Voorspel.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
Eerste Tooneel.
Voor een herberg, op een heide.
De Waardin en Sluw komen op.
Sluw.
Wacht maar, ik kom je op ’t jak.
Waardin.
Je moest in ’t blok, jij schelm.
Sluw.
Je bent een del. De Sluws zijn geen schelmen. Kijk maar in de kronieken; we kwamen in ’t land met Richard den Veroveraar. Dus: paucas pallabris; laat de wereld haar gang gaan; sessa!
Waardin.
Je wilt me dus de glazen niet betalen, die je gebroken hebt?
Sluw.
Neen, geen penning; ga weg, Jeronimus; kruip in je koud bed en ga je warmen.
Waardin.
Ik weet wat me te doen staat; ik ga den schout halen.
(Waardin af.)
Sluw.
Doe dat, en zijn moêr en zijn grootje er bij; ik zal hem naar de wet te woord staan; ik ga geen duimbreed van mijn plaats, jongen; laat hem maar komen, en fatsoenlijk ook. 15
(Hij gaat liggen en slaapt in.)
(Jachthorens. Een Lord komt van de jacht terug, met gevolg van Jagers en Bedienden.)
Lord.
Ik zeg u, jager, zorglijk voor de honden!
Zie, Vlugvoet schuimt, voer dezen aan de lijn,
En koppel Nero met den diepen blaffer.
Wat nam die Zilver, aan den hoek der haag,
Den koud geworden voet goed op, niet waar?
Ik gaf dien hond nog voor geen twintig pond.
Eerste Jager.
Nu, Veltman is zoo goed als hij, mylord;
Hij blafte, toen geen een den voet meer vond,
En tweemaal vond hij heden ’t flauwste spoor;
Geloof me, ik acht hem beter nog dan Zilver.
Lord.
Kom, kom, loop heen; was Echo even vlug,
Hij gold mij meer dan een dozijn als Veltman.
Maar voeder en verpleeg hen allen goed;
Mijn plan is, morgen weer ter jacht te gaan.
Eerste Jager.
Zeer goed, mylord.
Lord.
Wat is dat?—Dood of dronken? Haalt hij adem?
Eerste Jager.
Hij ademt, heer. Bier houdt hem warm, want anders
Waar’ ’t bed te koud voor zulk een vasten slaap.
Lord.
Beestachtig; zie, wat ligt hij als een zwijn.
Foei, Dood! hoe laag en walg’lijk is uw grijns!—
Hoor, met dien dronkaard voer ik eens wat uit.
Wat dunkt u, wierd hij eens te bed gebracht,
In keurig nachtkleed, ringen aan de vingers,
En stond een lekker maal aan ’t bed gereed,
Bedienden hem lakeien bij ’t ontwaken,
Wist dan de beed’laar zelf wel, wie hij was?
Eerste Jager.
Mylord, dan was hij zeker in de war.
Tweede Jager.
Hij zou al heel raar opzien bij ’t ontwaken.
Lord.
’t Zou als een droom of tooverij hem zijn.— 44
Komt, neemt hem op en voert de grap goed uit;
Draagt hem behoedzaam in mijn pronksalet,
Behangt den wand met wulpsche schilderijen,
En wascht zijn stoppelkop met geur’ge waat’ren;
Brandt reukhout, dat de kamer parfumeer’;
Houdt ook muziek gereed, die bij ’t ontwaken
Hem met een zoet en hemelsch lied begroet’;
En wil hij spreken, fluks dan bij de hand,
En vraagt hem, diep en onderdanig buigend:
„Wat is ’t bevel van uw hoogedelheid?”
En dan hoû de een hem voor—een zilv’ren bekken,
Vol rozenwater en bestrooid met bloemen;
Een ander draag’ de kan, de derde een handdoek;—
„Behaagt het uw hoogedelheid, de handen
„Wat af te koelen?” zegt ge dan. Een ander
Sta met een keur van fraaie kleed’ren klaar,
En vrage, welk gewaad hij aan wil trekken;
Die spreek’ hem van zijn paarden en zijn honden,
En hoe Mevrouw steeds om zijn ziekte treurt;
Bepraat hem, dat hij maanziek is geweest;
En zegt hij: „Wat! ik ben—” zegt, dat hij droomt,
Nooit anders was, dan een vermogend lord.
Doet dit, en doet het recht natuurlijk, vrienden;
Dit wordt een allerkostelijkste grap,
Indien zij met beleid wordt uitgevoerd.
Eerste Jager.
Heer, ’k sta u borg, wij spelen onze rol
Zoo dat hij naar onze’ ijver denken moet
Te zijn, wat wij hem zeggen, dat hij is.
Lord.
Neemt hem voorzichtig op; legt hem te bed;
En ieder op zijn post, als hij ontwaakt!
(Eenigen dragen Sluw weg.—Een trompet klinkt.)
Ga, kijk eens, knaap, wat die trompet beteekent;
(Een Dienaar af.)
Een edelman misschien, die op zijn reis
Hier op wil houden, om eens uit te rusten.
(De Dienaar komt terug.)
Welnu, wie is ’t?
Dienaar.
Welnu, wie is ’t? Schouwspelers zijn ’t; zij vragen
Als gunst, heer, voor uw edelheid te spelen.
Lord.
Geleid hen hier.
(De Schouwspelers komen.)
Geleid hen hier. Zoo, mannen, gij zijt welkom.
Eerste Schouwspeler.
Dank voor uw goedheid, edel heer.
Lord.
Wenscht gij deze’ avond op mijn slot te spelen?
Tweede Schouwspeler.
Schenkt ons uwe edelheid dit voorrecht, ja. 82
Lord.
Recht gaarne.—Dezen vriend hier ken ik nog;
Hij speelde eens voor den oudsten zoon eens pachters;
Gij maaktet toen een edelvrouw het hof;
Uw naam is mij ontschoten, maar gij speeldet
Die rol zeer goed, natuurlijk, zooals ’t hoort.
Eerste Speler.
’t Was Soto, denk ik, wat UEed’le meent.
Lord.
Ja juist, die was ’t;—dat speeldet gij voortreff’lijk.—
Komaan, gij komt of gij geroepen waart;
’k Heb naam’lijk juist een grap bedacht, waarbij
Uw komst van grooten dienst mij wezen kan.
Hier is een lord, die bij uw spel wil zijn;
Maar ’k vrees bijna, dat ge u niet goed kunt houden,
En bij zijn koddig doen,—zijn edelheid
Zag van zijn leven zoo’n vertooning niet,—
Licht in een bui van lachen uitbarst en
Hem grieft en ergert; want, dit zeg ik u,
Vertrekt gij uw gezicht maar, hij wordt boos.
Eerste Speler.
Vrees niets, mylord; wij kunnen ons bedwingen,
Al waar’ hij ook de dolste kwant ter wereld.
Lord
(tot een der Bedienden). Hier, knaap, geleid hen naar de voorraadkamer;
Heet ieder vriend’lijk welkom, en draag zorg,
Dat wat mijn huis kan schaffen, hun gewordt.—
(De Bediende gaat met de Schouwspelers heen.)
(Tot een Bediende.) En knaap, ga gij naar Bartholo, mijn page,
En dos geheel als edelvrouw hem uit;
En breng hem, zoo getooid, naar ’s dronkaards kamer,
Noem hem „Madame”, buig recht need’rig voor hem,
En zeg hem, dat, zoo hij mijn gunst op prijs stelt,
Hij zich beleefd gedragen moet, zooals
Hij wel heeft opgemerkt, dat eed’le vrouwen
Haar echtgenooten met respect behand’len;
Op zulk een wijs treed’ hij den dronkaard nader,
Met zacht gefluister en een diepe buiging,
En zegg’: „Wat wil uw edelheid bevelen,
Opdat uw echtgenoot, getrouw en need’rig,
Haar plichtsbesef en liefde u toonen moog’?”
Dan moet hij hem omarmen, lokkend kussen,
En storte, ’t hoofd verborgen aan zijn borst,
Een tranenstroom, uit overmaat van vreugd,
Dat zij haar eed’len gâ hersteld mag zien,
Die deze zeven jaar zich altijddoor
Een arm, afzichtlijk beed’laar heeft gewaand.
Verstaat de knaap de kunst der vrouwen niet,
En kan hij niet, zoo vaak hij wil, een vloed
Van tranen storten, dan moog’ hem een ui
Van dienst zijn, die, verborgen in een zakdoek,
Hem, trots zijn aard, uit de oogen water pers’.
Zorg, dat dit alles nu met spoed geschied’;
Straks deel ik u nog meer bevelen mee. 130
(De Dienaar af.)
Ik weet, de knaap zal wel naar eisch de gratie,
Stem, gang en houding van een dame treffen;
’t Zal kost’lijk zijn, als hij gemaal hem noemt,
En als mijn volk zich op de lippen bijt
Bij ’t need’rig dienen van deez’ kinkel. ’k Ga
Er zelf op toezien; mijn aanwezigheid
Betoom’ hun uitgelatenheid, die anders
Door ’t dolle heen zou gaan en ’t spel bederven.
(Allen af.)
Tweede Tooneel.
Een slaapkamer in het huis van den Lord.
Men ziet Sluw in een rijk nachtgewaad, door Dienaars omgeven; eenigen met kleedingstukken, anderen met waschbekken, schenkkan en verder toebehooren. De Lord komt op, als dienaar verkleed.
Sluw.
In ’s Hemels naam, een potteken scharrebier!
Eerste Bediende.
Verkiest uw edelheid een roemer wijns?
Tweede Bediende.
Verkiest uw lordschap van deez’ confituren?
Derde Bediende.
Welk kleed verkiest uw lordschap voor vandaag?
Sluw.
Ik ben Stoffel Sluw; noem mij geen edelheid of lordschap; ik heb nooit van mijn leven wijn geproefd; en als je mij confituren wilt geven, geef mij dan confituren van rundvleesch; vraag me maar nooit, welk kleed ik dragen wil; want ik bezit niet meer wambuizen dan ruggen, niet meer kousen dan beenen, niet meer schoenen dan voeten; ja soms meer voeten dan schoenen, of zulke schoenen, waar mijn teenen door het bovenleer heen komen kijken.
Lord.
God moge uw lordschap van deez’ waan bevrijden!
O dat een man van rang, van zulk een afkomst,
Van zulk een rijkdom en van zulk een aanzien,
Door zulk een boozen geest geteisterd wordt!
Sluw.
Wat! wilt gij mij dol maken? Ben ik niet Stoffel Sluw, de zoon van den ouden Sluw van Burtonheide, van geboorte marskramer, door opleiding wolkaarder, bij verandering berenleider en nu van beroep ketellapper? Vraag maar eens aan Maartje Kappervol, de dikke bierhuiswaardin van Wincot, of zij me niet kent; als ze niet zegt, dat ik bij haar voor veertien stuivers in het krijt sta voor dun bier, kalk me dan maar aan, dat ik de grootste leugenaar ben van de christenheid.—Wat! ik ben toch niet behekst? hier heb ik— 27
(Hij bekijkt zijn nachtgewaad.)
Eerste Bediende.
O, dit is ’t, waar uw echtgenoot om treurt!
Tweede Bediende.
O, dit is ’t, wat uw dienaars zoo bedroeft!
Lord.
Ja, daarom schuwt uw maagschap dit uw huis;
Zij worden door uw waanzin afgeschrikt.
O, denk eens aan uw afkomst, edel heer,
Roep uwen lang verbannen geest terug,
En ban deez’ droomen, u onwaard, van hier;
Zie, hoe uw dienaars need’rig om u staan,
Elk op zijn post, gereed op uwen wenk.
Wilt gij muziek? hoor toe! Apollo speelt,
(Muziek.)
Een nachtegalenkoor is daar en zingt.
Verlangt gij rust? U wacht een legerstede,
Zoo zacht en heerlijk als het weeld’rig bed,
Eens voor Semiramis met zorg gespreid.
Kiest gij een wand’ling? zie, wij strooien bloemen;
Een rijtoer? opgetoomd zijn uwe paarden,
Hun tuig met goud en paarlen overdekt;
Een valkenjacht? uw edelvalken klimmen
Veel hooger dan de leeuwrik; wilt gij jagen?
Het hemelwelf geeft antwoord aan uw honden;
Zij wekken de echo’s uit der aarde schoot.
Eerste Bediende.
Verkiest gij lange jacht? uw hazewinden
Zijn sneller dan het hijgend hert of ree.

De getemde feeks, Voorspel, Tweede Tooneel.
Tweede Bediende.
Houdt gij van schilderijen? daad’lijk halen
Wij u Adonis, rustend aan een beek,
En Cytherea, diep in ’t riet verborgen,
Dat lichtbewogen met haar adem speelt,
Zooals wij riet zien dart’len met den wind.
Lord.
Dan toonen wij u Io, de eed’le maagd;
En hoe zij sluw belaagd werd en verschalkt;
Zoo levendig gemaald, alsof gij ’t zaagt.
Derde Bediende.
Of Daphne, die, bij ’t zwerven in het bosch,
De dij zich kwetst; gij meent het bloed te zien,
Gij ziet Apollo, treurend, tranend stortend;
Zoo meesterlijk is hier natuur betrapt.
Lord.
Gij zijt een lord, niets anders dan een lord;
Uw gade is schooner dan de schoonste, die
Deze eeuw, waar alles in verflenst, kan toonen.
Eerste Bediende.
En eer de tranenvloed, om u geplengd,
Met boozen stroom haar lief gelaat besproeide,
Was zij het heerlijkst wezen van deze aard’,
En thans nog wijkt zij voor geen enk’le vrouw.
Sluw.
Ben ik een lord? en heb ik zulk een vrouw? 70
Of droom ik nu? of droomde ik vroeger steeds?
Ik slaap toch niet; ik zie, ik hoor, ik spreek,
Ruik lekk’re geuren; wat ik voel, is zacht;—
Zoo waar ik leef, ik ben een lord, jawèl;
Geen ketellapper en geen Stoffel Sluw.
Kom, laat mij nu mijn eed’le vrouw eens zien;
En geef mij toch een pintje scharrebier.
Tweede Bediende.
Wil soms uw lordschap zich de handen wasschen?
(Dienaars brengen een bekken, schenkkan en handdoek.)
O, wat genot u weer hersteld te zien!
O, dat gij eind’lijk inziet, wie ge zijt!
Deez’ vijftien jaren hebt ge doorgedroomd,
Of, waart ge wakker, ’t was, alsof gij sliept.
Sluw.
Deez’ vijftien jaren! Hemel, welk een dutje!
En sprak ik in dien tijd geen enkel woord?
Eerste Bediende.
O ja, mylord, doch wartaal, anders niet;—
Want schoon gij in deez’ fraaie kamer laagt.
Hieldt gij maar vol, dat men de deur u uitsmeet,
En scholdt ge op een waardin en zeidet, dat
Gij haar verklagen zoudt: zij gaf u telkens
Diksteenen kannen, geen geijkte pintjes;
En soms ook riept ge om Cieltje Kappervol.
Sluw.
Ja, ja, de dochter van de vrouw van ’t bierhuis.
Derde Bediende.
Wel heer, gij kent zoo’n meisje niet;
Noch zulke luî, zooals ge wel eens noemdet,—
Als Steven Sluw, en de’ ouden Slokmaardoor
En Pieter Turf, en Heintje Pimpelaar,
En twintig and’re namen en personen,
Die nooit bestonden en die niemand kent.
Sluw.
Nu, Gode dank voor mijne beterschap!
Allen.
Amen.
Sluw.
Ik dank je wel; je zult er wel bij varen.
(De Page treedt op, als dame gekleed, met Gevolg.)
Page.
Hoe vaart mijn eed’le heer?
Sluw.
Waarachtig goed, ’t is hier wel uit te houden.
Waar is mijn vrouw?
Page.
Hier, eed’le heer, wat is van uw verlangen?
Sluw.
Zijt gij mijn vrouw, en noemt ge mij niet man?
Mijn volk, dat noemt mij heer, gij man of oudje.
Page.
Mijn heer en mijn gemaal, gemaal en heer,
Ik ben in alle eerbiedigheid uw vrouw. 109
Sluw
(tot den Lord.) Ik weet het;—maar hoe noem ik haar?
Lord.
—maar hoe noem ik haar? Madame.
Sluw.
Hoe? Els Madame of Hans Madame?
Lord.
Madam’, niets meer; zoo noemen lords hun ladies.
Sluw.
Madame vrouw, ’k heb vijftien jaar en meer,
Zoo zegt men mij, geslapen en gedroomd.
Page.
O, en wel dertig jaar komt mij dit voor,
Gescheiden, ja, van tafel en van bed.
Sluw.
’t Is lang.—Gij, dienaars, gaat; laat ons alleen.—
Madame, ontkleed u, kom met mij te bed.
Page.
Driewerf verheven lord, verhoor mijn beê;
Schenk mij nog voor een nacht of twee respijt,
Zoo niet, ten minste tot zonsondergang;
Uw artsen gaven mij uitdrukk’lijk last,—
Op straffe, dat uw kwaal opnieuw begon,—
Dat ik nog een’gen tijd uw bed zou mijden;
Zoo staat de zaak, en dit zij mijn verschooning.
Sluw.
Ja, maar het staat zoo, dat ik moeilijk zoo lang wachten kan. Maar ik zou met dat al niet gaarne weer in mijn vorige droomen vervallen; ik wil daarom wachten, hoe mijn vleesch en bloed ook mogen spreken.
(Een Bediende komt op.)
Bediende.
Ter eer van dit herstel zijn uwer lordschap
Schouwspelers daar met een comediestuk;
En ook uw artsen vinden dit uitmuntend,
Wijl te veel ernst uw bloed verdikt heeft en
Zwaarmoedigheid des waanzins voedster is;
Zij schreven daarom zulk een stuk u voor,
Dat u den geest tot vreugde stemt en lust,
De kwalen weert en ’t leven u verlengt.
Sluw.
Ja goed, ik wil het wel; laten zij het maar spelen. Is een kommeestuk zoo iets als een vastelavondvertooning of een koorddanserij?
Page.
Neen, heer; ’t is mooier, beter lachensstof.
Sluw.
Wat stof is dat?
Page.
Wat stof is dat? ’t Is zoo’n historietje.
Sluw.
Nu, we willen het zien. Kom, Madame vrouw, zet u naast mij neer en laat de wereld haar gang gaan; wij kunnen het nooit jonger doen.
(Zij gaan zitten. Trompetgeschal.)