De eerste mededeelingen der geredden.
Reading edition
De geredden, bij Tuin in het inderhaast als hospitaal ingerichte Hotel Amerika veilig ondergebracht, waren te vermoeid, dan dat journalisten tot hen toegelaten konden worden. Toch kwam ik uit de tweede hand, maar van volkomen betrouwbare zijde, het volgende omtrent hun wedervaren te weten: Na het scheuren van de boot waren er betrekkelijk nog veel menschen op het wrak overgebleven, doch de beperkte ruimte en het gebrek aan houvast was oorzaak, dat de talrijke stortzeeën telkens nieuwe slachtoffers maakten; nu een en nog weer eens een, soms twee en drie tegelijk werden weggesleurd en verdronken voor de oogen der anderen, of werden te pletter geslagen op den keidam. Even voor dat de redding opdaagde, werd nog een vrouw over boord geslagen.
De overgebleven veertien schuilden samen tegen de overblijfselen van het rooksalon, waar zij tenminste droog zaten, maar zoo nauw drongen zij er in doodangst op elkaar, dat zij elkander de kleeren van het lijf rukten en de ledematen kneusden. Enkelen hadden dan ook op het laatst niet meer dan het ondergoed aan het lijf en van Fräulein Gäbler waren de beenen zwaar gekneusd.
Allen waren uit over de liefderijke hulp welke zij aan boord ontvingen en vooral over de beminnelijkheid van den Prins, die zelf hielp de drenkelingen van droge kleeren en dekens te voorzien en zijn pelsuniformjas uittrok om Fräulein Schröter daarin te wikkelen.
Uit den mond van kapitein Parkinson zelf, die zooals ik reeds meldde Vrijdagavond weer op was en zich weer flink en tamelijk sterk voelde, hoorde ik nog een tragische bijzonderheid van wat na het breken van het schip op het wrak voorviel. Even voor hij van boord geslagen werd, zag hij in een hut Frau Wennberg zitten met op de schoot haar kindje, dat er uitzag alsof het reeds van schrik en koude gestorven was. De echtgenoot van Frau Wennberg, welke laatste op het wrak was achtergebleven, lag reeds in het treurhuis. Hij was een der eerst aangespoelde lijken.