← Table of contents
De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3)

JULES VERNE.

Reading edition

EERSTE DEEL.

ZUID-AMERIKA

LEYDEN,

DE BREUK & SMITS.

1868.

INHOUD

I.De balanschvisch.

II.De drie documenten.

III.Malcolm-Castle.

IV.Een voorstel van lady Glenarvan.

V.Het vertrek van de Duncan.

VI.De passagier van hut numero 6.

VII.Waar Jacques Paganel vandaan komt en waar hij heen gaat.

VIII.Een braaf man meer aan boord van de Duncan.

IX.De straat van Magellaan.

X.De zeven en dertigste parallel.

XI.Togt door Chili.

XII.Twaalfduizend voet boven de grond.

XIII.De afdaling van de Cordillera.

XIV.Een gelukkig geweerschot.

XV.Het spaansch van Jacques Paganel.

XVI.De Rio Colorado.

XVII.De pampa's.

XVIII.Men zoekt versch water.

XIX.De roode wolven.

XX.De argentijnsche vlakten.

XXI.Het fort Independencia.

XXII.Het wassen des waters.

XXIII.De boombewoners.

XXIV.Vervolg.

XXV.Tusschen het vuur en het water.

XXVI.De Atlantische Oceaan.

Lijst van de illustraties

I.

De balansvisch.

Op den 26sten Julij 1864, bij een sterken noord-oostewind, manoeuvreerde een prachtig stoomjagt met volle kracht op de golven van het Noorder-kanaal. De engelsche vlag wapperde van de gaffel van den bezaansmast, op den top van den grooten mast vertoonde een blaauwe standaard de letters E.G. met goud geborduurd en gedekt door een hertogskroon. Dit jagt heette de Duncan en was het eigendom van lord Glenarvan, een der zestien schotsche pairs, die zitting hebben in het Hoogerhuis, en het aanzienlijkste lid der "Royal Thames-Yacht-club," die zoo beroemd is in het geheele vereenigde koningrijk.

Lord Edward Glenarvan was aan boord met zijn jonge echtgenoote, lady Helena, en een zijner neven, den majoor Mac Nabbs.

De Duncan, die pas van stapel geloopen was, deed een proeftogt eenige mijlen buiten de golf van de Clyde, en trachtte te Glasgow binnen te loopen; reeds vertoonde het eiland Arran zich aan den gezigteinder, toen de matroos, die op den uitkijk zat, berigtte, dat hij in het zog van het jagt een verbazend grooten visch bemerkte. De kapitein, John Mangles, liet terstond lord Edward van die ontmoeting kennis geven. Deze klom op de kampanje met den majoor Mac Nabbs, en vroeg den kapitein, wat hij van dat dier dacht.

"Ik geloof stellig, Uwe Edelheid!" antwoordde John Mangles, "dat het een groote haai is."

"Een haai in deze wateren!" riep Glenarvan.

"Dat is zoo vreemd niet," hernam de kapitein; "die visch behoort tot een haaisoort, die men in alle zeeën en op alle breedten aantreft. Het is de "balansvisch,"[1] en ik zou mij zeer vergissen, als wij niet met een van die fielten te doen hadden! Als Uwe Edelheid het toestaat en lady Glenarvan er niets tegen heeft om een aardige vischvangst bij te wonen, zullen wij weldra te weten komen, wat er van de zaak is."

"Wat denkt gij er van, Mac Nabbs!" zeide Lord Glenarvan tot den majoor, "zijt gij er voor om de kans te wagen?"

"Zooals gij wilt," antwoordde de majoor heel bedaard.

"Bovendien," hernam John Mangles, "kan men die verschrikkelijke dieren niet genoeg vervolgen. Laten wij van de gelegenheid gebruik maken, en indien Uwe Edelheid het goedvindt, zal het tegelijk een treffend schouwspel en een goede daad zijn."

"Ga Uw gang maar, John!" zeide lord Glenarvan.

Vervolgens liet hij lady Helena er kennis van geven, die bij hem op de kampanje kwam, daar zij inderdaad zeer nieuwsgierig was naar die treffende vangst.

De zee was effen; men kon gemakkelijk op haar oppervlakte de snelle bewegingen van den haai volgen, die met verbazende kracht onderdook en weder boven kwam. John Mangles gaf zijne bevelen. De matrozen wierpen een sterk touw, voorzien van een haak met een dik stuk spek over de verschansing aan stuurboordszijde. Hoewel de haai nog op een afstand van vijftig engelsche ellen was, rook hij toch het hem aangeboden aas. Hij naderde snel het jagt. Men zag, hoe hij met zijn vinnen, die aan het uiteinde grijs, en van onderen zwart zijn, de golven geweldig beukte, terwijl het aanhangsel aan zijn staart hem in een zuivere regte lijn deed blijven. Naarmate bij digter bij kwam, schenen zijn groote, uitpuilende oogen door begeerlijkheid ontvlamd, en als hij zich omwendde, lieten zijn opengesperde kaken een vierdubbele rij tanden zien. Zijn kop was breed en geleek een dubbelen hamer aan een steel. John Mangles had zich niet vergist; het was wel degelijk de verslindendste soort van het haaijengeslacht, de balansvisch der Engelschen, de jodenvisch der Provencalen.

De passagiers en de matrozen der Duncan volgden met de grootste oplettendheid de bewegingen van den haai. Spoedig was de haak in het bereik van het dier; het ging op den rug liggen om hem beter te kunnen grijpen, en het verbazende lokaas verdween in zijn wijde keel. Terstond maakte het nu zich zelf vast door hevig aan het touw te trekken, en de matrozen heschen den monsterachtigen haai op door middel van een takel, die aan het uiteinde der groote ra was vastgemaakt.

De haai worstelde hevig, toen hij zich buiten zijn natuurlijk element zag rukken; maar men wist hem tot bedaren te brengen door een touw voorzien van een lus aan zijn staart vast te maken, hetgeen zijn bewegingen verlamde. Eenige oogenblikken later werd hij boven de verschansing gehaald en op het dek van het jagt gesmeten. Terstond naderde hem een der zeelieden met de noodige voorzigtigheid en hieuw met een geduchten bijlslag den verbazenden staart van het dier af.

De vangst was afgeloopen; er was niets meer van het monster te vreezen; de wraakzucht der zeelieden was bevredigd, maar hun nieuwsgierigheid niet. Het is namelijk een gebruik op de schepen om zorgvuldig de maag der haaijen te onderzoeken. De matrozen, die zijn alles behalve kieskeurige vraatzucht kennen, rekenen op de een of andere verrassing, en worden niet altijd in hun verwachting teleurgesteld.

Lady Glenarvan wilde dat bloedig onderzoek niet bijwonen en ging weder in de bovenhut. De haai ademde nog; hij was tien voet lang en woog meer dan zes honderd pond; die grootte en die zwaarte zijn volstrekt niet buitengewoon; maar wordt de balansvisch al niet onder de reuzen zijner soort gerekend, hij wordt toch onder de vreeselijkste geteld.

Weldra was de buik van den verbazenden visch zonder verdere omstandigheden met bijlslagen geopend. De haak was tot in de maag doorgedrongen, die men geheel ledig vond; het was duidelijk, dat het dier reeds lang gevast had, en de teleurgestelde zeelieden wilden de brokken reeds in zee werpen, toen de oplettendheid van den schipper door een lomp voorwerp getrokken werd, dat stevig in de ingewanden vastzat.

"Hé! wat is dat?" riep hij.

"Dat," antwoordde een der matrozen, "dat is een rotsbrok, dat het dier ingeslikt zal hebben om zich den buik te vullen."

"Neen," hernam een ander, "het is niets anders dan een stangkogel, dien die haai in den buik heeft gekregen, maar nog niet heeft kunnen verteren."

"Houdt den mond, domkoppen!" antwoordde Tom Austin, de eerste stuurman van het jagt, "ziet ge dan niet, dat dit dier een groote zuiplap was, en dat het om toch niets verloren te laten gaan niet alleen den wijn, maar ook de flesch heeft gedronken?"

"Hoe!" riep lord Glenarvan, "heeft die haai een flesch in de maag?"

"Een echte flesch," antwoordde de schipper. "Maar men kan wel zien, dat zij niet pas uit een kelder komt!"

"Haal ze er dan voorzigtig uit, Tom!" hernam lord Edward; "de flesschen, die men in zee vindt, bevatten dikwijls belangrijke bescheiden."

"Denkt gij dat?" zeide de majoor Mac Nabbs.

"Ik geloof ten minste dat het soms gebeurt."

"O, ik spreek u volstrekt niet tegen," antwoordde de majoor, "misschien bevat zij een geheim."

"Dat zullen wij spoedig te weten komen," zeide Glenarvan. "Hoe is het er meê, Tom?"

"Daar is het," antwoordde de eerste stuurman, terwijl hij een onkenbaar voorwerp liet zien, dat hij, niet zonder moeite, uit de maag van den haai gehaald had.

... terwijl hij een onkenbaar voorwerp liet zien....

... terwijl hij een onkenbaar voorwerp liet zien....
... terwijl hij een onkenbaar voorwerp liet zien....

"Goed," zeide Glenarvan. "Laat dat morsige ding wasschen en daarna in de bovenhut brengen."

Tom gehoorzaamde, en die flesch, welke onder zulke zonderlinge omstandigheden gevonden was, werd in de algemeene kamer op de tafel gezet, rondom welke lord Glenarvan, de majoor Mac Nabbs, de kapitein John Mangles en lady Helena plaats namen; want een vrouw is, zooals men zegt, altijd een beetje nieuwsgierig.

Op zee is ieder voorval een gewigtige gebeurtenis; er heerschte een oogenblik stilte; iedereen beschouwde het brooze voorwerp. Bevatte het het geheim van de een of andere ramp, of alleen een onbeduidend berigt door een werkeloozen zeeman aan de genade der golven toevertrouwd?

Men moest echter weten, waaraan men zich te houden had, en dus ging Glenarvan zonder verder dralen tot het onderzoek der flesch over; hij nam daarbij al de voorzorgen, die in zulke omstandigheden gebruikelijk zijn; men zou gezegd hebben, dat hij een regtercommissaris was, die de geringste bijzonderheden eener ernstige zaak nagaat; en Glenarvan had gelijk, want het schijnbaar onbeduidendste kenteeken kan ons vaak op den weg eener gewigtige ontdekking brengen.

Alvorens haar inwendig te onderzoeken, werd de flesch van buiten bezigtigd. Zij had een naauwen hals, waaraan nog een stuk ijzerdraad zat, dat reeds door de roest aangetast was; haar zeer dikke wanden, die een drukking van verscheidene dampkringen konden uitstaan, verrieden duidelijk, dat zij uit Champagne afkomstig was. Met die flesschen slaan de wijngaardeniers uit Aï of Epernay de pooten van een stoel stuk, zonder dat er een barstje aan te zien is. Ongehinderd had deze daarom de gevaren eener lange omzwerving kunnen doorstaan.

"Een flesch van het huis Cliquot," zeide de majoor zeer bedaard.

En, daar hij een kenner was, berustte men zonder tegenspraak in zijn verklaring.

"Waarde majoor!" antwoordde lady Helena, "wat die flesch is, komt er weinig op aan, als wij niet weten, vanwaar zij komt."

"Dat zal wel blijken, lieve Helena!" zeide lord Edward, "en voorloopig kunnen wij reeds verzekeren, dat zij van verre komt. Zie maar eens naar die versteende stoffen, die haar bedekken, naar die zelfstandigheden, die onder de werking van het zeewater om zoo te zeggen in delfstoffen veranderd zijn! Deze flesch had reeds lang in den oceaan rondgedreven, voor zij in den buik van den haai teregt kwam."

"Ik zou onmogelijk een andere meening kunnen koesteren," antwoordde de majoor, "en deeze brooze vaas, door haar steenen omkleedsel beschermd, heeft stellig een lange reis afgelegd."

"Maar vanwaar komt zij?" vroeg lady Glenarvan.

"Een oogenblikje, lieve Helena! een oogenblikje; met flesschen moet men geduldig zijn. Ik zou mij zeer bedriegen, als deze niet zelve al onze vragen beantwoordde."

En dit zeggende begon Glenarvan de harde stoffen te verwijderen, die den hals beschermden; weldra kwam de kurk voor den dag, maar zeer beschadigd door het zeewater.

"Dat is een leelijk geval," zeide lord Edward; "want, als er soms een papier in is, zal het in een zeer slechten staat zijn."

"Dat is te vreezen," antwoordde de majoor.

"Ik voeg er nog bij," hernam Glenarvan, "dat deze slecht geslotene flesch weldra moest zinken, en dat het gelukkig is, dat de haai ze ingeslikt heeft om ze ons aan boord van de Duncan te brengen."

"Zonder twijfel," antwoordde John Mangles; "en echter zou het beter geweest zijn haar in volle zee op een bepaalde lengte en breedte op te visschen. Dan kan men, door de stroomingen der lucht en der zee na te gaan, den afgelegden weg berekenen; maar met een brievenbesteller zooals deze, met die haaijen, die tegen wind en stroom ingaan, weet men niet meer waaraan men zich houden moet."

"Wij zullen wel zien," antwoordde lord Edward.

Op dit oogenblik haalde hij er zeer behoedzaam de kurk af en verspreidde zich een sterke zoutlucht door de hut.

"Welnu?" vroeg lady Helena met echt vrouwelijk ongeduld.

"Ja!" zeide Glenarvan, "ik heb mij niet bedrogen! er zijn papieren in!"

"Documenten! documenten!" riep lady Helena.

"Maar zij schijnen door het vocht verteerd te zijn," antwoordde Glenarvan, "en het is onmogelijk om ze er uit te halen; want zij kleven aan de wanden van de flesch."

"Sla haar stuk," zeide Mac Nabbs.

"Ik zou haar liever heel houden," antwoordde Glenarvan.

"Ik ook," antwoordde de majoor.

"Zonder twijfel," zeide lady Helena; "maar de inhoud ia kostbaarder dan het omhulsel, en dus moeten wij dit aan genen opofferen."

