De laatsten gered.
Reading edition
Nauw was ik Zaterdagmorgen, den 23sten Februari, uit den alweer stampvollen trein gestapt—elken avond moest ik namelijk, in den beginne althans, zoolang de seincapaciteit van het telegraafkantoor aan den Hoek te wenschen overliet, naar Rotterdam om daar mijn groote telegrammen aan te bieden. Menig telegram gaf ik ook overdag mee aan passagiers in naar Rotterdam vertrekkende treinen, passagiers, die er fatsoenlijk genoeg uitzagen om hun een telegram toe te vertrouwen en toch ook weer niet zóo deftig, dat ik ze voor hun bereidwilligheid geen belooning in geld kon aanbieden.—Nauwelijks, zeg ik, was ik Zaterdagochtend uit den trein gestapt of reeds drong de vreugdetijding tot mij door: Ook de drie laatst overlevenden zijn gered en liggen goed verzorgd »bij Tuin.«
In éen ren, kruipende onder spoorwegafsluitingen door, springende over hekjes, dravende over stationsemplacementen, haastte ik mij naar de Berghaven om er van mijn vaste, betrouwbare berichtgevers bevestiging van het goede nieuws te verkrijgen. En daar hoorde ik allereerst dat voor de redding der drie vrouwen op het wrak den vorigen avond verschillende plannen waren gemaakt. De reddingsboot zou weer uitgaan met een jol achter zich aan, waarin de vier matrozen van den Hoekkotter, wier namen ik ook reeds meldde. Verder zou men trachten met een wagen met ladders het wrak over den dam te bereiken.
Maar het werd een edele wedstrijd onder de redders, een wedstrijd, ten slotte gewonnen door een outsider.
Die »outsider« was Martijn Sperling, schipper op de blazer Van der Tak, een bekend duiker en menschenredder, afkomstig van Ouddorp en wonende te Dordrecht in de Wijnstraat.
Waar Sperling te vinden! Aan boord van zijn blazerschuit was hij niet. Waarschijnlijk zat hij bij den barbier. Ik naar dien barbier, onder geleide van een neef van den schipper, L. Sparling genaamd, die zich onderweg wel ontvallen liet dat hij ook bij de redding tegenwoordig was geweest maar verder niets los wou laten. »De schipper moet het u maar vertellen« was zijn antwoord op al mijn vragen.
De schipper zat werkelijk bij den barbier te wachten om onder het mes te komen, maar gelukkig kostte het mij niet veel moeite hem mee te krijgen en spoedig zaten wij achter de koffie in een klein, stil kroegje. De beide neven Sparling zaten erbij.
Sperling is een kort, vierkant mannetje, met een rustig gezicht, dat door zware rimpels boven de oogen en een dikke bruine snor iets norsch heeft. Maar boos of kortaf is Sperling heelemaal niet. Ook wel niet buitengewoon spraakzaam, maar het ligt blijkbaar geheel aan zijn overgroote bescheidenheid, dat men hem de antwoorden wat uit den mond moet halen, hem wat aan 't spreken moet brengen. Nu is dat gelukkig voor een reporter geen kunst....
De vier redders van de blazerschuit L. Sparling, G. Moerkerk, C. Sparling, M. Sperling. (vergroting 1430×919, 322kb)

En zoo kreeg ik zijn verhaal:
»Ja, 's middags was ik mee naar buiten geweest. Ik had de arme schepsels hooren schreeuwen en ik dacht zoo bij m'n eigen: die hebben er nou lang genoeg op gezeten, die moeten er af. Met kapitein J. van Rees van de zeesleepboot Wodan maakte ik een plannetje en vannacht om een uur liet ik me met hier Kees en Leen en Georg Moerkerk met de Valk aan boord van de Wodan brengen.
»Wij vonden weer een woeste zee. Nog altijd sloegen de brekers over het schip en drie of vier voet water stonden geregeld op den dam.
»We gebruikten de Wodan als golfbreker, legden haar langszij den steenberm en in het stille water daartusschen gingen wij er met de vlet op uit.
Moerkerk. (vergroting 553×873, 26kb)

»Ik waadde eerst naar den dam en zette er tusschen de steenen een lijn vast. Daarlangs kwam ook Kees op het hoofd en arm in arm waadden wij naar den lichtopstand onder het wrak langs. We grepen onderweg de lijn die van gisteren nog van het wrak afhing en zetten die vast op den lichtopstand, een meter of 2½ hoog, zoodat de lijn niet zoo steil stond en we ook mochten hopen, dat de menschen bij het afglijden niet in het water zouden terecht komen.
»Toen ben ik langs de lijn op het dek geklommen.
»Ik vond aan boord de drie vrouwen, zittende op een bank op het wandeldek onder het sloependek; een elf of twaalf lijken lagen nog in het rond van menschen die zeker door kou en ontbering waren omgekomen.
»De drie nog levende vrouwen waren door en door nat en haar beenen waren vreeselijk gezwollen. Alle drie vielen ze mij, toen ik bij haar kwam, om den hals en wilden maar niet loslaten. Guter Mann! en Dank! Dank! zeiden ze voortdurend.
»Maar ik moest daar op dat oogenblik niets van hebben. We moesten voort, zoo gauw we konden, want het wrak slingerde als de weerlicht en het dek werkte zoo, dat er scheuren in gaapten, open en dicht, alsof het monden waren.
»Ik zei dus tegen de vrouwen: zitten blijven en mond houden hoor, anders ga ik weer terug. Ik spreek wel niet veel Duitsch en zij niet veel Engelsch, maar och in zoo'n toestand versta je mekander wel.
»Ik moest nog een lijn hebben,« zoo verhaalde Sperling verder. »Want alleen, dat kon je zoo wel zien, kwamen die vrouwen niet van het schip. Ik moest ze langs de uitstaande lijn afvieren. Daarom klom ik in een sloependavid en schoor een takel uit.
»Met een flinke lijn kwam ik toen weer beneden. Dat dienstmeisje dat er bij is, was nog wel zoo flink en bij haar positieven dat ze zeide: »Neem haar maar eerst. Ik zal nog wel blijven.«
»Nou, zelfs in al de herrie vond ik dat zoo ferm dat ik tegen haar zeide: »Je bent een moedige meid«. Maar toen moest ik weg. Dus nam ik de eene dame, fräulein Theile was het, om het middel en droeg haar of liever sleepte haar half over het dek naar de verschansing waar de lijn uitstond.
»Dat was een afstand van een meter of zeven en onderweg raakte haar eene voet beklemd in zoo'n dekscheur. Ik merkte het eerst toen ze gillend uitriep »mein Fusz.« Toen moest ik haar voet met geweld losrukken. Gelukkig was die niet gebroken.
»Eindelijk had ik haar bij de verschansing en schoon ze half bewusteloos was en me niet verstond toen ik zei dat ze het touw moest vasthouden, wist ik haar toch zoo neer te zetten dat ze tenminste een arm losliet en ik haar mijn vrije lijn tweemaal om het lijf kon draaien en zoo aansjorren dat ze er niet in vastklemde.
»Toen tilde ik haar over boord en riep: »Kees halen.« Zachtjes gleed ze naar beneden en kwam veilig bij den toren aan, waar Kees haar op mijn bevel vastbond aan het ijzer van den opstand anders was ze er ook sekuur afgeslagen, zoo slap was ze.
Sperling, de Sparling's en Moerkerk, redders van de drie laatste schipbreukelingen in hun vlet. (vergroting 1452×680, 215kb)

»Op dezelfde wijze ging ik te werk met mevrouw Wennberg, die me dadelijk begon te praten over haar man en haar kindje die dood waren, het kindje dat in haar arm was gestorven.
»Ja maar, antwoordde ik, daar moet je straks maar over denken. Want nu moet u eerst van boord. Zie je, meneer, dat wrak dat slingerde zoo onder je voeten, dat ik elk oogenblik dacht dat het dek onder mij zou bezwijken.
»Gelukkig dat het dienstmeisje nog zelf loopen kon, want dat ging heel wat gauwer. Toen wij de drie vrouwen veilig aan den voet van den toren hadden, moesten we van daar naar onze vlet, die bij de eerste lantaarn lag. Fräulein Theile kon niet loopen, daarom nam Kees haar op zijn rug.
»Telkens als er een breker aankwam waarschuwde ik hem, dan moest ie zijn eigen schrap zetten tegen de paaltjes van de berm, en als er dan weer een zee over was geweest, dan ging het maar weer hard loopend op de jol aan, waar hij haar eindelijk veilig in kreeg.
»De twee andere vrouwen namen we toen tusschen ons in. Ze konden nog wel zoowat loopen en gauw hadden wij haar in de vlet waarmee wij haar naar de Wodan roeiden. Daar gingen ze ferm onder de dekens, na warm gewreven te zijn, want de stumpers waren totaal verkleumd, en kregen ze gloeiende kruiken aan haar voeten, die wel heelemaal bevroren leken, zoo dik en stijf en wit waren die.
»Zoo brachten we ze aan wal aan den Harwichsteiger, van waar ze naar het Hotel Amerika werden vervoerd.
»Hoelang de redding wel duurde, meneer? Het eigenlijke redden een half uur. Misschien, maar waarachtig op zoo'n oogenblik let je op geen tijd. Om vier uur hadden we ze aan wal, net toen het weer kalmer werd. Was het altijd geweest als nou, dan hadden we ze er allemaal den eersten dag al afgekregen. Maar met dit schip heeft alles tegen gezeten: weer en wind en tij.«
Kees Sparling draagt Fräulein Theile door de branding. (vergroting 1381×1951, 359kb)

Dit gansche relaas van wat niet meer of minder was dan een heldenfeit heeft schipper Sperling mij zitten doen, zoo rustig, zoo zonder eenigen ophef, als was het de doodeenvoudigste zaak ter wereld, die ieder ander ook zoo behandeld zou hebben als hij nu niet toevallig het eerst daar geweest was. En zijn neven, de beide Sparlings,—ook de dappere Kees die fräulein Theile op zijn rug genomen had—zaten er kalmpjes bij, zeiden geen woord en knikten alleen maar eens nu en dan van »ja, zoo was het.«
En toen ik niets meer te vragen wist en zij niets meer te vertellen hadden, gingen zij zich weer bedaard laten scheren.
Helden in uw schipperstrui, onze bewondering gaat naar u uit!