Vijfde Bedrijf.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
Eerste Tooneel.
Padua. Voor Lucentio’s huis.
Op den achtergrond komen op: Biondello, Lucentio en Bianca; Gremio wandelt aan de overzijde van het huis op en neer.
Biondello.
Stil en vlug, heer; want de priester staat gereed.
Lucentio.
Ik vlieg, Biondello; maar ze mochten u thuis noodig hebben; ga gij dus weg.
Biondello.
Neen, zeker niet; ik moet eerst zien, dat gij de kerkdeur achter den rug hebt; en dan spoed ik mij, zoo vlug ik kan, naar mijn meester terug.
(Lucentio, Bianca en Biondello af.)
Gremio.
Ik sta verbaasd, dat Cambio nog niet komt.
(Petruccio, Katharina, Vincentio en Gevolg komen op.)
Petruccio.
Hier is het, heer; dit is Lucentio’s huis;
Mijn vader woont wat dichter naar de markt;
Daar moet ik heen, heer, en verlaat u hier.
Vincentio.
Toch niet, voordat we een roemer samen leegden;
Ik heet u graag hier welkom met een dronk,
En hoogstwaarschijnlijk wacht ons een feestmaal.
(Hij klopt aan de deur.)
Gremio.
Ze zijn daar binnen met iets bezig; gij moogt wel wat harder aankloppen. 14
(De Pedant kijkt uit het venster.)
Pedant.
Wie klopt daar zoo luid, alsof hij de deur wilde inslaan?
Vincentio.
Is signore Lucentio thuis, heer?
Pedant.
Wel tehuis, heer; maar niet te spreken.
Vincentio.
Maar als nu iemand hem een honderd pond of twee kwam brengen, om er goede sier mee te maken?
Pedant.
Houd uw honderd pond maar voor uzelf; hij zal ze niet behoeven, zoolang ik leef.
Petruccio.
Ziet ge, ik heb u wel verteld, dat uw zoon in Padua bemind is.—Hoor eens, heer,—om allen omhaal te vermijden,—ik bid u, zeg aan signore Lucentio, dat zijn vader van Pisa is aangekomen en hier aan de deur staat, om hem te spreken.
Pedant.
Dat is niet waar; zijn vader is al lang hier en kijkt op dit oogenblik uit het venster.
Vincentio.
Zijt gij zijn vader?
Pedant.
Ja, heer, als ik zijn moeder gelooven mag; die heeft het mij altijd gezegd.
Petruccio
(tot Vincentio). Wel zoo, heerschap; dat is toch klinkklare schurkerij, eens anders naam aan te nemen.
Pedant.
Houd hem aan, den spitsboef! hij is zeker van plan, iemand hier in de stad op te lichten, onder mijn naam. 41
(Biondello komt weder op.)
Biondello.
Ik heb ze samen in de kerk gezien; de Hemel schenke hun een gelukkige vaart!—Maar wie is daar? mijn oude meester Vincentio? O wee, nu is het uit met ons, we zijn verloren!
Vincentio
(Biondello bespeurende). Zoo, kom hier, galgebrok!
Biondello.
Ik hoop, heer, dat ik mag kiezen, wat ik wezen wil.
Vincentio.
Kom hier, schurk! Wat, wilt ge mij niet kennen?
Biondello.
U kennen, heer? neen, heer; ik kan u niet kennen, want ik heb u van mijn leven nooit gezien.
Vincentio.
Wat, gij doortrapte spitsboef, hebt gij den vader van uw meester, Vincentio, nooit gezien?
Biondello.
Wat! mijn ouden, eerwaardigen ouden meester? ja zeker, heer; zie, die kijkt daar uit het venster.
Vincentio.
Hoe durf je dat zeggen?
(Hij slaat hem.)
Biondello.
Help, help, help! hier is een dolleman, die mij wil vermoorden!
(Hij loopt weg.)
Pedant.
Help, mijn zoon! help, signore Battista!
(Hij gaat van het venster weg.)
Petruccio.
Kom, Kaatje, laat ons wat ter zijde gaan, om te zien, hoe deze twist afloopt.
