K.
Reading edition
Kaaien, (zie Kajemen), vallen. Moet ik hem laten kaaien of schiet jij hem aan?
Kaairidders, sjouwerlui aan de kaden.
Kabanes, (zie cabanes). Herrie.
Kabs, alles kwijt; van alles beroofd. Ik heb hem kabs gehaald (bij ’t spel alles afgewonnen).
Kachel, stomdronken.
Kadin, (Kedin), veilig. De val is niet kadin (de gelegenheid is niet veilig).
Kaf, dorp, stad.
Kaf, 11.
Kaf of Kijf, rug.
Kajem, val. Ze deden een kajem over een paar kooters (kinderen).
Kajemen, vallen. Een laat er zich kajemen en de rus (rechercheur) doet een tuimel over hem heen, dat zijn heele kanes (hoofd) uit elkaar ligt.
Kajim, neus.
Kakebeenhuishouden, scheldnaam voor een magere.
Kakkies, voeten. Ze liep op bloote kakkies.
Kalfie, kinkel. Je hebt geen kalfie voor.
Kalie, water, rivier, haven.
Kalf, groot mes. (Zie Galf). Het scheelt me geen haar of ik haal hem een kalf door zijn bast.
Kalfsch, zilveren. Het kalfsche medaille (de zilveren medaille).
Kalle, bruid.
Kallebak, politieagent.
Kalles, zilver, ook: niets. Kalles kanteren. (Niets zeggen).
Kalletje, publieke vrouw.
Kanebrajer of Kaantjesbrader, iemand die zich over kleinigheden druk maakt.
Kanes, hoofd.
Kanker, makke met een kanker (35 cent).
Kankeren, plagen, pesten.
Kanteraar, straatzanger.
Kanteren, zingen langs de huizen.
Kapoeres, kapoet, kapot (stuk).
Zijn tik is kapoeres. (Zijn horloge is stuk).
Kapsie, aanmerking. Kapsie op iets maken.
Kapsoones, drukte. Die heeft altoos zoo’n kapsoones over z’n lijf.
Kapsoonesmaker, opschepper.
Kar of Karretje, rijwiel.
Kaskedoole, drukte.
Kaskenade, herrie.
Kaskienen, kleine sleutels voor kasten en kistjes.
Kassavie, brief, briefje. Ik zal een kassavie aan mijn gabber (kameraad) veeberen (schrijven).
Ook: bankbillet. Een kassavie van kimmel meier (300 gld.)
Kast, bochel. Ook draaiorgel.
Katezel, (zie Kattebak).
Katoen, kalm. Hou je katoen. Dood katoen (volkomen kalm).
Katsen, kijken. Kats den grandige roojemen naar de seeferaars. (Zie den agent eens kijken naar de dieven).
Katsen, (zie Kotsen en aankwatsen), praten. Een advocaat die goed katsen kan.
Katser, veelprater.
Katsjef, slager, die onrein vleesch verkoopt.
Katsjemme, luimkeet, penne, slaapstee.
Kattebak, ook Katterik en Katezel, winkellade. Ik kan dien kattebak niet nemen; er steunt (is) gajes (volk) in den winkel.
Katteborrel, glas melk.
Kattekop, scheepslantaarn, gewoonlijk van koper.
Kazer, vleesch. Bonzen met kazer (aardappels met vleesch).
Kedeevie, ook Kedeevid, klap, slag, stoot.
Jan gaf zijn niese een kedeevid in der lampies.
Kedin, zie Kadin. Veilig.
Keesie, pruim tabak.
Keet, herrie, drukte, janboel.
Bij Lammetje, daar is ’t me een keet; hier zitten er kienen te vijlen; daar studeert er een, hoe hij ’t best een vin in een ruit kan zetten (een barst in de ruit aanbrengen, om ze zonder geraas uit te kunnen nemen).
Ook: menigte. Wat een keet gajes!
Keet, (kit), zaak, luimkeet (slaapstee).
Keggie, mik, broodje.
Keien, iemand op de keien laten staan (hem niet meenemen in de kroeg).
Ook: Iemand in de verlegenheid laten.
Keilen, gooien. Hij keilde hem over de straat.
Keiletje, slokje, borrel. Ik heb een keiletje of tien van den loensche (schele) gehad.
Kennef of Kennep, kink, klap, stoot.
Kenijve, brood.
Kersepit, hoofd.
Kesef, zilver.
Ketippie, dubbeltje.
Kewijne, Kaas.
Kezavie, zie Kassavie.
Khein, loos, slim. Zie kim.
Khoug, kracht. Wat heb die vent een khoug in ze jatten.
Kiebes, hoofd.
Kiendop, klein persoontje.
Kien, hij drukt kien. (Hij zit vast, hij kan zich er niet meer uitredden).
Kienen, ook wel Kiejenen, koopen. Ze zijn een jajempie wezen kienen (een borreltje gaan koopen). Hij verklaarde dat ie dien dag van mij een zwijntje (fiets) had gekiend.
Ook opensluiten. Hij kient de deur open.
Kienen, sleutels. Een mooi stel kienen (ook tandels).

Enkele soorten van kienen:
Kieren, ik had hem in de kieren (in de ramen, in de gaten).
Kim, (Khein), goed. Dat smaakt kim. Ook: loos.
Kimmel, 3. Kimmel meier (300 gld.)
Kimmel jantjes (3 jaar).
Met ze kimmele (met z’n drieën).
Kimmel en dollet, 3 + 4 = 7.
Kimmelaar, 3 gulden.
Kimpet, in kimpet (in de kraam).
Kin, ja; ook wel stil.
Kinematograaf, sleutel (woordspeling met kien).
Kinf, luizen. Hij zit in de kinf.
Kink, klap, stoot.
Kip, agent van politie, ook hond.
Kippen, aandeel, portie. Heb jij er ook kippen aan?
Hij kreeg een roodruggetje op ze’n kippen.
Kippenhok, school.
Kit, (zie keet), luimkit (slaapstee), (zie platte kit).
Klabak, politieagent.
Klabbes, hoer.
Klanker, flesch. Een klanker neurie, (een flesch drank).
Klapper, kamer. Bovenklapper (bovenkamer). Luchtklapper (bovenhuis).
Klinkertje, glaasje.
Kleerenprik, kleermaker.
Kleezen, voeten. Hou je kleezen een beetje voor je, je schopt tegen me broek op. Die heit me een paar kleezen! Denk om je kleezen.
Kleine knoop, gulden.
Klepelstok, een stok met een gleufje aan de voorzijde, gebruikt om de kwak (winkelschel) over te tikken, (vast te houden).
Kletspatet, hoofdzeer.
Kleum, slaag. Je kunt nog kleum krijgen.
Kleur houden, blijven ontkennen.
Klimmerd, om daarbij te komen, moet ik een geduchte klimmerd maken.
Kloek legem, pond brood.
Kloek met kuikens, stel gewichten.
Kloft, kleeding. Je bent godin gekloft, (netjes gekleed).
Klofting, kleeren, ook wel beddegoed.
Klok, (voor uur). De drukste klok van den Jodenhoek is 11 uur. Onder de klok tippelen. (Naar den dokter loopen op spreekuur; ziek zijn van jongens of meiden die met den neus in den wind hebben geloopen).
Klok met kuikens, stel gewichten in blok.
Klokkie, horloge.
Klomp, groote neus.
Klopdaai, man met een zeer hoofd.
Kluif, een hartig stuk van den slager. Schertsend, voor een stuk koek. Moeke, geef me een bak zweet, (kom koffie) met een kluif.
Kluisgaten, oogen.
Kluit, groote hoeveelheid. Een kluit geld.
Klijf, zilver. (Zie Timtim).
Klijfsch, zilveren. Klijfsche speentjes (zilveren knipjes; beursjes).
Knaak, rijksdaalder. Loensche knaken (valsche rijksd.). Je krijgt bij den snees nog beis knaken voor dat pijtje (jas). Die ander heeft je een lammetje gegeven; het is mij een knaak waard.
Knageling, rat.
Knaker, portemonnaie.
Knappert, pistool. Knappers (pistolen).
Knar, hoofd. Hij heeft een harde knar. Ik kreeg onverwachts een mep tegen me knar.
Knees en Kneesde, kende; van knijzen (kennen). Zij kneesde mijn niese.
Kneibel, sterke, pootige kerel.
Knikker op het dak, Brigadier van politie in Amsterdam.
Knikkers, biljartballen.
Knippen, aanhouden.
Knobbel- of knopsmeris, Brigadier van politie in Amsterdam.
Knoften, (zie Kloften).
Knok, slag (ook slaag). Dat is er een, die je knok kan geven. Zij was bang, dat zij knok kreeg van mijn niese.
Knokken, vechten, slaan, stukslaan.
Ook: wisselen.
Hij had dat poen (geld) nog niet geknokt.
Knoloog, schele.
Knolsmeris, bereden politieagent. Knopknolsmeris (bereden brigadier in Amsterdam).
Knoopje, dubbeltje.
Knul, vent. Die knul, die de knaken (rijksd.) maakt, was bijna geschaakt (gesnapt).
Knurf, klap. Hij kreeg een knurf in zijn tronie.
Knijzen ook Knijtsen, kijken. Zij knijsden hem goed in de lampies.
Knijs even uit, of er wat op de vlakte is.
Stijf staan knijtsen.
Al de buren stonden voor het raam te knijzen.
Ook kennen. Ik knijsde hem noppes. (Ik kende hem niet.) Een broocher, dien ik niet knijs.
Koef noen, twee Hebreeuwsche letters, K en N, gebruikt voor: kost niets.
Koetsef, diamant, (roosje).
Koetsef blinker, briljant.
Koeskoepee, bed, slaapplaats.
Koffer, bed. Ik ga naar den koffer. Hij gaat met zen mokkel in de koffer.
Kokkerd, een groote. Een groote neus, bijv.
Konkel, koffieketel.
Kontslinger, achterjaszak.
Kool, bedrog, (seibel). Iemand een kool stoven.
Kooler, spoortrein. Pleite gaan met de kooler is altijd gevaarlijk; zoodra de zaak ontdekt is, gaat het naar alle kanten rikketikketik en je bent zoo gesjankt. (Met den trein er van doorgaan is altijd gevaarlijk, zoodra de zaak ontdekt is, wordt naar alle kanten getelegrapheerd en je wordt direct aangehouden).
Koone, aangezicht.
Kolf, mes, (zie galf).
Koperen bout, agent van politie in uniform.
Koppie, dubbeltje.
Kopstoot, een stoot met het hoofd, van onderen tegen iemands kin, waarbij het woord hengs! wordt gesproken. De gestootene valt in den regel duizelig achterover en wordt beroofd.
Korpus delik (Corpus delicti), bewijsstuk. Ze heb het korpus delik (ze is zwanger).
Kooter, kind. De kooters zijn naar school.
Heb dat niese een kooter? (Heeft die meid een kind?)
Kooterum, klein.
Kortjan, matrozenmes.
Kotel bajes, gevangenis.
Kotsen, braken, ook opbiechten. Je moet voor den goochemerd kotsen, (voor den rechter van instructie moet je opbiechten). Zie Katsen.
Kopzorg, bekommering. Heb daar geen kopzorg over, (bemoei je daar niet mee.)
Koud maken, vermoorden.
Kout, mes. (Zie Nijf, Galf, Nifterik).
Kousjer, zuiver. Dat zijn kousjere bullen.
Je zou bij je olmse (ouders) toch een veel kousjerer leven hebben dan in zoo’n spiese.
Kraak, inbraak. Een krakie zetten (een inbraak doen).
Twee vrijers waren bezig met een kraak.
Kraanoogen, spelden. Leverworst met kraanoogen aan een joekel (hond) geven om hem stil te maken (te dooden).
Krabbedaaier, vechtersbaas, ruziemaker.
Krabbelpoj, inkt.
Krabber, breekijzer.
Krakeling, ze verlunzen geen krakeling (ze verstaan geen woord).
Kraken, inbreken. Het nobele volk neemt den nacht voor den dag; bij dag luimen ze, bij nacht kraken ze.
Kraker, inbreker. Hij stond bekend als een kraker.
Krakertje, borreltje.
Krankjorem, krankzinnig.
Krates, (kriek), gebochelde.
Krats, streep; streep door de rekening, teleurstelling; een niet in de loterij.
Krauter, politieagent.
Kreeft, vleesch.
Kreischen, schreeuwen.
Kren, meid. Ze zit met kren (ze is zwanger).
Krententuin, Veenhuizen.
Kriek, gebochelde.
Krien, zilver.
Krot, verdacht huis.
Kruif, kwast, verwaande kerel, grootdoender.
Krummeldieven, minachtend voor pruldieven. Dat is een mooie stad om te jatten voor de krummeldieven.
Kug, brood.
Kuierstokken, beenen. Neem je kuierstokken (pak je weg).
Kuil, kelder, ook: diepert. Bierkuil (bierkelder). We gaan naar de kuil van Moeke.
Kuiten, neem de kuiten (maak beenen; zet het op een loopen).
Kutpooier, iemand, die leeft van zijn meid of vrouw. Zie: Behojjebikker.
Kwak, winkelschel. De kwak doet ting-ting. Tik de kwak over (hou de schel vast).
Kwakkie, kleine hoeveelheid. De snees (opkooper) zou de daaien (diamanten) bij kwakkies laten verslijpen.
Kwant, flink. Dat vind ik kwant van hem.
Kwart meier, ¼ van ƒ100. Bankje van ƒ25.
Kwats, uitroep. Kwats! die zit er weer in. (Wordt bedoeld: in de gevangenis).
Kwiek, vlug.
Kwinten, zakkenrollen.
Kijletje, (zie Keiletje), slokje.
Kijf, zie Kaf.