← Table of contents
De kinderen van Kapitein Grant, eerste deel (van 3)

JULES VERNE. (continued 3)

Reading edition

De grond was weder even onbewegelijk geworden als altijd. De aardbeving was afgeloopen, en zonder twijfel oefenden de onderaardsche krachten haar verwoestende werking nu verder uit; want de Andes-keten schudt en beeft altijd hier of daar. Ditmaal was de schudding allerhevigst geweest. De berglijn was geheel gewijzigd. Een nieuw panorama van toppen, kammen en pieken teekende zich af op den blaauwen grond des hemels, en de gids uit de pampa's zou er te vergeefs naar zijn gewone herkenningspunten gezocht hebben.

De dag beloofde zeer schoon te zullen zijn; de stralen der zon, die haar vochtig bed in de Stille Zuidzee had verlaten, gleden over de argentijnsche vlakten en dompelden zich reeds in de golven van den Atlantischen Oceaan. Het was acht ure in den morgen.

Door de zorg van den majoor weder bijgebragt, kwamen Edward Glenarvan en diens makkers langzamerhand in het leven terug. Het bleek nu, dat zij met een verschrikkelijke verdooving vrij waren gekomen. Zij waren van de Cordillera afgedaald, en zouden reden gehad hebben om zich te verheugen over het snelle middel van vervoer, door de natuur bekostigd, hadden zij niet een hunner, en wel de zwakste, een kind, Robert Grant gemist.

Allen beminden dien wakkeren knaap: Paganel, die zich bijzonder aan hem gehecht had, de majoor ondanks zijn koelheid, allen, maar vooral Glenarvan. Deze was wanhopend, toen hij de verdwijning van Robert vernam. Hij stelde zich voor, hoe het arme kind in den een of anderen afgrond weggezonken zou zijn, en hoe hij te vergeefs om hem roepen zou, dien hij zijn tweeden vader noemde.

"Vrienden! vrienden!" zeide hij, met moeite zijn tranen bedwingende, "wij moeten hem zoeken, wij moeten hem terug vinden! Wij kunnen hem zoo niet aan zijn lot overlaten! Geen vallei, geen kloof, geen afgrond mogen wij ondoorzocht laten! Gij moet mij een touw om het lijf binden! Gij moet mij aflaten! Ik wil het, hoort gij? ik wil het! De Hemel geve, dat Robert nog leeft, en ik zal hem redden! Hoe zouden wij zonder hem zijn vader durven opzoeken, en welk regt hebben wij om kapitein Grant te redden, wanneer het geschieden moet ten koste van het leven zijns zoons?"

De reisgenooten van Glenarvan hoorden hem sprakeloos aan; zij gevoelden, dat hij een straal van hoop in hun blikken trachtte te vinden, en sloegen de oogen neder.

"Welnu!" hervatte lord Edward, "gij verstaat mij, en gij zwijgt! Koestert gij dan geen hoop meer, ook niet de geringste?"

Er heerschte eenige oogenblikken een diepe stilte, tot Mac Nabbs het woord opvatte en zeide:

"Wie uwer, mijne vrienden! herinnert zich, wanneer Robert verdwenen is?"

Op die vraag volgde geen antwoord.

"Gij zult mij dan toch wel kunnen zeggen," vervolgde de majoor, "wie het kind naast zich had bij de afdaling van de Cordillera?"

"Ik," antwoordde Wilson.

"Welnu, tot wanneer hebt gij hem naast u gezien? Bedenk u wel! Spreek!"

"Ik herinner mij alleen," antwoordde Wilson, "dat Robert Grant, terwijl hij met de hand krampachtig een bosje korstmos vasthield, geen twee minuten vóór den schok, die een einde aan onze afdaling maakte, nog naast mij was."

"Geen twee minuten! Bedenk u wel, Wilson! de minuten hebben u zeker wat lang toegeschenen! Vergist gij u niet?"

"Ik geloof, dat ik zeker ben van hetgeen ik zeg.... Ja, het is zoo ... geen twee minuten!"

"Goed!" zeide Mac Nabbs. "En was Robert aan uw linker- of aan uw regterzijde?"

"Aan mijn linkerzijde. Ik herinner mij, dat zijn mantel mij in het aangezigt woei."

"En in welke rigting bevondt gij u met betrekking tot ons?..."

"Ook ter linkerzijde."

"Dus heeft Robert alleen aan deze zijde kunnen verdwijnen," zeide de majoor zich naar den berg wendende en deszelfs regterzijde aanwijzende. "Ik voeg er bij, dat, den tijd in aanmerking genomen, die sedert zijn verdwijning verloopen is, het kind gevallen moet zijn op dat gedeelte van den berg, dat zich bevindt tusschen den voet en eene hoogte van twee mijlen. Daar moeten wij zoeken; wij zullen ons naar verschillende punten begeven, en dan zullen wij hem zeker terug vinden."

Geen woord werd er verder gewisseld. De zes mannen bestegen de Cordillera, plaatsten zich op haar rug op verschillende hoogten en begonnen hun nasporingen. Zij bleven steeds ter regterzijde van de lijn van nederdaling, doorzochten de geringste scheuren, daalden op den bodem der afgronden neder, die gedeeltelijk gedempt waren door de brokken van het vaste gesteente, en meer dan één hunner kwam er uit te voorschijn met gescheurde kleederen en bebloede handen en voeten, na zijn leven te hebben blootgesteld. Behalve eenige ontoegankelijke bergvlakken, werd dit gedeelte der Andes uren lang naauwkeurig onderzocht, zonder dat een van die moedige lieden er aan dacht om rust te nemen. Vergeefsche moeite. Het kind had niet alleen den dood in den berg gevonden, maar ook een graf, welks zerk, uit het een of ander ontzaggelijk rotsblok bestaande, zich voor eeuwig boven hem gesloten had.

Tegen één ure waren Glenarvan en zijne reisgezellen, uitgeput en afgemat, weder op den bodem van het dal bijeen. Lord Edward was aan een hevige smart ter prooi; hij sprak naauwelijks, en alleen deze woorden, door snikken afgebroken, kwamen over zijne lippen:

"Ik zal niet heengaan! Ik zal niet heengaan!"

Allen begrepen die stijfhoofdigheid, welke tot een vaststaand denkbeeld was geworden, en eerbiedigden ze.

"Laten wij wachten," zeide Paganel tot den majoor en tot Tom Austin. "Laten wij wat uitrusten en onze krachten herstellen. Wij hebben ze noodig, of om onze nasporingen te vernieuwen, of om onzen weg te vervolgen."

"Ja!" antwoordde Mac Nabbs, "wij zullen blijven, omdat Edward het verlangt! Hij hoopt. Maar wat hoopt hij?"

"God weet het!" zeide Tom Austin.

"Arme Robert!" antwoordde Paganel, zich de oogen afdroogende.

Er groeiden een menigte boomen in het dal; de majoor koos een groep hooge St. Jansbroodboomen, waaronder hij een voorloopige legerplaats liet opslaan. Eenige dekens, de wapens, een weinig gedroogd vleesch en rijst, was alles, wat de reizigers over hadden gehouden. Niet verre van daar stroomde een beekje, welks door de lawine nog min of meer troebel water in de eerste behoefte voorzag. Mulrady ontstak vuur op het gras, en spoedig kon hij zijn heer een warme en verkwikkende drank aanbieden. Glenarvan weigerde ze, en bleef van alle kracht beroofd op zijn mantel uitgestrekt liggen.

Zoo verstreek de dag. De volgende nacht was even kalm en stil als de voorgaande. Terwijl zijne makkers wel roerloos maar toch wakker lagen, beklom Glenarvan op nieuw de hellingen der Cordillera. Hij luisterde scherp, nog altijd hopende, dat een laatste kreet tot hem zou doordringen. Hij waagde zich, al was hij alleen, zeer ver bergop, leide zijn oor tegen den grond, luisterde en onderdrukte zelfs het kloppen van zijn hart, terwijl hij op een toon van wanhoop het kind riep.

Den geheelen nacht dwaalde de arme lord op den berg rond. Paganel en de majoor volgden hem beurtelings, gereed om hem hulp te bieden op de gladde rotspunten en aan den rand der afgronden, waarheen zijn nuttelooze onvoorzigtigheid hem voerde. Maar al zijn pogingen waren vergeefsch, en alleen de echo antwoordde op zijn duizendwerf herhaald geroep van "Robert! Robert!" door dien geliefden naam na te baauwen.

De zon ging op. Men moest Glenarvan van de verwijderde bergvlakken halen, en hem, hoewel tegen zijn zin, naar de legerplaats brengen. Zijn wanhoop was ontzettend. Wie zou tegen hem van vertrekken hebben durven spreken, en hem voorstellen om dat rampzalige dal te verlaten? Inmiddels raakten de levensmiddelen op. Digt bij zou men de argentijnsche gidsen, die de muilezeldrijver besteld had, en de paarden, die voor de reis door de pampa's noodig waren, ontmoeten. De terugtogt was met meer bezwaren verbonden dan het voortzetten der reis. Bovendien, de Duncan zou aan de kust van den Atlantischen Oceaan wachten. Al die gewigtige redenen gedoogden geen langer verwijl, en in aller belang mogt het uur van vertrek niet uitgesteld worden.

Mac Nabbs beproefde Glenarvan uit zijn smart op te beuren. Hij sprak lang, zonder dat zijn vriend hem scheen te verstaan. Glenarvan schudde het hoofd. Toch kwamen eenige woorden over zijne lippen.

"Vertrekken!" zeide hij.

"Ja! vertrekken."

"Nog één uur!" zeide lord Edward.

"Ja, nog één uur," antwoordde de waardige majoor.

En toen het uur om was, smeekte Glenarvan als een gunst om hem nog één uur toe te staan. Men zou gezegd hebben dat hij een veroordeelde was, die om verlenging zijns levens bad. Dat duurde zoo tot omstreeks twaalf ure. Toen aarzelde Mac Nabbs met aller goedkeuring niet langer, en zeide tot Glenarvan, dat zij moesten vertrekken, en dat het leven zijner reisgenooten van een snel besluit afhing.

"Ja! ja!" zeide lord Edward, "laten wij vertrekken!"

Maar terwijl hij zoo sprak, dwaalde zijn oog van Mac Nabbs af; zijn blik bleef op een zwarte stip in de lucht gevestigd. Eensklaps stak hij zijn hand omhoog, en bleef onbewegelijk staan, alsof hij versteend ware.

"Daar! daar!" zeide hij, "ziet! ziet!"

Allen wendden de oogen hemelwaarts en in de rigting, die hun zoo gebiedend werd aangewezen. Thans werd de zwarte stip zigtbaar grooter. Het was een vogel, die op een onmetelijken afstand in de lucht zweefde.

"Een condor," zeide Paganel.

"Wat zegt gij? een condor!" antwoordde Glenarvan.

"Wie weet? hij komt! hij daalt! wacht even!"

Wat hoopte lord Edward? Was zijn verstand verbijsterd? "Wie weet?" had hij gezegd! Paganel had goed gezien. De condor werd ieder oogenblik duidelijker zigtbaar. Die prachtige vogel, wien de Incas voorheen goddelijke eer bewezen, is de koning der zuidelijke Andes. In deze streken bereikt hij een buitengewone grootte. Zijn kracht is verbazend, en menigmaal stort hij runderen in den afgrond neder. Hij valt schapen, geiten en jonge kalveren, die in de vlakte rondloopen, aan, en voert ze in zijn klaauwen tot een verbazende hoogte. Niet zelden zweeft hij twintig duizend voet boven den grond, d.i. op een hoogte, die de mensch niet kan overschrijden. Van daar laat die koning der lucht, voor het beste gezigt onmerkbaar, zijn scherpen blik over de aarde weiden, en onderscheidt hij de geringste voorwerpen met een gezigtsvermogen, dat de verwondering der natuurkundigen opwekt.

Wat had die condor dan gezien? Een lijk! dat van Robert Grant. "Wie weet?", herhaalde Glenarvan, zonder hem uit het oog te verliezen. De ontzaggelijke vogel naderde, nu eens zwevende, dan weder met de snelheid van een vallend ligchaam nederdalende. Weldra beschreef hij, geen honderd vademen van den grond, met een grooten straal wijde cirkels. Men kon hem geheel onderscheiden. Op zijn krachtige vleugels dreef hij bijna zonder klapwieken op de lucht; want het is een eigenschap der groote vogels, dat zij met een majestueuse kalmte vliegen, terwijl de insecten om te blijven zweven wel duizendmaal in een seconde hun vlerkjes moeten uitslaan.

De majoor en Wilson hadden hun karabijn gegrepen. Glenarvan hield hen met een gebaar tegen. De condor beschreef in zijn vlugt kringen boven een soort van ontoegankelijk bergvlak, een kwartmijl hoog op de zijden der Cordillera gelegen. Hij draaide met een duizelingwekkende snelheid rond, opende en sloot zijn vreeselijke klaauwen, en schudde zijn kraakbeenigen kam.

"Daar! daar!" riep Glenarvan.

Daar schoot hem eensklaps een gedachte te binnen.

"Als Robert nog leeft!" riep hij op een toon van ontzetting, "dan zal die vogel.... Vuur! vrienden! vuur!" Maar het was te laat. De condor was reeds achter hooge, uitstekende rotspunten verdwenen. Er verliep een seconde, een seconde die wel een eeuw duurde! Daarna kwam de ontzaggelijke vogel zwaar beladen weder te voorschijn, en verhief zich langzaam in de lucht.

Een kreet van ontzetting ging er op. Men zag, hoe de condor een levenloos ligchaam, dat van Robert Grant, in zijn klaauwen heen en weer schudde. De vogel had zijn kleederen vast gegrepen, en bevond zich geen honderd vijftig voet boven de legerplaats; hij had de reizigers bemerkt en wilde met zijn zware prooi ontvlugten, waarom hij de luchtlagen hevig met zijn vleugels sloeg.

De vogel had Roberts klederen vastgegrepen...

De vogel had Roberts klederen vastgegrepen...
De vogel had Roberts klederen vastgegrepen...

"Ach!" riep Glenarvan, "ik zou liever zien, dat het lijk van Robert op deze rotsen verbrijzeld werd, dan dat het moest dienen...."

Hij voltooide den zin niet, en de karabijn van Wilson grijpende, wilde hij op den condor aanleggen. Maar zijn arm beefde. Hij kon zijn wapen niet stil houden. Zijn oogen werden verduisterd.

"Laat mij maar begaan," zeide de majoor.

En met een rustigen blik, een vaste hand en een onbewegelijk ligchaam mikte hij op den vogel, die reeds drie honderd voet van hem af was.

Maar hij had zijn karabijn nog niet afgedrukt, of daar klonk reeds een losbranding in het dal; tusschen twee basaltrotsen dwarrelde een witte rook, en de condor, in den kop getroffen, viel al ronddraaijende langzaam neder, door zijn grote uitgespreide vleugels opgehouden, die tot valscherm dienden. Hij had zijn prooi niet losgelaten, en viel vrij langzaam op den grond neder, op tien schreden afstands van de steile oevers der beek.

"Helpt! helpt!" riep Glenarvan.

En zonder te onderzoeken, vanwaar dat door de Voorzienigheid bestuurde schot gekomen was, snelde hij naar den condor. Zijn makkers volgden hem ijlings.

Toen zij aankwamen, was de vogel dood. Het ligchaam van Robert verdween onder zijn groote vleugels. Glenarvan wierp zich op het lijk van het kind, bevrijdde hem uit de klaauwen des vogels, strekte hem op het gras uit, en drukte zijn oor tegen de borst van dat levenloos ligchaam.

Nooit was er verschrikkelijker vreugdekreet over menschelijke lippen gekomen, dan toen lord Glenarvan opstond met den uitroep:

"Hij leeft! hij leeft nog!"

Onmiddellijk werd Robert van zijn kleederen ontdaan, en zijn aangezigt met koud water gewasschen. Hij bewoog zich even, opende zijn oogen, zag rond en sprak eindelijk de volgende woorden:

"Ach! zijt gij het, mylord!... mijn vader!..."

Glenarvan kon niet antwoorden; de aandoening verstikte zijn stem, en nederknielende weende hij bij dat zoo wonderdadig geredde kind.

XV.

Het spaansch van Jacques Paganel.

Na pas aan het eene gevaar ontkomen te zijn, werd Robert door een ander, niet geringer bedreigd, dat van onder liefkozingen te bezwijken. Hoewel hij nog zeer zwak was, kon geen een van die wakkere lieden de lust wederstaan om hem te omhelzen. Die hartelijke omhelzingen zijn stellig niet schadelijk voor de zieken, want het kind stierf er niet aan. Integendeel.

Maar na den geredde dacht men aan den redder, en zooals van zelf spreekt was de majoor de eerste, die op de gedachte kwam om eens rond te zien. Vijftig schreden van het beekje af stond een zeer rijzig man onbewegelijk stil op een der laagste punten van den berg. Een lang geweer lag aan zijne voeten. Die man, die zoo plotseling was komen opdagen, had breede schouders en lange haren, die met lederen riempjes waren opgebonden. Hij was meer dan zes voet lang; zijn bronskleurig gelaat was tusschen de oogen en den mond rood, aan het onderste ooglid zwart, en op het voorhoofd wit. Op de wijze der grensbewoners van Patagonië gekleed, droeg die inboorling een prachtigen mantel met roode figuren versierd, vervaardigd uit het vel van den hals en de pooten van een guanacha, met de pezen van struisvogels vastgenaaid, en met de zijdeachtige wol naar buiten gekeerd. Onder zijn mantel droeg hij een naauwsluitende kleeding van vossevel, die van voren in een punt uitliep. Aan zijn gordel hing een zakje, dat de kleuren bevatte, die hij gebruikte om zijn aangezigt te beschilderen. Zijn laarzen waren van een stuk ossehuid vervaardigd, en om den enkel met regelmatig over elkaar gekruiste riemen vastgemaakt.

De Patagoniër Thakave.

De Patagoniër Thakave.
De Patagoniër Thakave.

Het gelaat van dien Patagoniër was zeer schoon en zeer verstandig, in spijt van de kakelbonte kleuren, waarmede het versierd was. Hij wachtte in een waardige houding. Als men hem daar zoo onbewegelijk en deftig op zijn voetstuk van rotsen had zien staan, zou men hem voor het standbeeld der koelbloedigheid gehouden hebben.

Zoodra de majoor hem bemerkt had, wees hij hem aan Glenarvan, die naar hem toeliep. De Patagoniër deed twee schreden vooruit. Glenarvan greep zijn hand en drukte ze in de zijne. Er lag in den blik van den lord, in de opgeruimde uitdrukking van zijn gelaat, in zijn geheele houding zulk een gevoel van erkentelijkheid, zulk een uitdrukking van dankbaarheid, dat de inboorling zich er niet in kon vergissen. Hij boog zachtjes het hoofd en zeide eenige woorden, die de majoor evenmin als zijn vriend kon verstaan.

Daarop veranderde de Patagoniër, na de vreemdelingen oplettend aangezien te hebben, van taal; maar, wat hij ook deed, zij begrepen die nieuwe taal evenmin als de andere. Zekere uitdrukkingen echter, waarvan de inboorling zich bediende, troffen Glenarvan. Het kwam hem voor, dat zij tot de spaansche taal behoorden, waarvan hij eenige der meest gebruikelijke woorden kende.

"Espagñol?" zeide hij.

De Patagoniër knikte, een gebaar, dat bij alle volken dezelfde toestemmende beteekenis heeft.

"Goed!" zeide de majoor, "dat is een kolfje naar de hand van onzen vriend Paganel. Hoe gelukkig, dat hij op de gedachte gekomen is om spaansch te leeren!"

Paganel werd geroepen. Hij kwam dadelijk aanloopen, en groette den Patagoniër met echt franschen zwier, waarvan deze waarschijnlijk niets begreep. De geleerde aardrijkskundige werd aangaande den stand van zaken ingelicht.

"Zeer goed!" zeide hij.

En den mond wijd openende om de woorden des te duidelijker te kunnen uitspreken, zeide hij:

"Vos sois um homem de bem![1]"

De inboorling luisterde oplettend, maar antwoordde niet.

"Hij begrijpt mij niet," zeide de aardrijkskundige.

"Misschien legt gij den klemtoon niet goed?" antwoordde de majoor.

"Dat is het. Die duivelsche klemtoon!"

En Paganel herhaalde zijn compliment nog eens, maar met hetzelfde gevolg.

"Ik zal eens iets anders zeggen," zeide hij, en met een regterlijke langzaamheid sprekende, liet hij deze woorden hooren:

"Sem devida, um Patagdo?[2]"

De ander bleef even stom als te voren.

"Dizeime![3]" voegde Paganel er bij.

De Patagoniër gaf nog geen antwoord.

"Vos compriendeis?[4]" riep Paganel zoo driftig, dat het weinig scheelde of hij had zijn stembanden gebroken.

Het was duidelijk, dat de Indiaan hem niet begreep; want hij antwoordde, maar in het spaansch: "No comprendo.[5]."

Nu was het de beurt van Paganel om vreemd op te kijken; hij schoof driftig zijn bril van zijn voorhoofd voor zijn oogen, als iemand, wiens bloed aan het koken gaat.

"Ik laat mij hangen," zeide hij, "als ik een woord van dat helsche koeterwaalsch versta! Het is zeker araucanisch!"

"Wel neen," antwoordde Glenarvan, "die man heeft zeker in het spaansch geantwoord."

En zich tot den Patagoniër keerende, herhaalde bij: "Espagñol?"

"Si, si![6]" antwoordde de inboorling.

De verrassing van Paganel ging tot verbazing over. De majoor en Glenarvan knipoogden tegen elkander.

"Hoe is het, mijn geleerde vriend?" zeide de majoor, terwijl onwillekeurig een glimlachje zijn lippen krulde, "hebt gij misschien weder een van die buijen van verstrooidheid gehad, die gij in pacht schijnt te hebben?"

"Wat blieft!" zeide de aardrijkskundige eenigzins geraakt.

"Ja! het is zeker, dat die Patagoniër spaansch spreekt...."

"Hij!"

"Ja, hij! zoudt gij wel ligt een andere taal geleerd hebben, denkende...."

Mac Nabbs voltooide den zin niet. Een krachtig "och!" van den geleerde, vergezeld van een veelbeteekenend schouderophalen, deed hem eensklaps zwijgen.

"Majoor! gij gaat te ver," zeide Paganel op een droogen toon.

"Maar, daar gij toch niet begrijpt!" antwoordde Mac Nabbs.

"Ik begrijp niet, omdat die inboorling niet goed spreekt!" antwoordde de aardrijkskundige, die ongeduldig begon te worden.

"Dat wil zeggen, dat hij niet goed spreekt, omdat gij niet begrijpt," gaf de majoor bedaard ten antwoord.

"Dat is toch een onaannemelijke vooronderstelling, Mac Nabbs!" zeide nu Glenarvan. "Hoe verstrooid onze vriend Paganel ook zijn moge, kan men toch niet aannemen, dat dit zoover zou gegaan zijn, dat hij de eene taal voor de andere zou geleerd hebben!"

"Verklaar mij de zaak dan wat nader, waarde Edward! of liever gij, brave Paganel!"

"Ik verklaar niet," antwoordde Paganel, "ik bevestig. Hier is het boek, waarin ik mij dagelijks in de moeijelijkheden der spaansche taal oefen! Bezie het maar, majoor! en gij zult zien of ik u om den tuin leid!"

Dit zeggende tastte Paganel in zijne zakken; na eenige minuten gezocht te hebben, haalde hij er een zeer gehavend boek uit en bood het met een zeker voorkomen aan. De majoor nam het boek en zag hem aan:

"Wat is dat voor een werk?" vroeg hij.

"Het is de Lusiade," antwoordde Paganel, "een heerlijk heldendicht, dat...."

"De Lusiade!" riep Glenarvan.

"Ja, mijn vriend! de Lusiade van den grooten Camoëns, niets meer en niets minder!"

"Camoëns!" herhaalde lord Edward; "maar, ongelukkige vriend! Camoëns is een Portugees. Dus leert gij reeds zes weken lang het portugeesch!"

"Camoëns! Lusiade! portugeesch!..."

Paganel wist niet meer, wat hij er van zeggen moest. Zijn oogen werden vochtig onder zijn bril, terwijl een luid gelach in zijn ooren klonk; want al zijn reismakkers stonden om hem heen.

De Patagoniër vertrok zijn gezigt niet; hij wachtte geduldig op de verklaring van een voorval, dat voor hem geheel onbegrijpelijk was.

"Ach! zinnelooze! dwaas, die ik ben!" zeide Paganel eindelijk. "Hoe is het mogelijk! Dat is geen moedwillig verzinsel! Ik zelf heb het gedaan! Maar, dat is een spraakverwarring, evenals te Babel! Ach! vrienden! vrienden! naar Indië te vertrekken en in Chili aan te komen! het spaansch te leeren en portugeesch te spreken! dat is te sterk, en als het zoo voortgaat, zal ik nog eens zelf uit het raam springen in plaats van mijn sigaar naar buiten te werpen!"

Als men Paganel zoo over zijn misvatting hoorde spreken en zijn grappige wanhoop zag, was het onmogelijk om ernstig te blijven. Hij zelf gaf er dan ook trouwens het voorbeeld van.

"Lacht, mijne vrienden!" zeide hij, "lacht, zooveel gij wilt! Gij zult niet zooveel om mij lagchen, als ik zelf er om lach!" En hij barstte in het luidste gelach uit, dat ooit uit den mond van een geleerde kwam.

"Het is niettemin waar, dat wij nu zonder tolk zijn," zeide de majoor.

"O, troost u maar!" antwoordde Paganel; "het portugeesch en het spaansch gelijken zoo zeer op elkander, dat ik mij er in vergist heb; maar diezelfde overeenkomst zal mij in staat stellen om mijn dwaling spoedig te herstellen, en binnen kort wil ik dien waardigen Patagoniër bedanken in de taal, die hij zoo goed spreekt."

Paganel had gelijk; want hij kon weldra eenige woorden met den inboorling wisselen; hij vernam zelfs, dat de Patagoniër Thalcave heette, een woord, dat in de araucanische taal "Donderaar" beteekent.

Dien bijnaam had hij ongetwijfeld gekregen om zijn bedrevenheid in het hanteeren der vuurwapenen.

Maar wat Glenarvan vooral aanstond was de mededeeling, dat de Patagoniër gids van beroep, en wel gids door de pampa's was. De vinger Gods was zoo duidelijk in die ontmoeting, dat de goede uitslag der onderneming reeds den vorm van een voldongen feit aannam, en niemand twijfelde nu meer aan de redding van kapitein Grant.

Intusschen waren de reizigers en de Patagoniër naar Robert teruggekeerd. Deze breidde zijn armen naar den inboorling uit, die, zonder een woord te spreken, hem de hand op het hoofd legde. Hij onderzocht het kind en betastte zijn pijnlijke leden. Glimlagchende ging hij nu aan de oevers der beek eenige handen vol wilde selderie plukken, waarmede hij het ligchaam van den zieke wreef. Onder dit wrijven, dat zeer zacht verrigt werd, voelde het kind zijn krachten terugkomen, en het bleek ras, dat hij slechts eenige uren rust behoefde om geheel te herstellen.

Er werd dus besloten, dat deze dag en de volgende nacht in de legerplaats doorgebragt zouden worden. Er waren ook nog twee gewigtige vragen op te lossen betreffende het voedsel en het vervoer. Men had gebrek aan levensmiddelen en muilezels beiden. Gelukkig, dat Thalcave er was. Die gids, gewoon om de reizigers langs de patagonische grenzen te geleiden, en een der schranderste baqueano's van het land, nam op zich om Glenarvan van al het ontbrekende te voorzien. Hij bood aan om hem naar een "tolderia" van Indianen, hoogstens vier mijlen verder, te brengen, waar hij alles vinden zou, wat noodig was voor den togt. Dit voorstel werd half in de gebarentaal, half in spaansche woorden gedaan, die het Paganel gelukte om te verstaan. Het werd aangenomen. Na afscheid van hun reismakkers genomen te hebben, gingen Glenarvan en zijn geleerde vriend terstond opwaarts langs het riviertje onder geleide van den Patagoniër.

Anderhalf uur lang liepen zij stevig en met groote schreden door om den reus Thalcave bij te houden. Deze geheele streek der Andes was liefelijk en hoogst vruchtbaar. Het was een onafgebroken reeks van vette weiden, die gemakkelijk een leger van honderd duizend herkaauwende dieren hadden kunnen voeden. Groote vijvers, die met elkander in verband stonden door een doolhof van beekjes, schonken aan die vlakten het noodige vocht. Zwartkoppige zwanen vermaakten er zich naar welgevallen en betwistten het gebied over het water aan talrijke struisvogels, die door de llano's huppelden. De vogelwereld was zeer schitterend, ook zeer luidruchtig, maar ook vol afwisseling. De isaca's, bevallige grijsachtige tortelduifjes, met wit gestreepte vederen, en de gele kardinalen versierden de boomtakken als met levende bloemen; de trekduiven doorkruisten den omtrek, terwijl het geheele musschengeslacht, de "chingolo's," de "hilguero's" en de "monjita's" elkander pijlsnel vervolgden, en de lucht met hun getjilp vervulden.

Jacques Paganel vond telkens nieuwe stof van bewondering, allerlei uitroepen volgden elkander op, tot verbazing van den Patagoniër, die het heel natuurlijk vond, dat er vogels in de lucht, zwanen in de vijvers en gras op de weiden was. De geleerde had geen reden om zich over de wandeling of over haar langen duur te beklagen. Het kwam hem voor, alsof hij pas vertrokken was, toen de legerplaats der Indianen reeds zigtbaar werd.

Die tolderia was aangelegd op den bodem eener naauwe vallei tusschen de voorbergen der Andes. Daar woonden in hutten van boomtakken een dertigtal zwervende inboorlingen, die groote kudden melkkoeijen, schapen, ossen en paarden weidden. Zij trokken zoo van de eene weide naar de andere, en vonden overal de tafel gedekt voor hun viervoetige gasten.

De type zijnde van een gemengd ras van Araucaniërs, Pehuenchen en Auca's, zouden die Ando-Peruanen met hun olijfkleur, hun middelmatige gestalte, hun gespierde vormen, hun laag voorhoofd, hun bijna cirkelrond gelaat, hun dunne lippen, hun uitstekende wangbeenderen, hun verwijfde trekken en hun onbeteekenend gelaat, in de oogen van den natuurkenner het karakter der zuivere rassen niet gedragen hebben. In het kort, het waren inboorlingen, die niets belangwekkends hadden. Glenarvan had ook wel een oog voor hun kudden, maar niet voor hen. Zij hadden runderen en paarden, en dat was alles, wat Glenarvan verlangde.

Thalcave belastte zich met de onderhandelingen, die niet lang duurden. In ruil voor zeven kleine paarden van argentijnsch ras met hun tuig, voor een honderdtal ponden "charqui" of gedroogd vleesch, voor eenige maten rijst en eenige lederen waterzakken, namen de Indianen, bij gebrek aan wijn of rum, die zij liever gehad zouden hebben, twintig onsen goud[7] aan, waarvan zij de waarde zeer goed kenden. Glenarvan wilde nog een paard voor den Patagoniër koopen; maar deze gaf hem te kennen, dat dit niet noodig was.

Toen de koop gesloten was, nam Glenarvan afscheid van zijn nieuwe "leveranciers," zooals Paganel hen noemde, en was binnen een half uur in de legerplaats terug. Zijn aankomst werd met gejuich begroet, hetgeen hij echter niet op zich zelven toepaste, maar, zooals ook het geval was, op rekening van de levensmiddelen en de rijpaarden stelde. Allen aten met graagte. Robert gebruikte eenig voedsel; zijn krachten waren bijna geheel teruggekomen.

Het overige van den dag verliep in een ongestoorde rust. Men sprak een weinig over koetjes en kalfjes, over de lieve afwezigen, over de Duncan, over kapitein John Mangles, over zijn wakker scheepsvolk, over Harry Grant, die misschien niet veraf was.

Wat Paganel aangaat, deze verliet den Indiaan niet: hij volgde Thalcave als diens schaduw. Hij was uitgelaten van vreugde, dat hij nu een echten Patagoniër zag, met wien vergeleken hij wel een dwerg scheen; een Patagoniër, die bijna kon wedijveren met dien keizer Maximinus en dien neger uit Congo, dien de geleerde van der Broek had gezien, welke beiden acht voet lang waren! Dan overstelpte hij den deftigen Indiaan met spaansche spreekwijzen, hetgeen deze gewillig toeliet. Ditmaal studeerde de aardrijkskundige zonder boek. Met behulp van keel, tong en tanden hoorde men hem allerlei klanken uitbrengen.

"Als ik den klemtoon niet vat," voegde hij den majoor telkens toe, "dan is het mijn schuld niet. Maar had ik ooit kunnen denken, dat een Patagoniër mij eens spaansch zou leren!"

XVI.

De Rio Colorado.

Des anderen daags, den 22sten October, gaf Thalcave ten acht ure het sein tot het vertrek. Tusschen den twee en twintigsten en den twee en veertigsten graad helt de bodem der argentijnsche republiek zachtjes van het westen naar het oosten af; de reizigers behoefden dus alleen een zachte glooijing tot aan zee toe te volgen.

Toen de Patagoniër het paard weigerde, dat Glenarvan hem aanbood, meende deze, dat hij liever te voet wilde gaan, zooals de gewoonte van vele gidsen is, en voorzeker zouden zijn lange beenen hem het loopen zeer gemakkelijk gemaakt hebben.

Maar Glenarvan bedroog zich.

Toen zij zouden vertrekken, floot Thalcave op een bijzondere manier. Terstond kwam uit een naburig boschje een prachtig argentijnsch paard van een heerlijke gestalte op de roepstem zijns meesters te voorschijn. Het paard was zonder eenig gebrek; zijn bruine kleur was het bewijs, dat het een onvermoeid, fier, moedig en levendig dier was; het had een fijnen kop en een sierlijken hals, wijd geopende neusgaten, een vurigen blik, stevige pooten, een goed gevulde schoft, een hooge borst, lange pooten, d.i. al de hoedanigheden, die een paard sterk en vlug maken. Als een volleerd kenner bewonderde de majoor zonder eenig voorbehoud dit staaltje van het ras der pampa's, dat in zijn oog eenige overeenkomst had met het engelsche jagtpaard. Dit schoone dier heette "Thaouka," dat in het patagonisch "vogel" wil zeggen, en verdiende dien naam ten volle.

Zoodra Thalcave in den zadel zat, begon zijn paard allerlei sprongen te maken. Het was heerlijk om den Patagoniër, die een bedreven ruiter was, te zien; het jagttuig, dat in de argentijnsche vlakte in gebruik is, de "bola's" en de "lasso", voltooide zijn uitrusting. De bola's bestaan uit drie kogels, die door een lederen riem verbonden en vooraan den zadel gehecht zijn. De Indiaan slingert ze dikwijls op een afstand van honderd schreden naar het dier of den vijand, dien hij vervolgt, en wel met zulk een juistheid, dat zij zich om diens beenen draaijen en hem terstond doen vallen. Zij zijn dus in zijn handen een vreeselijk werktuig, dat hij met een verbazende bekwaamheid behandelt. De lasso integendeel verlaat de hand niet, die hem slingert. Dit is niets anders dan een dertig voet lange koord, bestaande uit de vereeniging van twee goed gevlochten lederen riemen, die in een lus uitloopen, welke door een ijzeren ring gaat. Met de regterhand werpt hij de lus, met de linker houdt hij het andere gedeelte van den lasso vast, die stevig aan den zadel is bevestigd. Een lange karabijn aan een riem voltooide eindelijk de aanvallende bewapening van den Patagoniër.

Zonder acht te geven op de bewondering, die zijn natuurlijke bevalligheid, zijn losheid en fiere ongedwongenheid opwekten, stelde Thalcave zich aan het hoofd van den troep, en men reed nu eens in galop, dan weder in den gewonen pas van paarden, die niet afgerigt schenen te zijn voor den draf. Robert legde veel moed aan den dag, en stelde Glenarvan spoedig gerust ten aanzien van zijn bekwaamheid om in den zadel te blijven.

De vlakte der pampa's begint onmiddellijk aan den voet der Cordillera. Men kan haar in drie deelen verdeelen: het eerste strekt zich van de Andes-keten over een lengte van twee honderd vijftig mijlen uit en is bedekt met niet zeer hooge boomen en struiken. Het tweede, vier honderd vijftig mijlen breed, is met prachtig gras begroeid, en eindigt op een afstand van honderd tachtig mijlen van Buenos-Ayres. Van hier af tot aan de zee toe betreedt de voet des reizigers slechts onmetelijke weilanden met spurrie en distels. Dit is het derde gedeelte der pampa's.

Het eerst wat het gezelschap van Glenarvan ontmoette na het verlaten van de engten der Cordillera was een menigte zandheuvels, "medano's" geheeten, echte golven, die onophoudelijk door den wind worden opgejaagd, wanneer de wortels der planten ze niet op den bodem bevestigd houden. Dit zand is uiterst fijn; vandaar dat men het bij het geringste windje in ligte wolkjes opvliegen of echte hoozen vormen zag, die zich tot een aanmerkelijke hoogte verhieven. Dit schouwspel was vermakelijk en lastig tevens voor de oogen: vermakelijk, want niets was bezienswaardiger dan die hoozen, welke over de vlakte rond dwarrelden, met elkander worstelden, zich met elkander vermengden, nedervielen en weder in een onuitsprekelijke verwarring opstegen; lastig, want onzigtbaar stof maakte zich van de tallooze zandheuvels los, en drong tusschen de oogleden, hoe vast zij ook gesloten waren.

Ten gevolge van den noordewind hield dit verschijnsel een groot gedeelte van den dag aan. Men trok echter snel voort, en tegen zes ure had men de Cordillera's reeds veertig mijlen achter zich, zoodat zij een zwartachtig voorkomen opleverden, dat reeds in de avonddampen verdween.

De reizigers waren min of meer vermoeid van een togt, die op acht en dertig mijlen kon berekend worden. Zij zagen dan ook met vreugde het uur naderen, waarop zij zich ter ruste zouden begeven. Zij legerden zich aan de oevers van den snelvlietenden Neuquem, een onstuimig riviertje met troebel water, dat tusschen hooge en steile roodkleurige oevers stroomt. De Neuquem wordt door sommige aardrijkskundigen Ramid of Comoë genoemd, en komt uit meren, die alleen aan de Indianen bekend zijn.

De nacht en de volgende dag leverden niets meldenswaardigs op. Men ging snel en ongehinderd voort. Een effen bodem en een dragelijke temperatuur maakten de voortzetting der reis gemakkelijk. Tegen den middag echter werd het brandend heet. Tegen den avond werd de gezigteinder in het zuidwesten met een bank van wolken bedekt, een zeker teeken, dat er verandering van weder ophanden was. De Patagoniër kon zich er niet in vergissen, en met den vinger wees hij den aardrijkskundige het westen aan.

"Goed! ik weet het!" zeide Paganel, en zich tot zijn makkers wendende, voegde hij er bij: "Er is verandering van weder op til, wij zullen kennis maken met de pampero."

En hij legde hun uit, dat die pampero, die zeer dikwijls in de argentijnsche vlakten voorkomt, een zeer drooge zuidwestewind is. Thalcave had zich niet vergist. Dien nacht, die vrij onaangenaam was voor menschen, die geen ander deksel hadden dan een eenvoudigen mantel, woei de pampero met groote kracht. De paarden gingen op den grond liggen, en de menschen kropen vlak bij hen digt bij elkander. Glenarvan vreesde voor oponthoud, wanneer die orkaan wat lang aanhield; maar Paganel stelde hem gerust, nadat hij zijn barometer had geraadpleegd.

"Gewoonlijk," zeide hij, "veroorzaakt de pampero driedaagsche stormen, die de daling van het kwik op een stellige wijze aankondigt. Maar wanneer de barometer integendeel,—zooals nu het geval is,—stijgt, is men er met een woedende bui van eenige uren van af. Stel u dus gerust, mijn waarde vriend! bij het aanbreken van den dag zal de hemel weder zoo helder zijn als altijd."

"Gij spreekt als een boek, Paganel!" antwoordde Glenarvan.

"Ik ben er ook een," antwoordde Paganel. "Ik geef u vrijheid om mij zoo dikwijls te doorbladeren als gij maar wilt."

Het boek bedroog zich niet. Te één ure na middernacht bedaarde plotseling de wind en allen konden nu in den slaap een verkwikkende rust vinden. Den volgenden morgen werden zij zoo frisch als een hoen wakker, vooral Paganel, die op een opgeruimden toon zijn lessen weder opdreunde en zich uitrekte als een jonge hond.

Men telde nu den vier en twintigsten October, den tienden dag na het vertrek van Talcahuano. Drie en negentig mijlen[1], d.i. drie dagreizen scheidden de reizigers nog van het punt, waar de Rio Colorado de zeven en dertigste parallel snijdt. Gedurende dien togt over het amerikaansche vastland zag lord Glenarvan met de uiterste oplettendheid uit of er ook inboorlingen naderden. Hij wilde hen betreffende kapitein Grant door tusschenkomst van den Patagoniër ondervragen, met wien Paganel nu reeds vrij goed spreken kon. Maar de lijn, die men volgde, werd weinig door de Indianen bezocht; want de wegen door de pampa, die uit de argentijnsche republiek naar de Cordillera's loopen, liggen noordelijker. Men trof dan ook evenmin zwervende Indianen als gevestigde stammen onder het gezag van Kaziken aan. Als er bij toeval een zwervend ruiter in de verte zich vertoonde, dan nam hij ijlings de vlugt, daar hij geen lust gevoelde om met onbekenden in aanraking te komen. Zulk een gezelschap moest wel verdacht toeschijnen aan een ieder, die zich alleen in de vlakte waagde, aan den bandiet zoowel, wiens achterdocht moest opgewekt worden door de verschijning van acht goed gewapende en goed bereden mannen, als aan den reiziger, die in deze onbewoonde streken hen voor kwaadwilligen kon aanzien. Het was derhalve even onmogelijk om met vreedzame lieden als met plunderaars te spreken. Het was jammer, dat men geen bende "rastreadores"[2] aantrof, al moest men ook het gesprek met geweerschoten aanvangen.

Had Glenarvan ook al in het belang zijner nasporingen de afwezigheid der Indianen te betreuren, zoo had er toch een voorval plaats, dat de uitlegging van het document bijzonder sterk bevestigde.

De weg, dien het reisgezelschap hield, sneed menigmaal de voetpaden der pampa, onder anderen een vrij belangrijken weg,—dien van Carmen naar Mendoza,—die kenbaar was aan de beenderen van huisdieren, muilezels, paarden, schapen en runderen, wier overblijfselen door den snavel der roofvogels vaneengescheiden en door de ontkleurende werking van den dampkring verbleekt, langs de beide zijden van den weg lagen. Men telde ze bij duizenden, en ongetwijfeld vermengde meer dan een menschelijk geraamte zijn stof met dat der geringste dieren.

... onder anderen een vrij belangrijken weg,—dien van Carmen naar Mendoza,—die kenbaar was aan de beenderen van huisdieren,...

... onder anderen een vrij belangrijken weg,—dien van Carmen naar Mendoza,—die kenbaar was aan de beenderen van huisdieren,...
... onder anderen een vrij belangrijken weg,—dien van Carmen naar Mendoza,—die kenbaar was aan de beenderen van huisdieren,...

Tot nu toe had Thalcave geen aanmerking gemaakt op den weg, dien men zoo zonder afwijking bleef houden. Hij begreep echter, dat deze, zich aan geen enkelen der wegen door de pampa's aansluitende, niet kon uitloopen op de steden, de dorpen of de nederzettingen in het argentijnsche gebied. Elken morgen liep men tegen de opgaande zon in, zonder van de regte lijn af te gaan, en elken avond was de ondergaande zon aan het tegenovergestelde uiteinde van die lijn. In zijn hoedanigheid van gids mogt Thalcave zich dus teregt verwonderen, dat hij niet alleen niet geleidde, maar zelfs geleid werd. Mogt hij zich er echter al over verwonderen, dan deed hij het toch met de den Indianen eigene bescheidenheid, en maakte hij geen aanmerking over de eenvoudige voetpaden, die men tot nu toe ter zijde had laten liggen. Maar toen hij nu bij den genoemden grooten weg gekomen was, hield hij zijn paard in en zeide, zich tot Paganel wendende: "De weg van Carmen."

"Ik weet het wel, brave Patagoniër!" antwoordde de aardrijkskundige in zijn zuiverste spaansch, "de weg van Carmen naar Mendoza."

"En slaan wij dien niet in?" hernam Thalcave.

"Neen!" antwoordde Paganel.

"En wij gaan?"

"Altijd naar het oosten."

"Dat wil zeggen, nergens."

"Dat is wel mogelijk."

Thalcave zweeg, en zag den geleerde met de grootste verbazing aan. Hij geloofde echter niet, dat Paganel den spot met hem dreef. Een Indiaan kan zich nooit verbeelden, dat men niet in vollen ernst spreekt; want hij zelf is altijd ernstig.

"Gaat gij dan niet naar Carmen?" voegde hij er bij, na een oogenblik gezwegen te hebben.

"Neen!" antwoordde Paganel.

"En ook niet naar Mendoza?"

"Evenmin."

Glenarvan, die juist bij Paganel kwam, vroeg hem, wat Thalcave zeide en waarom hij was blijven staan.

"Hij heeft mij gevraagd, of wij naar Carmen of naar Mendoza gaan," antwoordde Paganel, "en is zeer verwonderd over mijn ontkennend antwoord op zijn dubbele vraag."

"Onze weg moet hem ook inderdaad zeer vreemd voorkomen," hernam Glenarvan.

"Dat geloof ik ook. Hij zegt, dat wij nergens naar toe gaan."

"Welnu, Paganel! zoudt gij geen kans zien om hem het doel van onzen togt op te helderen, en welk belang wij er bij hebben om altijd oostwaarts te gaan?"

"Dat zal zeer moeijelijk zijn," antwoordde Paganel, "want een Indiaan begrijpt niets van graden, en de geschiedenis van het document zal voor hem een tooververtelling zijn."

"Maar zal hij de geschiedenis niet begrijpen of den verteller?" vroeg de majoor met een ernstig gezigt.

"Ach! Mac Nabbs!" antwoordde Paganel, "twijfelt gij nog al aan mijn spaansch?"

"Welnu, beproef het maar eens, mijn waarde vriend!"

"Ik zal mijn best doen."

Paganel keerde zich naar den Patagoniër, en begon een redevoering, die telkens afgebroken werd door armoede aan woorden, door de moeijelijkheid om sommige eigenaardigheden te vertalen, en om aan een half onwetenden wilde bijzonderheden uit te leggen, die tamelijk onbegrijpelijk voor hem waren. Het was aardig om den geleerde te zien. Hij zwaaide met de handen, hij sprak de woorden langzaam uit, hij tobde zich op allerlei wijzen af, en de zweetdruppels vielen als een waterval van zijn voorhoofd op zijn borst. Als de tong hem haar dienst weigerde, kwam de arm haar te hulp. Paganel steeg af en teekende op het zand een landkaart, waarop de middagcirkels en de parallellen elkander kruisten, waarop de beide oceanen voorkwamen, waarop de weg van Carmen niet vergeten was. Nooit verkeerde een onderwijzer in zulk een verlegenheid. Thalcave zag dat alles zeer bedaard aan, zonder te laten blijken of hij het al dan niet begreep.

De les van den aardrijkskundige duurde meer dan een half uur. Vervolgens zweeg hij stil, wischte zijn gelaat af, waarop het zweet parelde, en zag den Patagoniër aan.

"Heeft hij het begrepen?" vroeg Glenarvan.

"Dat zal spoedig blijken," antwoordde Paganel; "maar als hij het niet begrepen heeft, geef ik het op."

Thalcave verroerde zich niet en sprak evenmin. Hij hield zijn oog onafgewend op de in het zand geteekende figuur gevestigd, die de wind langzamerhand uitwischte.

"Welnu?" vroeg Paganel hem.

Thalcave scheen het niet te hooren. Paganel zag reeds, hoe een spotachtig glimlachje de lippen van den majoor krulde, en zijn eer willende redden, stond hij op het punt om zijn les in de aardrijkskunde met nieuwen ijver weder te beginnen, toen de Patagoniër hem door een gebaar het zwijgen oplegde.

"Gij zoekt een gevangene?" zeide hij.

"Ja!" antwoordde Paganel.

"En juist op deze lijn tusschen de opgaande en de ondergaande zon?" voegde Thalcave er bij, zoo door een vergelijking in den trant der Indianen den weg van het westen naar het oosten aanduidende.

"Ja, ja! zoo is het."

"En het is uw God," zeide de Patagoniër, "die aan de golven der eindelooze zee de geheimen van den gevangene toevertrouwd heeft?"

"God zelf."

"Dat zijn wil dan geschiede!" antwoordde Thalcave met zekere plegtigheid. "Wij zullen in het oosten opgaan, en als het noodig is tot de zon toe!"

Paganel, die zegevierde in den persoon van zijn leerling, vertaalde onmiddellijk voor zijn makkers de antwoorden van den Indiaan.

"Welk een schrander ras!" voegde hij er bij. "Van twintig boeren uit mijn land zouden er negentien niets van mijn uitlegging begrepen hebben!"

Glenarvan verzocht nu Paganel om den Patagoniër te vragen, of hij ook gehoord had, dat vreemdelingen in de handen van Indianen uit de pampa's gevallen waren.

Paganel deed het en wachtte op antwoord.

"Misschien," zeide de Patagoniër.

Op dit woord, dat onmiddellijk vertaald werd, omringden de zeven reizigers Thalcave. Allen zagen hem met vragende blikken aan.

Vol aandoening en naauwelijks woorden vindende, hervatte Paganel dat zoo belangwekkend verhoor, terwijl zijne oogen, strak op den deftigen Indiaan gevestigd, zijn antwoord trachtten te raden vóór het over zijn lippen kwam.

Elk spaansch woord van den Patagoniër herhaalde hij in het engelsch, zoodat zijn reisgenooten hem om zoo te zeggen in hun moedertaal hoorden spreken.

"En die gevangene?" vroeg Paganel.

"Was een vreemdeling," antwoordde Thalcave, "een Europeaan."

"Hebt gij hem gezien?"

"Neen! maar de Indianen spreken van hem in hun verhalen. Hij was een dapper man! Hij had het hart van een stier!"

"Het hart van een stier!" zeide Paganel. "Ach! wat is die patagonische taal toch heerlijk! Gij begrijpt het, vrienden! hij bedoelt een moedig man!"

"Mijn vader!" riep Robert Grant.

En zich tot Paganel wendende, vroeg hij hem:

"Hoe zegt men in het spaansch: het is mijn vader?"

"Es mio padre," antwoordde de aardrijkskundige.

Terstond zeide Robert, de handen van Thalcave vattende, met een zachte stem: "Es mio padre!"

"Suo padre[3]!" antwoordde de Patagoniër, wiens gelaat geheel ophelderde.

Hij nam het kind in zijn armen, tilde hem van het paard, en beschouwde hem met nieuwsgierigheid en mededoogen. Zijn verstandig gelaat kreeg een uitdrukking van stille ontroering.

Maar Paganel was nog niet aan het einde van zijn verhoor. Waar was die gevangene? Wat deed hij? Wanneer had Thalcave van hem hooren spreken? Al deze vragen verdrongen elkander te gelijk in zijn geest.

De antwoorden bleven niet uit, en hij vernam, dat de Europeaan slaaf was bij een der indiaansche stammen, die het land tusschen de Colorado en de Rio Negro doorkruisen.

"Maar waar was hij het laatst?" vroeg Paganel.

"Bij den kazike Calfoucoura," antwoordde Thalcave.

"Op den weg, dien wij tot nu toe gevolgd zijn?"

"Ja."

"En wie is die kazike?"

"Het hoofd der Poyuche-Indianen, een man met twee tongen, een man met twee harten!"

"Dat wil zeggen, valsch in woord en valsch in daad," zeide Paganel, na dit schoone beeld der patagonische taal voor zijn makkers vertaald te hebben. "En zullen wij onzen vriend kunnen verlossen?" voegde hij er bij.

"Misschien, als hij nog in handen van de Indianen is."

"En wanneer hebt gij van hem hooren spreken?"

"Reeds lang geleden; na dien tijd heeft de zon reeds twee zomers aan den hemel der pampa's teruggebragt!"

Het is onmogelijk om de vreugde van Glenarvan te beschrijven. Dit antwoord sloot juist met den datum van het document. Maar nog ééne vraag bleef er aan Thalcave te doen. Paganel deed haar terstond.

"Gij spreekt van één gevangene," zeide hij; "waren er geen drie?"

"Dat weet ik niet," antwoordde Thalcave.

"En is u niets bekend van zijn tegenwoordigen toestand?"

"Niets."

Dit laatste woord maakte een einde aan het gesprek. Welligt waren de drie gevangenen reeds lang van elkander gescheiden. Maar de slotsom der inlichtingen door den Patagoniër gegeven was, dat de Indianen van een Europeaan spraken, die in hun magt was gevallen. De tijd zijner gevangenneming, de plaats zelfs waar hij zijn moest, alles, ook de patagonische spreekwijze, die gebezigd was om zijn moed uit te drukken, had klaarblijkelijk betrekking op kapitein Harry Grant.

Den volgenden dag, den 25sten October, sloegen de reizigers met nieuwe opgewektheid den weg naar het oosten in. De altijd treurige en eentoonige vlakte vormde een van die eindelooze ruimten, die in de landtaal "travesia's" genoemd worden. De kleiachtige, door den wind gedroogde bodem, was zuiver waterpas; geen steen, zelfs geen keisteentje was er te zien, behalve in eenige dorre en drooge holle wegen, of aan den kant der door kunst gevormde poelen, door de hand der Indianen gegraven. Op verre afstanden van elkander vertoonden zich lage bosschen met zwartachtige toppen, waarboven hier en daar witte St. Jansbroodboomen uitstaken, wier schil een suikerzoet, aangenaam verfrisschend vruchtvleesch bevat; verder eenige boschjes terpentijnboomen, "chañares," wilde brem, en een aantal met doornen bezette boomen, wier schraalheid reeds de onvruchtbaarheid van den bodem verried.

De 26ste was een vermoeijende dag. Het doel was de Rio Colorado te bereiken. Maar de paarden, door hun ruiters aangevuurd, maakten zulk een spoed, dat zij dienzelfden avond op 69°45' lengte den grooten stroom der pampa's bereikten. Zijn indiaansche naam, de Cobu Leubu, beteekent "groote rivier"; na een langen loop werpt hij zich in den Atlantischen Oceaan. Bij den mond heeft een opmerkelijke bijzonderheid plaats; want digt bij de zee vermindert de watermassa, hetzij door inzuiging, hetzij door verdamping; de oorzaak van dit verschijnsel is nog niet geheel duidelijk.

Bij de Colorado gekomen, was het eerste werk van Paganel om zich "aardrijkskundig" in haar water, dat door een roodachtige klei gekleurd was, te baden. Het verwonderde hem, dat hij het zoo diep vond, een gevolg van het smelten der sneeuw door de eerste zomerzon. Bovendien was de breedte der rivier zoo aanmerkelijk, dat de paarden haar niet konden overzwemmen. Gelukkig lag er eenige honderden vademen stroomopwaarts een brug van gevlochten rijswerk, vastgehouden door smalle lederen riemen en op de indiaansche wijze opgehangen. De kleine troep kon dus den stroom overtrekken en zich op den linkeroever legeren.

Alvorens te gaan slapen wilde Paganel de Colorado naauwkeurig opnemen. Hij teekende ze met de grootste zorgvuldigheid op de kaart aan, in plaats van den Yarou-Dzangbo-Tchou, die zonder hem in het gebergte van Thibet stroomde.

De beide volgende dagen, 27 en 28 October, werd de reis zonder ongevallen voortgezet. De grond bleef even eentoonig en een onvruchtbaar. Geen landschap leverde ooit minder afwisseling op, geen panorama was ooit onbeduidender. Intusschen werd de grond vochtiger. Zij moesten "canada's" overtrekken, een soort van onder water staande lage landen, en "estero's," blijvende plassen, digt bezet met waterplanten. Des avonds hielden de paarden stil aan den oever van een groot meer met mineraalwater, het Urre Lanquem, door de Indianen "bittermeer" genoemd, dat in 1862 getuige was van een weerwraak der argentijnsche troepen. Men legerde zich op de gewone wijze, en de nacht zou goed geweest zijn zonder de aanwezigheid van apen, allouaten[4] en wilde honden. Die luidruchtige dieren voerden, zeker ter eere, maar stellig tot verdriet der europeesche ooren een van die natuurlijke simfoniën uit, die een componist der toekomstmuziek gaarne als zijn werk zou erkend hebben.

XVII.

De pampa's.

De argentijnsche pampa's strekken zich uit tusschen vier en dertig en veertig graden zuiderbreedte. Het woord "pampa", uit de araucanische taal overgenomen, beteekent "grasvlakte" en wordt met regt op deze landstreek toegepast. De hoornachtige mimosaplanten van haar westelijk gedeelte, de stevige grasplanten van haar oostelijk gedeelte, geven haar een bijzonder voorkomen. Deze plantenschat wortelt in een aardlaag, die den roodachtigen of gelen klei- en zandachtigen bodem bedekt. De geoloog zou hier rijke schatten vinden, wanneer hij die gronden uit het derde tijdperk van de vorming der vaste aardkorst onderzocht. Daar liggen in ontelbare menigte voorwereldlijke beenderen, die de Indianen aan uitgestorven soorten van groote gordeldieren toeschrijven, en onder dit plantaardige stof ligt de oudste geschiedenis dezer gewesten bedolven.

De amerikaansche pampa is een aardrijkskundige bijzonderheid, evenals de savannen der Groote Meren of de steppen van Siberië. De warmte en de koude van haar klimaat zijn grooter dan die der provincie Buenos-Ayres, omdat zij dieper landwaarts inligt. Want, volgens de verklaring, welke Paganel er van gaf, geeft de oceaan de door hem opgenomen en opgezamelde zomerwarmte des winters langzamerhand weder terug. Vandaar ook, dat de eilanden een gelijkmatiger klimaat hebben dan de binnenlanden[1]. Het is onderhevig aan plotselinge uitersten, aan snelle veranderingen, die het kwik in den thermometer onophoudelijk van den eenen graad op den anderen doen springen. In den herfst, dat wil zeggen in de maanden April en Mei, stortregent het er aanhoudend. Maar in dezen tijd van het jaar was het weder zeer droog en de temperatuur zeer hoog.

Zoodra men bij het opgaan der zon den weg had kunnen bepalen, vertrok men; de grond, die door de heesters en struiken bijeengehouden werd, was volkomen vast, men behoefde voor geen medano's meer te vreezen, evenmin als voor het zand, waaruit zij bestonden, en het stof, dat de wind in de lucht zwevende hield.

De paarden liepen stevig door, tusschen de bosjes "paja-brava," het pampa-gras bij uitnemendheid, waaronder de Indianen wegschuilen, wanneer het onweert. Hier en daar veroorloofden eenige vochtige laaglanden, die echter hoe langer hoe schaarscher werden, den groei van wilgen en van een zekere plant, het "gygnerium argenteum," die het weligst tiert in de nabijheid van zoet water. Daar dronken de paarden met volle teugen; zij maakten gebruik van de hun aangebodene gunstige gelegenheid, wetende, dat zij in het vervolg vaak genoeg dorst zonden lijden. Thalcave reed vooruit en trapte de struiken stuk. Daardoor verschrikte hij de "cholina's," allergevaarlijkste adders, wier beet een os binnen het uur doet sterven. De vlugge Thaouka sprong op het kreupelhout, en hielp zijn meester een weg banen voor de paarden, die hem volgden.

De paarden liepen stevig door,...

De paarden liepen stevig door,...
De paarden liepen stevig door,...

Op die effene en regte vlakten werd de reis dus gemakkelijk en snel volbragt. De natuur der pampa onderging niet de minste verandering; geen steen, geen keisteentje zelfs was er in den omtrek te zien. Nooit zag men zulk een eentoonigheid, die zoo eindeloos duurde. Geen schijn of schaduw van landschappen, merkwaardigheden of natuurlijke verrassingen was er te zien! Men moest wel een Paganel of een van die geestdrijvende geleerden zijn, die zien waar niets te zien is, om eenig belang te stellen in hetgeen de weg opleverde. Waarom deed hij het dan? Dat zou hij niet hebben kunnen zeggen. Op zijn hoogst om een struik. Misschien alleen om een grasscheutje. Dat was echter genoeg om zijn onuitputtelijken woordenvloed te doen losbreken, en leverde hem stof om Robert te onderrigten, die gaarne naar hem luisterde.

De vlakte vertoonde zich op dezen dag, den 29sten October, aan onze reizigers in hare eindelooze eenvormigheid. Tegen twee ure zagen zij talrijke sporen van dieren op den weg. Het was het gebeente van een ontelbare kudde rundvee, dat opeengestapeld lag en wit geworden was. Die overblijfselen lagen niet in een kromme en bogtige lijn, zooals dit het geval is, wanneer de kracht der dieren uitgeput is en zij één voor één op den weg nedervallen. Niemand was dan ook in staat om te verklaren, hoe zulk een menigte geraamten op een betrekkelijk zoo beperkte ruimte kon opeengehoopt zijn. Ook Paganel kwelde zich te vergeefs om die vraag te beantwoorden. Hij ondervroeg daarom Thalcave, die terstond met zijn antwoord gereed was.

Een "niet mogelijk" van den geleerde, en een zeer duidelijke bevestigende beweging van den Patagoniër maakten de oplettendheid hunner makkers gaande.

"Wat is het toch?" vroegen zij.

"Het vuur van den hemel," antwoordde de aardrijkskundige.

"Hoe! zou de bliksem zulk een ongeval veroorzaakt en een kudde van vijfhonderd stuks van het leven beroofd hebben!" zeide Tom Austin.

"Thalcave bevestigt het, en Thalcave weet wel wat hij zegt. Ik wil het ook wel gelooven. Want in de pampa's onderscheiden de onweders zich vooral door hun hevigheid. De hemel geve, dat wij het niet eens zelven ondervinden!"

"Het is zeer warm," zeide Wilson.

"In de schaduw zal de thermometer zeker wel op dertig graden staan," antwoordde Paganel.

"Dat verwondert mij niet," zeide Glenarvan; "ik voel, dat de electriciteit mij doordringt. Wij mogen wel wenschen, dat die warmte niet aanhoudt."

"O! o!" zeide Paganel, "er is geen weersverandering te wachten; de gezigteinder is geheel onbeneveld."

"Des te erger," antwoordde Glenarvan; "want onze paarden hebben het kwaad met de warmte. Zijt gij niet warm, mijn jongen?" voegde hij er bij, zich tot Robert wendende.

"Neen, mylord!" antwoordde de knaap. "Ik houd wel van warmte; zij is wel aangenaam."

"Vooral in den winter," merkte de majoor zeer geestig aan, terwijl hij den rook van zijn sigaar in de lucht wegblies.

Des avonds hield men stil bij een onbewoonde "rancho," vervaardigd uit in elkander gevlochten takken, die met modder digtgestopt en met riet bedekt waren; deze hut grensde aan een met half verrotte palen omslotene ruimte, die echter de paarden gedurende den nacht tegen de aanvallen der vossen beschermen kon. Zij hebben wel geen gevaar van die dieren te duchten; maar die lastige beesten bijten de halsters door, waarvan de paarden gebruik maken om te ontsnappen.

Eenige schreden van de hut af was een gat gegraven, dat tot stookplaats diende en koud geworden asch bevatte. In de hut was een bank, een slaapplaats van ossenhuiden, een kookketel, een spit en een schenkketel voor paraguay-thee. De paraguay-thee is in Zuid-Amerika een zeer gewone drank. Het is de thee der Indianen. Het is een aftreksel van op het vuur gedroogde bladeren, dat men evenals de andere amerikaansche dranken door een rietje opzuigt. Op verlangen van Paganel maakte Thalcave eenige kopjes van dien drank gereed, die zeer goed paste bij de gewone levensmiddelen en uitmuntend smaakte.

Des anderen daags, den 30sten October, ging de zon vuurrood op en goot zij haar heetste stralen over den grond uit. Het stond dus te vreezen, dat het dien dag smoorheet zijn zou, en ongelukkig leverde de vlakte geen beschutting op. Men ging echter moedig op weg. Meermalen ontmoetten zij ontelbare kudden, die door de verstikkende warmte te krachteloos waren om te grazen en uit loomheid bleven liggen. Van bewakers of eigenlijk gezegde herders was niets te zien. Honden, die gewoon zijn om de schapen te melken, wanneer de dorst hen kwelt, bewaakten alleen die talrijke opeenhoopingen van koeijen, stieren en ossen. Die dieren zijn overigens zeer zachtzinnig van aard, en hebben dien instinctmatigen afkeer van "rood" niet, die in Europa den dieren van dat geslacht eigen is.

"Dat komt zeker, omdat zij het gras van een republiek afeten," zeide Paganel, die deze scherts, welke misschien wat al te zeer den Franschman verried, heel geestig vond.

Tegen den middag kwam er eenige verandering in het voorkomen van de pampa, die niet onopgemerkt kon blijven voor oogen, die hare eentoonigheid zoo lang had vermoeid. De grasgewassen werden schaarscher. Zij maakten plaats voor magere kliskruiden en voor reusachtige, negen voet hooge distels, die alle ezels in de wereld gelukkig hadden kunnen maken. Ondergebleven chañares en andere doornachtige, donkergroene heesters, planten, die gaarne op drooge gronden voortkomen, schoten hier en daar op. Tot nog toe had een zekere vochtigheid, die in de klei der pampa bewaard gebleven was, de weiden gedrenkt, en was het grastapijt dik en mollig. Maar nu schemerde het weefsel door het versleten en op vele plaatsen afgescheurde bekleedsel heen, en werd de dorheid van den grond zigtbaar. Het was onmogelijk om die kenmerken eener toenemende droogte over het hoofd te zien, en Thalcave vestigde er de opmerkzaamheid op.

"Ik ben niet verdrietig over die verandering," zeide Tom Austin; "altijd gras, en niets anders dan gras, dat wordt op den duur vervelend."

"Ja! maar zoo lang er gras is, is er water," antwoordde de majoor.

"O! wij hebben nog geen gebrek," zeide Wilson, "en zullen onderweg wel een riviertje aantreffen."

Als Paganel dat antwoord gehoord had, zou hij zeker gezegd hebben, dat er bijna geen rivieren tusschen de Colorado en de gebergten der argentijnsche republiek zijn; maar hij was juist bezig met aan Glenarvan een verschijnsel uit te leggen, waarop deze zijn aandacht gevestigd had.

Sedert eenigen tijd scheen de dampkring doortrokken te zijn met een rooklucht. En toch was er aan den gesigteinder geen vuur te zien, toch verried geen rook een verwijderden brand. Derhalve kon men dat verschijnsel aan geen gewone oorzaak toeschrijven. De geur van brandend gras werd weldra zoo sterk, dat hij alle reizigers verbaasde, uitgenomen Paganel en Thalcave. De aardrijkskundige, voor wien geen enkel verschijnsel onverklaarbaar was, gaf zijn vrienden het volgend antwoord:

"Wij zien het vuur niet," zeide hij, "en ruiken den rook. Nu is er geen rook zonder vuur; dat spreekwoord is even waar in Amerika als in Europa. Er is dus ergens brand. De pampa's zijn echter zoo effen, dat de luchtstroom door niets in zijn loop wordt gehinderd; vandaar dat men er dikwijls den geur van gras ruikt, dat op een afstand van bijna vijf en zeventig mijlen[2] brandt."

"Vijf en zeventig mijlen?" antwoordde de majoor op een ongeloovigen toon.

"Stellig," verzekerde Paganel. "Ik voeg hier nog bij, dat zulke branden op een groote schaal plaats hebben en zich dikwijls over een grooten omtrek verspreiden."

"Wie steekt het gras in brand?" vroeg Robert.

"Soms de bliksem, wanneer het door de warmte verdroogd is; soms ook de hand der Indianen."

"En waarom?"

"Zij beweren,—ik weet niet in hoeverre die meening gegrond is, dat na een brand in de pampa's het gras er beter groeit. Dat zou dus een middel zijn om den grond door de kracht van de asch nieuwe vruchtbaarheid te schenken. Ik voor mij geloof veeleer, dat die branden moeten dienen om millioenen runderluizen te verdelgen, een soort van woeker-insecten, die voor de kudden zeer lastig zijn."

"Maar dat krachtige middel moet het leven kosten aan enkele der beesten, die in de vlakte rondzwerven," meende de majoor.

"Ja! er verbranden soms eenige; maar er zijn er zooveel, dat men het niet eens bemerkt."

"Ik trek ook geen partij voor hen," hernam Mac Nabbs, "zij moeten maar voor zich zelven zorgen, maar voor de reizigers, die de pampa doortrekken. Kan het niet gebeuren dat zij door de vlammen overvallen en omsingeld worden?"

"Wel zeker!" riep Paganel, met een van blijdschap stralend gezigt "dat gebeurt wel eens, en het zou mij groot genoegen doen, als ik zulk een tooneel eens mogt bijwonen."

"Daar kan men den geleerde uit proeven," antwoordde Glenarvan; "hij zou de liefde voor de wetenschap zoo ver drijven, dat hij zich levend zou laten verbranden."

"Dat niet, waarde Glenarvan! maar men heeft Cooper gelezen, en Lederen Kous heeft ons het middel aan de hand gedaan om den voortgang der vlammen te stuiten door eenige vademen om zich heen het gras uit te halen. Niets is eenvoudiger dan dat. Ik vrees daarom ook geenszins een brand, integendeel, ik verlang er zeer naar."

Maar de wensch van Paganel zou niet vervuld worden, en werd hij al half gebraden, zoo was het toch maar in de zonnestralen, die een verschroeiende hitte opwekten. De paarden hijgden onder den invloed dier keerkringswarmte. Men kon geen andere schaduw verwachten, dan van een der zeldzame wolkjes, die de vurige schijf omsluijerden; dan zweefde de schaduw over den effen grond en poogden de ruiters, hun paard aanzettende, het koele plekje bij te houden, dat de westewinden voor hen uitjaagden. Maar de paarden moesten weldra achterblijven, en het ongesluijerde gesternte goot een nieuwen vuurregen uit over den kalkgrond der pampa's.

Toen Wilson zeide, dat de watervoorraad wel zou toereiken, had hij echter niet op den onleschbaren dorst gerekend, die zijn makkers op dien dag kwelde; toen hij er bijvoegde, dat men onderweg wel een riviertje zou ontmoeten, had hij te veel gezegd. Want niet alleen waren er geen riviertjes te zien, omdat de effenheid van den grond hun geen geschikte bedding opleverde, maar zelfs waren de kunstmatige plassen, door de hand der Indianen gegraven, ook uitgedroogd. Toen hij de kenmerken der droogte van mijl tot mijl zag toenemen, maakte Paganel eenige aanmerkingen aan Thalcave, en vroeg hem, waar hij water dacht te vinden.

"Bij het Zoutmeer," antwoordde de Indiaan.

"En wanneer zullen wij daar komen?"

"Morgen avond."

Gewoonlijk graven de Argentijnen, wanneer zij door de pampa reizen, putten en vinden dan eenige vademen onder den grond water. Maar de reizigers konden bij gebrek aan de noodige werktuigen zich hiermede niet redden; zij moesten zich dus op rantsoen stellen, en al had men juist geen volslagen gebrek aan water, toch kon niemand zijn dorst geheel lesschen.

Na een togt van dertig mijlen hield men des avonds halt. Allen rekenden op een goeden nacht om van de vermoeienissen van den dag zich te herstellen; en hij werd juist gestoord door een zeer lastige zwerm muskieten en muggen. Derzelver tegenwoordigheid voorspelde een verandering van wind, die inderdaad een streek draaide en noordelijk werd. Die hatelijke insecten verdwijnen doorgaans bij zuide- of zuidwestewinden.

Zoo de majoor zijn kalmte al bewaarde bij de kleine ongemakken des levens, Paganel integendeel werd boos om de plagerijen van het lot. Hij wenschte muskieten en muggen naar den duivel, en het speet hem, dat hij geen zuur water had om de brandende pijn zijner duizenden wonden te verzachten. De majoor trachtte hem, maar te vergeefs, te troosten met de opmerking, dat men zich gelukkig moest achten van maar met twee van de driemaal honderd duizend insecten te doen te hebben, die de natuurkundigen tellen,—hij werd toch in een zeer kwade luim wakker.

Hij liet zich echter niet lang bidden om met het krieken van den dag te vertrekken; want het kwam er nu op aan om dienzelfden dag het Zoutmeer te bereiken. De paarden waren doodmoede; zij stierven van dorst en hoewel hun ruiters zich om hunnentwil ontbering hadden getroost, was hun rantsoen van water toch zeer gering geweest. De droogte was nog sterker en de warmte niet minder ondragelijk door de stofwolken, welke de noordewind, die samoem[3] der pampa's, opjoeg.

Op dezen dag werd de eentoonigheid der reis een oogenblik afgebroken. Mulrady, die vooruit reed, kwam terug om kennis te geven van de nadering van een bende Indianen. Die ontmoeting werd verschillend beoordeeld. Glenarvan dacht aan de inlichtingen, welke die inboorlingen hem misschien aangaande de schipbreukelingen der Britannia konden verschaffen. Thalcave weder was er geenszins mede ingenomen, dat hij de zwervende Indianen der pampa's op zijn weg aantrof; hij hield ze voor plunderaars en dieven, en deed zijn best om hen te ontwijken. Op zijn bevel sloot de kleine troep zich digt aaneen en werden de wapens in gereedheid gebragt. Men moest op alles voorbereid zijn.

Spoedig kreeg men de indiaansche afdeeling in het oog. Zij bestond slechts uit een tiental inboorlingen, hetgeen den Patagoniër gerust stelde. De Indianen naderden tot op honderd passen. Men kon hen gemakkelijk onderscheiden. Het waren inboorlingen, die tot het pampa-ras behoorden, dat in 1888 door generaal Rosas verdreven was. Hun hoog, gewelfd en niet terugwijkend voorhoofd, hun slanke gestalte en hun olijfkleur maakten hen tot schoone typen van het indiaansche ras. Zij waren gekleed met vellen van guanacha's en stinkdieren, en droegen behalve een twintig voet lange lans, messen, slingers, bola's en lasso's. Hun handigheid in het besturen hunner paarden bewees, dat zij bekwame ruiters waren.

Op een afstand van honderd schreden hielden zij stil en schenen raad te houden, daarbij luid schreeuwende en gebaren makende. Glenarvan ging naar hen toe. Maar hij was nog geen twee vademen ver, of de afdeeling maakte regtsomkeert en verdween met ongeloofelijke snelheid. De afgematte paarden der reizigers konden hen onmogelijk inhalen.

"Die lafaards!" riep Paganel.

"Waren zij eerlijke lieden, dan zouden zij zoo hard niet wegloopen," zeide Mac Nabbs.

"Wat zijn dat voor Indianen?" vroeg Paganel aan Thalcave.

"Gaucho's," antwoordde de Patagoniër.

"Gaucho's!" herhaalde Paganel, zich tot zijn makkers rigtende, "Gaucho's! Dan hadden wij waarlijk zooveel voorzorgen niet behoeven te nemen! Er was niets te vreezen!"

"Waarom niet?" vroeg de majoor.

"Omdat de Gaucho's weerlooze landlieden zijn."

"Denkt gij dat, Paganel?"

"Zeker. Zij hebben ons voor roovers aangezien en zijn gevlugt."

"Ik geloof veeleer, dat zij ons niet hebben durven aanvallen," antwoordde Glenarvan, die zeer verstoord was, omdat hij met die inboorlingen, zij mogten zijn wie zij wilden, geen gesprek had kunnen aanknoopen.

"Zoo denk ik er ook over," zeide de majoor; "want, als ik mij niet vergis, zijn de Gaucho's in plaats van weerloos, wel degelijk openbare en geduchte roovers."

"Welnu komaan!" riep Paganel.

En hij begon levendig over die stelling uit de volkenkunde te redetwisten, zoo levendig zelfs, dat het hem gelukte om den majoor boos te maken, hetgeen hem den volgenden uitval van Mac Nabbs op den hals haalde, die anders zoo iets niet gewoon was bij de zeldzame twisten:

"Ik geloof, dat gij ongelijk hebt, Paganel!"

"Ongelijk!" herhaalde de geleerde.

"Ja! Thalcave zelf heeft die Indianen voor roovers aangezien, en Thalcave weet wel, wat hij van hen denken moet."

"Welnu! Thalcave heeft zich ditmaal vergist," gaf Paganel met eenige bitterheid ten antwoord. "De Gaucho's zijn landbouwers, herders, anders niet, en ik heb het zelf geschreven in een goed ontvangen vlugschrift over de inboorlingen der pampa's."

"Dan hebt gij eene dwaling begaan, mijnheer Paganel!"

"Ik! een dwaling! mijnheer Mac Nabbs?"

"Uit verstrooidheid, wanneer gij wilt," antwoordde de majoor, die het niet opgaf; "gij kunt dus niet beter doen dan een volgenden druk te herzien!"

Paganel was zeer beleedigd, nu hij moest hooren, dat men zijn aardrijkskundige kennis in twijfel trok, ja, er den gek mede scheerde, en voelde, dat hij boos werd.

"Wees overtuigd, mijnheer!" zeide hij, "dat in mijn werken dergelijke feilen niet voorkomen."

"Bij deze gelegenheid toch wel," antwoordde Mac Nabbs, die op zijne beurt koppig werd.

"Mijnheer! ik vind u van daag zeer plaagziek!" riep Paganel.

"En ik vind u zeer scherp!" gaf de majoor ten antwoord.

De twist liep, zooals men ziet, zeer hoog, en dat over een onderwerp, dat zooveel drukte niet waard was. Glenarvan achtte het geraden om tusschen beiden te komen.

"Het is zeker," zeide hij, "dat er bij den een plaagzucht en bij den ander scherpte in het spel is, hetgeen mij van beiden zeer verwondert."

De Patagoniër had de aanleiding tot den twist wel niet begrepen, maar kon ligt gissen, dat de beide vrienden het oneens waren. Hij begon te glimlagchen en zeide zachtjes:

"Het is de noordewind!"

"De noordewind!" riep Paganel, "wat heeft de noordewind met dit alles te maken?"

"Wel zeker!" antwoordde Glenarvan; "de noordewind is de oorzaak van uw kwade luim! Ik heb hooren zeggen, dat hij in het zuiden van Amerika het zenuwgestel bijzonder prikkelt."

"Bij St Patrick! Edward! gij slaat den spijker op den kop!" zeide de majoor, die het uitschaterde van lagchen.

Maar Paganel, die waarlijk boos was, wilde den strijd niet opgeven, en klampte nu Glenarvan aan, wiens tusschenkomst in zijn oog wat al te spottend was.

"Ei zoo, mylord!" zeide hij, "is mijn zenuwgestel waarlijk geprikkeld?"

"Ja, Paganel! het is de noordewind, die het doet; een wind, die in de pampa veel misdaden doet begaan, evenals in den omtrek van Rome!"

"Misdaden!" antwoordde de geleerde; "zie ik er uit als iemand, die misdaden begaan wil?"

"Dat zeg ik niet."

"Zeg maar ronduit, dat ik u wil vermoorden!"

"Daar zou ik haast bang voor worden!" antwoordde Glenarvan, die zijn lachlust niet kon bedwingen. "Gelukkig waait de noordewind nooit langer dan één dag!"

Op dit gezegde lachten allen met Glenarvan mede. Nu maakte Paganel zich haastig uit de voeten en ging hij naar het hoofd van het gezelschap om zijn drift wat te laten bedaren. Een kwartier later dacht hij er niet meer aan.

Zoo was de goede luim van den geleerde een oogenblik verstoord geweest; maar, zooals Glenarvan teregt had gezegd, die zwakheid had een geheel uitwendige reden.

Ten acht ure des avonds gaf Thalcave, die wat vooruit gereden was, een sein, dat men digt bij het zoo gewenschte meer was. Een kwartier daarna daalde de kleine troep de steile oevers van het Zoutmeer af. Maar daar wachtte hem een erge teleurstelling. Het meer was opgedroogd.

XVIII.

Men zoekt versch water.

Het Zoutmeer besluit de reeks van kleine meren, die in verband staan met de sierra's Ventana en Guamini. Voorheen ging men uit Buenos-Ayres veel daarheen om zout te halen; want zijn water bevat een aanzienlijke hoeveelheid chloorsodium. Maar nu had het water, door de buitensporige hitte verdampt, al het zout, dat er in opgelost was, achtergelaten en het meer was niets anders meer dan een ontzaggelijk groote heldere spiegel.

Toen Thalcave vertelde, dat het Zoutmeer drinkbaar water opleverde, bedoelde hij daarmede de zoetwaterstroompjes, die er in menigte in uitloopen. Maar op dit oogenblik waren deze zoowel uitgedroogd als het meer. De brandende zon had alles opgedronken. Dit veroorzaakte een algemeene ontsteltenis, toen het dorstige gezelschap op de uitgedroogde oevers van het Zoutmeer aankwam.

Goede raad was duur. Het geringe overschot van water in de lederen zakken was bedorven. Het was onbruikbaar. De dorst begon verschrikkelijk te kwellen. Honger en vermoeijenis verdwenen voor die gebiedende behoefte. Een "roukah," een soort van tent, die, in een bogt aan den oever, van huiden opgeslagen en door de inboorlingen verlaten was, diende den uitgeputten reizigers tot schuilplaats, terwijl hunne paarden, op de slijkerige oevers van het meer uitgestrekt, met tegenzin knabbelden aan de zoutwaterplanten en het drooge riet.

Toen allen in de roukah bijeen waren, vroeg Paganel aan Thalcave, wat hun nu te doen stond. Dit gaf aanleiding tot een vlugtig gesprek tusschen den aardrijkskundige en den Indiaan, waarvan Glenarvan eenige woorden opving. Thalcave sprak zeer bedaard. Paganel maakte gebaren voor twee. Deze zamenspraak duurde eenige minuten, waarna de Patagoniër de armen over elkander sloeg.

"Wat heeft hij gezegd?" vroeg Glenarvan. "Ik meen begrepen te hebben, dat hij een scheiding aanraadden."

"Ja. In twee afdeelingen," antwoordde Paganel. "Diegenen onzer, wier paarden door vermoeijenis en dorst uitgeput, naauwelijks een voet meer kunnen verzetten, zullen zoo goed en kwaad als het gaan kan langs de zeven en dertigste parallel voorttrekken. De beter beredenen daarentegen zullen hun op dien weg vooruitgaan en de rivier Guamini opzoeken, die een en dertig mijlen[1] van hier in het meer San Lucas valt. Vinden zij er genoeg water, dan zullen zij hun makkers op de oevers der Guamini afwachten. Is er geen water, dan zullen zij terugkeeren om hun een vergeefsche reis te besparen."

"En dan?" vroeg Tom Austin.

"Dan zullen wij moeten besluiten om vijf en zeventig mijlen verder zuidwaarts te trekken, tot aan de eerste vertakkingen der sierra Ventana, waar de rivieren talrijk zijn."

"Die raad is goed," antwoordde Glenarvan, "en wij zullen hem zonder uitstel opvolgen. Mijn paard heeft nog niet veel van het gebrek aan water geleden, en ik bied aan om Thalcave te vergezellen."

"O, neem mij mede, mylord!" zeide Robert, alsof er sprake was van een rijtoertje.

"Maar zult gij ons kunnen volgen, mijn jongen?"

"Ja! ik heb een goed dier, dat niet liever dan vooruit wil. Wilt gij ... mylord?... ik smeek u er om."

"Ga dan maar mede, mijn jongen!" zeide Glenarvan, die blijde was, dat hij niet van Robert behoefde te scheiden. "Wij zouden wel heel lomp moeten zijn," voegde hij er bij, "wanneer wij met ons drieën geen versch en helder water ontdekten."

"En ik dan?" zeide Paganel.

"O, gij, waarde Paganel!" antwoordde de majoor, "gij zult bij de reserve blijven. Gij kent de zeven en dertigste parallel en de rivier Guamini en de geheele pampa te goed om ons te verlaten. Noch Mulrady, noch Wilson, noch ik zijn in staat om Thalcave op de plaats van bijeenkomst te vinden, terwijl wij vol vertrouwen zullen oprukken onder de banier van den dapperen Jacques Paganel."

"Ik onderwerp mij," antwoordde de aardrijkskundige, wiens eigenliefde gestreeld werd door het verkrijgen van een opperbevel.

"Maar pas op voor verstrooidheid!" voegde de majoor er bij. "Breng ons niet, waar wij niet zijn moeten, b.v. aan de oevers der Stille Zuidzee!"

"Gij zoudt het anders wel verdienen, onuitstaanbare majoor!" antwoordde Paganel lagchende. "Maar zeg eens, waarde Glenarvan! hoe zult gij de taal van Thalcave verstaan?"

"Ik vooronderstel," antwoordde Glenarvan, "dat de Patagoniër en ik niet veel te praten zullen hebben. Bovendien zou ik met eenige spaansche woorden, die ik magtig ben, in een dringende omstandigheid wel in staat zijn om hem mijne gedachte mede te deelen en de zijne te begrijpen."

"Ga dan, waardige vriend!" antwoordde Paganel.

"Laten wij eerst ons avondeten gebruiken," zeide Glenarvan, "en, als het kan, slapen tot het uur van vertrek."

Men hield een muizenmaaltijd, hetgeen niet zeer verkwikkend was, en sliep, om zijn dorst te vergeten.

Paganel droomde van bergstroomen, van watervallen, van rivieren, van stroomen, van vijvers, van beken, ja zelfs van volle karaffen, in één woord van alles, wat doorgaans drinkbaar water bevat. Hij had waarlijk de nachtmerrie.

Den volgenden morgen ten zes ure werden de paarden van Thalcave, Glenarvan en Robert gezadeld; men gaf hun het laatste rantsoen water, dat zij met meer gretigheid dan smaak uitdronken, want het was zeer walgelijk.

Vervolgens sprongen de drie ruiters in den zadel. "Tot weerziens!" riepen de majoor, Austin, Wilson en Mulrady.

"En doet vooral uw best om weg te blijven!" voegde Paganel er bij.

Weldra verloren de Patagoniër, Glenarvan en Robert, niet zonder eenige benaauwdheid, de afdeeling uit het oog, die aan de schranderheid van den geleerden aardrijkskundige was toevertrouwd.

De "desertio de las Salinas," die zij nu doorreisden, is een kleiachtige vlakte, bedekt met tien voet hooge ondergeblevene heesters, met mimosaplanten, die de Indianen "curra-mammel" noemen, en met de "jume," een struikachtig gewas, rijk aan soda. Hier en daar weerkaatsten breede strooken zout de zonnestralen met verbazende kracht. Het oog zou ligt die "barrero's"[2] aangezien hebben voor ijskorsten; maar de zonnehitte zou het weldra uit den droom hebben geholpen. Niettemin gaf die tegenstelling van een dorren en verschroeiden bodem met die fonkelende vlakken aan deze woestijn een zeer buitengewoon voorkomen, dat de opmerkzaamheid gaande maakte.

Tachtig mijlen zuidelijker integendeel leverde die sierra Ventada, waarheen de mogelijke uitdrooging der Guamini de reizigers misschien noodzaken zou zich te begeven, een geheel ander gezigt op. Dit land, dat in 1835 bezocht werd door de expeditie onder aanvoering van kapitein Fitz-Roy, bevelhebber der Beagle, is bij uitstek vruchtbaar. De beste weiden van het indiaansche grondgebied prijken daar met het heerlijkste groen; de noordwestelijke helling der sierra's is daar bedekt met het weelderigste grasgewas, en strekt zich uit tot in bosschen, die rijk zijn aan allerlei houtsoorten; daar ziet men den "algarrobo," een soort van St. Jansbroodboom, welks gedroogde en fijngemalen vrucht tot het vervaardigen van een brood dient, dat door de Indianen zeer geacht wordt; den witten "quebracho," met lange en buigzame takken, die even als de europeesche wilg treuren; den rooden "quebracho," wiens hout onvergankelijk is; den "naudubay," die zeer snel vlam vat en dikwijls verschrikkelijke branden veroorzaakt; den "viraro," wiens paarsche bloemen in de gedaante eener pyramide boven elkander staan, en eindelijk den "timbo," die zijn ontzaggelijk zonnescherm tachtig voet hoog in de lucht verheft, waaronder geheele kudden een beschutting vinden tegen de stralen der zon. De Argentijnen hebben meermalen pogingen aangewend om dit rijke land te koloniseeren, maar te vergeefs getracht de vijandige gezindheid der Indianen te overwinnen.

Voorzeker had men regt om te meenen, dat talrijke stroompjes van het gebergte afdaalden, om het water, dat voor zulk een vruchtbaarheid noodig was, te verschaffen, en inderdaad heeft de ergste droogte die rivieren nooit doen verdampen, maar om ze te bereiken moest men wel honderd dertig mijlen[3] zuidelijker trekken. Thalcave had dus wel gelijk, dat hij zich eerst naar de Guamini begaf, die, zonder hem van den weg af te leiden, veel digter bij was.

De drie paarden galoppeerden wakker voort. Die uitmuntende dieren roken zeker uit instinct, waar hun meesters hen heenbragten. Thaouka vooral legde een levendigheid aan den dag, die geen vermoeijenis noch behoefte kon verminderen; hij sprong met de snelheid van een vogel over de verdroogde cañada's en de curra-mammel-struiken heen, waarbij zijn gehinnik een goed voorteeken was. Door zijn voorbeeld aangevuurd, volgden de paarden van Glenarvan en Robert hem wel met trager schreden, maar toch vol moed. Thalcave, die regtop in den zadel zat, gaf zijn makkers het voorbeeld, dat Thaouka den zijnen gaf. De Patagoniër draaide gedurig het hoofd om, ten einde naar Robert Grant te zien.

Als hij den knaap zoo stevig en regtop, met buigzame lendenen, ingetrokken schouders, de beenen los langs het paard hangende en de knieën stijf tegen den zadel gedrukt, zag zitten, gaf hij door een aanmoedigenden uitroep aan zijn tevredenheid lucht. Robert Grant werd dan ook inderdaad een uitmuntend ruiter en verdiende de loftuigingen van den Indiaan.

"Bravo! Robert!" zeide Glenarvan; "ik geloof, dat Thalcave u gelukwenscht. Hij juicht u toe, mijn jongen!"

"En waarom, mylord?"

"Omdat gij zoo flink te paard zit."

"O! ik houd mij goed vast; dat is alles," antwoordde Robert, die van genoegen bloosde, omdat hij zich hoorde prijzen.

"Dat is het voornaamste, Robert!" antwoordde Glenarvan; "maar gij zijt te zedig, en ik voorspel u, dat gij eenmaal een volleerd paardrijder zult worden."

"Goed!" zeide Robert lagchende; "maar wat zal vader er wel van zeggen, die een zeeman van mij wil maken?"

"Het eene sluit het andere niet uit. Worden alle ruiters al geen goede zeelieden, zoo zijn toch de zeelieden geschikt om goede ruiters te worden. Als men daar zoo op de ra's zit, leert men zich wel goed vasthouden. De kunst om zijn paard te verzamelen, om schuinsche of cirkelvormige bewegingen te maken, komt van zelve, want niets is eenvoudiger."

"Arme vader!" antwoordde Robert, "ach! hoe dankbaar zal hij jegens u zijn, mylord! wanneer gij hem moogt redden!"

"Houdt gij veel van hem, Robert?"

"Ja, mylord! Hij was zoo goed voor mijn zuster en mij. Hij dacht alleen aan ons! Bij iedere reis bragt bij ons een gedachtenis mede uit alle landen, die hij bezocht, en wat nog beter was, bij zijn terugkomst liefkoosde hij ons en sprak hij ons vriendelijk toe. O! gij zult ook wel veel van hem houden, wanneer gij hem hebt leeren kennen! Mary gelijkt sprekend op hem. Hij heeft een even zachte stem als zij! Dat is zeer vreemd voor een zeeman, niet waar?"

"Ja, zeer vreemd, Robert!" antwoordde Glenarvan.

"Ik zie hem nog," vervolgde het kind, die nu tot zich zelven scheen te spreken. "Goede en brave vader! hij wiegde mij op zijn knie in slaap, toen ik klein was, en neuriede altijd een oud schotsch liedje, waarin de meren van ons land bezongen worden. De wijs herinner ik mij soms nog half en half. Mary ook. Ach, mylord! wat hielden wij veel van hem! Ik geloof waarlijk dat men klein moet zijn om veel van zijn vader te houden!"

"En groot om hem te eeren, mijn kind!" antwoordde lord Edward, die innig geroerd werd door die woorden, welke uit dat kinderhart vloeiden.

Gedurende dit gesprek hadden de paarden hun gang vertraagd en liepen zij stapvoets.

"Wij zullen hem terugvinden, niet waar?" zeide Robert na eenige oogenblikken gezwegen te hebben.

"Ja, wij zullen hem terugvinden!" antwoordde Glenarvan. "Thalcave heeft ons hem op het spoor gebragt, en ik stel vertrouwen in hem."

"Een brave Indiaan, die Thalcave," zeide het kind.

"Zeker."

"Wil ik u eens wat zeggen, mylord?"

"Spreek eerst, dan zal ik u antwoorden."

"Het zijn allen brave lieden, die u omringen! Mevrouw Helena, van wie ik zooveel houd, de majoor met zijn bedaard voorkomen, kapitein Mangles, en de heer Paganel, en de matrozen der Duncan, die zoo moedig en zoo verknocht zijn!"

"Ja, dat weet ik, mijn jongen!" antwoordde Glenarvan.

"En weet gij wel, dat gij de beste van allen zijt?"

"Neen, dat weet ik waarlijk niet!"

"Welnu, ik zeg u, dat het zoo is, mylord!" antwoordde Robert, terwijl hij de hand van den lord vatte en aan zijn lippen bragt.

Glenarvan schudde zachtjes het hoofd. Het gesprek werd echter niet voortgezet; want Thalcave wenkte de achterblijvers om wat voort te maken. Zij hadden hem vooruit laten komen. Er was echter geen tijd te verliezen, en men mogt degenen, die achtergelaten waren, niet vergeten.

"Welnu, ik zeg u, dat het zoo is, mylord!" antwoordde Robert, terwijl hij de hand van den lord vatte en aan zijn lippen bragt.

"Welnu, ik zeg u, dat het zoo is, mylord!" antwoordde Robert, terwijl hij de hand van den lord vatte en aan zijn lippen bragt.
"Welnu, ik zeg u, dat het zoo is, mylord!" antwoordde Robert, terwijl hij de hand van den lord vatte en aan zijn lippen bragt.

Zij zetten dus hun paarden aan; maar het bleek weldra, dat zij, met uitzondering van Thaouka, het niet lang zouden kunnen uithouden. Ten twaalf ure moest men hun een uur rust geven. Zij konden niet verder voort en weigerden de "alfafares" te eten, een soort van magere en door de zonnestralen verschroeide spurrie.

Glenarvan begon ongerust te worden. De kenteekenen der onvruchtbaarheid verminderden niet, en het gebrek aan water kon schromelijke gevolgen hebben. Thalcave zeide niets, en dacht waarschijnlijk, dat het vroeg genoeg zou zijn om te wanhopen, wanneer de Guamini uitgedroogd was; althans indien voor een indiaansch hart het uur der wanhoop ooit slaat.

Hij ging dus weder op weg, en goed- of kwaadschiks de paarden moesten, door zweep en spoor aangezet, weder vooruit, maar stapvoets. Dat was al wat zij doen konden.

Thalcave zou wel verder geweest zijn, want Thaouka kon hem in weinige uren aan de oevers van den stroom brengen. Hij dacht er zeker wel aan; maar hij wilde ongetwijfeld zijn beide makkers niet alleen in de woestijn laten, en om hun niet vooruit te komen, dwong hij Thaouka tot een langzamer gang.

Niet zonder tegenstand te bieden, zonder te steigeren, zonder luide te hinniken onderwierp het paard van Thalcave er zich aan om stapvoets te gaan; zijn meester dwong hem er echter minder toe door geweld dan door zijn stem. Thalcave praatte werkelijk met zijn paard, en al antwoordde Thaouka hem niet, hij begreep hem toch. Waarschijnlijk voerde de Patagoniër uitmuntende redenen aan; want na eenigen tijd "geredetwist" te hebben, werd Thaouka door zijn bewijsgronden overwonnen en gehoorzaamde hij, echter niet zonder hevig op zijn gebit te knabbelen.

Werd Thalcave door Thaouka begrepen, Thaouka werd evenzeer door Thalcave begrepen. Het schrandere dier rook, door zijn scherpe zintuigen geholpen, eenige vochtigheid in de lucht; het ademde ze met wellust in, en liet zijn tong klappen, alsof het die in een verkwikkend vocht had gedoopt. De Patagoniër kon zich er niet in vergissen: er was water in de nabijheid.

Hij moedigde daarom zijn makkers aan door op het ongeduld van Thaouka te wijzen, dat de beide andere paarden spoedig begrepen. Zij spanden hun laatste krachten in en galoppeerden den Indiaan achterna.

Tegen drie ure vertoonde zich in een kromming van den grond een witte streep. De zonnestralen gaven haar een bevend voorkomen.

"Water!" riep Glenarvan.

"Water! ja, water!" herhaalde Robert.

Nu behoefden zij hun beesten niet meer aan te zetten; de arme dieren, die hun krachten voelden herleven, snelden met duizelingwekkende vaart voort. Binnen weinige minuten hadden zij de Guamini bereikt, en wierpen zij zich geheel getuigd tot aan de borst in het weldadige nat.

Hoewel tegen hun zin werden zij door hun berijders gevolgd, die onwillig een bad moesten nemen, waarover zij zich echter niet beklaagden.

"O! wat smaakt dat lekker!" zeide Robert, terwijl hij in het midden der rivier zijn dorst leschte.

"Wees voorzigtig, mijn jongen!" antwoordde Glenarvan, die er evenwel zelf het voorbeeld niet van gaf.

Men hoorde thans niets anders meer dan het geluid van het drinken.

Thalcave dronk heel bedaard, zonder zich te haasten, met kleine beetjes, maar "zoo lang als een lasso," gelijk de Patagoniërs zeggen. Hij hield niet op, en het stond te vreezen, dat hij het geheele riviertje zou leegdrinken.

"Onze vrienden zullen toch niet in hun verwachting teleurgesteld worden," zeide Glenarvan; "als zij bij de Guamini komen zijn zij zeker, dat zij een overvloed van helder water zullen vinden, ten minste, wanneer Thalcave wat overlaat!"

"Maar zouden wij hun niet tegemoet kunnen gaan?" vroeg Robert. "Zoo doende zouden wij hun eenige uren van angst en lijden kunnen besparen."

"Wel zeker, mijn jongen! maar hoe zullen wij dit water vervoeren? Wilson heeft de waterzakken bij zich gehouden. Neen, het is beter te wachten, zooals wij afgesproken hebben. Ik reken, den afstand en de vermoeidheid der paarden in aanmerking nemende, dat het wel nacht zal zijn, als onze vrienden hier komen. Laten wij dus een goed nachtverblijf en een goed avondeten voor hen gereed maken."

Thalcave had niet op een wenk van Glenarvan gewacht om een geschikte legerplaats op te zoeken. Gelukkig had hij aan de oevers der rivier een "ramada" gevonden, een soort van omheining, bestemd om de kudden in op te sluiten, die aan drie zijden digt was. Het was een gunstig plekje om den nacht in door te brengen, als men er ten minste niets tegen had om in de open lucht te slapen, en dat was iets, waarover de makkers van Thalcave zich volstrekt niet bekommerden. Zij zochten dan ook niet verder, en strekten zich in de zon uit om hun doornatte kleederen te droogen.

"Nu wij een nachtverblijf hebben," zeide Glenarvan; "moeten wij ook aan het avondeten denken. Onze vrienden moeten tevreden kunnen zijn over hun kwartiermakers en ik zou mij zeer vergissen, wanneer zij reden van klagen hadden. Ik geloof, dat een jagt van een uurtje geen tijd verspillen zal zijn. Zijt gij gereed, Robert?"

"Ja, mylord!" antwoordde de knaap, die opstond en zijn geweer greep.

Glenarvan was op die gedachte gekomen, omdat de oevers der Guamini de plaats schenen te zijn, waar al het wild uit de omliggende vlakten bijeenkwam; bij heele troepen zag men de "tinamous," een soort van steenhoen uit de pampa's, zwarte hazelhoenders, een soort van regenvogels, "teru-teru" genoemd, geelkleurige riethoenders en heerlijk groene waterhoenders opvliegen.

Viervoetige dieren waren er niet te zien; maar Thalcave wees op het hooge gras en digte kreupelhout, daarmede te kennen gevende, dat zij daarin verborgen waren. De jagers behoefden slechts weinige schreden te doen om zich in het wildrijkste land der aarde te bevinden.

De jagt begon, en het gevogelte versmadende voor de landdieren, rigtten de jagers hun eerste schoten op het grove wild der pampa. Spoedig verrezen om hen heen honderden reebokken en guanacha's, dezelfde dieren, die hen met zooveel geweld op de toppen der Cordillera aanvielen; maar die schuwe beesten vlugtten zoo snel, dat het onmogelijk was om hen onder schot te krijgen. Daarom gingen de jagers nu tot minder vlug wild over, dat bovendien als spijs niets te wenschen overliet. Zij schoten een dozijn steen- en riethoenders, en Glenarvan doodde nog zeer behendig een muskuszwijn, "tay-tetre", een zeer smakelijk, dikhuidig zoogdier met rosachtig haar, dat wel een schot waard was.

Binnen een half uur doodden de jagers zonder eenige moeite al het wild, dat zij noodig hadden; Robert maakte zich nog van een zonderling dier meester, dat tot de orde der handelooze zoogdieren behoorde, een "armadillo," een soort van gordeldier, bedekt met een schild van beenachtige en bewegelijke platen, dat anderhalf voet lang was. Het was zeer vet, en zou, naar het zeggen van den Patagoniër, een lekkeren schotel opleveren. Robert was dus trotsch op dat buitenkansje.

Thalcave van zijn kant vergastte zijn makkers op het schouwspel van een jagt op den "nandou," een soort van struisvogel uit de pampa's, wiens snelheid verbazend groot is.

De Indiaan nam geenszins zijn toevlugt tot list bij een dier, dat zoo hard kon loopen; hij galoppeerde regt op hem aan, om hem dadelijk in te halen; want als de eerste aanval mislukte, dan zou de nandou weldra paard en jager door den onontwarbaren doolhof zijner draaijingen vermoeid hebben. Zoodra Thalcave digt genoeg bij hem was, slingerde hij zijn bola's met een krachtige hand zoo behendig, dat zij om de pooten van het dier gedraaid werden en het magteloos maakten. Binnen weinige seconden lag de struisvogel op den grond.

De Indiaan maakte zich niet van hem meester, uit loutere liefhebberij voor de jagt; het vleesch van den nandou is zeer geacht, en Thalcave wilde zijn aandeel leveren aan den gemeenschappelijken maaltijd.

De hoenders, de struis van Thalcave, het muskuszwijn van Glenarvan en het gordeldier van Robert werden dadelijk toebereid, dat wil zeggen van hun taaije huid ontdaan en aan dunne repen gesneden. Wat het gordeldier aangaat, dit is een kostelijk dier, dat zijn braadpan bij zich draagt, en dat men daarom in zijn eigen schild op gloeijende kolen legde.

De drie jagers vergenoegden zich voor hun avondeten met de hoenders, en bewaarden voor hun vrienden de steviger stukken. Den maaltijd besproeiden zij met helder water, dat zij lekkerder vonden dan al den portwijn der wereld, en zelfs dan de bekende "usquebaugh"[4], die in de schotsche Hooglanden zoo hoog vereerd wordt.

De paarden werden ook niet vergeten. Een groote hoeveelheid droog voeder, dat men in de ramada vond, diende hun te gelijk tot voedsel en tot stroo.

Toen alles in gereedheid was gebragt, draaiden Glenarvan, Robert en de Indiaan zich in hun poncho, en strekten zij zich uit op een zachten hoop alfafares, het gewone bed der jagers in de pampa's.

XIX.

De roode wolven.

Het werd nacht. Het was juist nieuwe maan, zoodat de nachtvorstin onzigtbaar zou blijven voor al de aardbewoners. Het flaauwe sterrelicht alleen bescheen de vlakte. Aan den gezigteinder werd het licht van de sterrebeelden der dierenriems onderschept door een zware mist. Het water van de Guamini stroomde zonder gemurmel verder, gelijk een lange streep olie, die over marmer loopt. Vogelen, viervoetige en kruipende dieren rustten uit van de vermoeijenissen van den dag, en eene stilte, gelijk aan die eener woestijn, daalde op het onmetelijk gebied der pampa's neder.

Glenarvan, Robert en Thalcave hadden zich aan de natuurwet moeten onderwerpen. Op het digte spurriebed uitgestrekt, sliepen zij rustig door. De paarden, die doodaf waren van vermoeidheid, lagen op den grond; alleen Thaouka sliep, als een paard van echt ras, staande, met de vier pooten loodregt op den grond; even fier in de rust als in de beweging, en gereed om op het eerste teeken naar zijn meester heen te snellen. Een doodsche stilte heerschte binnen de omheining, en de kolen van het nachtelijk vuur, dat langzamerhand uitging, verspreidden een laatste flikkering in de stille duisternis.

Tegen tien ure echter werd de Indiaan na een korten slaap wakker. Zijn oog fonkelde onder zijn nedergeslagen wenkbraauwen, en met het oor naar de vlakte gewend luisterde hij scherp toe. Het was duidelijk, dat hij het een of ander flaauw geluid trachtte op te vangen. Weldra teekende zijn gelaat, hoe strak het gewoonlijk ook zijn mogt, een onbestemde onrust. Had hij de nadering bespeurd van op roof rondzwervende Indianen, of de komst der jaguars, der watertijgers en van andere vreeselijke dieren, die in de nabijheid der rivieren zoo talrijk zijn? Zonder twijfel kwam deze laatste vooronderstelling hem waarschijnlijk voor; hij wierp althans een vlugtigen blik op de brandstoffen, die binnen de omheining opeengehoopt waren, en zijn onrust nam nog toe. Dat drooge voeder van alfafares zou dan ook spoedig verbrand zijn en kon stoutmoedige dieren niet lang tegenhouden.

Nu de zaken zoo stonden, kon Thalcave niet anders doen dan de gebeurtenissen afwachten, en nam hij half liggende, half zittende, met het hoofd op de handen rustende, de ellebogen op de knieën leunende en met strakken blik, de houding van een man aan, die door een plotselingen angst in zijn slaap is gestoord.

Een uur verliep. Ieder ander dan Thalcave zou, door de stilte daar buiten gerust gesteld, zich weder op zijn legerstede hebben nedergevlijd. Maar waar een vreemdeling geen achterdocht zou gekoesterd hebben, daar hadden de geprikkelde zintuigen en het natuurlijk instinct van den Indiaan een voorgevoel van een ophanden zijnd gevaar.

Terwijl hij zoo luisterde en loerend rond zag, liet Thaouka een dof gehinnik hooren; snuivende rigtte hij den kop naar den ingang der hut. Terstond rees de Patagoniër overeind.

"Thaouka heeft een vijand geroken," zeide hij.

Hij stond op en ging oplettend de vlakte overzien.

Het was er nog stil, maar niet rustig. Thalcave zag onduidelijke schaduwen, die zich zonder gedruisch te maken tusschen de bosjes curra-mammel bewogen. Hier en daar glinsterden lichtgevende punten, die elkaar in alle rigtingen kruisten, en beurtelings uitdoofden en weder ontstoken werden. Een vreemdeling zou zonder twijfel die zwevende vonken voor de Johanneskevers[1] gehouden hebben, die des nachts op menige plek van de pampa's schitteren. Maar Thalcave vergiste zich er niet in. Hij begreep, met welke vijanden hij te doen had; hij laadde zijn karabijn en ging bij de eerste palen der omheining op den uitkijk staan.

Hij behoefde niet lang te wachten. Een vreemd geschreeuw, een verward geluid van geblaf en gehuil weergalmde over de pampa. Het werd met een losbranding van de karabijn beantwoord, en door honderd schrikaanjagende geluiden gevolgd.

Glenarvan en Robert schrikten wakker en vlogen op.

"Wat is er gaande?" vroeg de jonge Grant.

"Indianen?" vroeg Glenarvan.

"Neen!" antwoordde Thalcave, "aguara's."

Robert zag Glenarvan aan en vroeg: "aguara's?"

"Ja!" antwoordde Glenarvan, "de roode wolven der pampa."

Beiden grepen hun wapenen en voegden zich bij den Indiaan. Deze wees hun de vlakte, waaruit een verschrikkelijk concert, een akelig gehuil opging.

Robert deed onwillekeurig een schrede achterwaarts.

"Zijt gij bang voor de wolven, mijn jongen?" vroeg hem Glenarvan.

"Neen, mylord!" antwoordde Robert met een vaste stem. "Bij u ben ik voor niets bevreesd."

"Des te beter. Die roode wolven zijn geen bijzonder geduchte dieren, en waren zij zoo talrijk niet, dan zou ik mij volstrekt niet om hen bekommeren."

"Wat komt dat er op aan?" antwoordde Robert. "Wij zijn goed gewapend, zij mogen vrij komen!"

"En zullen goed ontvangen worden!"

Glenarvan sprak zoo om het kind gerust te stellen; maar hij dacht niet zonder heimelijken schrik aan dat legioen verscheurende dieren, die in het holst van den nacht op hen los gelaten werden. Misschien waren er wel honderden, en drie mannen, hoe goed zij gewapend mogten zijn, konden niet met voordeel strijden tegen zulk een aantal dieren.

Toen de Patagoniër het woord "aguara" uitsprak, herinnerde Glenarvan zich terstond, dat die naam door de Indianen uit de pampa aan den rooden wolf gegeven wordt. Dit vleeschetend dier, de "canis jubatus" der natuurkundigen, heeft het lijf van een grooten hond en den kop van een vos; zijn haar is kaneelkleurig, en op zijn rug golven zwarte manen, die langs zijn geheele ruggegraat loopen. Dit dier is zeer vlug en zeer sterk; het bewoont meestal moerassige streken en vervolgt al zwemmende de waterdieren; de nacht jaagt het uit het hol, waarin het des daags slaapt; vooral is men er zeer bevreesd voor in de "estancia's[2]" waarin het vee wordt opgebragt; want zoodra de honger het prikkelt, tast het het groot vee aan en rigt aanmerkelijke verwoestingen aan. Wanneer hij alleen is, behoeft men den rooden wolf niet te vreezen; maar het is geheel wat anders, wanneer een groot aantal van die uitgehongerde beesten bij elkander is, dan mag men nog liever met een rooden tijger of tijgerkat te doen hebben, dien men ten minste behoorlijk kan aanvallen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings