Derde Bedrijf.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
Eerste Tooneel.
Een kamer in Battista’s huis.
Lucentio, Hortensio en Bianca komen op.
Lucentio.
Terug, gij veed’laar! Man, gij wordt te vrij!
Ontging u reeds de groet, waarmede u pas
Haar zuster Katharina heeft verfrischt?
Hortensio.
Gij, twistziek schoolpedant! deez’ jonkvrouw is
De schutsgeest van de harmonie der heem’len;
Laat mij alzoo den voorrang; hebben wij
Een uurtje aan muziek besteed, dan worde
Gelijke tijd aan ’t lezen toegewijd.
Lucentio.
Bekrompen weetniet, heeft het lezen u
Zelfs niet geleerd, waartoe muziek wel dient?
Is ’t niet, om ’s menschen geest wat te verfrisschen
Na diep gepeins, na ’t zwoegen van den dag?
Erken dus ’t voorgaan der philosophie,
En kom in ’t rustuur met uw harmonie.
Hortensio.
Sinjeur, gij tart mij steeds! dit duld ik niet!
Bianca.
Maar heeren, beiden doet gij me onrecht aan,
En twist, waar mijn keus toch alleen beslist;
Ik ben geen schoolkind, dat de roede ducht;
’k Wil aan geen uur of tijd gebonden zijn,
Maar neem mijn les zooals ikzelf verkies,
En ik beslecht den twist: hier zetten we ons:—
Neem gij uw speeltuig, tokkel midd’lerwijl;
Zijn les zal uit zijn, eer gij hebt gestemd.
Hortensio
(tot Bianca). Gij houdt met lezen op, als ik gestemd heb?
(Hij gaat naar den achtergrond.)
Lucentio.
Nooit, zou ik wenschen;—(Tot Hortensio.) stem dan ’t instrument.
Bianca.
Waar zijn we laatst gebleven?
Lucentio.
Waar zijn we laatst gebleven? Hier, mejonkvrouw;
Hic ibat Simois, hic est Sigeia tellus;
Hic steterat Priami regia celsa senis.
Bianca.
Vertaal mij dit.
Lucentio.
Hic ibat, zooals ik u reeds gezegd heb,—Simois, ik ben Lucentio,—hic est, zoon van Vincentio van Pisa,—Sigeia tellus, zoo verkleed om uw liefde te winnen;—hic steterat, en de Lucentio, die naar uw hand staat,—Priami, is mijn dienaar Tranio,—regia, die mijn rol speelt,—celsa senis, om den ouden verliefden gek om den tuin te leiden. 37
Hortensio
(terugkeerend.) Mejonkvrouw, ’t speeltuig is gestemd.
Bianca.
Mejonkvrouw, ’t speeltuig is gestemd. Laat hooren!
(Hortensio speelt.)
O foei, de discant is nog valsch.
Lucentio.
Begin van nieuws af aan, man, stem nog eens.
(Hortensio gaat terug.)
Bianca.
Laat mij nu zien of ik ’t vertalen kan.
Hic ibat Simois, ik ken u niet;—hic est Sigeia tellus, ik vertrouw u niet; hic steterat Priami, pas op, hij hoore ons niet;—regia, vlei u maar niet; celsa senis, doch wanhoop niet.
Hortensio.
Jonkvrouw, ’t is nu gestemd.
(Hij speelt eenige accoorden.)
Lucentio.
Jonkvrouw, ’t is nu gestemd. De bas nog niet.
Hortensio.
De bas is zuiver, bas gij maar zoo niet.—
Wat wordt die hond, die schoolvos, onbeschaamd!
De kerel, bij mijn ziel, hij maakt haar ’t hof!
Pedascule, ’k houd u nog meer in ’t oog!
Bianca.
’t Geloof kàn komen, maar ik twijfel nog.
Lucentio.
O, twijfel niet;—(Hardop, daar Hortensio nadert.) geloof me, Æacides
Is Ajax, naar zijn voorzaat zoo genoemd.
Bianca.
’k Geloof ’t, wijl gij mijn leeraar zijt; doch anders,
’k Verzeker u, ik hield mijn twijfel vol.
Maar ’t zij dan zoo.—Thans Licio, tot uw dienst;—
Gij, goede meesters, duidt het mij niet euvel,
Dat ik zoo met u tweeën heb geschertst.
Hortensio
(tot Lucentio). Ga gij maar wand’len; laat mijn les hier vrij,
Want ik geef niet in trio’s onderricht.
Lucentio.
Zoo, eischt ge dat, heer?—Nu, ’k blijf in de buurt
En houd een oog in ’t zeil, want naar ik denk,
Wordt onze fraaie musicus verliefd.
(Hij gaat ter zijde.)
Hortensio.
Aleer gij, jonkvrouw, in de snaren grijpt
En op mijn wijs de vingerzetting leert,
Begin ik met het A B C der kunst;
De gamma leer ik u in korter tijd
En boeiender; ik ga meer recht naar ’t doel,
Dan vóór mij ooit een man van ’t vak het deed;
Hier hebt gij haar in keurig duid’lijk schrift.
Bianca.
Wel man, ik ben de gamma lang voorbij.
Hortensio.
Leg toch die van Hortensio niet ter zij. 72
Bianca
(leest). Ut ben ik, Gamma—grond van elk accoord;
A re—zegg’, welk een pijl Hortensio griefde;
B mi—Bianca, schenk me uw hart, uw woord;
C fa ut—Ach, ik leef slechts door uw liefde;
D sol re—Sleutel met een dubb’le noot;
E la mi—Ja is leven, weig’ring dood.
Is dit een gamma? die bevalt mij niet;
Ik houd mij liefst aan de oude en goede leerwijs,
En heb geen lust in dwaze nieuwigheid.
(Een Bediende komt op.)
Bediende.
Uw vader, jonkvrouw, vraagt, dat gij voor heden
Uw boeken rust geeft, en uw zusters kamer
Opsieren helpt voor ’t bruiloftsfeest van morgen.
Bianca.
Vaartwel, mijn beste meesters, ik moet heen.
(Bianca en de Bediende af.)
Lucentio.
Dan, jonkvrouw, heb ik ook geen grond tot blijven.
(Lucentio af.)
Hortensio.
Maar ik heb grond, dien schoolvos na te speuren!
Hij ziet er uit, als waar’ hij ook verliefd;—
Maar werpt gij zoo u weg, Bianca, dat
Ge uw dwalend oog op ieder lokaas slaat,
Dan strijk’ met u wie wil; zijt gij zoo grillig,
’k Zoek elders heil, en gij wordt me onverschillig.
(Hortensio af.)
Tweede Tooneel.
Aldaar. Voor Battista’s huis.
Battista, Gremio, Tranio, Katharina, Bianca, Lucentio en Bedienden komen op.
Battista
(tot Tranio). Dat is de dag, Lucentio, vastgesteld
Voor Katharina’s en Petruccio’s huw’lijk,
En nog hoor ik van onzen schoonzoon niets;
Wat zal dat een gepraat, een spotten zijn,
Dat er geen bruîgom is, terwijl de priester
Gereed staat om het huwlijk in te zeeg’nen!
Niet waar, Lucentio, welk een smaad op ons!
Katharina.
’t Is smaad op mij! Ja, ’k werd genoopt, de hand
Met tegenzin te reiken aan een dollen,
Grilzieken wildeman, die vliegensvlug
Verloofd wil zijn, maar trouwen, als ’t hem lust.
Ik zeide ’t wel, ’t was een bezeten zot;
Die bitt’re scherts verbergt in lompheids schijn,
Die graag, om maar voor grappig door te gaan,
Een duizend meisjes vraagt, het huw’lijk afspreekt,
De gasten nooden, de geboden gaan,
Maar ’t bruidje op de bruiloft zitten laat.
Nu wijst een elk op de arme Katharina,
En lacht: „Ei ziet, daar gaat Petruccio’s vrouw,
Als die maar komen en haar hebben woû!” 20
Tranio.
Bedaar, Kath’rina, en ook gij, Battista;
Ik zweer er op, Petruccio meent het goed,
Wat hem ook stremme in ’t houden van zijn woord.
Zij hij wat ruw, verstandig is hij zeer;
Drijv’ hij den spot, hij is een man van eer.
Katharina.
O, had hem Katharina nooit gezien!
(Katharina gaat weenend heen, gevolgd door Bianca en anderen.)
Battista.
Ga, kind, het spreekt van zelf, dat gij nu weent.
Want zulk een hoon verdroeg geen heil’ge zelfs,
Laat staan een driftkop van uw kreeg’len aard.
(Biondello komt op.)
Biondello.
O heer, heer! nieuws, oud nieuws en nieuws, zooals gij nog nooit gehoord hebt!
Battista.
Wat! nieuw en tevens oud? hoe kan dit zijn?
Biondello.
Wat! is het geen nieuws, te hooren, dat daar Petruccio komt?
Battista.
Is hij gekomen?
Biondello.
Wel neen, heer.
Battista.
Wat dan?
Biondello.
Hij is bezig te komen.
Battista.
Wanneer zal hij hier zijn?
Biondello.
Als hij staat, waar ik sta, en u daar ziet.
Tranio.
Komaan, voor den dag met uw oud nieuws!
Biondello.
Wel, Petruccio komt daar aan, met een nieuwen hoed en een oud wambuis; met een oude broek, die al driemaal gekeerd is; met een paar laarzen, die al voor kaarsenbakken gediend hebben, de een gegespt, de ander geregen, een ouden roestigen degen uit een stadsarsenaal, met een gebroken gevest en zonder haak; met twee gebroken broeknestels; zijn paard met ontwrichte heup, met een oud wormstekig zadel en tweeërlei stijgbeugels; bovendien, kuchende en niet vrij van ruggemergstering; lijdend aan speekselvloed, last hebbend van huidworm, vol gallen en met spatten, gestreept van de geelzucht, met ongeneeslijke halsgezwellen, sterk onderhevig aan duizelingen, opgevreten van de wormen, met een zadelrug en boegkreupel; zwak op de voorhand, en met een half verbogen stang en een hoofdstel van schapenleer, dat gedurig, als men het paard sterk ophield bij het struikelen, gebroken en dan weer aan elkander geknoopt is; een cingel, die al zesmaal gelapt is en een staartriem met fluweel van een dameszadel, waar nog mooi met koperen nagels twee letters van haar naam op staan, en die hier en daar met pakgaren gelapt is. 64
Battista.
En wie vergezelt hem?
Biondello.
Zijn lakei, heer, en die is waarachtig al evenzoo opgetuigd als het paard; hij heeft een garen hoos aan het eene been en een wollen sok aan het andere; den eenen knieband van rooden, den ander van blauwen zelfkant; een ouden hoed, en daarop „de veertig lustige liefdeliedjes” bij wijze van vederbos; een gedrocht, een waar gedrocht in zijn kleeding, in het geheel niet als een christenbediende of een edelmanslakei.
Tranio.
Een vreemde luim, die tot dit doen hem drijft;
Maar toch, hij gaat wel meer wat min gekleed.
Battista.
’k Ben blij toch, dat hij komt, hoe ’t dan ook zij.
Biondello.
Wel, heer, hij komt niet.
Battista.
Hebt gij dan niet gezegd, dat hij daar kwam?
Biondello.
Wie? dat Petruccio kwam?
Battista.
Ja, dat Petruccio kwam.
Biondello.
Neen, heer, zijn paard, komt met hem er bovenop,
Battista.
Och kom, dat is hetzelfde.
Biondello.
Neen, bij Sint Japik, en een duit verwed ik er om:
Een paard en een man is meer dan een, schoon lang geen ruiterdrom.
(Petruccio en Grumio komen op.)
Petruccio.
Waar is hier ’t schoon gezelschap? wie is thuis?
Battista.
Goed, dat gij komt.
Petruccio.
Goed, dat gij komt. En toch kom ik niet goed.
Battista.
Toch hinkt gij niet, heer.
Tranio.
Toch hinkt gij niet, heer. Niet zoo goed gekleed,
Als ik wel wenschte.
Petruccio.
Als ik wel wenschte. Al ware ik fijn gekleed,
Toch stoof ik met dezelfde vaart hier in.
Maar waar is Kaatje? waar mijn lieve bruid?—
Hoe vaart mijn vader?—Vrienden, zijt gij boos?
Wat gapen mij deze eed’le gasten aan,
Als ware hier iets wondervreemds verschenen,
Als zagen zij een monster, een komeet? 98
Battista.
Wel, heer, gij weet, dit is uw huwelijksdag;
Eerst waren wij bedroefd, dat gij niet kwaamt;
En thans nog meer bedroefd, dat gij zoo komt.
Foei, weg die kleeding! zij onteert uw stand,
En is een doorn in ’t oog bij zulk een feest!
Tranio.
En zeg ons, welk een oorzaak van gewicht
Zoo lang u van uw bruid verwijderd hield
En zoo onkenbaar u hierhenen dreef?
Petruccio.
’t Verhalen maakte uw oor, mijn tong vermoeid;
Genoeg, ik kwam hier aan en hield mijn woord,
Doch kon niet alles doen wat ik beloofde.
Maar dit zal ik te zijner tijd wel zoo
Rechtvaardigen, dat gij tevreden zijt.
Maar waar is Kaatje? ’k Moest lang bij haar zijn;
De zon staat hoog; ’t is tijd ter kerk te gaan.
Tranio.
Ga toch niet zoo gekleed naar uwe bruid,
Kom met mij mee, trek kleed’ren aan van mij.
Petruccio.
Neen, waarlijk niet; neen, zoo bezoek ik haar.
Battista.
Maar zoo, verwacht ik, gaat gij niet ter trouw.
Petruccio.
Waarachtig, zoo; daarom, geen woorden meer!
Zij trouwt met mij, en niet met mijn gewaad;
Vernieuwde ik, wat zij mij verslijten zal
Zoo snel, als ik dit poover kleed vervang,
’t Waar’ goed voor Kaatje en beter voor mijzelf.
Maar dwaas, dat ik met u hier babb’len blijf,
En niet mijn bruid een blijden morgen wensch,
Dien naam bezeeg’lend met een teed’ren kus!
(Petruccio, Grumio en Biondello af.)
Tranio.
Hij heeft een doel met deze dolle kleeding;
Maar laat ons, is het moog’lijk, hem bepraten,
Dat hij zich voor den kerkgang beter kleedt.
Battista.
Ik volg hem om te zien, waar dit op uitloopt.
(Battista, Gremio en Bedienden af.)
Tranio
(tot Lucentio). Heer, bij haar liefde hebben wij volstrekt
Haars vaders jawoord noodig, en hiertoe
Zie ik, zooals ik u reeds heb gezegd,
Naar iemand uit;—het doet er niet veel toe
Wie ’t is; wij zullen hem zijn rol wel leeren,—
Die voor Vincentio van Pisa speelt;
Die waarborg’ schrift’lijk hier in Padua
U grooter sommen zelfs dan ik beloofde.
Dan ziet gij spoedig uwe hoop vervuld,
En huwt uw bruidje met haars vaders wil.
Lucentio.
Als maar mijn kameraad, die and’re leeraar,
Bianca’s schreden niet zoo scherp in ’t oog hield,
Dan waar’ een heim’lijke echt het best. Is die
Gesloten, zegge ook heel de wereld „neen”,
Ik trots geheel de wereld, zij blijft mijn. 144
Tranio.
Wij willen dit van stap tot stap bepraten,
En uitzien, wat ons voordeel brengen kan;
Licht foppen wij dan grauwbaard Gremio,
Den schuwen loeroog, vader Minola,
Den smachtenden muziekgek, Licio,
En alles voor mijn heer, Lucentio.—
(Gremio komt terug.)
Reeds uit de kerk terug, signore Gremio?
Gremio.
Zoo vlug als ik maar ooit de school ontvlood.
Tranio.
En komt de jonge man en vrouw reeds aan?
Gremio.
De jonge man? zeg eer, de wildeman,
Een kregelkop, dit zal zij ondervinden.
Tranio.
Wat, kreeg’ler nog dan zij? Dit kan toch niet.
Gremio.
Een duivel is hij, duivel, satan zelf.
Tranio.
Zij is een duivelin, des duivels moêr.
Gremio.
Zij is een kind, een duifje, een lam bij hem.
’k Zal u vertellen; op des priesters vraag:
„Wenscht gij deez’ Katharina tot uw vrouw?”
Riep hij: „Verduiveld graag”, en vloekte zoo,
Dat van den schrik de priester ’t boek liet vallen;
En toen hij, om het op te rapen, bukte,
Gaf hem de dolle bruîgom zulk een duw,
Dat paap en boek daar lag, en boek en paap;
Toen riep hij: „Raap hen op! wie lust heeft, raap!”
Tranio.
Wat zei de sukkel, toen hij weder stond?
Gremio.
Die rilde en beefde; hij toch stampte en zwoer,
Dat hem de kapelaan voor ’t lapje hield.
Maar nauw’lijks was de plechtigheid volbracht,
Of hij schreeuwt luid om wijn en roept: „Daar ga je”,—
Als was hij op zijn schip, en met zijn volk
Na storm aan ’t drinken,—giet den wijn naar binnen,
En wierp, wat van den huwlijkskoek in ’t glas
Nog over was, den koster in ’t gezicht;
En uit geen and’ren grond,
Dan dat zijn baard zoo schraal en hong’rig was,
Dat die bij ’t drinken om een sopje vroeg;
Toen greep hij woest zijn bruidje om den hals,
En gaf haar zulk een smakkend luiden kus,
Dat, toen hij losliet, heel de kerk weerklonk.
Toen ik dat zag, liep ik van schaamte weg,
En zeker volgt de trein mij op den voet.
Zoo dwaas een huw’lijk werd nog nooit gesloten;—
Ja, luister! ’k hoor de muzikanten al! 185
(Muziek.)
(Petruccio, Katharina, Bianca, Battista, Hortensio, Gremio en Anderen komen op.)
Petruccio.
Mijnheeren, vrienden, ’k dank u voor uw moeite;
Ik weet, gij dacht hier met mij aan te zitten
En hebt een kost’lijk bruiloftsmaal gereed;
Maar tot mijn spijt drijft groote haast mij heen,
Waarom ik hier nu afscheid nemen wil.
Battista.
Is ’t moog’lijk, wilt gij nog deze’ avond weg?
Petruccio.
Ik moet bij dag nog heen, eer de avond valt;—
Weest niet verbaasd; waar’ de oorzaak u bekend,
Eer drongt gij, dat ik ging, dan dat ik bleef.
Vereerd gezelschap, dank u allen, die
Getuigen waart, hoe ik mijn leven aan
Deez’ zachte, lieve en eerb’re gâ verbond;
Spijst met mijn vader, wijdt een dronk aan ons,
Want ik moet heen;—en nu, vaart allen wel.
Tranio.
Laat u verbidden, blijf tot na het maal.
Petruccio.
Het kan niet zijn.
Gremio.
Het kan niet zijn. Laat mij u dan verbidden.
Petruccio.
Het kan niet zijn.
Katharina.
Het kan niet zijn. Laat mij u dan verbidden.
Petruccio.
Nu is het goed.
Katharina.
Nu is het goed. Is ’t u nu goed, te blijven?
Petruccio.
Het is mij goed, dat gij me om blijven bidt;
Maar blijven kan ik niet, hoe gij me ook bidt.
Katharina.
Zoo gij mij liefhebt, blijf.
Petruccio.
Zoo gij mij liefhebt, blijf. Grumio, mijn paarden!
Grumio.
De paarden staan klaar, heer, de haver heeft ze al opgevreten.
Katharina.
Nu dan,
Doe wat gij wilt, van daag reis ik niet af;
Ook morgen niet, niet eer dan ik ’t verkies.
De deur is open, heer, daar ligt uw weg;
Hots gij maar weg, als gij op spelden staat;
Ik ga niet heen, niet eer dan ik ’t verkies;—
Dat moet toch wel een echte brombeer zijn,
Die zoo op de’ eersten dag zijn klauw al toont!
Petruccio.
Kom, Kaatje, kalm; ik bid u, word niet boos.
Katharina.
Ik wil nu boos zijn; waarom blijft gij niet?
Neen, vader, stil; hij blijft zoolang ik wil. 219
Gremio.
O heer, daar hebt ge ’t lieve leven al.
Katharina.
Komt, heeren, voorwaarts nu naar ’t bruiloftsmaal!
Ik zie het al, de vrouw wierd een malloot,
Had zij de kracht, den moed niet tot verzet.
Petruccio.
Zij zullen doen wat gij gezegd hebt, Kaatje;—
Gehoorzaamt allen; ’t is de bruid, die ’t wil;
Viert feest en jubelt; voert de vreugd in top;
Wijdt aan haar vleklooze onschuld meen’gen dronk;
Weest uitgelaten dol,—of hangt u op;
Maar hier mijn beste Kaat, zij gaat met mij.
Neen, blikt niet boos, stampt, raast en tiert maar niet;
’k Wil meester zijn van wat mijn eigen is;
Zij is mijn have en goed; zij is mijn huis,
Mijn huisgerief, mijn veld, mijn korenschuur,
Mijn paard, mijn os, mijn ezel, ja mijn al;
Hier staat ze; wie het hart heeft, raak’ haar aan;
Ik daag ter rekenschap wien ook, die stout
Den weg me in Padua verspert.—Trek, Grumio,
Trek, trek uw zwaard; zie, ons omsing’len roovers;
Bevrijd uw meesteres: toon u een man;—
Vrees niets, mijn schat; zij doen u niets, mijn Kaatje;
Ik ben uw schutse, al waren ze een miljoen!
(Petruccio, Katharina en Grumio af.)
Battista.
Nu, laat hen gaan, een paar zoo zacht als lamm’ren.

De getemde feeks, Derde Bedrijf, Tweede Tooneel.
Gremio.
Waar’ ’t niet zoo snel gegaan, ’k waar’ dood van ’t lachen.
Tranio.
Zoo dol een echt werd nergens ooit vertoond!
Lucentio.
Wat zegt ge, jonkvrouw, thans wel van uw zuster?
Bianca.
Ze is een zottin, en heeft een zot tot maat.
Gremio.
Ik sta hem borg, zijn Kaatje blijkt een Kaat.
Battista.
Komt, buren, vrienden! Bruid en bruidegom
Ontbreken, ja, aan onze tafel, maar
Daarom ontbreken lekkernijen niet;—
Neem gij de plaats des bruigoms in, Lucentio;
En gij, Bianca, eens de plaats der bruid.
Tranio.
Zal dus Bianca leeren bruid te spelen?
Battista.
Dat zal ze, ja, Lucentio.—Vrienden, komt!
(Allen af.)