J.
Reading edition
Jajem, jenever.
Jajemen, drinken.
Jajemer, drinkebroer.
Jajempie, slokje, borrel.
Jandoedel, jenever.
Jantif, Paschen.
Jantje, jaar. Hij was pas ontslagen van 2 jantjes.
Jas, een jas met staldeuren (een jacquet).
Een jas krijgen (slecht wegkomen; in ’t ootje genomen worden). Hij heb een jas gehad (hij is voor den mal gehouden).
Iemand een jas geven (hem voor ’t lapje houden, of hem erin laten vliegen). Zie Vrijzetter.
Jaspenen, zitten. Hij jaspent in de lik.
Jat, hand. Wat een jatte heeft die! Doe weg die jat. Met de jat peezen. (De hand ophouden, bedelen).
Jatmoos, (ook jetmoos), handgeld. Heb je wat benosseld, van avond? Noppes (neen) ’k heb den heelen dag getippeld en nog geen jatmoos gehad.
Jatmouzen, kleinigheden stelen; die met de handen te grijpen zijn, bijv. appels, peren, een zakmes etc.
Jato, agent van politie.
Jatten, stelen. Zie Jat.
Jatter, (ook jetter), dief. Die goozers zijn zelf de grootste jatters.
Jeile of Jeilie, geschreeuw, ophef.
Maak er maar zoo’n jeilie niet van.
Jen, grap. Voor de jen (voor de leus).
Jennen, spelen, liegen. Ik ga jennen. Jen wat voor me.
Jenner, speler. De jenner heeft de bank.
Ook: Quasi-toeschouwer, die mee in ’t complot is, maar zich houdt als een vreemde; ongeveer als voerder, verlokker.
Jennetje, leugen.
Jensen, gebruiken. Een niese (meid) jensen.
Jetje, ik gaf hem van Jetje (een pak slaag).
Job, onnoozel.
Job, schip, schuit, stoomboot. Hoe hard moest ik niet bavianen toen ik op die job was.
Joekel (tjoekel), hond. Daar is een joekel in de bajes.
Joentje, (zie Joetje).
Joet, 10. Beis joetjes (20). Hij heeft er al beis joetjes opzitten (20 jaar). Joet bas (10 stuiver); Joet meier ƒ1000.—.
Joet-beis, 12.
Joet-dold, 14.
Joeter, 10 stuivers (1/2 gld.).
Joetje, gouden tientje.
Jokef, Jozef.
Joosie, je zult er een joosie aan hebben (ik zal je maar gelijk geven).
Joven, goed, mooi. Een joven ponum. (Een mooi gezicht).
Jouker, duur. 7 pietermannen (7 gld.) is toch niet te jouker. Een poenbroekie is nog jouker ook, op Kattenburg betaal je er 7½ piek voor.
Jozef godin, de brave Jozef.
Juutje, (zie Joetje).
Jijles, drukte, moeilijkheid.