"Als Uwe Edelheid den hals er maar afslaat," zeide John Mangles, "kan het geschrift er uitgehaald worden zonder het te beschadigen."

"Beproef het! beproef het! lieve Edward!" riep lady Helena.

Er zat niets anders op, en hoe ongaarne ook besloot lord Glenarvan om den hals der kostbare flesch te breken. De hamer kwam er bij te pas, want het steenachtig bekleedsel was zoo hard geworden als graniet. Weldra vielen de brokken op de tafel, en nu zag men verscheidene stukjes papier, die aan elkander geplakt zaten. Glenarvan haalde ze er voorzigtig uit, scheidde ze vaneen, en leide ze voor zich neder, terwijl lady Helena, de majoor en de kapitein zich om hem verdrongen.

Glenarvan haalde ze er voorzigtig uit ...

Glenarvan haalde ze er voorzigtig uit ...
Glenarvan haalde ze er voorzigtig uit ...

II.

De drie documenten.

Op die door het zeewater half vernielde stukjes papier waren nog maar eenige woorden zigtbaar; de onleesbare overblijfselen van bijna geheel uitgewischte regels. Lord Glenarvan beschouwde ze eenige minuten lang zeer oplettend; hij draaide ze telkens om; hij hield ze tegen het licht; hij onderzocht de geringste sporen van schrift, die de zee geëerbiedigd had; vervolgens zag hij zijn vrienden aan, die hem met angstige blikken aanstaarden.

"Het zijn," zeide hij "drie onderscheidene documenten, en waarschijnlijk drie afschriften van hetzelfde document, in drie talen, het engelsch, het fransch en het duitsch, overgezet. De weinige woorden, die overgebleven zijn, laten mij dienaangaande geen twijfel over."

"Maar die woorden leveren toch zeker een verstaanbaren zin op?" vroeg lady Glenarvan.

"Dat is moeijelijk te zeggen, lieve Helena! de woorden op deze documenten zijn zeer onvolledig."

"Misschien vullen zij elkander aan," zeide de majoor.

"Dat moet zoo zijn," antwoordde John Mangles; "het is onmogelijk, dat het zeewater die regels juist op dezelfde plaatsen zou vernield hebben, en door die brokstukken bijeen te voegen, zullen wij eindelijk een verstaanbaren zin krijgen."

"Dat zullen wij doen," zeide Lord Glenarvan; "maar wij moeten met overleg te werk gaan. Eerst zullen wij het engelsche document nemen."

De volgorde der regels op dit document was deze.

Illustration from De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika

"Dat geeft niet veel," zeide de majoor op een spijtigen toon.

"Dat kan wel zijn," antwoordde de kapitein; "maar het is toch goed engelsch."

"Daar valt niet aan te twijfelen," zeide lord Glenarvan, "de woorden sink, aland, that, and, lost zijn onbeschadigd; skipp vormt zeker het woord skipper, en er is sprake van een mijnheer Gr..., waarschijnlijk de kapitein van een vergaan schip.[1]

"Daarbij komen nog," zeide John Mangles, "de woorden monit en ssistance, wier beteekenis duidelijk is."

"Wel, dat is toch iets interessants," antwoordde lady Helena.

"Ongelukkig missen wij geheele regels," antwoordde de majoor. "Hoe zullen wij nu den naam van het vergane schip, de plaats der schipbreuk terugvinden...?"

"Wij zullen ze terugvinden," zeide lord Edward.

"Daar is geen twijfelen aan," antwoordde de majoor, die altijd een ieder gelijk gaf; "maar hoe?"

"Door het eene document met het andere aan te vullen."

"Doet het dan," riep lady Helena.

Het tweede stukje papier, nog meer beschadigd dan het eerste, bevatte slechts op zich zelven staande woorden, die op deze wijze geschikt waren:

Illustration from De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika

"Dat is in het duitsch geschreven," zeide John Mangles, zoodra hij een blik op dit papier had geslagen.

"En kent gij die taal, John?" vroeg Glenarvan.

"In den grond, Uwe Edelheid!"

"Welnu, zeg ons dan, wat die weinige woorden beteekenen."

De kapitein onderzocht het document zeer oplettend, en sprak:

"Vooreerst weten wij nu den dag, waarop het voorval plaats had, 7 Junij, en door dit cijfer in verband te brengen met de cijfers 62 op het engelsche document, krijgen wij deze volledige dagteekening, 7 Junij 1862."

"Zeer goed," riep lady Helena, "ga voort, John!"

"Op denzelfden regel," hernam de jonge kapitein, "vind ik het woord Glas dat, verbonden met het woord gow op het eerste document, Glasgow geeft. Er is dus duidelijk sprake van een schip uit de haven van Glasgow."

"Dat denk ik ook," antwoordde de majoor.

"De tweede regel van het document is geheel weg," hernam John Mangles. "Maar op den derden tref ik twee belangrijke woorden aan: zwei, dat twee wil zeggen, en atrosen of liever matrosen, dat matrozen beteekent.

"Derhalve zou er sprake zijn van een kapitein en twee matrozen," zeide lady Helena.

"Zeer waarschijnlijk," antwoordde lord Glenarvan.

"Ik moet Uwe Edelheid bekennen," hernam de kapitein, "dat het volgende woord graus mij verlegen maakt. Ik weet niet, hoe ik het moet vertalen. Misschien zal het derde document het ophelderen. De twee laatste woorden echter leveren geen bezwaar op. Bringt ihnen beteekent brengt hun, en als men ze verbindt met het engelsche woord, dat even als deze op den zevenden regel van het eerste document staat, ik bedoel het woord assistance, dan krijgen wij den geheelen zin: brengt hun hulp."

"Ja! brengt hun hulp!" zeide lord Edward, "maar waar zijn die ongelukkigen? Tot nog toe bezitten wij geene enkele aanwijzing van plaats, en het tooneel van de ramp is geheel onbekend."

"Welligt zal het fransche document duidelijker zijn," zeide lady Helena.

"Laten wij nu dat stuk eens bezien," antwoordde Glenarvan, "en daar wij allen die taal kennen, zullen onze nasporingen gemakkelijker zijn."

Het volgende is een naauwkeurige afdruk van het derde document

Illustration from De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3) Zuid-Amerika

"Daar zijn cijfers in," riep lady Helena. "Ziet toch eens, heeren! ziet toch eens!..."

"Laten wij ordelijk te werk gaan," zeide lord Glenarvan, "en met het begin beginnen. Veroorlooft mij, dat ik die verspreide en onvolledige woorden één voor één naga. Ik zie vooreerst reeds aan de eerste letters, dat er een driemaster bedoeld wordt, waarvan de naam ons door de engelsche en fransche documenten geheel bekend is: de Britannia. Van de beide volgende woorden gonie en austral, heeft alleen het laatste een beteekenis, die gij allen begrijpt."

"Dat is reeds een gewigtige omstandigheid," zeide John Mangles, "de schipbreuk heeft plaats gehad op het zuidelijk halfrond."

"Dat is zeer onbepaald," zeide de majoor.

"Ik ga verder," hernam lord Edward. "Ha! het woord abor, de stam van het werkwoord aborder (aanlanden). Die ongelukkigen zijn ergens aangeland. Maar waar? Contin! Zou het op een vastland zijn? cruel...."

"Cruel!" riep John Mangles; "maar dat is de verklaring van het duitsche woord graus ... grausam... cruel! ... (wreed)."

"Verder! verder!" zeide Glenarvan, wiens belangstelling in opgewondenheid overging, naarmate de zin dier onvolledige woorden duidelijk begon te worden. "Indi..., zouden die matrozen naar Indië geslagen zijn? Wat beteekent dat woord ongit? Ha! longitude? (lengte). En dit is de breedte: 37°11'. Eindelijk krijgen wij dus een juiste aanwijzing."

"Maar de lengte ontbreekt nog," zeide Mac Nabbs,

"Men kan niet alles hebben, waarde majoor!" antwoordde lord Edward, "en een nauwkeurige breedte-graad is reeds iets. Dit fransche document is stellig het volledigste van de drie. Het is duidelijk, dat elk op zich zelf een letterlijke vertaling der andere was, want zij bevatten allen het zelfde aantal regels. Nu moeten wij ze dus vereenigen, is ééne taal overbrengen, en den waarschijnlijksten, den meest logischen en den duidelijksten zin opsporen."

"Zult gij het in het fransch, het engelsch of het duitsch vertalen?" vroeg de majoor.

"In het fransch," antwoordde Glenarvan, "omdat de meeste belangrijke woorden ons in die taal bewaard zijn gebleven."

"Uwe Edelheid heeft gelijk," zeide John Mangles; "bovendien zijn wij allen met die taal bekend."

"Dat is dus afgesproken. Ik zal dit document opschrijven door die overblijfsels van woorden en de afgebrokene zinnen te vereenigen, met behoud van de ruimten, die ze scheiden, en met aanvulling van die, welker beteekenis niet twijfelachtig kan zijn; daarna zullen wij vergelijken en oordeelen."

Terstond nam Glenarvan de pen op, en na weinige oogenblikken liet hij aan zijn vrienden een papier zien, waarop de volgende regels stonden:

7 junij 1862 driemaster Britannia Glasgow gonie zuidelijk gezonken. Aan land twee matrozen kapitein Gr vastl te bereik wreede Ind gev genomen dit document graden ngt en 87°11' breed geworpen. Brengt hun hulp, verloren.

Op dit oogenblik kwam een matroos den kapitein berichten, dat de Duncan den ingang der golf van de Clyde invoer, en diens bevelen vragen.

"Wat is het plan van Uwe Edelheid?" zeide John Mangles zich tot lord Glenarvan rigtende.

"Zoo spoedig mogelijk Dumbarton te bereiken, John! Terwijl lady Helena naar Malcolm-Castle terugkeert, zal ik naar Londen gaan en dit document aan de Admiraliteit indienen."

John Mangles gaf de noodige bedelen, en de matroos bragt ze den eersten stuurman over.

"Nu zullen wij onze nasporingen voortzetten, mijne vrienden!" sprak Edward. "Wij zijn een groote ramp op het spoor. Eenige menschenlevens hangen van onze schranderheid af. Laten wij dus al onze vermogens inspannen om den sleutel van dit ongelukkige raadsel te vinden."

"Wij zijn gereed, lieve Edward!" antwoordde lady Helena.

"Vooreerst," hernam Glenarvan, "moeten wij in dit document drie zeer verschillende dingen in het oog houden: 1° de dingen, die wij weten, 2° die men kan gissen, 3° die wij niet weten. Wat weten wij? Wij weten, dat den 7den Junij 1862 een driemaster, de Britannia van Glasgow, gezonken is, dat twee matrozen en de kapitein dit geschrift op een breedte van 37°11' in zee hebben geworpen, en dat zij om hulp vragen."

"Juist zoo," antwoordde de majoor.

"Wat kunnen wij gissen?" hernam Glenarvan. "Vooreerst, dat de schipbreuk in de zuidelijke zeeën plaats heeft gehad, en nu wil ik terstond uwe aandacht vestigen op het woord gonie. Wijst dit niet reeds den naam van het land aan?"

"Patagonië!" riep lady Helena.

"Zonder twijfel."

"Maar wordt Patagonië door de 37ste parallel gesneden?" vroeg de majoor.

"Dat is gemakkelijk uit te maken," antwoordde John Mangles een kaart van Zuid-Amerika voor den dag halende. "Het komt uit. Patagonië wordt door die 37ste parallel aangeraakt. Zij doorsnijdt Araucanië, gaat over de pampa's[2] in het noorden van Patagonië en loopt in den Atlantischen Oceaan uit."

"Goed. Laten wij onze gissingen voortzetten. De twee matrozen en de kapitein land ... landen aan, waar? vastl ... op het vastland, gij hoort het, het is een vastland en geen eiland. Wat is er van hen geworden? In die drie letters gev ... merken wij de hand der Voorzienigheid op; want zij geven ons kennis van hun lot. Die ongelukkigen toch zijn gevangenen. Van wie? van wreede Indianen. Zijt gij overtuigd? Komen nu de woorden niet van zelve als het ware op de ledigstaande plaatsen? Wordt het document nu niet gaandeweg duidelijk? Gaat er nu geen licht voor u op?"

Glenarvan was overtuigd van hetgene hij zeide; in zijn oogen blonk een volkomen vertrouwen. Het vuur, dat hem bezielde, deelde zich aan zijn hoorders mede. Allen riepen evenals hij: "Het is duidelijk!"

Na een oogenblik sprak lord Edward aldus:

"Al die vooronderstellingen, mijne vrienden! schijnen mij zeer gegrond toe; ik houd mij overtuigd, dat de ramp op de kusten van Patagonië heeft plaats gehad. Ten overvloede zal ik te Glasgow nog onderzoek doen naar de bestemming der Britannia, en dan kunnen wij zien, of zij die wateren kan bezocht hebben."

"Wij behoeven zoover niet te gaan zoeken," antwoordde John Mangles. "Ik heb hier een verzameling van de Mercantile and Shipping Gazette, die ons wel juiste inlichtingen verschaffen zal."

"Laat zien! gaauw! gaauw!" zeide lady Glenarvan.

John Mangles nam een pak couranten van 1862 en begon het schielijk te doorbladeren. Hij behoefde niet lang te zoeken, en las spoedig op een toon van tevredenheid:

"30 Mei 1862. Peru. Van Callao in lading naar Glasgow, Britannia, kapitein Grant."

"Grant!" riep lord Glenarvan, "die stoute Schot, die in de Stille Zuidzee een Nieuw Schotland heeft willen stichten!"

"Ja!" antwoordde John Mangles, "dezelfde, die zich in 1861 te Glasgow op de Britannia heeft ingescheept, en van wien men nooit iets vernomen heeft."

