← Table of contents
De strijd tusschen Noord en Zuid

XIII. Een dubbelganger.

Reading edition

Weinige woorden zullen voldoende zijn, om tot helderheid te brengen, wat tot nu toe onverklaarbaar in deze geschiedenis is voorgekomen.

Die twee mannen, voor wie Zermah plotseling verschenen was, waren broeders, waren tweelingen.

Waar waren zij geboren? Dat wisten zij zelven niet nauwkeurig aan te duiden; waarschijnlijk in een klein dorp van Texas, en daaraan was ongetwijfeld die naam van Texar, door verandering van de eindletter van dien naam, ontleend.

Men weet dat Texas een uitgestrekt grondgebied is, hetwelk ten zuiden van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en langs de golf van Mexico gelegen is.

Nadat de Texanen tegen de Mexicanen opgestaan waren, bij welken onafhankelijkheidsoorlog zij door de Noord-Amerikanen geholpen werden, werden zij in 1845 bij de Groote Republiek, die toen door den president John Tyler bestuurd werd, ingelijfd.

Vijftien jaren vóór die inlijving, werden twee kinderen in een dorp van het Texaansche kustland verlaten gevonden. Zij werden opgenomen en door de openbare liefdadigheid opgevoed.

De aandacht was eerst op die twee kinderen gevestigd geworden door de bewonderenswaardige gelijkenis, welke tusschen hen bestond. Zij hadden dezelfde gebaren, dezelfde stem, dezelfde gestalte, dezelfde lichaamshouding, dezelfde gelaatstrekken, en er kan bijgevoegd worden: zij hadden ook dezelfde geaardheid, die evenwel van eene vroegtijdige maar diepe verdorvenheid getuigde.

Hoe werden zij opgevoed? Welk onderwijs viel hun ten deel?

Dat wist niemand. Evenmin kon iemand aangeven tot welke verwantschap zij behoorden. Misschien stamden zij af van eene dier nomadische familieën, welke het land na de onafhankelijkheidsverklaring afliepen.

Zoodra de gebroeders Texar, die door een onweerstaanbaren aandrift tot vrijheid, of beter tot ongebondenheid bezield werden, vermeenden zelf in hun onderhoud te kunnen voorzien, verdwenen zij uit de buurt waar zij opgevoed waren. Zij telden toen te zamen vier-en-twintig jaren.

Van dat tijdstip af bestonden hunne middelen van bestaan uit de opbrengsten van de diefstallen, welke zij op de akkers en in de pachthoeven pleegden. Hier waren het vruchten, welke zij kaapten, elders ontvreemdden zij brood. Zoo bereidde hunne kindsheid en hunne jongelingschap hen voor, om later gewapenderhand tot plundering en tot rooftochten langs de groote wegen te kunnen overgaan en bewezen zij van die voorbereiding op uitmuntende wijze partij getrokken te hebben.

Om kort te gaan, men zag hen niet meer terug in de Texaansche dorpen en gehuchten, waarin zij gewoon waren zich te vertoonen in gezelschap van boosdoeners, die toen reeds de gelijkenis der tweelingbroeders tot misdadige doeleinden aanwendden.

Vele jaren gingen voorbij.

De gebroeders waren spoedig vergeten; zelfs de naam van Texar wischte zich in de herinnering der inwoners uit. En hoewel die naam later eene betreurenswaardige vermaardheid in Florida zoude verkrijgen, bestond er niets, waaruit op te maken viel, dat zij hunne prille jeugd op de kustplaatsen van Texas hadden doorgebracht.

Hoe zou dat ook anders hebben kunnen zijn, daar niemand sedert hunne verdwijning, ten gevolge van eene verstandhouding tusschen die beiden beraamd, ooit van twee Texars had hooren spreken. Het was zelfs door deze verstandhouding, dat zij de mogelijkheid gevonden hadden, om een menigte misdrijven te plegen, die zoo moeielijk ja onmogelijk te bewijzen schenen en daardoor straffeloos bleven.

En inderdaad vernam men—toen later dat tweelingschap behoorlijk bewezen en vastgesteld was—dat die beide broeders gedurende een geruimen tijd, van hun dertig- tot hun veertigjarigen leeftijd van elkander gescheiden leefden. Zij trachtten een vermogen te verwerven, onverschillig op welke wijze. Zij ontmoetten elkander slechts uiterst zeldzaam en dan nog slechts wanneer zij er zeker van waren, dat geen oog hen kon bespieden. Die ontmoetingen hadden niet alleen in Amerika plaats, maar ook in ieder ander werelddeel, waarheen hen hun misdadig gesternte voerde.

