← Table of contents
De schipbreuk van de "Berlin" 21 Februari 1907

De geredden en hun ervaringen.

Reading edition

Terwijl mijn collega aan de haven zijn nieuws opdeed sprak ik in het Hotel Amerika iemand, die met de geredden voortdurend in nauwe aanraking is geweest. Ik vernam toen opnieuw dat de algemeene toestand der geredden zeer bevredigend was, vooral onder de mannen, van wie er een al zoo ver hersteld was, dat hij den volgende dag naar Harwich zou kunnen terugkeeren.

Minder gauw ging het herstellen der vrouwen, wier »Ausdauer» uiteraard minder groot is. Maar de algemeene zenuwspanning die in den aanvang bij allen werd geconstateerd, was afgenomen en ook de voeten, die eerst zoo pijnlijk waren dat men er niet aan raken kon of de patiënten schreeuwden het uit, werden beter. Frau Wennberg die met haar dienstmeisje op een kamer lag was inderdaad zeer zwak, maar haar leven was niet in gevaar. Waarschijnlijk zou getracht worden voor haar een passender verblijf te vinden dan in het Hotel Amerika, dat, hoe goed er ook voor de geredden werd gezorgd, natuurlijk geen al te rustige ziekenkamers heeft.

De ongeveer 24-jarige Franschman Jaboulet de Riveicherre werd nog altijd verpleegd op de pastorie. Hij had zware koortsen, maar mits hij rustig gehouden werd, hoopte men ook deze patiënt de gevolgen der doorstaane ellende te doen te boven komen. Niemand mocht tot hem spreken en om ook hem rustig te houden, trad elk zijner verplegers steeds met den vinger op de lippen de ziekenkamer binnen. Alleen zou in den middag zijn moeder, die uit Taine la Drôme in Frankrijk was overgekomen, tot hem toegelaten worden.

Op mijn avondwandeling mocht het mij zonder hinderlijke indiscretie gelukken, van een geredden schipbreukeling, die liefderijke verpleging genoot in het reeds meermalen genoemde Amerika Hotel, bijzonderheden te vernemen omtrent de angstige oogenblikken die de arme stakkers aan boord van de Berlin hebben doorgemaakt na het doormidden breken van het schip, op dien noodlottigen Donderdagmorgen.

Ik laat het verhaal, zooals mij dat gedaan werd, hier volgen in den vorm als was de geredde jonge Engelschman Emil Jung, een Duitscher van afkomst, zelf aan het woord.

»Ik werd»—zoo vertelde hij met een opgewektheid als was door hem niets buitengewoons doorgestaan,—»Donderdagmorgen tegen 4 uur in mijn hut aan boord van de Berlin gewekt met een hoornsignaal, wat op die booten gebruikelijk is. Het was stormweer. Ik stond mij in mijn hut te wasschen toen ik een vreemd gekraak hoorde dicht bij me. Een steward in mijn onmiddellijke nabijheid riep ik toe wat er gebeurde.

Aan iets ernstigs dacht ik niet. De boot schommelde niet erger dan te voren. De steward antwoordde, ook roepende om het geraas rondom ons te overstemmen, dat de deuren van de kajuitstrap door een overboord komende stortzee waren stukgeslagen. Het gekraak daarvan had mijn aandacht getrokken. Nauwelijks waren die woorden gesproken of een tweede kraak volgde, veel heviger dan de eerste, als werd een houten wand met groot geweld ingedrukt. Op hetzelfde oogenblik sloegen de overkomende zeeën de kajuit binnen. Het schuimende water stroomde er letterlijk in.

De steward, over wien ik zoo even sprak werd tegen den grond geslagen, maar toch had hij nog zooveel bewustzijn dat hij mij toeschreeuwde de reddingsgordels aan te doen. Er waren er vier in mijn buurt. Ik nam er zelf een en drie dames die naar ons kwamen toegesneld, deed ik vliegensvlug de andere om. Wat er met de Berlin feitelijk gebeurde, begreep ik op dat moment niet recht. Wel vermoedde ik een ernstig ongeluk. Wie de dames waren die ik de gordels hielp omdoen, ik zou het niet meer kunnen zeggen. Ik heb ze niet meer teruggezien. Een stortzee sloeg ze in een volgend oogenblik een eind van me weg.

