JULES VERNE. (continued 4)
Reading edition
Afgaande op het gehuil, dat over de pampa klonk, en op de menigte schaduwen, die over de vlakte zweefden, besloot Glenarvan te regt, dat er een menigte roode wolven aan den oever der Guamini bijeen was; zij hadden daar een wisse prooi geroken, paardenvleesch of menschenvleesch, en geen hunner zou naar zijn hol terugkeeren, zonder er zijn deel van te hebben gehad. De toestand was dus zeer onrustbarend.
Inmiddels werd de kring der dieren allengs naauwer. De paarden waren ontwaakt en gaven teekens van den levendigsten angst. Thaouka alleen trappelde, trachtte zijn halster los te rukken en op de wolven in te stormen. Zijn meester kon hem alleen door een aanhoudend gefluit tot bedaren brengen.
Glenarvan en Robert hadden zich zoo geplaatst, dat zij den ingang der hut verdedigden. Hun karabijnen waren geladen, en zij wilden op de eerste rij der roode wolven losbranden, toen Thalcave met de hand hun wapen omhoog sloeg, dat zij reeds aangelegd hadden.
"Wat wil Thalcave?" vroeg Robert.
"Hij verbiedt ons te schieten," antwoordde Glenarvan.
"Waarom?"
"Misschien oordeelt hij, dat het geschikte oogenblik nog niet gekomen is."
De Indiaan had echter een veel ernstiger reden voor zijn handelwijze, zooals Glenarvan zag, toen Thalcave, zijn kruidhoorn optillende en omkeerende, wees, dat hij bijna ledig was.
"Wat nu gedaan?" vroeg Robert.
"Wel, wij moeten ons kruid wat sparen. Onze jagt van dezen namiddag is ons duur te staan gekomen, en wij hebben gebrek aan kruid en lood. Wij kunnen geen twintig schoten meer doen!"
Het kind antwoordde niets.
"Gij zijt toch niet bang, Robert?"
"Neen, mylord!"
"Goed, mijn jongen!"
Op dat oogenblik weerklonk een nieuwe losbranding. Thalcave had een te stouten vijand nedergelegd; de wolven, die in digte rijen naderden, weken en sloten zich digt aaneen op een afstand van honderd schreden van de omheining.
Terstond nam Glenarvan op een teeken van den Indiaan diens plaats in; deze raapte het stroo, het gras, in een woord al de brandbare stoffen bijeen, wierp ze aan den ingang der omheining op een hoop en slingerde er een gloeijende kool in. Weldra werd er een gordijn van vlammen voor den zwarten achtergrond des hemels gespannen, en door de scheuren heen kon men zien, dat de vlakte helder verlicht was door groote, heen en weder zwevende schijnsels. Nu kon Glenarvan ook oordeelen over de tallooze menigte dieren, waartegen zij zich moesten verdedigen. Nooit heeft iemand zooveel wolven bijeen gezien en die zoo door moordlust bezield waren. De slagboom van vuur, dien Thalcave tegen hen had opgeworpen, had hun woede verdubbeld, daar zij zich nu plotseling gestuit zagen. Eenigen waagden zich echter, door de achtersten opgedrongen, tot vlak voor den vuurgloed, en brandden er hunne pooten aan.
Soms was er nog een geweerschot noodig om die huilende schare tegen te houden, en na verloop van een uur bedekten reeds een vijftiental lijken den grond.
De belegerden waren nu betrekkelijk veilig; zoo lang zij kruid hadden, zoo lang de slagboom van vuur de omheining afsloot, was er geen overrompeling te vreezen. Maar wat zouden zij beginnen, wanneer al die middelen om de bende wolven te keeren hun te gelijk zouden ontvallen?
Glenarvan zag Robert aan en voelde zijn hart vol worden. Hij vergat zich zelven om alleen aan dat arme kind te denken, dat een moed toonde verre boven zijne jaren. Robert was bleek; maar zijn hand omklemde vast het geweer, en hij wachtte koelbloedig den aanval der verbitterde wolven af.
Intusschen besloot Glenarvan, na den stand van zaken bedaard overzien te hebben, om er een einde aan te maken.
"Binnen een uur," zeide hij, "zullen wij kruid, lood noch vuur meer hebben. Wij moeten derhalve niet zoo lang wachten met het nemen van een besluit."
Hij begaf zich naar Thalcave, en de weinige spaansche woorden, die hij zich herinneren kon, bijeen rapende, begon hij met den Indiaan een gesprek, dat telkens door geweerschoten werd afgebroken.
Niet zonder moeite gelukte het dien beiden mannen om zich te doen verstaan. Gelukkig was Glenarvan met de gewoonten van den rooden wolf bekend. Anders zou hij de woorden en gebaren des Patagoniërs niet begrepen hebben.
Er verliep echter een kwartier, voor hij het antwoord van Thalcave aan Robert kon overbrengen. Glenarvan had den Indiaan gevraagd, wat hij over hun bijkans wanhopigen toestand dacht.
"En wat heeft hij geantwoord?" vroeg Robert.
"Hij heeft geantwoord, dat wij, het moge kosten wat het wil, het tot zonsopgang moeten uithouden. De roode wolf gaat alleen des nachts uit, en keert, zoodra het dag wordt, naar zijn schuilhoek terug. Hij is de wolf der duisternis, een laf beest, dat bang is voor het heldere daglicht, een uil op vier pooten!"
"Welnu! dan zullen wij ons tot aan den morgen verdedigen!"
"Ja, mijn jongen! en kunnen wij ons niet langer met schieten verdedigen, dan zullen wij onze messen nemen."
Thalcave had het voorbeeld reeds gegeven: wanneer een wolf den vuurgloed naderde, stak de Patagoniër zijn langen gewapenden arm door de vlam en haalde hem er rood van bloed weder uit.
Inmiddels liepen de verdedigingsmiddelen ten einde. Tegen twee ure wierp Thalcave den laatsten armvol brandstoffen in het vuur, en hadden de belegerden nog maar vijf schoten over.
Glenarvan sloeg een wanhopigen blik in het rond.
Hij dacht aan dat kind naast hem, aan zijn makkers, aan allen, die hij lief had. Robert sprak geen woord. Welligt kon hij zich nog niet voorstellen, dat het gevaar zoo dreigend was. Maar Glenarvan dacht er in zijne plaats aan, en stelde zich het verschrikkelijke, maar toch onvermijdelijke vooruitzigt voor, van levend verslonden te zullen worden! Hij kon zijn aandoening niet bedwingen; hij trok het kind aan zijn borst, drukte hem aan zijn hart, kuste hem innig op het voorhoofd, terwijl zijns ondanks de tranen uit zijn oogen vloeiden.
Robert zag hem glimlagchend aan en zeide: "Ik ben niet bang!"
"Neen, mijn kind! neen!" antwoordde Glenarvan, "en gij hebt gelijk. Binnen twee uren wordt het dag, dan zijn wij gered!—Goed, Thalcave! goed, dappere Patagoniër!" riep hij, ziende dat de Indiaan met den kolf van zijn geweer twee groote dieren doodsloeg, die over den brandenden slagboom trachtten te springen.
Maar te gelijk kon hij bij het wegstervende schijnsel van het vuur zien, hoe de bende wolven in digte rijen oprukte om de omheining te bestormen.
Dit bloedig tooneel naderde zijn ontknooping; het vuur ging uit gebrek aan brandstof allengs uit; de vlam daalde; de vlakte, die tot nu toe helder verlicht was geweest, werd in de schaduw gehuld, en in die schaduw glinsterden ook weder de lichtgevende oogen der roode wolven. Nog eenige minuten, en de geheele schare zou de omheining binnenstormen.
Thalcave loste voor de laatste maal zijn karabijn, doodde nog één vijand, en sloeg de armen over elkander, want zijn kruid was op. Hij liet het hoofd op de borst zakken. Hij scheen in stilte over iets na te denken. Zocht hij soms naar het een of ander stout, onmogelijk, zinneloos middel om dien woedenden troep af te slaan? Glenarvan durfde het hem niet vragen.
Juist had er een verandering in den aanval der wolven plaats. Zij schenen zich te verwijderen, en hun gehuil, dat tot nu toe zoo oorverdoovend geweest was, hield plotseling op. Een doodsche stilte begon op de vlakte te heerschen.
"Zij gaan heen!" riep Robert.
"Misschien," antwoordde Glenarvan, die oplettend naar het gedruisch luisterde.
Maar Thalcave, die zijne gedachte raadde, schudde het hoofd. Hij wist wel, dat die beesten geen wisse prooi zouden laten varen, voor het daglicht hen naar hun sombere holen had gedreven.
Echter was het duidelijk, dat de vijand zijn plan van aanval gewijzigd had.
Hij beproefde niet langer om met geweld in de omheining door te dringen; maar een nog dreigender gevaar zou het gevolg van zijn nieuwe bewegingen zijn.
De roode wolven zagen er van af om binnen te dringen door den ingang, die zoo hardnekkig door staal en vuur verdedigd werd, liepen de omheining om, en trachtten haar gezamenlijk aan de andere zijde te bestormen.
Weldra hoorde men, hoe zij hun klaauwen sloegen in het half verrotte hout. Reeds staken zij sterke pooten en bloedige muilen door de reten der palen heen. De verschrikte paarden verbraken hun halster en liepen binnen de omheining rond, bevangen als zij waren door een onoverwinnelijken angst.
Glenarvan nam den knaap in zijn armen om hem tot het uiterste te verdedigen. Misschien zou hij zelfs een nuttelooze vlugt beproefd hebben en naar buiten gestormd zijn, toen zijn oog op den Indiaan viel.
Na als een wild dier in de omheining rondgeloopen te hebben, was Thalcave plotseling naar zijn paard gegaan, dat van ongeduld sidderde, en begon hij het zorgvuldig te zadelen, zonder een riem of gesp te vergeten. Hij scheen zich niet langer om het gehuil te bekommeren, dat steeds toenam. Glenarvan zag met droevige ontsteltenis wat hij deed.
"Hij verlaat ons!" riep hij uit, toen hij zag, dat Thalcave de teugels greep, als een ruiter die te paard wil stijgen.
"Hij! nooit!" zeide Robert.
Inderdaad wilde de Indiaan beproeven, niet zijne vrienden te verlaten, maar hen te redden, door zich voor hen op te offeren.
Thaouka was gereed; hij knabbelde op zijn gebit; hij sprong; zijne oogen, vol vuur en kracht, schoten bliksemstralen; hij had zijn meester begrepen.
Juist toen de Indiaan de manen van zijn paard greep, vatte Glenarvan hem met een krampachtige hand bij den arm.
"Vertrekt gij?" zeide hij op de nu vrije vlakte wijzende.
"Ja!" antwoordde de Indiaan, die het gebaar van zijn medgezel begreep.
Vervolgens voegde hij er eenige spaansche woorden bij, die beteekenden:
"Thaouka. Goed paard. Vlug. Het zal door de wolven vervolgd worden!"
"Ach, Thalcave!" riep Glenarvan.
"Schielijk, schielijk!" antwoordde de Indiaan, terwijl Glenarvan met een door aandoening gesmoorde stem tot Robert zeide:
"Robert! mijn kind! gij hoort het! hij wil zich voor ons opofferen! hij wil de pampa inrijden en de woede der wolven afleiden, door ze naar zich toe te lokken!"
"Vriend Thalcave!" antwoordde Robert, terwijl hij voor den Patagoniër op de knieën viel, "vriend Thalcave! verlaat ons niet!"
"Neen!" zeide Glenarvan, "hij zal ons niet verlaten!"
En zich tot den Indiaan wendende zeide hij:
"Laten wij te zamen vertrekken!" Dit zeggende, wees hij op de verschrikte paarden, die zich digt tegen de palen aandrongen.
"Neen!" zeide de Indiaan, die zich niet in den zin dier woorden vergiste. "Slechte paarden. Verschrikt. Thaouka. Goed paard."
"Welnu, het zij zoo!" zeide Glenarvan. "Thalcave zal u niet verlaten, Robert! Hij leert mij, wat ik doen moet! Ik moet vertrekken! Hij moet bij u blijven!"
Daarop greep hij Thaouka bij den teugel en sprak:
"Ik zal vertrekken."
"Neen!" antwoordde de Patagoniër bedaard.
"Ik, zeg ik u!" riep Glenarvan, hem den teugel uit de hand rukkende, "ik! Red dit kind! Ik vertrouw hem aan u toe, Thalcave!"
In zijn overspanning haspelde Glenarvan engelsche en spaansche woorden door elkander. Maar wat komt de taal er op aan! In zulke verschrikkelijke omstandigheden drukken de gebaren alles uit en begrijpen de menschen elkander spoedig.
Thalcave bleef zich echter verzetten. De twist duurde steeds voort en het gevaar groeide iedere seconde; reeds bezweken de doorgeknaagde palen voor de tanden en klaauwen der verbitterde wolven.
Glenarvan scheen evenmin te willen toegeven als Thalcave. De Indiaan had Glenarvan medegetrokken naar den ingang der omheining; hij wees hem de vlakte, die vrij was van wolven; met levendige uitdrukkingen gaf hij hem te kennen, dat er geen tijd te verliezen was; dat het gevaar, indien de proef niet gelukte, grooter zou zijn voor degenen die achterbleven; eindelijk dat hij alleen Thaouka genoeg kende om diens buitengewone vlugheid en snelheid voor aller redding aan te wenden. In zijn verblinding volhardde Glenarvan bij zijn plan om zich op te offeren, toen hij onverwachts op eens ter zijde werd geschoven. Thaouka steigerde, hij ging op zijn achterste pooten staan, en sprong eensklaps in vollen ren over den slagboom van vuur en de rij van lijken, terwijl een kinderstem uitriep:
"God redde u, mylord!"
Ter naauwernood hadden Glenarvan en Thalcave den tijd om te zien, hoe Robert, die zich stevig aan de manen van Thaouka vasthield, in de duisternis verdween.
"Robert! ongelukkige!" riep Glenarvan.
Maar zelfs de Indiaan kon die woorden niet verstaan. Er ontstond een vreeselijk gehuil. De roode wolven volgden het spoor van het paard en ijlden met bliksemsnelheid in een westelijke rigting voort.
De roode wolven volgden het spoor van het paard.

Thalcave en Glenarvan verlieten haastig de omheining. Reeds was het doodstil op de vlakte geworden, en met moeite konden zij in de schaduwen van den nacht in de verte een voortgolvende lijn onderscheiden.
Door verdriet overstelpt, geheel wanhopend, viel Glenarvan met gevouwen handen op den grond neder. Hij zag Thalcave aan. De Indiaan glimlachte met zijn gewone bedaardheid.
"Thaouka, goed paard! Moedig kind! Hij zal zich redden!" herhaalde hij met een goedkeurend hoofdknikje.
"Wanneer hij eens viel?" zeide Glenarvan.
"Hij zal niet vallen!"
Ondanks het vertrouwen van Thalcave bragt de arme lord den nacht in den vreeselijksten angst door. Hij had zelfs geen bewustheid meer van het gevaar, dat te gelijk met de bende wolven verdwenen was. Hij wilde Robert gaan opzoeken, maar de Indiaan hield hem tegen, overreedde hem, dat de paarden hem toch niet konden inhalen; dat Thaouka zijn vijanden vooruit moest zijn; dat men hem in de duisternis niet terug zou kunnen vinden, en dat men den dag moest afwachten om het spoor van Robert te volgen.
Ten vier ure begon de morgenschemering. De verdigte nevels aan den gezigteinder werden weldra door een bleek schijnsel gekleurd. Een heldere dauw viel op de vlakte, en het hooge gras werd door het morgenkoeltje bewogen.
Het oogenblik van het vertrek was gekomen.
"Op weg!" zeide de Indiaan.
Glenarvan gaf geen antwoord, maar sprong op het paard van Robert. Weldra galoppeerden de beide ruiters in een westelijke rigting voort, langs dezelfde regte lijn, waarvan hun makkers niet moesten afwijken.
Een uur lang reden zij met verbazende snelheid voort, overal rondziende om Robert te zoeken, bij iedere schrede vreezende zijn bebloed lijk te zullen vinden. Glenarvan reet de zijden van zijn paard met zijn sporen open. Eindelijk vernamen zij geweerschoten, die met geregelde tusschenpoozen afgevuurd werden, als een herkenningsteeken.
"Zij zijn het!" riep Glenarvan.
Thalcave en hij zetten hun paarden tot nog sneller vaart aan en eenige oogenblikken later bereikten zij de afdeeling onder aanvoering van Paganel. Door een kreet gaf Glenarvan zijn boezem lucht. Robert stond daar levend en ongedeerd voor hem, gedragen door den edelen Thaouka, die van blijdschap hinnikte, zoodra hij zijn meester wederzag.
"Ach! mijn kind! mijn kind!" riep Glenarvan met een onnavolgbare uitdrukking van teederheid.
En Robert en hij, van hun paard springende, vielen in elkanders armen. Nu was het de beurt van den Indiaan om den moedigen zoon van kapitein Grant aan zijn hart te drukken.
"Hij leeft! hij leeft!" riep Glenarvan.
"Ja!" antwoordde Robert, "dat heb ik aan Thaouka te danken!"
De Indiaan had op dat dankbaar gezegde niet gewacht om zijn paard te bedanken. Hij sprak er mede, hij omhelsde het, alsof er menschelijk bloed in de aderen van het fiere dier stroomde.
Zich vervolgens tot Paganel wendende en op den jongen Robert wijzende, zeide hij: "Een dappere!"
En een indiaansche leenspreuk gebruikende, die dient om moed te kennen te geven, voegde hij er bij:
"Zijne sporen hebben niet gebeefd!"
Intusschen zeide Glenarvan tot Robert met de armen om diens hals geslagen:
"Waarom, mijn zoon! waarom hebt gij Thalcave of mij die laatste kans om u te redden niet laten beproeven?"
"Mylord!" antwoordde de knaap op den toon der levendigste dankbaarheid, "Was het mijn beurt niet om mij op te offeren? Thalcave heeft reeds mijn leven gered! En gij gaat immers mijn vader redden!"
XX.
De argentijnsche vlakten.
Nadat de eerste vreugde over het behouden wedervinden wat bedaard was, bespeurden Paganel, Austin, Wilson, Mulrady, allen die achtergebleven waren, behalve misschien de majoor Mac Nabbs, dat zij van dorst stierven. Gelukkig was de Guamini niet veraf. De kleine troep ging dus weder op weg en bereikte des morgens omstreeks zeven ure de omheining. Een enkele blik op de in het rond liggende lijken der wolven was genoeg om over het geweld van den aanval te oordeelen. Zoodra de reizigers hun dorst behoorlijk gelescht hadden, zetten zij zich aan hun vreemd ontbijt, binnen de omheining. De repen struisvogelvleesch smaakten uitmuntend en het in zijn schild gebraden gordeldier leverde een voortreffelijk geregt op.
"Wie er matig van eet," zeide Paganel, "zou zich ondankbaar voor zulk een lekkernij betoonen; men moet er te veel van eten."
En hij at er te veel van, zonder er echter nadeelige gevolgen van te ondervinden, hetgeen hij te danken had aan het heldere water der Guamini, dat in zijn oog zeer bevorderlijk was voor de spijsvertering.
Glenarvan, die niet in de fout van Hannibal te Capua wilde vervallen, gaf des morgens ten tien ure last om te vertrekken. Eerst werden nog de waterzakken gevuld. De geheel verkwikte paarden legden veel vuur aan den dag en bleven bijna onafgebroken in den kleinen galop van de jagt. Het beter bevochtigde land werd ook vruchtbaarder, maar bleef nog altijd even eenzaam. De dagen van den 2den en 3den november leverden niets bijzonders op, en des avonds legerden de reizigers, die reeds gewoon waren aan de vermoeijenis van lange togten, zich op de grenzen der pampa's, in de nabijheid van de provincie Buenos-Ayres. Den 14den october hadden zij de baai van Talcahuano verlaten; derhalve hadden zij in twee en twintig dagen vier honderd vijftig mijlen[1], dat wil zeggen bijna twee derden van den weg gelukkig afgelegd.
Den volgenden morgen trokken zij de lijn over, die tot grensscheiding tusschen de pampa's en de argentijnsche vlakten is aangenomen. Daar hoopte Thalcave de stamhoofden aan te treffen, in wier handen hij vooronderstelde, dat Harry Grant en zijne beide lotgenooten zijn zouden.
Van de veertien gewesten, waaruit de argentijnsche republiek bestaat, is Buenos-Ayres het grootste en tevens het best bevolkt. Het grenst ten zuiden aan het gebied der Indianen, tusschen den vier en vijf en zestigsten graad. De landstreek is verbazend vruchtbaar. Deze vlakte, met grasgewassen en boomvormige peulgewassen bedekt, en die bijna volkomen vlak is tot aan den voet der sierra's Tandil en Tapalquem, is met een hoogst gezond klimaat bedeeld.
Sedert hun vertrek van de Guamini namen de reizigers tot hun groote vreugde een aanzienlijke vermindering van warmte waar. Zij steeg gemiddeld niet hooger dan zeventien graden van den honderdgradigen thermometer, een gevolg van de hevige en koude winden van Patagonië, die de luchtgolven onophoudelijk in beweging brengen. Dieren en menschen hadden dus geen reden van klagen, nadat zij zooveel van de droogte en warmte geleden hadden. De reis werd met moed en vertrouwen voortgezet. Maar in weerwil van de vroegere verzekering van Thalcave, scheen het land geheel onbewoond, of om het juister uit te drukken "door de inwoners verlaten te zijn."
Dikwijls ging de oostelijke lijn langs of door kleine meren, nu eens van zoet, dan weder van brak water. Op hun oevers en onder beschutting van de struiken huppelden kleine winterkoningjes en zongen vrolijke leeuwerikken, in gezelschap van prachtmeezen, die in kleurenpracht met de schitterende kolibri's wedijveren. Die fraaije vogeltjes klapwiekten vrolijk, zonder acht te slaan op de strijdlustige spreeuwen, die met hun roode epauletten en borst op de stille oevers heen en weer liepen. Aan de doornstruiken wiegelde, als de hangmat van een kreool, het bewegelijke nest der "annubi's," en op den oever der meren pronkten prachtige flamingo's, die als een geregelde troep voortliepen, met hunne uitgespreide vuurroode vleugels. Ook zag men hun nesten, in de gedaante van een voet hooge afgeknotte kegels, die bij duizenden bijeen stonden, zoodat zij als het ware eene kleine stad vormden. De flamingo's stoorden zich niet veel aan de nadering der reizigers. Dat was niet naar den zin van den geleerden Paganel.
"Reeds lang," zeide hij tot den majoor, "heb ik gewenscht een flamingo te zien vliegen."
"Zoo!" antwoordde de majoor.
"En daar ik nu in de gelegenheid ben, wil ik er gebruik van maken."
"Doe dat, Paganel!"
"Ga mede, majoor! Gij ook, Robert! Ik heb getuigen noodig."
Zijne makkers vooruit latende gaan, begaf zich Paganel, door Robert Grant en den majoor gevolgd, naar den troep breedsnavelige steltloopers.
Toen hij er digt genoeg bij was, deed hij een schot met los kruid, want hij wilde het bloed van een vogel niet onnoodig vergieten; terstond vlogen alle flamingo's te gelijk op, terwijl Paganel hen oplettend door zijn bril waarnam.
De jacht op flamingo's.

"Welnu!" zeide hij tegen den majoor, toen de troep verdwenen was, "hebt gij ze zien vliegen?"
"Wel zeker!" antwoordde Mac Nabbs. Een blinde alleen zou die vraag dan ook ontkennend hebben kunnen beantwoorden.
"Vindt gij, dat zij onder het vliegen op gevederde pijlen geleken?"
"Volstrekt niet!"
"Het lijkt er niet naar!" voegde Robert er bij.
"Dat dacht ik wel!" hernam de geleerde met een vergenoegd gezigt. "En toch heeft de trotschste van alle bescheidene menschen, mijn vermaarde landgenoot Chateaubriand, die onnaauwkeurige vergelijking tusschen de flamingo's en de pijlen gemaakt! Zoo ziet gij, Robert! dat de vergelijking de gevaarlijkste redekunstige figuur is, die ik ken. Wees er altijd tegen op uwe hoede, en gebruik haar slechts in den hoogsten nood."
"Gij zijt dus tevreden over uw proefneming?" vroeg de majoor.
"Hoogst tevreden."
"En ik ook; maar nu mogen wij onze paarden wel wat aanzetten, want uw vermaarde Chateaubriand heeft ons wel een mijl doen achterblijven."
Toen hij zijn makkers weder had ingehaald, vond Paganel Glenarvan in druk gesprek met den Indiaan, dien hij niet scheen te begrijpen. Thalcave was dikwijls blijven staan om naar den gezigteinder te zien, en telkens had zijn gelaat een vrij groote verwondering te kennen gegeven.
Daar Glenarvan zijn gewonen tolk miste, trachtte hij, maar te vergeefs, den Indiaan te ondervragen. Zoodra hij den geleerde in de verte zag aankomen, riep hij hem toe:
"Kom toch, vriend Paganel! Thalcave en ik kunnen elkander maar niet verstaan!"
Paganel sprak eenige oogenblikken met den Patagoniër, keerde toen naar Glenarvan terug en zeide:
"Thalcave verwondert zich over iets, dat waarlijk vreemd is."
"Waarover dan?"
"Dat hij evenmin Indianen als sporen van Indianen in deze vlakten aantreft, die zij anders meestal doorkruisen, hetzij om het vee in veiligheid te brengen, dat zij uit de stallen gestolen hebben, hetzij om tot aan de Andes toe hun tapijten van het haar van het stinkdier, en hun zweepen van gevlochten lederen riemen te gaan verkoopen."
"En wat houdt Thalcave voor de oorzaak van die eenzaamheid?"
"Hij kan het niet zeggen, hij verwondert zich er over, dat is alles."
"Maar welke Indianen dacht hij dan in dit gedeelte der pampa's te vinden?"
"Juist degenen, die vreemde gevangenen in hunne magt hebben gehad, de inboorlingen onder de hoofden Calfoucoura, Catriel of Yauchetruz."
"Wat zijn dat voor menschen?"
"Hoofden van stammen, die vóór een dertig jaren zeer magtig waren, eer zij tot over de gebergten teruggedreven werden. Sedert dien tijd hebben zij zich onderworpen, in zooverre althans een Indiaan zich kan onderwerpen, en nu loopen zij de pampa's even goed af als de provincie Buenos-Ayres. Ik verwonder mij dus met Thalcave, dat wij geen spoor van hen vinden in een land, waarin zij doorgaans het beroep van "salteadores" (plunderaars) uitoefenen."
"Maar wat moeten wij dan doen?" vroeg Glenarvan.
"Dat zal ik u aanstonds zeggen," antwoordde Paganel.
Na eenigen tijd met Thalcave geraadpleegd te hebben, zeide hij:
"Mijns inziens is zijn raad zeer verstandig. Hij meent, dat wij in onze oostelijke rigting moeten voortgaan tot aan het fort Independencia,—dat op onzen weg ligt,—en kunnen wij daar al geen berigten aangaande kapitein Grant krijgen, dan zullen wij ten minste vernemen, waar de Indianen uit de argentijnsche vlakte gebleven zijn."
"En ligt dat fort Independencia hier ver vandaan?" vroeg Glenarvan.
"Neen! het ligt in het Tandil-gebergte, een zestig mijlen van hier."
"En wanneer komen wij er?"
"Overmorgen avond."
Glenarvan gevoelde zich door dit voorval zeer teleurgesteld. Geenszins had hij verwacht, dat er geen Indiaan in de pampa's te vinden zou zijn. Er zijn er meestal te veel. Een zeer bijzondere oorzaak moest hen van daar verdreven hebben. Maar, en dit was vooral van belang, was Harry Grant, voorondersteld, dat hij bij den een of anderen stam gevangen was, naar het noorden of naar het zuiden medegesleept? Die twijfel verontrustte Glenarvan. Het mogt kosten wat het wilde, men moest trachten het spoor van den kapitein niet te verliezen. Alles wel beschouwd was het best om den raad van Thalcave te volgen en het dorp Tandil te bereiken. Daar zou men ten minste menschen vinden, met wie men kon spreken.
Tegen vier ure in den namiddag vertoonde zich aan den gezigteinder een heuvel, die in een zoo vlak land wel voor een berg kon doorgaan. Het was het gebergte Tapalquem, aan welks voet de reizigers den volgenden nacht doorbragten.
Des anderen daags werd de togt over dit gebergte zonder eenige moeite volbragt. Men volgde de zandige golvingen van een zacht glooijenden grond. Zulk een gebergte kon geen bezwaar opleveren voor lieden, die de Cordillera de los Andes bestegen hadden, de paarden zelfs vertraagden naauwelijks hun snellen gang. Ten twaalf ure trok men voorbij het verlatene fort Tapalquem, de eerste schakel van die keten van kleine sterkten, die de zuidelijke grens tegen de plunderzieke inboorlingen moet beschermen.
Maar geen schaduw zelfs van Indianen was er te zien, tot steeds toenemende verbazing van Thalcave. Omstreeks het midden van den dag echter sloegen drie goed bereden en goed gewapende roovers den kleinen troep een oogenblik gade; maar zij wachtten niet tot men hen naderde en vlugtten met ongeloofelijke snelheid. Glenarvan was razend.
"Gaucho's!" zeide de Patagoniër, aan die inboorlingen den naam gevende, die een twist tusschen Paganel en den majoor veroorzaakt had.
"Ei! Gaucho's!" antwoordde Mac Nabbs. "Welnu, Paganel! thans waait er geen noordewind. Zeg mij nu eens uw gedachten over die beesten."
"Ik denk, dat zij er als echte roovers uitzien," antwoordde Paganel.
"En van den schijn tot het wezen, waarde geleerde?"
"Is maar ééne schrede, waarde majoor!"
De bekentenis van Paganel veroorzaakte een algemeen gelach, dat hem volstrekt niet in de war bragt, zelfs maakte hij betreffende die Indianen een zeer aardige opmerking.
"Ik heb ergens gelezen," zeide bij, "dat bij den Arabier de mond een buitengewone uitdrukking van woestheid heeft, terwijl in zijn oog menschlievendheid is te lezen. Welnu! bij den amerikaanschen wilde heeft juist het tegendeel plaats. Die lieden hebben een bij uitstek boos oog."
Een gelaatkundige van beroep zou geen juister woorden hebben kunnen vinden om het indiaansche ras te kenschetsen.
Op bevel van Thalcave reed men intusschen digt bij elkander voort; hoe eenzaam het land ook was, men moest toch op zijn hoede zijn tegen een onverhoedschen overval; maar de voorzorg was onnoodig, en dienzelfden avond nog betrok men een groote verlaten hut, waar het stamhoofd Catriel doorgaans zijn benden inboorlingen vereenigde. Het onderzoek van den grond en het gemis van versche sporen bewees den Patagoniër, dat de hut sedert lang niet bewoond was.
Den volgenden morgen bevonden Glenarvan en zijn makkers zich weder in de vlakte; zij ontdekten de eerste veestallen in de nabijheid van het Tandil-gebergte; maar Thalcave besloot zich er niet op te houden en regelregt op het fort Independencia af te gaan, waar hij voornamelijk inlichtingen hoopte te verkrijgen betreffende het zonderlinge voorkomen van dat verlaten land.
De boomen, die na het verlaten der Cordillera zoo schaarsch waren, werden weder talrijker; de meesten waren eerst na de aankomst der Europeanen op het amerikaansche grondgebied geplant. Daar stonden paternosterhoornen, perzikboomen, populieren, wilgen en acacia's, die snel en goed in het wild opgroeiden. Zij omringden gewoonlijk de "corrales," groote omheiningen voor het vee, omzet met palen. Daar weidden duizenden ossen, schapen, koeijen en paarden, allen door een gloeijend ijzer met het merk van hun eigenaar geteekend, en werden er vet, terwijl groote, waakzame en talrijke honden in den omtrek waakten. De min of meer zoutachtige bodem, die zich aan den voet van het gebergte uitstrekt, is bij uitstek voor het vee geschikt en levert uitmuntend voeder op. Bij voorkeur kiest men hem dan ook voor de vetweiderijen, die door een hofmeester en een opzigter bestuurd worden, welke voor iedere duizend stuks vee vier inlanders onder hun bevelen hebben.
Het leven dier lieden gelijkt op dat der groote herdersvorsten, waarvan de Bijbel spreekt; hunne kudden zijn even talrijk, ja misschien nog talrijker dan die, welke de groote vlakten van Mesopotamië bedekten; maar de herder mist hier zijn huisgezin, en de groote "estancero's" (vetweiders) der pampa gelijken volkomen op den ruwen veekooper, maar in het geheel niet op den aartsvader uit de bijbelsche verhalen.
Paganel zette dit voor zijn reisgenooten zeer duidelijk uiteen, en hield naar aanleiding daarvan een zeer belangrijke menschnatuurkundige voordragt over de vergelijking der rassen. Het mogt hem zelfs gelukken den majoor te boeijen, die daarvan geen geheim maakte.
Paganel had ook gelegenheid om een aardig uitwerksel der luchtspiegeling te laten opmerken, dat in die effene vlakten zeer gewoon is; van verre geleken de vetweiderijen op groote eilanden; de populieren en wilgen, die er omheen stonden, schenen te weerkaatsen in een kristalhelder water, dat voor de schreden der reizigers vlugtte; maar het zinsbedrog was zoo volkomen, dat het oog er niet aan kon gelooven.
Paganel had ook gelegenheid om een aardig uitwerksel der luchtspiegeling te laten opmerken.

Dien dag, den 6den November, trof men verscheidene vetweiderijen aan, en ook een of twee "saladero's". Daar wordt het vee, nadat het op de sappige weiden vetgemest is, door het mes van den slagter gekeeld. De "saladero" is, zooals de naam reeds aanduidt, de plaats waar het vleesch gezouten wordt. Tegen het einde der lente begint dat walgelijk werk. De "saladores" gaan dan de dieren uit den "corral" halen; zij vangen ze met het lasso, dat zij goed hanteeren en brengen ze naar den "saladero;" daar worden ossen, stieren, koeijen en schapen bij honderden gedood, gevild en ontvleeschd. Maar dikwijls laten de stieren zich niet gewillig grijpen. Dan verandert de viller in een stierendooder, en oefent dit gevaarlijk beroep met buitengewone behendigheid maar ook met ongewone wreedheid uit. Over het geheel levert die slagting een verschrikkelijk schouwspel op: niets is walgelijker dan de omtrek van een zouterij; uit die afschuwelijke slagterijen stijgen tegelijk met een dampkring, die met stinkende uitwasemingen bezwangerd is, de woeste kreten der villers, het akelig geblaf der honden, het gerogchel der stervende dieren op, terwijl de "urubu's" en de "aura's", groote gieren van de argentijnsche vlakte, die bij duizenden wel twintig uren ver uit den omtrek bijeen gekomen zijn, den slagters de nog lillende overblijfselen hunner slagtoffers betwisten.
Maar thans waren de zouterijen nog doodstil, rustig en onbewoond. Het was de tijd van die verbazende slagtingen nog niet.
Thalcave verhaastte den togt; hij wilde dien zelfden avond nog in het fort Independencia komen; door hun berijders aangevuurd en het voorbeeld van Thaouka volgende, vlogen de paarden tusschen het hooge gras door, dat den grond bedekte. Men ontmoette verscheidene hoeven, die van schietgaten voorzien en door diepe grachten verdedigd waren; het hoofdgebouw was voorzien van een terras, van waar de bewoners, die in wapenhandel zich oefenen, de plunderaars uit de vlakte beschieten kunnen. Misschien zou Glenarvan daar de verlangde inlichtingen hebben kunnen bekomen; maar het veiligste was het dorp Tandil te bereiken. Men hield zich dus niet op. Men doorwaadde het riviertje de los Huesos, en eenige mijlen verder de Chapaléofu. Weldra betraden de pooten der paarden de grasrijke helling van het Tandil-gebergte, en een uur daarna vertoonde zich het dorp achter in een engte, die beheerscht werd door de van schietgaten voorziene muren van het fort Independencia.
Reis rond de wereld—deel 1—Zuid-Amerika.

XXI.
Het fort Independencia
Het Tandil-gebergte ligt duizend voet boven den spiegel der zee; het is een keten van de eerste orde, dat wil zeggen ouder dan de organische schepping, en aan gedaanteverwisseling onderhevig, in dien zin dat haar zamenhang en zamenstel allengs gewijzigd zijn door den invloed der inwendige warmte. Het bestaat uit een half cirkelvormige rij van met gras begroeide gneis-heuvels. Het district Tandil, dat naar dit gebergte genoemd is, bevat het geheele zuidelijke deel der provincie Buenos-Ayres, en wordt begrensd door een berghelling, die al de riviertjes, welke er op ontspringen, noordwaarts doet stroomen.
Dit district telt ongeveer vier duizend inwoners en heeft tot hoofdplaats het dorp Tandil, gelegen aan den voet der noordelijke bergruggen; het wordt door het fort Independencia beschermd en heeft een vrij gelukkige ligging aan de belangrijke beek Chapaléofu. Eene merkwaardige bijzonderheid van dit dorp, die ook aan Paganel niet onbekend kon zijn, is dat het hoofdzakelijk bevolkt is door fransche Baskiërs en italiaansche kolonisten. Van Frankrijk zijn de eerste vestigingen in dit gedeelte van la Plata uitgegaan. In 1828 bewerkte de Franschman Parchappe den bouw van het fort Independencia, dat dienen moest om het land te beveiligen tegen de herhaalde invallen der Indianen. Een groot geleerde, Alcide d'Orbigny, die de zuidelijke landen van Zuid-Amerika het best gekend, bestudeerd en beschreven heeft, stond hem in deze onderneming bij.
Dit dorp Tandil is een vrij gewigtig punt. Door middel van "galera's", groote ossenkarren, die zeer geschikt zijn om de wegen over de vlakte te berijden, komt men van hier in twaalf dagen te Buenos-Ayres; daaruit ontstaat een vrij levendige handel; het dorp zendt naar de stad het vee uit zijn vetweiderijen, het gezouten vleesch zijner zouterijen, en de zeer bezienswaardige voortbrengselen der indiaansche nijverheid zooals de katoenen stoffen, de wollen weefsels, de zoo gezochte werken der ledervlechters, enz. Ook bevat Tandil, om van een zeker aantal vrij geriefelijke woningen te zwijgen, scholen en kerken, om onderwijs te krijgen in hetgene men voor deze en de toekomende wereld dient te weten.
Paganel besloot deze mededeelingen met de aanmerking, dat er in het dorp Tandil wel inlichtingen te krijgen zouden zijn; het fort toch is altijd bezet door een afdeeling nationale troepen. Glenarvan liet daarom de paarden op stal brengen in een vrij goed uitziende "fonda"; daarop gingen Paganel, de majoor, Robert en hij, door Thalcave geleid, naar het fort Independencia.
Na eenige minuten lang tegen een der bergruggen opgeklommen te zijn, kwamen zij aan de poort, die vrij onachtzaam bewaakt werd door een argentijnschen schildwacht. Zij werden zonder bezwaar doorgelaten, een teeken van groote slordigheid of van ongestoorde veiligheid.
Er exerceerden juist eenige soldaten op het exercitieplein van het fort; maar de oudste dier soldaten telde naauwelijks twintig, de jongste maar zeven jaren. Eigenlijk waren het slechts een dozijn kinderen en knapen, die vrij aardig soldaatje speelden. Hun uniform bestond uit een gestreept hemd, om de middel vastgebonden met een lederen gordel; geen hunner had een lange of korte broek of een schotsch rokje aan. Het zachte luchtsgestel veroorloofde dan ook die ligte kleeding. Terstond kreeg Paganel een goeden dunk van een regeering, die geen geld aan goud- of zilverboordsel besteedde. Elk van die jeugdige knapen droeg een percussie-geweer en een sabel. De laatste was te lang en het eerste te zwaar voor die mannetjes. Allen hadden een taankleurig gelaat en een zekeren familietrek. De korporaal-instructeur, die hen kommandeerde, geleek ook op hen. Het vermoeden was dan ook gegrond, dat het twaalf broeders waren, die onder het bevel van den dertienden zich oefenden.
Eigenlijk waren het slechts een dozijn kinderen en knapen, die vrij aardig soldaatje speelden.

Paganel was hierover volstrekt niet verwonderd; hij kende de argentijnsche statistiek, en wist, dat in dat land het aantal kinderen gemiddeld meer dan negen voor ieder gezin bedraagt; maar wel was hij verwonderd, toen hij zag, dat die kleine soldaten op de fransche wijze exerceerden en met groote juistheid de voornaamste bewegingen der lading in twaalf tempo's uitvoerden. Dikwijls kommandeerde de korporaal zelfs in de moedertaal van den geleerden aardrijkskundige.
"Dat is vreemd," zeide hij.
Maar Glenarvan was niet in het fort Independencia gekomen om kinderen te zien exerceeren, en nog minder om zich bezig te houden met hun nationaliteit of hun afkomst. Hij liet dus Paganel geen tijd om zich nog langer te verwonderen, en verzocht hem om naar het hoofd der bezetting te vragen. Paganel voldeed hieraan, en een der argentijnsche soldaten ging naar een huisje, dat tot kazerne diende.
Eenige oogenblikken daarna verscheen de kommandant in eigen persoon. Het was iemand van vijftig jaar, sterk, met een krijgshaftig voorkomen, groote snorren, uitstekende wangbeenderen, grijsachtige haren, en een gebiedenden blik, voor zooverre men daarover althans kon oordeelen door de rookwolken heen, die hij uit zijn stompje pijp blies. Zijn houding deed Paganel denken aan het kenmerkend voorkomen der oude onderofficieren van zijn land.
Thalcave stelde den kommandant lord Glenarvan en diens reisgenooten voor. Terwijl hij sprak, hield de kommandant niet op Paganel op een vrij lastige wijze in het gezigt te zien. De geleerde kon maar niet begrijpen, wat de oude snorrebaard van hem wilde hebben en meende het hem juist te vragen, toen de ander zonder pligtplegingen zijn hand vatte, en in de taal van den aardrijkskundige op een vrolijken toon vroeg:
"Een Franschman?"
"Ja! een Franschman!" antwoordde Paganel.
"O! blij! welkom! welkom! ook Franschman ben!" herhaalde de kommandant, terwijl hij den arm van den geleerde met verbazende kracht schudde.
"O! blij! welkom! welkom! ook Franschman ben!"

"Een uwer vrienden?" vroeg de majoor aan Paganel.
"Voor den drommel!" antwoordde deze met zekere fierheid, "ik heb in al de vijf werelddeelen vrienden."
En na zijn hand niet zonder moeite losgemaakt te hebben uit de levende schroef, waarin zij haast gekneusd werd, knoopte hij een gesprek aan met den forschen kommandant. Glenarvan zou er gaarne een woord over zijn zaken tusschen gevoegd hebben; maar de soldaat vertelde zijn geschiedenis en was niet van zins om ze halverwege af te breken. Men kon wel zien, dat die dappere man Frankrijk reeds lang geleden verlaten had, hij kon zich nog maar met moeite in zijn moedertaal uitdrukken, en had zooal niet de woorden dan toch hun geregelde schikking vergeten. Hij sprak bijna als een neger uit de fransche koloniën.
Het duurde dan ook niet lang of zijn bezoekers vernamen, dat de kommandant van het fort Independencia inderdaad een fransch sergeant was, een oud medgezel van Parchappe.
Sedert de stichting van het fort in 1828 had hij het niet meer verlaten, en nu voerde hij er het bevel over met goedvinden van de argentijnsche regeering. Hij was iemand van vijftig jaar, een Baskiër, en heette Manuel Ipharaguerre. Men ziet, dat het niet veel scheelde of hij was een Spanjaard. Een jaar na zijn komst in het land liet de sergeant Manuel zich naturaliseeren, nam dienst in het argentijnsche leger en huwde een knappe indiaansche vrouw, die nu twee kinderen, tweelingen van een half jaar, aan de borst had. Dat het jongens waren spreekt van zelf; de waardige wederhelft van den sergeant zou hem geen meisjes hebben durven schenken. Manuel verachtte elk beroep buiten den soldatenstand, en hoopte bij leven en welzijn eenmaal der republiek een geheele compagnie jonge soldaten te kunnen aanbieden.
"Gij hebt gezien!" zeide hij. "Mooi! Goede soldaten. José! Juan! Miquele! Pepe! Pepe, zeven jaar! bijt reeds een patroon af!"
Toen Pepe zich hoorde prijzen, zette hij zijn kleine hielen tegen elkander aan en presenteerde zijn geweer met veel zwier.
"Hij zal het ver brengen!" voegde de sergeant er bij. "Eens, kolonel-majoor of brigadier-generaal!"
De sergeant Manuel was zoo verheugd, dat er niet aan te denken viel om iets te zeggen ten nadeele van de verhevenheid van den soldatenstand of van de toekomst, die zijn krijgshaftig kroost wachtte. Hij was gelukkig, en zooals Goethe zegt: "Niets van hetgeen ons gelukkig maakt is bedrog."
Dat verhaal duurde wel een kwartier tot groote verwondering van Thalcave. De Indiaan kon maar niet begrijpen, dat er uit ééne keel zooveel woorden kwamen. Niemand viel den kommandant in de rede. Maar eindelijk moet toch een sergeant, zelfs een fransch sergeant, wel zwijgen. Manuel zweeg dus eindelijk, na eerst nog zijn gasten gedwongen te hebben om hem in zijn woning te volgen. Zij moesten het nu voor lief nemen om aan vrouw Ipharaguerre voorgesteld te worden, die er naar hun oordeel "nog al goed uitzag," als men ten minste die europeesche uitdrukking van een indiaansche vrouw mag bezigen.
Toen men hem in alles zijn zin had gegeven, vroeg de sergeant eindelijk aan zijn gasten, waaraan hij de eer van hun bezoek had te danken. Thans moest het tot een verklaring komen.
Paganel vertelde hem in het fransch de geheele reis door de pampa's, en vroeg ten laatste waarom de Indianen het land verlaten hadden.
"Zoo!... niemand!..." antwoordde de sergeant de schouders ophalende. "Inderdaad!... niemand!... wij met de armen over elkaar ... niets te doen!"
"Maar waarom?"
"Oorlog."
"Oorlog?"
"Ja! burgeroorlog...."
"Burgeroorlog?..." hernam Paganel, die zonder er acht op te geven ook "negerfransch" begon te spreken.
"Ja, oorlog tusschen Paraguay en Buenos-Ayres," antwoordde de sergeant.
"Welnu?"
"Welnu, Indianen allen in het noorden, volgen generaal Flores. Indianen plunderaars, plunderen."
"Maar de hoofden?"
"Hoofden ook meê."
"Hoe! Catriel?"
"Geen Catriel."
"En Calfoucoura?"
"Geen Calfoucoura."
"En Yanchetruz?"
"Geen Yanchetruz meer!"
Dit antwoord werd aan Thalcave medegedeeld, die toestemmend knikte. En inderdaad, Thalcave wist niet of had vergeten, dat een burgeroorlog, die later de tusschenkomst van Brazilië zou veroorzaken, tusschen de beide partijen in de republiek woedde. De Indianen hebben alles bij die binnenlandsche worstelingen te winnen, en laten zulke schoone gelegenheden om te plunderen niet ongebruikt. De sergeant vergiste zich dan ook niet, toen hij als reden voor het verlaten der pampa's een burgeroorlog opgaf, die in het noorden der argentijnsche provinciën gevoerd werd.
Maar die gebeurtenis wierp de plannen van Glenarvan in duigen, wiens oogmerken zoo verijdeld werden. Was Harry Grant bij de hoofden der stammen gevangen, dan zouden zij hem zeker tot aan de noordelijke grenzen medegesleept hebben. Waar en hoe konden zij hem dan wedervinden? Moest hij gevaarlijke en bijna vergeefsche nasporingen tot aan de noordelijke grenzen der pampa in het werk stellen? Dat was een gewigtig besluit, waarover ernstig beraadslaagd diende te worden.
Toch kon er nog ééne gewigtige vraag aan den sergeant gedaan worden, en het was de majoor, die hieraan dacht, terwijl zijne vrienden elkander zwijgend aanstaarden.
"Had de sergeant ook gehoord, dat er bij de hoofden der stammen in de pampa's eenige Europeanen gevangen waren?"
Manuel dacht eenige oogenblikken na, als iemand die zich iets tracht te herinneren.
"Ja!" zeide hij eindelijk.
"Ha!" zeide Glenarvan, die weder nieuwe hoop begon te koesteren.
Paganel, Mac Nabbs, Robert en hij omringden den sergeant.
"Spreek! spreek!" zeiden zij, terwijl hun oog vol verwachting op hem staarde.
"Eenige jaren geleden," antwoordde Mannel, "ja,... het is zoo ... europeesche gevangenen ... maar nooit gezien...."
"Eenige jaren," hernam Glenarvan, "gij vergist u... De dagteekening van de schipbreuk is juist.... De Britannia is in Junij 1862 vergaan.... Het is dus nog geen twee jaar geleden."
"O! langer, mylord!"
"Onmogelijk!" riep Paganel.
"Het is toch zoo! Het was bij de geboorte van Pepe... Er waren twee mannen...."
"Neen, drie!" zeide Glenarvan.
"Twee!" gaf de sergeant op een stelligen toon ten antwoord.
"Twee!" zeide Glenarvan hoogst verwonderd. "Twee Engelschen?"
"Wel neen!" antwoordde de sergeant. "Wie spreekt er van Engelschen? Neen ... een Franschman en een Italiaan."
"Een Italiaan, die door de Poyuchen vermoord werd!" riep Paganel.
"Ja! en ik heb later gehoord ... Franschman ... gered."
"Gered!" riep de jonge Robert, wiens leven aan de lippen van den sergeant hing.
"Ja, gered uit de banden der Indianen," antwoordde Manuel.
Allen zagen den geleerde aan, die zich wanhopend voor het hoofd sloeg.
"Ha! ik begrijp het al," zeide hij eindelijk, "alles is duidelijk, alles wordt opgehelderd!"
"Maar zeg dan toch wat er van de zaak is!" riep Glenarvan even ongerust als ongeduldig.
"Mijne vrienden!" antwoordde Paganel de handen van Robert vattende, "wij moeten ons in een groote teleurstelling schikken! wij hebben een verkeerd spoor gevolgd! Er is hier geen sprake van den kapitein, maar van een mijner landgenooten, wiens reisgenoot, Marco Vazello, inderdaad door de Poyuchen vermoord werd; van een Franschman, die deze wreede Indianen verscheidene malen tot aan de oevers van de Colorado vergezelde, en die, na gelukkig aan hun handen ontsnapt te zijn, naar Frankrijk is teruggekeerd. Meenende het spoor van Harry Grant te volgen, hebben wij dat van den jongen Guinnard[1] gevolgd."
Deze verklaring werd door een diepe stilte gevolgd. De dwaling was duidelijk. De bijzonderheden door den sergeant medegedeeld, het volk, waartoe de gevangene behoorde, de moord van zijn reisgenoot, zijn ontsnapping uit de handen der Indianen, alles liep zamen om haar te bewijzen. Glenarvan zag Thalcave met een ontstelden blik aan. De Indiaan vatte nu het woord op en vroeg den sergeant:
"Hebt gij nooit hooren spreken van drie engelsche gevangenen?"
"Nooit!" antwoordde Manuel, "het zou te Tandil bekend geworden zijn ... ik zou het weten.... Neen, daar is niets van aan...."
Na dit stellige antwoord had Glenarvan niets meer op het fort Independencia te verrigten. Hij ging dus heen met zijn vrienden, na vooraf den sergeant bedankt en hem de hand gegeven te hebben.
Glenarvan was wanhopend over die volkomene vernietiging zijner hoop. Robert ging weenende naast hem, zonder een woord te spreken. Glenarvan kon geen enkel woord vinden om hem te troosten. Paganel maakte drukke gebaren en sprak in zich zelven. De majoor drukte de lippen op elkander. Wat Thalcave betreft, de eigenliefde van den Indiaan scheen gekwetst, omdat hij op een valsch spoor verdwaald was. En toch dacht niemand er aan om hem een zoo vergevelijke dwaling te verwijten.
Zij traden de herberg weder binnen.
Het avondeten was treurig. Voorzeker, geen enkele van die moedige en verknochte mannen beklaagde zich over zooveel vermoeijenissen, die te vergeefs doorgestaan waren, over zooveel gevaren, waaraan zij zich te vergeefs hadden blootgesteld. Maar allen zagen in één oogenblik alle hoop op goeden uitslag in rook verdwijnen. Zou men kapitein Grant tusschen het Tandil-gebergte en de zee kunnen ontmoeten? Neen. Ware de een of andere gevangene op de kusten van den Atlantischen Oceaan in handen der Indianen gevallen, dan zou sergeant Manuel er stellig kennis van gedragen hebben. Een voorval van dien aard kon niet aan de aandacht der inboorlingen ontsnappen, die een geregelden handel drijven van Tandil op Carmen, aan den mond der Rio Negro. Nu spreekt het van zelf, dat de handelaars in de argentijnsche vlakte alles van elkander te weten komen, alles met elkander bespreken. Er schoot dus niets anders over, dan zonder uitstel de Duncan te gaan opzoeken op het aangewezen verenigingspunt, kaap Medano.
Intusschen had Paganel aan Glenarvan het document gevraagd, op hetwelk afgaande zij zoo deerlijk in hun nasporingen gedwaald hadden. Hij herlas het met zekeren kwalijk verholen toorn. Hij zocht naar een nieuwe uitlegging er van.
"Dat document is toch duidelijk genoegt" herhaalde Glenarvan. "Het behelst toch een stellig berigt betreffende de schipbreuk van den kapitein en de plaats zijner gevangenschap!"
"Neen! neen!" antwoordde de aardrijkskundige met de vuist op de tafel slaande, "honderdmaal neen! Daar Harry Grant niet in de pampa's is, is hij ook niet in Amerika. Waar hij wel is moet en zal dit document zeggen, mijne vrienden! of mijn naam is geen Jacques Paganel meer!"
XXII.
Het wassen des waters.
Een afstand van honderd vijftig mijlen[1] scheidt het fort Independencia van de oevers van den Atlantischen Oceaan. Als er geen onvoorzien oponthoud in den weg kwam, hetgeen trouwens niet te denken was, kon Glenarvan in vier dagen de Duncan bereiken. Maar hij kon zich maar niet gewennen aan de gedachte om aan boord terug te komen zonder kapitein Grant en na zoo ongelukkig in zijn nasporingen geweest te zijn. Hij dacht er dan ook den volgenden morgen niet eens aan om bevelen tot de afreis te geven. Daarom nam de majoor op zich om de paarden te laten zadelen, nieuwen mondvoorraad op te doen en den weg te laten opnemen. Daardoor was de kleine troep in staat om des morgens ten acht ure een begin te maken met de afdaling langs de met gras begroeide ruggen van het Tandil-gebergte.
Zonder een woord te spreken galoppeerde Glenarvan naast Robert voort; zijn stoutmoedig en vastberaden karakter gedoogde niet om zich aan dien tegenspoed zoo zoetsappig te onderwerpen; zijn hart bonsde, zijn hoofd gloeide. Door de moeijelijkheid gescherpt draaide Paganel op alle mogelijke wijzen de woorden van het document om, ten einde er nieuwe inlichtingen uit te putten. Thalcave zweeg en liet aan Thaouka de zorg over om den weg te vinden. De majoor, die als altijd vol goeden moed was, bleef standvastig op zijn post, als iemand op wien de moedeloosheid geen vat had. Tom Austin en zijn beide matrozen verveelden zich even als hun meester. Toen een angstig konijn vóór hen over de paden van het gebergte liep, zagen de bijgeloovige Schotten elkander aan.
"Een slecht voorteeken," zeide Wilson.
"Ja, in de Hooglanden," antwoordde Mulrady.
"Wat in de Hooglanden slecht is, is hier niet beter," antwoordde Wilson heel verstandig.
Tegen twaalf ure hadden de reizigers het Tandil-gebergte achter den rug en waren zij weder in de golvende vlakten, die zich tot aan de zee uitstrekken. Bij iedere schrede besproeiden heldere beekjes, die in de hooge weilanden verdwenen, dat vruchtbare land. De bodem werd weêr even vlak als vroeger, gelijk de Oceaan na een storm. De laatste bergen der argentijnsche pampa's waren zij voorbij, en de pooten der paarden betraden het onafzienbare grastapijt der eentoonige prairie.
Tot nog toe was het weder schoon geweest; maar op dien dag kreeg de lucht een onrustbarend aanzien. De massa's dampen, die door de groote warmte der vorige dagen opgestegen waren en zich tot digte wolken vereenigd hadden, dreigden met stortbuijen. Bovendien maakten de nabijheid van den Atlantischen Oceaan en de westewind, die er meestal waait, het klimaat van deze streek bijzonder vochtig. Het was wel te zien aan haar vruchtbaarheid, aan den overvloed van vette weiden en aan haar donkergroene kleur. Dien dag echter had er nog geen wolkbreuk plaats, en des avonds hielden de paarden, na zonder moeite een togt van veertig mijlen afgelegd te hebben, aan den kant van diepe "canada's" stil, zeer groote, met water gevulde natuurlijke grachten. Het ontbrak aan de geringste schuilplaats. De mantels moesten tot tenten en dekens te gelijk dienen, en allen legden zich onder een dreigenden hemel te slapen, die het echter bij bedreigingen blijven liet.
Naarmate de vlakte afbelde werd des anderen daags de aanwezigheid van water onder den grond hoe langer hoe merkbaarder; het vocht drong door al de poriën van den grond heen. Weldra werd de weg naar het oosten door groote vijvers doorsneden, waarvan sommige reeds diep waren, andere eerst begonnen te ontstaan. Zoolang het nog "laguna's" bleven, dat goed begrensde en van waterplanten vrije plassen zijn, konden de paarden er gemakkelijk uitkomen; maar dit ging moeijelijker uit die bewegelijke modderpoelen, "pentano's" geheeten; hooge planten versperden er den weg, en om het gevaar te zien, moest men er reeds in zijn.
Die moerassen hadden reeds menig levend wezen den dood veroorzaakt. Robert, die een halve mijl vooruit reed, kwam op eens in galop terug, roepende:
"Mijnheer Paganel! mijnheer Paganel! een bosch van horens!"
"Wat!" antwoordde de geleerde, "hebt gij een bosch van horens gevonden?"
"Ja, ja! op zijn allerminst een kreupelbosch."
"Een kreupelbosch! gij droomt, mijn jongen!" antwoordde Paganel, de schouders ophalende.
"Ik droom niet," hernam Robert; "kom zelf maar zien! Een raar land! Men zaait hier horens en zij schieten op als graan! Ik zou er wel wat zaad van willen hebben!"
"Hij spreekt in vollen ernst," zeide de majoor.
"Ja, mijnheer de majoor! gij zult zien, dat het zoo is."
Robert had goed gezien. Weldra bevonden zij zich voor een groot onafzienbaar veld met horens, die regelmatig geplant waren. Het was inderdaad een laag en digt, maar vreemd kreupelbosch.
"Wat zegt gij er van?" vroeg Robert.
"Dat is vreemd," antwoordde Paganel zich tot den Indiaan wendende om dezen te ondervragen.
"De horens steken boven den grond uit," zeide Thalcave, "maar de runderen zitten er onder."
"Hoe!" riep Paganel, "is er een geheele kudde in die modder weggezonken?"
"Ja!" antwoordde de Patagoniër.
Werkelijk had een ontelbare kudde den dood gevonden onder dien grond, die onder haar hoeven was weggezonken; honderden runderen waren zoo naast elkander in dat groote moeras gesmoord. Dit feit, dat wel meer in de argentijnsche vlakte plaats heeft, kon den Indiaan niet onbekend zijn, en was een waarschuwing, die men niet in den wind mogt slaan.
Zij reden om het ontzaggelijke offer heen, dat de meest eischende goden der oudheid zou tevreden gesteld hebben, en een uur later was men twee mijlen van het veld met horens af.
Thalcave sloeg met zekeren angst dien stand van zaken gade, die in zijn oog buitengewoon was. Hij hield dikwijls stil en ging in de stijgbeugels staan. Zijn hooge gestalte stelde hem in staat om ver in het rond te zien; maar daar hij niets bemerkte, dat hem opheldering kon geven, hervatte hij weldra den gestaakten marsch. Een mijl verder hield hij nog eens stil, week daarna van de gevolgde rigting af, maakte nu eens noord- dan zuidwaarts een omweg van eenige mijlen, en stelde zich vervolgens weder aan het hoofd van het gezelschap, zonder te zeggen wat hij hoopte of vreesde. Daar hij die handelwijze verscheidene malen herhaalde, werd Paganel nieuwsgierig en Glenarvan ongerust. Den geleerde werd daarom verzocht den Indiaan te ondervragen, hetgeen hij ook terstond deed.
Thalcave antwoordde hem, dat hij zich er over verwonderde, dat de grond zoo doorweekt was van water. Zoover hem heugde en zoolang hij het beroep van gids uitoefende, had hij een zoo drassigen bodem nooit betreden. Zelfs in den regentijd waren er nog altijd begaanbare paden door de argentijnsche vlakte.
"Maar wat kan de oorzaak zijn van die toenemende vochtigheid?" vroeg Paganel.
"Ik weet het niet," antwoordde de Indiaan, "en wist ik het!"...
"Treden de bergstroomen, door den regen gezwollen, nooit buiten hun oevers?"
"Somtijds."
"En zou dit nu misschien het geval zijn?"
"Misschien!" zeide Thalcave.
Paganel moest zich vergenoegen met dat halve antwoord, en deelde aan Glenarvan den inhoud van het gesprek mede.
"En wat raadt Thalcave?" vroeg Glenarvan.
"Wat moeten wij doen?" vroeg Paganel den Patagoniër.
"Snel voortgaan," antwoordde de Indiaan.
De raad was gemakkelijker te geven dan op te volgen. De paarden werden spoedig moede van het betreden van een grond, die onder hen wegzakte; hun pooten drongen er telkens dieper in, en dit gedeelte der vlakte kon vergeleken worden met een ontzaggelijken kuil, waarin het aanstormende water zich weldra ophoopen zou. Het was dus van het hoogste belang om die dalende gronden zonder uitstel over te trekken, daar een overstrooming ze onmiddellijk in een meer zou veranderd hebben.
Zij verhaastten derhalve hunne schreden. Maar alsof dat water, dat onder de pooten der paarden stroomde, nog niet genoeg ware, werden tegen twee ure de sluizen des hemels geopend, en begon het te regenen, alsof het met bakken uit den hemel werd gegoten. Nooit had zich een schooner gelegenheid opgedaan om te toonen, dat men een wijsgeer is. Er was geen kans om aan dien zondvloed te ontwijken, en het beste was hem met onverschilligheid door te staan. De mantels waren druipnat, het water stroomde van de hoeden af als van een dak, welks goten verstopt zijn; de franje der zadels scheen van vloeibare draden gemaakt te zijn, en de ruiters die met modder bespat werden door de hoeven hunner paarden, reden voort in een dubbele stortbui, die te gelijk uit den grond en uit de lucht kwam.
Zoo doornat, verstijfd en afgemat kwamen zij 's avonds aan een zeer ellendige hut. Alleen lieden, die spoedig tevreden waren, konden haar een schuilplaats noemen, en alleen uitgeputte reizigers konden er in toestemmen om er den nacht in door te brengen. Maar Glenarvan en zijn makkers hadden geen keus. Zij kropen digt bij elkander in die verlatene stulp, die de armste Indiaan uit de pampa's niet zou hebben willen bewonen. Een zwak vuur van kruiden, dat meer rook dan warmte gaf, werd niet zonder moeite ontstoken. De stortregens woedden buiten en door het verrotte riet zijpelden groote droppels. Dat het vuur niet twintig maal uitging was aan Mulrady en Wilson te danken, die de overmagt van het water moedig bestreden.
Het sobere en ongenoegzame avondeten werd treurig genuttigd. Niemand had eetlust. Alleen de majoor at met graagte het doorweekte gedroogde vleesch, en liet niets verloren gaan. De ongevoelige Mac Nabbs was boven het lot verheven. Paganel deed als een echt Franschman zijn best om te schertsen; maar het ging niet.
"Mijn kwinkslagen zijn nat geworden," zeide hij, "zij ketsen."
Daar intusschen slapen het beste was, wat men in die omstandigheden kon doen, trachtten allen in den slaap een oogenblik hun vermoeidheid te vergeten. De nacht was slecht; de planken der hut kraakten en braken bijna; zij werd door de windvlagen heen en weder geslingerd en dreigde bij iedere bui om te waaijen; de rampzalige paarden lagen buiten, blootgesteld aan de guurheid des weders, terwijl hun meesters niet minder leden in de ellendige hut. Eindelijk look de slaap echter hunne oogen. Robert viel het eerst in slaap, met het hoofd tegen den schouder van lord Glenarvan geleund, en weldra waren al de bewoners der hut onder Gods hoede ingeslapen.
De nacht verliep zonder verdere ongelukken. Het geroep van Thaouka, die altijd waakte, maakte de slapers wakker; hij hinnikte en schopte driftig tegen den muur der stulp. Wanneer het noodig was kon hij, indien Thalcave het verzuimde, zeer goed het sein tot het vertrek geven. Men had te veel verpligting aan hem om hem niet te gehoorzamen en vertrok.
De regen was een weinig bedaard, maar het gevallen water bleef op den doornatten grond staan; het ondoordringbare leem hield de plassen, moerassen en vijvers tegen, die overliepen en groote, verraderlijk diepe "banado's" vormden. Paganel raadpleegde zijn kaart, en meende, niet ten onregte, dat de Rio Grande en de Rio Vivarota, waarin gewoonlijk de wateren dezer vlakte uitloopen, zich met elkander vereenigd en een bedding van verscheidene mijlen breed gevormd hadden.
Het was nu hoog noodig om zoo snel mogelijk voort te trekken. Aller leven stond op het spel. Waar zou men een schuilplaats vinden, wanneer het water wassende bleef? Zoover het oog reikte kon men geen uitstekend punt ontdekken, en dit water zou die effene vlakte weldra geheel overstroomen.
De paarden werden dus tot spoed aangezet; Thaouka was voorop, en beter dan sommige vinpootige dieren met magtelooze vinnen verdiende hij den naam van zeepaard; want hij sprong, alsof hij in zijn element was.
Eensklaps, het was des morgens omstreeks tien ure, gaf Thaouka teekens van een hevige ongerustheid. Hij zag telkens om naar de onmetelijke vlakten in het zuiden, hinnikte lang achtereen, sperde zijn neusgaten wijd open en steigerde geweldig. Thalcave, die door zijn sprongen niet uit den zadel kon geworpen worden, hield hem niet zonder moeite in bedwang. Het schuim van zijn bek werd met bloed vermengd, zoo sterk haalde hij het gebit aan; en toch kwam het vurige dier niet tot bedaren; zijn meester bespeurde wel, dat het dier, ware het vrij geweest, in vollen ren noordwaarts zou gevlugt zijn.
"Wat scheelt Thaouka toch?" vroeg Paganel; "hebben de verschrikkelijke bloedzuigers der argentijnsche wateren hem gebeten?"
"Neen!" antwoordde de Indiaan.
"Is hij bevreesd voor eenig gevaar?"
"Ja, hij heeft het gevaar geroken...."
"Welk?"
"Dat weet ik niet."
Kon het oog het gevaar, dat Thaouka vermoedde, nog niet gewaar worden, het oor kon er toch reeds iets van opvangen. Een dof geraas, te vergelijken met het gedruisch, dat de vloed maakt, deed zich zeer in de verte hooren. Er woei van tijd tot tijd een vochtige wind, die een fijnen stofregen aanvoerde; bevreesd voor het een of ander onbekend verschijnsel kliefden de vogels met bliksemsnelheid de lucht; de paarden, die reeds tot aan de knieën door het water waadden, gevoelden reeds de eerste schokken van den stroom. Weldra klonk in een zuidelijke rigting, maar een halve mijl van de reizigers af, een vreeselijk geraas, geloei en gehinnik, en verschenen er ontelbare kudden die elkander omverliepen, weder opstonden en nedervielen, een onzamenhangende massa van verschrikte beesten, die met een verschrikkelijke vaart vlugtten. Men kon hen naauwelijks onderscheiden te midden van de waterstralen, die zij in hun loop deden opspatten. Honderd van de grootste walvisschen konden de golven van den Oceaan niet met meer geweld omwoelen.
"Anda! anda![2]" riep Thalcave met luider stem.
"Wat bedoelt gij?" zeide Paganel.
"Het water wast! het water wast!" antwoordde Thalcave zijn paard de sporen gevende, dat hij in een noordelijke rigting voortdreef.
"Een overstrooming!" riep Paganel, en zijn makkers renden, hem volgende, Thaouka achterna.
"Het water wast! het water wast!" antwoordde Thalcave...

Het was tijd. Inderdaad kwam er uit het zuiden een hooge en breede voorvloed over het land opzetten, dat in een zee werd herschapen. Het hooge gras verdween alsof het afgemaaid was. De bosjes mimosa-planten door den stroom losgescheurd, werden medegesleept en vormden drijvende eilandjes. De watermassa zette met onwederstaanbaar geweld haar loop voort. Er was geen twijfelen aan of de groote rivieren der pampa's waren buiten haar oevers getreden, en misschien vereenigde zich nu het water der Colorado uit het noorden en dat der Rio Negro uit het zuiden wel in een gemeenschappelijke bedding.
De voorvloed, dien Thalcave had geseind, kwam met de snelheid van een renpaard opzetten. De reizigers vlugtten voor hem, evenals een wolk door den stormwind wordt voortgezweept. Te vergeefs zagen zij naar alle kanten naar een schuilplaats rond. Aan den gezigteinder liepen water en lucht ineen. Door het gevaar beangstigd vlogen de paarden in een wilden galop voort, en hun berijders konden naauwelijks in den zadel blijven zitten. Glenarvan zag telkens achterom.
"Het water bereikt ons," dacht hij.
"Schielijk! schielijk!" riep Thalcave.
En men zette de ongelukkige dieren nog meer aan. Uit hun door de sporen opengescheurde zijden stroomde het bloed, dat lange roode strepen op het water achterliet. Zij struikelden over de spleten in den grond. Zij raakten verward in het verborgen gras. Zij vielen. Men hielp ze op. Zij vielen weder. Men hielp ze weder op. Het water werd zigtbaar hooger. Lange golvingen verkondigden den aanval van dien voorvloed, die geen twee mijlen van hen af zijn schuimende kuif bewoog.
Een kwartier lang duurde die hagchelijke worsteling tegen het verschrikkelijkste van alle elementen. De vlugtelingen hadden den afgelegden afstand niet kunnen berekenen, maar naar hun snellen ren te oordeelen, moest hij zeer aanmerkelijk zijn. Intusschen konden de paarden, die tot aan de borst in het water liepen, slechts met de grootste moeite verder komen. Glenarvan, Paganel, Austin, allen achtten zich verloren en zagen den verschrikkelijken dood van schipbreukelingen voor oogen. De paarden hadden ter naauwernood meer grond onder de pooten, en zes voet water zou hen doen verdrinken.
Het is onmogelijk om den benaauwenden doodsangst te schetsen van die acht mannen, die door het wassende water overvallen werden. Zij gevoelden hoe onmagtig zij waren om tegen die natuurrampen te worstelen, die met de menschelijke krachten spotten. Hun leven was niet meer in hunne handen.
Vijf minuten later zwommen de paarden reeds; de stroom alleen sleepte hen met onvergelijkelijk geweld mede en hun snelheid evenaarde die van hun vlugsten galop, d.i. zij bedroeg meer dan twintig mijlen in het uur.
Alle kans op redding scheen vervlogen. Daar hoorde men op eens de stem van den majoor, die riep: "Een boom!"
"Een boom?" vroeg Glenarvan.
"Daar! daar!" antwoordde Thalcave.
Met den vinger wees hij in het noorden naar een soort van reusachtigen notenboom, die acht honderd vademen verder eenzaam boven het water uitstak.
Hij behoefde zijn makkers niet aan te zetten om haast te maken. Zij moesten met inspanning van alle krachten dien boom trachten te bereiken, die zich daar zoo onverwacht aan hen vertoonde. De paarden zouden hem zeker niet bereiken, maar de menschen konden tenminste gered worden. De stroom droeg hen.
Op hetzelfde oogenblik liet het paard van Tom Austin een akelig gehinnik hooren en verdween. Zijn berijder maakte zich los uit de stijgbeugels en begon fiks te zwemmen.
"Houd mijn zadel vast!" riep Glenarvan hem toe.
"Ik dank u, Uwe Edelheid!" antwoordde Tom Austin, "ik heb sterke armen."
"Uw paard, Robert?..." hernam Glenarvan, zich naar den jongen Grant keerende.
"Het houdt zich goed, mylord! Het zwemt als een visch!"
"Geeft acht!" riep de majoor met een sterke stem.
Naauwelijks was het woord er uit, of de vreeselijke vloed kwam. Een monsterachtige, wel veertig voet hooge golf, brak met verschrikkelijk geraas op de vlugtelingen. Menschen en paarden, alles verdween in een schuimenden afgrond. Een watermassa van verscheidene millioenen tonnen zwaar overstelpte hen met haar woedende baren.
Een monsterachtige, wel veertig voet hooge golf...

Toen de voorvloed voorbij was getrokken, kwamen de menschen weder boven; allen waren er, maar de paarden, uitgezonderd Thaouka, waren voor altijd verdwenen.
"Houd u goed! houd u goed!" herhaalde Glenarvan, die Paganel met den eenen arm ondersteunde en met den anderen zwom.
"Het gaat goed! het gaat goed!" antwoordde de waardige geleerde; "het spijt mij niet eens...."
Wat speet hem niet? Dat is men nooit te weten gekomen, want de arme man moest het slot van den zin met een halve pint modderig water inzwelgen. De majoor kwam rustig nader, terwijl hij het water al zwemmende zoo kunstmatig met de armen kliefde, dat een zwemmeester er niets op aan te merken zou gehad hebben. De matrozen waren even goed op hun gemak in het vloeibare element als een paar bruinvisschen. En Robert liet zich, aan de manen van Thaouka hangende, door dezen medeslepen. Thaouka kliefde het water met verbazende kracht, en bleef instinctmatig in de rigting van den boom, waarheen de stroom hem droeg.
De boom was nog maar twintig vademen ver; het geheele gezelschap had hem weldra bereikt. Dit was een geluk voor hen, want hadden zij die schuilplaats niet gevonden, dan zou alle kans op redding verdwenen zijn en hadden zij in de golven moeten omkomen.
Het water kwam tot boven aan den stam, ter plaatse waar de hoofdtakken te voorschijn kwamen, zij konden er zich dus gemakkelijk aan vastklemmen. Thalcave stapte van zijn paard, heesch Robert op, klom het eerst in den boom en bezorgde met zijn sterke armen weldra een veilige plaats aan al de afgematte zwemmers.
Door den stroom medegesleept verwijderde Thaouka zich snel. Hij draaide zijn schranderen kop naar zijn meester, schudde zijn lange manen en hinnikte, als om hem te roepen.
Door den stroom medegesleept verwijderde Thaouka zich snel.

"Kunt gij hem verlaten?" zeide Paganel tot Thalcave.
"Ik!" riep de Indiaan.
En in het woelige water springende, kwam hij tien vademen van den boom af weder boven. Eenige oogenblikken daarna had hij zijn arm om den hals van Thaouka geslagen, en paard en ruiter dreven zamen af naar den benevelden gezigteinder in het noorden.
XXIII.
De boombewoners.
De boom, waarop Glenarvan en zijn makkers een schuilplaats hadden gevonden, geleek op een notenboom. Hij had deszelfs glimmende bladeren en ronde gedaante. Het was de "ombu," dien men alleenstaande in de argentijnsche vlakte aantreft. Deze boom met zijn bogtigen en stevigen stam, is niet alleen door zijn groote wortels in den grond bevestigd, maar ook door sterke uitspruitsels, die hem op de stevigste wijze vasthouden. Hij had dan ook den aanval van den voorvloed doorgestaan.
Die boom was wel honderd voet hoog, en kon met zijn schaduw een omtrek van zestig vademen bedekken. Dat geheele gevaarte rustte op drie groote takken, die uit den top van den zes voet dikken stam opschoten. Twee van die takken rezen bijna loodregt overeind en droegen het ontzaggelijke zonnescherm van bladeren, welker takken, als door de hand van een mandenmaker gekruist, door elkander geslingerd en verward, een ondoordringbare schuilplaats opleverden. De derde tak daarentegen stak bijna waterpas over het loeijende water uit; zijn onderste bladeren hingen er reeds in; hij was om zoo te zeggen een uitstekende kaap van dit groene eiland, dat door een oceaan werd omringd. Het ontbrak ook niet aan ruimte in dien reusachtigen boom; het gebladerte, dat aan den omtrek minder digt was, liet groote opene ruimten over, die op opene plekken in een bosch geleken; er was lucht in overvloed, frischheid overal. Als men die takken zoo hun tallooze takjes tot in de wolken zag verheffen, terwijl woekerende slingerplanten ze aan elkander vasthielden, en de zonnestralen door de openingen in het gebladerte speelden, zou men waarlijk gezegd hebben, dat de stam van dien boom alleen een geheel bosch torschte.
Bij de komst der vlugtelingen week een menigte luchtbewoners naar de hoogste takken, door hun geschreeuw verzet aanteekenende tegen zulk een schandelijke overrompeling van hun verblijf. Die vogels, die ook een schuilplaats op dien eenzamen boom hadden gezocht, waren daar bij honderden bijeen: meerlen, sperwers, isaca's, hilguero's en vooral de pica-flor, vliegenvogeltjes met schitterende kleuren; wanneer deze opvlogen, scheen het, dat een windvlaag den boom van al zijn bloemen beroofde.
Dit was de schuilplaats, die de kleine troep van Glenarvan had bereikt. De jonge Grant en de vlugge Wilson zaten naauwelijks in den boom, of zij haastten zich om tot in de hoogste takken te klimmen. Hun hoofd stak nu door den groenen koepel heen. Van dit hooge punt overzag hun blik een ruimen omtrek. Aan alle zijden omringde hen de oceaan, dien de overstrooming had geschapen, en hoe ver de blik zich ook uitstrekte, toch konden zij deszelfs grens niet bemerken. Geen enkele boom stak boven het watervlak uit; de notenboom, die alleen zich boven het onstuimige water verhief, slingerde door deszelfs geweldigen aandrang. In de verte dreven, door den onstuimigen stroom medegesleept, in een noordelijke rigting ontwortelde boomstammen, ineengedraaide takken, rieten daken van weggespoelde hutten, balken die door het water van de afdaken der vetweiderijen waren losgerukt, lijken van verdronken dieren, bloedige huiden, en op een drijvenden boom een geheele hoop brullende tijgerkatten, die haar klaauwen in het brooze vlot geslagen hadden. Nog verder trok een zwarte, reeds bijna onzigtbare stip de aandacht van Wilson. Het was Thalcave en diens getrouwe Thaouka, die in de verte verdwenen.
Dit was de schuilplaats, die de kleine troep had bereikt.

"Thalcave! vriend Thalcave!" riep Robert, de hand naar den moedigen Patagoniër uitstrekkende.
"Hij zal zich redden, jonge heer Robert!" antwoordde Wilson; "maar laten wij zijne Edelheid weder gaan opzoeken."
Een oogenblik later klauterden Robert Grant en de matroos de drie verdiepingen van takken af en bereikten het boveneinde van den stam. Daar vonden zij Glenarvan, Paganel, den majoor, Austin en Mulrady, die de beenen lieten afhangen of zich aan de takken vasthielden, volgens hun verschillende geaardheid. Wilson gaf verslag van zijn bezoek aan den top des booms. Allen dachten eenstemmig met hem ten aanzien van Thalcave. De meeningen liepen echter uiteen over den vraag, of Thalcave Thaouka, dan wel Thaouka Thalcave redden zou.
Zonder tegenspraak was de toestand van de boombewoners veel onrustbarender. De boom zou wel niet bezwijken voor het geweld van den stroom; maar het nog altijd wassende water kon zijn hoogste takken bereiken; want de hellende bodem maakte van dit gedeelte der vlakte eene waren vergaderbak. Glenarvan zorgde daarom allereerst om door middel van kepen merken te maken, ten einde de verschillende waterstanden te kunnen waarnemen. De overstrooming, die nu op dezelfde hoogte bleef, scheen haar hoogsten stand bereikt te hebben. Dat was reeds een troost.
"En wat zullen wij nu aanvangen?" zeide Glenarvan.
"Wel, een nest bouwen!" antwoordde Paganel vrolijk.
"Een nest bouwen!" riep Robert.
"Wel zeker, mijn jongen! en als vogels leven, daar wij toch niet als visschen kunnen leven."
"Goed," zeide Glenarvan, "maar wie zal ons voedsel brengen?"
"Ik!" antwoordde de majoor.
Allen wendden hun blikken naar Mac Nabbs; de majoor zat dood op zijn gemak in een natuurlijken armstoel, door twee veerkrachtige takken gevormd, terwijl hij met de eene hand zijn nat geworden, maar goed gevulde knapzakken overreikte.
"Daaraan herken ik u weder, Mac Nabbs!" riep Glenarvan. "Gij denkt aan alles, zelfs in omstandigheden, waarin men alles zou mogen vergeten."
"Zoodra ons plan vaststond om niet te verdrinken," antwoordde de majoor, "waren wij immers niet voornemens om van honger te sterven!"
"Ik zou er wel aan gedacht hebben," zeide Paganel met een onnoozel gezigt, "maar ik ben zoo verstrooid!"
"En wat bevatten de knapzakken?" vroeg Tom Austin.
"Voedsel voor zeven menschen gedurende twee dagen," antwoordde Mac Nabbs.
"Goed!" zeide Glenarvan, "ik hoop, dat het water binnen vier en twintig uren wel wat gezakt zal zijn."
"Of dat wij een middel zullen gevonden hebben om het vaste land weder te bereiken," antwoordde Paganel.
"Ons eerste werk moet dan maar zijn te ontbijten," zeide Glenarvan.
"Eerst dienen wij ons toch wat te droogen," merkte de majoor aan.
"Maar hoe komen wij aan vuur!" vroeg Wilson.
"Wel, dat moet gij aanmaken," antwoordde Paganel.
"Waar?"
"Wat drommel! in den top van den stam."
"Waarmede?"
"Met dood hout, dat wij uit den boom zullen snijden."
"Maar hoe krijgen wij het aan?" vroeg Glenarvan. "Ons zwam heeft veel van een natte spons!"
"Wij kunnen het wel missen!" antwoordde Paganel; "wat droog mos, een zonnestraal, de lens van mijn verrekijker, en gij zult eens zien bij welk een helder vuurtje wij ons zullen warmen. Wie gaat er hout zoeken in het bosch?"
"Ik!" riep Robert.
En door zijn vriend Wilson gevolgd verdween hij als een jonge kat in de digte takken. Terwijl zij weg waren, vond Paganel genoeg droog mos; hij verschafte zich zonder moeite een zonnestraal, want de dagvorstin schitterde nu in volle pracht; met behulp van zijn lens deed hij vervolgens die brandbare stoffen gemakkelijk ontvlammen, die op een laag vochtige bladeren waren nedergelegd, ter plaatse waar de groote takken van den boom zich verdeelden. Het was een natuurlijke vuurhaard, die volstrekt geen gevaar van brand opleverde. Spoedig kwamen Wilson en Robert met een armvol dood hout terug, dat op het mos werd geworpen. Ten einde de trekking te bevorderen ging Paganel boven den haard zitten, met zijne lange beenen op arabische wijze wijd van elkander; zich vervolgens snel op en neer bewegende veroorzaakte hij met zijn mantel een hevigen luchtstroom. Het hout ontbrandde, en weldra steeg een heldere, knetterende vlam boven die nieuwerwetsche stookplaats omhoog. Allen droogden zich behoorlijk, terwijl de in den boom opgehangen mantels door den wind heen en weer slingerden; vervolgens ontbeet men, maar met mate, want men moest aan den volgenden dag denken; het kon gebeuren, dat het onmetelijke bekken niet zoo spoedig leegliep als Glenarvan hoopte, en bovendien was de voorraad niet al te ruim. De boom droeg geen vruchten; gelukkig kon hij een aanzienlijke hoeveelheid versche eijeren opleveren uit de talrijke nesten, die zijne takken bedekten, zonder nog te spreken van hun gevederde bewoners. Die hulpmiddelen waren geenszins te versmaden.
In het vooruitzigt van een langdurig verblijf kwam het er nu op aan om zich gemakkelijk in te rigten.
"Daar de keuken en de eetzaal gelijkvloers zijn," zeide Paganel, "zullen wij op de eerste verdieping gaan slapen; het huis is groot, de huur niet hoog; wij behoeven ons niet te behelpen. Ik zie in de hoogte natuurlijke hangmatten, waarin wij als op de zachtste bedden zullen slapen, als wij ons eerst maar goed vastgesjord hebben. Wij hebben niets te vreezen; ten overvloede zullen wij waken, en wij zijn talrijk genoeg om vlotten met Indianen en andere wilde dieren te keeren."
"Het ontbreekt ons alleen aan wapenen," zeide Tom Austin.
"Ik heb mijn revolvers," zeide Glenarvan.
"En ik de mijnen," voegde Robert er bij.
"Dat helpt ons niet," hernam Tom Austin; "of mijnheer Paganel moest een middel weten om kruid te maken?"
"Dat is onnoodig," antwoordde Mac Nabbs, tevens een kruidhoren latende zien, die in goeden staat was.
"Hoe komt gij daaraan, majoor?" vroeg Paganel.
"Van Thalcave. Hij dacht, dat hij ons te pas zou kunnen komen en gaf hem mij, eer hij Thaouka te hulp snelde."
"Edelmoedige en brave Indiaan!" riep Glenarvan.
"Ja!" antwoordde Tom Austin, "wanneer alle Patagoniërs hem gelijken, maak ik er mijn compliment voor aan hun land."
"Maar wij mogen het paard ook niet vergeten!" zeide Paganel. "Het maakt een deel uit van den Patagoniër, en het zou mij zeer tegenvallen, als wij hen niet beiden terugzagen."
"Hoever zijn wij van den Atlantischen Oceaan af?" vroeg de majoor.
"Op zijn hoogst veertig mijlen," antwoordde Paganel.
"Daar elk onzer doen kan wat hij wil, vraag ik u verlof, mijne vrienden! om u te verlaten; ik ga daar boven een plekje tot observatorium uitkiezen en zal u met behulp van mijn verrekijker op de hoogte houden van hetgeen er zoo al op deze wereld voorvalt."
Men liet den geleerde begaan, die zich heel behendig van den eenen tak op den anderen heesch en achter de dikke bladerengordijn verdween. Zijn medgezellen hielden zich daarop bezig met het in orde brengen van hun nachtverblijf en het gereed maken van hun slaapplaats. Dit was niet moeijelijk en nam niet veel tijd weg. Men behoefde geen bed te maken en geen huisraad te schikken, zoodat allen spoedig hun plaatsje om den haard weder konden innemen.
Het gesprek werd nu algemeen, maar de tegenwoordige toestand, waarin men zich geduldig moest schikken, was er het onderwerp niet van. Men kwam weder terug op de onuitputtelijke stof: Harry Grant. Als het water zakte, zouden de reizigers binnen drie dagen weder aan boord van de Duncan zijn. Maar Harry Grant en zijne beide matrozen, die ongelukkige schipbreukelingen zouden niet bij hen zijn. Het scheen zelfs na dien tegenspoed, na dien nutteloozen togt door Amerika, alsof alle hoop om hen terug te vinden onherroepelijk verloren was. Waar zou men nieuwe nasporingen in het werk stellen? Hoe groot zou niet de smart van lady Helena en van Mary Grant zijn, als zij moesten vernemen, dat zij alle hoop op de toekomst moesten laten varen!
"Arme zuster!" zeide Robert, "alles is uit voor ons!"
Voor de eerste maal kon Glenarvan geen troostwoord vinden om daarop te antwoorden. Welke hoop toch kon hij den knaap geven? Had hij niet met de grootste stiptheid de aanwijzingen van het document gevolgd?
"En toch," zeide hij, "die zeven en dertigste graad breedte is meer dan een niets beteekenend cijfer! Het zij het betrekking heeft op de schipbreuk of op de gevangenschap van Harry Grant, het is toch niet uit de lucht gegrepen, willekeurig uitgelegd noch een bloote gissing! Wij hebben het met onze eigene oogen gezien!"
"Dat alles is waar, Uwe Edelheid!" antwoordde Tom Austin; "maar onze nasporingen zijn niettemin vergeefsch geweest."
"Dat is spijtig en tegelijk ontmoedigend!" riep Glenarvan.
"Spijtig, wanneer gij dat wilt," antwoordde Mac Nabbs op een bedaarden toon; "maar geenszins ontmoedigend. Juist omdat wij een vast cijfer hebben, moeten wij den moed volstrekt niet opgeven."
"Wat bedoelt gij daarmede," vroeg Glenarvan, "en wat kunnen wij naar uwe meening verder doen?"
"Iets zeer eenvoudigs, dat tevens zeer logisch zou zijn, waarde Edward! Zoodra wij aan boord van de Duncan zijn, wenden wij den steven oostelijk, en volgen de zeven en dertigste parallel zoo noodig zelfs tot aan het punt, vanwaar wij uitgingen."
"Meent gij dan, Mac Nabbs! dat ik daaraan niet gedacht heb?" antwoordde Glenarvan. "O! wel honderd maal! Maar welke kans hebben wij om te slagen? Wanneer wij het amerikaansch vastland verlaten, verwijderen wij ons immers van de plaats, die Harry Grant zelf heeft aangeduid, van dat Patagonië, dat zoo uitdrukkelijk in het document vermeld wordt?"
"Gij zult toch geen nieuwe nasporingen in de pampa's willen beginnen," antwoordde de majoor, "nu gij de zekerheid verkregen hebt, dat de schipbreuk der Britannia evenmin heeft plaats gehad op de kusten der Stille Zuidzee als op die van den Atlantischen Oceaan!"
Glenarvan gaf geen antwoord.
"En moeten wij, al is de kans om Harry Grant weder te vinden door de parallel, die hij opgaf, langs te reizen, nog zoo gering, het toch niet beproeven?"
"Daarop zeg ik geen neen!" antwoordde Glenarvan.
"En zijt gij het niet met mij eens, vrienden?" voegde de majoor er bij, zich tot de zeelieden rigtende.
"Volkomen!" antwoordde Tom Austin, waarmede Mulrady en Wilson door een knik instemden.
"Hoort mij aan, vrienden!" hernam Glenarvan na eenige oogenblikken nadenken, "en luister goed toe, Robert! want het geldt een zaak van gewigt. Ik zal alles doen, wat in mijn magt staat om kapitein Grant weder te vinden, dat heb ik op mij genomen en daaraan zal ik, zoo het noodig is, mijn gansche leven toewijden. Geheel Schotland zou zich met mij verbinden om dien moedigen man te redden, die zich voor zijn vaderland heeft opgeofferd. Mijn gevoelen is ook, dat wij, al is die kans nog zoo gering, langs die zeven en dertigste parallel rondom de aarde moeten reizen, en ik zal het doen. Maar dat is nu eigenlijk de vraag niet. Zij is veel gewigtiger en luidt: Moeten wij bepaald en van nu af aan onze nasporingen op het amerikaansche vastland staken?"
Die zoo stellig ingekleede vraag werd niet beantwoord. Niemand durfde zich verklaren.
"Wat is uw gevoelen?" hernam Glenarvan, zich meer in het bijzonder tot den majoor rigtende.
"Waarde Edward!" antwoordde Mac Nabbs, "het antwoord op die vraag eist een zware verantwoordelijkheid op. Zij vordert eenig nadenken. Vóór alles wensch ik te weten, over welke streken de zeven en dertigste graad zuiderbreedte heengaat."
"Dat zal Paganel wel weten," antwoordde Glenarvan.
"Dan zullen wij het hem vragen," zeide de majoor.
De geleerde was zoo verborgen door het digte gebladerte van den boom, dat hij onzigtbaar was. Men moest hem dus praaijen.
"Paganel! Paganel!" riep Glenarvan.
"Present!" antwoordde een stem, die uit de lucht kwam.
"Waar zijt gij?"
"In mijn toren."
"Wat doet gij daar?"
"Ik sla den onmetelijken gezigteinder gade."
"Kunt gij even afkomen?"
"Hebt gij mij noodig?"
"Ja."
"Waarom?"
"Om te weten over welke landen de zeven en dertigste parallel heenloopt."
"Niets is gemakkelijker," antwoordde Paganel; "het is niet eens noodig, dat ik afkom om het u te zeggen."
"Ga uw gang dan maar."
"Luister. Amerika verlatende, gaat de zevenendertigste graad zuiderbreedte over den Atlantischen Oceaan."
"Goed."
"Hij snijdt de eilanden Tristan d'Acunha."
"Zeer goed."
"Hij gaat twee graden bezuiden de kaap de Goede Hoop."
"Vervolgens."
"Hij loopt over de Indische zee."
"Verder."
"Hij raakt even het St.-Pieters-eiland van den eilandengroep Amsterdam."
"Ga voort."
"Hij snijdt de australische provincie Victoria."
"Verder."
"Australië verlatende...."
Die laatste zin werd niet voltooid. Aarzelde de aardrijkskundige? Wist de geleerde het niet verder? Neen; maar in den top van den boom weerklonk een geduchte kreet, een heftige uitroep. Glenarvan en zijn vrienden verbleekten en zagen elkander aan. Had er een nieuw onheil plaats? Had de ongelukkige Paganel zich laten vallen? Reeds snelden Wilson en Mulrady hem te hulp, toen er een lang ligchaam verscheen. Paganel tuimelde van den eenen tak na den anderen. Zijn handen konden niets aangrijpen. Leefde hij nog? Was hij dood? Men wist het niet; maar hij stond op het punt om in het loeijende water te vallen, toen de majoor hem met zijn gespierde arm in zijn val stuitte.
Paganel tuimelde van den eenen tak na den anderen.

"Verpligt, Mac Nabbs!" riep Paganel.
"Wat scheelt er aan?" zeide de majoor: "wat is er gebeurd? Weder uwe gewone verstrooidheid?"
"Ja! Ja!" antwoordde Paganel met een door aandoening verstikte stem. "Ja! een verstrooidheid ... maar ditmaal een zeer vreemde!"
"Welke dan?"
"Wij hebben ons vergist! Wij vergissen ons nog! Wij vergissen ons altijd!"
"Verklaar u nader!"
"Glenarvan! majoor! Robert! vrienden!" riep Paganel: "gij allen, die mij hoort! wij zoeken kapitein Grant waar hij niet is!"
"Wat zegt gij?" riep Glenarvan.
"En niet alleen, waar hij niet is," voegde Paganel er bij, "maar waar hij ook nooit geweest is!"
XXIV.
Vervolg.
Dit onverwacht gezegde werd met diepe verwondering aangehoord. Wat wilde de aardrijkskundige zeggen? Was hij zijn verstand kwijt? En toch sprak hij op zulk een toon van overtuiging, dat allen de oogen op Glenarvan vestigden. Deze verklaring van Paganel was een regtstreeksch antwoord op de pas gedane vraag. Maar Glenarvan vergenoegde zich met een ontkennende beweging te maken, die niet gunstig voor den geleerde was.
Zoodra deze zijn aandoening bedwongen had, nam hij het woord weder op.
"Ja!" zeide hij met vaste stem, "ja! wij hebben gedwaald in onze nasporingen en iets op het document gelezen, dat er niet op staat!"
"Verklaar u nader, Paganel!" zeide de majoor, "en houd u bedaard!"
"Het is zeer eenvoudig, majoor! Ik heb even als gij gedwaald, ik heb er even als gij een verkeerde uitlegging aan gegeven; maar toen ik zoo even uit den top van den boom uwe vragen beantwoordde en bij het woord "Australië" ophield, schoot mij een gedachte te binnen en ging een licht voor mij op."
"Hoe!" riep Glenarvan, "gij beweert, dat Harry Grant?..."
"Ik beweer," antwoordde Paganel, "dat het woord austral, dat op het document voorkomt, geen volledig woord is, zooals wij tot nu toe gedacht hebben, maar wel de wortel van het woord Australië."
"Dat zou vreemd zijn!" antwoordde de majoor.
"Vreemd!" zeide Glenarvan zijn schouders ophalende, "het is doodeenvoudig onmogelijk."
"Onmogelijk!" hernam Paganel. "Dat is een woord, dat wij in Frankrijk niet kennen."
"Hoe!" voegde Glenarvan op den toon van het grootste ongeloof er bij, "durft gij met het document in de hand beweren, dat de schipbreuk der Britannia op de kusten van Australië heeft plaats gehad?"
"Ik ben er zeker van!" antwoordde Paganel.
"Op mijn eer, Paganel!" zeide Glenarvan, "ik ben hoogst verwonderd over zulk een bewering, en dan nog al uit den mond van een secretaris van een aardrijkskundig genootschap."
"Waarom?" vroeg Paganel, die zich in zijn zwak voelde getast.
"Omdat gij door het woord Australië aan te nemen, tevens aanneemt, dat daar Indianen zijn, hetgeen ongehoord is."
Paganel was geenszins door dat bewijs verrast. Hij verwachtte het zeker, en begon te glimlagchen.
"Waarde Glenarvan!" zeide hij "verheug u niet te vroeg over uw zegepraal; ik zal u "geheel en al verslaan," zooals wij Franschen zeggen, en nooit zal een Engelschman zulk een nederlaag geleden hebben! Het zal de wraak zijn voor Crecy en Azincourt[1]!"
"Dat zal mij zeer aangenaam zijn, sla mij, Paganel!"
"Luister dan. In den tekst van het document wordt evenmin van Indianen als van Patagonië gesproken! Het afgebroken woord indi ... beteekent niet Indianen maar wel indigènes (inboorlingen)! Gij geeft toch zeker toe, dat er in Australië "inboorlingen" zijn?"
Om de waarheid hulde te doen moeten wij zeggen, dat Glenarvan Paganel thans stijf aanzag.
"Bravo, Paganel!" riep de majoor.
"Neemt gij mijn uitlegging aan, waarde lord?"
"Ja!" antwoordde Glenarvan, "wanneer gij mij bewijst, dat de laatste letters gonie niet slaan op het land der Patagoniërs!"
"Zeker niet!" riep Paganel, "er is geen sprake van Patagonië! lees al wat gij wilt, maar dat niet."
"Wat dan?"
"Cosmogonie! theogonie! agonie!..." (Leer der schepping van de wereld, leer der wording van de godheden uit de fabelleer, doodsangst).
"Doodsangst!" zeide de majoor.
"Dat is mij hetzelfde!" antwoordde Paganel; "het woord komt er niet op aan. Ik wil zelfs niet eens naar zijn beteekenis zoeken. De hoofdzaak is, dat austral beteekent Australië, en alleen doordien wij blindelings een verkeerden weg ingeslagen hadden, hebben wij niet reeds terstond zulk een duidelijke verklaring gevonden. Wanneer ik het document gevonden had, wanneer mijn oordeel niet door uwe uitlegging op een dwaalspoor was gebragt, zou ik het nooit anders opgevat hebben!"
Na deze opheldering werd Paganel met hoera's, gelukwenschingen en vleijerijen overladen. Austin, de matrozen, de majoor, maar vooral Robert, die zich gelukkig gevoelde nu hij opnieuw mogt hopen, juichten den waardigen geleerde toe. Glenarvan, wiens oogen langzamerhand open gingen, was op het punt om zich overwonnen te verklaren.
"Los mij nog ééne bedenking op, waarde Paganel!" zeide hij, "en ik buig mij neder voor uwe scherpzinnigheid."
"Spreek, Glenarvan!"
"Hoe maakt gij een geheel van die woorden, na die nieuwe uitlegging, en hoe leest gij het document?"
"Niets gemakkelijker dan dat. Hier is het document," zeide Paganel, terwijl hij het kostbare papier overgaf, dat hij sedert eenige dagen zoo naauwkeurig bestudeerde.
Er ontstond een diepe stilte, terwijl de aardrijkskundige zich eenigen tijd bedacht, voor hij antwoordde. Met den vinger volgde hij op het document de afgebroken regels, terwijl hij met een vaste stem en op sommige woorden drukkende, het volgende las:
"Den 7den junij 1862 is de driemaster Britannia van Glasgow gezonken na..." zet hier, wanneer gij wilt, "twee dagen, drie dagen" of "de uiterste krachtsinspanning" het komt er niet op aan, het is volkomen onverschillig, "op de kusten van Australië. Zich naar land begevende, zullen twee matrozen en kapitein Grant trachten te landen" of "hebben het vaste land bereikt, waar zij door wreede inboorlingen gevangen genomen zullen worden" of "zijn". Zij hebben dit document geworpen," enz. enz. Is het duidelijk?"
"Het is duidelijk," antwoordde Glenarvan, "wanneer men den naam "vastland" mag geven aan Australië, dat maar een eiland is!"
"Stel u gerust, waarde Glenarvan! de beste aardrijkskundigen zijn het onderling eens om dit eiland, "het australische vastland" te noemen."
"Dan heb ik nog maar één ding te zeggen, vrienden!" riep Glenarvan. "Naar Australië, en moge de Hemel ons bijstaan!"
"Naar Australië!" herhaalden zijn makkers met eenparige stemmen.
"Weet gij wel, Paganel!" voegde Glenarvan er bij, "dat uw tegenwoordigheid aan boord van de Duncan een leiding der Voorzienigheid is?"
"Goed," antwoordde Paganel. "Laten wij het ervoor houden, dat ik door God gezonden ben, en er verder niet meer over spreken."
Zoo eindigde dat gesprek, dat later zulke gewigtige gevolgen had. Het bragt een geheelen omkeer te weeg in de gemoedsstemming der reizigers. Zij hadden den draad weder gevat in dien doolhof, waarin zij meenden verdwaald te zijn. Een nieuwe hoop verrees op de puinhoopen hunner verijdelde plannen. Zij konden onbevreesd het amerikaansche vastland achter zich laten, en hunne gedachten vlogen hun reeds vooruit naar Australië. Wanneer zij de Duncan weder beklommen, zouden zij haar passagiers geen wanhoop aan boord medebrengen, en lady Helena en Mary Grant zouden het onherroepelijk verlies van kapitein Grant niet behoeven te betreuren! Zoo vergaten zij de gevaren van hun toestand om zich aan de vreugde over te geven, en het speet hen maar, dat zij niet oogenblikkelijk konden vertrekken.
Het was nu vier ure in den namiddag. Men besloot ten zes ure het avondeten te gebruiken. Paganel wilde dezen gelukkigen dag met een heerlijk feestmaal vieren. Daar Schraalhans echter keukenmeester was, stelde hij aan Robert voor om "in het naburige bosch" te gaan jagen. Robert klapte in de handen over dien heerlijken inval. Zij namen den kruidhoren van Thalcave, maakten de revolvers schoon, laadden ze met hagel en vertrokken.
"Past op, dat gij niet te ver afdwaalt!" zeide de majoor deftig tegen de twee jagers.
Na hun vertrek gingen Glenarvan en Mac Nabbs naar de in den boom gemaakte kerven zien, terwijl Wilson en Mulrady de kolen aan den haard weder aanbliezen.
Toen Glenarvan de oppervlakte van het verbazende meer had bereikt, zag hij nog niet het geringste bewijs van verval. Toch scheen het water zijn hoogsten stand bereikt te hebben; maar het geweld, waarmede het van het zuiden naar het noorden stroomde, bewees dat het evenwigt tusschen de argentijnsche rivieren nog niet hersteld was. Die watermassa moest, voor zij zakken kon, eerst tot rust komen, evenals de zee op het oogenblik, dat de vloed afloopt en de ebbe begint. Er viel dus op geen daling van het water te rekenen, zoolang het met die verbazende snelheid naar het noorden bleef loopen.
Terwijl Glenarvan en de majoor hun waarnemingen deden, knalden er geweerschoten in den boom, vergezeld door bijna even luide vreugdekreten. De sopraan van Robert paarde zich aan de bas van Paganel. Zij wedijverden, wie het uitgelatenst zou zijn. De jagt stelde zich goed in en het liet zich aanzien, dat de keuken eens goed voorzien zou worden. Toen de majoor en Glenarvan bij het vuur terugkwamen, konden zij Wilson geluk wenschen met een uitmuntend denkbeeld, waarop hij gekomen was. Die brave zeeman zat te visschen met een speld aan een eindje touw. Verscheidene dozijnen vischjes, die zoo smakelijk waren als spieringen en "mojarra's" heetten, spartelden in een plooi van zijn mantel en beloofden een lekkeren schotel te zullen opleveren.
De jagt stelde zich goed in...

Juist daalden de jagers uit de toppen van den boom. Paganel droeg voorzigtig zwarte zwaluweijeren, en een rist musschen, die hij later zou ronddienen onder den naam van leeuwerikken. Robert had zeer handig verscheidene paren "hilguero's" geschoten, kleine vogels met groene en gele vederen, die lekker smaken en te Montevideo veel aan de markt komen. Paganel, die een en vijftig wijzen kende om eijeren klaar te maken, moest zich voor ditmaal tevreden stellen met ze in de heete asch hard te laten worden. Niettemin was de maaltijd even afwisselend als lekker. Het drooge vleesch, de harde eijeren, de geroosterde "mojarra's," de gebraden musschen en "hilguero's" maakten dien disch tot een feestmaal, waaraan allen steeds zouden denken.
Het gesprek was zeer vrolijk. Paganel werd zeer geprezen èn als jager èn als kok. De geleerde nam die dankbetuigingen aan met de zedigheid, die het kenmerk der ware verdienste is. Vervolgens weidde hij uit in belangrijke beschouwingen over dien prachtigen notenboom, die hen met zijn gebladerte beschutte en welks omvang, naar zijn zeggen, onmeetbaar was.
"Robert en ik," voegde hij er schertsend bij, "dachten in een wezenlijk bosch op de jagt te zijn. Een oogenblik vreesde ik, dat wij zouden verdwalen. Ik kon den weg niet terugvinden! De zon ging aan den gezigteinder onder! Te vergeefs zocht ik naar het spoor van mijn voetstappen! De honger kwelde mij vreeselijk! Reeds weergalmde het duistere geboomte van het gebrul der wilde dieren.... Ik vergis mij, er zijn geen wilde dieren en dat spijt mij!"
"Hoe!" zeide Glenarvan, "spijt het u, dat er geen wilde dieren zijn?"
"Ja, zeker!"
"Intusschen, wanneer men alles van hun wreedheid te dachten heeft...."
"De wreedheid bestaat niet ... wetenschappelijk gesproken," antwoordde de geleerde.
"Het zal u toch nooit gelukken om mij van het nut der wilde dieren te overtuigen, Paganel!" zeide de majoor. "Waar zijn ze goed voor?"
"Majoor!" riep Paganel, "zij dienen om klassen, orden, familiën, geslachten, soorten te vormen...."
"Een groot voordeel," zeide Mac Nabbs. "Ik wil het gaarne missen! Ware ik een der medgezellen van Noach bij den zondvloed geweest, dan zou ik dien onvoorzigtigen aartsvader stellig belet hebben om paren leeuwen, tijgers, panters, beeren en andere even moordlustige als nuttelooze dieren in de ark te brengen!"
"Zoudt gij dat gedaan hebben?" vroeg Paganel.
"Dat zou ik gedaan hebben."
"Welnu! dan zoudt gij uit het oogpunt der dierkunde ongelijk gehad hebben!"
"Maar niet uit het oogpunt der menschlievendheid," antwoordde de majoor.
"Ik zou er boos om kunnen worden!" hernam Paganel. "Ik voor mij zou juist den reuzenluiaard, de vleugelvingerige hagedis en al de voorwereldlijke dieren behouden hebben, waarvan wij zoo ongelukkig beroofd zijn geworden...."
"En ik zeg u," antwoordde Mac Nabbs, "dat Noach er zeer wel aan gedaan heeft met ze aan hun lot over te laten, voorondersteld dat zij te zijnen tijde nog leefden."
"En ik zeg u, dat Noach er zeer verkeerd aan gedaan heeft," antwoordde Paganel, "en dat hij tot aan het einde der eeuwen den vloek der geleerden verdient!"
De toehoorders van Paganel en van den majoor konden hun lachlust niet bedwingen, toen zij de beide vrienden zoo over den ouden Noach hoorden twisten. In strijd met al zijn beginselen, lag de majoor, die zijn leven lang nooit met iemand geredetwist had, dagelijks met Paganel overhoop. Het scheen, dat de geleerde hem bijzonder in het vaarwater zat.
Volgens zijn gewoonte kwam Glenarvan in den twist tusschen beiden, zeggende:
"Het moge, hetzij uit het oogpunt der wetenschap, hetzij uit dat der menschlievendheid, al dan niet te betreuren zijn, dat wij van wilde dieren beroofd zijn, wij moeten ons nu toch in hun gemis schikken. Paganel kon toch niet hopen, dat hij er in dit luchtbosch zou aantreffen."
"Waarom niet?" vroeg de geleerde.
"Wilde beesten op een boom?" zeide Tom Austin.
"Wel zeker! De amerikaansche tijger, de jaguar, vlugt wanneer de jagers hem te veel in het naauw brengen, op de boomen! Heel ligt zou een van die dieren, door de overstrooming verrast zijnde, een schuilplaats hebben kunnen zoeken in de takken van dezen boom."
"Gij hebt er toch geen een ontmoet, denk ik?" zeide de majoor.
"Neen!" antwoordde Paganel, "hoewel wij het geheele woud doorkruist hebben. Het is jammer; want het zou een heerlijke jagt geweest zijn. Die jaguar is een geducht verscheurend dier! Met een enkelen slag met zijn poot draait hij een paard den hals om! Als hij eens menschenvleesch geproefd heeft, krijgt hij er smaak in. Het liefst heeft hij den Indiaan, daarna den Neger, vervolgens den Mulat en eindelijk den Blanke."