Daarheen brachten zij eenige slaven over, aan wie zij het geheim hunner gelijkenis niet mededeelden. (Bladz. 203).
Daarheen brachten zij eenige slaven over, aan wie zij het geheim hunner gelijkenis niet mededeelden. (Bladz. 203).

Daarheen brachten zij eenige slaven over, aan wie zij het geheim hunner gelijkenis niet mededeelden. (Bladz. 203).

Men vernam ook, dat de een of de andere—welke der twee kon niet bepaald worden, misschien waren zij beiden schuldig—het bedrijf van slavenhaler uitoefende. Zij voerden geheele ladingen slaven van de Afrikaansche kusten naar de Zuidelijke Staten van de Unie over, of beter gezegd, zij deden die overvoeren. Want bij dergelijke operatiën vervulden zij slechts de rol van middelaars tusschen de slavenhouders van het land en de kapiteins der vaartuigen, welke tot dien afschuwelijken, onmenschelijken handel gebezigd werden.

Maakten zij zaken met dat afgrijselijke bedrijf? Niemand wist dat. Toch valt het te betwijfelen. Zooveel is zeker, dat die handel merkelijk verminderde en eindelijk geheel ophield, toen de slavenhandel, gebrandmerkt als eene daad van gruwelijke barbaarschheid, langzamerhand in de beschaafde landen afgeschaft werd. Toen waren de beide broeders wel verplicht, die soort van zaken op te geven.

Intusschen was dat vermogen, hetwelk zij zoozeer wenschten te bezitten en dat zij het koste wat het wilde, poogden te bemachtigen, nog niet verworven en moest dat nog verdiend worden.

Toen was het dat die twee gelukzoekers besloten, om hunne buitengewone gelijkenis te benutten.

In de meeste gevallen gebeurt het, dat die gelijkenis van tweelingen zich later merkbaar wijzigt, wanneer de kinderen den volwassen leeftijd bereikt hebben.

Met de beide Texars was dat geenszins het geval. Men kon niet zeggen dat hunne gelijkenis, naarmate zij in leeftijd vorderden, toenam of duidelijker werd, want dat was onmogelijk; maar zij bleef wat zij was, namelijk volmaakt, zoowel wat betreft het karakter als het uitwendige. Het was onmogelijk, ja totaal onmogelijk den een’ van den anderen te onderscheiden, niet alleen afgaande op de gelaatstrekken of den lichaamsbouw, maar ook op hunne gebaren of op de buiging hunner stem.

De beide broeders besloten die natuurlijke bijzonderheid, welke hen beschoren was, te benutten, om de meest verfoeielijke daden te plegen. Zij hadden de mogelijkheid spoedig genoeg ingezien, dat wanneer een hunner beschuldigd werd, een alibi kon gesteld worden, om zijne onschuld aan het hem ten laste gelegde te bewijzen. Zij gingen daarbij dan ook zoo te werk, dat terwijl de een de vooraf besprokene misdaad volvoerde, de ander zich op de een of andere plaats in het publiek vertoonde en wel zoo, dat door middel van dat alibi de niet schuldigheid ipse facto bewezen was.

Hier behoeft voorzeker niet bijgevoegd te worden, dat zij hunne geheele sluwheid aanwendden, om zich nimmer op heeterdaad te laten betrappen of te vatten. Natuurlijk zou zich de gevangene dan niet op een alibi kunnen beroepen, en dan zou het geheele goochelspel weldra ontdekt zijn.

Toen de beide broeders zoo hun levensdoel vastgesteld hadden, vertrokken zij naar Florida, waar geen hunner bekend was. Wat hen daarheen lokte, dat waren de talrijke gelegenheden om in een Staat, alwaar de Indianen, de oorspronkelijke bewoners des lands, een hardnekkigen oorlog tegen de indringers, de Amerikanen en de Spanjaarden voerden, in troebel water te visschen.

Het was in het jaar 1850 of 1851, dat de beide Texars voor het eerst op het Floridasche schiereiland verschenen. Wij hadden moeten zeggen: Texar en niet Texars; dat zou juister geweest zijn. Want overeenkomstig hun programma, werden zij nooit te zamen gezien. Nimmer ontmoette men hen beiden op denzelfden dag en op dezelfde plaats. Nimmer vernam iemand, dat twee personen van dienzelfden naam bestonden.

Daarenboven, terwijl zij hunne personen aldus door een stipt volgehouden geheimzinnig waas omringden, hadden zij ook met veel zorg eene geheimzinnige verblijfplaats opgespoord, die hen op een gegeven oogenblik tot schuilplaats kon dienen.

Zooals de lezer weet, hadden zij die in de Zwarte Kreek gevonden. Het centrale eiland in die halfvorming en het verlaten fortje ontdekten zij bij hunne nasporingen, welke zij langs de oevers der Sint John volvoerden. Daarheen brachten zij eenige slaven over, aan wie zij het geheim hunner gelijkenis niet mededeelden. Alleen Squambo de Indiaan was volledig ingelicht omtrent hun dubbel bestaan. Hij was vervuld met eene toewijding jegens de beide broeders, die elke beproeving tartte; daarenboven was hij bescheiden en wist te zwijgen, omtrent alles wat de beide Texars aanging; zoodat hij een uitmuntende vertrouweling was en ook als onverbiddelijke uitvoerder hunner wilsuitingen kon aangemerkt worden.

De lezer zal wel begrepen hebben, dat de twee broeders zich nimmer te zamen in de Zwarte Kreek vertoonden. Wanneer zij de een of andere zaak te bepraten hadden, dan waarschuwden zij elkander schriftelijk. En men heeft kunnen bemerken, dat zij bij zulke gelegenheden zich niet van de post bedienden. Een briefje werd in een blad gerold, dat blad werd aan een tak van een tulpboom bevestigd, die in een naburig moeras van de Zwarte Kreek groeide; meer was niet noodig.

Squambo begaf zich iederen dag, evenwel niet dan na de grootste voorzorgen genomen te hebben, naar die plek. Wanneer hij overbrenger was van een brief van diengeen der Texars, die in de Zwarte Kreek verblijf hield, dan bevestigde hij hem aan den tulpboom; wanneer het de andere tweeling was, die geschreven had, dan nam hij den brief van de vooraf besproken plaats en bracht hem naar het blokhuis.

Die beide ellendelingen waren nog niet lang in Florida, of zij waren in gemeenschap getreden met het liederlijkste gedeelte van de bevolking van het schiereiland. Vele boosdoeners werden hunne medeplichtigen bij tal van diefstallen, welke in dat tijdperk gepleegd werden. Die dieven en helers werden later hunne partijgenooten, toen de twee broeders besloten eene rol in den gruwelijken secessie-oorlog te spelen.

Nu eens stelde zich de een, dan weer de ander aan het hoofd van den misdadigen troep, waarvan niemand in het minst vermoedde, dat twee personen dien naam van Texar voerden.

Thans zal de lezer wel begrijpen, hoe bij de vervolging van zoo verscheidene misdaden, de beide Texars steeds zeer gevat zich op onwraakbare alibi’s konden beroepen, en waarom die als onweerlegbaar in de gedingen aangenomen moesten worden. Het was evenzoo gegaan met misdaden, die gedurende het tijdperk vóór het begin van deze geschiedenis bij het gerecht aangegeven waren, waar onder meer anderen de brandstichting eener pachthoeve moest gerekend worden.

Hoewel master James Burbank en de mestiesche vrouw Zermah den Spanjaard bepaald als den dader van de brandstichting herkend hadden, was deze toch door de rechtbank van Sint Augustijn vrijgesproken, toen hij bewezen had, dat hij zich op het oogenblik dat de misdaad gepleegd werd, te Jacksonville in de tienda van Torillo bevonden had. Dat werd toch door een groot aantal getuigen onder eede bevestigd.

Zoo was het ook gegaan met betrekking tot de verwoesting van de plantage Camdless-Bay.

Hoe zou het toch mogelijk geweest zijn, tegelijkertijd de plunderaars bij den stormaanval op Castle House aan te voeren en de kleine Dy en Zermah te ontvoeren, terwijl hij zich toen onder de krijgsgevangenen bevond, die de Federalisten te Fernandina gemaakt hadden en aan boord van een der oorlogsschepen van het noordelijk eskader in verzekerde bewaring gebleven waren?

De krijgsraad was dus genoodzaakt geweest hem, in weerwil van de vele bewijzen, in weerwil van de getuigenis, door miss Alice Stannard onder eede afgelegd, vrij te spreken.

En zelfs, al neemt men aan dat de beide Texars als dubbelgangers erkend werden, dan nog zou men zeer waarschijnlijk nimmer te weten komen, wie hunner persoonlijk de bedoelde misdaden pleegde of daaraan deelnam. Maar, waren zij, alles wel beschouwd, beiden niet evenzeer schuldig aan, evenzeer medeplichtig aan, evenzeer de voornaamste bewerkers van alle die aanslagen, die sedert zoovele jaren op het Floridasche grondgebied ten uitvoer gelegd werden?

Voorzeker, en de straf, waartoe de een of de ander, of wel beiden verwezen zouden worden, zou wel verdiend zijn.

Wij hadden moeten zeggen: Texar en niet Texars, dat zou juister geweest zijn (Bladz. 203).
Wij hadden moeten zeggen: Texar en niet Texars, dat zou juister geweest zijn (Bladz. 203).

Wij hadden moeten zeggen: Texar en niet Texars, dat zou juister geweest zijn (Bladz. 203).

Wat de gebeurtenissen aangaat, die onlangs te Jacksonville voorgevallen waren, het was zeer waarschijnlijk, dat de beide broeders beurtelings dezelfde rol gespeeld hadden, nadat het rechtmatige gezag door den opstand van het gepeupel omvergeworpen was. Als Texar I de stad verliet, om een andere vooraf beraamde onderneming ten uitvoer te leggen, dan verving Texar II hem bij de uitoefening zijner waardigheid, en dat zonder dat hunne medeplichtigen of partijgangers omtrent die persoonsverwisseling eenige gissing koesterden.

Hieruit mag dus besloten worden, dat zij beiden evenveel schuld hadden aan de uitspattingen, welke zoowel tegen de planters, die van de Noordelijke Staten afkomstig waren, als tegen hen, die in de Zuidelijke Staten geboren, den slavenhandel gunstig gestemd waren, gepleegd werden.

Beiden waren, zooals de lezer wel zal begrijpen, steeds behoorlijk op de hoogte van hetgeen in de centrale Staten van de Unie voorviel. Zij hadden daardoor dan ook een zekeren invloed op de halfblanke bevolking, zoo ook op het schuim der bevolking verkregen. In de gegeven omstandigheden hadden zij veel briefwisseling, en herhaalde geheime samenkomsten met elkander moeten houden, ten einde omtrent de leiding hunner ondernemingen te beraadslagen. Daarna waren zij weer van elkander gegaan, ten einde hunne toekomstige alibi’s voor te bereiden.

En zoo gebeurde het, dat terwijl de een op een oorlogsschip der Noordelijken krijgsgevangen zat, de ander op hetzelfde oogenblik den verwoestingstocht tegen Camdless-Bay aanvoerde. De lezer vernam hoe hij deswege door den krijgsraad van Sint Augustijn wegens het gestelde alibi van iedere vervolging ontslagen werd.

Hiervoren werd reeds gezegd, dat die verwonderingbarende gelijkenis der twee broeders, door het vorderen in leeftijd ongeschonden was gelaten. Toch was het zeer goed mogelijk, dat een toeval van physieken aard, eene verwonding of iets dergelijks die gelijkenis zou kunnen verstoren, doordat den een of ander een merkbaar teeken zoude bedeeld worden. Zoo iets zou voldoende geweest zijn, om het welslagen hunner zaakbetrekkelijke spitsvondigheid in gevaar te brengen. En bij het avontuurlijke leven, hetwelk zij leidden, waarbij zij aan zoovele kwade kansen blootgesteld waren, liepen zij veel gevaar hier of daar eene verwonding op te doen, die, wanneer zij onherstelbaar ware, hen de mogelijkheid ontnomen had, voor elkander op te treden.

Waren echter die toevallen herstelbaar, dan zou natuurlijk de gelijkenis daardoor niet te lijden hebben.

Zoo gebeurde het eens dat een der Texars, korten tijd nadat zij in Florida aangekomen waren, diens baard door een geweerschot, hetwelk rakelings op hem afgevuurd was, verbrand werd. Dadelijk schoor zich de andere tweeling de kin kaal, om baardeloos als zijn broeder te zijn.

Een ander feit, dat ook wel een nadere verklaring verdient. Men heeft voorzeker niet vergeten, dat Zermah op een nacht, terwijl zij nog in de Zwarte Kreek gevangen was, den Spanjaard zich den arm zag tatoueeren. Dat geschiedde omdat zijn tweelingbroeder eens bij een tocht door een bende Seminool-Indianen opgelicht en toen zoo met dat onuitwischbaar merk op den linkerarm geteekend was geworden. Deze had dadelijk eene nauwkeurige teekening van die tatoueering naar het fortje gezonden, waar Squambo haar even nauwkeurig had kunnen overbrengen. De identiteit onderling der beide tweelingen bleef dus ongeschonden.

En waarlijk, het zou niet gewaagd zijn te verzekeren, dat wanneer Texar I een arm of een been kwijt raakte, Texar II niet aarzelen zou, zich het overeenkomstige lichaamsdeel te laten afzetten.

Om kort te gaan, gedurende een groot tiental jaren gingen de gebroeders Texar voort dat dubbelgangersleven te voeren, maar zij gingen daarbij met zulke behendigheid, met zulke voorzichtigheid te werk, dat zij er in geslaagd waren aan alle vervolgingen van de Floridasche rechterlijke macht te ontkomen.

Hadden de beide tweelingen met hunne bedrijven eenig vermogen verworven? Binnen zekere grenzen, ja. Eene vrij aanzienlijke som gelds, welke zij van de opbrengsten hunner diefstallen en plunderingen bespaard hadden, was in een geheim hoekje van het blokhuis in de Zwarte Kreek zorgvuldig opgeborgen. Dat geld was evenwel bij wijze van voorzorgsmaatregel door den Spanjaard medegenomen geworden, toen hij besloot naar het eiland Garneral af te reizen, en men kan er zeker van zijn, dat hij het niet in de wigwam zou achterlaten, wanneer hij genoodzaakt zoude worden, naar de overzijde van het Bahama-kanaal te vluchten.

Dat vermogen scheen hen evenwel onvoldoende toe. Zij trachtten het dan ook te vermeerderen, alvorens er zonder gevaar hier of daar in Europa of Noord-Amerika van te gaan genieten.

Daarenboven, toen zij vernamen dat de Commodore Dupont voornemens was om Florida weldra te ontruimen, was het den beiden broeders duidelijk geworden, dat de gelegenheid geopend zoude worden om zich nog meer te verrijken; want dan zouden zij de planters, die voor de Noordelijken gezind waren, die bezetting van weinige weken van Florida door de federalistische troepen, duur laten betalen. Zij besloten dus op zien komen te spelen. Wanneer zij maar eenmaal te Jacksonville terug zouden zijn, zouden zij met behulp van hunne partijgenooten en met behulp van allen, die zich door hunne sympathieën voor de Zuidelijken gecompromitteerd hadden, weldra den toestand weten te beheerschen en de standplaats hernemen, die zij bij een volksoploop veroverd hadden en die een volksoploop hen weergeven kon.

De beide Texars hadden daarenboven nog een middel in hun bezit, een beproefd middel, om datgene te erlangen wat hen nog ontbrak om rijk te kunnen heeten, en zelfs rijker dan zij ooit gedroomd hadden.

En inderdaad, waarom leenden zij het oor niet aan de voorstellen, welke Zermah aan een hunner gedaan had? Waarom haastten zij zich niet, de kleine Dy aan hare wanhopige ouders weer te geven? Master James Burbank zou voorzeker zijn geheele vermogen willen opofferen, om zijn arm kind terug te krijgen. Hij zou zich voorzeker wel willen verbinden, geen klacht in te brengen, geene vervolging jegens den Spanjaard uit te lokken.

Maar bij de beide Texars had de haat grooter macht dan het eigenbelang. En waren zij er op uit om zich te verrijken, dan werd die wensch overheerscht door de gedachte, dat zij zich over de familie Burbank gewroken zouden hebben alvorens Florida te verlaten.

De lezer weet thans alles wat hij nopens de broeders Texar weten moet. Wij kunnen thans tot de ontknooping van deze geschiedenis overgaan.

Het zal onnoodig zijn mede te deelen, dat Zermah alles begreep, toen zij zich plotseling in tegenwoordigheid van die twee mannen bevond. Al het gebeurde van vroeger kwam haar oogenblikkelijk voor den geest. Zij stond daar ontzet, terwijl zij hen aankeek. Zij stond daar bewegingloos met het kleine meisje in hare armen, alsof hare voeten in den bodem wortel geschoten hadden. Gelukkig dat de meer frissche lucht in die kamer, ieder gevaar van verstikking van het kind verwijderd had.

Maar de verschijning van de arme vrouw in tegenwoordigheid van de beide broeders, dat geheim hetwelk zij daar onverwachts ontdekt had, was een doodvonnis voor haar.

Dan bevestigde hij hem aan een tulpboom. (Bladz. 203).
Dan bevestigde hij hem aan een tulpboom. (Bladz. 203).

Dan bevestigde hij hem aan een tulpboom. (Bladz. 203).

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings