← Table of contents
De getemde feeks

Eerste Bedrijf.

L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation

Eerste Tooneel.

Padua. Een plein.

Lucentio en Tranio komen op.

Lucentio.

Gij weet het, Tranio, hoe de vuur’ge wensch

Om ’t schoone Padua, der kunsten wieg,

Te zien, mij naar het vruchtb’re Lombardije,

Dien lusthof van het groot Italië, dreef;

En hoe mij ’s vaders wensch en wil daartoe

Zijn zegen gaf en u tot metgezel,

U, trouwe dienaar, jaren reeds beproefd;

Hier zijn we aan ’t doel en willen ’t pad der kennis,

Der eed’le studiën inslaan, ons tot heil.

Pisa, beroemd door tal van eed’le burgers,

Schonk mij het aanzijn en mijn vader ook,

De wereld door als hand’laar wel bekend,

Vincentio, van den stam der Bentivogli.

’t Betaamt Vincentio’s zoon, die in Florence

Werd opgevoed, dat hij, zooals men wacht,

Door edel doen zijn rijkdom glans verleen’;

En daarom, Tranio, wil ’k mijn studietijd

Aan deugd en aan dat deel der wijsheid wijden,

Dat leert, hoe ons het waar geluk alleen

Door deugdbetrachting kan ten deele vallen.

Onthoud uw raad mij niet; want nu ik Pisa

Voor Padua verliet, is ’t mij als een,

Die uit een waadb’ren plas in ’t meer zich stort

En gretig zijnen dorst te lesschen tracht. 24

Tranio.

Mi perdonate, beste jonge meester,

Ik denk hierin volkomen als gijzelf,

En ben verheugd, dat ge in uw plan volhardt,

Der zoete wijsheid honigzoet te zuigen.

Slechts dit, mijn goede meester, laat ons toch,

Terwijl wij deugd en zedeleer bewond’ren,

Geen Stoïkers, geen stijve stokken zijn,

Zoo vroom verdiept in Aristoteles,

Dat wij Ovidius voor een schandvlek reek’nen.

Leer Logica door wedstrijd met uw vrienden,

Welsprekendheid in ’t dagelijksch gesprek;

Verfrisch u met muziek en poëzie;

Dat Wiskunst u en Metaphysica

Slechts laven, als de trek u hong’rig maakt;

Want niets gedijt, als lust en liefde ontbreekt;—

In ’t kort, studeer wat u het meest behaagt.

Lucentio.

Ik dank u, Tranio, want uw raad is goed.

Was Biondello nu maar aangeland,

Dan brachten we onze zaken fluks op stel,

En huurden we ons een woning, ter ontvangst

Der vrienden, die ons Padua schenken zal.

Maar kijk eens, wat gezelschap daar verschijnt!

Tranio.

Een optocht wis, die ons hier welkom heet. 47

(Battista, Katharina, Bianca, Gremio en Hortensio komen op. Lucentio en Tranio zijn ter zijde gegaan.)

Battista.

Neen, eed’le heeren, dringt niet verder aan;

Want wat ik vast besloot is u bekend:

Mijn jongste dochter nimmer uit te huwen,

Aleer mijn oudste een man heeft opgedaan;

Heeft een van u nu zin in Katharina,—

Daar ik u beiden ken, u beiden mag,—

Die maak’ haar vrij het hof; mij is het wel.

Gremio.

Het hof? Ik ducht haar slof; ze is mij te grof;—

Hoe is ’t, Hortensio, gij, verlangt ge een vrouw?

Katharina

(tot Battista). Mijn vader, zeg, is ’t uw bedoeling, mij

Te koop te veilen aan dit edel paar?

Hortensio.

Een paar? Met u wil niemand zijn gepaard,

Voordat ge toont een liever zachter aard.

Katharina.

Geloof mij, heer, wees niet beducht; gij zijt,—

’k Verzeker u,—niet halfweg tot haar hart;

En dacht ge ’t soms, zij nam een driestal op

En kamde er ’t hoofd u mee, zooals men dorscht,

En verfde uw facie als van een hansworst.

Hortensio.

O Heere God, bewaar ons voor zoo’n duivel!

Gremio.

En mij ook, Heere God!

Tranio.

’t Is kost’lijk, heer! die voert wat in haar mars;

De deerne is stapelgek of wonderdwars.

Lucentio.

Terwijl van de and’re ’t zwijgen mij behaagt;

Zij toont de zachte schuchterheid der maagd.

Stil, Tranio!

Tranio.

Juist, meester, ja; geef daar uw oog den kost.

Battista.

Mijn heeren, om u ook ’t bewijs te geven,

Dat ik het meen;—Bianca, ga naar binnen;

En wees er niet bedroefd om, mijn Bianca,

Ik heb u toch niet minder lief, mijn kind. 77

Katharina.

Mijn popje, wat schreit ge, wat greit ge?

Wees niet zoo dom, ge weet zelf niet waarom.

Bianca.

Dat ik niet lustig ben, verlustigt u.—

Deemoedig, vader, eer ik uwen wil;

’k Heb tot gezelschap mijn muziek en boeken;

Daar ben ik mee alleen, toch niet alleen.

Lucentio.

Hoor, Tranio; ’t is, alsof Minerva spreekt.

Hortensio.

Signor Battista, wees toch niet zoo streng;

Het grieft mij zeer, te zien, dat onze liefde

Bianca leed brengt.

Gremio.

Bianca leed brengt. Wat! ge sluit haar op,

Signor Battista, om deez’ duivelin,

En straft haar voor de scherpe tong van de and’re?

Battista.

Berust er in, mijn’ heeren, dit staat vast;—

Bianca, ga naar binnen!

(Bianca af.)

Maar wijl ik weet, hoe zij genoegen vindt

In zang en snarenspel en poëzie,

Verlang ik onderwijzers in mijn huis,

Bekwame lieden. Weet soms een van u,

Hortensio of signore Gremio, er zoo,

Zend hen gerust tot mij; zijn zij geschikt,

Dan zal ik ruim betalen; ik spaar niets

Om mijne kind’ren deugd’lijk op te voeden;

En nu vaartwel!—Gij, Katharina, blijf;

Want ik heb met Bianca nog te spreken.

(Battista af.)

Katharina.

Nu, ’k mag toch, denk ik, ook wel gaan; waarom niet?

Wie schrijft mijn tijd mij voor? alsof ikzelf

Niet wist, wat ik moet doen en laten? Ha!

(Katharina af.)

Gremio.

Loop naar des duivels grootmoeder!—Uwe gaven zijn zoo goed, dat niemand van u gediend is.—Zoo groot is de liefde tusschen Katharina en haar vader niet, Hortensio, of wij mogen wel op onze nagels gaan blazen en geduldig vasten; onze koek is aan geen van beide zijden nog gaar. Vaarwel!—maar toch, als ik ten pleiziere van de lieve Bianca op de een of andere wijze een geschikt man kan opdiepen om haar les te geven in haar lievelingsvakken, zal ik hem aan haar vader zenden.

Hortensio.

Dit wil ik ook doen, signore Gremio; nog een enkel woord, bid ik u. Hoewel de aard van onzen wedstrijd tot nog toe geen overeenkomst tusschen ons toeliet, zou het, wèl ingezien, nu toch voor ons beiden van belang wezen,—om weer toegang te verkrijgen bij onze schoone gebiedster, en het geluk te hebben van weer mededingers te zijn in Bianca’s min,—toch één ding vooral te bewerken en het tot stand te brengen. 121

Gremio.

En wat dan, bid ik u?

Hortensio.

Wel aan haar zuster een man te bezorgen.

Gremio.

Een man? een duivel!

Hortensio.

Ik zeg, een man.

Gremio.

Ik zeg, een duivel. Gelooft gij, Hortensio, dat, al is haar vader ook nog zoo rijk, iemand zoo gek zal wezen, van de hel te trouwen.

Hortensio.

Wat, Gremio, al gaat het uw lijdzaamheid en de mijne te boven, haar luid gekrijsch te verdragen, kom, man,—er zijn nog wel goeie kerels genoeg in de wereld, als ze zoo maar te vinden waren, die haar wel met al haar gebreken, en het geld er bij, zouden nemen.

Gremio.

Ik weet niet, maar ik nam al even graag haar huwelijksgift met het beding, dat ik elken morgen op de markt zou gegeeseld worden.

Hortensio.

Ik geef toe, uit rotte appels is het kwaad kiezen. Maar komaan, daar deze hinderpaal ons tot vrienden maakt, willen wij ons zoolang als vrienden aaneensluiten, tot wij aan Battista’s oudste dochter een man bezorgd hebben, en daardoor de jongste voor een man hebben vrijgemaakt, en dan gaat het er van voren af aan weer op los!—Lieve Bianca!—Wie ’t gelukkigst is, brengt de bruid thuis. Wie ’t snelste paard berijdt, steekt den ring. Wat zegt gij er van, signore Gremio?

Gremio.

Ik ben ’t ermee eens, en ik wenschte, dat ik het beste paard van Padua al aan hem had kunnen geven, die flink er op aan wou rijen, naar haar vrijen en het huis van haar bevrijen wou. Laat ons gaan!

(Beiden af.)

(Tranio en Lucentio komen weder naar voren.)

Tranio.

Maar, waarde heer, verklaar mij, hoe is ’t moog’lijk,

Dat liefde zoo in eens de menschen pakt?

Lucentio.

O Tranio, eer ikzelf het ondervond,

Hield ik het noch voor moog’lijk noch geloof’lijk;

De ziel zoo onder de’ arm stond ik te kijken,

Daar nam de min met ziel en al mij in;

En, vriend! ronduit belijd ik thans aan u,—

Die mij zoo lief zijt, zoo met mij vertrouwd,

Als Anna met haar zuster Dido was,—

Tranio, ik brand, ik smacht, ik sterf, mijn Tranio,

Als ik die jonge zachte maagd niet win;

O, raad mij, Tranio, want ik weet, gij kunt dit,

O, help mij, Tranio, want ik weet, gij wilt.

Tranio.

Heer, ’t is de tijd nu niet om u te gispen, 164

En geen sermoen drijft liefde ooit uit het hart;

Nam liefde u in, dan is de beste spreuk:

Redime te captum, quam queas minimo.

Lucentio.

Heb dank, mijn jongen; verder! dit verkwikt,

De rest zal troosten, want uw raad is goed.

Tranio.

O heer, gij zaagt zoo smachtend naar de maagd,

Wellicht ontging u ’t fijne van de zaak.

Lucentio.

Toch, ik zag lieflijk schoon op haar gelaat,

Zooals Agenors dochter eens bezat,

Die Jupiter deed buigen voor haar hand,

Zijn knie tot kussen dwong van Creta’s strand.

Tranio.

Zaagt gij niet meer? Gij merktet niet, hoe luid

Haar zuster keef, en zulk een storm deed stormen,

Dat nauw één sterflijk oor ’t rumoer verdroeg?

Lucentio.

Tranio, ik zag haar rozenmond zich oop’nen,

De lucht werd van haar ademtocht doorgeurd,

En hemelsch, lieflijk was al wat ik zag.

Tranio.

Nu, dan is ’t tijd hem uit zijn roes te wekken.—

Word wakker, heer! bemint gij ’t meisje, spits

Voor haar vernuft en geest dan. Hoor hoe ’t staat:

Haar oud’re zuster is zoo boos en vinnig

Dat, tot van haar de vader af is, heer,

Zij, die gij mint, te huis moet koekeloeren;

En daarom heeft hij thans haar opgekooid,

Opdat zij niet van vrijers word’ geplaagd.

Lucentio.

O Tranio, welk een wreedheid van den vader!

Maar hebt gij niet gehoord, hoe hij voor haar

Geschikte leeraars zoekt om les te geven?

Tranio.

Ja, zeker hoorde ik ’t; en mijn plan is rijp.

Lucentio.

Tranio, ik heb mijn plan.

Tranio.

Tranio, ik heb mijn plan. Nu, ’k wed, zoo waar,

Uw plan en ’t mijn gaan zeker hand aan hand.

Lucentio.

Zeg me eerst het uwe.

Tranio.

Zeg me eerst het uwe. Gij wilt leeraar zijn,

En neemt het onderwijs der schoone op u;

Dit is uw plan. 198

Lucentio.

Dit is uw plan. Zoo is ’t; maar zou het gaan?

Tranio.

Onmoog’lijk; wie vervult in Padua

De rol dan van Vincentio’s zoon? Wie houdt

Uw huis hier op, studeert, ontvangt de vrienden,

Bezoekt uw landgenooten en onthaalt ze?

Lucentio.

Basta, stel u gerust; mijn plan is klaar.

Wij hebben nog geen één bezoek gebracht;

En niemand leest het af op ons gezicht,

Wie heer, wie dienaar is; wij doen dus zoo:

Gij zijt de meester, Tranio, in mijn plaats,

Houdt huis, voert staat, hebt dienaars, als ware ik het;

En ik ben iemand anders uit Florence,

Uit Napels, of een minder man uit Pisa.

Klaar zijn we; en zoo gebeure ’t. Tranio, vlug;

Uw pak uit, neem mijn vederhoed en mantel;

Komt Biondello, dan bedient hij u,

Maar eerst leg ik zijn tong het zwijgen op.

(Zij verwisselen van kleeding.)

Tranio.

Dit zal hoog noodig zijn.—

In ’t kort, heer, wijl gij ’t zoo beveelt, en daar

Ik tot gehoorzaamheid gebonden ben,—

Want zoo beval uw vader mij bij ’t afscheid:

„Wees steeds mijn zoon ten dienst,” zoo sprak hij; maar

Ik twijfel, of hij ’t nu juist zoo bedoelde,—

Zoo wil ik spelen voor Lucentio,

Omdat ik hart heb voor Lucentio.

Lucentio.

Neen, Tranio, doe het om Lucentio’s hart;

Knecht wil ik zijn om haar te winnen, die

Zoo snel mijn oog in knechtschap heeft gebracht.

(Biondello komt op.)

Daar komt de guit.—Knaap, waar hebt gij gezeten?

Biondello.

Waar ik gezeten heb?—Maar heer, waar zit gij zelf in?

Stal Tranio uw gewaad, of gij het zijn’,

Of staalt gij beide’? Ik bid u, leg ’t mij uit.

Lucentio.

Knaap, hoor eens hier, ’t is nu geen tijd tot schertsen,

En schik dus uw manieren naar den tijd.

Hier Tranio heeft, om ’t leven mij te redden,

Mijn houding aangenomen en gewaad,

En ik, om mij te bergen, die van hem;

Ik kreeg, hier nauw’lijks aangeland, een twist,

Versloeg mijn man, en vrees, men is me op ’t spoor.

Nu is hij heer: gij, dien hem, zooals ’t hoort,

En ik red nu mijn leven door de vlucht.

Verstaan?

Biondello.

Ja, heer, maar ik begrijp geen zier.

Lucentio.

En rep voortaan geen zier van Tranio!

Want Tranio is Lucentio geworden.

Biondello.

Daar boft hij mee; ik wilde ’t ook wel zijn. 243

Tranio.

En wist ik, kerel, dat het vragen ’t krijgen bracht teweeg,

Dan vroeg ik, dat Lucentio Battista’s tweede dochter kreeg;

Maar hoor—en, vriend, niet ik, uw meester is ’t die ’t vraagt,

Dat jij steeds in gezelschap behoorlijk je gedraagt,

Ben ik alleen, welnu, dan ben ik Tranio,

Maar elders ziet ge in mij uw heer, Lucentio.

Lucentio.

Kom, Tranio, laat ons gaan.—

Één ding nog, hoor, draag ik u op te doen:

Gij schaart u bij haar vrijers. Waartoe, vraagt gij wellicht;—

Genoeg, ik heb mijn reed’nen en die zijn van gewicht.

(Allen af.)

Eerste Bediende.

Mylord, gij knikkebolt, verveelt u ’t stuk?

Sluw.

Neen, bij Sint Anna; neen, ’t is mooi. Een goed stuk werk, waarachtig. Komt er nog meer van?

Page.

Mylord, ’t is een begin pas.

Sluw.

’t Is een prachtig stuk werk, Madam gemalin; ik wou, dat het gedaan was.

Tweede Tooneel.

Padua. Voor Hortensio’s huis.

Petruccio en Grumio komen op.

Petruccio.

Verona, ’k heb u voor een wijl verlaten,

En zoek in Padua mijn vrienden op;

Vooral mijn waarden, welbeproefden vriend

Hortensio; dit, meen ik, is zijn huis;—

Kom, klop eens, Grumio!—kloppen, zeg ik!

Grumio.

Kloppen, heer? Wien moet ik kloppen? Is hier iemand, die uw edelheid vereffonteerd heeft?

Petruccio.

Gehoorzaam, vlegel; klop me hier en flink!

Grumio.

U hier kloppen, heer? Wel, heer, wat denkt gij wel van mij, heer, dat ik u hier zou kloppen, heer?

Petruccio.

Schelm, klop me eens aan deez’ deur, en dat het klinkt,

Of ik klop u, dat morgen ’t oor nog zingt.

Grumio.

Mijn meester zoekt ruzie;—en als ik u klop,

Dan breekt het, dit weet ik, mij later toch op.

Petruccio.

Kom, doet ge ’t of niet? 15

Want als ge niet klopt, dan trek ik aan deez’ schel hier;

Kom, zing mi fa sol, dan hooren ze ’t wel hier.

(Hij trekt Grumio bij ’t oor.)

Grumio.

Helpt, vrienden, helpt, mijn heer is dol!

Petruccio.

Wel klop, als ik ’t beveel, gij lompe vlegel!

(Hortensio komt op.)

Hortensio.

Wat is hier aan de hand?—Wel zoo, mijn oude kennis Grumio! En gij, mijn waarde vriend Petruccio!—Hoe maakt gij allen het te Verona?

Petruccio.

Signor Hortensio, zijt gij het die dit stuit?

Con tutto il cuore ben trovato, roep ik uit.

Hortensio.

Alla nostra casa ben venuto; molt’ onorato Signor mio Petruccio.

Sta, Grumio, op; ik leg den twist wel bij.

Grumio.

Ach, heer, dat doet er niets toe, wat hij daar in ’t Latijn vertelt. Als dit nu voor mij geen wettige reden is, om uit zijn dienst te gaan! Denk eens, heer, hij beveelt mij hem te kloppen en van klinkem te raken, heer; nu, komt dat te pas, dat een bediende zijn heer zoo zou behandelen, die al wel,—zoo veel ik weet—twee-en-dertig heeft, en niet meer meespeelt?

Maar had ik ’t gedaan, toen hij zeide: „Klop, klop!”

Dan had hìj het, en erger brak ’t mij toch niet op.

Petruccio.

Aartsdomme schelm!—Verbeeld u, vriend Hortensio,

Ik zeg den guit te kloppen aan uw deur;

En wat ik zeide of niet, hij woû ’t niet doen.

Grumio.

O hemel! kloppen aan de deur!

Wat! hebt gij niet gezegd: „Knaap, klop mij hier!

Sla toe maar, klop me hier, klop dat het klinkt!”

En komt ge nu met „kloppen aan de deur?”

Petruccio.

Knaap, pak je weg of zwijg, dat raad ik je.

Hortensio.

Petruccio, stil! ik sta voor Grumio borg;

Wat dolle ruzie tusschen u en hem,

Uw ouwen, trouwen, snaakschen dienaar Grumio!—

Zeg liever, beste vriend, wat goede wind

Van ’t oud Verona u naar Padua blies.

Petruccio.

De wind, die ’t jonge volk alom verspreidt,

En verder af dan thuis hun heil doet zoeken.

Ginds blijft men groen als gras. Maar hoor in ’t kort,

Mijn vriend Hortensio, hoe het met mij staat.

Antonio, mijn vader, overleed,

En ik dwaal nu deez’ doolhof in en zoek

Er mijn fortuin,—God weet, misschien een vrouw;

’k Heb in mijn buidel goud, veel goed’ren thuis,

En trek de wereld rond; ik wil die zien. 58

Hortensio.

Petruccio, mag ik zonder omhaal u

Eens werven voor een fel en leelijk wijf?

Doch neen, voor zulk een raad kreeg ik geen dank;

En toch, ’k beloof u, dat zij rijk zou zijn,

Echt rijk;—maar neen, ge zijt te zeer mijn vriend,

Zoo’n koopje mag ik u niet leev’ren.

Petruccio.

Hortensio, tusschen vrienden zooals wij

Zijn weinig woorden noodig. Kent ge er eene,

Die rijk genoeg is voor Petruccio’s vrouw,—

Rijk is ’t refrein voor mijnen huwlijksdans,—

Waar ze ook zoo leelijk als Florentius’ bruid,

Oud als Sibylle, en even fel en vinnig

Als Socrates’ Xanthippe, erger nog,

’t Verschrikt mij niet, ik meen, het schrikt bij mij

Den lust niet weg tot de’ echt; waar’ ze ook zoo wild

Als de opgezweepte zee van Adria,—

Ik zoek een rijken trouw in Padua:

Trouw ’k rijk, dan trouw ik goed in Padua.

Grumio.

Kijk eens, heer, hij vertelt zoo maar platweg, hoe hij er over denkt; geef hem maar gouds genoeg, en ge kunt hem laten trouwen met een pop, of met het beeldje van een doekspeld, of met een oude slons, die geen enk’len tand meer in haar mond heeft, zelfs al had zij ook al de ziekten van twee-en-vijftig paarden; o niets komt hem te onpas, als er maar geld bij is.

Hortensio.

Petruccio, ’t ging al verder dan ik dacht;

Nu zet ik voort, wat ik in scherts begon.

Ik kan, Petruccio, stellig aan een vrouw

U helpen, rijk genoeg en jong en schoon,

Wel opgevoed, zooals haar stand dit eischt.

Haar een’ge feil,—en dit is feils genoeg,—

Is, dat zij onverdraag’lijk korzel is

En bits, onhandelbaar, in zulk een mate,

Dat ik, al ware ik ook in bitt’ren nood,

Haar voor een goudmijn zelfs niet trouwen zou.

Petruccio.

O zwijg, gij kent de kracht niet van het goud;—

Zeg mij haars vaders naam, dit is genoeg;

Ik enter haar, al keef ze ook even luid

Als in den herfst de zwartste donderwolk.

Hortensio.

Haar vader heet Battista Minola,

Een hoff’lijk en recht vriend’lijk edelman;

Hààr naam is Katharina Minola,

Befaamd in Padua door haar schamp’re tong.

Petruccio.

Haar vader ken ik, schoon ik haar niet ken,

En met mijn vader was hij ook bevriend.

Ik slaap niet, vriend, eer ik haar heb gezien;

Vergeef mij dus, dat ik na de’ eersten groet

U daad’lijk weer verlaat, tenzij ge mij

Verzellen wilt op mijnen tocht naar ginds. 106

Grumio.

Ik bid u, heer, laat hem gaan, nu hij er lust in heeft. Op mijn woord, als zij hem zoo goed kende als ik, zou zij begrijpen, dat kijven bij hem bijzonder weinig uitricht. Zij zal hem misschien tien keeren achter elkander schelm noemen, het doet hem niets; als hij eens begint, raast hij er op los met zijn galgescheldwoorden. Ik zal u eens wat zeggen; heer,—als zij hem durft staan, al is het ook nog zoo weinig, dan zal hij haar figuren op haar gezicht teekenen, dat haar gezicht geen gezicht meer is en zij haar oogen zoo dicht moet knijpen als een kat. Gij kent hem niet, heer.

Hortensio.

Wacht nog, Petruccio, ik moet met u gaan;

Mijn schat is bij Battista in bewaring,

Hij houdt mijns levens kleinood achter slot,

Zijn jongste dochter, schoonheids puik, Bianca;

Hij sluit van haar mij af en and’ren meer,

Die met me, om strijd, aanhouden om haar hand,

Daar hij zich wel niet anders denken kan,

Om al het moois, dat ik u heb verteld,

Dan dat hij met Kath’rina zitten blijft;

Zoo nam Battista dan ’t besluit, dat hij

Aan niemand zijn Bianca gunt, als niet

De helleveeg Katrijn eerst aan den man is.

Grumio.

„De helleveeg Katrijn!”

Geen bijnaam van een maagd kan erger zijn.

Hortensio.

Nu doe mijn vriend Petruccio mij den dienst,

En stell’ mij, stemmigjes gekleed, aan de’ ouden

Battista voor als deeg’lijk onderwijzer,

Om in muziek Bianca les te geven;

Door die vermomming krijg ik op zijn minst

Gelegenheid om met haar saam te zijn

En onverdacht mijn liefde te verklaren.

Grumio.

Neen maar, dat is me daar een guitenstuk! Kijk eens, hoe de jongelui, om de oudelui te bedotten, de koppen bij elkander steken!

(Gremio komt op met Lucentio, die verkleed is en boeken onder den arm draagt.)

Meester, meester, kijk eens om! Wie komt daar? Ha!

Hortensio.

Stil, Grumio, stil, het is mijn medevrijer;

Petruccio, kom nu hier, op zij!

Grumio.

Een knap jong mensch, juist om verliefd te zijn! 144

(Zij gaan ter zijde.)

Gremio.

In orde; ik heb de lijst goed nagezien;

Maar vriend, laat alles fraai gebonden zijn

En louter liefdeboeken, dit vooral;

En zorg, dat gij niets anders met haar leest.

