JULES VERNE. (continued 2)
Reading edition
Den 3den September begon Paganel zijn goed bijeen te zoeken; want zijn ontscheping was op til. De Duncan manoeuvreerde tusschen de Kaap-Verdische eilanden; zij voer voorbij het Zout-eiland, een waren zandheuvel, onvruchtbaar en verlaten; na groote koraalbanken voorbij gestevend te zijn, had zij het eiland San Jago dwars van zich af, dat van het noorden naar het zuiden doorsneden wordt door een keten basaltbergen, die in twee hooge toppen uitloopen. Vervolgens liep John Mangles de baai van Villa-Praïa in, en ankerde weldra voor de stad op acht vademen diepte. Het was een verschrikkelijk weer en de branding was zeer hevig, hoewel de baai tegen den zeewind beschut was. Het stortregende, zoodat men ter naauwernood de stad zien kon, die op een rijzende vlakte gebouwd is, die tegen drie honderd voet hooge vulkanische voorbergen leunt. Het eiland leverde door die dikke gordijn van regen heen een akelig gezigt op.
Lady Helena kon haar plan om de stad te bezoeken niet volvoeren; het innemen van de kolen had met de grootste moeite plaats. De passagiers der Duncan moesten dus onder de kampanje blijven, terwijl lucht en zee haar water in een onuitsprekelijke verwarring met elkaar vermengden. Het weder was natuurlijk het eenige onderwerp der gesprekken aan boord. Ieder zeide er het zijne van, behalve de majoor, die met volkomene onverschilligheid zelfs een algemeenen zondvloed zou bijgewoond hebben. Paganel liep het hoofd schuddende heen en weer.
Het eiland leverde door die dikke gordijn van regen heen een akelig gezigt op.

"Het wordt er om gedaan, geloof ik," zeide hij.
"Het is zeker" antwoordde Glenarvan, "dat de elementen zich tegen ons verklaren."
"Ik zal er mij toch niet aan storen."
"Gij kunt toch niet in zulk een regenbui aan land gaan," zeide lady Helena.
"Voor mij is het niets, mevrouw! Ik ben alleen bang voor mijn bagage en mijn instrumenten. Alles zal bedorven worden."
"Er is alleen maar gevaar bij het ontschepen," hernam Glenarvan. "Eens te Villa-Praïa zijnde, kunt gij wel onder dak komen. De zindelijkheid laat zeker wel wat te wenschen over en het gezelschap van apen en zwijnen is juist niet bijzonder aangenaam. Maar een reiziger moet daar niet op zien. Bovendien moogt gij verwachten, dat gij binnen zeven of acht maanden wel een schip zult vinden, dat u naar Europa brengt."
"Zeven of acht maanden!" riep Paganel.
"Op zijn allerminst. De Kaap-Verdische eilanden worden in den regentijd niet druk door schepen bezocht. Maar gij zult uw tijd nuttig kunnen besteden. Deze archipel is nog weinig bekend. Er is nog niet veel gedaan aan de plaatsbeschrijving, aan het onderzoek van het klimaat en de bewoners en aan de hoogtemeting."
"Gij zult den loop der stroomen kunnen nagaan," zeide lady Helena.
"Er zijn geen stroomen, mevrouw!" antwoordde Paganel.
"Van de rivieren dan!"
"Die zijn er evenmin."
"Van de beken dan?"
"Die zijn er ook niet."
"Goed!" sprak de majoor, "dan kunt gij de wouden doorkruisen."
"Om bosschen te maken, moeten er boomen zijn; maar die zijn er niet."
"Een mooi land!" riep de majoor.
"Troost u, waarde Paganel!" zeide nu Glenarvan, "de bergen blijven toch nog over."
"O! die zijn maar laag en leveren niets belangrijks op, mylord! En bovendien, dat werk is reeds verrigt."
"Reeds verrigt!" zeide Glenarvan.
"Ja! zoo gaat het mij meestal. Stond ik op de Kanarische eilanden voor het werk van Von Humboldt, hier heb ik een anderen voorganger gehad, den geoloog Charles Sainte-Claire-Deville!"
"Maar dat is onmogelijk!"
"En toch is het zoo," antwoordde Paganel op een verdrietigen toon. "Deze geleerde was aan boord der oorlogskorvet la Décidée, toen zij de Kaap-Verdische eilanden aandeed; hij heeft den belangrijksten top der geheele groep, den vulkaan van het eiland Fogo, bezocht. Wat blijft er nu voor mij over?"
"Maar dat is toch wat te zeggen," antwoordde lady Helena. "Wat zult gij nu doen, mijnheer Paganel?"
Paganel zweeg eenige oogenblikken stil.
"Gij hadt zeker beter gedaan met te Madera aan land te gaan, al is er geen wijn meer!" hernam Glenarvan.
De geleerde secretaris van het aardrijkskundig genootschap zeide hier niets op.
"Ik zou maar wachten," zeide de majoor op een toon, alsof hij wilde zeggen: "ik zou niet wachten."
"Waarde Glenarvan!" hernam nu Paganel, "waar denkt gij nu binnen te loopen?"
"O, eerst te Concepcion"
"Drommels! dat is een heel eind uit de buurt van Indië."
"Wel neen! zoodra gij voorbij kaap Hoorn zijt, komt gij er hoe langer hoe digter bij."
"Dat zou nog te bezien staan."
"Bovendien," hernam Glenarvan met een ernstig gezigt, "als men naar Indië gaat, komt het er niet op aan of het Oost- of West-Indië is."
"Nu nog mooijer."
"Zonder nog te rekenen, dat de bewoners der pampa's van Patagonië even goed Indianen zijn als de inboorlingen van Pendsjaub."
"Drommels, mylord!" riep Paganel, "zulk een redeneering zou nooit in mij opgekomen zijn!"
"En dan, waarde Paganel! men kan de gouden medaille overal verdienen; er is overal wat te doen, wat te zoeken, wat te ontdekken, op de Cordillera's zoowel als in het gebergte van Thibet."
"Maar de loop van den Yarou-Dzangbo-Tchou?"
"Wel, neem de Rio Colorado in zijn plaats! Dat is een weinig bekende rivier, die op de kaart wel wat al te willekeurig door de aardrijkskundigen wordt aangewezen."
"Ik weet het, waarde lord! er is een fout in van verscheidene graden. O! ik twijfel niet of het aardrijkskundig genootschap zou mij, als ik er om gevraagd had, even gaarne naar Patagonië als naar Indië gezonden hebben. Maar daaraan heb ik niet gedacht!"
"Het gevolg van uw gewone verstrooidheid."
"Kom, mijnheer Paganel! ga maar met ons mede!" zeide lady Helena op een vleijenden toon.
"En mijn zending dan, mevrouw!"
"Ik waarschuw u, dat wij door de straat van Magellaan zullen varen," hernam Glenarvan.
"Mylord! gij zijt een verzoeker."
"Ik voeg er bij, dat wij Hongerhaven zullen bezoeken."
"Hongerhaven!" riep de Franschman, die aan alle kanten bestormd werd, "die haven, welke zoo beroemd is in de jaarboeken der aardrijkskunde!"
"Bedenk ook eens, mijnheer Paganel!" hervatte lady Helena, "dat gij het regt zult hebben om bij deze onderneming den naam van Frankrijk te paren aan dien van Schotland!"
"Ja, zonder twijfel!"
"Een aardrijkskundige kan ons van dienst zijn op onzen togt, en is er iets schooners, dan de wetenschap dienstbaar te maken aan de menschlievendheid?"
"Goed gezegd, mevrouw!"
"Geloof mij. Laat het toeval of liever de Voorzienigheid begaan. Doe gelijk wij. Zij heeft ons dit document toegezonden; wij zijn vertrokken. Zij werpt u op de Duncan, verlaat ze niet meer."
"Mag ik u eens iets zeggen, mijne vrienden?" hernam nu Paganel, "gij hebt grooten lust om mij hier te houden!"
"En gij om hier te blijven, Paganel!" antwoordde Glenarvan.
"Juist geraden!" riep de geleerde aardrijkskundige; "maar ik vreesde onbescheiden te zijn!"
IX.
De straat van Magellaan.
Er heerschte een algemeene vreugde aan boord, toen men het besluit van Paganel vernam. De jonge Robert vloog hem met een veelzeggende levendigheid om den hals. Het scheelde weinig, of de waardige secretaris was achterover gevallen. "Een ruwe knaap," zeide hij, "ik zal hem aardrijkskunde leeren."
Daar John Mangles op zich nam om een zeeman, Glenarvan om een moedig man, de majoor om een koelbloedigen jongen, Helena om een goed en edelmoedig mensch, Mary Grant om een dankbaren kweekeling van zulke meesters van hem te maken, kon het niet anders of hij moest eenmaal een volmaakt "gentleman" worden.
De Duncan had spoedig den noodigen voorraad kolen aan boord, waarna zij die treurige streken verliet, den koers westwaarts naar de kust van Brazilië rigtte, en den 7den September, na met een frissche koelte uit het noorden de linie gepasseerd te zijn, in het zuidelijk halfrond kwam.
De reis ging dus tot nog toe zeer goed; iedereen had goeden moed. Op dezen togt ter opsporing van kapitein Grant scheen de kans op een goeden uitslag dagelijks grooter te worden. De kapitein koesterde wel het meeste vertrouwen. Maar zijn vertrouwen vloeide vooral voort uit zijn hartewensch om miss Mary gelukkig en getroost te zien. Hij had een bijzondere belangstelling voor dat meisje opgevat, en verborg dat gevoel zoo goed, dat behalve Mary Grant en hij zelf, iedereen aan boord van de Duncan het bemerkte.
De geleerde aardrijkskundige was waarschijnlijk de gelukkigste mensch op het zuidelijk halfrond; hij bragt den geheel en dag door met de kaarten te bestudeeren, die hij op de tafel in de algemeene kamer uitspreidde, waaruit dagelijks geschil ontstond met Olbinett, die de tafel niet kon dekken. Maar Paganel had al de bewoners der kampanje op zijn hand, behalve den majoor, die zeer onverschillig was voor aardrijkskundige vraagstukken, vooral tegen etenstijd. Ook had hij een heelen hoop zeer geschonden boeken in de koffers van den eersten stuurman gevonden, en daaronder eenige spaansche werken, hetgeen hem op den inval bragt om de taal van Cervantes, welke niemand aan boord magtig was, te gaan leeren. Dat zou zijn nasporingen op de chilische kust gemakkelijk maken. Wegens zijn aanleg voor het leeren van talen, twijfelde hij geenszins of hij zou die nieuwe taal vloeijend kunnen spreken bij zijn komst te Concepcion. Hij leerde dan ook met veel ijver, en onophoudelijk hoorde men hem allerlei onzamenhangende lettergrepen mompelen.
In zijn uren van uitspanning verzuimde hij niet om den jongen Robert praktisch te onderrigten, en vertelde hij hem de geschiedenis van die kusten, welke de Duncan zoo snel naderde.
Het was den 10den September, en men bevond zich toen op 5°37' breedte en 31°15' lengte. Op dien dag vernam Glenarvan iets, dat zelfs geleerder menschen misschien niet weten. Paganel vertelde de geschiedenis van Amerika, en om op de groote zeevaarders te komen, wier spoor het jagt nu volgde, begon hij bij Christophorus Columbus; hij eindigde met te zeggen, dat de beroemde Genuees gestorven was, zonder te weten, dat hij een nieuwe wereld ontdekt had.
Niemand zijner hoorders wilde dit gelooven. Paganel bleef het echter volhouden.
"Niets is zekerder," voegde hij er bij. "Ik wil den roem van Columbus niet verminderen; maar het feit is bewezen. Tegen het einde der vijftiende eeuw hield slechts ééne gedachte alle geleerden bezig: de gemeenschap met Azië gemakkelijker te maken, en het Oosten te zoeken langs westelijke wegen; in een woord, om langs den kortsten weg naar "het land der specerijen" te gaan. Columbus beproefde het. Hij deed vier reizen; hij deed Amerika aan op de kusten van Cumana, Honduras, Mosquitos, Nicaragua, Veragua, Costa-Rica en Panama, zag dat alles aan voor Japan en China, en stierf zonder kennis te dragen van het groote vastland, dat niet eens zijn naam zou dragen!"
"Ik wil u wel gelooven, waarde Paganel!" antwoordde Glenarvan; "maar gij zult mij toch zeker mijn verwondering niet ten kwade duiden, evenmin als mijn verlangen om te weten, welke zeevaarders dan wel de waarheid aangaande de ontdekkingen van Columbus aan den dag hebben gebragt."
"Zijne opvolgers: Ojeda, die hem reeds op zijne reizen vergezeld had, zoowel als Vincentius Pinzon, Vespucius, Mendoza, Bastidas, Cabral, Solis, Balboa. Deze zeevaarders zeilden langs de oostkust van Amerika; zij bepaalden haar zuidelijke grenzen en werden, nu reeds drie honderd zestig jaar geleden, door dezelfde strooming medegevoerd, die ons voortdrijft! Ziet, mijne vrienden! wij zijn de linie gepasseerd op dezelfde plaats, waar Pinzon haar in het laatst der vijftiende eeuw passeerde, en wij naderen den achtsten graad zuiderbreedte, waaronder hij de braziliaansche kust aantrof. Een jaar later kwam de Portugees Cabral tot aan de haven Seguro. Vespucius ging later op zijn derden togt in 1502 nog verder zuidwaarts. In 1508 verbonden zich Vincentius Pinzon en Solis om de kusten van Amerika te onderzoeken, en in 1514 ontdekte Solis den mond der Rio de la Plata, waar hij door de inboorlingen verslonden werd, zoodat aan Magellaan de eer te beurt viel van de aarde rond te reizen. Die groote zeevaarder vertrok in 1519 met vijf vaartuigen, volgde de kusten van Patagonië, ontdekte de haven Désiré, de haven San-Julian, waar hij een geruimen tijd bleef liggen, vond op twee en vijftig graden breedte de straat der Elf duizend Maagden, die naar hem zou genoemd worden, en kwam den 28sten November 1520 in de Stille Zuidzee. O! welk een blijdschap moest hij gevoelen, en welke ontroering zal zijn hart hebben doen kloppen, toen hij aan den gezigteinder een nieuwe zee zag fonkelen onder de stralen der zon!"
"Ja, mijnheer Paganel!" riep Robert Grant uit, die opgetogen was van geestdrift door de woorden van den aardrijkskundige, "daar zou ik gaarne bij geweest zijn!"
"Ik ook, mijn jongen! en ik zou zulk een gelegenheid niet hebben laten ontglippen, als de hemel mij drie honderd jaar vroeger had laten geboren worden!"
"Dat zou jammer voor ons geweest zijn, mijnheer Paganel!" antwoordde lady Helena; "want dan zoudt gij ons nu op de kampanje der Duncan die geschiedenis niet vertellen."
"Een ander zou het in mijne plaats gedaan hebben, mevrouw! en hij zou er bijgevoegd hebben, dat de kennismaking met de westkust te danken is aan de gebroeders Pizarro. Deze stoutmoedige gelukzoekers waren groote stedenstichters. Cusco, Quito, Lima, Santiago, Villarica, Valparaiso en Concepcion, waar de Duncan ons heenbrengt, zijn hun werk. Te dien tijde sloten de ontdekkingen van Pizarro zich aan bij die van Magellaan, en de geheele amerikaansche kust kwam op de kaarten voor, tot groot genoegen van de geleerden der oude wereld."
"En ik," zeide Robert, "zou nog niet tevreden geweest zijn."
"Waarom niet?" vroeg Mary, terwijl zij haar broeder aanzag, die opgewonden werd bij het verhaal van die groote ontdekkingen.
"Ja, jongenlief! waarom niet?" vroeg lord Glenarvan met een bemoedigend glimlachje.
"Omdat ik had willen weten, wat er aan gene zijde der straat van Magellaan lag."
"Bravo, vriendje!" antwoordde Paganel, "en ik had ook willen weten of het vastland tot aan de pool liep, dan wel of er een opene zee bestond, zooals Drake, een uwer landgenooten, mylord! vooronderstelde. Het is dus stellig zeker, dat als Robert Grant en Jacques Paganel in de zeventiende eeuw geleefd hadden, zij zich met Schouten en Lemaire ingescheept zouden hebben, twee Nederlanders, die zeer begeerig waren om de oplossing van dat aardrijkskundig raadsel te vinden."
"Waren het geleerden?" vroeg lady Helena.
"Neen! maar stoute handelaars, die zich weinig bekommerden om de wetenschappelijke zijde der ontdekkingen. Er bestond toen in Holland een Oost-Indische Compagnie, die alleen het regt had om door de straat van Magellaan handel te drijven. Daar nu te dien tijde geen andere doortogt bekend was om langs de wegen van het westen naar Azië te komen, was de alleenhandel het gevolg van dat voorregt. Menige handelaren wilden daarom dat monopolie nutteloos maken door een andere straat te ontdekken, en daaronder behoorde een zekere Isaac Lemaire, een schrander en bekwaam man. Hij rustte met eenige burgers van Hoorn twee schepen uit onder bevel van zijn neef, Jacob Lemaire, en van Schouten, een goed zeeman, te Hoorn geboren. Die stoute zeereizigers zeilden in de maand Junij van het jaar 1615 uit, bijna een eeuw na Magellaan; zij ontdekten de straat van Lemaire, tusschen het Vuurland en het Stateneiland, en den 12den Februarij 1616 zeilden zij om kaap Hoorn, die met meer regt dan haar zuster, de kaap de Goede Hoop, den naam van Stormkaap verdiend zou hebben."[1]
"Ja zeker, daar had ik wel bij willen zijn!" riep Robert.
"En gij zoudt uit de bron der levendigste aandoeningen geput hebben, mijn jongen!" hernam Paganel, die hoe langer hoe opgewondener werd. "Bestaat er wel een echter genoegen, een wezenlijker vermaak dan dat van den zeevaarder, die zijne ontdekkingen op de scheepskaart aanteekent? Hij ziet de landen allengs onder zijn oog ontstaan, eiland na eiland, voorgebergte na voorgebergte, ja, om zoo te zeggen uit den schoot der golven oprijzen! Eerst zijn de grenslijnen onduidelijk, afgebroken, onzamenhangend! Hier een eenzame kaap, daar een afgelegen baai, verder een golf, die zich in de ruimte verliest. Langzamerhand worden de ontdekkingen volledig, de lijnen sluiten aan elkander, de punten op de kaart maken plaats voor een streep; de baaijen dringen boogvormig in bepaalde kusten, de kapen rusten op vaste oevers; eindelijk ontvouwt zich het nieuwe vastland met zijn meren, rivieren en stroomen, zijn bergen, dalen en vlakten, zijn dorpen, steden en hoofdsteden, in al zijn schitterende pracht op de globe! Ach, mijne vrienden! een landontdekker is waarlijk een uitvinder! Hij gevoelt al diens aandoeningen en verrassingen! Maar nu is die mijn bijna uitgeput! Men heeft ten aanzien van vastlanden of nieuwe werelden alles gezien, alles onderzocht, alles uitgevonden, en wij, die zoo achteraan komen in de wetenschap der aardrijkskunde, wij hebben niets meer te doen!"
"Gij vergist u, waarde Paganel!" antwoordde Glenarvan.
"En wat dan?"
"Wat wij doen!"
Intusschen vorderde de Duncan goed op den weg der Vespuciussen en Magellaans. Op den 15den September passeerde zij den steenbokskeerkring, en werd de steven naar den ingang der beroemde straat gerigt; verscheidene malen bemerkte men de lage kusten van Patagonië, maar als een lijn, die ter naauwernood aan den gezigteinder zigtbaar was; men schatte den afstand op meer dan tien mijlen, en de sterke kijker van Paganel gaf hem slechts een onduidelijk beeld van die amerikaansche oevers.
Den 25sten September was de Duncan op de hoogte der straat van Magellaan. Zij stevende haar onbeschroomd in; de stoomschepen, die naar de Stille Zuidzee gaan, geven meestal de voorkeur aan dezen weg, die slechts drie honderd zes en zeventig mijlen[2] lang is; de de grootste schepen vinden overal diep water, zelfs op de ondiepten aan de oevers, een uitmuntenden ankergrond, talrijke waterplaatsen, vischrijke rivieren, een overvloed van wild in de bosschen, op twintig plaatsen veilige en gemakkelijke havens, kortom duizend hulpmiddelen, die men te vergeefs zoekt in de straat van Lemaire en bij de verschrikkelijke rotsen van kaap Hoorn, waar onafgebroken orkanen en stormen heerschen.
Gedurende de eerste uren van den togt, dat is te zeggen over een lengte van zestig a tachtig mijlen, tot aan kaap Gregorius, zijn de kusten laag en zandig. Jacques Paganel wilde geen enkel gezigtspunt of bijzonderheid van de straat over het hoofd zien; de togt zou ter naauwernood zes en dertig uren duren, en dat bewegelijk panorama van de beide oevers was wel de moeite waard, die de geleerde nam, om het bij het heldere licht der zuiderzon te bewonderen. Geen inwoner was op de noordelijke kust te zien; alleen doolden eenige ellendige Vuurlanders op de kale rotsen van het Vuurland.
Paganel had dus het verdriet van geen Patagoniërs te zien. Dit speet hem zeer, tot groot vermaak zijner reisgenooten.
"Een Patagonië zonder Patagoniërs is geen Patagonië meer," zeide hij.
"Geduld, waarde aardrijkskundige!" antwoordde hem Glenarvan, "wij zullen Patagoniërs zien."
"Ik ben er niet zeker van."
"Maar zij bestaan toch," zeide lady Helena.
"Ik betwijfel het zeer, mevrouw! ook zie ik er niet."
"Die naam Patagoniërs, die in het spaansch "grootvoeten" beteekent, zal toch wel niet aan denkbeeldige wezens gegeven zijn."
"O! de naam doet er niets toe," antwoordde Paganel, die in zijn meening bleef volharden om het gesprek aan den gang te houden, "bovendien weet men om de waarheid te zeggen niet eens hoe zij heeten."
"Nu nog mooijer!" riep Glenarvan. "Wist gij dat, majoor?"
"Neen!" antwoordde Mac Nabbs, "en ik zou er geen schots pond voor geven om het te weten."
"En toch zult gij het hooren, onverschillige majoor!" hernam Paganel. "Heeft Magellaan de inboorlingen dezer streken Patagoniërs genoemd, de Vuurlanders noemen hen Tiremenen, de Chiliërs Cancalhues, de kolonisten van de Carmen Tehuelches, de Araucaniërs Huiliches; Bougainville geeft hun den naam van Chaouha, Falkner dien van Tehuelhets! Zich zelven geven zij den algemeenen naam van Inaken! Nu vraag ik u, hoe men daaruit wijs kan worden, en of een volk, dat zooveel namen heeft, bestaan kan!"
"Daar valt niets tegen in te brengen!" antwoordde lady Helena.
"Toegegeven!" hernam Glenarvan; "maar onze vriend Paganel zal toch, meen ik, bekennen, dat zoo er al twijfel bestaat over den naam der Patagoniërs, men het althans over hun lengte wel eens is!"
"Nooit zal ik zoo iets bekennen," antwoordde Paganel.
"Zij zijn groot," zeide Glenarvan.
"Ik weet het niet."
"Klein dan?" vroeg lady Helena.
"Dat kan niemand zeggen."
"Middelmatig dan?" zeide Mac Nabbs om alles in orde te brengen.
"Ik weet het evenmin."
"Dat gaat toch te ver!" riep Glenarvan "De reizigers, die hen gezien hebben...."
"De reizigers, die hen gezien hebben," antwoordde de aardrijkskundige, "zijn het volstrekt niet eens. Magellaan zeide, dat zijn hoofd naauwelijks tot hun gordel reikte."
"Welnu!"
"Ja maar Drake beweert, dat de Engelschen grooter zijn dan de grootste Patagoniër!"
"O! Engelschen! dat is mogelijk" antwoordde de majoor op een toon van minachting; "maar als het Schotten waren."
"Cavendish verzekert, dat zij groot en sterk zijn," hernam Paganel. "Hawkins maakt er reuzen van. Lemaire en Schouten geven hun een lengte van elf voet."
"Goed! dat zijn geloofwaardige lieden," zeide Glenarvan.
"Ja! even geloofwaardig als Wood, Narborough en Falkner, die bevonden hebben, dat zij van eene middelmatige gestalte zijn. Wel is waar verzekeren Byron, la Giraudais, Bougainville, Wallis en Carteret, dat de Patagoniërs zes voet en zes duim lang zijn; maar de geleerde d'Orbigny, die deze streken het best kent, geeft hun een gemiddelde lengte van vijf voet en vier duim."
"Maar," zeide lady Helena, "wat is nu de waarheid te midden van zooveel tegenstrijdigheden?"
"De waarheid, mevrouw!" antwoordde Paganel, "is, dat de Patagoniërs korte beenen en een groot bovenlijf hebben. Men kan dus zijn gevoelen op een grappige wijze uitdrukken door te zeggen, dat die menschen zes voet lang zijn, als zij zitten, en maar vijf, wanneer zij staan."
"Bravo! goed gezegd! mijn waarde geleerde!" antwoordde Glenarvan.
"Tenzij zij niet bestaan," hernam Paganel; "hetgeen een einde aan het verschil zou maken. Maar ten besluite, mijne Vrienden! voeg ik er deze troostrijke opmerking bij, dat de straat van Magellaan prachtig is, ook zonder Patagoniërs!"
Op hetzelfde oogenblik voer de Duncan om het schiereiland Brunswijk, tusschen twee prachtige panorama's. Zeventig mijlen voorbij kaap Gregorius zag men aan stuurboordszijde het verbeterhuis van Punta Arena. De Chilische vlag en de kerktoren vertoonden zich even tusschen de boomen. Verderop liep de straat tusschen ontzagwekkende granietmassa's; de bergen verscholen hun voet in de ontzaggelijke wouden, en verhieven hun met eeuwige sneeuw bedekte kruinen tot in de wolken; ten zuidwesten rees de berg Tarn tot een hoogte van zes duizend vijfhonderd voet op; de avond viel, voorafgegaan door een lange schemering; het licht verdween onmerkbaar met zachte schakeeringen; schitterende sterrebeelden werden aan den hemel zigtbaar en het Zuiderkruis wees den zeevaarders de rigting der zuidpool. Bij die verlichting door het schijnsel der sterren, die de vuurtorens op de kusten der beschaafde landen vervangen, zette het jagt, in weerwil van den nacht, zijn reis moedig voort, zonder het anker te werpen in een der menigvuldige baaijen op den oever; dikwijls raakte de top der ra de takken van de beuken der zuidpoolgewesten aan, die over de golven uitstaken; dikwijls ook bragt de schroef beweging in het water der groote rivieren, door de ganzen, eenden, snippen en talingen en de andere gevederde waterbewoners wakker te maken. Weldra vertoonden zich puinhoopen en eenige ingestorte gebouwen, waaraan de nacht een grootsch voorkomen gaf. Het waren de treurige overblijfselen eener verlatene kolonie, wier naam eeuwig verzet zal aanteekenen tegen de vruchtbaarheid dezer kusten en den rijkdom aan wild dier wouden. De Duncan liep voorbij Hongerhaven.
... dikwijls raakte de top der ra de takken van de beuken der zuidpoolgewesten aan, die over de golven uitstaken...

Hier had de Spanjaard Sarmiento zich in 1581 met vier honderd uitgewekenen neergezet; hij stichtte er de stad San-Felipe; een verschrikkelijke koude teisterde de kolonie, de hongersnood doodde degenen, die de winter had gespaard, en in 1587 vond de kaper Cavendish den laatste dier vier honderd ongelukkigen, die van honger stierf op de puinhoopen eener stad, die wel zes eeuwen oud scheen en toch maar zes jaren bestaan had.
De Duncan stevende voorbij die woeste oevers; bij zonsopgang bevond zij zich in het midden der naauwe kanalen, tusschen wouden van beuken, esschen en berken, waarboven groene koepels, heuveltjes met weelderige hulst begroeid en scherpe rotspunten uitstaken, waaronder de obelisk van Buckland zich tot een aanzienlijke hoogte verhief. Men voer voorbij den ingang der St.-Nicolaasbaai, vroeger door Bougainville de baai der Franschen genoemd; in de verte dartelden kudden groote robben en walvisschen, althans naar de waterstralen te oordeelen, die op een afstand van vier mijlen zigtbaar waren. Eindelijk voer men om kaap Froward, die nog geheel bedekt was met het ijs van den vorigen winter. Aan de overzijde der straat verhief zich op Vuurland de berg Sarmiento ter hoogte van zes duizend voet, een verbazende opeenhooping van rotsen door stapels wolken gescheiden, die als het ware een archipel van in de lucht drijvende eilandjes vormden.
Het eigenlijke vastland van Amerika eindigt bij kaap Froward; want kaap Hoorn is slechts een afgezonderde rots in zee op zes en vijftig graden breedte.
Voorbij dit punt wordt de straat ingeklemd tusschen het schiereiland Brunswijk en het Desolations-eiland, dat zich in de lengte tusschen duizend eilandjes uitstrekt, als een ontzaggelijke walvisch, die op strandkeitjes is aangespoeld. Welk een verschil tusschen dit verbrokkelde uiteinde van Amerika, en de sierlijke en nette punten van Afrika, Australië of Indië! Door welke onbekende overstrooming zou toch wel dat ontzaggelijke voorgebergte zoo tusschen twee zeeën geklemd en tot stof vergruisd zijn?
Nu volgde op de vruchtbare oevers een naakte kuststrook, met een woest voorkomen, ingevreten door de duizenden stroompjes van dezen verwarden doolhof. Zonder zich te vergissen noch te aarzelen volgde de Duncan de grillige kronkelingen, terwijl zij de door de rotsen gescheurde nevels met haar rookwolken vermengde. Zonder haar vaart te vertragen stoomde zij voorbij eenige spaansche factorijen, die op deze verlatene oevers waren opgerigt. Bij kaap Tamar werd de straat breeder; het jagt had nu de noodige ruimte om de steile kust der Narborough eilanden om te varen, en naderde den zuidelijken oever. Zes en dertig uren eindelijk nadat het de straat was ingestoomd, ontdekte men de rots van kaap Pilares op de uiterste punt van Desolations-eiland. Een onmetelijke, opene, fonkelende zee breidde zich voor den steven uit, en terwijl Jacques Paganel haar met een gebaar van geestdrift begroette, voelde hij zich even aangedaan als Ferdinand Magellaan zelf was, toen de Trinitad[3] zich boog onder de koelte van de Stille Zuidzee.
X.
De zeven en dertigste parallel.
Acht dagen na het omvaren van kaap Pilares, stoomde de Duncan de baai van Talcahuano binnen, een prachtige inham van twaalf mijlen lang en negen breed. Het was heerlijk weder. Van November tot Maart ziet men in deze streek geen wolkje aan de lucht, en waait er onafgebroken een zuidewind langs deze, door de keten der Andes beschutte kust. Op bevel van Edward Glenarvan had John Mangles het digt onder den Chiloë-archipel en de tallooze brokstukken van het amerikaansche vastland gehouden. Het een of ander strandgoed, gebroken sparren, een door menschenhanden bewerkt stuk hout kon voor de Duncan een spoor van de schipbreuk zijn, maar er was niets te zien, en het jagt zijn weg vervolgende ankerde in de haven van Talcahuano, twee en veertig dagen nadat het de mistige wateren der Clyde had verlaten.
Terstond liet Glenarvan zijn sloep in zee brengen, en door Paganel gevolgd stapte hij aan den voet van het paalwerk aan land. Van de gelegenheid gebruik makende wilde de geleerde aardrijkskundige zich van de spaansche taal bedienen; maar tot zijn groote verbazing kon hij zich niet door de inboorlingen doen verstaan.
"Ik heb den klemtoon nog niet," zeide hij.
"Kom, ga mede naar het tolkantoor," antwoordde lord Glenarvan.
Door middel van eenige engelsche woorden vereenigd met de gebarentaal vertelde men hun daar, dat de britsche consul te Concepcion woonde. Het was een rit van een uur. Glenarvan vond gemakkelijk twee vlugge paarden en spoedig waren Paganel en hij binnen de muren dier groote stad, die haar ontstaan had te danken aan den ondernemenden geest van Valdivia, den wakkeren medgezel der Pizarro's.
Hoezeer was haar oude luister getaand! Dikwijls door de inboorlingen geplunderd, in 1819 in den asch gelegd en verwoest, zoodat de muren nog zwart waren van den rook, reeds door Talcahuano overvleugeld, telde zij naauwelijks acht duizend zielen. De straten veranderden in weilanden onder de trage schreden der inwoners. Geen handel werd er meer gedreven, de nijverheid bestond niet meer, het doen van zaken was onmogelijk geworden. De luit klonk op ieder balkon; smachtende liederen drongen door de tralievensters, en Concepcion, die oude stad van mannen, was een dorp van vrouwen en kinderen geworden.
Glenarvan had weinig lust om de oorzaken van dat verval op te sporen, hoewel Jacques Paganel het gesprek op dit onderwerp bragt, en zonder een oogenblik te verzuimen begaf hij zich naar de woning van den heer J.R. Bentock, consul van Hare Britsche Majesteit. Deze ontving hem zeer beleefd en na de geschiedenis van kapitein Grant vernomen te hebben, nam hij op zich om langs de geheele kust onderzoek te doen.
De vraag of de driemaster Britannia langs de kusten van Chili of Araucanië naar de zeven en dertigste parallel was gestevend, werd ontkennend beantwoord.
Noch deze consul noch die der andere natiën had eenig berigt betreffende een voorval van dien aard ontvangen. Glenarvan gaf den moed niet op. Hij kwam te Talcahuano terug, en tijd, moeite noch geld ontziende, zond hij agenten langs de kust uit. Die nasporingen waren te vergeefsch. Het naauwkeurigst onderzoek bij de kustbewoners in het werk gesteld leverde geen uitkomst op. Men moest hieruit besluiten, dat er geen spoor van de schipbreuk der Britannia was overgebleven.
Nu gaf Glenarvan zijn reisgenooten kennis van den ongelukkigen uitslag zijner pogingen. Mary Grant en haar broeder konden hun droefheid niet verbergen. Het was nu zes dagen na de aankomst der Duncan te Talcahuano. De passagiers waren in de bovenhut bijeen. Lady Helena troostte, niet met woorden,—want wat zou zij hebben kunnen zeggen?—maar door haar liefkozingen de beide kinderen van den kapitein. Jacques Paganel had het document weder in handen genomen, en beschouwde het zoo oplettend, alsof hij er nieuwe geheimen aan had willen ontrukken. Dit duurde reeds een uur lang, toen Glenarvan hem aansprak.
"Paganel! ik doe een beroep op uwe schranderheid. Hebben wij een verkeerde uitlegging aan dit document gegeven? Is de zin dezer woorden niet logisch?"
Paganel gaf geen antwoord. Hij dacht na.
"Vergissen wij ons in het vermoedelijk tooneel der ramp?" hernam Glenarvan. "Moet zelfs de onoplettendste hier geen Patagonië lezen?"
Paganel bleef nog altijd zwijgen.
"Eindelijk," zeide Glenarvan, "pleit het woord Indiaan ook niet voor ons gevoelen?"
"Wel zeker!" antwoordde Mac Nabbs.
"En is het dan niet duidelijk, dat de sohipbreukelingen, toen zij deze regelen schreven, verwachtten gevangenen te worden door de Indianen?"
"Wacht even, waarde lord!" antwoordde Paganel eindelijk; "al zijn uwe andere gevolgtrekkingen juist, deze laatste is dunkt mij niet aannemelijk."
"Wat bedoelt gij daarmede?" vroeg lady Helena, terwijl allen hun blikken op den aardrijkskundige rigtten.
"Ik wil zeggen," antwoordde Paganel met bijzonderen nadruk, "dat kapitein Grant thans gevangen is bij de Indianen, en wat meer is, het document laat niet toe om daaraan te twijfelen."
"Verklaar u, mijnheer!" zeide miss Grant.
"Niets is gemakkelijker, lieve Mary! lees maar op het document zijn gevangen in plaats van zullen gevangen zijn, en alles is duidelijk."
"Maar dat is onmogelijk!" riep lord Edward.
"Onmogelijk! En waarom, mijn edele vriend?" vroeg Paganel glimlagchend.
"Omdat de flesch in zee moet geworpen zijn, toen het schip tegen de rotsen verbrijzeld werd. Daaruit volgt noodzakelijk, dat de graden lengte en breedte betrekking hebben op de plaats der schipbreuk."
"Daar is niet het minste bewijs voor," antwoordde Paganel met drift, "en ik zie niet in, waarom de schipbreukelingen, nadat de Indianen hen tot in het binnenland hadden gesleept, geen poging zouden aangewend hebben om door middel van deze flesch de plaats hunner gevangenschap te doen kennen."
"Heel eenvoudig, waarde Paganel! omdat er, als men een flesch in zee wil werpen, toch een zee moet zijn!"
"Of, als er geen zee is," gaf Paganel ten antwoord, "rivieren, die er in uitloopen!"
Dit onverwachte en toch zeer aannemelijke antwoord deed allen van verbazing zwijgen. Het vuur, dat in de oogen zijner toehoorders schitterde, bewees Paganel, dat allen zich aan een nieuwe hoop vastklemden. Lady Helena verbrak het eerst de stilte.
"Welk een gedachte!" riep zij uit.
"En welk een goede gedachte!" voegde de aardrijkskundige er droogweg bij.
"Uw gevoelen is dus?..." vroeg Glenarvan.
"Mijn gevoelen is, dat wij de zeven en dertigste parallel moeten opzoeken ter plaatse, waar zij de amerikaansche kust snijdt, en haar, zonder ook maar een halven graad af te wijken, moeten volgen tot het punt, waar zij den Atlantischen Oceaan raakt. Misschien vinden wij in haar rigting de schipbreukelingen der Britannia."
"De kans is gering!" meende de majoor.
"Zoo gering als zij is," hernam Paganel, "mogen wij haar toch niet verzuimen. Misschien heb ik gelijk, dat deze flesch door den stroom eener rivier van dit vastland naar zee is gedreven, en dan kan het niet missen, of wij moeten de gevangenen op het spoor komen. Beziet de kaart van het land maar, vrienden! en ik zal het u overtuigend bewijzen!"
Dit zeggende, ontrolde Paganel op de tafel een kaart van Chili en der argentijnsche republiek.
"Let op," zeide hij, "en volgt mij op die wandeling over het amerikaansche vastland. Wij zullen het smalle kustland Chili overstappen, de Cordillera's de los Andes overklimmen en in de Pampa's afdalen. Hebben die streken gebrek aan stroomen, rivieren of beken? Neen! Dit is de Rio Negro, dat de Rio Colorado, dat haar bijrivieren, die door de zeven en dertigste parallel worden gesneden en allen hebben kunnen dienen tot vervoer van het document. In het midden van een stam, in de handen van in dorpen wonende Indianen, aan den oever dezer weinig bekende rivieren, in de engten der Sierra's, wachten misschien degenen, die ik het regt heb onze vrienden te noemen, op de tusschenkomst van God! Moeten wij hun hoop verijdelen? Is het niet ons aller plan om door die streken de regte lijn te volgen, die ik thans met den vinger op de kaart aanwijs, en indien ik mij tegen alle verwachting bedrieg, dan blijft het immers toch onze pligt om de zeven en dertigste parallel ten einde toe te volgen, en, wanneer het noodig is met haar om de aarde te reizen om de schipbreukelingen terug te vinden!"
Deze woorden, met een edelmoedige drift uitgesproken, bragten een diepe aandoening te weeg onder de hoorders van Paganel. Allen stonden op en gaven hem de hand.
"Ja! vader is dààr," riep Robert, die de kaart met zijn blikken verslond.
"En waar hij is," antwoordde lord Edward, "zullen wij hem weten terug te vinden, mijn kind! De uitlegging van onzen vriend Paganel is juist, en wij moeten zonder aarzelen den weg volgen, dien hij ons voorschrijft. Of kapitein Grant is in handen van talrijke Indianen, of hij is gevangen bij een zwakken stam. In het laatste geval bevrijden wij hem. In het andere gaan wij, na zijn toestand onderzocht te hebben, weder naar de oostkust aan boord van de Duncan, varen naar Buenos-Ayres, en daar zal een afdeeling soldaten onder aanvoering van den majoor Mac Nabbs wel al de Indianen in de argentijnsche republiek teregt zetten!"
"Goed, goed! Uwe Edelheid!" antwoordde John Mangles, "en ik voeg er nog bij, dat die togt over het amerikaansche vastland zonder gevaar kan volbragt worden."
"Zonder gevaar en zonder vermoeijenis," hernam Paganel. "Hoevelen hebben hem reeds volbragt, die op verre na zoo goed niet uitgerust waren als wij, en wier moed niet werd staande gehouden door de grootheid der onderneming! Is een zekere Basilio Villarmo niet in 1782 van Carmen naar de Cordillera's gegaan? Heeft in 1806 een Chiliaan, de alcade (regter) der provincie Concepcion, don Luiz de la Cruz, uit Antuco niet diezelfde zeven en dertigste parallel gevolgd, en is hij, de Andes overgetrokken zijnde, niet te Buenos-Ayres aangekomen, na een reis van zeven en veertig dagen? Hebben eindelijk de kolonel Garcia, de heer Alcide d'Orbigny en mijn geëerde ambtgenoot, doctor Martin de Moussy, dit land niet in alle rigtingen doorkruist en voor de wetenschap gedaan, wat wij uit menschlievendheid gaan doen?"
"Mijnheer! mijnheer!" zeide Mary Grant, wier stem door aandoening verstikt werd, "hoe zullen wij ooit een opoffering vergelden, die u aan zooveel gevaren blootstelt?"
"Gevaren!" riep Paganel. "Wie heeft het woord gevaar uitgesproken?"
"Ik althans niet!" antwoordde Robert Grant met een fonkelend oog en een vasten blik.
"Gevaren!" hernam Paganel, "bestaan er wel gevaren? Bovendien, wat is de heele zaak? Een reis van ter naauwernood drie honderd vijftig uren, daar wij in een regte lijn zullen gaan; een reis, die volbragt zal worden onder dezelfde breedte als die van Spanje, Sicilië en Griekenland op het andere halfrond en bijgevolg onder een luchtstreek, die ten naastenbij dezelfde is; een reis, die hoogstens een maand zal duren! Het is een wandeling!"
"Mijnheer Paganel!" vroeg nu lady Helena, "denkt gij dan, dat het leven der schipbreukelingen gespaard zal zijn, wanneer zij in de magt der Indianen gevallen zijn?"
"Wel zeker denk ik dat, mevrouw! Die Indianen zijn geen menscheneters! Verre van daar. Een mijner landgenooten, de heer Guinnard, dien ik in het genootschap voor de aardrijkskunde heb leeren kennen, is drie jaren lang gevangen geweest bij de Indianen der pampa's. Hij heeft geleden, hij is zeer slecht behandeld, maar toch heeft hij die beproeving doorgestaan. Een Europeaan is een nuttig wezen in die streken; de Indianen kennen zijne waarde, en verplegen hem als een kostbaar dier."
"Wij moeten dus niet langer aarzelen," zeide Glenarvan, "wij moeten vertrekken en wel zonder uitstel. Welken weg moeten wij nemen?"
"Een gemakkelijken en aangenamen weg," antwoordde Paganel. "Wat bergen in het begin, dan een zachte glooijing op de oostelijke helling der Andes, en eindelijk een effene, grasrijke, zandige vlakte, een ware tuin."
"Laat mij de kaart eens zien," zeide de majoor.
"Hier is zij, waarde Mac Nabbs! Ons uitgangspunt is de zeven en dertigste parellel op de chilische kust tusschen kaap Rumena en de baai van Carnero. Na de hoofdstad van Araucanië bezocht te hebben, trekken wij door den bergpas van Antuco over de Cordillera's en laten den vulkaan ten zuiden van ons liggen; daarna dalen wij de zachte hellingen der bergen af, trekken de Neuquem en de Rio Colorado over, en bereiken zoo de pampa's, het Zoutmeer, de rivier Guamini en de sierra (gebergte) Tapalquem. Daar zijn de grenzen der provincie Buenos-Ayres. Wij trekken ze over, beklimmen de sierra Tandil, en zetten onze nasporingen voort tot aan kaap Medano, aan de kusten van den Atlantischen Oceaan."
Terwijl hij sprak en het plan van de onderneming ontvouwde, nam Paganel niet eens de moeite om naar de kaart, die voor hem lag, te zien. Hij had het ook niet noodig. Grondig bekend met de werken van Frésier, Molina, Humboldt, Miers en d'Orbigny, en met een ijzervast geheugen begaafd, vergiste noch verwonderde hij zich ooit. Na die aardrijkskundige naamlijst opgenoemd te hebben, voegde hij er bij:
"Gij ziet het, mijne vrienden! het is een regte weg. In dertig dagen hebben wij hem afgelegd, en wij zullen nog vóór de Duncan op de oostkust zijn, als de tegenwind haar vaart maar een weinig belemmert."
"Dan moet de Duncan tusschen kaap Corrientes en kaap St.-Antonius blijven kruisen?" zeide John Mangles.
"Juist."
"En waar zult gij de noodige personen voor zulk een onderneming vandaan halen?" vroeg lord Edward.
"Niets gemakkelijker dan dat. Het is ons alleen te doen om onderzoek te doen naar den toestand van kapitein Grant en niet om geweerschoten met de Indianen te wisselen. Ik geloof, dat lord Glenarvan, ons natuurlijk opperhoofd, de majoor, die zijn plaats aan niemand zal willen afstaan, uw dienaar, Jacques Paganel...."
"En ik!" riep de jonge Grant.
"Robert! Robert!" zeide Mary.
"En waarom niet?" antwoordde Paganel. "De jeugd wordt door reizen gevormd. Wij met ons vieren dus en drie man van de Duncan...."
"Denkt Uwe Edelheid niet aan mij?" zeide John Mangles zich tot zijn heer wendende.
"Waarde John!" antwoordde Glenarvan, "wij laten de dames aan boord, dat is te zeggen het liefste, wat wij op aarde hebben! Wie zou voor haar waken, als de verknochte kapitein der Duncan het niet deed?"
"Mogen wij u dan niet vergezellen?" vroeg lady Helena met tranen in de oogen.
"Lieve Helena!" antwoordde Glenarvan, "wij moeten met buitengewonen spoed reizen; onze scheiding zal van korten duur zijn, en...."
"Ja, mijn vriend! ik begrijp u," antwoordde lady Helena; "ga dan en moge uw onderneming met een gewenschten uitslag bekroond worden!"
"Bovendien is het geen reis," zeide Paganel.
"Niet? wat is het dan?" vroeg lady Helena.
"Een doortogt, anders niet. Wij zullen doortrekken, ziedaar alles, gelijk de brave man op aarde, zooveel goed doende als in onze magt staat. Transire benefaciendo, is onze leus."
Dit gezegde van Paganel maakte een einde aan de redetwist, als men een gesprek zoo mag noemen, waarin allen van dezelfde meening waren. Dienzelfden dag nog maakte men een begin met de toebereidselen. Men besloot den togt geheim te houden om de Indianen niet wakker te maken.
Het vertrek werd op den 14den October bepaald. Toen het er op aankwam om de matrozen te kiezen, die bestemd waren om mede te gaan, boden allen hun diensten aan, en Glenarvan was alleen verlegen in de keus. Hij besloot dus zijn toevlugt te nemen tot het lot om zulken wakkeren mannen geen verdriet aan te doen. Zoo gebeurde het ook, en de eerste stuurman, Tom Austin, Wilson, een stevige klant, en Mulrady, die Tom Sayers[1] zelven wel tot een bokspartij had durven uitdagen, hadden geene reden om over het lot te klagen.
Tom Austin, Wilson, en Mulrady...

Lord Edward had een buitengewonen spoed met zijn toebereidselen gemaakt. Hij wilde op den bepaalden dag gereed zijn, en was het ook. John Mangles wedijverde met hem om kolen in te nemen, ten einde oogenblikkelijk zee te kunnen kiezen. Hij wilde nog vóór de reizigers de argentijnsche kust bereiken. Daaruit ontstond een ware wedstrijd tusschen Glenarvan en den jongen kapitein, die voor allen voordeelig was.
Inderdaad was op den 14den October op het bepaalde uur alles gereed. Toen het oogenblik van het vertrek gekomen was, kwamen al de passagiers van het jagt in de algemeene kamer bijeen. De Duncan was gereed om uit te loopen en de armen van haar schroef bragten reeds het heldere water van Talcahuano in een golvende beweging. Glenarvan, Paganel, Mac Nabbs, Robert Grant, Tom Austin, Wilson en Mulrady, met karabijnen en revolvers Colt gewapend, maakten zich gereed om van boord te gaan. Gidsen en muilezels wachtten hen aan het staketsel.
"Het is tijd!" zeide lord Edward eindelijk.
"Ga dan, mijn vriend!" antwoordde lady Helena, die haar aandoening trachtte te bedwingen.
Lord Glenarvan drukte haar aan zijn hart, terwijl Robert Mary Grant omhelsde.
"En nu, waarde reisgenooten!" zeide Jacques Paganel, "nog een handdruk waaraan wij genoeg hebben tot aan de kusten van den Atlantischen Oceaan!"
Het was wel wat veel gevraagd, maar de omarmingen, die nu volgden, waren vurig genoeg om de wenschen van den waardigen geleerde te vervullen.
Men begaf zich weder naar het dek, en de zeven reizigers verlieten de Duncan. Weldra bereikten zij de kaai, die het jagt al manoeuvreerende op een halve kabellengte naderde.
Op de kampanje staande, riep lady Helena nog eens: "Mijne vrienden! God sta u bij!"
"En Hij zal ons bijstaan, mevrouw!" antwoordde Jacques Paganel; "want, gij moogt het vrij gelooven, wij zullen ons zelven helpen."
"Vooruit!" riep John Mangles den machinist toe.
"Voorwaarts!" antwoordde lord Glenarvan.
En op hetzelfde oogenblik dat de reizigers, hun rijdier den teugel vierende, zich langs den oever verwijderden, stoomde de Duncan onder de werking harer schroef, met volle kracht den oceaan op.
XI.
Togt door Chili.
De inlanders, die lord Glenarvan had bijeengebragt, bestonden uit drie mannen en een kind. De aanvoerder der muilezeldrijvers was een Engelschman, die zich reeds vóór twintig jaar in dit land had gevestigd. Hij maakte een beroep van het verhuren van muilezels aan de reizigers, die hij over de verschillende wegen der Cordillera's geleidde. Vervolgens bezorgde hij hun een "baqueano," een argentijnschen gids, die met den weg door de pampa's goed bekend was. Deze Engelschman had in het gezelschap van muilezels en Indianen zijn moedertaal nog niet geheel verleerd, en kon nog met de reizigers spreken. Dit was voor Glenarvan een groot gemak, daar hij nu zijn verlangen kon te kennen geven en zijn bevelen doen uitvoeren. Hij meende die gelegenheid niet te mogen laten voorbijgaan, vooral omdat Jacques Paganel zich nog niet verstaanbaar kon uitdrukken.
Die aanvoerder der muilezeldrijvers, die "catapaz," zooals hij in de landtaal genoemd wordt, had twee inlanders te voet en een twaalfjarig kind medegenomen. De inlanders waakten voor de muilezels, die de bagage droegen, en het kind geleidde de "madrina," een kleine merrie, die met belletjes en een klokje behangen, vooruit ging en door tien muilezels gevolgd werd. Zeven hunner waren voor de reizigers, een voor den catapaz; de beide andere droegen de levensmiddelen en eenige stokken stof, die dienen moesten om de medewerking van de kaziken (hoofden der vrije volksstammen in Amerika) der vlakte te verwerven. De inlanders gingen als naar gewoonte te voet. Deze togt door Zuid-Amerika scheen dus ten opzigte van de veiligheid en den spoed niets te wenschen over te zullen laten.
Een togt over de keten der Andes is geenszins een gewone reis. Men kan hem niet ondernemen zonder die sterke muilezels, waarvan het argentijnsche ras het meest gezocht is. Die uitmuntende dieren hebben in dat land een ontwikkeling verkregen, verre boven die van het oorspronkelijke ras.
Zij zijn niet keurig op hun voedsel. Zij drinken maar eens per dag, leggen gemakkelijk tien mijlen in acht uren af, en dragen zonder zich te verzetten een last van veertien arroba's. (Een arroba is gelijk aan 11 1/2 nederl. pond).
Op den geheelen weg van den éénen Oceaan tot den anderen treft men geen enkele herberg aan. Men eet gedroogd vleesch, rijst met spaansche peper, en het wild, dat zich onderweg wel wil laten doodschieten. Men drinkt op de bergen het water van de bergstroomen, in de vlakte dat der beken, met eenige droppels rum er door, waarvan ieder eenigen voorraad bij zich draagt in een ossehoren, "chiffle" genoemd. Vooral moet men waken tegen het misbruik van geestrijke dranken, die schadelijk zijn in een land, waarin het zenuwgestel van den mensch bijzonder overspannen is. Het beddegoed bestaat alleen uit den inlandschen zadel, "recado" genoemd. Die zadel is gemaakt van "pelions," schapenhuiden, die aan de eene zijde gelooid en aan de andere met wol bekleed zijn, alles bijeengehouden door breede en met borduursel overladen riemen. Heeft de reiziger zich in die warme dekens gerold, dan trotseert hij ongestraft de vochtige nachten en slaapt heerlijk.
Als iemand, die weet wat reizen is en zich naar de gebruiken der verschillende landen weet te schikken, had Glenarvan voor zich en zijn gezelschap de chilische kleederdragt aangenomen. Paganel en Robert, twee kinderen,—een groot en een klein kind,—waren buiten zich zelven van vreugde, toen zij hun hoofd door den nationalen "poncho" staken, een groote wollen zak of mantel met een gat in het midden, en hun beenen in lederen laarzen, gemaakt van den achterpoot van een jong paard. Hun rijk getuigde muilezel leverde ook een schoon gezigt op, met het arabisch gebit in den bek, met den langen teugel van gevlochten leder, die tot zweep diende, met zijn hoofdstel, dat met metalen sieraden pronkte, en met de "alforja's," dubbele linnen zakken van schitterende kleur, die levensmiddelen voor één dag bevatten. Ten gevolge van zijn verstrooidheid scheelde het weinig of Paganel kreeg drie of vier schoppen van zijn voortreffelijk rijdier, toen hij er op wilde gaan zitten. Toen hij eindelijk stevig in den zadel zat, met zijn onafsoheidelijken kijker aan een riem bij zich en met de voeten in de stijgbeugels, vertrouwde hij zich toe aan de schranderheid van zijn dier, en had geen reden om daarover spijt te gevoelen. De jonge Robert toonde reeds van den beginne af grooten aanleg om een uitmuntend ruiter te worden.
De stoet zette zich in beweging. Het was prachtig weder, de lucht volkomen helder, en de dampkring door den zeewind genoegzaam afgekoeld in weerwil van de zonnehitte. De kleine troep volgde met snellen tred de bogtige oevers der baai van Talcahuano, ten einde dertig mijlen zuidelijker het uiteinde der parallel te bereiken. Dien eersten dag trok men haastig tusschen het riet van voormalige uitgedroogde moerassen heen, maar men sprak weinig. De afscheidsgroeten hadden een diepen indruk achtergelaten in het gemoed der reizigers. Zij konden nog den rook der Duncan zien, die reeds bijna uit het gezigt was. Allen zwegen, behalve Paganel; die leergierige aardrijkskundige deed zich zelven vragen in het spaansch, en beantwoordde ze in dezelfde taal.
Ook de gids was vrij stil van aard, en zijn beroep had geen babbelaar van hem gemaakt. Hij sprak naauwelijks tot de inlanders. Als menschen van het vak verstonden dezen hun werk zeer goed. Als een muildier staan bleef, zetten zij het aan met een keelgeluid, en als dit niet hielp met een fermen steen, die met vaste hand geworpen zijn koppigheid wel overwon. Raakte er een riem los of brak er een teugel, dan trok de inlander zijn mantel uit, en wikkelde den kop van het dier er in, dat, zoodra het ongemak hersteld was, terstond weder voortging.
De muilezeldrijvers zijn gewoon om ten acht ure na het ontbijt te vertrekken en tot des namiddags ten vier ure door te rijden, waarna zij hun nachtverblijf in gereedheid brengen. Edward Glenarvan hield zich aan dit gebruik. Toen de gids het sein gaf om te rusten, kwamen de reizigers juist aan de stad Arauco, liggende aan de zuidpunt der baai, zonder dat zij van den schuimenden kant der zee afgeweken waren. Van hier zouden zij een twintigtal mijlen westwaarts hebben moeten gaan tot aan de baai Carnero, om er het uiteinde van den zeven en dertigsten graad te vinden. Maar de agenten van Glenarvan hadden dit gedeelte der kust reeds doorzocht, zonder eenig spoor van de schipbreuk aan te treffen. Een nieuw onderzoek was dus onnoodig, en men besloot de stad Arauco tot uitgangspunt te nemen. Van daar zou men in een zuivere regte lijn oostwaarts opgaan.
Het kleine gezelschap trok de stad binnen om er den nacht door te brengen, en sloeg zich op de binnenplaats eener herberg in de open lucht neder, daar deze, wat de gemakkelijke inrigting betreft, nog in een allerellendigsten toestand verkeerde.
Arauco is de hoofdstad van Araucanië, een staat, honderd vijftig mijlen lang en dertig breed, bewoond door de Molouchen, die oudste zonen van het chilische ras, door den dichter Ercilla bezongen. Het is een fier en forsch ras, het eenige in de beide Amerika's, dat nooit door vreemden overheerscht is. Heeft Arauco ook al vroeger aan de Spanjaarden behoord, zoo onderwierpen de inwoners zich toch niet; zij verzetteden zich toen, zooals zij zich nu nog verzetten tegen de ondernemingen van Chili, en hun vrije vlag,—een witte ster op een azuren veld,—wappert nog van den top van den versterkten heuvel, die de stad beschermt.
Terwijl het avondeten gereed werd gemaakt, gingen Glenarvan, Paganel en de gids een wandeling doen tusschen de met riet gedekte huizen. Behalve een kerk en de overblijfselen van een franciscaner klooster, leverde Arauco niets bezienswaardigs op. Glenarvan trachtte eenige inlichtingen te verkrijgen, maar te vergeefs. Paganel was wanhopend, omdat hij zich niet door de inwoners kon doen verstaan; maar, daar dezen het araucanisch spreken,—een bijzondere taal, die tot aan de straat van Magellaan gesproken wordt,—had Paganel evenveel aan het spaansch als aan het hebreeuwsch. Hij hield dus zijne oogen bezig in plaats van zijn ooren, en vermaakte zich, als een echt geleerde, met de beschouwing van de verschillende typen van het molouchsche ras, die hij ontmoette. De mannen hadden een rijzige gestalte, een plat gezigt, een koperkleurige huid, een baardelooze kin, een schuwen blik en een breed hoofd, dat met lang zwart haar was bedekt. Zij schenen verzot op die bijzondere soort van lediggang van krijgslieden, die in vredestijd niet weten, wat zij doen zullen. Hunne vrouwen, die er ongelukkig en moedig uitzagen, hielden zich bezig met het zware huiswerk, verzorgden de paarden, maakten de wapens schoon, bebouwden het land, gingen voor haar heeren op de jagt, en vonden toch nog tijd om die donkerblaauwe mantels te maken, waaraan zij twee jaren besteden, en die minstens honderd dollars[1] kosten.
Kortom, die Molouchen zijn een vrij onbeduidend volk, welks zeden nog tamelijk ruw zijn. Zij hebben bijna alle menschelijke ondeugden en maar ééne deugd, liefde voor de onafhankelijkheid.
"Echte Spartanen," herhaalde Paganel, toen hij na geëindigde wandeling aan den avondmaaltijd deel kwam nemen.
De waardige geleerde overdreef, en men begreep hem nog minder, toen hij er bijvoegde, dat, daar hij een Franschman was, zijn hart sterk klopte bij zijn bezoek aan de stad Arauco. Toen de majoor hem naar de reden van die onverwachte "hartklopping" vroeg, antwoordde hij, dat zijn aandoening zeer natuurlijk was, omdat een zijner landgenooten voorheen op den troon van Araucanië had gezeten. De majoor verzocht hem zoo goed te zijn om den naam van dien vorst te noemen. Jacques Paganel noemde trotsch den braven De Tonneins, een uitstekend man, vroeger procureur te Périgueux, wiens baard wat al te zwaar was, en die ondergaan had, wat de onttroonde koningen zoo gaarne "de ondankbaarheid hunner onderdanen" noemen. Toen de majoor even glimlachte bij de gedachte, dat een gewezen procureur van den troon was gejaagd, antwoordde Paganel zeer ernstig, dat het voor een procureur misschien gemakkelijker was om een goed koning te worden, dan voor een koning om een goed procureur te worden. Op dat gezegde barstten allen in lagchen uit, en dronken eenige teugen "chicha"[2] op de gezondheid van Orellie-Antoine I, ex-koning van Araucanië. In hun mantels gewikkeld vielen de reizigers eenige minuten daarna in een gerusten slaap.
Des anderen daags ten acht ure ging de kleine troep, met de merrie in de voor- en de inlanders in de achterhoede, oostwaarts op weg naar de zeven en dertigste parallel. Hij trok nu door het vruchtbare gebied van Araucanië, rijk aan wijngaarden en kudden. Maar gaandeweg werd de streek woester. Ter naauwernood trof men, mijlen van elkander verwijderd, een hut van "rastreadores" aan, indiaansche paardentemmers, die in geheel Amerika beroemd zijn. Soms ook een verlaten posthuis, dat tot schuilplaats diende voor den zwervenden bewoner der vlakte. Op dezen dag versperden twee rivieren, de Rio de Raque en de Rio de Tubal, den weg voor de reizigers. Maar de gids ontdekte een doorwaadbare plaats, welke hen aan de overzijde bragt. Aan den gezigteinder vertoonde zich de keten der Andes, wier kruinen naar het noorden oprezen en wier pieken in aantal toenamen. Het waren nog maar de onderste wervels van de ontzaggelijke ruggegraat, waarop het geheele gebeente der Nieuwe Wereld rust.
... de doorwaadbare plaats aan de Rio de Tubal...

Des namiddags ten vier ure hield men, na een togt van vijf en dertig mijlen, in het open veld stil onder een boschje van reusachtige myrteboomen. De muilezels werden onttoomd, en gingen in vrijheid grazen in het digte gras der weide. De knapzakken leverden de gewone hoeveelheden vleesch en rijst. De schapenhuiden werden op den grond gelegd en dienden tot dekens, de zadels tot kussens, en allen vonden op deze zonderlinge bedden een verkwikkende rust, terwijl de inlanders en de gids ieder op hun beurt de wacht hielden.
Daar het weder zoo gunstig bleef, daar alle reizigers, ook Robert, goed gezond waren, daar eindelijk die reis onder zulke gelukkige voorteekens begonnen werd, moest men er gebruik van maken en voortgaan, evenals een speler "die op zijn dreef komt." Dat was aller gevoelen. Den volgenden dag reisde men stevig door, trok zonder ongelukken de snelstroomende Bell over, en toen zij zich des avonds aan de oevers der Rio Biobio, die spaansch Chili van onafhankelijk Chili scheidt, legerden, kon Glenarvan nogmaals berekenen, dat zij weder vijf en dertig mijlen hadden afgelegd. Het land was niet veranderd. Het was nog altijd vruchtbaar en rijk aan narcisleliën, boomvormige vioolplanten, japansche leliën der dalen, gemeene doornappels en cactussen met goudgele bloemen. Eenige dieren, onder anderen de katpardel, hielden zich schuil in de digte struiken. Een reiger, een eenzame moerasuil, lijsters en zilverduikers, die voor de klaauwen van den valk vlugtten, waren de eenige vertegenwoordigers der vogelsoorten. Maar inboorlingen zag men weinig, ter naauwernood eenige "guasso's", bastaardkinderen van Indianen en Europeanen, die voortrenden op paarden, welken zij tot bloedens toe de reusachtige sporen gaven, waarvan hun naakte voet voorzien was, en die als schaduwen voorbij-ijlden. Men kon onderweg met niemand spreken, en dus ook geen inlichtingen verkrijgen. Glenarvan schikte zich er in. Hij zeide bij zich zelven, dat kapitein Grant, door Indianen gevangen genomen zijnde, door hen over de Andes-keten moest medegesleept zijn.
In de pampa's, en niet aan deze zijde, konden derhalve de nasporingen tot eenige uitkomst leiden. Er zat dus niets anders op dan geduld te oefenen en snel en onafgebroken vooruit te gaan.
Den 17den vertrok men weder op het gewone uur en in dezelfde orde. Robert kon zich met moeite bedwingen om de orde niet te verbreken; want zijn ijver zette hem aan om de merrie voor te komen, tot groot verdriet van zijn muildier. Er was zelfs een strenge terugroeping van lord Glenarvan noodig om den knaap op zijn post in de marschlinie te houden.
Er kwam nu meer afwisseling in het voorkomen van het land; het rijzen van den bodem was het voorteeken van de nabijheid van bergen; het aantal riviertjes nam toe, en zij stroomden met veel gedruisch van de hellingen. Paganel raadpleegde dikwijls zijn kaarten; wanneer een van die beken er niet op voorkwam, hetgeen dikwijls gebeurde, kookte den aardrijkskundige het bloed in de aderen, en was het grappig om te zien, hoe driftig hij werd.
"Een beek, die geen naam heeft!" zeide hij, "het is alsof er geen burgerlijke stand is! zij bestaat niet in het oog der aardrijkskundige wet!"
Ook zag hij er geen bezwaar in om die onbenoemde riviertjes te doopen; hij tekende ze aan op zijn kaart en overlaadde ze met de sierlijkste benamingen in de spaansche taal.
"Welk een taal!" herhaalde hij, "welk een rijke en welluidende taal zij is van metaal, en ik ben zeker, dat zij uit acht en zeventig deelen koper en twee en twintig deelen tin bestaat, evenals klokspijs!"
"Maar maakt gij vorderingen?" antwoordde hem Glenarvan.
"Zeker! waarde lord! Als die klemtoon er maar niet was! Maar die klemtoon! die klemtoon!"
In afwachting van beter, deed Paganel onderweg zijn best om zijn keel te gewennen aan de moeijelijkheden der uitspraak, zonder daarom zijn aardrijkskundige waarnemingen te verwaarloozen. Daarin was hij verbazend sterk en zou hij niet ligt zijn meester vinden. Wanneer Edward Glenarvan den gids over de een of andere bijzonderheid van het land ondervroeg, antwoordde zijn geleerde reisgenoot altijd nog eer dan de gids, die hem dan ook geheel verbluft aanstaarde.
Dienzelfden dag kwam men tegen twee ure aan een weg, die den tot nu toe gevolgden sneed. Glenarvan vroeg natuurlijk naar den naam, en even natuurlijk ook was het Paganel, die antwoordde:
"Het is de weg van Yumbel naar los Angeles."
Glenarvan zag den gids aan.
"Juist!" antwoordde deze.
Zich vervolgens naar den aardrijkskundige wendende, zeide hij:
"Gij hebt zeker dit land reeds doorreisd?"
"Dat zou ik denken!" antwoordde Paganel zeer ernstig.
"Op een muilezel?"
"Neen! in mijn armstoel."
De gids begreep er niets van, hij haalde althans de schouders op en stelde zich weder aan het hoofd van den troep.
Des namiddags ten vijf ure hield hij stil in een diepe kloof, eenige mijlen boven het stadje Loja.
Dien nacht bragten de reizigers door aan den voet der sierra's, de voorloopers der groote Cordillera.
XII.
Twaalf duizend voet boven den grond.
De togt door Chili had tot nog toe geen noemenswaardig bezwaar opgeleverd. Maar nu kwamen de hindernissen en bezwaren, aan een togt door het gebergte onvermijdelijk verbonden, allen tegelijk. Nu zou de worsteling met den tegenstand der natuur eerst regt beginnen.
Vóór het vertrek moest een vraag van gewigt opgelost worden. Langs welken pas kon men over de keten der Andes komen, zonder van den aangenomen weg af te wijken? De gids, hierover ondervraagd zijnde, antwoordde:
"Ik ken maar twee bruikbare wegen in dit gedeelte der Cordillera's."
"Den weg van Arica zonder twijfel," zeide Paganel, "die door Valdivia Mendoza ontdekt is."
"Juist."
"En dien van Villarica, ten zuiden van den Nevado van dien naam."
"Juist."
"Die beide wegen, mijn vriend! hebben maar één gebrek, namelijk dat zij voor ons te noordelijk of te zuidelijk zijn."
"Zoudt gij misschien een anderen pas willen voorstellen?" vroeg de majoor.
"Ja!" antwoordde Paganel, "den pas van Antuco, op de helling van den vulkaan gelegen op zeven en dertig graden dertig minuten, dat is maar een halve graad bezijden onzen weg. Hij is slechts duizend vademen hoog en door Zamudio de Cruz ontdekt."
"Goed!" zeide Glenarvan, "maar kent onze gids dien pas van Antuco?"
"Ja, mylord! ik heb hem bereisd, en zoo ik hem niet voorstelde, dan is het alleen, omdat het op zijn hoogst een weg is voor het vee, die alleen door de indiaansche herders van de oostelijke helling gebruikt wordt."
"Welnu, mijn vriend!" antwoordde Glenarvan, "waar de kudden merriën, schapen en ossen der Pehuenchen over kunnen, kunnen wij ook over. En daar wij op dien weg in de regte lijn blijven, stem ik voor den pas van Antuco."
Het sein tot vertrek werd aanstonds gegeven, en men drong in het dal van las Lajas, tusschen groote massa's gekristalliseerde kalk. Men steeg langs een bijna onmerkbare helling. Tegen elf ure moest men de oevers van een klein meer omrijden, een door de natuur gevormden vergaderbak en het schilderachtig vereenigingspunt van al de riviertjes uit den omtrek; zij vielen er murmelend in en vermengden hun rustig en kristalhelder water. Boven het meer strekten zich groote "llano's" uit, hooge grasvlakten, waarop de kudden der Indianen weidden. Vervolgens stiet men op een moeras, dat zuid en noord liep, en dat men, geholpen door het instinct der muilezels, gelukkig doorwaadde. Ten één ure, kwam men bij het fort Ballenare, op een hooge rots gelegen, die het met zijn vervallene wallen beheerschte. Men ging er voorbij. De hellingen werden reeds steil en steenachtig, en de steentjes, die de hoef der muildieren losmaakte, rolden onder hun pooten weg en vormden gedruisch makende steenvallen. Tegen drie ure zag men weder andere schilderachtige puinhoopen van een fort, dat bij den opstand van 1770 verwoest was.
"De bergen zijn zeker nog niet voldoende om de menschen te scheiden," zeide Paganel, "dat men ze nog versterkt heeft!"
Van dit punt af werd de weg moeijelijk, zelfs gevaarlijk, de hellingen werden hoe langer hoe steiler, de bergwanden naderden elkander hoe langer hoe meer, de afgronden werden verschrikkelijk diep. De muilezels gingen voorzigtig voort met den neus op den grond om den weg te beruiken. Men reed achter elkander. Bij een onverwachte kromming van het pad verdween de merrie, en dan rigtte de kleine karavaan zich naar het verwijderde geklingel van het klokje. Dikwijls gebeurde het ook door de grillige kronkelingen van den weg, dat de reizigers in twee evenwijdige lijnen voorttrokken, en dat de gids met de inlanders kon spreken, terwijl een kloof, die naauwelijks twee vademen breed maar wel twee honderd diep was, een onoverkomelijken afgrond tusschen hen vormde.
Het gras worstelde nog wel met de overheersching van den steen; maar de strijd tusschen het delfstoffen- en het plantenrijk was reeds duidelijk zigtbaar. De nabijheid van den vulkaan Antuco was reeds merkbaar aan eenige strepen ijzerkleurige lava, bedekt met gele naaldvormige kristallen. De opeengestapelde en overhellende rotsen bleven staan tegen de wetten van het evenwigt in. Het was duidelijk, dat de aardbevingen haar voorkomen ligt konden veranderen, en een enkele blik op die wankele spitsen, die scheve koepels, die slecht bevestigde ronde bergtoppen, was voldoende om het besluit te wettigen, dat voor die bergachtige streek het uur nog niet geslagen was om onder haar eigene zwaarte te bezwijken.
In deze omstandigheden werd het moeijelijk om den weg te herkennen. De bijna onafgebrokene schudding van het berggevaarte doet menigmaal het spoor verdwijnen, en de herkenningsteekens blijven niet op dezelfde plaats. De gids aarzelde dan ook; hij hield stil; hij zag in het rond; hij onderzocht de gedaante der rotsen; hij zocht op den weeken steen naar voetstappen van Indianen. Het was geheel onmogelijk om zich te oriënteeren.
Lord Edward volgde zijn gids op den voet; hij begreep en gevoelde, dat diens verlegenheid in dezelfde mate toenam als de moeijelijkheden van den weg; hij durfde hem niets vragen en dacht, misschien niet zonder grond, dat het met het instinct der muilezeldrijvers evenzoo gelegen is als met dat der muilezels, en dat het beter is om daarop te vertrouwen.
Nog een uur lang dwaalde de gids om zoo te zeggen op goed geluk af rond, maar kwam toch hoe langer hoe hooger op den berg. Eindelijk was hij verpligt om te blijven staan. Men was op den bodem eener enge vallei; van een dier naauwe engten, welke de Indianen "quebrada's" noemen. Een loodregte muur van porfier sloot er den uitgang van. Na te vergeefs een doortogt gezocht te hebben, steeg de gids af, sloeg de armen over elkander en wachtte. Glenarvan kwam bij hem.
"Zijt gij verdwaald?" vroeg hij.
"Neen, mylord!" antwoordde de gids.
"Maar wij zijn toch niet in den pas van Antuco?"
"Wij zijn er wel in."
"Vergist gij u niet?"
"Ik vergis mij niet. Ziedaar de overblijfselen van een vuur, dat de Indianen hebben aangelegd, en ziedaar de sporen door de kudden merriën en schapen achtergelaten."
"Dan heeft men dezen weg toch begaan?"
"Ja! maar men zal hem niet meer begaan. De laatste aardbeving heeft hem onbruikbaar gemaakt."
"Voor de muilezels," antwoordde de majoor; "maar niet voor de menschen."
"Dat moet gij weten," antwoordde de gids; "ik heb gedaan, wat ik kon. Ik ben bereid om met mijn muilezels terug te keeren, als gij het verlangt, en om de andere wegen der Cordillera op te zoeken."
"En dat zal een oponthoud zijn?..."
"Van minstens drie dagen."
Zonder een woord te spreken luisterde Glenarvan naar de gezegden van den gids. Deze was ontegenzeggelijk getrouw aan de gemaakte afspraak. Zijn muilezels konden niet verder. Toen echter het voorstel gedaan werd om terug te keeren, wendde Glenarvan zich naar zijn medgezellen en sprak:
"Wilt gij trots alle gevaren verder gaan?"
"Wij willen u volgen!" antwoordde Tom Austin.
"En u zelfs voorgaan!" voegde Paganel er bij. "En wat is ook wel bezien de geheele zaak? Niets anders dan het beklimmen eener bergketen, welker andere helling onvergelijkelijk ligter af te dalen is! Als wij zoo ver zijn, zullen wij de argentijnsche gidsen vinden, die ons den weg door de pampa's zullen wijzen, en vlugge paarden, die gewoon zijn om door de vlakte te rennen. Voorwaarts dus en zonder aarzelen!"
"Voorwaarts!" riepen de reisgenooten van Glenarvan.
"Gaat gij niet met ons mede?" vroeg deze aan den gids.
"Ik ben een muilezeldrijver," antwoordde deze.
"Zooals gij wilt."
"Wij kunnen hem wel missen," zeide Paganel; "aan gene zijde van dezen muur zullen wij de paden van Antuco terugvinden, en ik maak mij sterk om u even goed aan den voet van den berg te brengen, als de beste gids der Cordillera's."
Glenarvan rekende dus af met den gids, en zond hem weg met de inlanders en de muilezels. De wapenen, de werktuigen en eenige levensmiddelen werden onder de zeven reizigers verdeeld. Met algemeene stemmen besloot men de beklimming terstond te hervatten, en zoo noodig een gedeelte van den nacht door te reizen. Ter linkerzijde van de helling kronkelde zich een steil voetpad, dat de muildieren niet hadden kunnen beklimmen. De bezwaren waren talrijk; maar na een paar vermoeijende uren en veel omwegen, waren Glenarvan en zijne reisgenooten weder in den pas van Antuco.
Nu bevonden zij zich in dat gedeelte der eigenlijke Andes, dat niet ver ligt van de hoogste kam der Cordillera's; maar er was geen schijn noch schaduw meer te vinden van een gebaand pad of een herkenbaren pas. De geheele omtrek was tijdens de laatste aardbevingen het onderst boven gekeerd, en men moest de bergruggen hoe langer hoe hooger bestijgen. Paganel was zeer teleurgesteld, nu hij den weg niet vrij vond, en rekende op zware vermoeijenissen, als zij den top der Andes moesten beklimmen; want hun gemiddelde hoogte bedraagt van elf duizend tot twaalf duizend zes honderd voeten. Het was zeer gelukkig, dat het weder bedaard, de lucht helder en het jaargetijde gunstig was; maar in den winter, van Mei tot October, zou zulk een beklimming onuitvoerbaar geweest zijn; de snerpende koude doet de reizigers weldra omkomen, en wie zij spaart, ontsnapt toch niet aan de hevigheid der "temporales" een soort van orkanen, aan deze streken eigen, en die de afgronden der Cordillera jaarlijks met lijken vullen.
Men klom den geheelen nacht door; men moest zich met de handen vasthouden om de bijna ongenaakbare bergvlakte te beklauteren; men sprong over breede en diepe kloven; in plaats van met touwen heesch men elkander met de handen op, en de schouders dienden tot ladders; die onversohrokkenen geleken op een troep paljassen, die zich aan al de dwaasheden der icarische spelen overgaven. Duizendmaal hadden nu Mulrady gelegenheid om zijn kracht, en Wilson, om zijn vlugheid ten toon te spreiden. Die beide dappere Schotten overtroffen zich zelven; menigmaal zou de kleine troep, zonder hun opoffering en hun moed, den togt hebben moeten staken. Glenarvan verloor den jongen Robert niet uit het oog, die door zijn jeugd en zijn levendigheid vaak tot onbezonnenheid oversloeg. Paganel ging met echt fransche woede vooruit. Wat den majoor betreft, deze bewoog zich slechts zooveel als noodig was, niet meer, maar ook niet minder, en zijn stijgende beweging was zoo goed als onmerkbaar. Bespeurde hij, dat hij reeds verscheidene uren achtereen aan het klimmen was? dat is niet zeker. Misschien verbeeldde hij zich wel, dat hij daalde.
Des morgens ten vijf ure bewees de waarneming van den barometerstand, dat de reizigers een hoogte van zeven duizend vijf honderd voeten bereikt hadden. Zij waren nu op de voorliggende bergvlakken, de uiterste grens van den boomgroei. Er huppelden eenige dieren rond, die een jager gelukkig of rijk zouden gemaakt hebben; die vlugge dieren wisten het wel, want zij vlugtten, zoodra zij van verre menschen zagen naderen. Het was het lama, een kostbaar dier in het gebergte, dat het schaap, het rund en het paard vervangt, en leeft, waar het muildier niet leven kan. Het was de chinchilla, een zachtzinnig en vreesachtig knaagdiertje, rijk aan bont, dat het midden houdt tusschen den haas en den springhaas, en wien zijn achterpooten het voorkomen van een kangoeroe geven. Een alleraardigst gezigt levert dit vlugge diertje op, wanneer het evenals een eekhoorntje over de toppen der boomen loopt.
Des morgens ten vijf ure bewees de waarneming van den barometerstand, dat de reizigers een hoogte van zeven duizend vijf honderd voeten bereikt hadden.

"Het is nog geen vogel," zeide Paganel; "maar het is toch geen viervoetig dier meer."
En toch waren die dieren nog geenszins de laatste bewoners van het gebergte. Ter hoogte van negen duizend voeten, op de grens der eeuwige sneeuw, leefden nog onvergelijkelijk schoone herkaauwende dieren gezellig bijeen: de alpaca met zijn lang en zijdeachtig haar, ook die soort van geiten zonder horens, sierlijke en fiere dieren met fijne wol, die de natuurkundigen vicunna's noemen. Maar men behoefde er niet aan te denken om ze te naderen, ter naauwernood lieten ze zich even zien; ze vloden ijlings weg en gleden zonder geraas over het schitterend witte tapijt.
Op deze hoogte was het voorkomen der streek geheel veranderd. Groote en glinsterende ijsblokken, hier en daar met een blaauwachtige tint, verrezen aan alle kanten en weerkaatsten de eerste stralen der opgaande zon. Nu werd de beklimming zeer gevaarvol. Men durfde geen voet meer verzetten zonder den grond naauwkeurig te onderzoeken, ten einde de kloven te ontdekken. Wilson had zich aan het hoofd van het gezelschap gesteld, en onderzocht met den voet de oppervlakte der gletschers. Zijn makkers drukten naauwkeurig zijn voetstappen en vermeden luide gesprekken; want het geringste geraas, dat de luchtlagen in beweging bragt, kon den val der sneeuwmassa's veroorzaken, die zeven a acht honderd voet boven hun hoofd hingen.
Zij waren nu in het gewest der heesters gekomen, die, twee honderd vijftig vademen hooger hun plaats moesten afstaan aan de grasgewassen en de cactussen. Ter hoogte van elf duizend voet hielden ook deze planten op den naakten bodem te bedekken, en ieder spoor van plantengroei verdween. De reizigers hadden maar eens, ten acht ure, stil gehouden om hun krachten door een korten maaltijd te herstellen, en met bovenmenschelijken moed begonnen zij weder te klimmen, daarbij steeds toenemende gevaren trotseerende. Zij moesten over scherpe rotspunten en onpeilbare afgronden heen. Op vele plaatsen waren houten kruisen langs den weg opgerigt, ter aanduiding van de plekken, waar talrijke ongelukken plaats hadden gehad. Tegen twee ure bereikten zij een onmetelijk bergvlak, zonder eenig spoor van plantengroei, een soort van woestijn, die zich tusschen kale rotsen uitstrekte. De lucht was droog, de hemel had een hard blaauwe kleur; op deze hoogten regent het nooit, en de dampen worden alleen in sneeuw of in hagel opgelost. Hier en daar boorden eenige porfier- of basaltspitsen door het witte lijklaken, gelijk de beenderen van een geraamte, en van tijd tot tijd vielen brokken kwarts of gneis, door den invloed der lucht verweerd, in gruis met een zwak geraas, dat door de ijlheid van den dampkring bijna onhoorbaar was.
Intusschen waren de krachten van den kleinen troep, hoe moedig ook, geheel uitgeput. Toen lord Edward de uitputting zijner reisgenooten bemerkte, speet het hem, dat hij zich zoover op den berg had gewaagd. De kleine Robert verzette zich tegen de vermoeijenis, maar kon niet verder.
Ten drie ure bleef Glenarvan staan.
"Wij moeten rust nemen," zeide hij; want hij zag wel, dat niemand dit voorstel zou doen.
"Rust nemen?" antwoordde Paganel, "maar wij hebben geen dak."
"Het moet toch, al was het alleen ter wille van Robert."
"Wel neen, mylord!" antwoordde de moedige knaap, "ik kan nog verder gaan ... houdt u niet o....""
"Wij zullen u dragen, mijn jongen!" antwoordde Paganel; "maar wij moeten, wat het ook kosten moge, de oostelijke helling bereiken. Daar zullen wij misschien een nachtverblijf in een hut vinden. Ik vraag nog een togt van twee uren."
"Vindt gij dat allen goed?" vroeg Glenarvan.
"Ja!" antwoordden zijn reisgenooten.
Mulrady voegde er bij:
"Ik belast mij met het kind."
En men ging weder in een oostelijke rigting verder; de beklimming werd nog gedurende twee vreeselijke uren voortgezet. Men klom maar altijd door om de hoogste bergtoppen te bereiken. De verdunning der lucht veroorzaakte die pijnlijke beklemdheid, bekend onder den naam van "puna." Het bloed zijpelde uit het tandvleesch en de lippen ten gevolge van het verbroken evenwicht der lucht, en misschien ook onder den invloed der sneeuw, die op een aanzienlijke hoogte den dampkring, zooals bewezen is, bederft. Door een versnelde inademing moest men het gebrek aan digtheid vergoeden om den bloedsomloop gaande te houden, hetgeen niet minder vermoeijend was dan de weerkaatsing der zonnestralen op de sneeuwhoopen. Hoe sterk ook de wilskracht dier moedige mannen ware, toch kwam het oogenblik, waarop de krachtigsten bezweken, en de duizeligheid, die verschrikkelijke plaag op de bergen, vernietigde niet alleen hun ligchaamskrachten, maar ook hun zedelijke kracht. Niet straffeloos kan men tegen vermoeijenissen van dien aard worstelen. Weldra vielen zij telkens, en degenen die vielen konden slechts verder gaan door op hun knieën voort te kruipen.
De uitputting zou dus weldra een eind gemaakt hebben aan deze te lang voortgezette beklimming, en Glenarvan overzag niet zonder schrik het eindelooze sneeuwkleed, de koude, die het op dit noodlottige gewest deed nederdalen, de schaduw, die naar die woeste toppen opsteeg, het gebrek aan een nachtverblijf, toen de majoor hem tegenhield en op een kalmen toon zeide: "Eene hut."
XIII.
De afdaling van de Cordillera.
Ieder ander dan Mac Nabbs zou honderdmaal voorbij, om, ja zelfs over die hut gegaan zijn, zonder haar bestaan te vermoeden. Een verhevenheid van het sneeuwtapijt onderscheidde haar naauwelijks van de omringende rotsen. Eerst moest men de sneeuw wegruimen. Na een half uur onafgebroken doorgewerkt te hebben, hadden Wilson en Mulrady eindelijk den ingang der "casucha" vrij gemaakt, en het kleine gezelschap haastte zich om er bezit van te nemen.
Die hut, door de Indianen gebouwd, was gemaakt van "adobes," een soort van in de zon gebakken steenen; zij had de gedaante van een kubus van twaalf voet lang, en verhief zich op den top van een basaltblok. Een steenen trap voerde naar de deur, de eenige opening van het stulpje, en hoe naauw zij ook ware, wisten de orkanen, de sneeuw of de hagel zich er toch wel een weg door te banen, wanneer de storm in het gebergte was losgelaten.
Tien menschen konden er gemakkelijk plaats in vinden, en waren haar wanden al niet waterdigt genoeg in den regentijd, nu beschermden zij althans eenigzins tegen de snerpende koude, die volgens den thermometer tien graden onder nul bedroeg. Ook verschafte een soort van haard met een pijp van zeer slecht zamengevoegde steenen gelegenheid om vuur aan te leggen, en zich behoorlijk tegen de koude der buitenlucht te beschermen.
"Dit verblijf is voldoende," zeide lord Edward, "al is het juist niet gemakkelijk ingerigt. De Voorzienigheid heeft ons hierheen geleid, en het eerste wat wij doen moeten, is Haar er voor te danken."
"Maar het is een paleis," antwoordde Paganel. "Er ontbreken slechts schildwachten en hovelingen aan. Wij zijn hier bijzonder goed gehuisvest."
"Vooral wanneer er een goed vuur aan den haard zal knetteren," zeide Tom Austin; "want wij hebben niet alleen honger, maar zijn ook verschrikkelijk koud, geloof ik, en wat mij aangaat, een flinke takkebos zou mij meer opvrolijken dan een stuk wildbraad."
"Als dat zoo is, Tom!" antwoordde Paganel, "zullen wij ons best doen om brandstoffen te vinden."
"Brandstoffen op den top der Cordillera's!" zeide Mulrady, terwijl hij met een ongeloovig gezigt het hoofd schudde.
"Dat men een schoorsteen in deze hut gemaakt heeft," antwoordde de majoor, "is waarschijnlijk, omdat men hier wel iets te branden vindt."
"Onze vriend Mac Nabbs heeft gelijk," zeide Glenarvan; "maakt alles voor het avondeten gereed; ik zal houthakker zijn."
"Wilson en ik gaan met u mede," antwoordde Paganel.
"Als ik soms van dienst kan zijn?..." zeide Robert opstaande.
"Neen! rust maar uit, wakkere knaap!" antwoordde Glenarvan. "Gij zult een man zijn op een leeftijd, waarop anderen nog maar kinderen zijn!"
Glenarvan, Paganel en Wilson verlieten de hut. Het was zes ure des avonds. De koude was doordringend, ofschoon het doodstil was. De blaauwe kleur der lucht werd reeds donker, en de laatste zonnestralen beschenen nog maar even de hooge punten van de bergvlakken der Andes. Paganel, die zijn barometer had mede genomen, raadpleegde hem, en zag, dat het kwik op 49.5 duim staan bleef. De stand der kwikkolom kwam overeen met een hoogte van elf duizend zeven honderd voet. Dit gedeelte der Cordillera's was dus slechts negen honderd ellen lager dan de Mont-Blanc. Hadden deze bergen dezelfde moeijelijkheden opgeleverd als die fransche reus, of waren slechts de orkanen en wervelwinden tegen hen losgelaten, dan zou geen enkele onzer reizigers de groote keten der Nieuwe Wereld overgekomen zijn.
Op een porfierbergje gekomen, wendden Glenarvan en Paganel hun blikken naar alle punten van den gezigteinder.
Zij bevonden zich nu op den top van de sneeuwvelden der Cordillera, en overzagen een ruimte van vijftig vierkante mijlen. Ten oosten gingen de hellingen in een zachte glooijing over, langs welke de inlanders zich honderden vademen ver laten afglijden. Overlangsche strooken steenen en zwerfblokken, die door het voortschuiven der gletschers verplaatst waren, vormden in de verte onmetelijke strepen van kleiachtig puin. Reeds werd het dal van de Colorado hoe langer hoe meer in de schaduw, door de ondergaande zon veroorzaakt, gehuld; de verhevenheden van den grond, de uitstekende punten, de naalden en spitsen, door haar stralen beschenen, werden langzamerhand onzigtbaar, en allengs strekte de duisternis zich over de geheele oostelijke helling der Andes uit. In het westen bescheen het licht de voorbergen nog, die den loodregten wand der westelijke zijden schragen. Het oog werd verblind, als het op de rotsen en gletschers staarde, die zich baadden in de stralen van de zon. Ten noorden golfde een rij van toppen, die onmerkbaar ineensmolten en als het ware een lijn vormden, die door een bevende en onbedrevene hand was getrokken. Het oog kon ze niet van elkander onderscheiden. Maar ten zuiden werd het tooneel daarentegen prachtig, en bij het vallen der duisternis nam het grootsche afmetingen aan. Wanneer men in het woeste dal van de Torbido nederzag, kon men den Antuco overzien, wiens ontzaggelijke krater zich twee mijlen verder opende. De vulkaan loeide als een ontzaggelijk monster, gelijk aan de Leviathans van den voortijd, en braakte vurige rookzuilen uit, vermengd met stroomen van roetachtige vlammen. De geheele kring van omringende bergen scheen in brand te staan; hagelbuijen van witgloeijende steenen, wolken van roodachtige dampen, vuurpijlen van lava, vereenigden zich tot vonkelende schoven. Een ontzaggelijke glans, die ieder oogenblik helderder werd, een verblindende vlam, vervulde dien wijden omtrek met zijn sterken weerschijn, terwijl de zon, langzamerhand van haar schemerlicht beroofd, als een uitgedoofde ster in de schaduwen aan den gezigteinder verdween.
Paganel en Glenarvan zouden welligt lang verdiept zijn gebleven in de beschouwing van die prachtige worsteling tusschen het vuur des hemels en het vuur der aarde; de geimproviseerde houthakkers maakten plaats voor de kunstenaars; maar Wilson, die minder met al dat schoon ophad, riep hen tot de werkelijkheid terug. Hout was er wel niet, maar gelukkig waren de rotsen met dun en droog korstmos bekleed; zij verzamelden een aanzienlijken voorraad daarvan, alsmede van een zekere plant, "llaretta" geheeten, welker wortel redelijk wel kon branden. Zoodra die kostelijke brandstof in de hut was gebragt, wierp men ze op den haard. Het kostte vrij wat moeite om het vuur aan te maken, maar nog meer om het aan te houden. De zeer verdunde lucht leverde niet genoeg zuurstof meer aan de vlam; althans de majoor gaf die reden op.
"Tot vergoeding," voegde hij er bij, "zal het water niet tot honderd graden verwarmd behoeven te worden om te koken; wie hun koffij gaarne zetten met water van honderd graden zullen het er buiten moeten doen; want op deze hoogte kookt het water reeds onder de negentig graden."[1]
Mac Nabbs vergiste zich niet; toen men den thermometer, zoodra het water kookte, in den ketel dompelde, wees hij slechts zeven en tachtig graden. Met smaak dronk elk eenige teugen kokend heete koffij; maar het gedroogde vleesch vond men wel wat ontoereikend, hetgeen Paganel aanleiding gaf om de volgende even gegronde als nuttelooze opmerking te maken.
"Drommels!" zeide hij, "ik moet bekennen, dat een stuk geroosterd lamavleesch niet te versmaden zou zijn. Men zegt, dat dit dier het rund en het schaap vervangt, en nu zou ik wel willen weten, of men daarmede bedoelt als voedingsmiddel."
"Wat!" riep de majoor, "zijt gij niet tevreden met ons avondeten, geleerde Paganel?..."
"Ik ben in de wolken, dappere majoor! maar toch houd ik vol, dat een schotel wildbraad welkom zou zijn.
"Gij zijt een Sybariet," zeide Mac Nabbs.
"Dat spreek ik niet tegen, majoor! maar gij moogt zeggen wat gij wilt, gij zoudt ook niet zuur kijken, als er een biefstuk vóór u stond!"
"Dat geloof ik ook niet!" antwoordde de majoor.
"En als men u verzocht om, in weerwil van de koude en de duisternis, op den loer te gaan staan, zoudt gij dan zonder bedenken gaan?"
"Ongetwijfeld, en als gij het verlangt...."
De makkers van Mac Nabbs hadden niet eens tijd gehad om hem te bedanken en zijn al te driftige voorkomendheid wat te beteugelen, toen zich in de verte een gehuil deed hooren, dat lang aangehouden werd. Het waren geen kreten van enkele dieren, maar van een geheele kudde, die met snelheid naderde. Zou de Voorzienigheid soms, na eerst een nachtverblijf bezorgd te hebben, ook nog in het avondeten willen voorzien? Die gedachte kwam bij den aardrijkskundige op. Maar Glenarvan bragt zijn vreugde een weinig tot bedaren door de opmerking, dat men op die hoogte geen viervoetige dieren op de Cordillera aantreft.
"Waar komt dat geraas dan vandaan?" vroeg Tom Austin. "Hoort gij wel, hoe nabij het komt?"
"Zou het een lawine zijn?" vroeg Mulrady.
"Dat is onmogelijk! Het is niets anders dan gehuil," antwoordde Paganel.
"Laten wij eens gaan zien!" zeide Glenarvan.
"En laten wij als jagers gaan zien!" voegde de majoor er bij, die zijn karabijn reeds greep.
Allen stormden de hut uit. De duisternis van den nacht werd alleen verminderd door het licht der sterren. De maan, die in het laatste kwartier was, was nog niet op. De noordelijke en oostelijke toppen verdwenen in de duisternis, en alleen het tooverachtig schaduwbeeld van eenige zeer hooge rotsen kon het oog nog waarnemen. Het gehuil,—een gehuil van ontstelde dieren,—werd hoe langer hoe sterker. Zij kwamen van het donkere gedeelte der Cordillera's. Wat ging daar om? Plotseling naderde een woedende lawine, maar een lawine van levende en van schrik waanzinnige wezens. Het geheele bergvlak scheen te dreunen. Er kwamen honderden, duizenden misschien van die dieren, welke in weerwil van de ijlheid der lucht een oorverdoovend geraas maakten. Was het rood wild uit de pampa's of eenvoudig een troep lama's en vicunna's? Glenarvan, Mac Nabbs, Robert, Austin en de beide matrozen hadden naauwelijks den tijd om zich ter aarde te werpen, terwijl die levende wervelwind eenige voeten boven bun hoofd voorttrok. Paganel, die als nachtziende was blijven staan om beter te zien, werd in een oogwenk omvergeworpen.
Tegelijk hoorde men een vuurwapen losbranden. De majoor had op de gis geschoten. Het kwam hem voor, alsof er een dier digt bij hem nederviel, terwijl de geheele troep door zijn onweerstaanbare vaart medegesleept en nog veel sterker huilende, op de hellingen verdween, die door den weerschijn van den vulkaan verlicht werden.
"Ha! ik heb hem!" zeide een stem,—die van Paganel.
"Wat hebt gij?" vroeg Glenarvan.
"Wel, mijn bril! Men mag zich gelukkig achten, als men in zulk een verwarring alleen zijn bril verliest!"
"Gij zijt toch niet gekwetst?..."
"Neen! alleen heb ik een trap gehad. Maar van wien?"
"Hiervan," antwoordde de majoor, die het beest, dat hij geveld had, voortsleepte.
Een ieder haastte zich om de hut weder te bereiken, en bij het schijnsel van het vuur onderzocht men het "schot" van Mac Nabbs.
Het was een mooi dier, dat op een kleinen kameel zonder bult geleek; het had een fijnen kop, een plat ligchaam, lange en tengere pooten, fijn, geel haar, en witte vlekken onder aan den buik. Naauwelijks had Paganel het gezien, of hij riep:
"Het is een guanacha!"
"Wat is een guanacha?" vroeg Glenarvan.
"Een dier, dat men eten kan," antwoordde Paganel.
"En smaakt het goed?"
"Dat geloof ik. Het is godenspijs. Ik wist wel, dat wij versch vleesch voor ons avondeten zouden hebben. En welk vleesch! Maar wie zal het dier slagten?"
"Dat zal ik wel doen," zeide Wilson.
"Goed, en ik zal het roosteren," antwoordde Paganel.
"Zijt gij dan een kok, mijnheer Paganel?" vroeg Robert.
"Dat zou ik haast denken, mijn jongen! ik ben immers een Franschman! In een Franschman steekt altijd een kok!"
Vijf minuten later leide Paganel breede sneden wildbraad op de kolen van den wortel der llaretta. Tien minuten daarna diende hij aan zijn reisgenooten dat zeer smakelijk uitziende vleesch voor onder den naam van "reepen van guanacha." Niemand liet zich lang noodigen, en allen zetten er met graagte de tanden in.
Maar tot groote verbazing van den aardrijkskundige werd de eerste mondvol ontvangen met een leelijk gezigt en een eenstemmig "ba!"
"Het is afschuwelijk!" zeide de een.
"Het is niet eetbaar!" riep de ander.
Hoezeer het hem ook speet, moest de arme geleerde toch bekennen, dat dit geroosterd vleesch niet gebruikt kon worden, zelfs niet door uitgehongerden. Men begon dan ook den draak met hem te steken, hetgeen hij zich goedwillig liet aanleunen, en zijn "godenspijs" te beschimpen; hij zelf echter zocht naar de oorzaak, waarom dat guanacha-vleesch, dat werkelijk goed en zeer geacht is, onder zijne handen zoo afschuwelijk was geworden, toen hem een onverwachte opmerking te binnen schoot.
"Ik ben er achter!" riep hij. "Voor den drommel! ik ben er achter! ik heb het gevonden!"
"Was het vleesch misschien te veel aangestoken?" vroeg Mac Nabbs zeer bedaard.
"Neen! onverdragelijke majoor! maar het was vleesch, dat te veel geloopen had! Dat ik daaraan niet gedacht heb!"
"Wat bedoelt gij daarmede, mijnheer Paganel?" vroeg Tom Austin.
"Ik bedoel, dat de guanacha alleen dan goed is, wanneer hij in den slaap gedood is; als men hem lang jaagt, als hij lang achtereen loopt, is zijn vleesch niet eetbaar meer. Uit den smaak blijkt dus, dat dit dier, en bij gevolg de geheele kudde, van verre kwam."
"Zijt gij daarvan zeker?" zeide Glenarvan.
"Ik ben er stellig zeker van."
"Maar welk voorval, welk natuurverschijnsel heeft die dieren zoo kunnen verschrikken en hen opjagen op een uur, dat zij rustig in hun leger moesten slapen?"
"Op die vraag, waarde Glenarvan!" zeide Paganel, "moet ik u het antwoord schuldig blijven; en mij dunkt, dat wij niet beter kunnen doen, dan er ons hoofd niet mede te breken en te gaan slapen. Ik kan de oogen niet langer open houden. Keurt gij het ook niet goed, majoor?"
"Ja, Paganel! laten wij gaan slapen."
Hierop wikkelden allen zich in hun mantel, het vuur werd goed voorzien, en spoedig ging er in alle toonen en in allerlei maat een geducht gesnork op, waar tusschen de bas van den geleerden aardrijkskundige de harmonie bewaarde.
Edward Glenarvan alleen sliep niet. Een heimelijke onrust hield hem in een staat van vermoeijende slapeloosheid. Hij dacht onwillekeurig aan die kudde, welke in ééne rigting voortvlugtte, aan haar onverklaarbaren schrik. De guanacha's konden niet door rood wild vervolgd worden. Op deze hoogte is het niet, en nog veel minder zijn er jagers. Welke angst dreef hen dan naar de afgronden van den Antuco, en wat was er de oorzaak van? Glenarvan had een voorgevoel van een naderend gevaar.
Onder den invloed eener halve slaperigheid werden zijn denkbeelden echter langzamerhand gewijzigd, en de vrees maakte plaats voor hoop. Hij zag, hoe hij des anderen daags in de vlakte der Andes zou zijn. Daar zouden de nasporingen eerst regt beginnen, en was de goede uitslag misschien niet ver af. Hij dacht aan kapitein Grant, aan diens beide matrozen, die uit een harde slavernij verlost zouden worden. Die beelden gingen snel in zijn geest voorbij, daar zij telkens verstrooid werden door het geknetter van het vuur, door een vonk, die knappend omhoog steeg, door een heldere vlam, die het gelaat zijner slapende makkers verlichtte en een schaduw langs de wanden der hut deed gaan. Daarna keerde zijn voorgevoel met meer kracht terug. Hij hoorde een onduidelijk geraas daar buiten, dat hij op die eenzame toppen moeijelijk kon verklaren.
Eens meende hij in de verte een dof en dreigend gerommel op te vangen, gelijk aan het ratelen van een donder, die niet uit de lucht kwam. Dat gerommel nu kon alleen veroorzaakt worden door een storm, die op de zijden des bergs, eenige duizenden voeten onder zijn top woedde. Glenarvan wilde het onderzoeken en verliet de hut.
De maan ging juist op. De dampkring was zuiver en stil. Geen wolkje was er boven noch beneden te zien. Hier en daar slechts bewoog zich de weerschijn der vlammen van den Antuco. Geen onweder, geen weerlicht was er aan de lucht. In het toppunt schitterden duizenden sterren. En toch duurde het gerommel maar altijd voort; het scheen te naderen en door de keten der Andes voort te loopen. Glenarvan ging nog ongeruster naar binnen, zich afvragende welk verband er bestond tusschen dat onderaardsche gerommel en de vlugt der guanacha's. Was er een uitwerksel en een oorzaak aanwezig? Hij zag op zijn horlogie, dat op twee uur stond.
Daar hij echter niet zeker was, dat er een gevaar naakte, wekte hij zijn makkers niet, die de vermoeidheid vast had doen inslapen, en hij verviel zelf in eene loome dommeling, die verscheidene uren aanhield.
Eensklaps deed een geweldig geraas hem overeind vliegen. Het was een oorverdoovend leven, te vergelijken met het hortend en stootend gedruisch, dat ontelbare kruidwagens, die over een helder klinkend plaveisel rijden, zouden maken. Plotseling gevoelde Glenarvan, dat de grond onder hem wegzonk; hij zag de hut slingeren en splijten.
"Op! op!" riep hij uit.
Zijne makkers werden allen wakker, over elkander heen geworpen, en langs een schrikwekkende schuinte medegesleept. De zon, die juist opging, bescheen een akelig tooneel. De gedaante der bergen veranderde in een oogwenk; de kegels werden afgeknot; de wankelende spitsen verdwenen, alsof er onder haar een luik werd geopend. Ten gevolge van een aan de Cordillera's eigen natuurverschijnsel[2], werd een geheele streek, ter breedte van verscheidene mijlen, verplaatst en gleed zij naar de vlakte.
"Een aardbeving!" riep Paganel.
Hij vergiste zich niet. Het was een van die veelvuldige omkeeringen op de bergachtige grens van Chili, en juist in dienzelfden omtrek, waarin Copiapo tweemaal verwoest en Santiago in veertien jaren viermaal het onderst boven gekeerd is. Dit gedeelte van den aardbol wordt door het inwendige vuur ondermijnd, en de vulkanen van deze nog jonge bergketen zijn slechts ontoereikende veiligheidskleppen voor de onderaardsche dampen. Dat is de oorzaak dier onophoudelijke schokken, bekend onder den naam van "temblores".
Het bergvlak, waaraan zeven mannen, verdoofd en verschrikt, hangende aan bosjes korstmossen, zich vastklemden, gleed intusschen met de vaart van een sneltrein, d.i. met een snelheid van vijftig mijlen in het uur. Het was even onmogelijk om te roepen, als om een beweging te maken ten einde te vlugten of zijn val te stuiten. Men zou elkander toch niet hebben kunnen verstaan. Het inwendig gerommel, het geraas der lawinen, de schok der graniet- en basaltmassa's, de ronddwarrelende sneeuw, zoo fijn als stof, maakten de minste woordenwisseling onmogelijk. Nu eens zakte het gesteente zonder horten of stooten; dan weder slingerende en stampende, gelijk het dek van een schip in een holle zee, langs afgronden gaande, waarin brokken van den berg nederstortten, of de eeuwenoude boomen ontwortelende, maakte het met de naauwkeurigheid eener onmetelijke zeis al de uitstekende punten der oostelijke helling effen en gelijk.
Het bergvlak, ..., gleed intusschen met de vaart van een sneltrein...

Men verbeelde zich de kracht eener massa van verscheidene duizend millioenen tonnen zwaarte, met steeds toenemende snelheid voortgeschoven onder een hoek van vijftig graden!
Niemand zou kunnen berekenen hoe lang die onbeschrijfelijke val wel duurde. Niemand durfde voorzien in welken afgrond hij gestuit zou worden. Of allen nog levend bijeen waren, dan of een hunner reeds op den bodem van een afgrond lag, kon niemand nog zeggen. Door de snelheid hunner vaart verdoofd, door de koude lucht, die hen doordrong, verstijfd, door de sneeuwjagt verblind, snakten zij naar verademing, waren zij magteloos, bijna levenloos, en hielden zij zich alleen uit een instinct van zelfbehoud aan de rotsen vast.
Plotseling slingerde een allerhevigste schok hen van hun glijdend voertuig af. Zij werden vooruit geworpen en rolden op de laatste bergranden neder. Het bergvlak bleef onbewegelijk liggen.
Het duurde eenige minuten eer iemand zich bewoog. Eindelijk stond er een op, wel verdoofd door den val, maar toch nog krachtig,—de majoor. Hij schudde het stof, dat hem verblindde, van zich af en zag in het rond. Zij lagen in een kleinen kring over elkander, gelijk de hagel uit een geweer.
De majoor telde ze. Zij waren er allen, op één na. De ontbrekende was Robert Grant.
XIV.
Een gelukkig geweerschot.
De oostelijke zijde van de Cordillera de los Andes bestaat uit zachte glooijingen, die ongemerkt in de vlakte uit loopen. Daar was een gedeelte van het vaste gesteente plotseling blijven liggen. In deze nieuwe streek met digt gras begroeid, met prachtige boomen bedekt, droegen tallooze appelboomen, die ten tijde der verovering geplant waren en geheele bosschen vormden, hun goudgele vruchten. Het was een hoek van het weelderige Normandië in het zilverland neergesmeten, en onder iedere andere omstandigheid zou het oog eens reizigers getroffen geweest zijn door dien plotselingen overgang uit de woestijn in de oasis, van de besneeuwde bergtoppen in de groene weiden, van den winter in den zomer.