(Zij gaan ter zijde.)
(De Pedant komt beneden op; verder Battista, Tranio en Bedienden.)
Tranio.
Heer, wie zijt gij, die mijn dienaar een pak slaag toedient?
Vincentio.
Wie ik ben, heer? Neen, wie zijt gij, heer? O hemelsche goedheid! O opgepinkte schelm! Een zijden kamizool! een fulpen broek! een scharlaken mantel en een punthoed!—O, ik ben geruïneerd! geruïneerd! Terwijl ik thuis mijn zaken bij elkander houd, lappen mijn zoon en mijn dienaar alles op de hoogeschool er door.
Tranio.
Komaan! wat beteekent dit alles?
Battista.
Wat, is de man niet wijs?
Tranio.
Heer, naar uw voorkomen schijnt gij een bedaard oud heer, maar naar uw praatjes is het dolhuis uw plaats. Wat gaat het u aan, heer, of ik goud en parels draag? Ik dank het mijn goeden vader, dat ik het doen kan.
Vincentio.
Uw vader, schurk! dat is een zeilmaker uit Bergamo.
Battista.
Gij bedriegt u, heer; gij bedriegt u, heer. Hoe denkt gij dan wel, dat hij heet?
Vincentio.
Hoe hij heet? Alsof ik niet wist, hoe hij heet! Ik, die hem heb grootgebracht van zijn derde jaar af! zijn naam is Tranio.
Pedant.
Maak, dat gij weg komt, dolle ezel! Zijn naam is Lucentio; en hij is mijn eenige zoon, en erfgenaam van mijn geheel vermogen, van mij, signore Vincentio. 89
Vincentio.
Lucentio! O, hij heeft zijn meester omgebracht!—Vat hem, ik beveel het, in naam des hertogs!—O mijn zoon! mijn zoon! Zeg mij, gij schurk, waar is mijn zoon Lucentio?
Tranio.
Roep toch een gerechtsdienaar (Een Dienaar af.), dat deze dolleman naar de gevangenis gebracht worde;—vader Battista, ik bid u, draag zorg, dat hij voor het gerecht komt.
Vincentio.
Ik naar de gevangenis!
(De Dienaar komt terug met een Gerechtsdienaar.)
Gremio.
(Tot den Gerechtsdienaar.) Houd af, man; hij moet niet naar de gevangenis.
Battista.
Bemoei er u niet mee, signore Gremio; ik zeg, hij moet wel naar de gevangenis.
Gremio.
Pas op, signore Battista, dat gij u hierbij de vingers niet brandt; ik durf er op zweren, dat dit de echte Vincentio is.
Pedant.
Zweer, als gij durft.
Gremio.
Neen, zweren durf ik er niet op.
Tranio.
Dan waart gij ook wel in staat om te zeggen, dat ik niet Lucentio ben.
Gremio.
Ja, u ken ik als signore Lucentio.
Battista.
Weg met dien leuteraar; naar de gevangenis met hem!
Vincentio.
Worden vreemdelingen hier zoo voortgesleurd en mishandeld?—O gij afschuwelijke booswicht!
(Biondello komt terug, met Lucentio en Bianca.)
Biondello.
O het loopt mis met ons, en.... daar staat hij! Verloochen hem, zweer hem af, of anders is het uit met ons.
Lucentio
(knielt voor Vincentio). Vergeving, goede vader!
Vincentio.
Beste zoon! gij leeft!
(Biondello, Tranio en de Pedant loopen weg.)
Bianca.
Vergeving, waarde vader!
(Zij knielt voor Battista.)
Battista.
Vergeving, waarde vader! Wáárvoor, kind?
Waar is Lucentio?
Lucentio.
Waar is Lucentio? Hier, hier is Lucentio,
En de echte zoon van de’ echten heer Vincentio;
Door ’t huw’lijk werd, terwijl een valsche schijn
Uw oogen heeft misleid, uw dochter mijn.
Gremio.
’t Is een complot, ik zie ’t, om allen te misleiden!
Vincentio.