Verstaan?—Hoor nog: wat u signor Battista

In mildheid schenkt, zal ik door ruime gift,

U nog vermeerd’ren.—Maar al wat gij schrijft,

Schrijf dat toch op geparfumeerd papier,

Want lief’lijker dan ’t geurigst reukwerk is

Zij, die ’t ontvangt.—Wat leest gij ’t eerst met haar?

Lucentio.

Wat het ook zij, ik werk alleen voor u,

Als mijn patroon; vertrouw hierop gerust,

Zoo vast, als waart gijzelf er altijd bij;

Licht vindt zelfs mìjn woord beter ingang, heer,

Dan ’t uwe, of gij moest een geleerde zijn.

Gremio.

O die geleerdheid, welk een schoone zaak!

Grumio.

O die onnooz’le, welk een rare snaak!

Petruccio.

Stil, vrindje!

Hortensio.

Stil, Grumio! (Hij treedt voor den dag.) Wees gegroet, signore Gremio!

Gremio.

Wees welkom, vriend Hortensio! Raadt gij niet,

Waar ik naar toe ga?—Naar Battista Minola.

’k Had hem beloofd, dat ik zou rondzien naar

Een onderwijzer voor de schoone Bianca;

En ’k heb ’t geluk gehad, deez’ jongen man

Te ontmoeten, die door kennis en manieren

Juist voor haar past, in poëzie belezen

En and’re boeken,—goede boeken, ja.

Hortensio.

Zeer goed; en ik heb juist een heer ontmoet,

Die heeft beloofd, me een fijnen musicus

Te zullen zenden voor onze uitverkoor’ne;

Zoo blijf ik dus niets achter in den dienst

Der schoone Bianca, die ik zoo bemin.

Gremio.

Die ik bemin; mijn doen zal dit bewijzen.

Grumio.

Zijn geldzak zal ’t bewijzen.

Hortensio.

’t Is nu geen tijd voor hart-uitstorting, Gremio.

Maar luister: wilt gij vriend’lijk zijn, dan meld

Ik u iets nieuws, ons beiden even welkom.

Deez’ heer, dien ik toevallig heb ontmoet,

Wil, daar zijn wensch met ons verlangen strookt,

Gaan vrijen naar de kreeg’le Katharina,

Ja, krijgt ze goed wat mee, haar trouwen ook.

Gremio.

Gezegd, gedaan, is mooi.—Hortensio, spreek,

Hebt gij hem haar gebreken opgesomd?

Petruccio.

Ik weet, zij is een twistziek, kijvend wijf;

Is ’t anders niet, mijn heeren, dat ’s geen kwaad.

Gremio.

Geen kwaad, mijn vriend? Nu!—Waar zijt gij vandaan? 190

Petruccio.

’k Ben van Verona, en Antonio’s zoon;

Die is me ontvallen; maar zijn geldkist bleef,

En ’k hoop, dat die mij goede dagen geev’.

Gremio.

Heer, goede dagen en zoo’n wijf, zijn twee;

Maar hebt gij lust, ga dan uw gang gerust;

Ik zal in alles u behulpzaam zijn.

Maar wilt gij zulk een boschkat?

Petruccio.

Maar wilt gij zulk een boschkat? Wil ik leven?

Grumio.

Hij wil haar? Nu, hij doe het, of ik hang haar!

Petruccio.

Waarvoor kwam ik dan hier, dan met dit doel?

Denkt gij mijn oor vervaard voor wat geruchts?

Hoorde ik dan nooit het brullen van den leeuw?

Hoorde ik de zee, door storm gezweept, niet woeden,

Gelijk een toornige ever, wit beschuimd?

Hoorde ik kanongebulder niet, in ’t veld,

Noch ’s hemels zwaar geschut daar in de lucht?

Hoorde ik nooit, in een slag van groote legers,

Gehinnik, krijgsgeschreeuw, trompetgeschal?

En reutelt gij me van een vrouwetong,

Die half zoo luid niet klapt als een kastanje

In ’t haardvuur van een pachter? Maak een kind

Met bietebauwen bang!

Grumio.

Met bietebauwen bang! Neen, hij ducht niets.

Gremio.

Hortensio, hoor.

Deez’ heer komt wel ter rechter tijd; ik heb

Een voorgevoel, ’t is ons geluk en ’t zijne.

Hortensio.

’k Heb hem gezegd, wij staan hem gaarne bij,

En houden bij dit vrijen graag hem vrij.

Gremio.

Volgaarne ja, neemt zij hem als gemaal aan.

Grumio.

O, bood men even wis me een goed onthaal aan.

(Tranio komt op, deftig uitgedost, met Biondello.)

Tranio.

God zegen’ u, mijn heeren! ’k Ben zoo vrij

Te vragen, wat de naaste weg wel is

Naar ’t huis van heer Battista Minola.

Gremio.

Waar die twee mooie dochters zijn, bedoelt gij dien?

Tranio.

Denzelfden.—Biondello!

Gremio.

’t Is u toch om de dochter niet te doen?

Tranio.

Om hem en haar misschien; dit is mìjn zaak. 226

Petruccio.

In geen geval om haar, die kijft, niet waar?

Tranio.

Een kijfster? dank u, heer!—Kom, Biondello!

Lucentio

(ter zijde). Goed, Tranio, goed!

Hortensio.

Goed, Tranio, goed! Heer, eer gij gaat, een woord!

Zeg ja of neen; heeft de and’re u soms bekoord?

Tranio.

Waar’ ’t zoo, beleedigde ik dan u daarmede?

Gremio.

Neen, heer, maar ik verbied u elke verd’re schrede.

Tranio.

De straat, heer, is, zoo ’k denk, wel even vrij

Voor mij en u.

Gremio.

Voor mij en u. De straat, heer, wel, niet zij.

Tranio.

Waarom dan, mag ik vragen?

Gremio.

Waarom dan, mag ik vragen? Vraagt ge zoo?

Welnu, ze is de uitverkoor’ne van signore Gremio.

Hortensio.

Verneem, dat haar verkoor signor Hortensio.

Tranio.

Al zacht, mijn heeren; gunt als edellieden

Ook mij mijn recht, en hoort mij rustig aan.

Battista is een waardig edelman,

En met mijn vader is hij goed bekend;

En waar’ zijn dochter schooner nog dan ze is,

Meer vrijers mocht zij hebben, mij er bij.

Een duizendtal had Leda’s schoone dochter,

De schoone Bianca hebbe één meer dan nu;

Lucentio zij die een, is mijn besluit,

Al dong ook Paris zelf mee naar de bruid.

Gremio.

Let op, deze een praat allen van de baan.

Lucentio.

Laat hem maar gaan; de klepper blijkt een knol.

Petruccio.

Hortensio, zeg, waartoe al dit gepraat?

Hortensio.

Vergun mij deze vraag nog, heer. Hebt gij

De dochters van Battista ooit gezien?

Tranio.

Neen, heer, maar van zijn tweetal wel gehoord;

De eene om haar kijfsche tong niet min befaamd,

Dan de and’re door haar zedigheid en schoon.

Petruccio.

Laat af van de eerste, heer, die is van mij.

Gremio.

Ja, laat aan Hercules dat werk maar over;

Het twaalftal van Alcides tell’ niet meer. 258

Petruccio.

Verneem van mij nu, heer, hoe ’t voor u staat:

De jongste dochter, zij, die gij verlangt,

Blijft, wie ook vrijen wil, nog achter slot;

Aan niemand wil haar vader haar verloven,

Aleer haar oud’re zuster is getrouwd,

Dan wordt de jong’re vrij, maar eerder niet.

Tranio.

Heer, staat het zoo, en zijt gij dus de man,

Die zoo ons allen voorthelpt, mij er bij,

Breekt gij het ijs, volbrengt gij ’t heldenstuk,

Neemt gij die oudste, en wordt de jong’re vrij

Voor onzen wedstrijd,—zeker, die haar krijgt,

Wie ’t zij, zal, zooals ’t past, zich dankbaar toonen.

Hortensio.

Zeer juist gesproken, heer, en met verstand;

En daar gij medevrijer u verklaart,

Zult gij, als wij, dien heer erkent’lijk zijn;

Wij allen saam zijn veel aan hem verplicht.

Tranio.

Ik blijf niet achter, heer, en tot bewijs

Vraag ik: brengt den namiddag met mij door,

En drinken we op het welzijn onzer liefsten,

En doen we als advocaten, die, hoe fel

Ze elkaar bestrijden, vrienden zijn aan tafel.

Grumio en Biondello.

Een prachtig voorstel! jongens, gaan wij mee!

Hortensio.

Dat voorstel is aanneemlijk, ja, ’t is goed;

U wacht, Petruccio, straks mijn welkomstgroet.

(Allen af.)

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings