JULES VERNE. (continued 5)
Reading edition
"Ik ben blijde, dat ik eerst in de vierde plaats kom!" zeide Mac Nabbs.
"Zoo! dat bewijst enkel, dat gij laf zijt!" gaf Paganel op een toon van minachting ten antwoord.
"Ik ben blij, dat ik laf ben!" sprak de majoor.
"En ik zeg, dat het vernederend is!" antwoordde de onhandelbare Paganel. "De blanke beroemt er zich op, dat hij aan het hoofd des menschdoms staat! De heeren jaguars schijnen niet van hetzelfde gevoelen te zijn!"
"Dat mag wezen zooals het wil, dappere Paganel!" zeide Glenarvan, "maar nu er onder ons geen Indianen, Negers of Mulatten zijn, verheug ik mij over de afwezigheid uwer lieve jaguars. Onze toestand is zoo aangenaam niet...."
"Wat! aangenaam!" riep Paganel, dit woord aanhoudende om een anderen loop aan het gesprek te geven, "klaagt gij over uw lot, Glenarvan?"
"Zonder twijfel," antwoordde Glenarvan; "of zijt gij op uw gemak in die lompe en onbehouwen takken?"
"Ik heb het nooit gemakkelijker gehad, zelfs niet in mijn studeervertrek. Wij leven als de vogels! wij zingen! wij fladderen! Ik zou haast gaan gelooven, dat de menschen bestemd zijn om op de boomen te leven."
"Het ontbreekt hun alleen maar aan vleugels!" zeide de majoor.
"Die zullen zij vroeger of later wel maken!"
"Sta mij intusschen toe, waarde vriend!" antwoordde Glenarvan, "om het zand van een park, den vloer van een huis of het dek van een schip boven deze woning in de lucht te verkiezen!"
"Glenarvan!" antwoordde Paganel, "men moet de dingen nemen, zooals zij zijn! Zijn zij goed, des te beter. Zijn zij slecht, dan moet men er maar niet op letten. Ik zie, dat gij naar de gemakken van het kasteel Malcolm verlangt."
"Neen, maar...."
"Ik ben zeker, dat Robert volmaakt gelukkig is," viel Paganel hem haastig in de rede, om ten minste één aanhanger voor zijn theorie te winnen.
"Ja, mijnheer Paganel!" riep Robert vrolijk uit.
"Dat brengt zijn leeftijd mede," antwoordde Glenarvan.
"En de mijne!" zeide de geleerde. "Hoe minder gemaklievend men is, des te minder behoeften heeft men. Hoe minder behoeften men heeft, des te gelukkiger is men."
"Mooi zoo!" riep de majoor, "daar gaat Paganel een uitval doen tegen de rijkdommen en de paleizen."
"Neen, Mac Nabbs!" antwoordde de geleerde; "maar wanneer gij het verlangt, zal ik u dienaangaande een korte arabische geschiedenis vertellen, die mij juist te binnen schiet."
"Ja, ja! mijnheer Paganel!" zeide Robert.
"En wat zal uwe geschiedenis bewijzen?" vroeg de majoor.
"Wat alle geschiedenissen bewijzen, mijn wakkere kameraad!"
"Dus niet veel!" antwoordde Mac Nabbs. "Maar begin toch maar, Sheherazade! en vertel ons een van die sprookjes, die gij zoo goed kunt vertellen."
"Er was eens," zeide Paganel, "een zoon van den grooten Haroun-al-Raschid, die niet gelukkig was. Hij ging een ouden dervis raadplegen. De wijze grijsaard antwoordde hem, dat het geluk niet gemakkelijk op deze aarde te vinden was. "Toch ken ik," voegde hij er bij, "een onfeilbaar middel om u het geluk te verschaffen."—"En dat is?" vroeg de jonge vorst.—"Gij moet," antwoordde de dervis, "het hemd van een gelukkige aantrekken!"—Daarop omhelsde de jonge vorst den grijsaard en ging zijn talisman opzoeken. Op zijn reis bezocht hij al de hoofdsteden der aarde. Hij beproeft de kracht van de hemden van koningen, keizers, prinsen en heeren. Vergeefsche moeite. Hij wordt maar niet gelukkiger! Nu doet hij hemden aan van kunstenaars, krijgslieden en kooplieden. Het baat evenmin. Hij dwaalde dus lang rond zonder het geluk te vinden. Eindelijk kwam hij, wanhopend over de krachteloosheid van zooveel hemden, op zekeren morgen zeer bedroefd in het paleis zijns vaders terug. Daar ziet hij op het land een braven landman, die vrolijk zingende zijn ploeg volgt. "Dat is toch wel een gelukkig man", zeide hij bij zich zelven, "of er bestaat geen geluk op deze aarde." Hij gaat naar hem toe. "Vriend!" zegt hij, "zijt gij gelukkig?"—"Ja!" antwoordt de andere.—"Begeert gij niets?"—"Neen."—"Zoudt gij uw lot niet willen ruilen met dat eens konings?"—"Nooit!"—"Welnu, verkoop mij dan uw hemd!"—"Mijn hemd? ik heb er geen!""
"Er was eens," zeide Paganel...

XXV.
Tusschen het vuur en het water.
Jacques Paganel legde veel eer in met zijn geschiedenis. Men juichte hem sterk toe; maar allen hielden hun meening voor zich, en de geleerde verkreeg den gewonen uitslag van elken redetwist, dat wil zeggen, hij overtuigde niemand. Op één punt was men het echter eens: dat men zich in zijn lot moet schikken, en zich met een boom vergenoegen, wanneer men geen hut noch paleis heeft.
Onder deze en andere gesprekken was de dag verloopen. Een goede slaap kon het eenige waardige besluit van dien drukken dag zijn. De boombewoners gevoelden zich niet alleen vermoeid door de gevaren der overstrooming, maar vooral afgemat door de hitte, welke dien dag buitengemeen groot was geweest. Hun gevleugelde medgezellen gaven reeds het sein om te rusten; de "hilguero's," die nachtegalen der pampa, staakten reeds hun welluidend gezang en alle vogels in den boom waren in het diepste donker der bladeren verdwenen. Het best wat men kon doen was hun voorbeeld te volgen.
Alvorens echter "in hun nest te kruipen" zooals Paganel het uitdrukte, klommen Glenarvan, Robert en hij naar het observatorium, om nog eens de watervlakte te onderzoeken. Het was omstreeks negen ure. De zon ging onder in de vonkelende nevels van den westelijken gezigteinder. Die geheele helft van het hemelgewelf tot aan het toppunt baadde zich in heete dampen. De schitterende gesternten van het zuidelijk halfrond schenen met ligt gaas omsluijerd en begonnen flaauw te schijnen. Niettemin waren zij helder genoeg om ze te onderscheiden, en Paganel maakte zijn vriendje Robert opmerkzaam op die poolstreek, waar de sterren zoo heerlijk flonkeren. Ook Glenarvan trok daar nut uit. Onder anderen wees hij hem op het Zuiderkruis, een groep van vier sterren van de eerste en tweede grootte, die in den vorm van een ruit digt bij de pool staan; den Centaurus, waarin de ster schittert die het digtst bij de aarde staat, daar zij er slechts acht millioenen uren van verwijderd is; de wolken van Magellaan, twee zeer groote nevelvlekken, waarvan de grootste een ruimte beslaat, die twee honderd maal grooter is dan de schijnbare oppervlakte der maan; eindelijk nog dat "zwarte gat," waar een volslagen gebrek aan sterren schijnt te bestaan.
De zon ging onder in de vonkelende nevels...

Het speet hem zeer, dat Orion, die op beide halfronden zigtbaar is, zich nog niet vertoonde; maar hij deelde zijn beiden leerlingen een merkwaardige bijzonderheid mede uit de beschrijving van Patagonië. In het oog van die dichterlijke Indianen stelt Orion een ontzaggelijken lasso en drie bola's voor, welke de hand van den jager, die de weiden des hemels doorloopt, geslingerd heeft. Al die sterrebeelden, welke de spiegelgladde oppervlakte des waters weerkaatste, wekten de bewondering op, door als het ware een dubbelen hemel rondom de aanschouwers te scheppen.
Terwijl de geleerde Paganel zoo sprak, kreeg de geheele oostelijke gezigteinder een stormachtig voorkomen. Een dikke en donkere, scherp begrensde wolkenlaag kwam langzamerhand opzetten, en onderschepte het licht der sterren. Die zoo dreigende wolk bedekte weldra de eene helft van het hemelgewelf, dat zij scheen te dempen. De kracht, die haar voortstuwde, moest in haar zelve liggen, want er was geen windje aan de lucht; de luchtlagen bleven in ongestoorde rust; het was bladstil; geen golfje krulde de oppervlakte des waters; er scheen zelfs geen lucht te zijn, alsof het een of ander groote luchtwerktuig haar verdund had. De dampkring was verzadigd met electriciteit van hooge drukking, en elk levend wezen voelde ze langs zijn zenuwen stroomen.
Die electrische golven maakten een diepen indruk op Glenarvan, Paganel en Robert.
"Wij krijgen onweer," zeide Paganel.
"Zijt gij niet bang voor den donder?" vroeg Glenarvan den knaap.
"Wel neen, mylord!" antwoordde Robert.
"Des te beter; want het onweer is niet veraf."
"En het zal zwaar zijn," hernam Paganel, "naar het voorkomen der lucht te oordeelen."
"Het onweer maakt mij niet ongerust," hervatte Glenarvan; "maar wel de stortregens die er mede gepaard zullen gaan. Wij zullen tot op het hemd toe nat worden. Gij moogt zeggen wat gij wilt, Paganel! een nest is niet voldoende voor een mensch, zooals gij spoedig tot uw nadeel zult leeren."
"O! met wat wijsbegeerte!" antwoordde de geleerde.
"Maar die wijsbegeerte beschut niet tegen den regen."
"Neen, maar zij verwarmt."
"Kom!" zeide Glenarvan, "wij zullen onze vrienden maar opzoeken en hen waarschuwen om zich zoo digt mogelijk in hun wijsbegeerte en hun mantels te wikkelen, en vooral om geduld op te doen, want dat zullen wij noodig hebben!"
Glenarvan sloeg nog een laatsten blik op den dreigenden hemel. De wolkenmassa bedekte hem nu geheel en al. Ter naauwernood viel er op een onduidelijke streep in het westen nog wat schemerlicht. Het water kreeg een donkere kleur en geleek op een groote laaghangende wolk, die op het punt stond met de zware dampen ineen te smelten. De schaduw was niet eens meer zigtbaar. De gewaarwordingen van licht of gedruisch drongen niet meer tot de oogen of de ooren door. De stilte werd even diep als de duisternis.
"Laten wij naar beneden gaan!" zeide Glenarvan, "het zal spoedig gaan bliksemen."
Hij liet zich met zijn beide vrienden langs de gladde wanden afglijden; zij waren verwonderd, toen zij in een soort van zeer verrassend halflicht kwamen; het werd voortgebragt door een ontelbare menigte lichtgevende punten, die op de oppervlakte des waters al gonzende door elkander vlogen.
"Is dat het lichten van het water?" vroeg Glenarvan.
"Neen!" antwoordde Paganel. "Het zijn lichtgevende insecten, echte Johannes-kevers, levende en goedkoope diamanten, waarvan de dames in Buenos-Ayres prachtige tooisels maken!"
"Wat!" riep Robert, "zijn dat insecten, die daar als vonken vliegen?"
"Ja, mijn jongen!"
Robert maakte zich van een van die schitterende insecten meester. Paganel had zich niet vergist. Het was een soort van groote zweefvlieg, wel een duim lang, die de Indianen "tuco-tuco" noemen. Dit merkwaardig schildvleugelig insect gaf licht uit twee vlekken, vooraan zijn borststuk; dat licht was helder genoeg om er in de duisternis bij te lezen. Paganel bragt het insect bij zijn horlogie en kon zien, dat het op tien ure stond.
Toen Glenarvan weder bij den majoor en de drie zeelieden was, beval hij hun de noodige voorzorgen voor den nacht aan. Er was een geducht onweder ophanden. Na het eerste gerommel van den donder zou de wind zonder twijfel losbreken en de boom sterk geschud worden. Elk werd dus verzocht om zich stevig vast te sjorren in het bed van takken, dat hem ten deel was gevallen. Al kon men het water uit den hemel niet ontgaan, men moest zich toch wachten voor het water van de aarde, en niet in dien snellen stroom vallen, die tegen den voet des booms brak.
Men wenschte elkander dus goeden nacht, zonder er echter veel op te rekenen. Daarna kropen allen in hun luchtige legersteden, draaiden zich in hun mantels en wachtten den slaap af.
Maar de nadering der groote natuurverschijnsels veroorzaakt in het hart van elk gevoelig wezen een zekere onbestemde onrust, waarvan de sterksten zich niet kunnen ontdoen. Ongerust en ternedergeslagen konden de boombewoners geen oog toedoen, en vond de eerste donderslag hen allen wakende. Dit had even vóór elven plaats in den vorm van een verwijderd gerommel. Glenarvan kroop naar het uiteinde van den liggenden tak en waagde het zijn hoofd buiten het gebladerte te steken.
De donkere nachtelijke hemel was reeds gescheurd door heldere en schitterende inkervingen, die het water van het meer zuiver weerkaatste. De wolken scheurden op verscheidene plaatsen, maar als een zacht en katoenachtig weefsel zonder knersend geluid. Na het toppunt en den gezigteinder, die in dezelfde duisternis ineenliepen, waargenomen te hebben, keerde Glenarvan naar den top van den stam terug.
"Wat zegt gij er van, Glenarvan?" vroeg Paganel.
"Ik zeg, dat het een mooi begin is, vrienden! en dat, als het zoo voortgaat, het onweer verschrikkelijk zal zijn."
"Des te beter!" antwoordde Paganel opgewonden "ik mag lijden dat het een mooi schouwspel zal zijn, daar ik het toch niet ontloopen kan."
"Dat is weer een van uw theoriën," zeide de majoor.
"En een van mijn beste, Mac Nabbs! Ik ben het met lord Glenarvan eens, dat het een heerlijk onweer zal zijn. Daar even, terwijl ik trachtte te slapen, heb ik mij verscheidene feiten herinnerd, die mij er hoop op geven; want wij zijn juist in de streek der groote electrieke stormen. Zoo heb ik ergens gelezen, dat in 1793, juist in de provincie Buenos-Ayres, de bliksem zeven en dertig maal gedurende één onweder is ingeslagen. Mijn ambtgenoot, de heer Massin de Moussy, heeft een onafgebroken gerommel van vijf en vijftig minuten waargenomen."
"Met het horlogie in de hand?" vroeg de majoor.
"Met het horlogie in de hand. Maar één ding zou mij ongerust kunnen maken," voegde Paganel er bij, "indien de ongerustheid kon dienen om het gevaar te ontgaan, namelijk, dat het eenige uitstekende punt dezer vlakte juist de boom is, waarop wij ons bevinden. Een bliksemafleider zou hier goed te pas komen, want onder al de boomen der pampa is het juist deze, welke den bliksem bijzonder aantrekt. Gij weet ook, vrienden! dat de geleerden verbieden om als het onweert een schuilplaats onder de boomen te zoeken."
"Goed!" zeide de majoor; "die waarschuwing komt op haar tijd!"
"Ik moet bekennen, Paganel!" antwoordde Glenarvan, "dat gij een goed oogenblik kiest om ons al die geruststellende dingen te vertellen!"
"Ba!" zeide Paganel, "alle oogenblikken zijn goed om wat te leeren. Ha! daar begint het!"
Hevige donderslagen braken dit ongelegen gesprek af; hun kracht groeide aan, hun geluid werd steeds sterker; zij kwamen naderbij en gingen van de lage tot de middelstem over, om aan den zang een zeer juiste vergelijking te ontleenen. Weldra werden zij knersend en bragten zij de snaren der lucht in een snel trillende beweging. De hemel stond in vuur, en in dien gloed kon men niet onderscheiden welke electrieke vonk dat tot in het oneindige verlengde gerommel veroorzaakte, dat de echo tot aan de uiteinden des hemels voortplantte.
De onophoudelijke bliksemstralen namen allerlei gedaanten aan. Sommige, die loodregt naar de aarde werden geslingerd, herhaalden zich tot vijf en zes malen toe op dezelfde plaats. Andere zouden in de hoogste mate de nieuwsgierigheid van een geleerde opgewekt hebben; want heeft Arago in zijn merkwaardige statistiek maar twee voorbeelden van gevorkte bliksemstralen opgenomen, hier kwamen zij bij honderden voor. Sommige die zich in duizend verschillende takken verdeelden, vertoonden zich aan het oog als koraalvormige zigzaglijnen, en bragten op het hemelgewelf verbazende spelingen van boomvormig licht te weeg.
De onophoudelijke bliksemstralen namen allerlei gedaanten aan.

Weldra was de geheele hemel van het oosten naar het noorden onderspannen door een sterk lichtgevende phosphorische strook. Die brand breidde zich langzamerhand langs den geheelen gezigteinder uit, zette de wolken in vuur, als waren zij een opeenhooping van brandstoffen, en weldra door het spiegelende water teruggekaatst, vormde hij een onmetelijken vuurbol, waarvan de boom het middelpunt uitmaakte.
In stilte beschouwden Glenarvan en zijn makkers dat schrikwekkend tooneel. Trouwens, zij zouden elkander toch niet verstaan hebben. Stroomen wit licht vielen op hen, en in dat kortstondige schijnsel verschenen en verdwenen plotseling nu eens de kalme houding van den majoor, dan weder het nieuwsgierige gelaat van Paganel of de krachtige trekken van Glenarvan, soms ook het ontstelde gezigt van Robert of het onbezorgde voorkomen der matrozen, naarmate dat spookachtige licht hen bescheen.
Intusschen bleef het nog altijd droog en stil. Maar weldra werden de sluizen des hemels geopend en loodregte strepen als de draden van een wever op den zwarten grond des hemels gespannen. Die groote regendruppels spatten, wanneer zij de oppervlakte des meers raakten, in duizenden vonken op, die het bliksemvuur verlichtte.
Kondigde die regen het einde van het onweer aan? Zouden Glenarvan en zijn makkers vrij komen met eenige krachtig toegediende stortbaden? Neen. In het hevigst van die worsteling van het vuur des hemels, verscheen plotseling aan het uiteinde van dien liggenden hoofdtak een vuurbol, zoo groot als een vuist en door zwarten rook omgeven. Na eenige seconden achtereen rondgedraaid te hebben, sprong die bol als een bom met zulk een geraas, dat het hoorbaar was in het midden van het algemeene tumult. Zwaveldamp vervulde den dampkring. Er ontstond een oogenblik stilte, en men kon de stem van Tom Austin hooren, die riep: "De boom staat in brand!"
Tom Austin vergiste zich niet. In een oogenblik liep de vlam, alsof zij zich aan een ontzaggelijk groot vuurwerk had medegedeeld, langs den geheelen westkant van den boom; het doode hout, de nesten van gedroogd gras, en eindelijk het sponsachtige spint verschaften rijkelijk voedsel aan haar verslindende kracht.
De wind stak nu op en blies dien brand aan. Zij moesten vlugten. Sprakeloos, ontsteld, verschrikt, klauterende, glijdende, zich op takken wagende, die onder hunne zwaarte bogen, vlugtten Glenarvan en de zijnen in alle haast naar het oostelijk gedeelte van den boom, dat de vlam tot nog toe gespaard had. Intusschen verschrompelden, kraakten en kronkelden de takken in het vuur als levend verbrande slangen; hun witgloeijende overblijfselen vielen in het water en dreven, een rooden gloed verspreidende, met den stroom mede. Nu eens verhieven zich de vlammen tot een ontzettende hoogte en verdwenen zij in den brand van den dampkring; door den losgebroken orkaan nedergeslagen, wikkelden zij zich dan weder om den boom, gelijk het kleed van Nessus. Glenarvan, Robert, de majoor, Paganel, de matrozen, allen waren verstijfd van schrik; de digte rook deed hen stikken; een onuitstaanbare hitte verschroeide hen, reeds naderde de brand dat gedeelte van den boom, waar zij zich bevonden; niets kon hem stuiten noch blusschen, en zij zagen zich onherroepelijk veroordeeld tot de doodstraf van die slagtoffers, die in de gloeijende holte eener hindoesche godheid zijn opgesloten.
Eindelijk was de toestand niet houdbaar meer, en moesten zij van twee dooden den minst pijnlijken kiezen.
"Te water!" riep Glenarvan.
Reeds was Wilson, dien de vlammen bereikten, in het meer gesprongen, toen men hem in den doodelijksten angst hoorde roepen:
"Help! help!"
Austin sprong hem na en hielp hem weder op den top van den stam.
"Wat is er gebeurd?"
"De kaaimans! de kaaimans!" antwoordde Wilson. En werkelijk bleek de voet des booms omringd te zijn door de vreeselijkste dieren van de orde der hagedissen. Hun schubben vonkelden in de breede lichtstrepen, die de brand wierp, hun regtopstaande afgeplatte staart, hun kop gelijk aan het ijzer eener lans, hun uitpuilende oogen, hun tot achter de ooren gespleten kaken, al die kenmerken bewezen Paganel met wie hij te doen had. Hij herkende de wreede alligators, die in Amerika gevonden en in de spaansche bezittingen kaaimans genoemd worden. Er waren er wel tien bij elkaar; zij sloegen met hun vreeselijken staart op het water en tastten den boom aan met de lange tanden hunner onderkaak.
Op dit gezigt gevoelden de ongelukkigen, dat zij verloren waren. Een verschrikkelijke dood wachtte hen, onverschillig of zij in de vlammen of door de tanden der kaaimans omkwamen. De majoor zelfs zeide op een bedaarden toon:
"Dat zou wel het einde van het einde kunnen zijn."
Er zijn omstandigheden, waarin de mensch buiten magte is om te worstelen, en waarin de losgelaten elementen alleen door andere elementen kunnen bestreden worden. Met een verwilderde blik staarde Glenarvan op het vuur en het water, die zich tegen hem verbonden hadden, en wist niet meer welke hulp hij van den hemel zou afsmeeken.
De storm was nu aan het afnemen; maar hij had in den dampkring een aanzienlijke hoeveelheid dampen ontwikkeld, waaraan de electrische verschijnselen een buitengewone kracht zouden mededeelen. In het zuiden vormde zich allens een ontzaggelijke hoos, een kegel van dampen, met de punt naar beneden en de basis naar boven, die het kokende water met de onweerswolken verbond. Dit luchtverschijnsel naderde weldra, met duizelingwekkende snelheid ronddraaiende, het trok in zijn middelpunt een waterzuil op, die het meer moest afstaan, terwijl het door de kracht van zijn draaijende beweging al de luchtstroomen uit den omtrek tot zich trok.