Waar is die duivelsche schavuit, die zoo
Brutaal mij heeft beschimpt, die Tranio? 124
Battista.
Maar zeg mij, dit is toch mijn Cambio?
Bianca.
Uit Cambio werd nu Lucentio.
Lucentio.
De liefde deed die wond’ren. Liefde voor
Bianca deed mij Tranio’s stand aanvaarden,
Terwijl hij mijne rol speelde in de stad;
In ’t eind ben ik gelukkig in de haven
Van mijn gewenschte zaligheid geraakt;—
Wat Tranio deed, deed hij op mijn bevel;
Vergeef hem, vaderlief, om mijnentwil.
Vincentio.
Ik splijt den schelm den neus, die mij ten kerker wou verwijzen.
Battista
(tot Lucentio). Maar gij, heer, hoor eens, hebt gij dus mijn dochter gehuwd, zonder naar mijn goedvinden te vragen?
Vincentio.
Wees maar voor niets beducht, Battista; gij zult wel tevreden zijn, stel u gerust; maar ik ga naar binnen; ik wil wraak nemen over die schurkenstreken.
(Vincentio af.)
Battista.
En ik wil ’t mijne hebben van die streken.
(Battista af.)
Lucentio.
Gerust, mijn lief, uw vader zal niet toornen.
(Lucentio en Bianca af.)
Gremio.
Mijn koek ligt in de asch, maar ik ga mee naar binnen;
Want buiten het maal heb ik niets meer te winnen.
(Gremio af.)
(Petruccio en Katharina komen naar voren.)
Katharina.
Kom, mijn gemaal, en zien wij, hoe dit afloopt.
Petruccio.
Geef me eerst een kus, mijn Kaatje, dan is ’t goed.
Katharina.
Wat! midden op de straat?
Petruccio.
Wat! schaamt ge u over mij?
Katharina.
God beware mij, neen;—maar ik schaam mij, te kussen.
Petruccio.
Kom, dan naar huis weer toe;—gij knaap, maak alles klaar.
Katharina.
Neen, blijf toch, bid ik u; daar hebt ge uw kusje, man.
Petruccio.
Is ’t nu niet goed?—Kom, lieve Kaat,
Beter eens dan nimmer, ’t is nimmer te laat.
(Beiden af.)
Tweede Tooneel.
Een zaal in Lucentio’s woning.—Een banket is aangerecht.
Battista, Vincentio, Gremio, de Pedant, Lucentio, Bianca, Petruccio, Katharina, Hortensio en de Weduwe komen op; Tranio, Biondello, Grumio en Anderen dienen ververschingen rond.
Lucentio.
Ten laatste stemt, wat lang niet samenklonk;
En is het woeden van den krijg voorbij,
Dan lacht men graag om vroeg’ren schrik en angst.—
Bianca-lief, begroet gij mijnen vader,
Den uwen groet ik even hartlijk hier;—
Broeder Petruccio,—zuster Katharina,—
En gij Hortensio, met uw lieflijk weeuwtje,—
Viert vroolijk feest, weest welkom in mijn huis;
Dit klein onthaal is slechts een nagerecht
Van ’t groote feestmaal; ’k bid u, zet u neer;
En nu bij ’t eten ’t praten niet vergeten!
(Zij zetten zich aan tafel.)
Petruccio.
’t Is altijd, zit en eet, en eet en zit!
Battista.
In Padua heerscht vriendlijkheid, Petruccio.
Petruccio.
Ja, Padua schenkt niets dan vriendlijkheid.
Hortensio.
Ja, waar’ dit zoo, het ware ons beiden goed.
Petruccio.
Zijn weeuwtje, zie ik, ducht Hortensio.
Weduwe.
Verstijv’ mijn tong, indien ik iemand ducht.
Petruccio.
Gij zijt scherpzinnig, toch mist gij den zin;
’k meende, dat Hortensio u ducht.
Weduwe.
Die duiz’lig is, gelooft, dat alles draait.
Petruccio.
Gij draait er u goed uit.
Katharina
(tot de Weduwe). Hoe meent gij dit?
Weduwe.
Ik geef terug, wat ik van hem ontving.
Petruccio.
Van mij ontving?—Hoe smaakt dit aan Hortensio?
Hortensio.
Zij meent, zij geeft aan u uw steek terug.
Petruccio.
Gevat, man; weeuwtje, dit verdient een kus.
Katharina.
„Die duiz’lig is, gelooft, dat alles draait;”—
Ik bid u, zeg toch eens, wat gij bedoelt. 27
Weduwe.
Uw man, die door een feeks geplaagd is, meet
Het leed mijns mans naar zijne kwelling af;
Ziedaar, wat ik bedoeld heb.
Katharina.
Ziedaar, wat ik bedoeld heb. Uw bedoeling
Is boos, zeer boos.
Weduwe.
Is boos, zeer boos. Juist, gij toch waart bedoeld.
Katharina.
Ja, ik word boos, heb ik met u te doen.
Petruccio.
Kom, troef haar, Kaatje!
Hortensio.
Kom, troef haar, Kaatje! Troef haar, weeuwtje!
Petruccio.
Een honderd mark; mijn Kaatje krijgt haar onder.
Hortensio.
Dat hoeft niet; ik neem ’t aan.
Petruccio.
Gesproken als een man.—Vriend, houd u goed!
(Hij drinkt Hortensio toe.)
Battista.
Wel, Gremio, wat zegt ge van dit volk?
Gremio.
Ze stooten met de koppen aardig saam.
Bianca.
Als jonge bokken zou een spotter zeggen,
Die nog geen wapen hebben voor hun stoot.
Vincentio.
Zoo, bruidje, wordt ge wakker op dit punt?
Bianca.
Wel wakker, niet verschrikt; ik slaap weer in.
Petruccio.
Neen, neen; gij loopt niet vrij, gij zijt begonnen;
Verwacht alzoo een scherpen pijl of twee.
Bianca.
Ben ik uw vogel? ’k Zoek een ander bosch;
Vervolg mij met uw pijl dan, als gij kunt;—
Vaart allen wel!
(Bianca, Katharina en de Weduwe af.)
Petruccio.
Daar is zij mij ontsnapt.—Signore Tranio,
Gij miktet op dat vogeltje en schoot mis!
Een dronk op ieder nu, die schoot en miste.
Tranio.
O heer, ’k was voor Lucentio als een windhond,
Die dapper loopt en voor zijn meester vangt.
Petruccio.
Een vlugge vergelijking, maar wat hondsch.
Tranio.
’t Is goed, heer, dat ge voor uzelven jaagdet;
Men meent, uw hinde loopt wel bek-af. 56
Battista.
Oho, Petruccio! Tranio trof u daar.
Petruccio.
Ik dank u voor dat schampschot, goede Tranio!
Hortensio.
Erken, erken! Heeft hij u niet geraakt?
Petruccio.
Hij heeft mij wat geschampt, ik wil ’t erkennen;
Maar, vloog de scherts ook raak’lings langs mij heen,
Tien tegen één, zij trof u beide’ in ’t hart.
Battista.
Nu, ’k denk in goeden ernst, mijn zoon Petruccio,
Gij hebt toch wel het lastigst wijf van allen.
Petruccio.
En ik zeg „neen”;—maar neemt de proef er van;
Laat elk van ons zijn vrouw eens hier ontbieden,
En hij, wiens vrouw dan het gehoorzaamst is,
En ’t eerste komt, wanneer hij om haar zendt,
Die wint den prijs, waar wij om zullen wedden.
Hortensio.
’t Is goed; en wat is de inzet?
Lucentio.
’t Is goed; en wat is de inzet? Twintig kronen.
Petruccio.
Twintig kronen!
Dat waag en zet ik op mijn valk of hond.
Maar twintigmaal zooveel wel op mijn vrouw.
Lucentio.
Nu honderd dan!
Hortensio.
Nu honderd dan! ’t Is goed.
Petruccio.
Nu honderd dan! ’t Is goed. Goed, aangenomen!
Hortensio.
Wie zal beginnen?
Lucentio.
Wie zal beginnen? Dat wil ik doen.—Ga,
Biondello, vraag dat uw meest’res hier kome.
Biondello.
Ik ga.
(Biondello af.)
Battista.
Mijn zoon, ik sta u half; Bianca komt.
Lucentio.
Neen, niets daarvan; ik neem ’t geheel op mij.
(Biondello komt terug.)
Nu, nu, hoe is ’t?
Biondello.
Heer, mijn meest’res laat zeggen,
Dat ze iets te doen heeft en niet komen kan!
Petruccio.
Zoo! iets te doen heeft en niet komen kan.
Is dat een antwoord?
Gremio.
Is dat een antwoord? Ja, en vriend’lijk ook;
Bid God, dat u uw vrouw geen erger zend’.
Petruccio.
Ik hoop, een beter.
Hortensio.
Biondello, ga, verzoek mijn vrouw, dat zij
Hier daad’lijk bij mij komt. 87
(Biondello af.)
Petruccio.
Hier daad’lijk bij mij komt. O zoo, verzoeken;
Dan moet en zal ze komen.
Hortensio.
Dan moet en zal ze komen. Heer, ik vrees,
Doe wat ge wilt, voor u helpt geen verzoek.
(Biondello komt terug.)
Waar blijft mijn vrouw?
Biondello.
Zij zegt, gij hebt gewis een grapje voor;
Zij wil niet komen, vraagt, dat gij bij háár komt.
Petruccio.
Van kwaad tot erger! wil niet komen! Ha!
’t Is onverdraaglijk, onuitstaanbaar, slecht!
Nu, Grumio, ga tot uw meest’res, en zeg,
Dat ik beveel, dat zij hier bij mij komt.
(Grumio af.)
Hortensio.
Ik weet, wat volgt.
Petruccio.
Ik weet, wat volgt. Wat dan?
Hortensio.
Ik weet, wat volgt. Wat dan? Dat zij niet wil.
Petruccio.
De schâ moet ik dan dragen, dat is al.
(Katharina komt.)
Battista.
Bij onze lieve vrouw! Zie, Katharina!
Katharina.
Wat is uw wensch, heer, dat gij om mij zondt?
Petruccio.
Waar zijn uw zuster en Hortensio’s vrouw?

De getemde feeks, Vijfde Bedrijf, Tweede Tooneel.
Katharina.
Zij zitten bij den haard ginds wat te keuv’len.
Petruccio.
Ga, haal ze hier; en weig’ren zij te komen,
Zweep haar dan flinkweg naar haar mannen toe;
Ga, zeg ik, breng die twee onmidd’lijk hier.
(Katharina af.)
Lucentio.
Spreekt gij van wond’ren, hier is dan een wonder.
Hortensio.
Dat is ’t; ’t zal mij verwond’ren, waar ’t op uitloopt.
Petruccio.
Wel op een rustig leven, liefde en vreê,
Erkenning van gezag, een goed bestuur,
Kortom, op wat geluk en vreugde brengt.
Battista.
Nu, heil zij u, mijn zoon Petruccio!
Gij wint uw weddingschap; en aan die winst
Voeg ik nog twintigduizend kronen toe,
Als nieuwe bruidsgift aan een and’re dochter,
Want ze is een and’re dan ze vroeger was.
Petruccio.
Neen, beter nog win ik mijn weddenschap,
En toon u beter nog haar volgzaamheid, 118
Haar nieuw verworven deugd van volgzaamheid.
(Katharina komt terug, met Bianca en de Weduwe.)
Daar komt ze; ziet, uw dwarse vrouwen zijn
Gevang’nen van haar vrouw’lijke overreding.
Dat mutsje, Katharina, staat u slecht;
Doe weg dat vod; vertrap het met den voet.
(Katharina neemt haar muts af en werpt die neer.)
Weduwe.
God geev’ mij nimmer reden tot een zucht,
Aleer ik zulk een slaafsche dwaasheid doe!
Bianca.
Foei, wat een dwaze volgzaamheid van u!
Lucentio.
Ware uwe volgzaamheid maar even dwaas!
De wijsheid van uw volgzaamheid, Bianca,
Boort juist me een honderd kronen door den neus.
Bianca.
Wat domheid, op mijn volgzaamheid te wedden!
Petruccio.
Kath’rina, leer deez’ stuggen vrouwen eens,
Wat zij haar heer en gade schuldig zijn.
Weduwe.
Kom, kom, gij schertst; wij danken voor zoo’n preek.
Petruccio.
Begin maar, zeg ik, en met haar het eerst.
Weduwe.
Ze zal het niet.
Petruccio.
Ja toch, ze zal;—begin met haar het eerst.
Katharina.
O foei, strijk glad dat dreigend, toornig voorhoofd;
En schiet geen booze blikken uit die oogen
Op uwen heer, uw koning, uw gebieder.
’t Verbleekt uw schoon, zooals de vorst een grasveld,
’t Verderft uw roem, als storm, die bloesems schudt,
En is in ’t minst niet prijzenswaard of lief.
Een toornig wijf is als een troeb’le bron,
Dik, ondoorschijnend, zwart, van schoon beroofd,
Waar niemand, hoe verhit of dorstig ook,
Aan nippen wil of zelfs een drup van proeft.
Uw eegâ is uw heer, uw schutse, uw leven,
Uw opperhoofd, uw vorst; hij zorgt voor u
En voor uw onderhoud; hij geeft zijn lijf
Aan duizend nooden prijs, te land, ter zee;
Bij nacht houdt storm, bij dag hem koude wakker,
Terwijl gij warm en veilig rust in huis; 151
Geen and’re schatting vraagt hij van uw hand
Dan liefde, een blij gelaat en volgzaamheid,—
Te kleinen losprijs voor zoo groot een schuld.
Wat de onderdaan zijn vorst verschuldigd is,
Dat heeft de vrouw haar gade te voldoen;
En is zij grillig, geem’lijk, nukkig, norsch,
Geeft ze aan zijn reed’lijke eischen geen gehoor,
Wat is zij, dan een boos, ondankbaar muit’ling,
Die snood de liefde van haar heer miskent?—
O, ’k schaam mij, als een vrouw in dwazen waan
Wil strijden, waar ze om vrede knielen moest,
Of macht begeert, gezag en overwicht,
Waar zij tot liefde, en dienen is verplicht.
Waarom zijn wij zoo teer en zwak en broos,
Voor moeitevollen arbeid ongeschikt,
Zoo niet, opdat aan onzen fijnen bouw
Een zacht gemoed zich passend paren zou?
Ziet, drieste, zwakke, licht vertreden wormen!
’k Was eens zoo stug van geest als een van u,
Zoo trotsch van hart; en ’k had, naar ’k denk, meer grond,
Om woord met woord en drift met drift te keeren;
Maar ’k zie nu, onze lansen zijn maar stroo;
Zwak onze kracht, niet zelden enkel schijn;—
Vaak schijnen wij, wat wij volstrekt niet zijn.
Buigt dus uw trots en legt, als onderpand,
Onder den voet uws echtgenoots uw hand;
Verlangt hij dit als blijk van volgzaamheid,
Als hij ’t beveelt, hij vindt mijn hand bereid.
Petruccio.
Dàt is me een vrouw!—Kom, Kaatje, kus mij thans!
Hortensio.
Nu, oude knaap, gij wint uw zaak met glans.
Vincentio.
’t Is lieflijk te hooren, als kind’ren zoo willig zijn.
Lucentio.
Doch schrikk’lijk te hooren, als vrouwen zoo grillig zijn.
Petruccio.
Kom, Kaatje, ter rust;—en ik weet nu, hoe ’t is,
Drie zijn getrouwd, maar met twee is het mis.
(Tot Lucentio.) Al troft gij het wit ook, ik ben het, die lacht;
De weddenschap won ik, en wensch u goê nacht!
(Petruccio en Katharina af.)
Hortensio.
Geluk dan, de temming der feeks is geschied.
Lucentio.
Wonder is het boven wonder, dat ze zoo zich temmen liet.
(Allen af.)