G.
Reading edition
Gaai, man.
Gabber, kameraad, vriend.
Gabbertaal, taal der kameraden, Bargoensch.
Gabel, vork.
Gadjeener, slager.
Gaf, 20.
Gajes, (zie gaai), volk, menschen. De steeg is vuil en het gajes, dat er steunt, zijn meestal luitjes van de universiteiten (gevangenissen). Dof gajes (loos volk, rechercheurs). Link gajes (niet te vertrouwen personen). Om gajes gaan (om zeep gaan, krepeeren). Het gajes is pleite (de bewoners zijn uit). Tof gajes (volk dat niet hindert, in tegenstelling met link gajes, politie).
Gakmoos, (zie Jatmoos), handgeld, eerste inbeuring.
Galf, mes.
Galg, knip van een deur, ook: bretel. Onder- en bovengalg.
Gallach, pastoor, priester.
Galsterd, gemeene kerel.
Gammel, ziek. Dat niese is zoo gammel als de pest, door en door kapot.
Gammor, domoor, ezel.
Gannef, dief, bedrieger.
Gannefen, stelen, bedriegen.
Gappen, pakken, stelen.
Gasjewijnen, weggaan, er van door gaan. Sjewijn (fiets).
Gasse(r), zwerver.
Gassenen, trouwen.
Gasser, spek, ook zwijn.
Gasserol, pet.
Gassie, pet of muts. Glimmend gassie (agent van Politie).
Gattes, deugniet.
Gavver, zie Gabber. Kameraad.
Gebbetje, grapje, lolletje.
Gebeft gajes, Heeren van ’t Gerecht.
Gebenscht, gezegend.
Gebrand, gebrande jongen (iemand die veel op zijn kerfstok heeft).
Gebroedsel, familie. Span, daar steunt gebroedsel van je. (Kijk, daar staat familie van je).
Gedagis, iemand de gedagis ingeven. (Iemand de les lezen, hem inlichten of waarschuwen).
Gedallist, op straat, op de keien, zonder geld. Ik ben (of ik sta) gedallist. Schei uit, ik ben net zoo gedallist als jij.
Gedekt, aan het gezicht of het gehoor onttrokken. Hij staat gedekt. Gedekt smoezen. Houd je gedekt (zeg niets).
Gediegen of gedegen, bekend.
Gedoft, gepoetst. Hij draagt altijd een paar gedofte hiepen (schoenen).
Gedrost, op den loop gegaan. Ook: naar de bajes gebracht.
Geeltje, bankbiljet van 25 gulden.
Geflescht, beetgenomen. Ik heb hem geflescht.
Gefloten, gestolen. Gefloten goederen.
Gehaaid, flink, ferm, handig, doorkneed. Een gehaaide jongen. Dat gaat hier gehaaid, hoor!
Gehad, bemachtigd. Ik heb gisteravond wat schooren gehad (goederen bemachtigd).
Gehandeld, gestolen. Hij had een paar stukkies blauw laken gehandeld (lood gestolen).
Geheibeld, gestoord.
Geilkenen, deelen.
Geiluk, aandeel.
Gein, pret, plezier. Ik had mijn grootste gein in dien ouwe.
Geintjes, grappen, lolletjes.
Gekloft ook wel geklopt, gekleed of netjes gekleed. Hij loopt joven (mooi) gekloft, draagt een paar godinne (beste) hiepen (schoenen) en heeft een godinne gooferd (hoed) op. De heitjes-piejijzers loopen er gewoonlijk gekloft bij.
Geknipt, aangehouden.
Gelicht, gerold. Ik knijsde dat de vink werd gelicht. (Ik zag dat de portemonnaie werd gerold).
Gelitanieerd, gebruikt (gezegd van een vrouw). Als dat niese 10 of 12 maal op een avond gelitanieerd is, etc.
Gelooid, sterk. Een gelooide gooser (een sterke kerel).
’t Gemot, ’t Gerecht. Ik heb lieve zaakies gehad en nooit last van ’t gemot.
Genifterd, gedood.
Gepensionneerde, veeljarig gestrafte. Gepensionneerd met het fokse medaille (iemand, die 20 jaar gezeten heeft).
Gepiept, gestolen.
Geplakt, gevangen, gearresteerd.
Ges, ook wel get of gis, 8. Ges knaken (8 rijksd.).
Geschaakt, gesnapt. Al wordt er een geschaakt, geen moed opgeven!
Gescheft of Gesjeft, een geschefte jongen (een, die reeds veel in de gevangenis is geweest).
Geschote, gezien, begrepen. Heit niemand je geschote?
Geseewerd, gestolen. Zie Gezeeferd.
Gesimpt, geschreid.
Gesjankt, getrouwd; ook gesnapt. Laat mijn meid geweest zijn, wie ze wil, nu is ze gesjankt, meneer.
Ben je met je niese gesjankt?
Gesjochten, arm.
Geslagen, gestolen.
Geslikt, gestolen.
Gesprongen, uitgegeven. Drie loensche (valsche) knaken (rijksd.) zijn er gesprongen.
Het ezeltje is gesprongen. (De lade is open gegaan).
Geteistem, uitvaagsel. Wij komen niet meer met dat geteistem in aanraking.
Gevazel, valsch spel.
Geweirim, kameraden. Is dat je geweirim? (zijn dat je gabbers?)
Geweldje, geweldpleging. Een krakie (inbraak) en een geweldje; ’t wil wat zeggen ook.
Gewikst, glad, slim, loos, scherpzinnig.
Gewoer of gewoerig maken, wegstoppen. Ik heb het gewoere gemaakt onder de derig (aardoppervlakte).
Gezeeferd of gesewerd, gestolen. Een kar met gezeeferd blauw laken (gestolen lood).
Gezopen, beetgenomen.
Gibbissen, bijten. Dat joekel (hond) heb me in me fiets gegibbist.
Gies, meid, dienstmaagd, vrouw.
Gif, slim. Zoo gif binne we ook wel.
Gif (Kif), boosheid. De gooser sloeg alles kort en klein; dat komt door de kif.
Giftig, boos.
Gila, spek.
Gilleskrauter, dief of inbreker op klaarlichten dag.
Gilkemen, Gilkunnen of Gilkanen, deelen. Zie Geilkenen.
Gimme, boter.
Gis, loos, verstandig. Hij is een gisse jongen; hij laat zich niet meevoeren.
Ook: onveilig. ’t Is me hier een beetje al te gis. Zie ook Ges.
Glamonius, ruit.
Glimmende gajes, politiemannen in uniform.
Glimmende gassie, agent van politie.
Glimmert, politieagent.
Glimmerik, oog, ook politieagent. Ze hebben hem in de glimmerikken. Gekleurde glimmerikken (blauwe oogen).
Glonis, raam, glasruit. Kijk me die gooser daar zitten roojemen door die glonissen. (Kijk me dien vent daar zitten kijken door de ruiten).
Gnajen, (ngajin), 70.
Gnorel, onbesnedene, christen. (Zie Orel).
Gochem, loos.
Godin, oprecht, echt, vertrouwd, best. Een godinne jongen. Godin! ik weet het niet.
Jozef Godin (de eerlijke Jozef). Godinne schoren (kostelijke of eerlijk verkregen goederen).
Godinne, houd je goed!
Goïm, christen.
Goj, de mannelijkheid.
Gok bajes, speelhuis.
Gokken, spelen om geld.
Gokker, speler.
Goksie, voor de goksie (voor de grap).
Golof, melk.
Gondel, dame. Frits is verschud (opgepakt); hij nam een vinkie (portemonnaie) met 23 centen van een gondel.
Ook: de achterzak op de japon van een dame. Daar zit een vinkie in die gondel. Kijk, wat een gondel, ’t lijkt wel een gaper.
Ik besteedde mijn laatsten schrabber (cent) aan een kluif voor me gondel.
Gondelbajes, Bordeel.

Gondelspiese,
Gondeltas,
Gons, een steek, een por.
Goochem, loos.
Goochemerd, de rechter van instructie. Je moet voor den goochemerd kotsen (opbiechten).
Gooferd of Goofertje, hoed. Geef je goofertje maar hier!
Gooien, ik heb er alle kienen (sleutels) opgegooid (aangewend).
Goozer, kerel; ook vrijer. Een haaie goozer (een sterke kerel). Uitgaan op sikkere goozers (dronken kerels).
Heb je mijn goozer van avond nog gezien?
Kijk me die goozers eens tippelen.
Goozertjes, id. id., ik ga op de goozertjes tippelen.
Goozertippelaar, die bij avond op dronken lui uitgaat, om ze te berooven.
Gouden ploeg, groote dievenbende.
Gouden regen, rijke buit.
Gouden spie, gouden tientje (fokse spie).
Goudvink, officier.
Grammonen, gereedschap voor inbraak.
Granderik, hemel.
Grandig, voornaam, deftig. Grandig gekloft of geklopt (deftig gekleed).
Grandige, heerschap. Zeg grandige, stiek (geef) me een bas (stuiver), dan heb ik net luimspieën (centen voor slaapgeld) genoeg.
Grandige(r), politieman.
Grauwe erwten, hij is in de grauwe erwten gevallen (hij is mottig).
Grazen, iemand te grazen nemen (beetnemen, bedotten).
Greppel, grens. Over de greppel gaan. (Over de grens of naar ’t buitenland gaan).
Gribus, gevangenis. Ook een verdachte steeg. Pas op dat je niet in die gribus gaat.
Grikse, wandluizen.
Grimmerigen, lachen. Loek, de gooser grimmerigt. (Zie de vent lacht). Wat grimmerigt die gooser schijnheilig. (Wat lacht die kerel smerig).
Groen, dom, onnoozel. Er zijn nog wel groene goosers onder de prinserij.
Groene deken, het gras. Luimen op de groene deken. (In ’t gras slapen).
Groentjes, onervaren jongens.
Grom, klein.
Grom, kleintje (kind). Dat niese zit met grom (is zwanger).
Grommerig, jong, klein. Hij heeft zulke grommerige jatten (kleine handen), dat hij haai (goed) op de meeluk kan peezen (zakken rollen).
Grommetje, kind. Bet heeft twee kleine grommetjes. Ze zit den heelen dag met de grommetjes opgescheept.
Ook meisje. Een grommetje waarschuwde hem, dat de vrijer (man) een nijf in zijn jat had.
Groot Bajes, strafgevangenis te Leeuwarden.
Grootlef, hart, moed; ook wel goed geluk, avontuur. Op groot lef tippelen (zonder vrees, zonder iets te ontzien op diefstal uitgaan). Hij had bij “Moeke” een goede cent schuld; dus ging hij op groot lef tippelen. Ze hebben hem op grootlef geplakt (ze hebben hem op goed geluk aangehouden).
Groot-Mokum, Amsterdam.
Groote knoop, rijksdaalder.
Grijns, gezicht. Hij gaf den rus (rechercheur) een mekajem (klap) voor zijn grijns, dat ie tuimelde.
Grijnzen, huilen.
Grijpelingen, vingers.