Binnen weinige oogenblikken stortte de reusachtige hoos zich op den boom en kronkelde zich er om heen. De boom werd tot in zijn wortels geschokt. Glenarvan meende, dat de kaaimans hem met hun stevige kaken aangrepen en uit den grond haalden. Hij en zijn makkers hielden elkander stijf vast; zij voelden dat de sterke boom bezweek en omviel; zijn brandende takken stortten met een vreeselijk gesis in het onstuimige water. Dat alles was het werk van een seconde. De hoos was reeds voorbij en ging elders haar verwoestende kracht uitoefenen, terwijl zij het meer op haar doortogt scheen leeg te pompen.
Binnen weinige oogenblikken stortte de reusachtige hoos zich op den boom...

De boom, die nu op het water rustte, dreef weg onder de vereenigde pogingen van wind en stroom. De kaaimans waren gevlugt op één na, die op de omgekeerde wortels kroop en met opgesperde kaken naderde; maar Mulrady brak een half verkoolden tak af en gaf er het dier zulk een zwaren slag mede, dat hij zijn lendenen verbrijzelde. Zoo onzacht bejegend dook de kaaiman onder in de kolken van den stroom, dien hij nog met verbazende kracht met zijn geduchten staart beukte.
Van die vraatzuchtige hagedissen bevrijd, haastten Glenarvan en zijn makkers zich om de takken te bereiken, die te loefwaarts van den brand lagen, terwijl de boom, wiens vlammen door den storm aangeblazen wel witgloeijende zeilen geleken, in de schaduw van den nacht als een aangestoken brander voortdreef.
XXVI.
De Atlantische Oceaan.
Twee uren lang dreef de boom op het onmetelijke meer zonder land te bereiken. De vlammen, die aan hem knaagden, waren langzamerhand uitgegaan. Het dreigendste gevaar op dien verschrikkelijken overtogt was geweken. De majoor vergenoegde zich met te zeggen, dat het niet te verwonderen zou zijn, indien zij gered werden.
De stroom had zijn eerste rigting behouden en liep nog altijd van het zuidwesten naar het noordoosten. De duisternis, die naauwelijks hier en daar door een enkelen bliksemstraal verlicht werd, was weder even ondoordringbaar geworden, en te vergeefs zocht Paganel naar herkenningspunten aan den gezigteinder. Het onweder was zoo goed als voorbij. De groote regendroppels werden vervangen door ligt zeestof, dat de wind opjoeg, en de dikke wolken, van haar vocht beroofd, verdeelden zich in de bovenlucht.
De boom dreef snel voort met den onstuimigen stroom; hij gleed met verbazende vaart verder, alsof onder zijn schors een sterk voortbewegend werktuig verborgen ware. Er was niets waaruit men kon opmaken, hoelang die vaart wel zou duren. Tegen drie ure in den morgen echter merkte de majoor op, dat zijn wortels soms langs den grond schuurden. Met behulp van een langen afgebroken tak peilde Tom Austin hoogst zorgvuldig en bevond, dat de bodem langzaam rees. Werkelijk had er twintig minuten later een schok plaats, zoodat de boom op eens onbewegelijk bleef liggen.
"Land! land!" riep Paganel met donderende stem.
Het uiteinde der verkoolde toppen had gestooten tegen een verhevenheid van den grond. Geen zeevaarder was ooit blijder, dat hij aan den grond mogt raken. De klip was hier de haven.
Reeds hieven Robert en Wilson, nu zij land onder zich voelden, een vreugdekreet aan, toen zij een welbekend fluitje vernamen. De galop van een paard klonk over de vlakte, en weldra verhief zich de lange gestalte van den Indiaan in de schaduw.
"Thalcave!" riep Robert.
"Thalcave!" herhaalden al zijn makkers.
"Vrienden!" zeide de Patagoniër, die de reizigers had afgewacht ter plaatse, waar de stroom hen moest brengen, daar hij zelf op die plek was aangespoeld.
"Vrienden!" zeide de Patagoniër...

Tevens nam hij Robert Grant in zijn armen, zonder te vermoeden, dat Paganel zich aan hem vastklemde, en drukte hem aan zijn hart. Glenarvan, de majoor en de zeelieden, verheugd hun getrouwen gids weder te zien, drukten hem weldra met hartelijkheid de hand. Vervolgens geleidde de Patagoniër hen onder het afdak eener verlatene vetweiderij. Daar vlamde een goed vuur aan den haard, dat hen verwarmde, en braadden sappige repen wildbraad, waarvan zij geen kruimeltje overlieten. En toen zij genoegzaam bekomen waren om na te denken, kon niemand hunner gelooven, dat hij aan dat verschrikkelijke gevaar was ontkomen, aan het water, het vuur en de vreeselijke kaaimans der argentijnsche rivieren.
Met weinige woorden vertelde Thalcave zijn geschiedenis aan Paganel, en stelde hij al de eer van hem gered te hebben op rekening van zijn moedig paard. Paganel trachtte hem nu de nieuwe uitlegging van het document aan het verstand te brengen en welke verwachtingen zij daarop meenden te mogen bouwen. Begreep de Indiaan de schrandere onderstellingen van den geleerde wel? Men mag het betwijfelen; maar hij zag, dat zijn vrienden vol vertrouwen waren, en dat was alles, wat hij verlangde.
Men zal wel willen gelooven, dat die onverschrokken reizigers na hun rustdag op den boom zich niet lieten bidden om weder op weg te gaan. Des morgens ten acht ure waren zij gereed om te vertrekken. Men was te ver zuidwaarts van de vetweiderijen en zouterijen af om zich middelen van vervoer te verschaffen. Het was dus volstrekt noodig om te voet te gaan. De geheele weg was dan ook maar veertig mijlen[1] lang, en Thaouka zou niet weigeren om van tijd tot tijd een vermoeiden voetganger, zoo noodig zelfs twee te dragen. In zes en veertig uren kon men de kust van den Atlantischen Oceaan bereiken.
Toen het tijd was, verlieten de gids en zijn makkers het nog met water bedekte onmetelijke laagland en gingen zij op weg over hooger gelegene vlakten. Het argentijnsche gebied leverde weder zijn eentoonig voorkomen op; eenig houtgewas, door europeesche handen geplant, stak hier en daar boven het gras uit, maar het was toch even schaarsch als in den omtrek van het Tandil- en het Tapalquem-gebergte; de inlandsche boomen wagen het alleen om aan den zoom der lange grasvlakten en in de nabijheid van kaap Corrientes te groeijen.
Zij legden dien dag een heel eind af. Vijftien mijlen van den Oceaan af, deed zijn nabijheid zich des anderen daags reeds gevoelen. De "virazon," een zonderlinge wind, die regelmatig na den middag en na middernacht waait, bragt het gras in eene golvende beweging. Op den schralen bodem verhieven zich dunne bosschen, kleine boomachtige mimosa-planten, acacia-struiken en bosjes "curra-mabol." Eenige plassen met zout water spiegelden als stokken glas, en bemoeijelijkten den togt, daar men ze moest omtrekken. Zij verhaastten hun schreden om nog dienzelfden dag het meer Salado op de kust des Oceaans te bereiken, waardoor de reizigers natuurlijk vrij vermoeid waren, toen zij des avonds ten acht ure de twintig vademen hooge zandduinen bemerkten, die den schuimenden kant der zee begrenzen. Weldra klonk het aanhoudend geraas van het wassende water hun in de ooren.
"De Oceaan!" riep Paganel.
"Ja, de Oceaan!" herhaalde Thalcave.
En met opmerkelijke gezwindheid beklommen de wandelaars, die schijnbaar geheel krachteloos waren, de duinen.
Maar het was reeds donker. Te vergeefs trachtten hunne blikken door de digte duisternis heen te boren. Zij zochten de Duncan, maar bespeurden haar niet.
"En toch is zij er," riep Glenarvan, "zij laveert met kleine gangen om ons te wachten!"
"Morgen zullen wij haar wel zien," antwoordde Mac Nabbs.
Tom Austin praaide het onzigtbare jagt op de gis af, maar kreeg geen antwoord. De wind was dan ook zeer sterk en de zee stond vrij hol; de westewind joeg de wolken voort, en de schuimende kuif der golven vloog als fijn stof over de duinen. Al was dus de Duncan op de afgesprokene plaats, dan kon de matroos in den mast toch evenmin hooren als gehoord worden. De kust leverde geen schuilplaats op. Geen baai, geen inham, geen haven. Zelfs geen kreek. Zij bestond uit lange zandbanken, die ver in zee liepen, en welker nadering gevaarlijker is dan die van de blinde klippen. De banken veroorzaken namelijk een zware branding; de zee is er zeer hol en de schepen, die door stormweer op die zandige gronden stranden, zijn onherstelbaar verloren.
Het was dus zeer natuurlijk, dat de Duncan op een afstand bleef van die gevaarlijke kust zonder vlugthaven. Met zijn gewone voorzigtigheid moest John Mangles er zoover mogelijk van afhouden. Zoo dacht Tom Austin er althans over; ook verklaarde hij, dat de Duncan minstens vijf mijlen ver van de kust moest blijven.
De majoor vermaande dus zijn ongeduldigen vriend om zich aan zijn lot te onderwerpen. Er bestond geen middel om die digte duisternis te verdrijven. Wat zou het dan baten om zijn oogen te vermoeijen met het staren op den zwarten gezigteinder?
Dit gezegd hebbende, sloeg bij een soort van legerplaats achter de duinen op; de laatste voorraad diende voor den laatsten maaltijd op deze reis; daarna groeven allen in navolging van den majoor een soort van bed in een vrij gemakkelijke holte, en de ontzaggelijke deken van zand tot aan de kin ophalende, vielen zij in een diepen slaap.
Glenarvan alleen waakte. Er woei bij voortduring een stevige koelte, en de Oceaan ondervond nog de nawerking van den laatsten storm. Zijn altijd ontroerde baren braken met donderend geraas op de banken. Glenarvan kon maar niet gelooven, dat de Duncan zoo digt bij was. En toch kon hij ook niet aannemen, dat zij niet op de afgesprokene plaats zou zijn. Glenarvan had den 14den October de baai van Talcabuano verlaten en was den 12den November aan de kust van den Atlantischen Oceaan gekomen. In dien tijd van dertig dagen nu, dien zij noodig hadden gehad om Chili, de Cordillera, de pampa's en de argentijnsche vlakte door te reizen, had de Duncan ruimschoots gelegenheid gehad om kaap Hoorn om te zeilen en de tegenoverliggende kust te bereiken. Voor zulk een goed zeiler bestond geen oponthoud; de storm was zeker geweldig geweest en had zwaar gewoed op de ontzaggelijke kampplaats, den Atlantischen Oceaan; maar het jagt was een goed schip en de kapitein een goed zeeman. Hij moest er wezen, bij gevolg was hij er.
Glenarvan alleen waakte.

Die overdenkingen bragten echter Glenarvan niet tot bedaren. Wanneer hart en rede elkander bestrijden, is deze zelden de sterkste. De heer van Malcolm-Castle tastte in die duisternis allen, die hij liefhad, zijn lieve Helena, Mary Grant, de geheele bemanning zijner Duncan. Hij dwaalde langs den eenzamen oever, dien de golven met hun lichtgevende loovertjes bedekten. Hij zag toe, hij luisterde, hij meende zelfs van tijd tot tijd een flaauw schijnsel op zee waar te nemen.
"Ik bedrieg mij niet," zeide hij bij zichzelven; "ik heb het licht van een schip gezien! het licht van de Duncan. Ach! konden mijn blikken maar door die digte duisternis heenboren!"
Daar rees een gedachte bij hem op. Paganel beweerde, dat hij nachtziende was, Paganel kon des nachts zien. Hij ging Paganel wekken.
De geleerde sliep als een mol in zijn gat, toen een sterke arm hem onder zijn deken van zand weghaalde.
"Wie daar?" riep hij.
"Ik, Paganel!"
"Wie is dat, ik?"
"Glenarvan. Kom, ik heb uwe oogen noodig."
"Mijne oogen?" antwoordde Paganel, ze sterk wrijvende.
"Ja, uwe oogen, om onze Duncan in die duisternis te onderscheiden. Kom! ga mede!"
"De duivel hale het nachtzien!" zeide Paganel, die echter innerlijk verheugd was, dat hij Glenarvan van dienst kon zijn.
En opstaande, zich uitrekkende en geeuwende, als iemand die wakker wordt, volgde hij zijn vriend naar het strand.
Glenarvan verzocht hem om den duisteren gezigteinder der zee te onderzoeken. Eenige minuten lang zag Paganel met de grootste oplettendheid rond, maar zonder iets te ontdekken.
"Hoe is het! bemerkt gij niets?" vroeg Glenarvan.
"Niets! een kat zelfs zou geen twee schreden voor zich uit kunnen zien."
"Zoek een rood licht of een groen licht, dat is te zeggen, een bakboordslicht of een stuurboordslicht."
"Ik zie noch een groen noch een rood licht! Alles is zwart!" antwoordde Paganel, wiens oogen zich onwillekeurig sloten.
Een half uur lang volgde hij werktuigelijk zijn ongeduldigen vriend, nu eens het hoofd op de borst latende zakken, en het dan weder plotseling oprigtende. Hij antwoordde niet, hij sprak niet meer. Hij slingerde heen en weder als een beschonkene. Glenarvan zag Paganel aan. Paganel sliep loopende.
Glenarvan greep hem nu bij den arm en bragt hem, zonder hem wakker te maken, naar zijn gat terug, waar hij hem behoorlijk instopte.
Bij het krieken van den dag vlogen allen overeind op het geroep van: "De Duncan! de Duncan!"
"Hoera! hoera!" riepen de medgezellen van Glenarvan, terwijl zij naar den oever snelden.
Werkelijk lag het jagt, vijf mijlen ver in zee, met gereefde zeilen onder halven stoom; zijn rook vermengde zich met de ochtendnevels. De zee was zeer onstuimig, en een schip van dien inhoud kon niet zonder gevaar den voet der banken naderen.
Met den verrekijker van Paganel gewapend, bespiedde Glenarvan de bewegingen der Duncan. John Mangles had zeker zijn passagiers niet gezien; althans hij manoeuvreerde niet en bleef met bakboordshalzen zeilen onder digtgereefd marszeil.
Maar thans loste Thalcave, na zijn karabijn goed aangezet te hebben, zijn wapen in de rigting van het jagt.
Men luisterde. Men zag vooral uit. Driemaal wekten de losbrandingen der karabijn de echo's der duinen op.
Eindelijk steeg er een witte rook van het jagt op.
"Zij hebben ons gezien!" riep Glenarvan. "Het is het kanon van de Duncan!"
En eenige seconden later hoorde men op den oever flaauwtjes het doffe geluid eener losbranding. Terstond veranderde de Duncan haar marszeil, stookte haar vuren aan, en maakte de noodige bewegingen om zoo digt mogelijk aan de kust te komen.
Met behulp van den kijker zag men spoedig een boot van het schip afsteken.
"Lady Helena zal niet kunnen komen," zeide Tom Austin, "de zee is te onstuimig!"
"John Mangles evenmin," antwoordde Mac Nabbs, "hij kan zijn schip niet verlaten."
"Zuster! lieve zuster!" riep Robert, zijn armen naar het jagt uitstekende, dat geducht slingerde.
"O! hoe verlang ik aan boord te zijn!" riep Glenarvan.
"Geduld, Edward! Gij zult er binnen twee uren zijn," antwoordde de majoor.
Twee uren! De sloep, met zes roeijers bemand, kon inderdaad niet in korter tijd de heen- en terugreis volbrengen.
Nu begaf Glenarvan zich naar Thalcave, die met over elkander geslagen armen, naast Thaouka staande, rustig de golvende oppervlakte der zee gadesloeg.
Glenarvan vatte zijn hand en zeide, hem het jagt wijzende:
"Kom!"
De Indiaan schudde zachtjes het hoofd.
"Kom, mijn vriend!" hernam Glenarvan.
"Neen!" antwoordde Thalcave zachtjes. "Hier is Thaouka, en dààr zijn de pampa's!" voegde hij er met een hartstogtelijk gebaar bij, als wilde hij de onmetelijke vlakte omhelzen.
Glenarvan begreep wel, dat de Indiaan nooit het land zou willen verlaten, waar het gebeente zijner vaderen rustte. Hij kende de vrome gehechtheid van die kinderen der woestijn aan hun geboorteland. Hij drukte dus Thalcave de hand en drong er niet verder op aan. Hij hield ook evenmin aan, toen de Indiaan, op zijne eigenaardige wijze glimlagchende, alle belooning voor zijn diensten van de hand wees met de woorden: "Uit vriendschap!"
Glenarvan kon hem van aandoening niet antwoorden. Hij zou toch zoo gaarne den braven Indiaan iets achterlaten, dat hem aan zijn vrienden uit Europa kon doen denken. Maar wat was hem overgebleven? Zijn paarden, zijn wapenen, alles had hij verloren bij die noodlottige overstrooming. Zijn vrienden waren niet rijker dan hij.
Hij wist dus niet, hoe hij de belangeloosheid van den braven gids zou vergelden, toen hem iets te binnen schoot. Hij haalde uit zijn brieventasch een kostbaar medaillon met een bewonderenswaardig portret, een kunststuk van Lawrence, en bood het den Indiaan aan.
"Mijn vrouw!" zeide hij.
Thalcave beschouwde met aandoening het portret en zeide niets anders dan:
"Schoon en goed!"
Vervolgens gingen Robert, Paganel, de majoor, Tom Austin en de beide matrozen een roerend afscheid van den Patagoniër nemen. Die brave lieden waren zeer aangedaan, nu zij dien onverschrokken en verknochten vriend moesten verlaten. Thalcave drukte hen allen aan zijn breede borst. Paganel drong hem eene kaart van Zuid-Amerika en der beide Oceanen op, die de Indiaan dikwijls met belangstelling had beschouwd. Het was het kostbaarste, dat de geleerde bezat. Robert had slechts liefkozingen uit te deelen; hij spaarde ze niet voor zijn redder, en Thaouka werd bij die uitdeeling niet over het hoofd gezien.
In dit oogenblik naderde de sloep van de Duncan; zij gleed in een naauw vaarwater tusschen de banken door en zette het weldra op het strand.
"Mijn vrouw?" vroeg Glenarvan.
"Mijn zuster?" riep Robert.
"Lady Helena en miss Grant wachten u aan boord," antwoordde de stuurman der sloep. "Maar wij moeten vertrekken, Uwe Edelheid! wij hebben geen oogenblik te verliezen, want de ebbe begint reeds."
Allen omhelsden nog eens den Indiaan. Thalcave vergezelde zijn vrienden tot aan de sloep, die weder vlot werd gemaakt. Toen Robert haar zou bestijgen, nam de Indiaan hem in zijn armen en zag hem liefderijk aan.
"En nu, ga!" zeide hij, "gij zijt een man!"
"Vaarwel, mijn vriend! vaarwel!" riep Glenarvan nog eens.
"Zullen wij elkander nimmer wederzien?" vroeg Paganel.
"Wie weet?" antwoordde Thalcave zijn hand hemelwaarts rigtende.
Dit waren de laatste woorden van den Indiaan, die in den wind vervlogen.
"Wie weet?" antwoordde Thalcave...

Men stak van wal. De boot werd door het vallende water medegesleept. Nog lang was Thalcave, die roerloos staan bleef, door het schuim der baren heen zigtbaar; vervolgens kromp zijn lange gestalte ineen, en eindelijk verdween hij uit de oogen zijner vrienden van éénen dag.
Een uur later sprong Robert het eerst aan boord van de Duncan en viel hij Mary Grant om den hals, terwijl de bemanning van het jagt de lucht met haar vrolijk hoera vervulde.
Zoo was de togt door Zuid-Amerika afgeloopen. Bergen noch rivieren hadden de reizigers van hun weg kunnen afbrengen, en hadden zij al niet te kampen gehad met de kwaadwilligheid der menschen,—de losgelaten elementen hadden hun edelmoedige onverschrokkenheid dikwijls op zware proeven gesteld.
Lijst van illustraties
(Uit de oorspronkelijke 19de eeuwse Franse ed., door Riou.)
01. ... terwijl hij een onkenbaar voorwerp liet zien.... 02. Glenarvan haalde ze er voorzichtig uit.... 03. "Ik ben Miss Grant, mevrouw!" 04. "Mijn vader! Mijn arme vader!" riep Mary Grant.... 05. ... smeekte de eerwaarde Morton den zegen des Hemels af.... 06. Die groote, dorre en magere man was misschien veertig jaren oud;... 07. Paganel was vol vuur. Hij sprak met de grootste geestdrift. 08. Het eiland leverde door die dikke gordijn van regen heen een akelig gezigt op. 09. ... dikwijls raakte de top der ra de takken van de beuken der zuidpoolgewesten aan, die over de golven uitstaken... 10. Tom Austin, Wilson, en Mulrady... 11. ... de doorwaadbare plaats aan de Rio de Tubal... 12. Des morgens ten vijf ure bewees de waarneming van den barometerstand, dat de reizigers een hoogte van zeven duizend vijf honderd voeten bereikt hadden. 13. Het bergvlak, ..., gleed intusschen met de vaart van een sneltrein... 14. De vogel had Roberts klederen vastgegrepen... 15. De Patagoniër Thakave. 16. ... onder anderen een vrij belangrijken weg,—dien van Carmen naar Mendoza,—die kenbaar was aan de beenderen van huisdieren,... 17. De paarden liepen stevig door,... 18. Welnu, ik zeg u, dat het zoo is, mylord!" antwoordde Robert, terwijl hij de hand van den lord vatte en aan zijn lippen bragt. 19. De roode wolven volgden het spoor van het paard. 20. De jacht op flamingo's. 21. Paganel had ook gelegenheid om een aardig uitwerksel der luchtspiegeling te laten opmerken. 22. Reis rond de wereld—deel 1—Zuid-Amerika. 23. Eigenlijk waren het slechts een dozijn kinderen en knapen, die vrij aardig soldaatje speelden. 24. "O! blij! welkom! welkom! ook Franschman ben!" 25. "Het water wast! het water wast!" antwoordde Thalcave... 26. Een monsterachtige, wel veertig voet hooge golf... 27. Door den stroom medegesleept verwijderde Thaouka zich snel. 28. Dit was de schuilplaats, die de kleine troep had bereikt. 29. Paganel tuimelde van den eenen tak na den anderen. 30. De jagt stelde zich goed in... 31. "Er was eens," zeide Paganel... 32. De zon ging onder in de vonkelende nevels... 33. De onophoudelijke bliksemstralen namen allerlei gedaanten aan. 34. Binnen weinige oogenblikken stortte de reusachtige hoos zich op den boom... 35. "Vrienden!" zeide de Patagoniër... 36. Glenarvan alleen waakte. 37. "Wie weet?" antwoordde Thalcave...
"Frontispiece"—Franse editie.