"Wij kunnen er niet meer aan twijfelen!" zeide Glenarvan. "Het is stellig dezelfde. De Britannia heeft den 30sten Mei Callao verlaten en den 7den Junij, acht dagen na haar vertrek, is zij op de kusten van Patagonië gebleven. Haar geheele verdere geschiedenis ligt in die verminkte woorden, die onverklaarbaar schenen. Gij ziet, vrienden! dat de woorden, die wij moesten raden, niet de minst belangrijke zijn. Wat diegene betreft, die wij niet weten, het is er maar één, want alleen de lengte ontbreekt nog."

"Die is onnoodig," antwoordde John Mangles, "daar het land bekend is, en met de breedte alleen durf ik wel op mij nemen om regelregt naar het tooneel van de schipbreuk te gaan."

"Dus weten wij alles?" vroeg lady Helena,

"Alles, lieve Helena en die tusschenruimten, welke de zee tusschen de woorden van het document heeft gemaakt, zal ik zonder moeite aanvullen, alsof kapitein Grant zelf mij opgaf, wat ik schrijven moet."

Terstond vatte lord Glenarvan de pen weder op en schreef zonder aarzelen het volgende briefje:

Op den 7den Junij 1862, is de driemaster Britannia van Glasgow op de kusten van Patagonië op het zuidelijk halfrond gezonken. Aan land gaande, zullen twee matrozen en kapitein Grant trachten het vastland te bereiken, waar zij door wreede Indianen gevangen genomen zullen worden. Zij hebben dit document op ... graden lengte en 37° 11' breedte in zee geworpen. Brengt hun hulp, of zij zijn verloren.

"Goed zoo, goed zoo! lieve Edward," riep lady Helena; "indien deze ongelukkigen ooit hun vaderland terugzien zullen zij dat geluk aan u te danken hebben."

"En zij zullen het terugzien," antwoordde Glenarvan. "Dit document is te uitvoerig, te duidelijk, te zeker, dan dat Engeland zou kunnen aarzelen om drie zijner kinderen te hulp te komen, die op een woeste kust verlaten zijn. Wat het voor Franklin en zooveel anderen heeft gedaan, zal het nu doen voor de schipbreukelingen der Britannia!"

"Maar die ongelukkigen hebben zonder twijfel een gezin, dat hun dood beweent," hernam lady Helena. "Welligt heeft die arme kapitein Grant vrouw en kinderen...."

"Gij hebt gelijk, lieve lady! en ik neem op mij om hen te verwittigen, dat alle hoop nog niet verloren is. Laten wij nu, mijne vrienden! naar de kampanje terug keeren, want wij zullen weldra de haven naderen."

De Duncan stoomde inderdaad met volle kracht; zij gleed op dit oogenblik langs de kust van het eiland Bute, en had de vallei Rothesay aan stuurboord, met zijn lief stadje, dat in het vruchtbare dal wegschuilt; daarop stoomde zij het naauwe vaarwater der golf in, manoeuvreerde voor Greenock, en ankerde des avonds ten zes ure aan den voet der basaltrots Dumbarton, op welker top zich het beroemde kasteel van Wallace, den schotschen held verheft.

Daar stond een postrijtuig gereed om lady Helena met den majoor Mac Nabbs naar Malcolm-Castle terug te brengen. Maar lord Glenarvan stapte, na afscheid van zijn jonge gade genomen te hebben, te Glasgow in den sneltrein.

Vóór zijn vertrek had hij aan een nog sneller bode een belangrijk berigt toevertrouwd, en eenige minuten later bragt de electrische telegraaf aan de Times en de Morning Chronicle de volgende advertentie:

"Om inlichtingen over het lot van den driemaster Britannia van Glasgow, kapitein Grant, vervoege men zich bij lord Glenarvan, Malcolm-Castle, Luss, graafschap Dumbarton, Schotland."

III.

Malcolm-Castle.

Het kasteel Malcolm, een der dichterlijkste van de schotsche Hooglanden, ligt nabij het dorp Luss, welks schoone vallei het beheerscht. De heldere wateren van het meer Lomond bespoelen zijn granieten muren. Sedert onheugelijke tijden behoorde het aan de familie Glenarvan, die in het vaderland van Rob Roy en van Fergus Mac Gregor de gastvrije gebruiken der oude helden van Walter Scott bleef beoefenen. In den tijd, toen de groote maatschappelijke omwenteling in Schotland tot stand kwam, werden eene menigte vassalen weggejaagd, die geen hooge pacht aan de oude opperhoofden der clans konden betalen; sommigen stierven van honger; eenigen werden visschers; anderen verlieten het land. Er heerschte een algemeene wanhoop. Alleen de Glenarvans meenden, dat zoowel de grooten als de geringen tot getrouwheid verpligt waren, en bleven dus getrouw aan hun pachters. Niet één verliet het dak, waaronder hij geboren was; niet één verliet het land, waarin zijn voorouders rustten; allen bleven in de clan hunner heeren. Ook nu nog, in deze eeuw van haat en tweedragt, telde de familie Glenarvan slechts Schotten op het kasteel Malcolm zoowel als aan boord der Duncan; allen stamden af van de vassalen van Mac Gregor, van Mac Farlane, van Mac Nabbs, van Mac Naugthons, dat wil zeggen, dat zij afkomstig waren uit de graafschappen Stirling en Dumbarton; dappere mannen, die met lijf en ziel aan hun heer verknocht waren, en waarvan sommigen nog het gaelisch van het oude Caledonië spraken.

Lord Glenarvan bezat verbazende rijkdommen en gebruikte ze om veel goed te doen; zijn goedheid was nog grooter dan zijn mildheid; want had deze natuurlijk hare grenzen, gene was onbeperkt. De heer van Luss, de "laird" (heer) van Malcolm, vertegenwoordigde zijn graafschap in het huis der lords, maar met zijn jacobitiesche denkbeelden. Hij bekommerde zich weinig om de gunst van het huis van Hanover, en was daarom vrij slecht gezien bij de engelsche staatslieden, vooral ook, omdat hij bleef vasthouden aan de overleveringen zijner voorouders, en krachtig zich verzette tegen de magtsaanmatigingen van "de mannen uit het Zuiden".

Lord Edward Glenarvan was daarom toch niet bij zijn tijd ten achteren, hij had evenmin een bekrompen geest als een onontwikkeld verstand; maar terwijl hij zijn graafschap wijd openzette voor den vooruitgang, bleef bij door en door een Schot, en om den roem van Schotland ging hij met zijn snelvarende jagten mededingen in de "matches" (wedstrijden) van de Royal-Thames-Yacht-Club.

Edward Glenarvan was twee en dertig jaar; hij had een hooge gestalte, min of meer strenge gelaatstrekken, een zeer zachten blik, kortom, over zijn geheelen persoon lag het dichterlijk waas der Hooglanders. Men wist, dat hij tot vermetelheid toe dapper, ondernemend, ridderlijk, een Fergus der 19de eeuw, maar bovenal goed was, nog beter zelfs dan de heilige Martijn; want hij zou zijn geheelen mantel aan de arme Hooglanders gegeven hebben.

Lord Glenarvan was naauwelijks drie maanden gehuwd met miss Helena Tuffnel, de dochter van den grooten reiziger William Tuffnel, een der talrijke slagtoffers van de aardrijkskundige wetenschap en van den ijver voor ontdekkingen.

Miss Helena was niet van adel, maar zij was eene schotsche vrouw, hetgeen in de oogen van lord Glenarvan van meer waard was dan een edele geboorte; de heer van Luss had dit bekoorlijke, moedige, liefhebbende meisje tot levensgezellin gekozen. Hij ontmoette haar eens verlaten, een wees, bijna zonder middelen, in het huis haars vaders te Kilpatrick. Hij begreep, dat het arme meisje een wakkere vrouw zou zijn; hij huwde haar. Miss Helena was twee en twintig jaar; zij was een blonde en hare oogen waren zoo blaauw als het water der schotsche meren op een schoonen lentemorgen. Haar liefde voor haar echtgenoot was nog sterker dan haar dankbaarheid. Zij beminde hem, alsof zij de rijke erfgename en hij de verlaten wees geweest was. Haar pachters en bedienden waren allen bereid om hun leven op te offeren voor haar, die zij "Onze goede Vrouwe van Luss" noemden.

Lord Glenarvan en lady Helena leefden gelukkig op Malcolm-Castle, te midden der verhevene en woeste natuur der Hooglanden, wandelende in de duistere lanen van kastanje- en moerbezieboomen, aan de oevers van het meer, waar nog de "pibroche" (krijgsliederen) van den ouden tijd weergalmden, in die onbebouwde bergengten, waarin de geschiedenis van Schotland in eeuwenheugende puinhoopen geschreven is. Nu eens verdwaalden zij in de berken- of lorkenbosschen, of op de uitgestrekte, dorre heidevelden; dan weder beklommen zij de steile toppen van den Ben Lomond, of reden door de verlatene omstreken, terwijl zij dat dichterlijk gewest, thans nog "het vaderland van Rob Roy" genoemd, en al die vermaarde plekjes, die Walter Scott zoo heerlijk bezongen heeft, bestudeerden, begrepen en bewonderden. Wanneer des avonds of tegen den nacht "de lantaarn van Mac Farlane" aan den gezigteinder ontstoken werd, zwierven zij over den burgtrans, een oude cirkelvormige galerij, die een snoer van schietgaten om het kasteel Malcolm slingerde; peinzend, vergeten en als het ware alleen in de wereld, zittende op een losgeraakten steen, te midden van het zwijgen der natuur, onder de bleeke stralen der maan, bleven zij, terwijl de top der verduisterde bergen langzamerhand in de schaduwen van den nacht gehuld werd, verzonken in die reine geestverrukking en die hartelijke opgetogenheid, waarvan het geheim op deze aarde alleen bekend is aan minnende harten.

Zoo bragten zij de eerste maanden van hun huwelijk door. Maar lord Glenarvan vergat niet, dat zijn gade de dochter van een groot reiziger was; hij zeide bij zich zelven, dat lady Helena dezelfde wenschen als haar vader moest koesteren, en hij bedroog zich niet. De Duncan werd gebouwd; zij was bestemd om lord en lady Glenarvan naar de schoonste landen der aarde over te brengen, over de golven van de Middellandsche zee en naar de eilanden van den Archipel. Men kan wel begrijpen hoe blijde lady Helena was, toen haar echtgenoot de Duncan ter harer beschikking stelde. Bestaat er wel een grooter geluk, dan zijn liefde over te brengen naar de heerlijke streken van Griekenland, en de wittebroodsweken te slijten op de tooverachtige kusten van het Oosten?

Lord Glenarvan was intusschen naar Londen vertrokken. Maar de redding van ongelukkige schipbreukelingen was zijn doel; ook leide lady Helena meer ongeduld dan droefheid over dit kortstondig afzijn aan den dag; den volgenden morgen gaf een berigt van haar man hoop op een spoedige terugkomst; des avonds vroeg hij in een brief om uitstel; de voorstellen van lord Glenarvan stuitten op eenige moeijelijkheden; een dag later kwam er een nieuwe brief, waarin lord Glenarvan niet ontveinsde, dat hij ontevreden was over de Admiraliteit.

Nu begon lady Helena ongerust te worden. Des avonds was zij alleen in haar kamer, toen de hofmeester van het kasteel, Master Halbert, haar kwam berigten, dat een meisje en een knaap, die lord Glenarvan wilden spreken, verzochten om toegelaten te worden.

"Zijn zij uit den omtrek?" vroeg lady Helena.

"Neen, mevrouw!" antwoordde de hofmeester, "want ik ken ze niet. Zij zijn met den trein te Balloch gekomen, en vandaar tot Luss hebben zij geloopen."

"Laat hen boven komen, Halbert!" zeide lady Glenarvan.

De hofmeester ging weg. Eenige oogenblikken later werden het meisje en de knaap in de kamer van lady Helena gebragt. Zij waren broeder en zuster,—en geleken elkander sprekend. De zuster was zestien jaar. Haar lief maar eenigzins vermoeid voorkomen, haar oogen, die verrieden, dat zij menigmaal had geweend, haar onderworpen maar moedige houding, haar armoedige en toch zindelijke kleeding, maakten een gunstigen indruk. Zij hield een twaalfjarigen knaap met een manhaftig voorkomen bij de hand, die zijn zuster onder zijn bescherming scheen te nemen. En waarlijk! wie het meisje mogt beleedigen zou met den knaap te doen hebben gekregen.

De zuster stond een weinig verlegen, toen zij in de tegenwoordigheid van lady Glenarvan kwam. Deze haastte zich het woord op te vatten.

"Gij wenscht mij te spreken?" zeide zij, tevens het meisje met haar blikken aanmoedigende.

"Neen!" antwoordde de knaap op een vasten toon, "u niet, maar lord Glenarvan in persoon."

"Vergeef het hem, mevrouw!" zeide de zuster met een blik op haar broeder.

"Lord Glenarvan is niet op het kasteel," hernam lady Helena; "maar ik ben zijn vrouw, en als ik u helpen kan...."

"Zijt gij lady Glenarvan?" vroeg het meisje.

"Ja, miss!"

"De vrouw van lord Glenarvan van Malcolm-Castle, die in de Times een berigt aangaande de schipbreuk der Britannia heeft geplaatst?"

"Ja, ja!" antwoordde lady Helena driftig, "en gij?..."

"Ik ben miss Grant, mevrouw! en dat is mijn broeder."

"Miss Grant, miss Grant!" riep lady Helena, terwijl zij het meisje naar zich toe trok, hare handen vatte, en de gezonde wangen van den knaap kuste.

"Ik ben Miss Grant, mevrouw!"

"Ik ben Miss Grant, mevrouw!"
"Ik ben Miss Grant, mevrouw!"

"Wat weet gij van de schipbreuk mijns vaders, mevrouw?" hernam het meisje. "Leeft hij nog? Zullen wij hem ooit terugzien? Spreek, ik smeek het u!"

"Lief kind!" zeide lady Helena, "de Hemel beware mij, dat ik u in zulk een omstandigheid een onberaden antwoord zou geven; ik wil u met geen bedriegelijke hoop vleijen...."

"Spreek, mevrouw! spreek! ik ben sterk genoeg en kan alles hooren."

"Lief kind!" antwoordde lady Helena, "de hoop is zeer gering; maar met de hulp van den almagtigen God is het mogelijk, dat gij uw vader eens terug zult zien."

"Mijn God! mijn God!" riep miss Grant, die hare tranen niet kon bedwingen, terwijl Robert de handen van lady Glenarvan met kussen bedekte.

Toen de eerste vlaag dier droevige vreugde een weinig bedaard was, stapelde het meisje tallooze vragen opeen; lady Helena vertelde haar de geschiedenis van het document, hoe de Britannia op de kusten van Patagonië vergaan was, hoe na de schipbreuk de kapitein en twee matrozen, de eenigen die de ramp overleefd hadden, het vaste land bereikt hadden; eindelijk hoe zij de hulp hunner medemenschen inriepen in dat document, dat in drie talen geschreven en aan de genade der golven overgegeven was.

Gedurende dit verhaal wendde Robert Grant het oog niet van lady Helena af; zijn leven hing aan hare lippen; zijn kinderlijke verbeelding schetste hem de verschrikkelijke tooneelen, waarvan zijn vader welligt het offer geweest was; hij zag hem op het dek der Britannia staan; hij volgde hem in den schoot der golven; hij klemde zich met hem aan de rotsen op de kust; hijgende kroop hij over het zand buiten het bereik der baren. Bij herhaling uitte hij eenige woorden gedurende het verhaal.

"O, vader! arme vader!" riep hij, terwijl hij zich digt aan zijn zuster drong.

Miss Grant daarentegen luisterde met gevouwen handen toe, en sprak geen woord, vóór het verhaal uit was. Toen zeide zij: "O, mevrouw! het document, het document!"

"Ik heb het niet meer, lief kind!" antwoordde lady Helena.

"Hebt gij het niet meer?"

"Neen! Lord Glenarvan heeft het naar Londen mede moeten nemen om uws vaders belang te bevorderen; maar ik heb u dezelfde inhoud woord voor woord medegedeeld, en ook hoe het ons gelukt is den zin geheel terug te vinden; onder die brokstukken van zinnen, welke de golven bijna uitgewischt hadden, zijn eenige cijfers gespaard gebleven; ongelukkig de lengte...."

"Dat is niets!" riep de knaap.

"O neen! jongeheer Robert!" antwoordde Helena, die om zijn vastberadenheid moest glimlagchen. "Zooals gij ziet, miss Grant! zijn de geringste bijzonderheden van dat document u nu even goed bekend als mij."

"Ja, mevrouw!" antwoordde het meisje; "maar ik zou gaarne het schrift mijns vaders gezien hebben."

"Welnu! lord Glenarvan komt welligt morgen terug. Van dit onwraakbaar bewijs voorzien, heeft mijn man het aan de commissarissen der Admiraliteit willen vertoonen, ten einde te bewerken, dat er onmiddellijk een schip worde uitgezonden om kapitein Grant op te sporen."

"Is het mogelijk, mevrouw! hebt gij dat voor ons gedaan?" riep het meisje.

"Ja, lieve miss! en ik verwacht lord Glenarvan ieder oogenblik."

"Mevrouw!" sprak het meisje op een toon van ongeveinsde dankbaarheid en godsvrucht, "de Hemel zegene lord Glenarvan en u!"

"Lief kind!" antwoordde lady Helena, "wij verdienen geen dankbetuigingen; ieder ander zou in onze plaats hetzelfde gedaan hebben. Mogt de hoop, die ik bij u opgewekt heb, verwezenlijkt worden! Tot de terugkomst van lord Glenarvan blijft gij op het kasteel...."

"Mevrouw!" antwoordde het meisje, "ik zou vreezen misbruik te maken van de toegenegenheid, die gij aan vreemden betoont...."

"Vreemden, lief kind! gij noch uw broeder zijt in dit huis vreemdelingen, en ik verlang, dat lord Glenarvan bij zijn tehuiskomst aan de kinderen van kapitein Grant zal mededeelen, wat men beproeven wil om hun vader te redden."

Een zoo hartelijk aanbod mogt niet afgeslagen worden. Men kwam dus overeen, dat miss Grant en haar broeder de terugkomst van lord Glenarvan ten zijnent zouden afwachten.

IV.

Een voorstel van lady Glenarvan.

In den loop van dit gesprek had lady Helena geen woord gesproken van de vrees, die in de brieven van lord Glenarvan doorschemerde, voor het onthaal, dat zijn aanzoek gevonden had bij de commissarissen der Admiraliteit. Evenmin maakte zij melding van de vermoedelijke gevangenschap van kapitein Grant bij de Indianen van Zuid-Amerika. Waartoe zou het ook dienen om die arme kinderen bedroefd te maken over den toestand huns vaders en om de hoop te verminderen, die zij pas hadden opgevat? Dat bragt toch geen verandering in den stand van zaken te weeg. Lady Helena had er dus over gezwegen, en na al de vragen van miss Grant beantwoord te hebben, ondervroeg zij deze op hare beurt over haar leven en over haar toestand, nu zij de eenige beschermster haars broeders op deze wereld scheen te zijn.

Het was een treffende en eenvoudige geschiedenis, waardoor de belangstelling van lady Glenarvan in het meisje nog toenam.

Miss Mary en Robert Grant waren de eenige kinderen van den kapitein. De geboorte van Robert had der echtgenoote van Harry Grant het leven gekost, en gedurende zijn lange zeereizen liet hij zijn kinderen onder de hoede eener goede oude nicht. Kapitein Grant was een stout zeeman, grondig ervaren in zijn beroep, tegelijk een goed zeevaarder en een goed handelaar, zoodat hij een dubbele geschiktheid bezat, die van zooveel belang is voor de schippers der koopvaardijvloot. Hij bewoonde met zijn gezin de stad Dundee, in het graafschap Perth, in Schotland. Kapitein Grant was dus een landgenoot; zijn vader, een geestelijke bij de St. Catharina-Kerk, had hem een goede opvoeding laten geven, denkende dat dit niemand benadeelen kan, zelfs geen zeekapitein.

Op zijne eerste reizen over zee, aanvankelijk als eerste stuurman, later als schipper, was hij zeer gelukkig in zijne zaken, en eenige jaren na de geboorte van Robert Harry was hij in het bezit van een klein vermogen.

Toen vatte hij een groot plan op, dat zijn naam in geheel Schotland bekend maakte. Even als de Glenarvans en eenige aanzienlijke geslachten uit de Laaglanden, had hij zich, zoo al niet feitelijk dan toch in de gedachte, van het overheerschende Engeland gescheiden. De belangen van zijn land konden in zijn oog niet die der Angelsaksers zijn, en om ze zelfstandig te doen ontwikkelen besloot hij in Australië een groote schotsche kolonie te stichten. Droomde hij van een toekomstige onafhankelijkheid, waarvan de Vereenigde Staten het voorbeeld hadden gegeven, een onafhankelijkheid, die Indië en de andere koloniën in Australië niet missen kunnen ook eenmaal te verwerven? Misschien. Welligt liet hij ook die stille hoop doorschemeren. Het is dus ligt te begrijpen, dat het gouvernement weigerde de hand te leenen aan zijn kolonisatie-plan; het legde kapitein Grant zelfs moeijelijkheden in den weg, die in ieder ander land den ontwerper van verdriet zouden hebben doen omkomen. Maar Harry liet zich niet ontmoedigen; hij deed een beroep op de vaderlandsliefde zijner landgenoten, waagde zijn vermogen aan de uitvoering van zijn plan, bouwde een schip, en door een uitgelezene bemanning ondersteund, vertrok hij, na zijn kinderen aan de zorgen zijner oude nicht te hebben toevertrouwd, om de groote eilanden der Stille Zuidzee te onderzoeken. Dat geschiedde in 1861. Een jaar lang, tot in Mei 1862, kreeg men berigten van hem; maar sedert zijn vertrek van Callao, in de maand Junij, hoorde niemand meer spreken van de Britannia, en de zeetijdingen zwegen over het lot van den kapitein.

In die omstandigheden stierf de oude nicht van Harry Grant en de beide kinderen bleven alleen op deze wereld.

Mary Grant was toen veertien jaar; haar moedige ziel deinsde niet terug voor het lot, dat haar te beurt viel, en zij wijdde zich geheel aan haar nog jeugdigen broeder. Hij had opvoeding en onderwijs noodig. Door zuinigheid, voorzigtigheid en schranderheid, door dag en nacht te arbeiden, door hem alles te geven en zich zelve alles te onthouden, voorzag de zuster in haars broeders opvoeding en vervulde zij moedig haar moederlijke pligten.

Zoo leefden de beide kinderen te Dundee in dien treffenden toestand eener met waardigheid aangenomen, maar dapper bestreden armoede. Mary dacht alleen aan haar broeder, en droomde voor hem van de eene of andere gelukkige toekomst. Voor haar was de Britannia helaas voor altijd weg, en haar vader dood, ja dood. Wij wagen het daarom niet haar aandoening te schilderen, toen het berigt in de Times, dat haar toevallig in het oog viel, haar plotseling uit haar wanhoop opwekte.

Zij aarzelde niet; haar besluit was onmiddellijk genomen. Al moest zij ook vernemen, dat het lijk van kapitein Grant op een woeste kust of op een ontredderd schip terug gevonden was, dan was dat toch nog beter dan die onophoudelijke twijfel, die eeuwige kwelling der onzekerheid.

Zij zeide alles aan haar broeder; dienzelfden dag gingen de beide kinderen op den trein van Perth, en des avonds kwamen zij te Malcolm-Castle aan, waar voor Mary, na zooveel angst, eindelijk weer een straal van hoop opging.

Mary Grant vertelde die droevige geschiedenis aan lady Glenarvan op een eenvoudige wijze, en zonder te bedenken, dat zij in die lange jaren van beproeving als een heldhaftig meisje zich had gedragen; maar lady Helena dacht er in hare plaats aan, en bij herhaling drukte zij de beide kinderen van kapitein Grant weenend in hare armen.

Het scheen, alsof Robert die geschiedenis voor de eerste maal vernam; hij zette groote oogen op, toen hij zijn zuster zoo hoorde spreken; hij begreep alles, wat zij gedaan, alles wat zij geleden had, en haar omhelzende, riep hij eindelijk uit:

"Ach! moeder! lieve moeder!" zonder dat hij dien kreet, die uit den grond van zijn hart kwam, kon bedwingen.

Gedurende dit gesprek was het geheel en al donker geworden. Lady Helena, die wel kon begrijpen, dat de beide kinderen vermoeid zonden zijn, wilde het onderhoud niet langer voortzetten. Mary Grant en Robert werden naar hun kamers gebragt en sliepen in, droomende van een betere toekomst.

Na hun vertrek liet lady Helena den majoor roepen en deelde hem al het gebeurde van dien avond mede.

"Een braaf meisje, die Mary Grant," zeide Mac Nabbs, toen hij het verhaal zijner nicht had aangehoord.

"De Hemel geve, dat mijn man in zijn onderneming slage!" antwoordde lady Helena, "anders zou de toestand dezer beide kinderen allerverschrikkelijkst worden."

"Hij zal slagen," hervatte Mac Nabbs, "of de lords der Admiraliteit zouden een hart moeten hebben harder dan portlandsche steen."

In weerwil van deze verzekering van den majoor bragt lady Helena den nacht in de hevigste onrust door en kon geen oogenblik slapen.

Den volgenden morgen wandelden Mary Grant en haar broeder, die met het krieken van den dag opgestaan waren, op het plein vóór het kasteel, toen het geraas van een naderend rijtuig zich liet hooren. Het was lord Glenarvan, die zoo snel als zijn paarden maar loopen konden, op Malcolm-Castle terugkwam. Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen lady Helena, door den majoor vergezeld, op het plein, en snelde haar man te gemoet.

Deze scheen treurig, teleurgesteld, verstoord. Hij drukte zijn vrouw aan zijn borst en zweeg.

"Welnu, Edward! Edward!" riep lady Helena.

"Welnu, lieve Helena!" antwoordde lord Glenarvan, "die menschen hebben geen hart!"

"Hebben zij dan geweigerd?..."

"Ja! zij hebben mij een schip geweigerd! zij hebben gesproken van de millioenen, die met het opsporen van Franklin verspild zijn! zij hebben gezegd, dat die ongelukkigen reeds sedert meer dan twee jaren aan zich zelven overgelaten zijn en dat er dus weinig kans was om hen terug te vinden! Zij hebben beweerd, dat zij, bij de Indianen gevangen zijnde, stellig naar het binnenland gesleept zijn; dat men geheel Patagonië niet kon doorzoeken om drie mannen—drie Schotten!—terug te vinden! dat die nasporingen vergeefsch en gevaarlijk zijn, en meer slagtoffers kosten dan redden zouden! kortom, zij hebben al de schijngronden opgegeven van lieden, die iets weigeren willen. Zij herinnerden zich de plannen van den kapitein, en de arme Grant is reddeloos verloren!"

"Mijn vader! mijn arme vader!" riep Mary Grant, voor lord Glenarvan op de knieën vallende.

"Uw vader! hoe, miss!..." zeide hij, zeer verwonderd zijnde dit meisje voor zich te zien knielen.

"Mijn vader! Mijn arme vader!" riep Mary Grant...

"Mijn vader! Mijn arme vader!" riep Mary Grant...
"Mijn vader! Mijn arme vader!" riep Mary Grant...

"Ja, Edward! miss Mary en haar broeder," antwoordde nu lady Helena, "de beide kinderen van kapitein Grant, die de Admiraliteit veroordeeld heeft om weezen te blijven!"

"Ach! miss! als ik geweten had, dat gij hier waart!..." hernam lord Glenarvan, terwijl hij het meisje hielp opstaan.

Verder zeide hij niets meer! Een pijnlijke stilte, door snikken afgebroken, heerschte op het plein; niemand sprak een woord, noch lord Glenarvan, noch lady Helena, noch de majoor, noch de bedienden van het kasteel, die zwijgende om hun meesters geschaard stonden. Maar door hun houding protesteerden al die Schotten tegen het gedrag van het engelsche gouvernement.

Na eenige oogenblikken vatte de majoor het woord op en sprak, zich tot lord Glenarvan wendende:

"Alzoo hebt gij geen hoop meer?"

"Niet de geringste."

"Welnu!" riep de jonge Robert, "ik zal die lieden gaan opzoeken en ... dan zullen wij zien...."

Robert voltooide zijn bedreiging niet, want zijn zuster hield hem tegen; maar zijn gebalde vuist gaf geen zeer vredelievende plannen te kennen.

"Neen, Robert!" zeide Mary Grant, "neen! wij willen liever die brave heeren bedanken voor hetgene zij voor ons gedaan hebben; wij zullen ons levenslang erkentelijk jegens hen betoonen, en nu willen wij beiden vertrekken."

"Mary!" riep lady Helena.

"Miss! waar wilt gij heen gaan?" zeide lord Glenarvan.

"Ik ga een voetval voor de koningin doen," antwoordde het meisje, "en dan zullen wij zien of zij doof zal zijn voor de smeekingen van twee kinderen, die om het leven huns vaders vragen."

Lord Glenarvan schudde het hoofd; niet omdat hij aan het hart Harer Genadige Majesteit twijfelde, maar hij wist, dat Mary Grant nooit tot haar zou kunnen doordringen. De smeekelingen komen maar al te zelden tot de trappen van den troon, en het schijnt, dat men op de deur der koninklijke paleizen geschreven heeft, wat de Engelschen op het stuurrad hunner schepen zetten:

"Passengers are requested not to speak to the man at the wheel."[1]

Lady Helena had de bedoeling van haar man gevat: zij wist, dat het meisje een nuttelooze poging zou doen; zij zag, hoe die beide kinderen voortaan een allerellendigst leven zouden leiden. Nu vatte zij een groote en verhevene gedachte op.

"Mary Grant!" riep zij, "wacht, mijn kind! en hoor, wat ik u zeggen wil."

Het meisje, dat haar broeder bij de hand hield en zich gereed maakte om te vertrekken, bleef nu staan.

Nu naderde lady Helena met betraande oogen, maar met een vaste stem en levendige trekken, haar man en zeide:

"Edward! Toen kapitein Grant dezen brief schreef en in zee wierp, vertrouwde hij hem aan de zorg van God zelven toe. God heeft hem in onze handen doen komen! zonder twijfel heeft God ons de redding dier ongelukkigen willen opdragen."

"Wat bedoelt gij daarmede, Helena?" vroeg lord Glenarvan.

Een diepe stilte heerschte in den geheelen kring.

"Ik bedoel," hernam lady Helena, "dat men zich gelukkig moet achten, als men het huwelijksleven met een goede daad mag beginnen. Welnu! om mij genoegen te doen hebt gij, lieve man! het plan tot een pleizierreisje ontworpen! Maar kan er een wezenlijker, nuttiger vermaak zijn dan ongelukkigen te redden, die door hun land verlaten worden?"

"Helena!" riep lord Glenarvan.

"Ja, gij begrijpt mij, Edward! De Duncan is een goed en stevig schip! het kan de zuidelijke zeeën bevaren! het kan een reis om de wereld doen, en zal het doen, als het noodig is! Laten wij vertrekken, Edward! Laten wij kapitein Grant gaan opzoeken!"

Die moedige taal hoorende had lord Glenarvan de armen naar zijn jeugdige gade uitgebreid; zij glimlachte, hij drukte haar aan zijn hart, terwijl Mary en Robert hare handen kusten.

En gedurende dit aandoenlijk tooneel klonk uit den mond der bewogen en opgetogen bedienden van het kasteel deze kreet van ongeveinsde dankbaarheid:

"Hoera voor de edelvrouwe van Luss! hoera! driewerf hoera voor lord en lady Glenarvan!"

V.

Het vertrek van de Duncan.

Lady Helena bezat, zooals wij reeds gezegd hebben, een sterke en edelmoedige ziel. Wat zij daar deed, was er een onwederlegbaar bewijs van. Lord Glenarvan was te regt trotsch op die edele vrouw, die in staat was om hem te begrijpen en te volgen. De gedachte om kapitein Grant te hulp te snellen was reeds bij hem opgekomen, toen te Londen zijn aanvraag van de hand gewezen werd; dat hij lady Helena niet voorgekomen was, kwam daar vandaan, dat hij zich niet kon gewennen aan de gedachte om van haar te scheiden. Maar nu lady Helena zelve vroeg om te vertrekken, hield alle aarzeling op; de bedienden van het kasteel hadden dat voorstel met hun gejuich begroet; het kwam er op aan om broeders, Schotten evenals zij, te redden, en lord Glenarvan stemde van harte in met het hoera, dat ter eere der vrouwe van Luss werd aangeheven.

Nu eenmaal tot het vertrek besloten was, was er geen uur meer te verliezen. Dienzelfden dag zond lord Glenarvan aan John Mangles bevel om met de Duncan naar Glasgow te gaan en alles in gereedheid te brengen voor een reis door de zuidelijke zeeën, die wel een reis om de aarde worden kon. Bij het doen van haar voorstel had lady Helena niet te veel gezegd van de hoedanigheden der Duncan; zeer sterk gebouwd en zeer snelvarend kon zij gerust een langen zeetogt ondernemen.

Het was een stoomjagt van het schoonste model; het mat twee honderd en tien ton, en de eerste schepen, die in de Nieuwe Wereld aankwamen, die van Columbus, Vespucius, Pinson en Magellaan waren veel kleiner[1].

De Duncan had twee masten, een fokkemast met fok, schoonerfok, voormarszeil en klein bramzeil; een grooten mast met groote bezaan en vlieger; daarenboven een stormfok, een buitenkluiver, een voorstagzeil en stagzeilen. Zij voerde genoeg zeil, en kon als een gewone clipper van den wind gebruik maken; maar boven alles rekende zij op de mechanische kracht in haar binnenste. Haar machine van honderd zestig paardenkrachten en naar een nieuw stelsel vervaardigd, bezat verhittingstoestellen, die meer spankracht aan den stoom gaven; zij was van hooge drukking en bragt een dubbele schroef in beweging. Als de Duncan onder vollen stoom was, overtrof haar snelheid alle tot nu toe bekende snelheden. Op haar proeftogtjes in de golf van de Clyde had zij volgens de patent-log[2] zeventien mijlen in het uur afgelegd[3]. Haar inrigting veroorloofde haar dus om te vertrekken en een reis om de aarde te doen. John Mangles behoefde dus alleen voor de inwendige inrigting te zorgen.

Zijn eerste werk was om de bergplaatsen te vergrooten, ten einde zooveel kolen mede te nemen als maar mogelijk was; want het is moeijelijk om onderweg nieuwen voorraad van brandstof in te nemen. Dezelfde voorzorg werd voor de bottelarij genomen, en John Mangles nam voor twee jaar levensmiddelen aan boord; hij had geen gebrek aan geld, ja zelfs genoeg om een draaibas te koopen, die op de voorplecht van het jagt geplaatst werd; men wist niet wat er gebeuren kon, en het is altijd goed op een afstand van vier mijlen een achtponder te kunnen toezenden.

En John Mangles had er verstand van; al kommandeerde hij maar een pleizierjagt, hij werd toch onder de beste schippers van Glasgow gerekend; hij was dertig jaar en had eenigzins harde trekken, maar die toch moed en goedheid uitdrukten. Hij was op het kasteel geboren, door de familie Glenarvan groot gebragt en tot een uitmuntend zeeman opgegroeid; menigmaal gaf John Mangles op zijn lange zeereizen blijken van bekwaamheid, geestkracht en koelbloedigheid. Toen lord Glenarvan hem het bevel over de Duncan aanbood, nam hij dit gaarne aan; want hij beminde den heer van Malcolm-Castle als een vriend, en had tot nu toe te vergeefs naar een gelegenheid gezocht om hem van dienst te zijn.

De eerste stuurman, Tom Austin, was een oud zeeman, die alle vertrouwen verdiende; de bemanning der Duncan bestond uit vijf en twintig koppen met inbegrip van den kapitein en den eersten stuurman; allen behoorden in het graafschap Dumbarton te huis; allen, beproefde matrozen, waren zonen van pachters der familie, en vormden aan boord een ware clan van dappere mannen, bij wie zelfs de vaderlandsche "piperbag"[4] niet gemist werd. Lord Glenarvan had in hen een troep flinke gasten, die smaak vonden in hun beroep, verknocht, moedig en bekwaam waren in het hanteeren der wapens zoowel als in het bestuur van een schip, en die genegen waren om hem op de gevaarlijkste togten te volgen. Toen de bemanning der Duncan het deel der reis vernam, konden pij hun blijde ontroering niet bedwingen, en de echo's der rotsen, van Dumbarton weerkaatsten hun opgewonden hoera.

Te midden van de werkzaamheden van het laden en proviandeeren van het schip vergat John Mangles niet om de vertrekken van lord en lady Glenarvan voor een lange zeereis in te rigten. Hij moest ook de hutten der kinderen van kapitein Grant in orde brengen; want lady Helena had aan Mary het verlof niet kunnen weigeren om haar aan boord der Duncan te volgen.

Wat haar broeder aangaat, deze zou zich veeleer in het ruim van het jagt verborgen hebben dan niet mede te gaan; al had hij als scheepsjongen dienst moeten doen, zooals Nelson en Franklin, dan zou hij zich nog op de Duncan ingescheept hebben. Hoe zou men zulk een knaap iets hebben kunnen weigeren? Men beproefde het dan ook niet eens. Zelfs moest men er in bewilligen om hem "niet mede te nemen" als passagier; want hij wilde dienen als scheepsjongen, ligt matroos of matroos. John Mangles kreeg last om hem het zeemansberoep te leeren.

"Goed!" zeide Robert, "en spaar de zweep niet, als ik niet goed oppas!"

"Wees maar gerust, mijn jongen!" antwoordde Glenarvan met een ernstig gelaat, zonder er echter bij te voegen, dat het gebruik der kat met negen staarten[5] aan boord der Duncan verboden en ook geheel noodeloos was.

Om de rol der passagiers vol te maken, moet alleen nog de majoor Mac Nabbs genoemd worden. De majoor was vijftig jaar oud, had een kalm en regelmatig gelaat, ging waarheen een bevel hem riep, en had een uitmuntend en volmaakt karakter, altijd bescheiden, stilzwijgend, vredelievend en zachtzinnig; hij was het altijd met een ieder en over alles eens, hij sprak niets tegen, twistte niet, werd niet boos; hij beklom even bedaard de helling van een tusschenwal, waarin bres was geschoten, als de trap naar zijn slaapkamer; niets ter wereld deed hem ontroeren, hij ging nooit uit den weg, zelfs niet voor een kanonskogel, en zonder twijfel zal hij sterven zonder ooit gelegenheid te hebben gehad om boos te worden. Die man bezat in den hoogsten graad niet maar alleen den gewonen moed der slagvelden, die physieke dapperheid, welke alleen het gevolg der spierkracht is, maar iets beters, zedelijken moed, dat wil zeggen zielskracht. Het eenige gebrek, dat hij had, indien het een gebrek is, was dat hij door merg en been een Schot was, een volbloed Caledoniër, die stijfhoofdig vast bleef houden aan de oude gewoonten van zijn land. Daarom had hij ook nooit Engeland willen dienen, en zijn majoorsrang had hij verworven in het 42ste regiment der Highland-Black-Watch, de zwarte garde, welker compagniën alleen uit schotsche edellieden bestonden. In hoedanigheid van neef der Glenarvans bewoonde Mac Nabbs het kasteel Malcolm, en in hoedanigheid van majoor vond hij het heel natuurlijk om als passagier met de Duncan mede te gaan.

Deze waren de personen aan boord van dat jagt, dat door onvoorziene omstandigheden geroepen werd om een der verbazendste reizen der nieuwere tijden te ondernemen. Sedert het te Glasgow aan de aanlegplaats der stoombooten lag, had het de algemeene nieuwsgierigheid gaande gemaakt; dagelijks werd het door een talrijke menigte bezocht; men stelde in niets anders belang, men sprak van niets anders, tot groote spijt der andere kapiteins in de haven, onder anderen van kapitein Burton der Scotia, een prachtige boot, die digt bij de Duncan lag en naar Calcutta bestemd was. Om haar grootte had de Scotia regt om de Duncan als een eenvoudig adviesjagt te beschouwen! En toch werd alleen het jagt van lord Glenarvan met een belangstelling beschouwd, die nog bij den dag toenam.

Inmiddels naderde het oogenblik van vertrek met rassche schreden; John Mangles had zijn bekwaamheid en vlugheid getoond; een maand na haar proeftogten op de golf van de Clyde kon de Duncan geladen, geproviandeerd en opgetuigd zee kiezen. Het vertrek werd op den 25sten Augustus bepaald, waardoor het jagt tegen het begin der lente in de zuidelijke breedten aldaar kon aankomen.

Zoodra het plan van lord Glenarvan bekend werd, had het niet ontbroken aan bedenkingen over de vermoeijenissen en gevaren der reis; maar hij stoorde zich er niet aan, en maakte zich gereed om Malcolm-Castle te verlaten. Bovendien waren er onder de bedillers velen, die hem opregtelijk bewonderden. Ook verklaarde de openbare meening zich ronduit voor den schotschen lord, en alle dagbladen, met uitzondering der "regerings-organen", gispten eenparig het gedrag van de commissarissen der Admiraliteit in deze zaak. Maar lord Glenarvan was even ongevoelig voor blaam als voor lof: hij deed zijn pligt, en bekommerde zich weinig om het overige.

Den 24sten Augustus verlieten Glenarvan, lady Helena, de majoor Mac Nabbs, Mary en Robert Grant, Olbinett, de hofmeester van het jagt en zijn vrouw, jufvrouw Olbinett, die in dienst was van lady Glenarvan, Malcolm-Castle, na een roerend afscheid van de huisbedienden te hebben genomen. Eenige uren later waren zij aan boord. De inwoners van Glasgow begroetten met ingenomenheid en bewondering lady Helena, de jonge en moedige vrouw, die vrijwillig afstand deed van de rustige genoegens van een weelderig leven en de schipbreukelingen te hulp snelde.

De vertrekken van lord Glenarvan en zijn vrouw besloegen het geheele achterschip der Duncan; zij bestonden uit twee slaapkamers, een salon en twee kleedkamers; eindelijk was er een algemeene kamer, omringd door zes hutten, waarvan vijf bewoond werden door Mary en Robert Grant, Olbinett en zijn vrouw, en den majoor Mac Nabbs. De hutten van John Mangles en Tom Austin kwamen op het dek uit. De bemanning was tusschendeks gehuisvest, en zeer op haar gemak; want het jagt had geen andere lading dan de kolen, de levensmiddelen en de wapenen. Het had dus John Mangles niet aan plaats ontbroken voor de inwendige inrigting, en hij had er een goed gebruik van gemaakt.

De Duncan zou in den nacht van den 24sten op den 25sten Augustus vertrekken; want des morgens ten drie ure begon de eb. Maar vooraf waren de inwoners van Glasgow getuigen van een aandoenlijke plegtigheid. Des avonds ten acht ure verlieten lord Glenarvan en zijn gasten, de geheele bemanning van de stokers af tot den kapitein toe, allen die deel zouden nemen aan de menschlievende onderneming, het jagt en gingen naar Sint-Mungo, de oude hoofdkerk van Glasgow. Die oude kerk, welke ongeschonden was gebleven bij de verwoestingen door de hervorming aangerigt, en die zoo heerlijk door Walter Scott is beschreven, ontving onder haar zware gewelven de passagiers en de matrozen der Duncan. Een ontelbare menigte volgde hen. In het groote middelschip, dat door zijn menigte graftomben wel een kerkhof gelijkt, smeekte de eerwaarde Morton den zegen des Hemels af en beval hij den togt in de hoede der Voorzienigheid aan. Een oogenblik hoorde men de stem van Mary Grant in het oude kerkgebouw. Het meisje bad voor hare weldoeners en stortte voor Gods aangezigt de zachte tranen der dankbaarheid. Vervolgens ging de menigte diep bewogen uiteen.

... smeekte de eerwaarde Morton den zegen des Hemels af....

... smeekte de eerwaarde Morton den zegen des Hemels af....
... smeekte de eerwaarde Morton den zegen des Hemels af....

Ten elf ure was ieder aan boord. John Mangles en de bemanning hielden zich met de laatste toebereidselen bezig.

Te middernacht werden de vuren ontstoken; de kapitein gaf last om sterk te stoken, en weldra vermengden de zwarte rookwolken zich met den nachtelijken nevel. De zeilen der Duncan waren zorgvuldig onder het doek geborgen, dat ze tegen het vuil der kolen moest beschermen; want de wind woei uit het zuid-westen en kon de vaart van het schip niet begunstigen.

Ten twee ure begon de Duncan te beven onder de schudding der stoomketels; de luchtdigtheidsmeter wees een drukking van vier dampkringen aan; de oververhitte stoom ontsnapte fluitend door de veiligheidskleppen; de zee was stil; het was reeds genoeg dag om het naauwe vaarwater der Clyde te onderscheiden tusschen de staken en "biggings"[6]; de kustlichten verbleekten allengs voor de rijzende zon. Niets verhinderde meer het vertrek.

John Mangles liet lord Glenarvan waarschuwen, die terstond op het dek kwam.

Weldra kwam de eb opzetten; de Duncan liet een schel gefluit hooren, gooide de meertouwen los, en maakte zich vrij van de omliggende vaartuigen; de schroef kwam in beweging en stuurde het jagt in het vaarwater der rivier. John had geen loods aan boord genomen; hij kende al de gevaarlijke punten der Clyde, en geen loods zou zijn schip beter bestuurd hebben. Het jagt luisterde naar zijn wenken; met de regterhand gaf hij bevelen aan de machine, met de linker, aan het roer, alles stil en bedaard. Weldra werden de laatste fabrieken aan den oever door villa's vervangen, die hier en daar op de heuvels langs de rivier verrezen, en het gedruisch der stad stierf in de verte weg.

Een uur later stoomde de Duncan tusschen de rotsen van Dumbarton door; twee uren later was zij in de ruime golf der Clyde; des morgens ten zes ure voer zij langs de zoutputten van Cantyre, verliet het Noorderkanaal en kwam in volle zee.

VI.

De passagier van de hut numero 6.

Gedurende den eersten dag der reis stond er nog al deining, en de wind wakkerde tegen den avond aan; de Duncan slingerde vreeselijk; de dames kwamen dan ook niet op de kampanje; zij bleven in haar hutten te bed liggen, en deden er wel aan.

Maar des anderen daags keerde de wind; kapitein John zette de fok, de bezaan en het voormarszeil bij, waardoor op de Duncan, die nu vaster lag, het slingeren en stampen minder merkbaar werd. Lady Helena en Mary Grant konden nu reeds bij het krieken van den dag lord Glenarvan, den majoor en den kapitein op het dek opzoeken. De opgaande zon leverde een prachtig gezigt op. De fakkel van den dag, gelijk aan een op de manier van Ruolz vergulde metalen schijf, verrees uit den oceaan als uit een onmetelijk galvanisch bad. De Duncan scheen zich in het midden van een heerlijken stralengloed te bevinden, en men zou waarlijk gezegd hebben, dat haar zeilen opzwollen onder de werking der zonnestralen.

In de diepste stilte zagen de passagiers van het jagt deze verschijning van het flonkerende hemelligchaam aan.

"Welk een heerlijk schouwspel!" zeide eindelijk Helena. "Het voorspelt een schoonen dag. Ik hoop, dat de wind gunstig blijven en de vaart der Duncan niet vertragen zal."

"Wij kunnen geen beteren wenschen, lieve Helena!" antwoordde lord Glenarvan, "en wij hebben geen reden om over dit begin onzer reis te klagen."

"Zal de togt lang duren, lieve Edward?"

"Dat zal kapitein John ons wel kunnen zeggen," sprak lord Glenarvan. "Vorderen wij goed? Zijt gij tevreden over uw schip, John?"

"Zeer tevreden, Uwe Edelheid!" antwoordde John; "het is een uitmuntend vaartuig, en het doet een zeeman goed het onder zijn voeten te voelen. Nooit waren de romp en de machine van eenig vaartuig beter met elkaar in verband; gij ziet ook, hoe effen het zog van het jagt is en hoe gemakkelijk het de golven klieft. Wij vorderen zeventien mijlen in een uur! Als deze snelheid zoo blijft, passeeren wij binnen tien dagen de linie, en zullen wij, eer wij vijf weken verder zijn, kaap Hoorn omgezeild hebben."

"Hoort gij het, Mary! eer wij vijf weken verder zijn!" hernam lady Helena.

"Ja, mevrouw!" antwoordde het meisje, "ik hoor het, en mijn hart heeft geklopt bij dat gezegde van den kapitein."

"Kunt gij nog al tegen de zee, miss Mary?" vroeg lord Glenarvan.

"Vrij wel, mylord! ik heb er niet veel hinder van. Overigens zal ik er spoedig aan gewennen."

"En de jonge Robert?"

"O! Robert!" antwoordde John Mangles, "als hij niet bij de machine is, dan zit hij op den kloot van den mast. Dat is eerst een jongen, die om geen zeeziekte geeft. Ziet maar eens!"

Op een gebaar van den kapitein wendden allen de oogen naar den fokkemast, en zagen daar Robert hangen aan de toppenanten van het klein voorboven bramzeil, wel honderd voet boven het dek. Mary kon een angstig gebaar niet weerhouden.

"O! wees maar gerust, miss!" zeide John Mangles, "ik sta voor hem in en beloof u kapitein Grant spoedig een wakkeren knaap te zullen voorstellen; want wij zullen den waardigen kapitein terugvinden!"

"Dat geve de Hemel, mijnheer John!" antwoordde het meisje.

"Lief kind!" hernam lord Glenarvan, "ik merk in dit alles den vinger Gods op, en dat moet ons goede hoop geven. Wij gaan niet, wij worden gezonden. Wij zoeken niet, wij worden geleid. En sla dan eens even het oog op al die moedige mannen in dienst van zulk eene schoone zaak. Wij zullen niet alleen in onze onderneming slagen, maar haar zelfs zonder moeite volbrengen. Ik heb lady Helena een pleizierreisje beloofd, en ik zou mij zeer bedriegen, als ik mijn woord niet hield."

"Gij zijt een allerbeste man, Edward!" zeide lady Glenarvan.

"Volstrekt niet; maar ik heb de allerbeste bemanning op het allerbeste schip. Bewondert gij onze Duncan ook niet, miss Mary?"

"Zeker, mylord!" antwoordde het meisje, "ik bewonder haar, en wel als een deskundige."

"Zoo, inderdaad!"

"Als een klein kind speelde ik op de schepen mijns vaders, hij had mij voor de zeedienst moeten opleiden, en in geval van nood zou ik misschien niet verlegen staan om een rif in te steken of een seising te draaijen."

"Wat gij zegt, miss!" riep John Mangles.

"Nu gij zoo spreekt," hernam lord Glenarvan, "zult gij wel bevriend worden met kapitein John; want hij kan maar niet toegeven, dat er een schooner beroep is dan dat van zeeman, zelfs niet voor een vrouw! Is het niet waar, John?"

"Zonder twijfel, Uwe Edelheid!" antwoordde de jonge kapitein, "en toch beken ik, dat miss Grant beter op haar plaats is op de kampanje dan in den mast om de zeilen te bergen; maar ik ben niettemin zeer gevleid door haar gezegde."

"En vooral wanneer zij de Duncan bewondert," hervatte Glenarvan.

"Die het ten volle verdient," antwoordde John.

"Gij zijt zoo trotsch op uw jagt," zeide lady Helena, "dat ik waarlijk lust krijg om het eens tot het onderste scheepsruim toe te bezigtigen en te zien, hoe onze wakkere matrozen tusschendeks gehuisvest zijn."

"Heel goed," antwoordde John; "zij zijn daar als het ware te huis."

"En zij zijn inderdaad te huis, lieve Helena!" antwoordde lord Glenarvan. "Dit jagt is een gedeelte van ons oud Caledonië! Het is een losgerukt stuk van het graafschap Dumbarton, dat door een bijzondere gunst blijft drijven, zoodat wij ons land niet verlaten hebben! De Duncan is het kasteel Malcolm, en de oceaan is het meer Lomond."

"Als dat zoo is, lieve Edward! houd dan de eer van uw kasteel op," antwoordde lady Helena.

"Ik ben tot uw dienst, mevrouw!" zeide Glenarvan; "maar sta mij toe, dat ik vooraf Olbinett ga waarschuwen."

De hofmeester van het jagt was bij uitstek voor zijn betrekking geschikt, en zulk een man van gewigt, dat hij, hoewel een Schot, verdiend zou hebben een Franschman te zijn; overigens iemand die zijn post met ijver en overleg vervulde. Hij wachtte de bevelen van zijn heer af.

"Olbinett! wij gaan vóór het ontbijt een wandeling doen," zeide Glenarvan, alsof er sprake was van een uitstapje naar Tarbet of het meer Katrine. "Ik hoop, dat de tafel gereed zal zijn, als wij terugkomen."

Olbinett maakte een deftige buiging.

"Gaat gij mede, majoor?" vroeg lady Helena.

"Als gij het beveelt," antwoordde Mac Nabbs.

"O!" zeide lord Glenarvan, "de majoor is verdiept in het rooken van zijn sigaar; stoor hem daarin niet, want ik zeg u, hij is een stout rooker, miss Mary! Hij rookt altijd, zelfs als hij slaapt."

De majoor maakte een toestemmende beweging, en lord Glenarvan en zijn gasten gingen naar het tusschendek.

Toen Mac Nabbs alleen gebleven was, praatte hij ouder gewoonte in zich zelven, maar zonder zich ooit tegen te spreken, terwijl hij zich in nog digter rookwolken hulde; hij bleef stokstijf staan en keek op het achterschip naar het zog van het jagt. Na zoo eenige minuten uitgezien te hebben, keerde hij zich om en zag nu een ander persoon voor zich staan. Als iets zijne verbazing had kunnen opwekken, dan zou de majoor zeker over deze ontmoeting verwonderd geweest zijn; want die passagier was hem geheel onbekend.

Die groote, dorre en magere man was misschien veertig jaren oud; hij geleek op een langen spijker met een grooten kop; zijn hoofd was breed en forsch, zijn voorhoofd hoog en schrander, zijn kin spits, zijn mond groot, zijn neus sterk gebogen. Zijne oogen waren verborgen achter een verbazend grooten ronden bril en zijn blik scheen die onvastheid te hebben, welke aan de nachtzienden[1] eigen is. Verstand en opgeruimdheid stonden op zijn gelaat te lezen; hij had geenszins dat terugstootend voorkomen van die deftige personen, die uit beginsel nooit lagchen, en die hun onbeduidendheid onder een ernstig masker verbergen. Verre van daar. De zorgeloosheid en de beminnelijke eenvoudigheid van dien onbekende bewezen duidelijk, dat hij gewoon was menschen en zaken van den besten kant te bezien. Maar eer hij nog gesproken had, gevoelde men, dat hij een prater en vooral zeer afgetrokken was, zooals degenen, die het voorwerp niet zien, dat zij beschouwen, en die de woorden niet verstaan, die zij hooren. Hij droeg een reispet, sterke gele laarsjes en lederen slopkousen, verder een kastanjebruine fluweelen broek en een jasje van dezelfde stof, waarvan de ontelbare zakken opgepropt vol schenen te zijn met aanteekenboekjes, zakboekjes, schrijfboekjes, brievetasschen en duizend andere voorwerpen, die even lastig als nutteloos waren, zonder nog te spreken van een kijker, dien hij aan een riem droeg.

Die groote, dorre en magere man was misschien veertig jaren oud;...

Die groote, dorre en magere man was misschien veertig jaren oud;...
Die groote, dorre en magere man was misschien veertig jaren oud;...

De rusteloosheid van dien onbekende stak sterk af bij de kalmte van den majoor; hij liep om Mac Nabbs heen en zag hem vragend aan, zonder dat deze moeite deed om te weten te komen van waar hij kwam, waar hij heen ging, waarom hij aan boord van de Duncan was.

Toen die raadselachtige persoon zag, dat al zijn pogingen verijdeld werden door de onverschilligheid van den majoor, nam hij zijn kijker, die wel vier voet lang was, en onbewegelijk, met de beenen wijd van elkander gaande staan, zoodat hij wel een wegwijzer op den grooten weg geleek, rigtte hij het werktuig op de lijn, waar lucht en water ineenliepen; na zoo vijf minuten gekeken te hebben, liet hij den kijker zakken en hem op het dek nederzettende, ging hij er op leunen, alsof het een wandelstok was; maar dadelijk schoof de kijker toe, en de nieuwe passagier, die zoo plotseling zijn steunpunt kwijt raakte, viel bijna zoo lang als hij was aan den voet van den bezaansmast.

Ieder ander in de plaats van den majoor zou althans geglimlacht hebben. Maar de majoor vertrok geen spier van zijn gelaat. Nu kwam de onbekende op eens tot een besluit.

"Hofmeester!" riep hij met een tongval, die duidelijk den vreemdeling verried.

Hij wachtte; maar te vergeefs: er verscheen niemand.

"Hofmeester!" riep hij nog eens, maar nu wat luider.

Olbinett, die zich naar de keuken onder de voorplecht begaf, ging juist voorbij. Men kan denken, hoe verwonderd hij was, toen hij zich zoo hoorde aanspreken door dien langen man, dien hij niet kende!

"Wat is dat voor iemand?" zeide hij bij zich zelven. "Een vriend van lord Glenarvan? Dat is onmogelijk."

Hij klom toch op de kampanje en naderde den vreemdeling.

"Zijt gij de hofmeester?" vroeg deze hem.

"Ja, mijnheer!" antwoordde Olbinett; "maar ik heb de eer niet...."

"Ik ben de passagier uit de hut numero 6."

"Numero 6?" herhaalde de hofmeester.

"Zeker. En gij heet?..."

"Olbinett."

"Welnu, Olbinett! mijn vriend!" antwoordde de passagier uit de hut numero 6, "ik moet om mijn ontbijt denken, en wat gaauw ook. In geen zes en dertig uren heb ik iets gegeten, of liever, ik heb zes en dertig uren achtereen geslapen, hetgeen wel te vergeven is aan iemand, die zonder op te houden van Parijs naar Glasgow gereisd is. Wees zoo goed mij te zeggen, hoe laat men hier ontbijt."

"Ten negen ure," antwoordde Olbinett werktuigelijk.

De vreemdeling wilde op zijn horlogie zien, maar daarmede ging heel wat tijd weg, daar hij het eerst in zijn negenden zak vond.

"Goed," zeide hij. "Het is nog geen acht ure. Kom aan, Olbinett! geef mij dan intusschen een beschuit en een glas Xeres-wijn; want ik sterf van den honger."

Olbinett begreep er niets van; bovendien praatte de onbekende maar onophoudelijk door en sprong met buitengemeene radheid van het eene onderwerp op het andere.

"En waar is de kapitein?" vroeg hij. "Is de kapitein nog niet bij de hand! En de eerste stuurman? wat doet de eerste stuurman? Slaapt hij ook nog? Het is mooi weer en de wind gelukkig goed, en het schip gaat van zelf...."

Terwijl hij zoo sprak, verscheen John Mangles aan den trap van de kampanje.

"Daar is de kapitein," zeide Olbinett.

"Het doet mij groot genoegen kennis met u te mogen maken, kapitein Burton!" riep de onbekende.

Als er ooit iemand verwonderd stond te kijken, dan was het zeker John Mangles, niet minder, omdat hij zich "kapitein Burton" hoorde noemen, dan omdat hij dien vreemdeling op zijn schip zag.

De ander babbelde maar voort.

"Veroorloof mij uwe hand te drukken," zeide hij. "Dat ik het eergisteren avond niet gedaan heb, komt, omdat ik op het oogenblik van het vertrek niemand wilde hinderen. Maar nu, kapitein! ben ik waarlijk blij kennis met u te maken."

John Mangles zette groote oogen op, en zag nu eens Olbinett en dan weder den onbekende aan.

"Nu is de voorstelling afgeloopen, waarde kapitein!" hernam hij, en zijn wij oude vrienden. Laten wij nu zamen wat praten, en zeg mij eens of gij in uw schik zijt met de Scotia?"

"Wat bedoelt gij met de Scotia?" zeide John Mangles eindelijk.

"Wel de Scotia, waarop wij thans zijn, een goed vaartuig, welks voortreffelijkheid men niet minder roemt dan het karakter van zijn gezagvoerder, den braven kapitein Burton. Zijt gij misschien verwant aan den grooten afrikaanschen reiziger van dien naam, een moedig man. Als dat zoo is, maak ik u mijn compliment!"

"Mijnheer!" hernam John Mangles, "ik ben evenmin een bloedverwant van den reiziger Burton, als ik kapitein Burton zelf ben."

"Zoo!" zeide de onbekende, "spreek ik dan op dit oogenblik met den eersten stuurman der Scotia, den heer Burdness?"

"De heer Burdness," antwoordde John Mangles, die de waarheid begon te vermoeden, en niet wist of hij met een gek of met een losbol te doen had. Hij wilde juist een kort en bondig antwoord geven, toen lord Glenarvan, zijn vrouw en miss Grant weder op het dek kwamen. Zoodra de vreemdeling hen bemerkte, riep hij uit:

"Ha! passagiers! dames! Dat treft goed. Ik hoop, dat gij mij zult voorstellen, mijnheer Burdness!"

En met de grootste ongedwongenheid nader tredende, zonder de tusschenkomst van John Mangles af te wachten, sprak hij miss Grant aan als "mevrouw", lady Helena als "miss" en noemde hij lord Glenarvan "mijnheer."

"Lord Glenarvan," zeide John Mangles.

"Mylord!" hernam nu de onbekende, "vergeef mij, dat ik mij zelven zoo voorstel; maar op zee kan men alle vormen zoo niet in acht nemen; ik hoop, dat wij spoedig kennis zullen maken, en dat door het bijzijn dezer dames de reis met de Scotia evenzeer verkort als veraangenaamd zal worden."

Lady Helena en miss Grant wisten niet, wat zij zeggen moesten. Zij begrepen niets van de tegenwoordigheid van dien indringer op de kampanje der Duncan.

"Met wien heb ik de eer te spreken, mijnheer?" vroeg eindelijk lord Glenarvan.

"Met Jacques-Eliacin-François-Marie Paganel, secretaris van het aardrijkskundig genootschap te Parijs, correspondeerend lid der genootschappen te Berlijn, Bombay, Darmstadt, Leipzig, Londen, Petersburg en New-York, honorair lid van het koninklijk instituut voor de land- en volkenkunde van Oost-Indië, die, na twintig jaren doorgebragt te hebben met de aardrijkskunde in zijn studeerkamer te beoefenen, nu tot de strijdende wetenschap overgaat en zich naar Indië begeeft om verband te brengen in den arbeid der groote reizigers."

VII.

Waar Jacques Paganel van daan komt en waar hij heen gaat.

De secretaris van het aardrijkskundig genootschap was zeker een beminnelijk man, want hij zeide dat alles met veel zwier. Lord Glenarvan wist nu ook zeer goed, met wien hij sprak; de naam en de verdienste van Jacques Paganel waren hem volkomen bekend; zijn aardrijkskundige werken, zijn verslagen over de jongste ontdekkingen, zijn briefwisseling met de geheele wereld, maakten hem tot een van de beroemdste geleerden van Frankrijk. Glenarvan stak dan ook zeer hartelijk zijn hand toe aan zijn onverwachten gast.

"Nu de voorstelling afgeloopen is," voegde hij er bij, "wilt gij mij zeker wel veroorlooven u een vraag te doen, mijnheer Paganel?"

"Wel twintig, mylord!" antwoordde Jacques Paganel; "het zal mij altijd een groot genoegen zijn om met u te spreken."

"Eergisteren avond zijt gij aan boord van dit schip gekomen?"

"Ja, mylord! eergisteren avond ten acht ure. Bij het verlaten van den caledonischen spoorweg ben ik in een huurrijtuig gestapt, en uit het rijtuig op de Scotia, waarop ik uit Parijs de hut numero 6 voor mij besproken had. Het was donker. Ik zag niemand aan boord. Vermoeid van een reis van dertig uren, en wetende, dat het beste middel om niet zeeziek te worden is om terstond naar bed te gaan en zijn kooi gedurende de eerste dagen der reis niet te verlaten, ben ik onmiddellijk gaan liggen en heb, gij moogt het vrij gelooven, zes en dertig uren achtereen heerlijk geslapen."

De toehoorders van Jacques Paganel wisten nu, wat zij van zijn tegenwoordigheid aan boord denken moesten; de fransche reiziger was bij vergissing op het schip gekomen, terwijl de bemanning de plegtigheid in de Sint-Mungo kerk bijwoonde. Alles was nu opgehelderd; maar wat zou de geleerde aardrijkskundige wel zeggen, wanneer hij den naam en de bestemming van het vaartuig, waarop hij zich bevond, vernam?

"Dan hebt gij Calcutta tot het uitgangspunt uwer reizen gekozen, mijnheer Paganel?" vroeg Glenarvan.

"Ja, mylord! Indië te zien is levenslang mijn vurigste wensch geweest. Eindelijk zal mijn schoonste droom verwezenlijkt worden in het vaderland der olifanten en der Thuggs[1]."

"Dan zal het u zeker niet onverschillig zijn, mijnheer Paganel! of gij een ander land bezoekt?"

"In het geheel niet, mylord! het zou mij zelfs hoogst onaangenaam zijn; want ik heb brieven van aanbeveling voor lord Sommerset, den gouverneur-generaal van engelsch Indië, en een zending van het aardrijkskundig genootschap, die ik gaarne zou vervullen."

"Zoo! hebt gij een zending?"

"Ja! Ik moet een nuttige en belangrijke reis ondernemen, waarvan mijn geleerde vriend en ambtgenoot, de heer Vivien de Saint-Martin, het plan heeft ontworpen. Ik moet namelijk het spoor volgen der gebroeders Schlagintweit, van kolonel Waugh, van Webb, van Hodgson, van de zendelingen Huc en Gabet, van Moorcroft, van Jules Remy, en van zooveel andere vermaarde reizigers. Ik hoop te slagen in hetgeen den zendeling Krick in 1846 helaas mislukt is, met een woord, den loop van den Yarou-Dzangbo-Tchou op te sporen, die Thibet over een lengte van 270 uren gaans, langs den noordelijken voet van het Himmelaya-gebergte, bespoelt, en te onderzoeken of deze rivier zich niet in het noordoosten van Assam met de Bramapoetra vereenigt. De gouden medaille, mylord! is uitgeloofd voor den reiziger, wien het mag gelukken om een der gewigtigste vraagstukken van de aardrijkskunde van Oost-Indië op te lossen."

Paganel was vol vuur. Hij sprak met de grootste geestdrift. Hij liet zich mededragen op de snelle wieken der verbeelding. Het zou even onmogelijk geweest zijn om hem te stuiten als men dit den Rijn te Schaffhausen doen kan.

Paganel was vol vuur. Hij sprak met de grootste geestdrift.

Paganel was vol vuur. Hij sprak met de grootste geestdrift.
Paganel was vol vuur. Hij sprak met de grootste geestdrift.

"Mijnheer Jacques Paganel!" zeide lord Glenarvan na een oogenblik stilte, "dat is zeker een schoone reis en waarvoor de wetenschap u zeer dankbaar zal zijn; maar ik wil u niet langer in de dwaling laten, en voorloopig althans moet gij afzien van het genoegen om Indië te bezoeken."

"Er van afzien! En waarom?"

"Omdat gij den rug toekeert aan dat schiereiland."

"Hoe! kapitein Burton...."

"Ik ben kapitein Burton niet," antwoordde John Mangles.

"Maar de Scotia?"

"Dit schip is de Scotia niet!"

Het is onmogelijk om de verbazing van Paganel te beschrijven. Hij zag beurtelings lord Glenarvan, die even ernstig bleef, lady Helena en miss Grant, wier trekken medelijden en leedwezen uitdrukten, John Mangles, die glimlachte, en den majoor, die zich niet verroerde, aan; daarna riep hij, de schouders ophalende en zijn bril van het voorhoofd voor zijn oogen plaatsende: "Welk een scherts!"

Maar nu viel zijn oog op het stuurrad, waarop dit opschrift stond:

DUNCAN GLASGOW

"De Duncan! de Duncan!" riep hij wanhopend uit.

Daarop tuimelde hij den trap van de kampanje af en stormde zijn hut binnen.

Zoodra de arme geleerde verdwenen was, kon niemand aan boord, uitgenomen de majoor, zich langer goed houden, en zelfs de matrozen schaterden van lagchen. Zich in den spoorweg vergissen! Dat kan! Den trein van Edinburg voor dien van Dumbarton aanzien! Dat kan er ook nog door! Maar zich te vergissen in het schip en naar Chili te zeilen, wanneer men naar Indië gaan wil, dat is wel een bewijs van verregaande verstrooidheid.

"Zoo iets verwondert mij echter volstrekt niet in Jacques Paganel," zeide Glenarvan, "hij is bekend voor zulke ongelukken. Eens heeft hij een beroemde kaart van Amerika uitgegeven, waar hij Japan op geplaatst heeft. Dat neemt echter niet weg, dat hij een groot geleerde en een der beste aardrijkskundigen van Frankrijk is."

"Maar wat moeten wij met dien armen man aanvangen?" vroeg lady Helena. "Wij kunnen hem toch niet medenemen naar Patagonië."

"Waarom niet?" antwoordde Mac Nabbs heel deftig, "wij zijn niet verantwoordelijk voor zijn verstrooidheid. Vooronderstel dat hij op een spoortrein zat, zou hij dien laten stilstaan?"

"Neen! maar hij zou aan het eerste station afstappen," hernam lady Helena.

"Welnu," zeide Glenarvan, "dat kan hij des verkiezende doen in de eerste haven, die wij aandoen."

Juist kwam Paganel verdrietig en beschaamd op de kampanje terug, na zich verzekerd te hebben, dat zijn goed aan boord was. Onophoudelijk herhaalde hij die ongelukkige woorden: de Duncan! de Duncan! Het scheen, dat hij geen andere meer kon vinden. Hij liep heen en weer, onderzocht de tuigaadje van het jagt, en ondervroeg den zwijgenden gezigteinder der volle zee. Eindelijk kwam hij bij lord Glenarvan terug en zeide: "En die Duncan gaat?..."

"Naar Amerika, mijnheer Paganel!"

"En meer bepaald?..."

"Naar Concepcion."

"Naar Chili! Naar Chili!" riep de ongelukkige aardrijkskundige. "En mijn zending naar Oost-Indië! Maar wat zal de heer de Quatrefages, de president der hoofd-commissie, wel zeggen! En de heer d'Avezac! En de heer Cortambert! En de heer Vivien de Saint-Martin! Zal ik ooit weder de vergaderingen van het genootschap durven bijwonen!"

"Komaan, mijnheer Paganel!" antwoordde Glenarvan, "wanhoop maar niet. Alles kan nog te regt komen, en gij zult een betrekkelijk onbeteekenend oponthoud ondervonden hebben. De Yarou-Dzangbo-Tchou zal in het gebergte van Thibet wel op u blijven wachten. Wij loopen weldra te Madera binnen, en daar zult gij wel een schip vinden, dat u naar Europa terugbrengt."

"Ik dank u, mylord! ik zal mij wel moeten onderwerpen. Maar men mag zeggen, dat het een vreemd geval is, en ik ben de eenige, wien ooit zoo iets overkomt. En mijn hut, die aan boord der Scotia besteld is."

"O, ik raad u om voorloopig niet meer aan de Scotia te denken."

"Maar," zeide Paganel, nadat hij het vaartuig op nieuw bezien had, "is de Duncan geen pleizierjagt?"

"Ja, mijnheer!" antwoordde John Mangles, "en zij is het eigendom van Zijn Edelheid lord Glenarvan."

"Die u verzoekt om een ruim gebruik van zijn gastvrijheid te maken," zeide Glenarvan.

"Duizendmaal dank, mylord!" antwoordde Paganel; "ik ben waarlijk getroffen door uw heuschheid; maar veroorloof mij een kleine opmerking: Indië is een schoon land; het levert voor de reizigers vreemde bijzonderheden op; deze dames zijn er zeker onbekend mede.... Welnu! de stuurman behoeft maar even het rad om te draaijen, en het jagt de Duncan zou even gemakkelijk naar Calcutta als naar Concepcion stevenen; en daar het toch maar een pleizierreisje is...."

Het hoofdschudden, waarmede het voorstel van Paganel ontvangen werd, liet hem niet toe om voort te gaan. Hij bleef eensklaps steken.

"Mijnheer Paganel!" zeide nu lady Helena, "ware het slechts een pleizierreisje, dan zou ik u antwoorden: Wij gaan gezamenlijk naar de Oost, en lord Glenarvan zou het stellig goed vinden. Maar de Duncan gaat schipbreukelingen opzoeken, die op de kusten van Patagonië geworpen zijn, en kan zulk een menschlievende bestemming niet veranderen...."

Weldra was de fransche reiziger met de geheele zaak bekend; hij vernam, niet zonder aandoening, de zonderlinge wijze, waarop de documenten gevonden waren, de geschiedenis van kapitein Grant en het edelmoedige voorstel van lady Helena.

"Sta mij toe, mevrouw!" zeide hij, "om uw gedrag bij deze gelegenheid te bewonderen, en wel zonder eenig voorbehoud. Laat uw jagt zijn weg vervolgen; het zou mij spijten, als het om mijnentwil een dag verloor."

"Wilt gij ons dan helpen bij onze nasporingen?" vroeg lady Helena.

"Dat is onmogelijk, mevrouw! ik moet mijn zending volbrengen. Ik zal in de eerste haven de beste aan land gaan...."

"Te Madera dus," zeide John Mangles.

"Te Madera, het zij zoo. Daar ben ik maar honderd tachtig mijlen van Lissabon af, en zal er scheepsgelegenheid afwachten."

"Welnu, mijnheer Paganel!" zeide Glenarvan, "uw wensch zal vervuld worden, en ik voor mij ben verheugd, dat ik u voor eenige dagen een verblijf hier aan boord mag aanbieden. Als gij u maar niet te sterk in ons gezelschap verveelt!"

"O, mylord!" riep de geleerde, "ik mag nog blijde zijn, dat ik mij op zulk een aangename wijze vergist heb! Niettemin is het een zeer belagchelijke toestand, als men op reis gaat naar Indië en men naar Amerika onder zeil is!"

In weerwil van die droevige opmerking schikte Paganel zich in een oponthoud, dat hij toch niet kon voorkomen. Hij toonde zich beminnelijk, vrolijk en zelfs verstrooid; hij betooverde de dames door zijn opgeruimdheid, en de dag was nog niet ten einde of hij was met allen bevriend; op zijn verzoek werd het bekende document aan hem medegedeeld. Hij overwoog het lang en zorgvuldig, en tot in de geringste bijzonderheden. Het kwam hem ook voor, dat er geen andere verklaring mogelijk was. Mary Grant en haar broeder boezemden hem de levendigste belangstelling in. Hij sprak hun goeden moed in. De eigenaardige wijze, waarop hij de gebeurtenissen beschouwde, en de ontwijfelbare goede uitslag, dien hij de Duncan voorspelde, deden het meisje onwillekeurig glimlagchen. En had zijn zending het niet belet, dan zou hij deel genomen hebben aan het opsporen van kapitein Grant!

Maar toen hij hoorde, dat lady Helena een dochter was van William Tuffnel, kwam er geen einde aan zijn uitroepen van bewondering. Hij had haar vader gekend. Wat was hij een stout geleerde! Wat al brieven hadden zij gewisseld, toen William Tuffnel correspondeerend lid van het genootschap was! Hij en niemand anders had hem aan den heer Malte-Brun voorgesteld! Hoe toevallig en hoe genoegelijk, dat hij met de dochter van William Tuffnel mogt reizen!

Ten slotte vroeg hij aan Helena verlof om haar te omhelzen.

Lady Glenarvan stond het toe, hoewel het misschien een beetje "onbetamelijk" was.

VIII.

Een braaf man meer aan boord van de Duncan.

Intusschen liep het jagt, door den noordewind voortgedreven, snel naar de linie. Den 30sten Augustus kreeg men de groep van Madera in het gezigt. Getrouw aan zijn belofte bood Glenarvan zijn nieuwen gast aan om binnen te loopen en hem aan wal te zetten.

"Waarde lord!" antwoordde Paganel, "ik wil eens rondborstig met u spreken. Waart gij, vóór mijn komst aan boord, voornemens om Madera aan te doen?"

"Neen!" zeide Glenarvan.

"Welnu! vergun mij dan, dat ik mijn voordeel doe met de gevolgen mijner ongelukkige verstrooidheid. Het eiland Madera is reeds te bekend. Het levert niets belangrijks meer voor een aardrijkskundige op. Men heeft over die groep reeds al het mogelijke gezegd en geschreven, bovendien is de druiventeelt deerlijk in verval. Verbeeld u, er zijn geen wijngaarden meer op Madera! De wijnoogst, die in 1813 twee en twintig duizend pijpen[1] opleverde, is in 1845 gedaald tot twee duizend zes honderd negen en zestig. Tegenwoordig is de opbrengst slechts vijf honderd! Het is een droevig schouwspel. Als gij er dus niets tegen hebt om de Kanarische eilanden aan te doen!..."

"Och neen!" antwoordde Glenarvan. "Dat is niet uit onzen weg."

"Ik weet het, waarde lord! Op de Kanarische eilanden, ziet gij, zijn drie groepen te onderzoeken, gezwegen nog van de piek van Teneriffe, die ik altijd gehoopt heb te zien. De gelegenheid doet zich nu op. Ik maak er gebruik van, en in afwachting van een schip, dat mij naar Europa terugbrengt, zal ik dien vermaarden berg beklimmen."

"Zooals gij wilt, geachte Paganel!" antwoordde lord Glenarvan, die niet nalaten kon even te glimlagchen.

En hij had regt om te glimlagchen.

De Kanarische eilanden liggen niet ver van Madera. Slechts twee honderd vijftig mijlen[2] liggen tusschen de beide groepen, en die afstand beteekende niet veel voor zulk een goed zeiler als de Duncan.

Den 31sten Augustus, des namiddags ten twee ure, wandelden John Mangles en Paganel op de kampanje. De Franschman bestormde zijn makker met vragen over Chili; eensklaps viel de kapitein hem in de rede, en zeide, terwijl hij in het zuiden een stip aan den gezigteinder aanwees: "Mijnheer Paganel?"

"Waarde kapitein!" antwoordde de geleerde.

"Zie eens dezen kant uit. Bespeurt gij niets?..."

"Niets."

"Gij ziet een verkeerden kant uit. Gij moet niet naar den gezigteinder zien, maar daarboven, in de wolken."

"In de wolken? Of ik al zoek...."

"Zie maar langs de buitenste punt van den boegspriet."

"Ik zie niets."

"Omdat gij niet zien wilt. In allen gevalle, gij begrijpt mij, en hoewel wij er nog veertig mijlen van af zijn, is de piek van Teneriffe duidelijk zigtbaar boven den gezigteinder."

Of nu Paganel zien wilde of niet, moest hij het toch eenige uren later wel toegeven, als hij zich ten minste niet voor blind wilde uitgeven.

"Ziet gij ze eindelijk?" vroeg hem John Mangles.

"Ja, ja! heel goed!" antwoordde Paganel. "En is dat nu," voegde hij er op een toon van minachting bij, "is dat nu die beroemde piek van Teneriffe!"

"Dezelfde."

"Zij schijnt niet heel hoog te zijn."

"En toch is zij elf duizend voet boven den spiegel der zee verheven."

"Dan is de Mont-Blanc toch hooger."

"Dat kan wel zijn; maar als het op klimmen aankomt, zult gij haar misschien hoog genoeg vinden."

"O! welk nut zou er in steken om haar te beklimmen na Von Humboldt en Beauplan? Een groot genie, die Von Humboldt! Hij heeft dezen berg bestegen; hij heeft er een beschrijving van gegeven, die niets te wenschen overlaat; hij heeft zijn vijf gordels onderzocht: den gordel der wijnstokken, den gordel der laurierboomen, den gordel der pijnboomen, den gordel der alpenkruiden, en eindelijk den gordel der onvruchtbaarheid. Hij heeft den voet gezet op het bovenste puntje der bergspits, waar niet eens ruimte genoeg was om te gaan zitten. Van den top des bergs omvatte zijn blik een ruimte, gelijk aan het vierde gedeelte van Spanje. Vervolgens heeft hij den vulkaan tot in zijn binnenste doorzocht en den bodem van den uitgebranden krater betreden. Nu vraag ik maar, wat er na dien grooten man voor mij nog te doen is?"

"Gij hebt gelijk," antwoordde John Mangles, "de nalezing is zeer schraal. Het is jammer; want gij zult u deerlijk vervelen, als gij in de haven van Teneriffe op een schip moet wachten. Gij moet niet op verstrooijing rekenen."

"Behalve op mijn eigen verstrooidheid," zeide Paganel lagchende. "Maar, waarde Mangles! leveren de Kaap-Verdische eilanden geen belangrijke ankerplaatsen op?"

"Wel zeker. Niets is gemakkelijker dan te Villa da Praïa een schip te vinden."

"Om nog niet eens te spreken van een ander voordeel, dat ook niet te versmaden is," antwoordde Paganel, "namelijk, dat de Kaap-Verdische eilanden digt bij den Senegal liggen, waar ik landgenooten zal aantreffen. Ik weet wel, dat men die groep niet zeer belangrijk, woest en ongezond noemt; maar in het oog van den aardrijkskundige is alles wetenswaardig. Zien is ook een wetenschap. Er zijn menschen, die niet kunnen zien, en die met evenveel verstand als een schaaldier rondreizen. Maar gij moogt vrij gelooven, dat ik niet tot die soort behoor."

"Gij kunt doen, zooals gij verkiest, mijnheer Paganel!" antwoordde John Mangles; "ik ben zeker, dat de aardrijkskunde veel winnen zal bij uw verblijf op de Kaap-Verdische eilanden. Wij moeten er toch binnenloopen om kolen in te nemen. Uw ontscheping zal ons dus geen oponthoud veroorzaken."

Nu gaf de kapitein de noodige bevelen om bewesten de Kanarische eilanden te varen; de beroemde piek liet men aan bakboordszijde liggen, en haar snellen loop voortzettende sneed de Duncan den 2den September, des morgens ten vijf ure, den kreeftskeerkring. Nu begon het weder te veranderen. Het was de vochtige en drukkende lucht van den regentijd, "le tempo das aguas", zooals de Spanjaarden zeggen; een jaargetijde, dat wel lastig is voor de reizigers, maar zeer welkom voor de bewoners der afrikaansche eilanden, die geen boomen en bij gevolg ook gebrek aan water hebben. De holle zee verhinderde de passagiers om op het dek te komen; maar de gesprekken in de algemeene kamer waren er niet minder levendig om.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings