadelijk buiten gedragen worden. Zermah, door angst schier waanzinnig, nam het meisje in die diepe duisternis op, om haar met haren eigen ademtocht te helpen. Zij voelde haar in een soort van zenuwtoeval stuiptrekken. Zij stiet een kreet uit... duwde de deur van hare kamer open, en...
Twee mannen stonden daar tegenover Squambo... maar die mannen waren elkander door gelaat en gestalte zoodanig gelijk, dat Zermah onmogelijk zou hebben kunnen aanwijzen, wie hunner Texar was.