Hoewel ik weet dat een razende angst zich van mij meester maakte, had ik nog zooveel besef, dat ik mij met alle kracht die in mij was, vastklampte aan de verschansing op het achterdek. Ik dacht aan niets anders dan aan vasthouden, wat een toer was, want het schip slingerde, beter gezegd werkte zoo zwaar, dat ik nu eens op het dek lag, dan weer overeind kwam. Maar ik omsloot de leuning der verschansing met ijzeren vuistgreep. Loslaten nooit. Ik begreep dan door de woedende golven die ons omspoelden, te zullen worden weggeslingerd in zee.

Rondom mij gegil van menschen, die als lam geslagen over het dek slierden, om als een veer te worden opgenomen door de golven en over de verschansing in de schuimende zee te verdwijnen. Het was ontzettend. Ik kan het u niet zoo beschrijven. Ik vergeet het nooit. Plotseling werd het stikduister. Het licht ging uit en het tooneel werd er te erger door.

Kapitein en loods zag ik achter elkaar naar de diepte gaan. Het gejammer van de menschen bij me, die ik door de zeeën niet zien kon maar wel hooren, o, het was te schrikkelijk om het te kunnen vertellen. Op eenmaal zie ik een touw bij me in de buurt hangen, een touw van den mast. Ik wist het te pakken en klauterde, geslingerd door den harden wind, een eindje naar boven. Ik hoopte een schip te kunnen wenken om hulp en schreeuwde tot ik niet meer kon. Het gaf niets, ik was uitgeput, liet me weer zakken en plofte op het dek, gelukkig weer dicht bij de verschansing die ik opnieuw met alle kracht omklampte.

Ik telde toen 25 menschen dicht bij mij. Ze hielden zich allen ergens aan vast. Lieten ze los dan wierp de zee ze dadelijk naar links en naar rechts. Ik moet er niet meer aan denken. Er waren twee dames, die ik zag neersmakken op het dek, een golf nam ze op, ze gingen de lucht in, maar kletsten weer terug op het dek. Haar hoofden waren gespleten. Nog even lagen zij roerloos. Toen spoelden ze weg.

In den loop van den dag (Donderdag) trachtten wij dichter bij elkander te komen. Dat lukte ons. Om ons te beschutten tegen den wind, grepen we een stuk zeildoek. Dat sloegen we om ons heen. Maar een rukwind sloeg er in en zwalpte het doek van ons af. We riepen allen om hulp, maar dat baatte ons weinig. Hulp kwam niet opdagen. We vergingen om zoo te zeggen van honger en dorst, dorst vooral. Sommigen van ons begonnen aan redding te wanhopen.

Om den moed er in te houden en om afwisseling in onze treurigheid te brengen, zongen we gemeenschappelijk liederen. O, dat klonk zoo weemoedig. Die tijd kroop voorbij, er scheen geen einde aan den dag te zullen komen.

Toen de nacht kwam, bezweken er weer een paar menschen. Ze waren half waanzinnig van pijn en angst. 's Nachts bulderde de zee schrikkelijk en een koude, fijne sneeuw sloeg ons in het gezicht. Het zeewater weekte onze kleeren los. Een paar vrouwen, die we zooveel doenlijk op de been hielden, verloren haar bovenkleeding. De rokken hingen in flarden. Het zeewater spoelde den boel van ons weg. Het was jammerlijk.

De reddingboot hadden we zes maal dichtbij gezien, o zoo dichtbij. We hoorden de lui roepen, maar ze konden ons zeker niet bereiken, en als de boot dan weer wegdreef, was het om gek te worden. Er zijn menschen gestikt. Ze hadden geen kracht meer adem te halen, lieten het stuk verschansing los en vielen op het dek.

Toen de zee bedaarde, werden de lijken niet meer weggespoeld, maar bleven ze voor onze oogen liggen. Een stoker, die naast me aan de verschansing hing, liet zich los. De man kon niet meer. Ik ving hem op in mijn arm, hoopte dat hij zich herstellen zou. De arme kerel stierf, zijn hoofd tegen me aan. Toen moest ik hem wel laten schieten.

Ik voor mij heb wonderlijk genoeg aldoor hoop gehad op uitkomst. Ik kon maar niet gelooven dat de reddingsbooten ons niet zouden vinden. Ik heb goede hoop gehad. Dappere lui die Hollanders hoor! Kranige lui! We zijn hun zoo dankbaar.”

De verhaler zou nog wel hebben doorgepraat, maar de dokter stond zijn bezoekers terecht geen seconde boven den door hem bepaalden tijd toe. Het gesprek eindigde.

Iemand, die geregeld het ziekenhotel bezocht en begreep ons verlangen om meer van de geredden, die daar verpleegd werden, te hooren, lichtte ons verder met groote bereidwilligheid omtrent een en ander in. Uit den aard der zaak bepaalde hij zich hoofdzakelijk tot de ongelukkige Frau Wennberg, wier lot wel het afgrijselijkst van allen is geweest.

Zij zat op het dek van het achterschip tegen het overgebleven houten beschot van de rooksalon. De stortzeeën sloegen met wreed geweld over haar en haar lotgenooten neer, omspoelden haar vaak gansch en al, zweepten haar het gezicht dat ze het uitschreeuwde van de pijn. Die snijdende pijn was echter het ergste niet. Ze dacht alleen aan de bescherming van haar kind dat ze gekneld hield in de vast om de kleine gesloten armen. Toen ze haar kind voelde verkleumen, legde ze het op de bank, waar nog andere vrouwen op waren gezeten en om te verhinderen dat de golven haar het schreiende wicht zouden ontrukken, drukte zij het in smartelijken angst met de knieën tegen de bank. Lang kon ze dit echter niet volhouden, de krachten begaven haar.

De andere vrouwen stonden haar dapper bij, steunden met de handen de kleine, als de knieën moede werden. Maar het kindje stikte des nachts, nadat een zware vloedgolf hen minuten lang onder water had gedompeld, waarbij het wrak dreigde te kantelen. Het doode kind hield Frau Wennberg verder in de armen. Eerst toen de redders kwamen, werd ze bewogen het af te staan, mits het mede werd gevoerd naar de veilige kust.

Haar dienstbode, Mina Ripler, stond haar met onbeschrijfelijke trouw en liefde bij, ondersteunde op het wrak haar meesteres als deze wanhopig schreiend haar kind trachtte te warmen, steunend tegen de bank, en met moeite door haar lotgenooten staande gehouden.

De vrouwen hielden zich trouwens over het algemeen op het wrak beter dan de mannen, die door de koude het eerste werden bevangen. Zoo heeft Augusta Theiler, een der geredde dames, met haar adem nu en dan de handen gewarmd van Jaboulet, den Franschman, omdat deze op het punt stond zich los te laten en neer te ploffen op het dek, waar hij reddeloos verloren zou zijn geweest.

Meer verhalen van jammer moest ik hooren.

Ik had nog een onderhoud met den heer Schröter uit Berlijn, die natuurlijk tot zijn geredde vrouw was toegelaten. Hij deelde mij mee wat zijn echtgenoote hem had verteld omtrent den toestand op het wrak na de schipbreuk. Toen stonden de schipbreukelingen samen op een heel klein stukje van het promenadedek, wel beschut voor den wind, maar blootgesteld aan het ijskoude zeewater, dat telkens over het schip heensloeg. Eén plekje slechts tusschen de rooksalon en de daarachter liggende dekhutten was geheel vrij van water en om beurten mochten de vrouwen daarin een kwartiertje rusten. De anderen liepen op en neer in de beschutting van de wanden van het rooksalon die nog waren blijven staan.

De thans geredde passagier Brödessen geraakte spoedig na het scheuren van het schip in een staat van bewusteloosheid maar zijn lotgenooten dwongen hem bij zijn positieven te blijven door hem te knijpen en hem het dek op en neer te laten loopen.

Omtrent haar redding vertelde Frau Schröter—zij was het, die zoolang op het berghout had gezeten—dat zij vallende van de lijn in het water terecht kwam. Later werd haar meegedeeld dat de bemanning der verschillende bij de redding betrokken booten haar toen voor een drijvend lijk had aangezien. De man die de aandacht op haar vestigde, zeggende: »Daar is nog iemand die leeft«, was Prins Hendrik. Het was ook de Prins, die haar aan boord in zijn pelsjas wikkelde; toen hij haar later weer zag in het Hotel Amerika, zei hij lachend tot haar echtgenoot: »ja, sie ist eine tüchtige, sie ist aus Berlin.«

Ook sprak ik nog den heer O. Hintze uit Berlijn, den verloofde van Elisabeth Holle, die bij den ramp het leven liet. Den 17den Februari schreef zij, na uit Zuid-Afrika in Engeland te zijn aangekomen, aan haar verloofde dat hij haar den 21sten met haar broeder in Hannover zou komen afhalen. Helaas, de aanstaande echtgenoot en de broeder wachtten tevergeefs. Tragisch is, dat de verongelukte vrouw in den brief nog schreef: »als er geen ongeluk met het spoor of het schip gebeurt.«

Was het een angstig voorgevoel, thans jammerlijk in vervulling gegaan, dat haar dit voorbehoud maken deed? Wie zal het zeggen...

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings