← Table of contents
De schipbreuk van de "Berlin" 21 Februari 1907

Hoe er elf gered werden.

Reading edition

Het leek wel even of door het vorstelijk bezoek aan den Hoek van Holland de belangstelling voor de eigenlijke aanleiding tot dat bezoek verminderde, de aandacht van de ramp werd afgeleid. Maar dadelijk nadat de Prins, na een eenvoudigen lunch in het stationsgebouw, zich had ingescheept op het stoomloodsvaartuig de Hellevoetsluis, concentreerde zich de aandacht van al de duizenden die zich op dat oogenblik aan den Hoek bevonden weer geheel op het wrak, op de enkele schipbreukelingen die daar nog levend op vermoed werden en op de reddingspogingen die nu opnieuw een aanvang zouden nemen.

De Hellevoetsluis. (vergroting 1189×717, 169kb)

De Hellevoetsluis.
De Hellevoetsluis.

Men voelde het als bij gemeenschappelijke ingeving: thans, onder het oog van den Prins, zou het er om gaan.... nu of nooit!

O, hoe volgden wij van den wal, door kijkers of met het bloote oog de manoeuvres van de booten, die op redding uittogen. Hoe gaarne waren wij, verslaggevers, meegegaan op die tocht, maar wij mochten ons niet blootstellen aan de kans, op het gewichtigste oogenblik van alle communicatie met den wal en dus ook met onze redacties te zijn afgesneden. Wij stonden toch al duizend angsten uit voor het overkomen van onze telegrammen, die naar we wisten met de depêches van onze Engelsche, Duitsche en Fransche collega's op stapels lagen aan het telegraafkantoor, dat over zijn eene lijn seinde zoo hard als het kon, maar al het nieuws niet vermocht te verwerken.

De Reddingsboot President van Heel uitvarende naar het wrak. (vergroting 1427×1125, 314kb)

De Reddingsboot President van Heel uitvarende naar het wrak.
De Reddingsboot President van Heel uitvarende naar het wrak.

We moesten dus voor het tijdig overkomen van onze berichten maar op ons goed gesternte vertrouwen en verder doen wat voor het oogenblik te doen viel: het reddingswerk van den wal af volgen zoo goed als het ging.

Ik bevond mij in den »uitkijk» van het Loodswezen aan de Berghaven en volgde door een kijker de bewegingen van het reddings-eskader. Want dat was het nu geworden. De reddingsboot President van Heel was te éen uur uitgevaren en de stoomloodsboot Hellevoetsluis, aan boord waarvan zich Prins Hendrik bevond, volgde haar. Tevens voeren naar het wrak uit de Katwijk, een sleepboot, van den internationalen sleepdienst, en de Hoek van Holland II, een vaartuig van den onderhoudsdienst der havenwerken.

Nabij het wrak gekomen, aan de binnenzijde van het Noorderhoofd gingen de grootste dezer vier vaartuigen ten anker, zoo, dat zij evenwijdig aan den keidam lagen, waardoor tusschen haar en het steenen hoofd een gedeelte van tamelijk kalm water ontstond waarin de reddingboot en zelfs sloepen beter konden manoeuvreeren. De bemanning van de reddingsboot was van plan te trachten den vuurtoren te bereiken en van de ijzeren trap daarvan een lijn te schieten naar het wrak. Inderdaad gelukte het een der mannen, H. van Mastrigt, den dam te bereiken, ongeveer 100 meter van het wrak verwijderd naar den vasten wal toe.

Maar verder scheen men langen tijd niet te komen, althans men zag van den wal af de jol van de reddingboot heen en weer varen tusschen de boot en het hoofd, zonder dat echter meer mannen met Van Mastrigt op de pier kwamen, welke laatste ten slotte ook weer aan boord terugkeerde.

Dit talmen maakte, zoo hoorde ik later, allen die aan boord van de »Hellevoetsluis» waren zeer ongeduldig en de matrozen van het Loodswezen brandden van verlangen om met hun jol te trachten het hoofd te bereiken.

Schoonbeek, Jansen, Van Duijn en Ree de loodsleerlingen. (vergroting 1130×1153, 278kb)

Schoonbeek, Jansen, Van Duijn en Ree de loodsleerlingen.
Schoonbeek, Jansen, Van Duijn en Ree de loodsleerlingen.

Vier hunner, van de afhaalkotter van den Hoek, die naar buiten waren gesleept in hun eigen jol achter de reddingsboot aan, gingen het eerst probeeren aan wal, dat wil zeggen, op den dam te komen. Het waren Klaas Ree, T. Van Duyn, P. Jansen en Jac. B. Schoonbeek. Laatstgenoemde zat voorin met een tros om den nek, gereed om op de pier te springen. Maar zoo als de jol zelfs in het stille water nog heen en weer gesmeten werd, bleek het ten slotte veiliger de achtersteven het eerst op de keien te zetten. De tros ging over in handen van Klaas Ree, die achterin zat en op een gegeven oogenblik, schoon er nog een heel stuk water tusschen de jol en den dam lag, floep, op de basaltkeien sprong. En de andere dappere drie hem achterna. Daar stonden ze op den kop van de pier, tot aan den hals in 't water, terwijl de branding om hen heen raasde en hun woedende brekers over 't hoofd joeg. Met hun vieren zouden ze 't niet klaar spelen; dat was zoo wel te zien. Er moest assistentie komen. Nu, daar op de loodsboot hadden er al wel een stuk of tien staan popelen om een handje mee te helpen en toen schipper Berkhout vrijwilligers opriep, was meteen zijn heele jol bemand door de loodsleerlingen H. Vermeulen, C. de Gorter, J. Braam, P. Ruyg, M. J. Regoort en J. Steehouwer.

Ook zij verdienen openlijke vermelding, want het was voor niet minder dan een heldenonderneming dat deze mannen zich vrijwillig aanmeldden.

Zij moesten toch met de andere vier langs den dam, die telkens onder water stond en door stortzeeën werd overspoeld, trachten het wrak te bereiken. En inderdaad het gelukte hun. Nu eens hard loopende door een »los zeetje« heen, dan weer op den buik kruipende om niet weggeslagen te worden door de brekers, wisten zij onder bij het schip te komen en een daarvan afhangende lijn vast te maken aan een stang van den lichtopstand waar Jacob Schoonbeek ingeklommen was. Zoo werd de verbinding met het wrak tot stand gebracht.

Maar welk een verbinding was het! Een zwiepend lijntje over een hoogte van zes of zeven meter gespannen, geen kabel waarlangs een veilige »reddingsbroek« kon glijden. Een wrak eind touw alleen, waaronder de branding kookte en raasde en waarlangs de schipbreukelingen zich moesten laten glijden, terwijl zij met handen en voeten zich vasthielden, een gymnastische toer, die krachtige mannen met ijzersterke zenuwen allerminst licht zou lijken. En nu moest die verricht door mannen en vrouwen, die 34 uren achtereen aan koude, honger en overslaand water waren bloot gesteld geweest met de ontzenuwende gedachte, dat elk oogenblik hun laatste uur kon zijn geslagen.

Maar och, hoe hangt de mensch aan het veege leven! Elf menschen, drie vrouwen en acht mannen, volbrachten het waagstuk, gleden langs de lijn op den dam neer en werden daar door de redders opgevangen en in de wachtende jol van de reddingsboot geholpen. Terwijl stuk voor stuk de menschen zich vastklemden aan de lijn en zich zakken lieten—en het was voor allen ter redding aanwezigen een blijde verrassing, dat er nog zooveel levend aan boord bleken te zijn—werden nog eens de jol en de reddingsboot weggeslagen.

Juist hing toen een vrouw, die op het uitstekende berghout van het wrak was blijven zitten, aan de lijn en dorst zich, neerziende in de kokende golven onder haar, niet te laten glijden, hoe ook de redders op de pier en de toeschouwers op de booten haar moed toeschreeuwden.

De vrijwilligers van het loodswezen bij het reddingswerk. (vergroting 1952×1439, 397kb)

De vrijwilligers van het loodswezen bij het reddingswerk.
De vrijwilligers van het loodswezen bij het reddingswerk.

»'t Arme schepsel, meneer«—vertelde mij later Koos Schoonbeek—»zat maar als 'n lijk op dat berghout. Soms blies ze op d'r verkleumde handen en dee dan zoo machteloos dat ik maar tegen d'r zat te gillen: Hoû je vast! Hoû je vast! Nou ze hield zich vast, maar daar kwammen we niet verder mee. De zee begon dan toch wel weer zoo barbaarsch te doen, dat ik op 'n gegeven oogenblik dacht: Jonge, Koos, zoo kon je wel eens alleen op dien lichtopstand blijven zitten. Je moest maar liever probeeren bij de maats op het eerste baken te kommen. Maar, och God, zooals dat mensch jammerde toen ze mijn naar benejen zag gaan en over de pier terugloopen. Ik riep wel van we komme terug! maar dat scheen ze niet te hooren en werachtig, meneer, daar laat ze in eene van dat touw los en slaat naar beneje. Ik dacht dat ze verloren was, maar we konden ze nog net te pakken krijgen in 'n golf en zwemmende bij de anderen brengen in de jol. En zoo kwam zij ook eerst aanboord van de reddingboot en later, toen de Prins dat zoo gecommandeerd had, aanboord van de Hellevoetsluis.«

Het oponthoud, hierboven beschreven werd noodlottig voor de laatste drie overlevenden die zich op het wrak bevonden, twee vrouwen en een meisje. Het water was hooger en woeliger geworden, haar zenuwen waren uitgeput en zij durfden den tocht langs de lijn niet wagen.

Een psychologisch raadsel blijft het, hoe een mensch een groote kans op den dood kan verkiezen boven een even groote kans op het leven. Wij zullen het niet trachten op te lossen; de tragische waarheid is daar: de vrouwen durfden niet.

En de verbinding moest verbroken. Men mag geen levens met levens koopen. Hoe ook de arme schepsels jammerden en smeekten, de booten moesten weg...

Oh! Er zij niemand, rustig aan zijn tafel gezeten, die nu aan het critiseeren van de redders ga en vrage waarom zij niet bleven. Wie later, zooals ik, de mannen sprak die hun triomf over het redden van elf menschenlevens vergaten in treurnis over de drie andere, die zij in doodsgevaar laten moesten, weet dat slechts door uitersten nood gedwongen de reddingspoging werd afgebroken.

De drie vrouwen, die achterbleven op het wrak, waren: Fräulein Theile uit Dresden en Frau Wennberg uit Berlijn, beiden behoorende tot een uit Londen terugkeerend Duitsch operagezelschap, en het zestienjarige dienstmeisje van laatstgenoemde, Minna Ripler geheeten. Goddank behoefde niet alle hoop op het behoud dezer drie opgegeven te worden. Dezelfde nacht te 1 uur zou opnieuw de reddingsboot uitgaan, alsmede de »Hellevoetsluis» en de zeesleepboot »Wodan.» Dan zou men trachten met ladders het wrak te beklimmen en de drie vrouwen naar beneden te brengen.

Maar nu de geredden! Uren aaneen stonden wij bij honderden op de kaden te wachten in snijdende koude en verblindenden sneeuwstorm om ze te zien aankomen. Want dat zij komen zouden was gemeld, en passeerende booten seinden reeds »vijf gered,» »tien gered.»

De »Hellevoetsluis» bracht ze aan. Wel waren ze eerst aan boord van de reddingsboot geweest, maar aan boord van de groote loodsboot was beter gelegenheid tot verpleging en het was—zooals reeds hierboven werd gemeld—op uitdrukkelijk bevel van Prins Hendrik, die van 1 uur tot half zes het reddingswerk bijwoonde, dat de geredden naar de »Hellevoetsluis» waren overgebracht.

De reddingsboot werd in de haven met hoera's begroet en men drukte Jansen, den schipper, bij het aan wal stappen hartelijk de hand.

Gejuich ging ook op toen van de »Hellevoetsluis» op baren de geredden aan wal gedragen werden.

Heel voorzichtig werden ze uit de kajuit naar boven en aan wal gebracht. Wat zagen ze er zwak en hulpeloos uit en hoe verwezen staarden ze uit de holle oogen naar de menschendrukte om zich heen!

De namen der geredden waren toen nog niet bekend, doch later vernam ik ze. Het waren de dames Gäbler uit Dresden, Buttel en Schröter uit Berlijn, allen behoorende tot het reeds genoemde operagezelschap, Jaboulet de Riveichere van Tain, La Drôme in Frankrijk, Herr Harold Brödessen, Lessingstrasse, Altona en Emil Jung uit Brunswijk afkomstig, doch sedert jaren in Engeland wonende. En van de bemanning Carter, steward, Fisher, matroos, Pond en Reycraft, stokers, en Farthing, dekjongen.

Deze laatste, een boy van 'n jaar of vijftien, was nog zoo flink, dat hij met 'n sigaar in het hoofd de loopplank overkuierde en naar het Hotel Amerika gewandeld zou zijn, wanneer er geen dokters aanwezig waren geweest om zulk een gevaarlijk vertoon van »Ausdauer» te verbieden. Nu werd hij evenals de andere geredden, in welwillend daartoe geleende automobielen naar het hotel gereden.

Ook prins Hendrik was inmiddels aan wal gegaan, en nimmer te voren zagen wij den vorst met zulk een hartelijk gejuich begroet. Het »hoera» en »leve de Prins«! klonk voort tot Z. K. H. zijn automobiel weer bestegen had en, na afscheid van den burgemeester genomen te hebben, was weggereden naar Den Haag.

Ik geloof niet dat het te boud gesproken is, wanneer ik zeg, dat deze dag, waarop de Prins zich zoo één heeft getoond met de besten van ons volk, met de zeehelden onzer eeuw, hem meer populair heeft gemaakt dan alle andere dagen, welke hij in ons land doorbracht.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings