← Table of contents
De mannen van '80 aan het woord

EERSTE INDRUK.

Reading edition

Ik had mij gedroomd den Van Deyssel van de portretten, den tot zich zelf gekeerden, met donkeren blik en borsteligen baard…. Ik had gedacht, dat hij onbeweeglijk zou tronen in het halfduister van een wijd vertrek met lood-gevatte ruitjes en langs de wanden hooge boekenstapels. Stil zou hij daar zitten aan zijn breede tafel, de nerveuse hand slechts even heffend uit zijn baard, om mij met een korten, forschen wenk een plaats te wijzen … dan weer zonder spraak, norsch wachtend tot ik wat zou zeggen…. De eenzame, die zoo hatelijk kan zijn als een koude stormnacht, die kan grijnzen als een satan en die een poosje later, neen! tegelijkertijd, kan glimlachen zoo innig als een eerste lentemorgen en de zon kan aanroepen als een kweelend vogeltje, dat licht omhoog zich werpt in de wazige lucht….

En was dàt nu Van Deyssel? die vriendelijke, voorkomende, gezellig babbelende heer, met zijn stijven knevel en zijn netjes gladgeschoren kaken?

—"Zoo, wilt u nu misschien even mee naar boven komen? Ik zal u maar voorgaan, niet waar? Past u op, het is hier wat donker, en voordat u in de gang komt, moet u nog een treedje op. Bent u er? Prachtig. Nu hier maar binnen."

Als men in Van Deyssel's werkkamer komt is men niet heelemaal op zijn gemak. Men voelt zich beklemd bij de gedachte aan den taaien strijd, die hier zoo vaak werd gestreden, en men verbeeldt zich … luister!… "Toen ben ik gaan wezen alleen met mij zelf, en heb mij in wanhoop bekend, dat ik de gedachte nooit zou zien, haar nooit zou weten en kennen, nooit, nooit voor mij de gedachte…. Ik houd van schrijvers, die lang-uit erge mooie, errege groote zaken schrijven, van schrijvers met volumineuze, dikke, breede, zware zinnen…. Ik houd van woorden, die op mij aanstormen … als … kom eens hier, Janneman … je bent heelemaal niet geleerd…."—men verbeeldt zich, dat er van onder het gele lampe-schijnsel fragmenten van zinnen en rythme van zwaar-gehouwen proza, verward, vaag, onwezenlijk komen aangemurmeld.

En al heb je nu ook jaren verlangd eens één enkel keertje bij hem, bij hèm, te mogen zijn, heelemaal op je gemak voel je je niet. Maar….

"Gaat u toch zitten. Wou u wat meer in het licht komen? Om aanteekeningen te maken? Zoo, dat is heel aardig. U dòe maar! Een sigaar? Nee, ik vind uw vragen niet onbescheiden…. Welnee, heelemaal niet. Vraag u maar gerust."

En je bent plotseling verlost van je beklemming, en zoo blij, zoo blij!

Dan Van Deyssel, doodkalm, met een vriendelijk gezicht aan het vertellen. Van tijd tot tijd komt hij bijna in opwinding. Niet heelemaal … want dat doet-ie niet in gezelschap. Maar een klein beetje. Als het zoover met hem is, buigt hij voorover uit zijn leunstoel en slaat zijn zware witte hand driftig op en neer:

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings